Xenophon

Paardrijden

Naar het Grieksch van

Xenophon

door

C.A. van Woelderen

Derde druk

's-Gravenhage
N.V. Boekhandel
v/h W.P. van Stockum & Zoon
1928


Inhoud.

Voorrede bij den eersten, bij den tweeden en bij den derden druk ...
Paardrijden
  (Peri\ 7(Ippikh=j) vertaald uit het Grieksch
I. Inleiding - Het keuren van veulens ...
II. Het africhten van jonge paarden ...
III. Het koopen van afgerichte paarden ...
IV. Het paard op stal ...
V. Verplichtingen van den stalknecht ...
VI. Behandeling van het paard ...
VII. Het opstijgen, de gangen en de hulpen ...
VIII. Terreinrijden en oefeningen ...
IX. Hete en trage paarden ...
X. De houding van het paard ...
XI. Pronkpaarden (De Grieksche Hoogeschool) ...
XII. Wapenrusting van ruiter en paard ...
Kritiek van Prof. Dr. S.A. Naber (uit "Mnemosyne") ...
Kritiek van Gen.-Maj. J.H. Knel (Uit "Het Paard") ...

Het Grieksche Paardentuig ...
Korte levensbeschrijving van Xenophon ...
Kritieken op den tweeden druk ...

Hoewel in den oorspronkelijken Griekschen tekst de hoofdstukken geen titels dragen, zijn deze voor een gemakkelijker overzicht in de vertaling daarboven geplaatst.


HOOFDSTUK I.

Inleiding. — Het keuren van veulens.

DOORDAT het ons te beurt gevallen is, langen tijd het paardrijden te beoefenen en wij zoodoende verstand van paarden meenen te hebben gekregen, willen wij aan onze jongere vrienden duidelijk maken, hoe zij naar onze meening op de beste wijze met paarden kunnen omgaan.
Nu heeft ook wel Simon over paardrijden geschreven, de man, die ook het metalen paard in de nabijheid van het Eleusinium te Athene gewijd heeft en op het voetstuk zijne eigen daden heeft laten inbeitelen, maar toch schrappen wij niet datgene uit onze geschriften, waarin wij volkomen met hem overeenstemmen, doch wij zullen die dingen juist met veel meer genoegen aan onze vrienden mededeelen in de meening, dat zij er des te geloofwaardiger om zullen zijn, omdat ook een goed paardenkenner als hij daarin hetzelfde inzicht had als wij; en wat hij verder onvermeld gelaten heeft, zullen wij trachten duidelijk te maken.
Allereerst dan zullen wij beschrijven, hoe men bij het koopen van paarden zoo min mogelijk bedrogen kan worden. Van een veulen, onafgericht als het nog is, moet men natuurlijk slechts het lichaam keuren, want van zijn temperament vertoont het veulen, daar het nog niet bereden wordt, nog geen volkomen duidelijke kenteekenen.
Van het lichaam nu moet men volgens ons in de eerste plaats de voeten onderzoeken. Want evenals een huis niets waard is, als weliswaar de bovenbouw zeer mooi is, maar als er geen behoorlijke fundamenten onderzitten, zoo zou ook een krijgspaard niets waard zijn — ook niet als het overigens alle goede eigenschappen bezit — indien het slechte voeten heeft, want dan zou het van al die goede eigenschappen geen gebruik kunnen maken. Men onderzoekt de voeten door in de eerste plaats de hoeven te keuren, want voor goede voeten munten dikwandige hoeven verre uit boven dunwandige hoeven; vervolgens moet men er ook goed op letten, of de hoeven — zoowel aan de voorzijde als aan de achterzijde — steil of schuin zijn. Want bij steile hoeven is de straal verder van den grond af, daarentegen raken schuine hoeven gelijkelijk den grond met het sterkste en zwakste deel van den hoef, evenals dit het geval is met platvoeten bij den mensch. En Simon zegt, dat paarden met goede hoeven kenbaar zijn door den klank en dat zegt hij zeer terecht, want de holle hoef klinkt op den grond als een cymbaal.
Daar wij nu hier begonnen zijn, zullen wij ook langs dezen weg omhoog gaan, om het overige gedeelte van het lichaam te behandelen. Welnu, ook de beenderen boven de hoeven, maar beneden de kogels, moeten niet te rechtstandig zijn, zooals bij de geiten, want, omdat zij een grooten terugstoot geven, doen zij den ruiter stooten; ook zijn dergelijke beenen meer aan ontsteking onderhevig; maar ook mogen deze beenderen niet te schuin staan, want dan worden de kogels kaal en krijgen wonden, als het paard over aardkluiten of steenen gaat. De pijpbeenderen moeten krachtig zijn, want deze zijn de stutten van het lichaam; zij mogen echter niet te vleezig zijn, want anders zouden de aderen, wanneer het paard over harden grond gaat, zich noodzakelijk met bloed vullen en er zouden gallen ontstaan, de beenen zouden dik worden en de huid zou opzetten. Wanneer deze slap wordt, maakt dikwijls een griffelbeentje, na losgeraakt te zijn, het paard kreupel.
Indien verder het veulen de knieën bij het gaan veerkrachtig buigt, kan men veronderstellen, dat ook bij het berijden de beenen veerkrachtig zullen zijn, want alle veulens buigen in de knieën na verloop van tijd veerkrachtiger door. Buigzame kniee'n worden terecht op prijs gesteld, want daardoor stoot het paard minder aan en is onvermoeider dan een paard met stijve beenen.
Indien de opperarmen onder de schouders krachtig zijn, dan zien ze er sterker en mooier uit, evenals dit het geval is bij een man. En eene breede borst heeft ook een gunstigen invloed op schoonheid en kracht en op het niet kruisen, maar op grooten afstand van elkaar vooruitbrengen van de beenen.
Van de borst af moet verder de hals niet zooals die van het varken voorovergebogen zijn, maar evenals die van den haan recht opgaan tot aan de kruin, doch in het gebogen gedeelte lenig zijn. Het hoofd moet sterk ontwikkelde beenderen en kleine kaken hebben. Op die wijze zal zich de hals juist voor den ruiter bevinden, maar diens oog zal dan het terrein vóór de beenen kunnen zien. En een paard, dat een zoodanigen bouw heeft, zal zich zeer weinig kunnen verzetten, ook al heeft het veel temperament, want de paarden trachten zich te verzetten niet door het buigen, maar door het uitstrekken van den hals en het hoofd.
Men moet er ook op letten, of beide kaken zacht of hard zijn, of een van beide. Want meestal worden paarden met ongelijke kaken hard in den mond. En ook maakt verder een paard met ver naar voren tredende oogen den indruk levendiger te zijn dan een paard met diepliggende oogen; ook kan een dergelijk paard over eene grootere uitgestrektheid zien. Open neusgaten zijn beter voor het ademhalen geschikt dan ingevallene en doen het paard tevens vuriger schijnen. Immers, wanneer een paard toornig is op een ander, of opgewonden is bij het berijden, dan maakt het zijne neusgaten wijder open. En verder staan eene breede kruin, maar kleine ooren een paard goed. Voorts maakt eene hooge schoft voor den ruiter den zit zekerder en de aanhechting van de schouders sterker. Een ronde rug is zoowel zachter voor den zit als ook aangenamer voor bet oog dan een scherpe rug.
Ook eene vrij breede en naar den buik in omvang toenemende flank maakt, dat het paard tegelijk een beteren zit verschaft en daarbij sterker is en beter eet. Hoe breeder en korter de lendenen zijn, des te gemakkelijker heft het paard zijne voorhand op en brengt het zijne achterhand onder; ook schijnt alsdan de buik zoo klein mogelijk, die, als hij groot is, eensdeels leelijk staat, anderdeels het paard zelf zwakker maakt en ongemakkelijker is. De heupen moeten verder breed zijn en goed in het vleesch zitten voor een behoorlijken overgang naar flanken en borst; indien zij in alle opzichten sterk zijn, dan zal dit de gangen gemakkelijker maken en het paard nog meer snelheid kunnen geven. Als de broek onder den staart door een breeden dam verdeeld wordt, dan zullen zoo ook de achterbeenen ver van elkaar worden neergezet. Zoodoende zal het paard bij den gestrekten stand en tevens bij het berijden levendiger en krachtiger zijn en in alle opzichten beter zijn. Men kan dit ook aan de menschen zien. Want als dezen iets van den grond willen oplichten, trachten alien dit liever met de beenen van elkaar dan aaneengesloten te doen.
Het paard moet geen groote ballen hebben, wat bij het veulen echter niet te zien is. Van de achterhand zeggen wij met betrekking tot de spronggewrichten, de pijpbeenderen, de kogels en de hoeven hetzelfde, als wat wij omtrent de voorhand gezegd hebben.
Ook wil ik nog beschrijven, hoe men zich zoo min mogelijk in de grootte kan vergissen. Het veulen, waarvan dadelijk bij de geboorte de pijpbeenderen zeer lang zijn, zal ook zeer groot worden. Want later worden de pijpbeenderen van alle viervoeters niet veel langer, maar het overige gedeelte van het lichaam zal opgroeien, totdat het ten opzichte van die beenderen de juiste verhouding heeft verkregen.
Door nu het uitwendig voorkomen van het veulen zoo te keuren, zal men naar onze meening de meeste kans hebben, om paarden te krijgen zoowel met goede beenen, als sterk en goed in het vleesch zittend, goed gebouwd en van goede grootte. Al veranderen bij het groeien sommige in hun nadeel, toch kan men gerust zoo keuren, want er komen veel meer fraaie paarden voort uit leelijke veulens, dan leelijke paarden uit fraaie veulens.

HOOFDSTUK II.

Het africhten van jonge paarden.

HOE men nu jonge paarden moet africhten, behoeft, dunkt ons, niet beschreven te worden. Want om in de steden bij de bereden troepen dienst te doen, worden ingedeeld, wie door hun vermogen daartoe het best in staat zijn en een groot aandeel hebben aan het staatsbestuur. Nu is het voor een jongen man veel beter, om in plaats van het africhten van jonge paarden te zorgen voor het goed oefenen van eigen lichaam en het leeren paardrijden, of, kan hij dit reeds, zich daarop verder toe te leggen. En voor iemand, die wat ouder is, is het beter zich bezig te houden met zijne huishouding met zijne vrienden, met de politiek en met de krijgszaken, dan met het africhten van jonge paarden.
Wie daarom denkt evenals ik over het africhten van jonge paarden, zal natuurlijk zijn jong paard uitbesteden. Men moet dit echter evenzoo doen, als wanneer men zijn zoon uitbesteedt om iets te leeren, n.l. eerst schriftelijk overeenkomen, wat het paard bij het afleveren kennen moet. Want dit zullen aanwijzingen zijn voor den africhter, die hij ter harte zal moeten nemen, als hij zijn loon wil ontvangen. Men moet er intusschen voor zorgen, dat het veulen zachtzinnig, mak en vriendelijk wordt afgegeven aan den africhter. Want zoo wordt het hoofdzakelijk in den stal en door den stalknecht gemaakt, als deze het zoo weet in te richten, dat het veulen, als het alleen is, honger en dorst en last van de horzels heeft, maar dat het door de menschen verlost wordt van honger en dorst en hinderlijke dingen. Want als dat zoo geschiedt, dan zal het veulen noodzakelijk niet alleen van de menschen houden, maar ook naar hen verlangen. Ook moet men het paard daar streelen, waar het dit het liefste heeft. Dit zijn de meest behaarde plaatsen en daar, waar het paard het minst gemakkelijk bij kan komen, als iets het hindert. Ook moet men den stalknecht opdragen, het paard zoowel nu en dan door eene menschenmenigte heen te voeren, als het allerlei verschillende uitziende dingen en allerlei lawaai te doen naderen. Bij alles, waarvoor het veulen angstig is, moet men niet boos worden, maar het op kalme wijze leeren, dat er geen gevaar bestaat.
En zoo heb ik, dunkt mij, voor den leek met betrekking tot het africhten van paarden voldoende gezegd, hoe er gehandeld moet worden.

HOOFDSTUK III.

Het koopen van afgerichte paarden.

VERDER zullen wij voor iemand, die een paard koopt, dat reeds afgericht is, de kenteekenen opgeven, die hij goed moet kennen, om bij het koopen van paarden niet te worden bedrogen. Allereerst mag het hem niet onbekend zijn, hoe oud het paard is: want van een paard, dat geen kroonholten meer in de tanden heeft, zal men niet veel kans hebben, genoegen te beleven en ook zal men het niet meer gemakkelijk kwijtraken. Wanneer evenwel de jeugdige leeftijd nog duidelijk te zien is, dan moet men er wederom op letten, hoe het paard het gebit in den mond neemt en hoe het den hoofdriem over de ooren laat doen. Dit kan de kooper het best zien, wanneer, terwijl hij toekijkt, het gebit wordt ingebracht en ook weer uitgenomen. Vervolgens moet men er op letten, hoe het paard den ruiter op den rug verdraagt. Want vele paarden laten datgene moeilijk toe, waarvan zij te voren weten, dat zij erdoor gedwongen worden zich in te spannen, zoodra zij het hebben toegelaten. Ook moet men er op letten, of het paard na bestegen te zijn, niet kleeft en of het, terwijl het gereden wordt langs stilstaande paarden, niet naar deze uitbreekt. Ook zijn er sommige paarden, die door slechte africhting gedurende de oefeningen uitbreken naar den stal.
Het rijden van voltes toont verder aan, welke paarden aan eene zijde hard in den mond zijn, doch veel meer nog het rijden op beide handen. Want vele paarden trachten niet uit te breken, indien niet de zijde, waar zij hard in den mond zijn, samenvalt met die, langs welke zij naar huis kunnen uitbreken. Men moet verder weten, of, indien het paard in snellen gang is, het zich weer in korten tijd laat inhouden en of het zich wil laten wenden. Het is ook goed, er niet onkundig van te zijn, of het paard, wanneer het door een slag is opgewekt, even goed wil gehoorzamen. Immers ook een ongehoorzame slaaf en een ongehoorzaam leger zijn onbruikbaar, maar een ongehoorzaam paard is niet alleen onbruikbaar, maar het bewerkt ook dikwijls hetzelfde als een verrader.
Daar wij ons nu voornemen, een krijgspaard te koopen, moeten wij het op alles onderzoeken, waarin het in den oorlog op de proef gesteld wordt. B.v.: het springen over slooten, het nemen van dammen, het springen op aardhoogten en het daarvan afspringen. Ook moeten wij de proef nemen, het paard bergop en bergaf en schuin langs eene helling te laten gaan. Want daaraan kan men toetsen, of het paard zoowel veel temperament, als een gezond lichaam heeft.
Toch moet men een paard, dat deze dingen niet volkomen goed doet, niet afkeuren. Want vele paarden schieten daarin te kort, niet omdat zij het niet kunnen, maar omdat zij er niet in geoefend zijn. Maar als zij het geleerd hebben, er aan gewend en er in geoefend zijn, dan zullen zij die dingen goed kunnen doen, wanneer zij overigens gezond en niet gebrekkig zijn. Men moet zich echter in acht nemen voor paarden, die schichtig van aard zijn. Want zeer angstige paarden laten niet toe, den vijand vanuit den zadel te bestoken, maar dikwijls doen zij den ruiter vallen en brengen hem in zeer lastige omstandigheden. Ook moet men goed te weten komen, of het paard in sommige opzichten lastig is, hetzij tegenover paarden, hetzij tegenover menschen en of het kittelig is, want al die dingen worden lastig voor den bezitter.
Men zal nog veel beter het verzet tegen het optoomen, het bestijgen en andere streken kunnen leeren kennen, indien men, nadat het paard reeds vermoeid geworden is, beproeft het wederom alles te laten doen, wat men het heeft laten verrichten, voordat men begon het te berijden. Alle paarden, die, al zijn zij ook vermoeid, opnieuw gewillig vermoeienissen ondergaan, leveren daarmede een voldoend bewijs van een goed temperament.
Om het in het kort te herhalen: een paard, dat goede voeten heeft, dat gemakkelijk is, met voldoend snellen gang, dat vermoeienissen zal willen en kunnen doorstaan en dat zeer goed kan gehoorzamen, zal natuurlijk den geringsten last veroorzaken en voor den ruiter het veiligst zijn in den strijd. De paarden echter, die, òf door hunne traagheid sterk moeten worden aangedreven, òf omdat zij te heet zijn, veel vleierij en bemoeiïng eischen, nemen de handen van den ruiter te veel in beslag en maken hem in 't gevaar moedeloos.

Detail van het fries van het Parthenon

HOOFDSTUK IV.

Het paard op stal.

WANNEER nu iemand een paard gekocht heeft, waarmede hij tevreden is, en het naar huis heeft medegenomen, dan is het goed, als de stal zich in een zoodanig gedeelte van het huis bevindt, waar de eigenaar zeer dikwijls naar het paard kan omzien. Het is goed, als de paardenstal zoo is ingericht, dat er niet meer mogelijkheid bestaat, het voer van het paard uit de ruif te stelen, dan de levensmiddelen van den eigenaar uit zijne provisiekamer. Wie daarvoor geen zorg draagt, zorgt, dunkt mij, niet voor zichzelf, want het is duidelijk, dat de eigenaar in gevaar zijn lichaam aan het paard toevertrouwt.
Een veilige stal is niet alleen goed, om het stelen van het voer te beletten, maar ook om te doen blijken, of het paard wellicht van zijn voer overlaat. Wanneer dit blijkt, dan kan men de gevolgtrekking maken, dat, òf het lichaam wegens volbloedigheid behandeld moet worden, òf wegens krachteloosheid rust noodig heeft, òf dat de „gerstziekte" of eene andere ziekte het paard beslopen heeft. Evenals bij den mensch, zoo is ook bij het paard iedere ziekte in haar begin beter te genezen, dan wanneer zij ingeworteld of verkeerd behandeld is.
Evenals men nu bij het paard voor voer en ook voor oefeningen moet zorgen, om het lichaam krachtig te doen zijn, evenzoo moet men ook aan de voeten zorg besteden. Welnu, stallen, die vochtig zijn en een gladden bodem hebben, benadeelen ook van nature gezonde hoeven. De stal moet nu, om niet vochtig te zijn, eene goede afwatering hebben en om geen gladden bodem te hebben, voorzien zijn van een vloer van steenen ter grootte van de hoeven, want dergelijke stallen maken tevens de hoeven van de daarin staande paarden sterk.
Verder moet de stalknecht het paard, wanneer hij het gaat poetsen, naar buiten voeren; ook moet hij het, nadat het zijn ochtendvoer gekregen heeft, zoo vastbinden, dat het niet meer bij de ruif kan komen, opdat het des te meer trek in zijn middagvoer zal hebben. Als volgt zou nu de standplaats buiten den stal het meest geschikt kunnen zijn en de hoeven krachtig maken: men moet daartoe namelijk vier of vijf karreladingen ronde steenen zoo groot, dat men ze met de hand kan omvatten en ongeveer een pond zwaar, uitstrooien en afzetten met ijzer, opdat zij zich niet verspreiden. Want als het paard daarop staat, zal het zijn, alsof het gedurende een gedeelte van den dag op een steenachtigen weg gaat. Immers noodzakelijk moet het bij het poetsen en bij het afweren van de horzels de hoeven gebruiken, evenals wanneer het gaat. En de zoo neergeworpen steenen maken de stralen van de hoeven hard.
Evenals men er voor moet zorgen, dat de hoeven sterk zijn, zoo ook moet men er voor zorgdragen, dat de mond week is. Dezelfde middelen maken nu het vleesch van den mensch en den mond van het paard week.

Detail (blok II) van het westfries van het Parthenon, ca. 447 - 433 voor Chr.
(British Museum, Elgin Collection; afbeelding van Wikimedia Commons)

HOOFDSTUK V.

Verplichtingen van den stalknecht.

EEN goed ruiter moet, dunkt ons, zijn stalknecht ook leeren, hoe deze zijn paard moet behandelen. Welnu, aangaande den stalhalster moet deze weten, dat hij den knoop nooit mag leggen op de plaats, waar het hoofdstel komt te liggen. Want daar het paard dikwijls het hoofd aan de ruif wrijft, zal het dit kunnen verwonden, wanneer de halster niet zonder te hinderen om de ooren zit; als het paard zich daar gewond heeft, zal het noodzakelijk ook bij het optoomen en het poetsen lastiger zijn.
Ook is het goed, den stalknecht op te dragen, dagelijks den mest en het stroo van het paard naar dezelfde plaats weg te brengen. Want door dit te doen, zal hij dit zelf op de gemakkelijkste wijze verwijderen en tevens in het belang van het paard handelen.
Ook moet de stalknecht weten, hoe hij het paard den muilband moet aandoen, zoowel wanneer het naar buiten wordt gevoerd, om gepoetst te worden, als om zich te rollen. En verder moet hij het paard altijd muilbanden, waarheen hij het ook onopgetoomd geleidt. Want, zonder het ademen te hinderen, laat de muilband niet toe, dat het paard bijt en als hij omgedaan is, belet hij het, om kwaad te doen. En verder moet de knecht het paard vastbinden aan eene plaats hooger dan het hoofd. Want door zijn instinct schudt het paard alles, wat het voor zijn gezicht onaangenaam vindt, naar omhoog van zich af. Als het zoo is vastgebonden, maakt het bij dit afschudden het touw eerder losser, dan dat het dit stuk trekt.
Wanneer de stalknecht het paard poetst, moet hij met het hoofd en de manen beginnen, want als de bovenste deelen niet schoon zijn, doet men vergeefsche moeite met het schoonmaken van de onderste deelen. Vervolgens moet hij met al het poetsgereedschap over het overige lichaam tegen het haar opstrijken, en dan het stof met het haar mee wegborstelen, daarentegen mag hij de haren op den ruggegraat met geen enkel gereedschap aanraken, maar hij moet deze met zijne hand wrijven en glad maken in de richting, zooals zij van nature groeien, want zoo zal hij de zitplaats van den ruiter op het paard zoo weinig mogelijk benadeelen.
Het hoofd moet hij met water wasschen, want daar het beenig is, zou, indien men het met ijzeren of houten gereedschappen reinigde, dit het paard pijn kunnen doen. Ook den maantop moet men vochtig maken, want ook al hebben deze haren eene flinke lengte, toch belemmeren zij het paard niet om te zien, maar zij houden hinderlijke dingen van de oogen af. Men moet zelfs aannemen, dat de goden deze haren aan het paard gegeven hebben in de plaats van de lange ooren, die zij aan de ezels en aan de muildieren gegeven hebben tot bescherming van de oogen. Ook de staart en de manen moeten gewasschen worden, daar men juist deze haren moet laten groeien: de haren van dert staart, opdat het paard zoover mogelijk reikende dingen, die het hinderen, kan verjagen, de haren aan den hals, opdat degene, die opstijgt, zooveel mogelijk houvast zal hebben. De manen, de maantop en de staart zijn ook aan het paard tot sieraad door de goden gegeven. Dit wordt door het volgende bewezen: merries laten zich gewillig door ezels dekken, zoolang zij lange manen hebben, daarom scheren ook alle muildierfokkers hunne merries met het oog op het dekken.
Verder raden wij het wasschen van de beenen af, want dit levert in het geheel geen voordeel op, ja, het dagelijks nat worden schaadt de hoeven.
Ook moet men het te veel poetsen onder den buik vermijden, want dit is voor het paard zeer onaangenaam, en hoe schooner het daar is, des te eerder zullen er zich onder den buik dingen verzamelen, die het kwellen. Maar ook als men daaraan alle mogelijke zorg besteed heeft: nauwelijks is het paard buiten gebracht, of het is weer even vuil als het niet gepoetste paard. Dit moet men dus nalaten en verder is het voldoende, als het poetsen der beenen met de handen alleen geschiedt.

HOOFDSTUK VI.

Behandeling van het paard.

WIJ zullen verder ook duidelijk maken, hoe men met het minste gevaar voor zich zelf, doch op de voor het paard beste wijze poetst. Want als men bij het poetsen in dezelfde richting als het paard kijkt, loopt men gevaar door knie of hoef in het gezicht geslagen te worden, maar als men bij het poetsen den anderen kant uitkijkt als het paard en dit afwrijft, terwijl men zich buiten en naast het been vooroverbuigt langs den schouder van het paard, dan zal men zich zoodoende nergens aan blootstellen, maar ook den straal van het paard kunnen verzorgen door den hoef omhoog te heffen. Op dezelfde wijze moet men ook de achter-bcenen poetsen. Wie het paard verzorgt, moet ook weten, dat hij zoowel hierbij, als ook bij al het overige, dat hij verrichten moet, zoo weinig mogelijk gedurende het werk bij het hoofd en den staart van het paard moet komen, want het paard is, als het tracht kwaad te doen, aan die beide plaatsen sterker dan de mensch. Van ter zijde echter kan men het paard voor zichzelf het veiligst naderen en ook zal men het op die wijze het best kunnen bewerken.
Wanneer men verder het paard moet geleiden, dan keuren wij het niet goed, het paard achter zich te doen gaan, omdat de geleider zich op die wijze het minst in acht kan nemen, terwijl daarentegen het paard het gemakkelijkst kan doen, wat het wil.
Om echter het paard voorop te leeren gaan aan een langen teugel, keuren wij eveneens om het volgende af: immers het staat dan het paard vrij, kwaad te doen, naar elken kant, waarheen het wil en ook om keert te maken en op den geleider los te gaan. En hoe zou verder ooit een troep paarden, op die wijze geleid, van elkander afgehouden kunnen worden ? Doch een paard, dat er aan gewend is, van ter zijde geleid te worden, zal zoowel paarden als menschen zoo min mogelijk kwaad kunnen doen en ook op de beste wijze voor den ruiter gereed zijn, als hij soms plotseling moet opstijgen.
Opdat verder de stalknecht het gebit op de juiste wijze inbrengt, moet hij eerst aan de linkerzijde van het paard gaan staan, vervolgens moet hij de teugels, na deze over het hoofd gelegd te hebben, op de schoft neerleggen; dan moet hij het hoofdstel met de rechterhand oplichten en het gebit met de linkerhand inbrengen. Het is duidelijk, dat, wanneer het paard het gebit aanneemt, de stalknecht het hoofdstel moet omdoen; indien het paard den mond niet opent, dan moet hij, terwijl hij het mondstuk voor de tanden houdt, den duim van de linkerhand tusschen de kaken steken. Want de meeste paarden openen, als dit gebeurt, den mond. Maar als het ook zoo het gebit niet aanneemt, dan moet hij de lip drukken tegen den haaktand: er bestaan maar zeer weinig paarden, die het gebit niet aannemen, wanneer men dit doet.
Verder moet de stalknecht ook het volgende leeren. In de eerste plaats, dat hij nooit een paard aan éénen teugel mag geleiden, want dit maakt het paard aan eene zijde hard in den mond. Vervolgens, hoe ver het gebit van de kiezen moet afliggen, want als dit te dicht bij de kiezen ligt, krijgt het paard eelt in den mond, zoodat het daardoor minder gevoelig wordt, maar als hij het te ver vóór in den mond neerlegt, geeft hij het paard de gelegenheid, om door op het gebit te bijten, ongehoorzaam te zijn. Maar het paard mag daarbij niet geprikkeld worden, indien het aan het werk moet gaan. Want het gewillig aannemen van het gebit door het paard is van zoo groot gewicht, dat een paard, dat het niet wil aannemen, geheel en al onbruikbaar is. Doch indien het niet alleen opgetoomd wordt, als het werken moet, maar ook, wanneer het, om gevoerd te worden of na het rijden, naar huis wordt weggebracht, dan behoeft men er zich volstrekt niet over te verwonderen, als het paard uit zichzelf het gebit aanneemt, als dit het wordt voorgehouden.
Het is verder goed, dat de stalknecht in staat is, om op de Perzische wijze bij het opstijgen behulpzaam te zijn, opdat de eigenaar zelf, als hij soms ziek is of oud begint te worden en ook, als hij aan een ander daarmede een genoegen wil doen, over iemand zal kunnen beschikken, die op gemakkelijke wijze helpt opstijgen.
Nooit toornig met een paard omgaan, dit is de allerbeste regel en gewoonte tegenover een paard, want iemand, die toornig is, is onberedeneerd, zoodat hij dikwijls dingen doet, waarover hij later berouw zal moeten hebben. En wanneer een paard, nadat het ergens wantrouwen tegen opgevat heeft, dit niet wil naderen, dan moet men het leeren, dat het niets gevaarlijks is, liefst door middel van een paard, dat niet bang is; of anders moet men, na zelf het gevaarlijk schijnende voorwerp te hebben aangeraakt, ook het paard er kalm heenbrengen. Wie echter het paard door slaan wil dwingen, maakt het nog veel angstiger, want paarden meenen, wanneer zij in een dergelijk geval iets onaangenaams ondervinden, dat datgene, waartegen zij wantrouwen hebben opgevat, ook daarvan de schuld is.
Wanneer verder de stalknecht het paard aan den ruiter overgeeft, keuren wij het niet af, als hij het paard den gestrekten stand kan doen aannemen, om het opstijgen gemakkelijk te maken; maar toch meenen wij, dat de ruiter er zich in moet oefenen, om ook, als het paard niet medewerkt, te kunnen opstijgen. Want men krijgt niet alleen nu eens dit en dan weer een ander paard in handen, maar ook hetzelfde paard doet zijn werk nu eens zus en dan weer zoo.

Grafmonument uit Kolonos, ca. 275 voor Chr.
Nationaal Archeologisch Museum, Athene

HOOFDSTUK VII.

Het opstijgen, de gangen en de hulpen.

THANS zullen wij opgeven, wat de ruiter, wanneer hij het paard heeft overgenomen, om op te stijgen, moet doen, om alles, zoowel voor zichzelf als voor het paard, bij het rijden zoo goed mogelijk in te richten. Vooreerst dan moet hij den teugel, van den kinriem of van den neusriem afhangend, behoorlijk in de linkerhand nemen en wel zoo los, dat hij, als hij zich gereed maakt om op te stijgen, het paard niet in den mond rukt, noch wanneer hij bij het opspringen een vlok manen in de nabijheid van de ooren vat, noch wanneer hij door middel van de lans opspringt. Met de rechterhand moet hij verder de teugels bij de schoft tegelijk met eene vlok manen vatten, opdat hij bij het opstijgen op geen enkele wijze in den mond van het paard met het gebit zal rukken. Wanneer hij zich verder afzet voor den sprong, dan moet hij het lichaam met zijn linkerarm in den steun zetten, maar door het strekken van den rechterarm moet hij zichzelf daarbij tegelijk opheffen, want als hij zoo opspringt, zal het ook van achteren gezien niet leelijk zijn; verder met gebogen been, maar hij mag de knie niet op den rug van het paard plaatsen, doch hij moet zijn onderbeen overzwaaien naar de rechterzijde van het paard. Wanneer hij nu zijn voet aan die zijde gebracht heeft, dan moet hij ook met zijn zitvlak op het paard gaan zitten. Als evenwel de ruiter toevallig het paard aan zijne linkerhand geleidt, terwijl hij de lans in de rechterhand houdt, dan zou het, dunkt ons, goed zijn, als hij er in geoefend is, om ook aan de rechterzijde op te springen. Hij behoeft daarbij niets anders te leeren, dan, wat hij vroeger met het rechtergedeelte van het lichaam deed, met het linkergedeelte te doen en met het linker-, wat hij met het rechterdeel deed. Maar ook daarom keuren wij deze wijze van opstijgen goed, omdat de ruiter, zoodra hij is opgestegen, ook in alle opzichten gereed is, als hij soms plotseling met den vijand moet strijden.
Wanneer de ruiter nu gezeten is, hetzij op het naakte paard, hetzij op eene deken, dan keuren wij den zit als op een stoel niet goed, maar wel den zit, alsof men rechtop en wijdbeens stond. Want zoo zal de ruiter zijne dijen beter aan het paard houden en, doordat hij rechtop zit, zal hij, als het moet, van den zadel uit krachtiger de lans kunnen slingeren en houwen toebrengen.
Ook moet hij van de knie af het onderbeen met den voet los laten afhangen. Want hield hij het been stijf, dan zou het, als het ergens tegen aanstootte, kunnen breken, maar als het onderbeen los afhangt, dan zal het, ook indien er iets tegen aanstoot, meegeven en de dij in 't geheel niet van hare plaats brengen.
Verder moet de ruiter er zich ook aan gewennen, het gedeelte van zijn lichaam boven de heupen zoo lenig mogelijk te doen zijn, want zoo zal hij het beter kunnen uithouden en ook als iemand hem trekt of stoot, zal hij zoo minder gemakkelijk zijn evenwicht verliezen.
Wanneer hij nu zit, moet hij in de eerste plaats het paard leeren, zich rustig te houden, totdat hij — als dit noodig is — de deken heeft recht getrokken, de teugels op maat gebracht en de lans zoo gemakkelijk mogelijk heeft aangevat, om haar te dragen. Vervolgens moet hij den linkerbovenarm gesloten houden tegen zijne zijde, want zoo zal de ruiter de beste houding hebben en de hand zoo krachtig mogelijk zijn. Als teugels bevelen wij zoodanige aan, die even lang zijn en niet zwak, noch glad, noch dik, opdat de hand, als het noodig is, ook de lans zal kunnen omvatten.
Als de ruiter verder aan het paard de hulp geeft, om vooruit te gaan, dan moet het in stap beginnen, want zoo gaat het op de kalmste wijze. Wanneer nu het paard het hoofd te laag houdt, moet de ruiter de teugels hooger brengen, daarentegen lager, wanneer het zijn hoofd te hoog houdt, want op die wijze zal hij het paard de sierlijkste houding geven. Wanneer het daarna overgaat in den natuurlijken draf, zal het lichaam van het paard zich op de minst lastige wijze ontspannen en zoo gewillig mogelijk den galop aannemen. Daar men nu ook het paard liefst links in den galop laat aanspringen, zal het ook op deze hand het best aanspringen, als men het paard, terwijl het draaft, de hulp voor den galop geeft bij het opheffen van het linkerbeen. Want, terwijl het paard op het punt staat het linkerbeen op te heffen, zal het aan deze zijde aanspringen en wanneer de ruiter het paard naar links buigt, zal het ook zoo aanspringen. Immers als het paard naar rechts gebogen is, zal het de rechterzijde, maar als het naar links gebogen is, de linkerzijde van de voorhand vooruitbrengen.
Het rijden van voltes bevelen wij aan, want dit gewent het paard er aan, om zoowel op den rechter-als op den linkerteugel te wenden. En ook het rijden op beide handen is goed, opdat de teugelwerking naar beide zijden gelijk worde. En verder achten wij de langwerpige volte beter dan eene cirkelvormige volte, want zoo zal het paard, nadat het voldoende rechtvooruit is gegaan, gewillig weer afwenden en zoodoende het rechtuitgaan en het maken van wendingen tegelijk beoefenen. Ook moet men het paard bij het wenden inhouden, want het is niet gemakkelijk voor het paard en ook niet voorzichtig, om bij een snel tempo kort te wenden, vooral als de grond hard of glibberig is. Wanneer men het paard nu inhoudt, moet men het zoo min mogelijk met den teugel ter zijde trekken en ook zelf zoo weinig mogelijk overhellen. Anders moet men wel weten, dat eene kleine oorzaak voldoende is, om zoowel zichzelf als het paard te doen storten. Wanneer het paard verder na de wending weer recht gericht is, moet men het op dat oogenblik aanzetten tot een sneller tempo. Want het is duidelijk, dat wendingen ook in den oorlog voorkomen, zoowel om te vervolgen, als om te wijken. Het is dus goed, om het paard, nadat men het de wending heeft doen verrichten, er in te oefenen, het tempo te versnellen. Wanneer men nu ten slotte meent, dat het paard hierin volkomen geoefend is, dan is het ook goed, om het een oogenblik halt te doen houden, en het dan plotseling aan te zetten tot het snelste tempo en wel van andere paarden af en niet er naar toe; en omgekeerd van uit een snel tempo zoo kort mogelijk halt te houden, het paard te wenden en dan opnieuw aan te zetten. Want het is volkomen duidelijk, dat het zich zal kunnen voordoen, dat dit beide noodig is. Wanneer ten slotte het oogenblik gekomen is, om af te stijgen, dan moet men nooit tusschen andere paarden afstijgen, noch bij eene opeenhooping van menschen, noch buiten de oefenplaats; doch daar, waar het paard gedwongen wordt zich in te spannen, moet het ook zijne rust deelachtig worden.

HOOFDSTUK VIII.

Terreinrijden en oefeningen.

AANGEZIEN het paard soms langs dalend of tegen stijgend terrein op, soms schuin langs eene helling zal moeten gaan en elders weer over een terreinvoorwerp zal moeten springen, of ook wel een hoogtesprong zal moeten doen, of omlaag zal moeten springen, moet de ruiter in dit alles zoowel zichzelf als zijn paard oefenen en onderwijzen. Want op die wijze zullen zij elkander behulpzaam zijn en zal men beide beter bruikbaar achten.
Als nu echter iemand meent, dat wij in herhalingen vervallen, omdat wij ook reeds vroeger over dezelfde dingen gesproken hebben, dan is dit toch niet het geval. Want wij hebben gezegd, dat men bij het koopen van paarden moet onderzoeken, of het paard die dingen kan verrichten, maar nu zeggen wij, dat men het zijn eigen paard moet leeren, en zullen wij opgeven, hoe men het dit leeren moet. Als een paard namelijk nog geheel en al ongeoefend in het springen is, moet men, terwijl men het vasthoudt aan den losafhangenden teugel, zelf vooropgaand de gracht oversteken, vervolgens moet men het met den teugel naar zich toe trekken, om het er over te laten springen. Maar als het paard dit niet wil doen, dan moet de een of ander het met eene zweep of een stok zoo hard mogelijk slaan, en zoo zal het er niet alleen ver genoeg overheen springen, maar zelfs veel verder dan noodig is en in het vervolg zal men het volstrekt niet behoeven te slaan, want als het alleen al iemand achter zich ziet aankomen, zal het den sprong doen.



Wanneer het paard nu zoo aan het springen gewend is, dan moet men het, na het bestegen te hebben, eerst tegenover kleine en daarna ook tegenover groote hindernissen brengen. Wanneer het nu op het punt is om te springen, moet men het de sporen geven. En op dezelfde wijze moet men het ook de sporen geven bij het leeren omhoog- en omlaagspringen. Want zoowel voor het paard zelf als voor den ruiter zal het veiliger zijn, als het paard dit alles in verzamelde houding doet, dan wanneer bij het breed- of hoogspringen, of bij het omlaagspringen de achterhand niet is ondergebracht. Voorts moet het paard het bergafgaan eerst op zachten bodem leeren. Wanneer het ten slotte hieraan gewend is, zal het veel liever van de helling af dan er tegenop gaan. Als sommigen vreezen, dat de paarden de pezen der schouders kunnen scheuren bij het afgaan der hellingen, laten die gerust zijn, als zij weten, dat de Perzen en de Odrysiërs allen bij wedrennen hellingen afrijden, en toch niet minder gave paarden dan de Grieken hebben.
Wij zullen verder ook niet onvermeld laten, op welke wijze de ruiter bij elk dier bewegingen moet medewerken. Hij moet namelijk, als het paard plotseling het tempo versnelt, het lichaam voorover buigen, want het paard zal dan zoowel minder doorzakken in den rug, als den ruiter minder hoog opwerpen. Als daarentegen het paard kort wordt aangehouden, moet de ruiter het lichaam achterover brengen, want zoo zal hij minder schokken. Wanneer verder het paard over eene sloot springt en tegen eene hoogte opgaat, dan is het niet slecht, dat de ruiter eene vlok manen vat, opdat het paard niet tegelijk door het terrein en door de teugels gehinderd worde. Bij het afrijden van hellingen moet hij verder zoowel zichzelf achteroverbuigen, als het paard met de teugels inhouden, opdat noch hijzelf, noch het paard voorover omlaagstorte.
Het is verder ook goed, zich nu eens op dit, dan weer op dat terrein en nu eens langeren, dan weer korteren tijd te oefenen. Want dit is ook aangenamer voor het paard, dan wanneer het altijd op dezelfde plaats en op dezelfde wijze wordt gereden. Daar men verder, terwijl het paard met de grootst mogelijke snelheid gaat, op alle mogelijke soorten van terreinen een vasten zit moet hebben en te paard zijne wapens goed moet kunnen gebruiken, is, waar het terrein daartoe geschikt is en wild aanwezig is, de jacht eene zeer geschikte oefening in het paardrijden. Maar waar dat niet gaat, daar is het ook eene goede oefening, als twee ruiters met elkander samenwerken, en de eene te paard langs alle mogelijke soorten van terreinen en met naar achteren gerichte lans vlucht, terwijl de andere hem vervolgt met werpspiesen, wier uiteinden van een ronden knop voorzien zijn, en met eene speer, op dezelfde wijze bewerkt; is de vluchtende binnen speerworpafstand gekomen, dan werpt hij hem met de van ronde knoppen voorziene werpspiesen, en is hij binnen het bereik van de lans gekomen, dan stoot hij den ingehaalde daarmede. Ook is het verder goed, als zij eenmaal handgemeen geworden zijn, den tegenstander, na hem naar zich toegetrokken te hebben, plotseling van zich af te stooten, want dit zal dezen wellicht van het paard doen vallen. Het is echter ook goed voor dengene, die getrokken wordt, om zijn paard vooruit te drijven, want door dit te doen, zal deze eerder dengene, die hem trekt, doen vallen, dan dat hij zelf zal vallen. Maar als soms bij een ruitergevecht, terwijl de legers in slagorde tegenover elkander staan opgesteld, de ruiters hunne tegenstanders tot aan de vijandelijke slaglinie vervolgen, om zich daarna weer op hunne eigen partij terug te trekken, dan moet men wel bedenken, dat het flink en niet onvoorzichtig is, om, zoolang men zich nog bij zijne eigen partij bevindt, onder de voorsten te zijn en zich met alle kracht op den vijand te werpen, maar dat men zijn paard goed in de hand moet houden, wanneer men dicht bij den vijand komt. Want zoo zal men natuurlijk den vijand het meest kunnen benadeelen, zonder door hem zelf geschaad te worden.
De goden hebben nu aan de menschen de mogelijkheid gegeven, om hunne evenmenschen door woorden te leeren, wat zij doen moeten; maar het is duidelijk, dat men aan een paard door woorden niets zal kunnen leeren. Indien men het echter beloont, wanneer het doet, wat men wil, doch het straft, wanneer het ongehoorzaam is, dan zal het zoo op de beste wijze leeren verrichten, wat het doen moet. Dit is nu wel is waar kort gezegd, maar moet door de geheele rijkunst heen behartigd worden. Immers het paard zal ook het gebit liever aannemen, indien telkens, wanneer het dit in den mond neemt, iets aangenaams voor het paard daarvan het gevolg is, en het zal breedte-en hoogtesprongen en alle andere dingen eveneens verrichten, als het, wanneer het de aangegeven dingen heeft gedaan, de eene of andere ontspanning zal mogen verwachten.

HOOFDSTUK IX.

Heete en trage paarden.

IN het voorafgaande is gezegd, hoe men zich zoo min mogelijk, zoowel bij het koopen van een veulen als van een volwassen paard, zal laten bedriegen, ook hoe men het paard bij het gebruik zoo min mogelijk zal bederven en het best die dingen leeren, die de ruiter er met het oog op den oorlog van verlangt. Misschien is het nu hier de juiste plaats, om ook op te geven, als men soms eens een paard moet rijden, dat te heet of te traag is, hoe men dan elk van beide op de meest juiste wijze zal behandelen. Welnu, men moet dit in de eerste plaats inzien, dat het heet zijn bij een paard hetzelfde is als drift bij den mensch. Evenals men nu ook een mensch het minst driftig zal maken door noch iets te zeggen, noch iets te doen, dat hem onaangenaam is, zoo zal ook degene, die een heet paard niet hindert, dit zoo min mogelijk toornig maken. Dadelijk bij het opstijgen moet men er nu zorg voor dragen, dat men het daarbij zoo min mogelijk pijn doet, en als men opgestegen is, moet men het langer dan het normale paard stil houden, en het dan met zoo zacht mogelijke hulpen in beweging zetten. Daarna moet men beginnen met een zeer kort tempo en het verder op genoemde wijze aandrijven tot een snel tempo, opdat het paard zoo ongemerkt mogelijk tot een snel tempo kome. Alle hulpen, die het plotseling krijgt, maken een heet paard onrustig, evenals dingen, die plotseling gezien, gehoord en gevoeld worden, den mensch onrustig maken. Men moet dus weten, dat onverwachte dingen bij een paard onrust veroorzaken.
En als men verder een heet paard, dat sneller gaat, dan goed is, wil inhouden, dan moet men het niet plotseling rukken, maar langzaam met den teugel naar zich toehalen en het bedaard en niet ruw tot kalmte brengen. En het lang achtereen in denzelfden gang gaan doet de paarden meer bedaren, dan het telkens van gang veranderen en een rustige langdurige gang maakt het paard gewilliger, kalmeert het en windt het niet op. Als echter iemand meent, dat hij een paard zal kalmeeren, wanneer hij het moe maakt door snel en lang te rijden, dan zal hij het tegenovergestelde zien gebeuren. Want in dergelijke gevallen tracht een heet paard er zooveel mogelijk van door te gaan en heeft het dikwijls in zijn toorn, evenals een driftig mensch, zoowel zich zelf als zijn berijder veel en onherstelbaar kwaad gedaan. Men moet daarentegen een heet paard inhouden, om het niet het snelste tempo te laten aannemen, en zeker moet men er zich ook geheel en al van onthouden, het met andere paarden om het hardst te laten loopen, want gewoonlijk zijn de eerzuchtigste paarden ook het heetst.
Verder zijn gladde gebitten meer geschikt dan ruwe. Maar ook als een ruw gebit in den mond is gebracht, moet men dit door eene zachte hand als het ware aan een glad gebit gelijk maken. Het is ook goed, er zich aan te gewennen, rustig te zijn, vooral op een heet paard en het zoo min mogelijk met iets anders aan te raken, dan waarmede men het ter wille van een vasten zit aanraakt. Verder moet men ook weten, dat men het paard zoo pleegt af te richten, dat het door fluiten gekalmeerd, maar door klappen met de tong opgewekt wordt. Wanneer daarentegen iemand van den beginne af aan onder klappen met de tong hulpen zou aanbrengen, om het paard te kalmeeren, maar onder fluiten hulpen voor hetgeen het ongaarne doet, dan zou het paard leeren, door fluiten opgewekt, maar door klappen met de tong gekalmeerd te worden. Zoo moet men ook bij geschreeuw en bij trompetgeschal noch aan het paard toonen, dat men er zelf door verward is, noch het paard onrustig behandelen, maar men moet het in een dergelijk geval zooveel mogelijk doen halt houden en indien daartoe gelegenheid bestaat, het paard het morgen- of avondvoer geven. Maar de beste raad is, om zich voor den oorlog geen al te heet paard aan te schaffen.
Voor een traag paard komt het ons verder voldoende voor op te merken, dat men alles tegengesteld moet doen, aan wat wij hebben aangeraden te doen met een heet paard.

HOOFDSTUK X.

De houding van het paard.

|NDIEN men verder soms mocht willen gebruik maken van een paard, geschikt voor den oorlog, dat er ook bij het berijden prachtig en opvallend uitziet, dan moet men er zich van onthouden, het paard met den teugel in den mond te rukken en het de sporen te geven en te slaan, waardoor de meesten meenen te kunnen pronken, want zij brengen met dat alles het tegengestelde tot stand, van hetgeen zij willen. Want door den mond omhoog te trekken bewerken zij, dat de paarden, inplaats van vooruit te zien, niets kunnen zien en zij brengen ze in verwarring door hun de sporen te geven en door ze te slaan, zoodat de paarden onrustig zijn en gevaarlijke dingen doen. Dat is echter de wijze van doen van paarden, die zich niet gaarne laten berijden en streken hebben. Indien men echter het paard leert gaan met zacht gespannen teugel en den hals hoog leert dragen en van het hoofd af welven, dan zal men zoodoende bewerken, dat het paard zoodanige dingen doet, waarin het zelf genoegen heeft en waarop het trotsch is. Een bewijs, dat het daarin genoegen heeft, is het volgende: Wanneer het zelf naar andere paarden gaat, vooral naar merries, dan heft het zijn hals zoo hoog mogelijk op en buigt het zijn hoofd zooveel mogelijk, terwijl het er vurig uitziet, en het heft zijne beenen lenig op en strekt zijn staart omhoog. Wanneer men het nu tot die houding weet te brengen, die het van zelf aanneemt, als het er zoo fraai mogelijk wil uit zien, dan bewerkt men op die wijze, dat het paard genoegen heeft in het rijden, prachtig en indrukwekkend is en algemeen bewonderd wordt. Hoe wij meenen, dat dit kan worden verkregen, zullen wij nu vervolgens trachten uiteen te zetten.
Welnu, allereerst moet men niet minder dan twee gebitten bezitten. Een daarvan moet glad zijn met schijven van flinke grootte, het andere moet zware, platte schijven hebben maar scherpe punten, opdat het paard, als het dit in den mond krijgt, de ruwheid er van onaangenaam vinde en het gebit zal loslaten, en opdat het, als het in plaats daarvan het gladde gebit in den mond krijgt, zich over de gladheid er van verheuge, en zoodoende de dingen, die het geleerd heeft door het ruwe gebit, ook met het gladde zal doen. Maar als het niets geeft om het gladde gebit, en voortdurend op den teugel hangt, dan moet men daarom groote schijven in het gladde gebit aanbrengen, opdat het paard, hierdoor gedwongen om den mond te openen, het gebit zal loslaten. Het is echter ook mogelijk, het ruwe gebit in alle gevallen bruikbaar te maken door nageven en aanhouden. Hoe de gebitten evenwel ook zijn ingericht, zij moeten beweeglijk zijn. Want een paard zal een strak gebit, waar het dit ook vasthoudt, geheel en al tegen de lagen drukken, evenals men ook een braadspit geheel zal oplichten, waar men dien ook aanvat. Maar het andere soort gebit werkt als eene ketting, want alleen het deel, dat men er van vasthoudt, blijft recht, terwijl het overige gedeelte naar beneden afhangt. Terwijl het nu in zijn mond steeds het gedeelte tracht op te vangen, dat het niet beet heeft, laat het paard het gebit van de lagen los. Daarom hangen er ook schakels in het midden aan de oogen der assen, opdat het paard, terwijl het de schakels met zijn tong en met zijne tanden tracht te vatten, zal nalaten het gebit tegen de lagen te drukken. Voor het geval nu, dat iemand niet mocht weten, wat er bedoeld wordt met een beweeglijk en met een strak gebit, zullen wij ook dit beschrijven. Het gebit namelijk is beweeglijk, wanneer de assen wijde en gladde oogen hebben, zoodat het gemakkelijk kan worden gebogen; en ook zijn alle onderdeelen, die aan de assen bevestigd zijn, beweeglijker, als zij wijde openingen hebben en niet nauw op elkaar zitten. Maar als alles bij het gebit moeilijk scharniert en in elkaar grijpt, dan is dat een strak gebit. Hoe het gebit echter ook zij, men moet daarmee toch in al het volgende op dezelfde wijze te werk gaan, indien men het paard zoo afgericht wil krijgen, als gezegd is.
Men mag den mond van het paard, noch te hard naar zich toe trekken, zoodat het paard met het hoofd omhoog slaat, noch te zacht, zoodat het niet bemerkt, dat men het inhoudt. Maar wanneer het, als het ingehouden wordt, den hals opheft, dan moet men dadelijk met den teugel nageven. En overigens moet men, zooals wij niet genoeg kunnen zeggen, het paard beloonen, als het zijn werk goed doet. En wanneer men verder bemerkt, dat het paard er genoegen in heeft, dat het den hals hoog draagt en dat de teugel zacht gespannen is, dan moet men het in dat geval niet hard behandelen, alsof men het tot werk wil dwingen, maar het streelen, als wilde men eindigen, want op die wijze zal het zoo gerust mogelijk komen tot een snellen gang. Dat een paard echter gaarne snel gaat, wordt door het volgende bewezen: geen enkel paard namelijk, dat uitbreekt, gaat er in stap van door, doch in snellen gang. Want dit doet het van nature gaarne, als men het niet dwingt om meer te gaan, dan het kan. Overdrijving is in geen enkel opzicht aangenaam, noch voor het paard, noch voor den mensch.
Wanneer nu het paard zoo is ingereden, dat het in eene mooie houding gaat, dan was het er door ons bij de eerste oefeningen in het rijden natuurlijk aan gewend, om na eene wending een sneller tempo aan te nemen. Wanneer men nu, als het paard dat geleerd heeft, het tegelijkertijd inhoudt met den teugel en aandrijvende hulpen geeft, dan wordt het zoo aan den eenen kant vastgehouden door den teugel, aan den anderen kant opgewekt, doordat het vooruitgedreven wordt en dan brengt het de borst vooruit en licht het toornig de beenen op, echter niet op veerkrachtige wijze, want paarden gebruiken hunne beenen in 't geheel niet veerkrachtig, als zij gehinderd worden. Als men nu aan een paard, nadat men het op die wijze heeft aangevuurd, den teugel nageeft, dan zal het met vreugde, omdat het door het lichtgespannen zijn van den teugel meent, dat het van het gebit bevrijd is, in trotsche houding en fier in veerkrachtigen gang voortgaan, volkomen nauwkeurig de mooie houding weergevend, die het tegenover andere paarden aannam. En degenen, die een dergelijk paard zien, zullen zeggen, dat het edel is en gewillig, een goed rijpaard, moedig, vurig, en tegelijk aangenaam en indrukwekkend om te zien. En laten deze dingen dan, voor het geval iemand daarop gesteld mocht zijn, tot hier aan toe beschreven zijn.

HOOFDSTUK XI.

Pronkpaarden. (De Grieksche Hoogeschool).

WANNEER nu iemand over een statig en prachtig pronkpaard wil beschikken, dan zal daartoe geenszins elk paard af te richten zijn, maar het zal zoowel een edelen aard, als een krachtig lichaam moeten hebben. Het is echter niet juist, wat sommigen meenen, dat namelijk paarden, die veerkrachtige beenen hebben, ook het lichaam hoog kunnen oprichten, maar veeleer kunnen dit paarden, die lenige en tevens korte en sterke lendenen hebben. Hiermede bedoelen wij niet het gedeelte bij den staart, maar het gedeelte, dat tusschen de ribben en de heupen bij de lies ligt. Een zoodanig paard zal de achterbeenen verder naar voren onder de voorhand kunnen brengen. Indien men nu het paard, terwijl het de achterhand onderbrengt, plotseling met den teugel inhoudt, dan buigt het de achterhand door in de spronggewrichten, maar het heft de voorhand op, zoodat voor degenen, die er voorstaan, het geheele onderste gedeelte van het lichaam zichtbaar is. Ook moet men aan het paard, als het deze dingen verricht, den teugel nageven, opdat het de mooiste bewegingen vrijwillig uitvoert en de toeschouwers daarvan ook den indruk krijgen. Sommigen leeren het paard ook deze dingen door het met eene roede onder de spronggewrichten te slaan, anderen laten iemand naast het paard meeloopen, die het met een stok onder de schenkels moet slaan. Wij houden het echter, zooals wij altijd weer herhalen, voor de beste methode, als het paard in elk geval, waarin het naar den zin van den ruiter heeft gehandeld, door dezen wordt beloond. Want, wat het paard gedwongen doet — zooals ook Simon zegt, — doet het niet bewust en dat is evenmin een mooi schouwspel als een danser, dien men met de zweep of met den prikkel bewerkt, want zoowel paard als mensch zullen veeleer wanstaltig doen dan mooi, als zij zoo behandeld worden.
Integendeel moet het paard vrijwillig tengevolge van het aanbrengen van de hulpen alle bewegingen zoo mooi en zoo goed mogelijk laten zien. En zelfs, indien het bij het rijden zeer in het zweet is geraakt en men, wanneer het zich mooi opricht, snel afstijgt en het aftoomt, kan men er van overtuigd zijn, dat het zichzelf vrijwillig bij het gaan zal oprichten. Op dergelijke paarden rijdend worden dan ook zoowel goden als halfgoden afgebeeld; ook mannen, die hun paarden goed weten te gebruiken, bieden een prachtig schouwspel aan. En zoo is ook een paard, dat zichzelf opricht, iets zoo schoons, verbazingwekkends en bewonderenswaardigs, dat het de oogen boeit van alle toeschouwers, zoowel van jong als van oud! Er is tenminste niemand, die er van weggaat of er genoeg van krijgt, zoolang het paard zijne pracht ten toon spreidt.
Wanneer het verder soms mocht gebeuren, dat iemand, die een dergelijk paard bezit, phylarch of hipparch is, dan moet hij er niet zijn best voor doen, om zelf alleen een schitterenden indruk te maken, maar veel meer om den geheelen hem volgenden troep bezienswaardig te doen schijnen. Want als er nu zulk een paard aan het hoofd gaat, dat men het mooist pleegt te vinden, een paard, dat zich zeer hoog opricht en met verzameld lichaam in een zeer kort tempo vooruitgaat, dan is het duidelijk, dat de andere paarden het slechts in stap kunnen volgen. Wat voor moois kan echter zulk een schouwspel opleveren? Als daarentegen de bevelhebber, na het paard te hebben aangezet, aan het hoofd gaat, noch in een te snel, noch in een te kort tempo, maar in een zoodanig, dat zeer moedige paarden er zoowel het vurigst doet uitzien, als ook de beste houding voor het verrichten van hun arbeid doet verkrijgen — als hij zoo aan het hoofd van den troep rijdt, dan zal hem zulk een algemeen hoefgetrappel, gehinnik en gebries der paarden begeleiden, dat niet alleen hij zelf, maar ook allen, die hem volgen, een bezienswaardig schouwspel zullen opleveren.
Wanneer nu iemand verstandig zijne paarden koopt, ze zoo opvoedt, dat zij vermoeienissen kunnen doorstaan, en ze verder op de juiste wijze gebruikt, zoowel bij oorlogsoefeningen als bij wapenschouwingen en in den strijd met den vijand, wat verhindert dan zoo iemand, om zijne paarden meer te doen waard zijn, dan toen hij ze in zijn bezit kreeg, en niet alleen beroemde paarden te bezitten, maar ook zelf een beroemd ruiter te worden, wanneer niet iets van den kant der goden het belet?

Bronzen standbeeld van Alexander op Bucephalus
Museo Nazionale di Villa Giulia, Roma, Italia

HOOFDSTUK XII.

Wapenrusting van ruiter en paard.

VERDER willen wij ook beschrijven, hoe degene, die zich te paard in den strijd wil begeven, gewapend moet zijn. Welnu, in de eerste plaats verklaren wij, dat het harnas tegen het lichaam passend moet gemaakt zijn, omdat het lichaam het goed aansluitende harnas geheel draagt, maar als het harnas te los zit, dan dragen de schouders het alleen; verder is een te nauw harnas eene belemmering en geen wapen.
Daar verder ook de hals eene van de plaatsen is, waar men doodelijk gewond kan worden, verklaren wij, dat aan het harnas zelf een schild, dat den vorm van den hals heeft, moet aangebracht zijn. Want dit zal tevens een sieraad zijn, en als het zoo gemaakt is, als het moet, zal dit het gezicht van den ruiter tot aan den neus kunnen beschermen, als hij dat wil.
Een helm van Boeotisch maaksel houden wij verder voor den besten, want deze dekt het best alles, wat boven het harnas uitsteekt, zonder het zien te belemmeren. Verder moet ook het harnas zoo gemaakt zijn, dat het niet hinderlijk is bij het zitten, noch bij het bukken. In de streek rondom den buik moeten de afhangers zoodanig en zoo groot zijn, dat zij de zich daar bevindende lichaamsdeelen dekking geven. Daar verder ook eene gewonde linkerhand den ruiter buiten gevecht stelt, bevelen wij ook het daarvoor uitgevonden wapen aan, den zoogenaamden „gevechtshandschoen", want hij dekt den schouder, den bovenarm, den elleboog en de deelen, die de teugels vasthouden, hij kan verder ook gestrekt en gebogen worden en bedekt bovendien de door het harnas onge-dekte plaats onder den oksel. De rechterhand moet men voorts kunnen opheffen, als men met den werpspies werpen of houwen wil. Van het harnas moet daar dus alles, wat hindert, worden weggenomen, en in plaats daarvan worden aan de geledingen van het harnas afhangers bevestigd, die, wanneer de arm wordt opgeheven, meegeven en van elkander gaan, maar, als de arm omlaag gebracht wordt, zich sluiten.
Voor den bovenarm dunkt ons een schild, dat evenals een beenschild is aangebracht, beter voor het afweren geschikt dan een, dat met het overige harnas verbonden is. Verder moet men het gedeelte, dat bij het opheffen van den rechterarm bloot komt, dicht bij het harnas met kalsfleer of met brons dekken, anders zou het lichaam op de meest kwetsbare plaats ongedekt zijn.
Daar echter, als het paard gewond wordt, ook de ruiter in tal van gevaren komt, moet men ook het paard beschermen met voorhoofd-, borst- en zijschilden, want deze laatste zullen tegelijk voor den ruiter zijschilden vormen. Maar bovenal moet men den buik van het paard dekken, want dat is de gevaarlijkste en ook de zwakste plaats, doch het is mogelijk met de deken tegelijk deze te beschermen. En verder moet het zitkussen aan de deken zoodanig zijn vastgenaaid, dat dit den ruiter zekerder doet zitten en den rug van het paard, waar de ruiter zit, geen leed doet. En zoo zou men dan paard en ruiter kunnen dekken. Echter zullen de scheenbeenen en de voeten natuurlijk buiten de zijschilden uitsteken; doch ook deze zullen gedekt worden, als men laarzen laat maken van hetzelfde leer, waarvan ook voetzolen gemaakt worden, want zoo kunnen deze tegelijk de scheenbeenen beschermen en als schoeisel voor de voeten dienen.
Zoo kunnen dan deze wapenen worden ingericht, om als de goden genadig zijn, niet gekwetst te worden. Maar om de tegenstanders te kwetsen, verkiezen wij het kromme boven het rechte zwaard, want voor den ruiter zal van zijne hooge zitplaats af de houw met het kromme zwaard voordeeliger zijn dan de stoot met het rechte zwaard. Verder verkiezen wij het gebruik van twee kornoeljehouten speren boven de lange broze lans, daar deze zoowel breekbaar is, als moeilijk te hanteeren. Immers wie goed geoefend is, kan de eene speer werpen en de andere, die hij heeft overgehouden, naar voren, zijdelings en naar achteren gebruiken. Tevens is de speer sterker en gemakkelijker te hanteeren dan de lans.
Verder raden wij aan, om op zoo groot mogelijken afstand van den vijand de speer te werpen: immers op die wijze heeft men ook meer tijd, om het paard af te wenden en de andere speer ter hand te nemen. Ook zullen wij in 't kort beschrijven, hoe men het krachtigst de speer kan werpen. Wanneer men namelijk de linkerzijde van het lichaam vooruit, maar de rechterzijde achteruitbrengt en zich in de heupen opricht en de speer werpt met den punt een weinig omhoog gericht, dan zal op die wijze de speer zoo hard en zoo ver mogelijk vliegen; maar de trefkans is het grootst, als de spits van de speer bij het slingeren steeds op het doel gericht is.
En laat dit dan door ons voor den gewonen ruiter als handleiding voor zijne opleiding en oefening geschreven zijn. Wat verder een ruiteraanvoerder behoort te weten en te doen, is in een ander geschrift uiteengezet.

 


Het Grieksche Paardentuig.

Bronzen bit uit Cyprus, ca. 600 voor Chr.
Metropolitan Museum of Art, New York


OM het vorenstaande eenigszins aan te vullen, laat ik hier een kort overzicht volgen van het Grieksche paardentuig uit Xenophon's tijd, o.a. aan de hand van eene voordracht van E. Pernice ter gelegenheid van het Winckelmannfest van 1896 van de „Archaeologische Gesellschaft zu Berlin" over „Griechisches Pferdegeschirr im Antiquarium der Königlichen Museen" (uitgegeven bij Reimer, Berlijn) afkomstig uit een Boeotisch ruitergraf, waarschijnlijk uit de 4de eeuw v. Chr. De betrokken ruiter werd o.a. begraven met twee gebitten, het leerwerk, en een muilband, een gebruik, dat wij bij vele volkeren der Oudheid terugvinden. De in het ruitergraf gevonden bronzen gebitten (vgl. Plaat VIII) bestaan uit twee gelijkvormige deelen, die door vaste ronde oogen beweegbaar aan elkander verbonden zijn. Deze oogen vormen elk het uiteinde van eene as, die aan de buitenzijde eindigt in een knop, de overige onderdeelen van het gebit zijn draaibaar op deze assen bevestigd. Naast het oogvormig uiteinde der as is aangebracht eene breede schijf met scherpen rand, daarnaast een cylinder met vier rijen scherpe punten, vervolgens een S-vormige knevel met knoppen aan de uiteinden en oogen aan weerszijden van de as, en ten slotte een haak, waarvan het uiteinde met een knop versierd is; aan de in elkander grijpende oogen der as zijn resp. eene ketting van vier en eene van drie schakels bevestigd.
De oogen aan de knevels dienen tot het bevestigen van de riemen van het hoofdstel, de knevels zelf beletten het paard, de teugels stuk te bijten; de vorm der knevels blijkt bij de verschillende teruggevonden gebitten uiteenloopend te zijn geweest.
De teugels werden bevestigd aan de haken op het uiteinde der assen.
De schijven werkten op de tong, de punten van den cylinder op de lagen van het paard — geen wonder, dat wij lezen, dat bij zulk marteltuig de mond van het paard veelal met bloedig schuim was bedekt en dat wij bijna overal het paard der Oudheid met wijd geopenden mond zien afgebeeld!
Het doel der beide kettingen wordt door Xenophon behandeld in Hoofdstuk X § 9 (zie blz. 43); fig. l, 2 en 3 van Plaat VII geven verder eene duidelijke voorstelling van de bevestiging van het gebit, de afbeeldingen zijn resp. ontleend aan het Parthenon, aan het mosaïc van Alexander de Groote en aan het Mausoleum te Halicarnassus.
Wij beschikken over betrekkelijk weinig oude Grieksche gebitten, die echter alle tot hetzelfde type zijn terug te brengen. Het meest bekend is een gebit, in 1888 opgegraven in de Acropolis te Athene (zie Plaat VIII fig. 2) beschreven in het Bulletin de Correspondance Hellénique (1890, blz. 385), het is eenvoudiger van samenstelling dan het hierboven beschreven gebit en waarschijnlijk van zeer ouden datum, daar de schijven en de bijzondere haken voor de teugels o.a. blijkens oude Grieksche vazen waarschijnlijk reeds in de 6de eeuw voor Chr. in zwang waren. Een derde, o.a. door Morgan beschreven gebit berust in de verzameling van bronzen van Carapanos, het gelijkt sprekend op het gebit van fig. l van Plaat VIII.
Men houde verder in het oog, dat de inrichting van de zoogenaamde ruwe en gladde gebitten van Xenophon (zie Hoofdst. X, § 6 blz. 42) op eenzelfde grondbeginsel berust: beide soorten hebben schijven en punten, die alleen in grootte en scherpte verschillen.
Geen volk der Oudheid had zulke scherpe gebitten als de Grieken; werkelijk gladde gebitten schijnen in het geheel niet gebezigd te zijn. Bij het gebruik van dergelijke gebitten moet men, bij het beschouwen van toestellen als de muilband, hieronder beschreven, bedenken, dat tengevolge van eene hardere en minder oordeelkundige behandeling, het paard bij de Grieken waarschijnlijk meer prikkelbaar was dan bij ons, bovendien bereden de Grieken bijna uitsluitend hengsten. Zelfs Xenophon, wiens geschrift een doorloopend pleidooi is voor eene zachte en rustige behandeling van het paard, geeft toch hier en daar blijken, den aard van het paard gevaarlijk te achten. (Vgl. o.a. Hoofdstuk V § 3 en Hoofdstuk VI §§ 3 tot 5). Wij vinden daardoor waarschijnlijk in de Grieksche literatuur betrekkelijk weinig voorbeelden van groote toegenegenheid tusschen ruiter en paard, een natuurlijk gevolg van die harde behandeling.
De in het ruitergraf gevonden muilband was van kunstig bewerkt brons gemaakt (zie Plaat III), hij was lang 26 c.M., breed 12.5 c.M. en dik 0.2 tot 0.5 c.M. Blijkens de teekeningen op oude Grieksche vazen waren echter de muilbanden in den regel veel eenvoudiger vervaardigd, meestal van gevlochten hout of leer. (vgl. Plaat IV, fig. l en 2.).
De muilband werd door een riem achter de ooren van het paard over den halster bevestigd, een afzonderlijke riem was aan den muilband aangebracht, om het paard vast te houden. De muilband werd omgedaan bij het poetsen en bij het vervoer van het onopgetoomde paard:
bij het drenken, het rollen, het voeren naar de weide enz. (vgl. Hoofdstuk V § 3 blz. 18.)
Ook overblijfselen van het hoofdstel zijn in het ruitergraf teruggevonden. Dit hoofdstel blijkt evenals de muilband rijk versierd te zijn geweest; doordat in het algemeen de bronzen versieringen van de kruispunten der riemen dateeren vanaf het begin der 4de eeuw v. Chr., kan ook hierdoor de ouderdom van het graf ongeveer worden vastgesteld. Uit ongeveer 2 c.M. breede streepen aan de achterzijde der bronzen plaatjes, waar het brons blauwachtig geoxydeerd is, kan worden afgeleid, dat de riemen ongeveer even breed waren als die van den tegenwoordigen tijd.
Fig. 2a. van Plaat XII stelt voor een dun, ongeveer 20 c.M. lang, ovaal, bronzen voorhoofd schild, om de lengteas gebogen onder een zeer stompen hoek. Xenophon spreekt over deze voorhoofdschilden in Hoofdstuk XII § 8 blz. 52. Vorm en bestemming van deze schilden liep zeer uiteen, later was het doel ervan in den regel slechts versiering, zij werden dan dikwijls van edeler metaal vervaardigd. Overblijfselen van Grieksche kunst uit de 5de en 6de eeuw v. Chr. leveren vele voorbeelden op, waar het doel ervan uitsluitend was bescherming van het hoofd van het paard in den strijd, de schilden volgden dan het geheele beloop van het hoofd, zij waren zwaarder geconstrueerd en dikwijls versierd met Medusa- of heldenkoppen. Op fig. l van Plaat XII zijn aan het hoofdstel van het paard aan het mosaïk van Alexander de Groote de voorhoofdschildjes blijkbaar nog slechts als sieraad aangebracht.



Fig. 2b. van Plaat XII stelt voor dunne bronzen ronde plaatjes, ongeveer 10 c.M. breed, waarvan er vier in het graf gevonden zijn; zij werden als sieraad op kruispunten van riemen bevestigd. Van de zwaardere bronzen rosetten, afgebeeld op fig. 2c., bevonden er zich drie in het graf, waarschijnlijk waren er daarvan bij het hoofdstel ook vier in gebruik; zij werden eveneens op kruispunten van de riemen van het hoofdstel aangebracht, behalve als sieraad hadden zij echter ook het practische doel, de riemen op bepaalde punten stevig bij elkander te houden, waarschijnlijk op de plaats, waar de beide riemen van het gebit aan het hoofdstel werden bevestigd en rechts en links van de ooren van het paard (vgl. Plaat XII fig. 1.).
Zooals o.a. Xenophon in Hoofdstuk VII § 5 blz. 27 mededeelt, reden de Grieken òf op het naakte paard, òf op eene deken of zitkleed, met een riem of — soms versierden — band onder den buik of ter hoogte van de borst aan het paard bevestigd (vgl. Plaat. IX); ook werd wel een zitkussen op de deken vastgenaaid (zie Hoofdstuk XII, § 9, blz. 52).
De in Hoofdstuk XII § 8 blz. 52 gewenschte borst- en zijschilden waren oorspronkelijk niet bij de Grieken in gebruik; Xenophon heeft ze waarschijnlijk o.a. tijdens zijn verblijf in het Perzische Rijk leeren waardeeren, in Griekenland schijnen zij in de 4de eeuw v. Chr. op zeer bescheiden schaal te zijn ingevoerd.

Korte levensbeschrijving van Xenophon.

Dr. G. E. W. van Hitte schreef mij indertijd o.a. : „Met den persoon van Xenophon heb ik altijd veel sympathie gehad. Een eerlijke, eenvoudige en royale soldaat, die met nederigheid over zijne eigen kranige daden schrijft en in wiens woorden men altijd zoo echt het zelf doorleefde en gevoelde leest. Iemand van de practijk en een man van de daad, wars van afkammen van anderen, altijd erkennend de hulp van zijne collega's en toch teleurgesteld door miskenning, een man van belangstelling en van liefde voor menschen, vaderland en. . . . paarden !"
Beter kan ik Xenophon niet typeeren, daarom ga bovenstaand citaat voorop.
Xenophon is waarschijnlijk ongeveer in 434 v. Chr. te Athene geboren als zoon van Grillus, die behoorde tot een der geslachten, waaruit te Athene de ruiterij werd gerecruteerd; hoogstwaarschijnlijk heeft dan ook Xenophon zelf in zijne jeugd dienst gedaan bij de Atheensche ruiterij, terwijl later zijne beide zonen eveneens daarbij ingedeeld waren. Te Athene speelde in dien tijd de cavalerie nog geene groote rol in den strijd — in den slag bij Marathon in 490 v. Chr. ontbrak zij zelfs geheel — de stad bracht slechts 1000 ruiters op, gelijkelijk over de 10 tribus verdeeld, deze tien onderdeelen stonden elk onder een phylarch, terwijl het geheele korps door twee hypparchen werd aangevoerd. Daar het houden van een rijpaard in dien tijd als een luxe moet worden beschouwd, was de Atheensche ruiterij een elitekorps.
Xenophon werd geboren in de laatste jaren van de „gouden eeuw van Perikles", zijne eerste jeugd valt dus samem met Athene's toppunt van grootheid en roem, maar tevens — met den Peloponnesischen oorlog (van 431—404 v. Chr.), die voor goed een einde maakte aan den voorspoed en de macht der stad.
Athene werd onder het bewind van Perikles (493—429 v. Chr.) het brandpunt van de antieke kunst en wetenschap, die aldaar in die dagen de hoogste trap van ontwikkeling bereikten. De grootste geesten van dien tijd vestigden zich te Athene, waar onder de leiding van den beeldhouwer Phidias de kunstwerken der Akropolis, de op het hoogste punt der rots gelegen burcht van de stad, verrezen, o.a. de Propylaeën, de ingang der burcht, eene reusachtige marmeren poort, aan weerszijden voorzien van groote vleugelgebouwen; op het binnenplein der Akropolis het Parthenon, de marmeren tempel gewijd aan Pallas Athene, de beschermgodin der stad en aan den voet der burcht het Odeon, een gebouw tot het houden van dichterlijke en muzikale wedstrijden.
De dood van Perikles aan de pest was eene ramp voor Athene, omdat na den dood van den grooten staatsman de almachtige democratie een gemakkelijk werktuig werd in de hand van volksmenners; voortdurende onlusten ondermijnden de macht van den staat, de schatkist was leeg en de stad was omringd door vijanden. Daarbij hield het volk de militaire ambten voor de demagogen gesloten: meer en meer werden vakmannen tot strateeg gekozen, waardoor de eenheid van politiek en militair gezag van den tijd van Perikles verviel en conflicten tusschen deze beide machten in den staat niet uitbleven.
In dezen tijd trad de wijsgeer Socrates (470—399 v. Chr.) te Athene op den voorgrond, hij kwam vooral in verzet tegen de tyrannie der democratie en tegen de theorieën der Sophisten, de leeraars der wijsbegeerte; hij wilde door zedelijke en intellectueele hervorming van den individueelen burger de burgerij opvoeden tot een beter staatsleven, volgens hem de hoogste vorm van het menschelijk bestaan. Vele jongelui van goeden huize volgden zijn onderricht, deels aangetrokken door zijne uitmuntende dialectische methode, deels uit sympathie voor zijne staatkundige denkbeelden; de groote menigte werd echter door zijne voortdurende kritiek geprikkeld.
Xenophon schijnt reeds op zeer jeugdigen leeftijd een leerling van Sokrates te zijn geworden, van wien hij en Plato de meest bekende volgelingen werden. Xenophon is steeds een getrouwe aanhanger en vereerder van zijn leermeester gebleven, aan wien hij later verschillende geschriften heeft gewijd. Door zijn karakter, aanleg en connecties gevoelde Xenophon zich echter waarschijnlijk meer aangetrokken tot de praktijk des levens dan tot de bespiegelende wetenschappen, althans blijken Athene's muren — in werkelijkheid in 404 afgebroken! — te nauw voor hem te zijn geworden.
Van de rol, die Xenophon in zijn jonge jaren te Athene heeft gespeeld, is ons weinig bekend, ook omdat hij te bescheiden was, in zijne geschriften den lezer te vermoeien met bijzonderheden over zijn eigen leven, dat toch zeker gedurende de lange oorlogsjaren rijk aan gebeurtenissen zal zijn geweest. Het zou mij echter niet verwonderen, wanneer hij tot de jongelui heeft behoord, die, ontevreden met den democratischen Atheenschen regeeringsvorm, Sparta wenschten na te volgen in gewoonten en instellingen en die, toen de Peloponnesische oorlog eene ongunstige wending nam, vooral door den ondergang van de expeditie naar Sicilië in 413, vrede en zelfs een verbond met Sparta wenschten. In elk geval had hij, blijkens zijne deelneming als vrijwilliger aan den tocht van Cyrus, Spartaansche relaties en heeft hij tijdens het bestuur der 30 tyrannen te Athene de stad verlaten. De definitieve breuk met zijne geboortestad, gevolgd door zijne verbanning, zal ook wel onherstelbaarder geworden zijn door de terechtstelling van Socrates, een der eerste offers van de in 399 te Athene herstelde volksheerschappij.
Na 401 beschikken wij over meer gegevens omtrent het leven van Xenophon door zijne nagelaten geschriften.
Xenophon behoorde tot het Grieksche hulpleger, dat onder Cyrus, den landvoogd van het westelijk deel van het Perzische rijk, tegen koning Artaxerxes II Mnemon, den ouderen broeder van Cyrus, optrok. Na den dood van Cyrus in 401 in den slag van Cunaxa bij Babylon en den verraderlijken moord op de Grieksche aanvoerders, nam Xenophon de leiding op zich over de 10.000 overgebleven Grieken. In zijn beroemd werk, de Anabasis — de Terugtocht — beschrijft hij onder den naam van Themistogenes de wederwaardigheden van het leger op den terugtocht uit Mesopotamië door het hoogland van Armenië langs een weg van bijna 4000 K.M. naar de Zwarte Zee en vandaar naar den Hellespont.
Door den gunstigen afloop van Xenophon's beroemd geworden terugtocht, hoofdzakelijk te danken aan zijn veldheerstalent, omzichtigheid en kalmte, was de innerlijke zwakheid van het Perzische Rijk duidelijk aan het licht gekomen. Xenophon heeft daardoor niet alleen den tocht der 10.000 Grieken onvergetelijk gemaakt, maar ook een gewichtigen invloed op de gebeurtenissen der eerstvolgende tijden uitgeoefend, daar de Grieken thans op het denkbeeld kwamen, van hunne zijde eene poging te doen tot verovering van het uitgebreide Perzische Rijk.
In zijne geboortestad oogstte Xenophon echter weinig dank in, hij werd zelfs bij volksbesluit uit Athene verbannen en niet zonder reden, want de Atheners hadden zich met de Perzen tegen Sparta verbonden.
Xenophon was zeer bevriend met Agesilaüs, den koning van Sparta, dien hij begeleidde op zijn tocht in Klein-Azië in 396. Toen in 394 de Corinthische oorlog (van 394 tot 387) tegen Sparta uitbrak, vergezelde hij hem naar Boeotië en streed bij Coronea tegen zijne eigen stadgenooten. Na den vrede van Antalcidas schonken de Spartanen aan Xenophon een landgoed bij Scillus in Elis op den Pelo-ponnesis.
Xenophon heeft verscheidene jaren op zijn buiten geleefd en vond hier tijd en gelegenheid, zijne meest bekende werken te schrijven, die allen uitmunten door eenvoud en zuiverheid van stijl en daardoor steeds behoord hebben tot de meest gelezen geschriften van de geheele Grieksche litteratuur. Men zou zijne werken kunnen verdeelen in geschiedkundige, staatkundige, wijsgeerige en technische, van de eerste zijn vooral, behalve de Anabasis, bekend de Cyropaedie (de opvoeding van Cyrus) en de Hellenica (Grieksche Geschiedenis, een vervolg op het groote werk van Thukydides).
Tijdens den Thebaanschen oorlog werd Xenophon door de overwinning van Epaminondas op de Spartanen bij Leuctra in 371 uit Elis verdreven; hij vertrok naar Corinthe, waar hij tot aan zijn dood bleef wonen. Van hieruit schijnt hij weer in verbinding met zijne geboortestad te zijn getreden. De ban werd opgeheven, doch hij kon er niet toe besluiten naar Athene terug te keeren. Zijne beide zonen echter uit zijn huwelijk met Philesia, Gryllus en Diodorus, bijgenaamd de Dioskuren, traden in dienst bij de Atheensche ruiterij. Zijn oudste zoon Gryllus sneuvelde zelfs aan Atheensche zijde in 362 bij Mantinea, waar de Spartanen door Epaminondas werden verslagen. Een merkwaardig bewijs van zelfbeheersching wordt daarbij van Xenophon verhaald: hij vernam de doodstijding van zijn zoon op het oogenblik dat hij gereed stond een offer aan de goden te brengen; met kalme gelatenheid hoorde hij het treurige bericht aan en zeide, terwijl hij den krans, waarmee hij zich bij het offeren getooid had, van het hoofd nam: „ik heb slechts aan een sterveling het leven geschonken." Toen men hem echter vertelde, hoe heldhaftig Gryllus zich gedragen had, zette hij den krans weer op en bracht de plechtigheid ten einde, terwijl hij de goden dankte, die hem zulk een voortreffelijken zoon geschonken hadden.
Xenophon heeft zijn geschrift Hipparchicus, aanwijzingen voor een Atheenschen ruiteraanvoerder, niet lang vóór den slag bij Leuctra geschreven, zooals volgt uit daarin voorkomende toespelingen op naderende vijandelijkheden. Kort daarop heeft hij zijn geschrift over „Paardrijden" te boek gesteld, zoodat Peri\ 7 I9ppikh=j waarschijnlijk in 362 is geschreven. Wellicht heeft hij beide werkjes in de eerste plaats als handleiding voor zijne beide zonen samengesteld.
Xenophon is vermoedelijk ongeveer in 355 v. Chr. te Corinthe overleden.

Kylix van aardewerk, toegeschreven aan Onesimos, ca 490 voor Chr
Metropolitan Museum of Art, New York