Xenophon's

Herinneringen aan Socrates.

Uit het Grieksch

door

Dr. Ch. M. van Deventer.

Amsterdam,
S.L. van Looy. / H. Gerlings.


EERSTE BOEK.

I.

Dikwijls heb ik mij verbaasd, door welke redenen toch de aanklagers van Socrates de Atheners overreedden, dat hij der stad des doods schuldig was. Want de aanklacht tegen hem was ongeveer zóó:
Socrates is misdadig, de goden, die de stad erkent, niet erkennend, en andere nieuwe godheden invoerend; misdadig ook is hij, daar hij de jongelieden verderft.
Vooreerst nu, dat hij de goden niet erkende, die de stad erkent, welk bewijs toch hadden zij daarvoor? Want dikwijls zag men hem offeren, èn te huis, dikwijls ook op de openbare altaren der stad, en niet was het onbekend, dat hij de waarzegging gebruikte; een ieder toch sprak er van: Socrates beweerde, dat de godheid hem teekenen gaf, - waarom zij zelfs, naar mij schijnt, het meest hem beschuldigen nieuwe godheden in te voeren. Doch hij voerde niets nieuwers in, dan de anderen, die de waarzegging erkennen en vogels raadplegen en stemmen en toevalligheden en offers; want dezen gelooven niet, noch dat de vogels, noch dat die zij tegenkwamen, weten wat nuttig is voor die om raad vragen, doch dat de goden door genen dat aanduiden, en ook hij meende het zoo. Maar de meesten zeggen, dat zij door de vogels en de tegengekomenen afgehouden en aangespoord worden; Socrates echter, zooals hij het inzag, zóó zei hij het ook : want de godheid, zei hem, gaf hem teekenen. — En velen van zijn genooten ried hij, dàt te doen, dàt niet te doen, daar de godheid het zoo aangeduid had. En die hem gehoorzaamden, baatte het; die hem niet gehoorzaamden, berouwde het. En toch, wie zal niet toestemmen, dat hij zich noch een onnoozelen, noch een onbeschaamden aan zijn genooten wilde betoonen? En hij scheen dat beiden, indien hij voorzeggingen gaf, als openbaringen van den god, en bleek bedrogen te hebben. Duidelijk dus is, dat hij geen voorzeggingen deed, zonder vertrouwen, dat zij bewaarheid zouden worden. En wie zou daarin op een ander vertrouwen, dan op den god? En als hij op de goden vertrouwde, hoe miskende hij dan het bestaan der goden? Doch voorwaar, hij deed ook nog dìt voor zijn vrienden. In de gewone dingen ried hij hen te handelen, zooals zij meenden dat het best gehandeld zou worden, doch in de dingen, wier afloop onduidelijk was, ried hij aan een orakel te laten vragen, of men ze doen moest. Zoo zeide hij ook, dat zij, die huizen en steden goed wilden besturen, waarzegging noodig hadden. Want om een bouwmeester, of een kopersmid of een landbouwer, of een bestuurder van menschen, of een beoordeelaar van zulke werken, of een rekenaar, of een huisbestuurder of een veldheer te worden, alle dergelijke zaken achtte hij leerbaar, en ook door menschelijk inzicht te winnen,, doch de grootste dingen bij zulke zaken hadden de goden, zeide hij, aan zichzelven overgelaten, en niets daarvan was duidelijk aan de menschen. Want noch was het hem, die schoon zijn akker bebouwd had, duidelijk wie oogsten zou; noch, die schoon een huis gebouwd had, duidelijk, wie het bewonen zou; noch den veldheer duidelijk, of het van nut was veldheer te zijn; noch den staatsman duidelijk, of het van nut was de stad te besturen; noch, die een schoone vrouw huwde, dat hij zich verheugen zou, duidelijk, of hij door haar geërgerd zou worden; noch die verwanten kreeg, machtig in de stad, duidelijk, of hij niet door hen de stad verliezen zou. Doch hen, die geen van zulke dingen bij de godheid berustend achtten, doch bij het menschelijk inzicht, die noemde hij bezetenen, bezetenen ook hen, die aan de godspraak vroegen, wat de goden den menschen te leeren en te beoordeelen gegeven hadden, — zooals, indien iemand vroeg of het beter is een, die het mennen kent, voor een wagen aan te nemen, of een, die het niet kent; en of het beter is een, die het sturen kent, op zijn schip te nemen of een, die het niet kent; of wat men door tellen of meten of wegen kan weten: die zulke dingen van de goden vernemen wilden, die deden goddeloos meende hij; want wij moesten, zei hij, wat de goden ons gegeven hadden om te leeren en dan te doen, leeren; doch wat den menschen niet duidelijk is, trachten door waarzegging van de goden te vernemen, want de goden gaven teekenen, aan wie zij goedgezind zijn.
Maar hij althans was altijd in het openbaar; want nog in de vroegte ging hij naar de wandelplaatsen en de oefenscholen, en als de markt vol was, was hij daar voor een ieder te zien, en het overige van den dag was hij altijd daar, waar hij met zeer veel menschen zou samen zijn, — en hij sprak gewoonlijk, en die wilden konden hem hooren. Doch niets goddeloos, noch onvrooms, zag of hoorde iemand ooit Socrates doen noch zeggen. Want niet sprak hij over den aard van het al, zooals de meesten der anderen, nagaande, hoe de door de wijsgeeren zoo geheeten Kosmos ontstaan was en door welke dwangoorzaken elk der dingen des hemels geschiedt, doch zelfs toonde hij aan, dat zij die zich over dergelijke dingen het hoofd braken, dwaas waren.
Eerst nu ging hij bij hen na, of zij in de meening, van de dingen der menschen genoeg te weten, zich er aan begeven over die andere zaken na te denken; of wel of zij, door de dingen der menschen voorbij te loopen, die der goden evenwel na te gaan, meenen betamelijk te handelen. Hij vroeg met verbazing, of het hun niet duidelijk was, dat het den menschen niet mogelijk is die dingen te vinden. Daar toch zij, die zich het meest er op verhieven daarover te spreken, geenszins onderling hetzelfde meenden, doch als waanzinnigen zich tegenover elkander gedroegen. Want van de waanzinnigen vreezen de eenen het vreeselijke niet, doch de anderen schrikken ook voor het niet verschriklijke; en den eenen dunkt het geen schande, zelfs niet in een menschenmenigte, wat ook te zeggen of te doen, de anderen willen niet eenmaal onder de menschen komen; en de eenen eeren noch een heiligdom, noch een altaar, noch iets anders van de goddelijke dingen, de anderen aanbidden zells wat voor steenen en hoornen en dieren zij zien. Van hen nu, die om den aard van het al zorgen hebben, meenen sommigen, dat het zijnde één is, anderen oneindig in veelheid; en sommigen, dat alles altijd beweegt, anderen, dat er nooit iets bewegen kan; en sommigen, dat alles wordt en vergaat, anderen, dat niets ooit geworden was noch vergaan. En hij ging ook dit bij hen na: of, evenals zij, die de dingen der menschen leeren, meenen, wat zij leeren, ook voor zichzelven en wien ook der anderen zij willen te kunnen toepassen, — of zóó ook zij, die de goddelijke dingen nasporen, gelooven, ook wanneer zij weten door welke noodzaken elk er van geschiedt, dat zij, wanneer zij willen, èn winden kunnen maken en regens en jaargetijden en wat anders van die dingen zij mochten noodig hebben, of wel of zij niets van dien aard verwachten, en het hun voldoende is enkel te weten door welke reden elk van zulke dingen geschiedt? Over hen nu, die zich met zulke zaken bezighielden, zeide hij dergelijke zaken, doch zelf sprak hij altijd over de dingen der menschen, nagaande wat godvruchtig is, wat goddeloos; wat schoon, wat schandelijk; wat rechtvaardig, wat onrechtvaardig; wat de ingetogenheid, wat de waanzin, wat de moed, wat de lafheid, wat een staat, wat een staatsman, wat een bestuur van menschen, wat een bestuurder van menschen, en over de andere dingen, door welke te kennen, naar hij meende de menschen goed en schoon waren, door welke niet te kennen zij terecht slaven genoemd zouden worden.
De dingen nu, waarin hij niet openlijk toonde, hoe hij er over dacht, geen wonder, dat daarin de rechters over hem dwaalden, doch wat allen wisten, is het niet verbazend, dat zij dàt niet overwogen? Want toen hij eens raadsheer was en den eed der raadsheeren gezworen had, — waarin stond, dat hij volgens de wetten raden zou —, en hij dagvoorzitter was van de volksvergadering, en het volk verlangde met één stemming de negen veldheeren, Thrasyllus en Erasinides en die met hen, allen ter dood te veroordelen, wilde hij de stemming niet toelaten, hoewel het volk tegen hem toornde, en velen en ook machtigen dreigden; doch hooger stelde hij het zijn eed te houden, dan tegen het billijke in het volk ter wille te zijn en zijn bedreigers te vreezen. Want voorwaar, hij geloofde, dat de goden zich met de menschen bemoeien, niet zooals de menigte dat gelooft, — want deze meent, dat de goden het eene weten, het andere niet weten —, doch Socrates meende, dat de goden alles weten, èn het gesprokene èn het verrichte èn de verzwegen overwegingen, en dat zij overal aanwezig zijn en den menschen over alle menschelijke dingen teekens geven.
Ik verbaas mij daarom, hoe toch de Atheners overreed werden, dat Socrates tegenover de goden niet deugdzaam was, hij, die nooit over de goden iets ongodvruchtigs noch zeide noch deed, doch over de goden dingen èn zeide èn deed, als iemand zou zeggen en doen en de allergodvruchtigste geacht worden.

II.

Doch ook verbaas ik mij, dat sommigen zich hebben laten overreden, dat Socrates de jongelingen bedierf, daar hij toch, behalve het reeds gezegde, vooreerst in genietingen van min en van buik van alle menschen de meest zelfbeheerschende was, vervolgens tegenover winter en zomer en alle moeiten de meest geharde, en bovendien zoo geoefend in het weinig noodig hebben, dat hij bij een zeer gering vermogen zeer gemakkelijk genoeg had. Hoe dan, zelf zoodanig zijnde, zou hij anderen ongodvruchtig of wetsovertreders of zwelgers of zwak in minnezaken of week in moeiten gemaakt hebben? Veeleer bracht hij velen daarvan af, en deed hen de deugd begeeren en gaf hun de hoop: indien zij voor zich zelf zorg droegen, zouden zij schoone en goede mannen worden. En toch beweerde hij nooit leermeester daarin te zijn, doch door in zijn daden, zichtbaar voor allen, zelf zoo te wezen, deed hij, die met hem omgingen, hopen, dat zij hem navolgend ook zelf zoo zouden worden. En zeker toch verwaarloosde hij zelf zijn lichaam niet, noch prees hij hen, die het verwaarloosden. Veel te eten en dan veel te werken keurde hij af, doch zooveel als de eetlust gaarne aanneemt, dat behoorlijk tot arbeid te maken, keurde hij goed; want die leefwijze, zei hij, was gezond genoeg en belemmerde de zorg voor de ziel niet. En geenszins wederom was hij weelderig noc.h pronkend, noch in gewaad noch in schoeisel, noch in zijn overige gewoonten; en geenszins voorwaar maakte hij zijn genooten geldlievend: want van de andere begeerten hield hij hen af, en van hen, die hem begeerden, vroeg hij geen geld. En door daarvan zich te onthouden, meende hij voor zijn vrijheid te zorgen; doch die voor hun omgang loon aannamen, heette hij slavenhandelaars met zich zelf, daar zij gedwongen waren te spreken met hen van wie zij het loon ontvangen hadden. Hij verbaasde zich, dat iemand de deugd leerde en geld eischte en het niet de grootste winst achtte een goeden vriend te winnen, doch vreesde, dat hij, die schoon en goed was geworden, aan zijn grootsten weldoener niet den grootsten dank zou weten. Socrates nu beloofde aan niemand ooit iets van dien aard; doch hij vertrouwde dat die zijner genooten, die aannamen, wat hij zelf goed vond, voor hun gansche leven voor hemzelf en elkander goede vrienden zouden zijn. Hoe zou dan zulk een man de jongelingen bederven? Indien althans niet de betrachting der deugd bederf is.
Doch bij Zeus, zeide de aanklager, hij deed zijn genooten de betsaande wetten verachten, zeggende dat het dwaas was de bestuurders van den staat met den boon aan te stellen, terwijl niemand met den boon een stuurman wilde aannemen, noch een timmerman, noch een fluitspeler, noch iemand voor andere zulke dingen, wier mislukken veel geringer schade aanbrengt, dan dwalingen in het bestuur van den staat; zulke woorden, zeide de aanklager, prikkelden de jongelingen er toe de bestaande inrichting te minachten en gewelddadigheden te doen. Doch ik meen, dat zij, die hun bedachtzaamheid oefenen en meenen in staat te zullen zijn hun medeburgers te leeren wat voordeelig is, allerminst gewelddaden zullen plegen, wetend, dat aan het geweld vijandschap en gevaren wachten, doch dat door de overreding hetzelfde zonder gevaar en in vriendschap verkregen wordt. Want de gedwongenen gevoelen, alsof zij beroofd zijn, haat in de ziel, die overreed worden daarentegen zijn dankbaar en gevoelen vriendschap. Zoo is dan het gewelddoen niet van hen, die hun overleg oefenen, doch van de menschen met kracht zonder inzicht is het zoo te handelen. Waarlijk toch, niet weinig helpers heeft hij noodig, die dwingen wil; doch die overreden kan, geen enkelen; want ook alleen zijnde mag hij meenen, tot overreden in staat te zijn. En den zoodanigen overkomt allerminst, dat zij moorden: want wie zou een ander liever willen dooden, dan hem overreden en hem levend voor zijn doel gebruiken?
Maar, beweerde de aanklager, twee, die met Socrates omgingen, Critias en Alcibiades, hebben den staat de grootste onheilen berokkend. Want Critias was van allen in de oligarchie de meest roofzuchtige en gewelddadige en moordlustige, en Alcibiades wederom van allen in de volksregeering de meest teugellooze en overmoedige en gewelddadige. Ik nu, als deze mannen den staat kwaad hebben aangedaan, zal hen niet verdedigen, doch hoe hun omgang met Socrates was, dat zal ik verklaren. Want deze beide mannen waren immers van aard de meest eerzuchtigen van alle Atheners, en wilden dat alles door hen gedaan werd en zij van allen de meest vermaarden werden. En zij wisten, dat Socrates van het minste geld het tevredenst leefde, over alle lusten het meest heerscher was, en met allen, die met hem spraken, in het gesprek doen kon, wat hij wilde. Terwijl zij nu dit zagen, en waren, zooals reeds gezegd werd, zal dan iemand beweren, dat zij uit begeerte naar de leefwijze van Socrates, en de ingetogenheid, die hij had, naar zijn omgang verlangden, of in de meening, indien zij met hem omgingen, zeer sterk te zullen worden in zeggen en doen? Want ik voor mij geloof, als de god hun gegeven had òf gansch hun leven te leven zooals zij Socrates zagen leven, òf te sterven, dat zij beiden liever den dood zouden gekozen hebben. En hun aard bleek uit hun daden. Want zoodra zij bekwamer meenden te zijn dan hun genoten, sprongen zij terstond van Socrates weg en bemoeiden zich met de staatszaken, waarom zij dan ook Socrates gezocht hadden.
Misschien nu zal iemand hiertegen zeggen, dat Socrates zijn genooten niet eerder de staatkunde had moeten leeren, dan de bedachtzaamheid. Dat nu spreek ik niet tegen; doch ik zie, dat alle leermeesters èn zichzelf aan hun leerlingen tot voorbeeld geven, in zoover zij zelf doen, wat zij leeren, èn door het woord op hen werken. En ik weet, dat ook Socrates zich zelf als een schoon en goed man aan zijn genooten toonde en het schoonst sprak over de deugd en de andere dingen der menschen. En ik weet, dat ook genen ingetogen leefden, zoolang zij met Socrates waren, niet uit vrees, dat zij door Socrates gestraft of geslagen zouden worden, doch toen meenende, dat het't best was zóó te handelen.
Wellicht nu zullen velen van die beweren wijsgeer te zijn zeggen, dat nooit de goede slecht kan worden, noch de ingetogene overmoedig, noch in iets anders, waarover onderricht bestaat, de kundige ooit onwetend kan worden. Ik echter denk daarover zoo niet; want ik zie, dat evenals die hun lichaam niet oefenen de daden des lichaams niet doen kunnen, zoo ook die hun wil niet verzorgen de daden der ziel niet kunnen verrichten; want noch kunnen zij doen, wat geschieden moet, noch, wat niet moet, laten. Daarom ook, ook indien de zoons ingetogen zijn, houden de vaders hen toch ver van de slechte menschen, daar zij den omgang met de braven als een versterking, dien met de slechten als een verwoesting van de deugd beschouwen. En dat getuigt ook hij van de dichters, die zegt:

Want van braven toch leert ge het brave, maar zoo ge met slechten
Omgang houdt, ge verliest ook het verstand, dat ge hadt.

En hij, die zegt:

Doch ook de brave zelf is nù slecht, dan weer voortreflijk.


En ik val hun bij. Want ik zie, dat, evenals zij die een van buiten geleerd gedicht, als zij zich niet oefenen, vergeten, zoo ook dat ook zij, die de woorden van hun leermeesters verwaarloozen, ze verliezen. Doch heeft iemand de vermanende woorden vergeten, dan is hij ook vergeten, wat zijn ziel naar de ingetogenheid deed verlangen; en die dat vergeten is, geen wonder, dat hij ook de ingetogenheid vergat. Ik zie ook, dat die tot drinkzucht vervallen zijn, en die zich in liefdeszaken gestort hebben, minder het betamelijke doen en het onbetamelijke laten kunnen. Want velen, die, vóór zij een liefde hebben, spaarzaam zijn met hun goed, kunnen dat niet meer zijn, als zij beminnen; en als zij hun goed verkwist hebben, dan onthouden zij zich niet meer van een winstbejag, dat zij vroeger voor schandelijk hielden. Hoe dan zou het niet mogelijk zijn, dat iemand eerst ingetogen was en later niet ingetogen, en eerst braaf kon handelen, doch later het niet kon ? In alle schoone en goede dingen dus moet men, meen ik, zich oefenen, en niet het minst in de ingetogenheid. Want in eenzelfde lichaam zijn de lusten met de ziel ingeplant en overreden deze om niet ingetogen te zijn, doch zoo spoedig mogelijk aan hen en het lichaam te gehoorzamen.
En Critias nu en Alcibiades, zoolang zij met Socrates omgingen, konden met genen tot bondgenoot, de onschoone begeerten beheerschen. Doch van hem gescheiden, vluchtte Critias naar Thessalië en was daar met menschen, die meer in wetteloosheid dan in braafheid leven; Alcibiades echter, om zijn schoonheid door vele en aanzienlijke vrouwen nagejaagd, om zijn macht in den staat en bij de bondgenooten door vele en in vleierij bekwame mannen verwend, door het volk geëerd en maklijk de eerste, — evenals de strijders in lichaamswedstrijden, als zij met weinig moeite overwinnen, het oefenen verwaarloozen, zoo ook verwaarloosde gene zich zelf. Daar nu dit hun overkwam, en zij gezwollen waren op hun afkomst, zich verhieven op hun rijkdom, zich opbliezen op hun macht, verwend waren door vele menschen, en bij dit alles nog reeds langen tijd buiten den omgang met Socrates, wat wonder, zoo zij overmoedig werden? En als zij dan iets misdreven, beschuldigt de aanklager Socrates daarvan? Doch dat zij als jongelingen, op een leeftijd, waarop zij natuurlijk het meest onbedachtzaam en zwak waren, door Socrates ingetogen gemaakt werden, schijnt dat den aanklager gansch geen lof te verdienen? Niet voorwaar wordt in de andere zaken aldus geoordeeld. Want welke fluitspeler, welke citherspeler, welke andere leermeester, die zijn leerlingen bekwaam maakte, krijgt, indien dezen naar anderen gaan en slechter worden, daarvan eo schuld ? Welke vader, indien zijn zoon in den omgang met iemand ingetogen, doch later, met een ander omgaande slecht wordt, beschuldigt den eersten ? Prijst hij niet, zooveel meer zijn zoon door den omgang met den lateren zich slecht betoont, prijst hij niet zooveel meer den eersten? Zelfs ook de vaders, als zij zelf met hun zoons omgaan en deze misdoen, krijgen niet de schuld, zoo zij zelf ingetogen zijn. En zoo ook moest men naar billijkheid Socrates beoordeelen. Indien hij zelf wat verkeerds gedaan had, dan moest hij billijkerwijs voor een slecht monsch gelden; doch zoo hij zelf in ingetogenheid leefde, hoe zou hij dan naar recht van een boosheid, die niet in hem was, de schuld krijgen?
Doch ook zoo hij zelf niets slechts deed, maar hen verkeerde dingen ziende doen, hen prees, zou hij terecht berispt worden. Doch eens bemerkende, dat Critias Euthydemus beminde en trachtte te hebben, zooals zij die om het mingenot de lichamen gebruiken, trachtte hij hem af te houden, bewerende dat het slaafsch was en een schoon en goed man niet betamend, den beminde, wien hij zeer achtenswaardig wilde voorkomen, te smeeken, als een bedelaar kruipend en om een gave vragend, en dan nog niet eenmaal een goede. En toen Critias naar zulke woorden niet luisterde, noch teruggehouden werd, verhaalt men dat Socrates, terwijl vele anderen er bij waren en ook Euthydemus, zeide, dat Critias hem voorkwam aan iets zwijnachtigs te lijden, begeerend zich aan Euthydemus te wrijven, evenals de zwijnen zich aan steenen wrijven. En daarom dan ook haatte Critias Socrates, zoodat ook, toen hij een van de dertig was en wetgever met Charicles, hij er nog aan dacht en in de wetten het gebod schreef de kunst van het spreken niet te leeren, daar hij genen beleedigen wilde en niets had, waardoor hij hem treffen kon, dan door hem ten laste leggen, wat in alle wijsgeeren te zamen door de menigte berispt wordt, en hem bij de menigte te belasteren; [dit bleek althans] want noch heb ik zelf dat ooit van Socrates zelf vernomen, noch een ander hooren beweren het van hem vernomen te hebben. Doch het kwam uit. Want toen de dertig velen der burgers doodden en niet de slechtsten, velen ook tot overtreding der wetten verleidden, zeide Socrates eens, dat het hem verwonderlijk scheen, als iemand, herder van een runderkudde geworden, en de runderen minder makende en slechter, niet toestemmen wilde een slechte herder te zijn; maar nog verwonderlijker, zoo iemand leider van den staat geworden en de burgers minder en slechter makende, zich niet schaamde on niet meende een slechte leider van den staat te wezen. Toen dit hun overgebracht was, ontboden Critias en Charicles Socrates en toonden hem de wet en verboden hem met de jongelingen te spreken. En Soerates vroeg hen, of hij verklaring mocht vragen, indien hij iets van de voorschriften niet begreep. Genen stemden toe. — Ik nu, zei hij, ben bereid aan de wetten te gehoorzamen. Doch opdat ik niet uit onwetendheid onwillens de wet overtrede, wil ik dit duidelijk van u leeren, of volgens u de kunst der woorden met de juiste redenen te doen heeft of met de niet juiste, nu gij beveelt van haar af te blijven ; want zoo met de juiste, dan moet men zich klaarblijkelijk er van onthouden juist te spreken; indien echter met de niet juiste, klaarblijkelijk moet men dan trachten juist te spreken. — En Charicles werd toornig op hem en zeide: „daar gij dat niet begrijpt, o Socrates, bevelen wij u dit, wat ge beter verstaan zult, gansch niet met de jongelingen te spreken. — En Socrates zei: „opdat er nu geen dubbelzinnigheid zij, en ik iets anders doe dan het bevolene, geeft mij dan de grens aan, tot welken ouderdom men de menschen voor jongelingen moet houden. — Zoolang zij niet raadsheer mogen wezen, zeide Charicles, daar zij voor nog niet verstandig gehouden worden; spreek gij dus niet met die beneden de dertig jaar zijn. — Ook niet als ik wat koop, zei hij, en de verkooper beneden de blz. 14