|
XENOPHON
EN
de Herinneringen aan Socrates.
Grote,
Plato and the other companions of Socrates. III. 1865
Dr. I. I. Hartman, Analecta Xenophontea. 1887.
Xenophons Memorabilien erklärt von L. Breitenbach. 6e Auflage.
1889.
Karl Joël, Der echte und der Xenophontische Socrates. Erster Band,
1893.
Xenophon, Anabasis. Uit het Grieksch door Dr. H. C. Muller. 1893.
Wie een indruk wil
geven van een antieken schrijver, ontmoet een bezwaar, dat niet bestaat
voor hem, die over een figuur uit de moderne literatuur spreekt. Er
is haast geen persoon uit de oude letterkunde, of men is in het onzekere
op vele punten, die men moet aanraken; in het onzekere over omstandigheden
en trekken, welke men gebruiken wil om zijn beeld te ontwerpen. Haast
geen figuur uit de oude letterkunde, of de berichten over zijn leven
en de opvattingen over zijn werk zijn even zoovele vraagstukken, waaraan
de geleerden jarenlang arbeiden, waarover zij lang strijden. Over Milton
kan men schrijven, en beschikken over niet betwiste gegevens; over Goethe
kan men schrijven en zijn werk in verband brengen met zijn levensloop;
over Vondel kan men schrijven en zijn gedichten toelichten door zijn
omstandigheden.
Doch, over Homerus weet men niet eenmaal, of er een of veel geweest
zijn; van Herodotus gist men, zonder het te weten, dat hij zijn boek
niet heeft kunnen voltooien; over de ontwikkeling van Plato's wijsbegeerte
zijn tien hypothesen, doch geen enkel objectief gegeven.
En met Socrates is het niet anders. Geen tweede uit de Helleensche wereld
is meer genoemd door tijdgenooten en nakomenden, en toch blijven zijn
ware geschiedenis en persoon een vraagstuk. De drie groote documenten:
het werk van Plato, de Herinneringen van Xenophon, de Wolken
van Aristophanes, zelfs toegelicht door de mededeelingen van Aristoteles,
zijn enkel met de toepassing van een zeer omslachtige kritiek te gebruiken;
ook over hem leven wij niet in zekere gegevens, doch in vraagstukken.
Niet beter is het met Xenophon; en allerminst zijn de Herinneringen
vrij van vraagstukken, en het grootste probleem is hier een dubbel probleem,
want de Herinneringen zijn zoowel een document voor den schrijver
als voor Socrates: wij moeten dus zoowel Xenophon er in zoeken als zijn
meester.
Over deze en diergelijke vraagstukken werken de geleerden hard, en met
gebruik van grcote belezenheid en groote scherpzinnigheid. Doch van
hun werk komt het beschaafde publiek weinig te weten, en ik verwonder
mij niet, zoo dat publiek weinig belangstelling heeft voor de zaken
der geleerden, en een zekere minachting voor het onderlinge geharrewar
van Graeci en filosofen, die elke tien jaren een nieuwe theorie als
de ware beschouwen, en dikke boeken tot elkander richten, die voor de
groote wereld ongeschreven hadden kunnen blijven.
Ik voor mij mag de geleerden geen ander verwijt maken, dan dat zij te
veel onder elkander en te weinig tot hun volk spreken; geen ander verwijt,
want hun arbeid heb ik met dankbaarheid gebruikt, en zij stelt mij in
staat deze inleiding te schrijven, waarin ik beproeven zal een beeld
van Xenophon te ontwerpen en de beteekenis van de Herinneringen
aan te geven, zonder in discussie te treden met meeningen, welke onbekend
zijn aan het publiek, waarvoor de vertaling bestemd is. En wanneer ik
van erkentelijkheid spreek, behoort ook Allard Pierson genoemd te worden,
die reeds eenige jaren lang toont, hoe het mogelijk is de uitkomsten
van geleerd onderzoek binnen het bereik van alle toeschaafden te brengen.
I.
Voorzeker heeft geen man uit de Helleensche wereld méér
invloed gehad op zijn tijdgenooten en de nakomenden, dan Socrates. Vele
mannen van beteekenis hebben hun vorming aan hem te danken gehad; vele
belangrijke wijsgeerige scholen, na zijn dood ontstaan, mogen hem hun
vader noemen, hetzij door zijn onmiddelijke werking op zijn tijdgenooten,
hetzij door nawerking van het bijzondere door hem in de wereld gebracht.
Twee zaken zijn het geweest, die Socrates' invloed uitmaakten: zijn
theoretisch onderzoek, en zijn praktisch leven. Den aard van zijn theoretisch
onderzoek kunnen wij opmaken uit de dialogen van Plato en de berichten
van Aristoteles, en de Herinneringen van Xenophon geven een con'trôle
aan de hand. Het zoeken naar begripsbepaling, en de zoogenaamde inductieve
methode om tot die bepaling te
blz. VIII
|