Xenophon
Biografie xxxxxxxxxxxx
Het geboortejaar van Xenophon kent men niet, maar op goede gronden
kan men aannemen dat hij omstreeks 430 v. C., althans niet vroeger,
te Athene geboren is. Als jongman werd hij waarschijnlijk bij de verovering
van Oropus (411) door de Boeotiërs gevangen genomen, en sloot toen
te Thebe vriendschap met den ongeveer even ouden Proxenus. Zijn vader
Gryllus kocht hem los, hij keerde toen naar Athene terug, en werd bevriend
met Socrates, hetgeen op zijn levensrichting van grooten invloed is
geworden.
In 401 ging Xenophon, overgehaald door Proxenus, naar Sardes, en maakte
als vrijwilliger den tochte mede, dien de jongere Cyrus tegen zijn broeder,
Koning Artaxerxes Mnemon, ondernam. Zoo woonde hij den slag bij Cunaxa
bij. De dood van Cyrus en daarna de moord, aan de Grieksche bevelhebbers
door de Perzen begaan, brachten de overgebleven aan den rand des ondergangs.
Toen verhief zich de jonge Xenophon en, hoewel niet in naam tot opperbevelhebber
gekozen, was hij het toch, aan wien de tienduizend Grieken hunne redding
te danken hadden. Aan zijn beleid gelukte het, hen midden uit het vijandelijke
land, onder vele moeiten en gevaren, naar de Zwarte Zee terug te voeren.
Maar zijn roem kostte hem zijn vaderland. Xenophon, die het leger en
Azië ook na het voorjaar van 399 nog niet verlaten had, werd door
zijn vaderstad Athene, (Pausanias spreekt het vermoeden uit dat het
was, omdat hij had deel genomen aan den oorlog tegen den Koning der
Perzen, toenmaals den vriend der Atheners) verbannen. Hij bleef nu in
Azië bij den Spartaanschen veldheer Derkyllidas, en later in 396,
bij Agesilaus, die het grootsche plan in zich omdroeg, het wankelende
rijk der Perzen te vernietigen. Deze Spartaansche koning maakte zulk
een indruk op den Athener Xenophon, dat hij voor hem het ideaal van
een Grieksch held was en bleef. Toen Agesilaus van zijn overwinnende
loopbaan was teruggeroepen, keerde ook Xenophon, in 394, naar Europa
terug, en in den slag bij Coronea stond hij gewapend tegenover de Thebanen
en zijn eigen stadgenooten. Na het sluiten van den vrede waren Agesilaus
en de Spartanen dankbaar voor zijn aanhankelijkheid, en gaven aan Xenophon
een landgoed bij Scillus, niet ver van Olympia, ten geschenke, dat zij
aan de Eleërs hadden ontnomen. Hier leefde onze held het leven
van een grondbezitter - volgens hem zelf het gelukkigste - ongeveer
17 jaar lang, het laatst met zijne beide in Sparta opgevoede zonen Diodorus
en Gryllus, de Dioskuren, zooals ze werden genoemd wegens hun kennis
van paarden, ook den vader niet vreemd. Maar toen in 371 Epaminondas
bij Leuctra de macht van Sparta vernietigde, namen de Eleërs Scillus
weer terug, en Xenophon moest vluchten. Hij ging naar Corinthe tot zijn
familie. Ondertusschen was zijn verbanning te Athene opgeheven, en kon
hij daarheen terugkeeren; Xenophon ging echter niet zelf, doch stuurde
zijne zonen er heen tot den laatsten strijd tegen Thebe en voor Sparta,
waarin, bij Mantinea 362, Gryllus sneuvelde. Het verhaal luidt dat Xenophon
juist wilde offeren, toen hij het doodsbericht ontving. Eerst nam de
grijsaard geroerd den krans van het hoofd, maar toen hij hoorde dat
zijn zoon met eere gevallen was, zette hij dien weer op, en sprak de
bekende woorden: " Ik wist dat ik een sterveling ter wereld heb
gebracht!" De oude man bleef nu verder te Corinthe wonen, en stierf
hoogbejaard (naar Lucianus vertelt), ongeveer in 353 v. C. Zijn dood
werd herdacht in talrijke epigrammen, ons bewaard door zijn levensbeschrijver,
Diogenes van Laerte.
Vooral te Scillus heeft de veelzijdige Xenophon den vrijen tijd, hem
door landbouw, jacht en paardenfokkerij overgelaten, tot het vervaardigen
van geschriften gebezigd. Eenige zijn wellicht reeds eerder, andere
waarschijnlijk na 370 in Corinthe geschreven. Van zijn historische geschriften
staat het hoogste 1) de Anabasis waarover wij straks handelen,
2) de Grieksche Geschiedenis (Hellenica) in zeven boeken, 48
jaar omvattende, een voortzetting der geschiedenis van Thucydides van
411 tot aan den slag bij Mantinea, 362. Dit is een der laatste werken
van onzen geschiedschrijver, rijk aan stof, maar ongelijkmatig bewerkt,
ook niet objectief geschreven, misschien een schets die hij niet heeft
voltooid 3) de Opvoeding van Cyrus (Cyropaedia) in acht boeken,
geen zuivere geschiedenis, maar een historisch-paedagogische roman,
waarin Xenophon den geïdealiseerden ouderen Cyrus tot drager maakt
van zijn eigen staatkundig en krijgskundig stelsel; Perzische geschiedenis
is hier slechts de inkleding, het Spartaansche wezen vormt den kern.
Van zijn wijsgeerige geschriften geven ons drie een vrij getrouw beeld
van zijn dierbaren leeraar Socrates, vooral wat zijn practische theorieën
over zedelijkheid betreft, namelijk 1) de Gedenkwaardigheden van
Socrates (Apomnemoneumata of Memorabilia) in vier boeken, een rij
van gesprekken, die Socrates tevens tegen de aanklacht van goddeloosheid
en verleiding der jeugd moesten verdedigen 2) de Verdedigingsrede
van Socrates (Apologia) die het denkbeeld ontwikkelt, dat Socrates
den dood meer verlangde dan vreesde, en 3) het Gastmaal(Symposion),
dat in boeienden vorm Socrates' denkbeelden over liefde en vriendschap
bevat.
Van minder beteekenis, en gedeeltelijk voor onecht gehouden, zijn de
volgende half wijsgerige, half staatkundige werken: Hiero, een
gesprek tusschen Hiero en Simonides over de middelen om een land goed
te regeeren, Over de staatsregeling der Atheners en Lacedeamoniërs,
een Lofrede op Agesilaus, e. a. - Eindelijk staan nog op Xenophon's
naam de volgende boeken van staathuishoudkundigen aard: de Oeconomicus
(staathuishoudkunde), over de rijkunst, over de jacht,
over de finantiën van Athene, enz.
Xenophon is geen talent van den eersten rang, ook is hij van bekrompenheid
niet vrij te pleiten, en toont in zijne geschriften eene vrij ergerlijke
partijdigheid voor Sparta. Hij bereikt niet de hoogte van den stylist
Thucydides, maar niettegenstaande dat alles werd zijn wijze van uitdrukken
en zijn voorstelling reeds in de oudheid algemeen geprezen. Men bewonderde
zijn gelijkmatigheid, zijn eenvoud en helderheid, zijn welluidend en
zuiver Atticisme, de liefelijkheid zijner taal, die alle buitengewone
praal veracht, en vandaar dat hij reeds ten tijde der ouden de Attische
bij werd genoemd. Quintillianus zegt van hem dat op zijn lippen,
evenals bij Pericles, de godin der overreding troonde, en dat de Gratiën
zelf zijne taal hadden gevormd.
( ... )
Ontleend aan de Inleiding van:
XENOPHON'S ANABASIS OF TOCHT VAN CYRUS
UIT HET GRIEKSCH MET INLEIDING EN KORTE AANTEEKENINGEN
DOOR Dr. H. C. MULLER
(AMSTERDAM, S. L VAN LOOY / H. GERLINGS. GEDRUKT BIJ
KAREL F. MISSET, AHRNEM)
|