Xenophon
Anabasis
boek II
XENOPHON'S ANABASIS
OF
TOCHT VAN CYRUS
UIT HET GRIEKSCH MET INLEIDING EN KORTE AANTEEKENINGEN
DOOR Dr. H. C. MULLER
AMSTERDAM,
S. L VAN LOOY / H. GERLINGS.
GEDRUKT BIJ KAREL F. MISSET, ARNHEM
Tweede boek
I.
Hoe Cyrus,
met het doel om zijnen broeder Artaxerxes te beoorlogen, het Helleensche
leger bijeenbracht, de geschiedenis van den marsch, de gebeurtenissen
van den slag, de val van Cyrus, hoe verder de Hellenen, in den waan
dat de overwinning geheel aan hunne zijde en Cyrus nog in leven was,
na hunnen terugtocht in de legerplaats uitrustten, dit alles vormde
den inhoud van het vorige boek.
Toen nu bij het
aanbreken van den dag de legeraanvoerders samenkwamen, verwonderden
zij zich, dat Cyrus noch zelf verscheen, noch een bode met bevelen zond.
Zij besloten daarom zich te wapenen en met de overgebleven bagage voort
te rukken, om zich met Cyrus te vereenigen. Reeds waren zij bezig op
te breken en ging de zon op, toen Prokles, heerscher van Teuthrania,
een nakomeling van den Lakedaemoniër Damaratus, en Glus, de zoon
van Tamos, aankwamen. Dezen brachten de tijding: dat Cyrus gesneuveld
was en Ariaeus zich met zijne troepen op de standplaats bevond, vanwaar
het leger den vorigen dag vertrokken was. Tegelijk deelden zij het besluit
van Ariaeus mede, dezen dag op hen te wachten, ingeval zij zich met
hem wilden vereenigen; den volgenden dag zou hij echter genoodzaakt
zijn, den terugtocht naar Ionië te aanvaarden. Deze tijding maakte
op de veldheeren en op het geheele leger een smartelijken indruk. Clearchus
nam toen het woord: "Och, leefde Cyrus toch nog maar! Doch nu hij
dood is, zegt aan Ariaeus dat wij de overwinning op den koning behaald
hebben, en dat, zooals gij ziet, niemand meer tegen ons vecht, en als
gij nu niet kwaamt, dan ging onze tocht verder tegen den koning. Zegt
verder aan Ariaeus, dat wij hem, wanneer hij zich met ons vereenigt,
op den koninklijken troon willen zetten; want wie den slag wint, heeft
ook het recht te heerschen." Met deze opdracht liet hij de gezanten
gaan, en zond den Lakedaemoniër Chirisophus en den Thessaliër
Menon met hen mee, die als vriend en gast van Ariaeus, zelf mee wilde
gaan. Zij vertrokken, en Clearchus bleef.
De troepen voedden zich nu, zoo goed en zoo kwaad als het ging, doordat
zij van de lastdieren ossen en ezels slachtten. Om vuur aan te maken,
haalden zij van het slagveld, op een kleinen afstand van het front,
pijlen die in groote menigte voorhanden waren, - de overloopers van
het leger des konings hadden de hunne, op bevel der Hellenen, moeten
wegwerpen - gevlochten schilden, houten Egyptische schilden, ook vele
andere schilden en wagens, en daarvan maakten zij gebruik om hun vleesch
te koken.
's Middags kwamen herauten van den koning en Tissaphernes, waarbij slechts
één Helleen was, Phalinus genaamd. Deze had zijn verblijf
bij Tissaphernes, bij wien hij in hoog aanzien stond, want hij gaf zich
in de taktiek en den wapenhandel voor een kenner uit. Toen zij genaderd
waren riepen zij de Helleensche legeraanvoerders, en zeiden: Daar de
koning den slag gewonnen en Cyrus gedood heeft, zoo deelt hij den Hellenen
het bevel mede, de wapens neer te leggen, in zijn hoofdkwartier te komen
en zijne gunst af te smeeken. Dit voorstel der herauten hoorden de Hellenen
met boosheid aan; alleen zeide Clearchus: "Het is niet aan de overwinnaars
om de wapens neer te leggen. Ondertusschen", voegde hij er bij,
"kunt gij, legeraanvoerders, hun antwoorden, zooals naar uwe overtuiging
de eer en het belang het vorderen; spoedig zal ik weer hier zijn."
Hij werd namelijk juist, omdat hij bezig was te offeren, door een der
offerdienaars geroepen, om de ingewanden te beschouwen. Hierop antwoordde
de Arkadiër Kleanor, als de oudste: "De Hellenen willen liever
sterven, dan de wapens afgeven." "Wat mij betreft, Phalinus",
zeide Proxenus uit Thebe, ik wensch te weten, of de koning de wapens
als overwinnaar van overwonnenen, of als vriend van vrienden verlangt.
In het eerste geval zou hij er niet om mogen verzoeken, maar ze moeten
halen; in het tweede geval zou hij den soldaten moeten zeggen, wat hij
hun voor hunne dienstvaardigheid toegedacht had." "De koning,"
hernam Phalinus, "gelooft dat hij overwinnaar is, omdat hij Cyrus
gedood heeft, want wie zal hem nu nog de heerschappij betwisten? Ook
ù gelooft hij in zijne macht te hebben, omdat gij midden in zijne
landen, aan deze zijde van ondoorwaadbare stroomen, zijt, en omdat hij
zulk eene groote macht tegenover u plaatsen kan, dat uwe krachten uitgeput
zouden raken, zelfs wanneer hij het aan uwe willekeur overliet om ze
neer te houwen." Hierop sprak de Athener Xenophon: "Nu, Phalinus,
hebben wij, zooals gij ziet, geene andere schatten dan wapens en dapperheid;
in het bezit van de eerste, willen wij ook de laatste niet verloochenen,
want leveren wij ze uit, dan geven wij ons leven prijs. Verwacht dus
niet dat wij de eenige hulpmiddelen, die wij over hebben, weg zullen
geven, daarmede willen wij liever om uwe bezittingen vechten."
Lachend hernam Phalinus: "Wel, wel, jonge man, gij schijnt een
wijsgeer te zijn, en spreekt niet onaardig. Doch geloof maar, het zou
eene dwaasheid zijn, te veronderstellen, dat uwe dapperheid het leger
de konings kan overwinnen." Eenige anderen toonden, zooals het
heette, meer toegevendheid in hun antwoord: zij hadden Cyrus trouw gediend
en zouden ook den koning, wanneer hij hun vriend wilde worden, of bij
een tocht naar Egypte, of in eenige andere onderneming, de gewichtigste
diensten kunnen bewijzen. Daarop kwam Clearchus, en vroeg of men reeds
geantwoord had. "De meeningen," hernam Phalinus, "loopen
hier zeer uiteen; zeg gij toch de uwe, Clearchus." "Met genoegen,
Phalinus," antwoordde deze, "zag ik u komen, en ik geloof
van allen hier tegenwoordig hetzelfde te kunnen zeggen. Want gij zijt
een Helleen, en wij allen die gij hier ziet zijn het ook. In dezen toestand
vragen wij u ook, wat is er in deze zaak te doen? Geef gij nu, bij de
goden, geef gij ons den raad, die volgens uwe overtuiging de eervolste
en de beste is, en die u ook later, wanneer men vertelt, dat Phalinus
hem eens aan de Hellenen gaf, ofschoon hij door den koning gezonden
was, om hen er toe aan te sporen de wapens neer te leggen, nog tot eer
kan strekken. Want natuurlijk zal men, zooals gij weet, in Hellas over
den raad spreken, dien gij ons geven zult." Clearchus zeide dit
met listige bedoeling, om den afgezant des konings zelf tot het voorstel
te brengen, de wapens niet neer te leggen, opdat de Hellenen meer moed
zouden krijgen. Phalinus echter ontweek dit, en antwoordde tegen zijne
verwachting: "Hebt gij van duizend verwachtingen er nu nog maar
één over, namelijk om u met geweld van wapenen te redden,
zoo raad ik u aan, deze niet neer te leggen; ligt echter uw lot in de
handen van den koning, zoo redt u zoo goed gij kunt." - "Dat
zou dus uw raad zijn," hernam Clearchus; "neem dan van ons
het antwoord mee: wij zijn van meening, dat in geval van een verbond
het voor den koning, en in geval van vijandelijkheid het voor ons voordeeliger
is, wanneer wij de wapens behouden." - "Deze tijding,"
zeide Phalinus op zijn beurt, "zullen wij aan den koning brengen.
Ondertusschen hebben wij de opdracht u te melden, dat de koning u, wanneer
gij hier blijft, een verdrag aanbiedt; wanneer gij echter voor- of achteruit
marcheert, dan is het oorlog. Zegt mij dus ook hierover uw besluit."
-
"Antwoord daarop", sprak Clearchus, "dat wij het daarin
met den koning eens zijn." Phalinus: "Welke meening dus?"
Clearchus: "Een verbond, wanneer wij blijven, oorlog, wanneer wij
opmarcheeren." Phalinus: "Moet ik dus een verbond of oorlog
aankondigen?" Clearchus herhaalde echter wederom zijn gezegde,
maar wat hij doen zou deelde hij niet nader mee.
II.
Phalinus vertrok
hierop met zijne begeleiders; Prokles en Chirisophus kwamen nu van Ariaeus
terug, want Menon was bij hem gebleven. Zij brachten het volgende antwoord
mede: Er waren vele Perzen, die de voorkeur boven hem moesten genieten
en er zich ook met recht tegen zouden verzetten, als hij tot koning
gemaakt werd. Wilden de Hellenen echter mee wegtrekken, dan moesten
zij nog dien zelfden nacht komen; zoo niet, dan zou hij den volgenden
morgen den terugtocht aanvaarden. Clearchus antwoordde: "Ja, zoo
moeten wij doen, wanneer wij komen; komen wij niet, handelt dan, zooals
u het best dunkt, in overeenstemming met uwe belangen." Aan dezen
deelde hij evenmin zijn besluit mede. Hierop liet hij, daar de zon reeds
onderging, de opper- en onderbevelhebbers samenkomen, en sprak als volgt:
"Toen ik, mannen, voor den marsch tegen den koning offerde, waren
de voorteekens niet gelukkig, en konden het ook niet zijn natuurlijk,
want zooals ik thans hoor, stroomt tusschen ons en den koning de bevaarbare
Tigris, waarover wij zonder vaartuigen niet kunnen komen; en die hebben
wij niet. Wij kunnen evenmin hier blijven, want wij hebben ook geene
levensmiddelen. Maar voor eene vereeniging met het leger van Cyrus gaf
het offer de gelukkigste voorteekens. Wij moeten dus de volgende maatregelen
nemen: Gaat thans heen en eet datgene wat gij in uw bezit hebt, en wanneer
met den hoorn het teeken gegeven wordt om te rusten, dan moet gij u
klaarmaken, bij het tweede sein moet gij de lastdieren beladen, en bij
het derde moet gij uwen aanvoerder volgen. Laat het vee aan den kant
der rivier loopen en houdt de gewapende lieden aan de flanken."
Hierop verlieten hem de legeraanvoerders en de hoofdlieden, en volgden
zijn voorschrift op. Ook in 't vervolg gehoorzaamden zij hem als opperveldheer,
zonder hem daartoe gekozen te hebben, omdat zij in hem alleen de eigenschappen
van een goed veldheer vereenigd zagen, terwijl de anderen onervaren
waren. De lengte van den weg, dien de Hellenen van Ephesus in Ionië
tot aan het slagveld afgelegd hadden, bedroeg drie-en-negentig marschen,
535 parasangen, 16.050 stadiën. De afstand echter van het slagveld
naar Babylon bedroeg, zooals het heette, 360 stadiën.
Toen de duisternis inviel, liep de Thrakiër Miltokythes met zijne
ongeveer veertig man sterke ruiterij en driehonderd man Thrakisch voetvolk
tot den koning over. De overige troepen begonnen onder aanvoering van
Clearchus den terugtocht, zooals afgesproken was, en bereikten hun eerste
halt bij Ariaeus en zijn leger, tegen middernacht. De legeraanvoerders
en hoofdlieden der Hellenen verzamelden zich, nadat zij hunne manschappen
onder de wapenen hadden laten komen, bij Ariaeus, en nu verbonden zij
zich met hem en de voornaamsten, die bij hem waren, door een wederzijdschen
eed, elkander niet te verraden, maar in het vervolg bondgenooten te
zijn. Bovendien zwoeren de barbaren, den marsch zonder bedrog te zullen
leiden. Deze eed had plaats door het slachten van een stier, een everzwijn
en een ram, waarbij de Hellenen een zwaard en de barbaren eene lans
doopten in een met offerbloed gevuld schild.
Nadat het verbond gesloten was, zeide Clearchus: "Daar wij nu,
Ariaeus, den terugtocht gezamenlijk zullen doen, zeg mij nu eens uwe
meening over de richting daarvan. Willen wij denzelfden weg weer nemen,
dien wij gekomen zijn, of gelooft gij een beteren gevonden te hebben?"
"Wanneer wij," antwoordde deze, "denzelfden weg als vroeger
teruggaan, dan moeten wij allen van honger sterven, want wij hebben
immers nu geene levensmiddelen meer. Op de eerstvolgende zeventien marschen
van hier uit bood ons onder weg het land niets aan, en was er iets voorhanden,
dan hebben wij het bij het doortrekken reeds gebruikt. De weg echter,
dien wij nu nemen zullen, is wel langer, maar wij zullen dan ook geen
gebrek lijden. Alleen moeten wij de allereerste marschen zoo groot mogelijk
nemen, om van het koninklijke leger zoo ver mogelijk te worden verwijderd.
Want wanneer wij maar eens twee of drie marschen vooruit zijn, kan de
koning ons niet meer inhalen; met een klein leger zal hij de vervolging
niet wagen, en met een groote legermacht zal hij niet snel voort kunnen
rukken, terwijl hij misschien ook gebrek aan levensmiddelen krijgen
zal. Dat is (zeide hij) mijne meening hierover."
Men had met dit plan geene andere bedoeling, dan door de vlucht aan
de vijanden te ontkomen. Het geluk gaf echter een beter plan aan de
hand. Bij 't aanbreken van den dag begonnen zij, de zon rechts boven
zich hebbende, den marsch, in de hoop, die ook bevestigd werd, dat zij
tegen zonsondergang Babylonische dorpen zouden bereiken. En hierin bedrogen
zij zich niet. In den vooravond meende men echter vijandelijke ruiters
te ontdekken; de Hellenen, die juist niet in het gelid marcheerden,
ijlden op hunne plaats terug, en Ariaeus, die zich, omdat hij gewond
was, in een gesloten wagen liet rijden, steeg af en trok, evenals zijn
gevolg, het harnas aan. Gedurende het wapenen brachten de vooruitgezonden
spionnen de tijding, dat het geen ruiterij, maar grazend trekvee was.
Daaruit maakte men terstond op, dat de koning ergens in de nabijheid
moest kamperen, te meer, daar men ook uit naastbijliggende dorpen rook
zag opstijgen. Clearchus liet nu wel is waar zijne manschappen niet
op den vijand af gaan, - want hij wist dat zij vermoeid waren en nog
niets gegeten hadden, terwijl het daarenboven laat op den dag was -
toch gaf hij, om den schijn van vlucht te vermijden, aan zijn marsch
geene andere richting, maar trok recht vooruit en rukte bij zonsondergang
aan het hoofd van de eerste legerbende de naastbijliggende dorpen binnen,
waar de koninklijke troepen zelfs het houtwerk van de huizen gerukt
hadden. De eerstaangekomenen sloegen hun kamp op zoo goed en zoo kwaad
als het ging; de laatste troepen evenwel, die bij het begin van den
nacht aanrukten, overnachtten zooals het toeval het wilde, en maakten
door elkander toe te roepen zulk een geweld, dat zelfs de vijanden het
konden hooren; zoodat zij, die 't dichtst in de nabijheid waren, uit
hunne tenten vluchtten. Dit merkte men den volgenden morgen pas, toen
er geen vee, geen leger en geen rook meer van nabij te zien was. Zelfs
de koning scheen over de aankomst van het leger ontsteld te zijn, zooals
bleek uit de maatregelen, die hij den volgenden dag nam. Ondertusschen
greep bij 't naderen van den nacht de schrik ook de Hellenen aan, en
er ontstond een gedruisch en gedreun, zooals gewoonlijk wanneer vrees
de menschen overvalt. Clearchus, die juist den Eleër Tolmides,
den besten heraut van zijn tijd, bij zich had, beval dezen stilte te
gebieden en bekend te maken, dat hij, die op kon geven, wie den ezel
in het leger had laten loopen, een talent zilvers tot belooning zou
ontvangen. Toen dit bekend werd gemaakt zagen de Hellenen in, dat het
een ongegronde schrik was geweest en dat hunne aanvoerders ongedeerd
waren. Zoodra het schemerde, liet Clearchus de Hellenen in het gelid
treden, zooals zij tijdens den slag gestaan hadden.
III.
Hetgeen ik hierboven
schreef, dat de koning over het aanrukken der Hellenen ontsteld was,
blijkt uit het volgende. Niettegenstaande hij nog den dag te voren het
uitleveren der wapenen had laten eischen, stuurde hij nu in den vroegen
morgen herauten om hun een verbond aan te bieden. De voorposten meldden
hun verlangen om met de legeraanvoerders te spreken, en kregen van Clearchus,
die juist bezig was de troepen te monsteren, het antwoord mede dat zij
moesten wachten totdat hij tijd had. Nadat hij de troepen zoo geplaatst
had, dat zij in een dichte phalanx saamgedrongen stonden, en geen enkele
ongewapende te zien was, liet hij de boden tot zich roepen, en kwam
zelf te voorschijn aan het hoofd van eenige der bestgewapende manschappen,
die er het flinkst uitzagen, hetgeen op zijn bevel ook de overige legeraanvoerders
deden. Zoodra hij bij de herauten was, vroeg hij wat zij wenschten.
Dezen antwoordden dat er vanwege den koning geschikte personen zouden
komen, om zoowel zijne voorwaarden aan de Hellenen, als die der Hellenen
aan hem over te brengen. "Nu, zegt hem dan," antwoordde Clearchus,
"dat wij beginnen moeten met te vechten, want dat wij niets te
ontbijten hebben, en zonder dat daarvoor gezorgd is zal het wel niemand
wagen, den Hellenen van wapenstilstand te spreken." Na dit antwoord
reden de herauten weg, en bij hunne terugkomst, die spoedig daarna plaats
had, en waaruit men kon opmaken dat de koning of een andere persoon,
wien dit opgedragen was, zich in de nabijheid bevond, zeiden zij: dat
de koning hunne opmerking billijk vond, en dat zij gidsen brachten om
hun, wanneer het tot een verdrag kwam, een plaats vol levensmiddelen
aan te wijzen. Clearchus vroeg verder: of zich de wapenstilstand alleen
bepaalde tot hen, die er over onderhandelden, of ook tot allen. "Tot
allen," antwoordden zij, "zoo lang tot de koning uwe voorwaarden
gehoord heeft." Hierop liet Clearchus hen verwijderen, en belegde
een krijgsraad. Men besloot het verbond dadelijk te sluiten, om zonder
moeielijkheden levensmiddelen te krijgen. "Ik ook," zeide
Clearchus, "ben deze meening toegedaan; ondertusschen wil ik niet
gaarne terstond mijn besluit zeggen, maar eerst een poos wachten, totdat
de herauten ongerust zullen worden, of wij soms den wapenstilstand niet
aannemen. Ja, ik geloof dat onze soldaten zelf daar ook vrees voor zullen
hebben." Toen het hem tijd scheen te worden, maakte hij bekend
dat hij het verdrag aannam, en verlangde, dat de gezanten dadelijk den
weg zouden wijzen, waar men levensmiddelen kon krijgen. Dit gebeurde
en Clearchus liet nu, schoon het verbond gesloten was, het leger, welks
achterhoede hij zelf aanvoerde, in gesloten gelederen op marsch gaan.
Daar men op dezen weg slooten en kanalen had, die vol water waren en
welke men zonder bruggen niet over kon gaan, zoo werd de overtocht daardoor
bewerkstelligd, dat men palmboomen, die er gedeeltelijk reeds lagen,
gedeeltelijk eerst nu gekapt werden, er overheen wierp. Bij deze gelegenheid
kon men Clearchus als legeraanvoerder leeren kennen; in zijn linkerhand
droeg hij een lans, en in zijn rechter een stok, en wanneer hij onder
de soldaten, die dit werk moester verrichten, er een bemerkte, die traag
was, dan koos hij een ander, flink soldaat uit, en sloeg er soms met
den stok op los, terwijl hij ook zelf, wanneer hij door de klei baggeren
moest, de handen aan het werk sloeg. De schaamte wekte er allen toe
op denzelfden ijver te toonen. Eigenlijk waren voor dit werk slechts
soldaten tot een leeftijd van dertig jaar aangewezen; toen echter de
ouderen Clearchus zoo bezig zagen, namen zij ook deel aan den arbeid.
Clearchus haastte zich nu des te meer, omdat hij vermoedde, dat de slooten
niet altijd zoo vol water waren, maar dat de koning, door ze vol water
te laten loopen, hetgeen in dit jaargetijde anders nooit het geval was,
den Hellenen een bewijs had willen geven hoeveel moeielijkheden zij
op hunnen verderen tocht zouden ontmoeten. Zij zetten aldus hun tocht
voort en kwamen in dorpen aan, waar volgens de verklaring van de wegwijzers
levensmiddelen waren. Men vond er veel graan, palmwijn en azijn, uit
de vrucht van den palmboom toebereid. De dadels, zoo groot als die,
welke men in Hellas ziet, werden voor de ondergeschikten bewaard, de
uitgezochte echter, van bewonderenswaardige grootte en schoonheid, wier
kleur niets van barnsteen verschilde, waren voor de voorname lieden
bestemd. Sommigen droogden ze om ze voor lekkernij te gebruiken. Ook
de drank, er van bereid, smaakte lekker, doch veroorzaakte hoofdpijn.
Hier aten de soldatenook voor de eerste maal merg van den palmboom,
en de meesten waren verwonderd over den eigenaardigen en lekkeren smaak.
Ook dat echter veroorzaakte zwaren hoofdpijn. De palmboom, waaruit het
merg genomen was, verdorde geheel en al.
Gedurende het verblijf aldaar, dat drie dagen duurde, kwam Tissaphernes
van wege den grooten koning, benevens de broeder der koningin en nog
drie andere Persen, met een groot gevolg van slaven, tot hen. De Helleensche
legeraanvoerders waren hun tegemoet gegaan, en daarop hield Tissaphernes
de volgende toespraak door middel van een tolk:
"Daar ik, Hellenen, als buurman bij Hellas wonende zag, in welken
ongelukkigen, reddeloozen toestand gij u bevindt, hield ik het voor
een onverwacht geluk, als het mij zou gelukken van den koning verlof
te krijgen, u behouden in uw vaderland terug te brengen; want voor dezen
dienst geloof ik toch op uwen dank en op dien van geheel Griekenland
te kunnen rekenen. Dit overdenkende, verzocht ik het den koning, en
bouwde daarop mijne aanspraken op zijne inwilliging, dat ik hem het
eerst van den legertocht van Cyrus onderrichtte, en met deze tijding
tegelijk ook hulptroepen meebracht; terwijl ik, van al de Persische
verdheeren, die tegenover de Hellenen geschaard waren, de eenige was
die niet vluchtte, maar er zich door heensloeg, en zich met den koning
in uw legerkamp vereenigde. Eindelijk vervolgde ik de barbaarsche troepen
van Cyrus met het korps, dat ik meebracht, en dat uit de trouwste manschappen
des konings bestaat. De koning beloofde mij, de zaak in beraad te nemen,
tevens droeg hij mij op u te vragen, waarom gij tegen hem zijt opgetrokken?
Ik geef u den raad, gematigd te antwoorden, opdat het voor mij gemakkelijker
zij, zoo mogelijk bij den koning iets goeds voor u te bewerken."
Hierop verwijderden zich de Hellenen om te beraadslagen, en brachten
het volgende antwoord terug, bij monde van Clearchus: "Noch toen
onze troepen verzameld werden, noch later op marsch hadden wij plan,
tegen den koning te vechten. Maar Cyrus vond, zooals ook gij heel goed
weet, allerlei voorwendsels èn om ons naar Azië te brengen
èn om u geheel onvoorbereid aan te vallen. Daar wij zijn plan
eerst hoorden, toen hij zich reeds in gevaarlijken toestand bevond,
zoo brachte de angst voor goden en menschen er ons toe, een man, door
wien wij ons te voren weldaden hadden laten bewijzen, niet te verraden.
Nu echter Cyrus dood is, betwisten wij den koning zijn gebied niet,
en er is geen reden waarom wij zijne landen zouden willen verwoesten;
intengendeel zouden wij gaarne, als niemand ons hinderde, naar ons vaderland
terug trekken. Tegen hem echter die ons aanvalt, zullen wij ons met
hulp der goden weten te verdedigen; maar behandelt men ons vriendschappelijk,
zoo zullen wij al het mogelijke doen om ons ook hierin niet te laten
overtreffen."
"Deze verklaring, " zeide Tissaphernes, "zal ik den koning
overbrengen en u zijn antwoord bekend maken. Totdat ik terugkom dure
de wapenstilstand voort, en wij zullen u levensmiddelen verschaffen."
Den volgenden dag kwam hij echter niet, en de Hellenen begonnen reeds
bezorgd te worden. Maar den derden dag kwam hij en zeide dat hij van
den koning de toezegging gekregen had, de Hellenen in vrede naar Hellas
terug te geleiden, ofschoon velen daarin tegen hem waren, op grond dat
het den koning onwaardig was zijne vijanden zoo rustig weg te laten
trekken. "En nu," zeide hij ten slotte, "kunt gij u van
ons de verzekering laten geven dat wij u in een bevriend land zullen
brengen, benevens levensmiddelen verschaffen, en dat wij u een veilig
geleide naar Hellas zullen bezorgen. Daar, waar wij niets kunnen koopen,
zullen wij u uit de omliggende streek datgene laten nemen, wat gij noodig
hebt. Gij moet ons van uwe kant zweren, vreedzaam door ons land te trekken,
en waar wij u geen markt verschaffen, alleen eten en drinken te nemen,
daar echter, waar zich een markt bevindt, de levensmiddelen te koopen."
Dit werd goedgekeurd en met eed en handdruk bezworen, tusschen Tissaphernes
en den broeder der koningin aan den eenen, en de Helleensche legeraanvoerders
en hoofdmannen aan den anderen kant. Hierop zeide Tissaphernes: "Nu
ga ik weder naar den koning; nadat ik mijne zaken geregeld heb kom ik
marschvaardig terug om u naar Hellas te brengen, en zelf naar mijne
provincie terug te keeren."
IV.
De Hellenen en Ariaeus,
die zich dicht naast elkander gelegerd hadden, wachtten meer dan twintig
dagen op Tissaphernes. Gedurende dezen tijd kreeg Ariaeus bezoek van
zijne broeders en van andere verwanten, en bij zijne troepen kwam een
aantal Persen, die hun gedeeltelijk goede hoop gaven, gedeeltelijk zelfs
in naam van den koning de verzekering, dat hij hun noch voor den krijgstocht
met Cyrus ondernomen, noch voor eene andere fout, die zij vroeger begaan
hadden, zou straffen. Na dit voorval was het blijkbaar dat Ariaeus en
zijn leger zeer koel tegen de Hellenen werden. Aan verschillende Hellenen
beviel dit volstrekt niet, zij gingen naar Clearchus, en zeiden tot
hem en tot de overige aanvoerders:
"Waarom blijven wij hier? Is het ons onbekend, dat de koning niets
liever zou doen dan ons te vernietigen, om ook de andere Hellenen van
krijgstochten tegen hem af te schrikken? Hij houdt ons nu met opzet
hier op, omdat zijne troepen verstrooid zijn; zoodra hij echter weder
zijn leger verzameld heeft, kan hem niets meer weerhouden om ons aan
te vallen. Misschien maakt hij ook ergens grachten of werpt verschansingen
op, om onzen terugtocht onmogelijk te maken. Want goedschiks zal hij
ons wel niet de tijding naar Hellas laten brengen, dat wij, zulk een
klein troepje, de legermacht van den koning in de nabijheid van zijn
eigen paleis versloegen en daarna lachend aftrokken."
Clearchus antwoorden hun, die zoo spraken, het volgende: "Ook ik
bedenk dit alles, maar aan den anderen kant begrijp ik, dat wij ons,
wanneer wij nu wegtrekken, aan het schijnbare verwijt blootstellen,
het verdrag verbroken en de vijandelijkheden vernieuwd te hebben. Daarenboven
zal ons ten eerste niemand een markt aanwijzen, of een middel om ons
levensmiddelen te bezorgen. Ook zal er niemand zijn om ons aan te voeren.
Zoodra wij dezen stap doen, zal Ariaeus ons dadelijk afvallen, en dan
hebben wij niet alleen geen enkelen vriend meer over, maar hebben ook
hen, die vroeger vrienden waren, tot vijanden gemaakt. Of wij behalve
over den Euphraat, ook nog over andere rivieren trekken moeten, weet
ik niet; dat echter de overtocht over den Euphraat, wanneer de vijanden
het beletten, onmogelijk is, dat weten wij. Ook hebben wij, wanneer
het tot een slag komt, geene ruiterij tot ondersteuning, die van den
vijand daarentegen is zeer talrijk en voortreffelijk. Welken vijand
zouden wij dus dooden, gesteld dat wij de overwinning behaalden? Als
wij daarentegen verslagen werden zou geen man van ons kunnen ontkomen.
Waarom zou de koning derhalve, wien zoo vele hulpbronnen ten dienste
staan, wanneer hij ons in het verderf wil storten, het eerst noodig
geoordeeld hebben, ons door eed en handdruk veiligheid te verzekeren,
om daarna de goden door een meineed te vertoornen en de beloften, aan
Hellenen en barbaren gegeven, weer ongedaan te maken?"
Deze en meer dergelijke opmerkingen maakte Clearchus. Ondertusschen
kwam Tissaphernes, om zooals het scheen naar zijne provincie te vertrekken,
en Orontas, ieder met zijn korps. De laatste voerde de dochter van den
koning als bruid mede. Het leger trok nu, onder leiding van Tissaphernes,
die tegelijkertijd levensmiddelen verschafte, verder. Ariaeus, die het
leger der barbaren van Cyrus aanvoerde, marcheerde in verbinding met
Tissaphernes en Orontas, en sloeg zijne legerplaats bij hen op. De Hellenen
echter, die hen wantrouwden, marcheerden door eigen wegwijzers geleid
afzonderlijk, en maakten hunne legerplaats altijd op eenigen afstand
van hen, die een parasang en nooit minder bedroeg. Beide partijen sloegen
elkaar gade alsof het vijanden waren, en dat gaf terstond wantrouwen.
Wanneer nu en dan soldaten, die voor hout en voeder en dergelijke zaken
uitgingen, op een zelfde plaats elkander aantroffen, ontstonden er vechtpartijen,
hetgeen evenzeer onderlinge vijandschap veroorzaakte. Na drie standplaatsen
kwamen zij bij den zoogenaamden Medischen muur, en zetten nu aan de
binnenzijde daarvan hun marsch voort. Deze is gebouwd van baksteenen,
die met asphalt verbonden zijn, twintig voet breed en honderd voet hoog;
zijn lengte bedraagt, naar men zeide, twintig parasangen. Hij is niet
ver van Babylon verwijderd. - Hierop marcheerden zij in twee dagen acht
parasangen, en trokken over twee kanalen, over het eene op een brug,
over het andere op zeven vaartuigen. De kanalen komen uit den Tigris,
en van uit dezen liepen slooten over het geheele land, de eerste groot,
daarna kleinere, en eindelijk geheel kleine, zooals men ze in Hellas
op de boekweitvelden ziet. Zoo kwam men aan den Tigris, waar Sittake,
eene groote, volkrijke stad, vijftien stadiën van den stroom verwijderd,
ligt. Hier legerden zich de Hellenen in de nabijheid van een schoonen
grooten tuin, met boomen van allerlei soort dicht begroeid. De barbaren
echter, die over den Tigris gegaan waren, waren niet meer zichtbaar.
Na het avondeten gingen Proxenus en Xenophon voor de legerplaats wandelen;
toen kwam er een onbekende bij de voorposten, en vroeg waar hij Proxenus
of Clearchus kon vinden. Naar Menon vroeg hij niet, ofschoon hij van
Ariaeus, den gastvriend van Menon, kwam. Na de verklaring van Proxenus,
dat hij degene was, dien hij zocht, zeide de man het volgende: "Ariaeus
en Artaozus, aanhangers van Cyrus en uwe vrienden, laten u door mij
weten, dat gij voor een vijandelijke overrompeling dezen nacht op uwe
hoede moet zijn. Want in den tuin hier in de nabijheid ligt een talrijke
legermacht. Zij raden u verder aan, de brug over den Tigris te bezetten,
omdat Tissaphernes plan heeft, dien in dezen nacht zoo mogelijk af te
breken, opdat gij dan niet in staat zijt den stroom over te trekken,
maar midden in de vlakte tusschen de rivier en het kanaal kunt worden
overvallen." Na deze verklaring brachten zij hem bij Clearchus,
met de tijding van hetgeen door hem meegedeeld werd, en toen Clearchus
het hoorde geraakte hij in geen geringe ontsteltenis. Een jonge man
onder de aanwezige personen die de zaak overwogen had, maakte de opmerking:
dat het afbreken der brug met het plan, om de Hellenen te overvallen,
niet klopte. Want het is duidelijk (zeide hij) dat zij, als zij ons
aanvallen, òf overwinnen òf overwonnen worden. Als zij
winnen, waarom moeten zij dan de brug afbreken? Want zelfs al waren
er veel bruggen, toch zouden wij bij een nederlaag en vlucht ons niet
kunnen redden. En als wij overwinnen, dan zullen zij bij
een afgebroken brug niet weten waarheen te vluchten; en al zijn er veel
troepen aan den overkant, niemand zal hen kunnen helpen, als de brug
vernield is. " - Toen Clearchus dit hoorde, vroeg hij den bode
hoe groot het land was tusschen den Tigris en het kanaal. Deze antwoordde
dat het groot was en dat er vele groote dorpen en steden in waren. Toen
zag men wel in dat de barbaren den man in 't geheim gestuurd hadden,
uit vrees dat de Hellenen de brug zouden afbreken en op het eiland zouden
blijven, als bolwerk bezittende aan den eenen kant den Tigris, aan den
anderen kant het kanaal; dat zij zich dan levensmiddelen zouden verschaffen
uit het middelste land, dat groot en vruchtbaar was en waar het aan
arbeiders niet ontbrak; en dat het, ten slotte, een schuilplaats zou
worden voor iemand die den koning zou willen aanvallen.
Men rustte nu uit, maar zond toch een wacht naar de brug; doch niemand
deed een aanval en geen vijand naderde de brug, zooals de wacht meldde.
Toen de dag aanbrak, gingen zij over de brug, die door zeven en dertig
booten verbonden was, zoo voorzichtig mogelijk; want eenigen der Hellenen,
die bij Tissaphernes waren, berichtten dat men hen zou aanvallen, als
zij overtrokken. Maar dit was een valsche tijding; wel verscheen, toen
zij overtrokken, Glus met eenige anderen om te zien of zij over de rivier
zouden gaan; toen hij het gezien had, reed hij snel weg.
Van den Tigris trokken zij langs vier standplaatsen en twintig parasangen
tot aan de rivier den Physcus, een plethron breed; er was een brug over.
Daar bevond zich een groote stad, Opis genaamd; op deze plaats kwam
de onechte broeder van Cyrus en Artaxerxes den Hellenen te gemoet, die
uit Susa en Ekbatana met een groot leger den koning te hulp kwam. Hij
liet zijn leger stand houden , en bekeek de voorbijtrekkende Hellenen.
Clearchus liet de mannen twee aan twee marcheeren, en nu eens hier en
dan weer elders stilstaan. Zoolang als dus de voorhoede halt maakte,
zoolang duurde ook de stilstand van het heele leger, zoodat het zelfs
aan de Hellenen toescheen dat hun macht zeer talrijk was, en de Pers
die het zag verbaasd stond.
Vandaar trok men door Medië vier dagmarschen, door woeste streken,
en dertig parasangen tot aan de dorpen van Parysatis, de moeder van
Cyrus en den koning. Om Cyrus te bespotten stond Tissaphernes den Hellenen
toe deze te plunderen, maar zonder slaven te maken. Er was veel graan,
vee en andere dingen. Van hier uit gingen zij verder door onbewoonde
landen, vier dagmarschen en twintig parasangen, met de rivier den Tigris
links; op den eersten dagmarsch, aan de overzijde der rivier, troffen
zij een groote welvarende stad aan, Caenae genaamd, waaruit de vreemdelingen,
op leeren schuitjes, hun brood, kaas en wijn brachten.
V.
Daarna kwamen zij
aan de rivier Zapatas, vier plethren breed. Zij bleven daar drie dagen,
gedurende welke er wel vermoedens ontstonden, maar geen hinderlaag bemerkt
werd. Clearchus besloot nu met Tissaphernes te overleggen, of het mogelijk
was den argwaan te doen ophouden voordat daaruit een oorlog ontstond,
en hij zond iemand om te zeggen, dat hij een gesprek met hem verlangde.
Tissaphernes nam dit aanbod gretig aan. Toen zij samengekomen waren
sprak Clearchus: "Ik weet, Tissaphernes, dat wij elkaar met eed
en handdruk beloofd hebben, elkaar geen kwaad te doen, en toch zie ik
dat gij u tegenover ons in acht neemt, als waren wij vijanden, en wij,
dit ziende, zijn evenzeer op onze hoede. Nu ik echter niet kan ontdekken
dat gij ons kwaad tracht te doen, en zeker weet dat wij daar zelfs niet
aan denken, besloot ik eens met u te spreken, om te zien of wij elkanders
wantrouwen kunnen opheffen. Immers ik weet dat menschen, die door laster
of wantrouwen elkaar vreesden, en wilden voorkomen dat er iets kwaads
gebeurde, onherstelbaar ongeluk hebben gebracht over lieden, die zich
daar niets van bewust waren. In de meening dat zulke misverstanden het
best door een samenkomst kunnen worden uit den weg geruimd kom ik hier,
en wil u aantoonen dat gij ons ten onrechte wantrouwt. Want - het eerste
en gewichtigste - de eeden, bij de goden gezworen, verhinderen ons elkaars
vijand te zijn; wie zich bewust is dezen te hebben geschonden, dien
man kan ik nooit meer gelukkig noemen; in oorlog met de goden, weet
ik niet met welke snelheid hij zou moeten ontvluchten, welke duisternis
hij zou moeten ontloopen, in welke sterkte hij zich zou moeten verbergen.
Want overal is alles den goden onderworpen, en alom heerschen de goden
gelijkelijk over alles. Over de goden en de eeden denk ik dus zoo, bij
welke wij onze vriendschap bezworen hebben; maar van de menschelijke
zaken houd ik ù op het oogenblik voor het grootste goed, dat
wij bezitten. Want met ù is elke weg voor ons gebaand, elke rivier
doorwaadbaar, en geen gebrek aan levensmiddelen; zonder ù is
elke weg in 't duister, elke stroom onoverkomelijk, elke troep menschen
schrikaanjagend, maar bovenal de eenzaamheid. Deze laatste immers brengt
ons in de grootste verlegenheid. Als wij zoo krankzinnig waren ù
te dooden, zouden wij daarmee niet onzen weldoener ombrengen en den
strijd aanbinden met den grootsten worstelaar, den koning? Ik zal u
zeggen, aan welke verwachtingen ik den bodem zou inslaan, wanneer ik
ù kwaad trachtte te doen. Ik heb gestreefd naar Cyrus' vriendschap,
in de meening dat niemand meer dan hij in dien tijd zijn vrienden van
nut kon zijn; nu zie ik dat gij Cyrus' macht en land bezit, uw eigen
gebied behoudt, en 's konings macht tot bondgenoot hebt, waar Cyrus
vijandig tegenover stond. Wie is in deze omstandigheden zoo krankzinnig,
dat hij geen vriend met u wil zijn? - Ook zal ik u zeggen waarom ik
hoop voed dat gij niet minder een vriendschappelijke verhouding met
ons zult begeeren. Het is mij bekend dat de Mysiërs u lastig zijn,
welnu, met de legermacht die onder mij staat meen ik ze aan u te kunnen
onderwerpen. Dit weet ik ook ven de Pisidiërs, en ik hoor dat er
zoo nog vele andere stammen zijn, die ik zou kunnen beletten telkens
uw rust te verstoren. Wat de Egyptenaren betreft, op wie ik u het meest
verbitterd zie - ik zie niet in met welke macht als bondgenoot gij ze
beter zult kunnen straffen, dan met die, welke ik thans bezit. Eindelijk,
wat de volken in uwe omgeving betreft, als gij iemands vriend zoudt
willen zijn, gij zoudt de grootste vriend kunnen wezen, wanneer gij
ons tot helper hadt; en als iemand u beleedigde, gij zoudt hem evenals
een heerscher ten onder kunnen brengen met hulp van ons - ons, die u
niet alleen zouden dienen om loon, maar uit dank dien wij wegens onze
redding aan u verplicht zijn. Als ik dit alles overdenk, is het mij
onbegrijpelijk dat gij ons zoudt wantrouwen, en gaarne wenschte ik den
naam van de welsprekenden redenaar te hooren, die ù zou kunnen
overtuigen dat wij een aanslag tegen u beramen."
Zoo sprak Clearchus, en Tissaphernes antwoordde hierop als volgt:
"Het verheugt mij, Clearchus, verstandige taal van u te hooren;
want als gij, volgens die gedachte, tegen mij iets kwaads beraamdet,
dunkt het mij dat gij ook u zelf ongeluk berokkent. Luister nu op uwe
beurt, om te leeren dat uw wantrouwen tegen den koning en mij niet gerechtvaardigd
is. Als wij u wilden vernietigen, gelooft gij dat het ons aan ruitermacht,
of voetvolk of wapening zou ontbreken, zóó dat wij u schade
konden toebrengen zonder zelf eenig gevaar te loopen? Meent gij dat
wij geen geschikte positiën hebben om u aan te vallen? Hebben wij
niet zoovele vlakten, die gij nu reeds met veel moeite door marcheert,
terwijl het een bevriend land is - zoovele bergen ziet gij, welke gij
nog bestijgen moet, en die wij vooruit kunnen bezetten om ze voor u
ontoegankelijk te maken - zoovele rivieren, waarop wij naar goeddunken
met zoovele lieden van uwen kant kunnen strijden, als wij maar willen!
Er zijn er onder, die gij heelemaal niet zoudt kunnen overgaan, tenzij
wij u overzetten!
En als wij bij dit alles de nederlaag lijden, dan is toch het vuur nog
machtiger dan de vrucht der aarde, die wij zouden kunnen verbranden
om tegenover u den honger te stellen, iets waartegen gij met al uwe
dapperheid niet opgewassen zijt. Hoe zouden wij dus, die zooveel middelen
hebben om u te beoorlogen, en geen van die alle gevaarlijk voor ons,
uit dat groote aantal juist de eenige manier uitkiezen, die alleen tegenover
de goden zondig, tegenover de menschen schandelijk is? Het is geheel
en al een werk van radelooze lieden, die onhandig en door nood gedreven,
en daarenboven slecht zijn, door middel van eedbreuk tegenover de goden
en meineed in 't aangezicht der menschen, de eene of andere zaak te
verrichten. Wij zijn niet zoo onbedachtzaam en onberekend, Clearchus!
Waarom dan zijn wij u niet komen vernietigen, terwijl 't in onze macht
stond? Weet dan dat mijn begeerte om aan de Hellenen trouw te zijn daarvan
de oorzaak is, mijn verlangen om het leger, waarop Cyrus vertrouwde,
omdat hij soldij betaalde, dat leger terug te voeren, innig aan mij
verknocht door mijn weldaden. De voordeelen, die gij ons aanbrengt,
hebt gij reeds genoemd, dit is echter naar mijn weten het grootste:
alleen aan den koning is het geoorloofd zijn tulband rechtop te dragen,
maar naast hem zou een ander die ook wel in zijn hart kunnen dragen,
gerugsteund door uwe tegenwoordigheid."
Toen hij zich aldus uitliet kwam het Clearchus voor dat hij waarheid
sprak, en hij hernam: "Nu wij zulk een reden tot vriendschap hebben,
dunkt het u niet dat zij, die ons door laster tot elkaars vijanden zouden
maken, de zwaarste straf verdienen?" - "Als gij", zeide
Tissaphernes, "zoowel strategen als lochagen, openlijk tot mij
wil komen, zal ik degenen aanwijzen die zeggen dat gij het op mij en
mijn leger gemunt hebt." - "Ik zal allen meebrengen,"
sprak Clearchus, "en u bekend maken vanwaar het gerucht tegen u
afkomstig is." -
Na deze samenspraak onthaalde Tissaphernes hem, liet hem blijven en
noodigde hem aan zijn tafel. Den volgenden dag ging Clearchus naar het
kamp, was blijkbaar in de meening dat hij met Tissaphernes op zeer goeden
voet stond, en bracht diens woorden over. Hij noemde eenigen, die hij
zeide dat naar Tissaphernes moesten gaan, en als zij van kwaadspreekerij
overtuigd werden, dan moesten zij als verraders en kwaadwilligen tegenover
de Hellenen gestraft worden. Hij vermoedde dat de lasteraar Menon was,
wetende dat deze met Ariaeus tot Tissaphernes was gegaan, en dat hij
tegen hem op wilde staan en hem lagen legde, om 't geheele leger op
zijn hand te krijgen en zoo met den laatstgenoemde bevriend te worden.
Van zijn kant wilde evenzeer Clearchus 't geheele leger onder zich houden,
en zich ontdoen van degenen die hem hinderden. - Enkele soldaten verklaarden
zich tegen het voorstel van Clearchus, dat alle strategen en lochagen
zouden gaan, en zeiden dat men Tissaphernes niet vertrouwen moest. Maar
Clearchus drong heftig aan, totdat hij verkregen had dat er vijf strategen
en twintig lochagen meegingen; onder het voorwendsel van zich levensmiddelen
te verschaffen volgden hen een tweehonderdtal soldaten.
Toen zij in 't hoofdkwartier van Tissaphernes waren aangekomen, werden
de strategen binnengeroepen, namelijk Proxenus uit Boeotië, Menon
uit Thessalië, Agias uit Arkadië, Clearchus uit Lacedaemon,
en Socrates uit Achaja; terwijl de lochagen vóór de deur
bleven. Korten tijd daarna, op één zelfde gegeven teeken,
werden de personen die binnen waren gevangen genomen, en die buiten
stonden neergehouwen. Daarop reden eenige Persische ruiters door de
vlakte, en doodden alle Hellenen, vrij of slaaf, die zij ontmoetten.
De Hellenen, die van uit hun kamp toeschouwers waren, verwonderden zich
over dat gerij, en wisten niet wat te doen, totdat de Arkadiër
Nicarchus aankwam: hij was gevlucht met een wond in den buik, en nog
met zijn ingewanden in de handen verhaalde hij alles wat er gebeurd
was. Verschrikt riepen de Hellenen allen onder de wapens, in de meening
dat de vijanden weldra naar 't kamp zouden komen. Zij kwamen echter
niet allen, alleen Ariaeus, Artaozus en Mithridates verschenen, vertrouwelingen
van Cyrus; de tolk der Hellenen zeide, dat hij ook den broeder van Tissaphernes
bij hen zag, en hem herkende. Zij hadden een lijfwacht van ongeveer
driehonderd geharnaste Persen. Dezen naderden en riepen dat er een strateeg
of lochaag der Hellenen moest verschijnen, opdat zij hem de bevelen
des konings zouden overbrengen. - Hierop verlieten met voorzichtigheid
het kamp de Helleensche strategen Cleanor van Orchomenus en Sophaenetus
van Stymphale, begeleid door den Athener Xenophon, om bericht van Proxenus
en de zijnen te ontvangen. Chirisophus was toevallig afwezig, daar hij
met anderen in een dorp aan het fourageeren was. Toen zij nu op gehoorafstaand
stonden, zeide Ariaeus: "Hellenen! Clearchus is gestraft, daar
zijn meineed bleek en hij de verdragen schond, maar Proxenus en Menon
zijn in groote eere, omdat zij zijne verraderij aan het licht hebben
gebracht. Wat ù betreft, de koning eischt uwe wapenen op, hij
zegt dat zij zijn eigendom zijn, daar zij hebben toebehoord aan zijn
slaaf Cyrus." - De Hellenen gaven hierop, bij monde van Cleanor
uit Orchomenus, het volgende antwoord: "Gij slechtaard Ariaeus
en gij anderen die vroeger Cyrus' vrienden waart, schaamt gij u niet
voor goden en menschen, gij die gezworen hebt dezelfde vrienden en vijanden
te zullen hebben als wij, maar thans ons verraadt met dien goddeloozen
en misdadigen Tissaphernes, de mannen met wie gij den eed hebt gedaan
in het verderf hebt gestort, en om ons óók te verraden
nu met vijandelijke bedoelingen tot ons komt?" - Ariaeus hernam:
"Het bleek reeds lang dat Clearchus verraad in den zin had tegen
Tissaphernes en Orontas, en tegen ons, hun gevolg." - Daarop zeide
Xenophon weer: "Dan heeft Clearchus zijn loon, als hij tegen de
eeden den wapenstilstand heeft verbroken, maar zendt ons Proxenus en
Menon terug, uwe weldoeners en onze strategen; het is zeker dat zij
u zoowel als ons welgezind zijn, en zullen trachten aan beide partijen
het beste te raden."
De barbaren hielden daarop een lang gesprek met elkander, maar verwijderden
zich eindelijk zonder antwoord te geven.
VI.
Zoo werden de veldheeren
gevangen genomen, naar den koning gebracht en onthoofd. Onder hen maakte
Clearchus, ongetwijfeld op allen die hem goed kenden den indruk van
een hartstochtelijk en ervaren krijgsman. Zoolang de oorlog der Lacedaemoniërs
tegen de Atheners duurde, bleef hij in Hellas; toen de vrede gesloten
was, overtuigde hij zijn medeburgers dat de Thraciërs den Hellenen
onrecht aandeden, wist de Ephoren zooveel mogelijk voor zijn plannen
te winnen, en zeilde uit om de Thraciërs, die ten Noorden van den
Chersonesus en Perinthus woonden, te beoorlogen. De Ephoren kwamen,
toen hij reeds onder zeil was, op hun plan terug en trachtten hem nog
van uit den Isthmus terug te laten komen; hij echter gehoorzaamde niet,
maar voer naar den Hellespont. Daarom werd hij als weerspannige door
de overheid in Sparta ter dood veroordeeld. Als banneling dus kwam hij
tot Cyrus, en door welke woorden hij diens vertrouwen verwierf staat
elders geschreven. Cyrus gaf hem tienduizend darieken, maar toen hij
ze had, gaf hij zich niet over aan genotzucht, doch wierf voor dat geld
een leger waarmede hij de Thraciërs beoorlogde. Hij overwon hen,
plunderde hun land en zette den oorlog tegen hen voort, totdat Cyrus
het leger noodig had; toen trok hij af om met dezen een nieuwen veldtocht
te ondernemen.
Dat schijnen wel daden van een echt soldaat, die terwijl het hem vrij
staat zonder schande en schade in vrede te leven, den oorlog voortrekt;
die genot kan hebben, maar liever de inspanning van den oorlog verkiest;
die zonder gevaar geld kan bezitten, maar liever zich in den krijg aan
verliezen blootstelt. Hij wilde geld besteden voor den oorlog, zooals
een ander het uitgeeft aan zinnelijk genot of aan eenig ander genoegen.
Dat alles is een bewijs van zijn hartstocht voor den oorlog; zijn talent
daarin blijkt uit het volgende.
Het gevaar zocht hij op, nacht of dag, hij voerde de zijnen tegen den
vijand aan, was in hachelijke omstandigheden bedachtzaam, zooals alle
ooggetuigen verzekerden. Zoo was hij naar vermogen een geschikt aanvoerder,
en meer dan eenig ander in staat er voor te zorgen dat zijn leger levensmiddelen
kreeg, en dat alles in orde te maken. Hij wist zijn soldaten te overtuigen
dat men Clearchus gehoorzamen moest. Dit alles bereikte hij door zijn
gestrengheid, want zijn uiterlijk was barsch, zijn stem hard, en hij
strafte altijd streng, somtijds zelfs in drift, zoodat hij er zelf nu
en dan berouw over had. Het was uit beginsel dat hij strafte, want een
tuchteloos leger hield hij voor geheel onbruikbaar. Men beweert ook
van hem dat hij zeide, dat de soldaat meer zijn veldheer dan de vijanden
moet vreezen, hetzij hij zijn post moet bewaken of een bevriend land
moet sparen of zonder tegenstribbeling op de vijanden los moet gaan.
In tijden van gevaar wilden de krijgslieden gaarne naar hem luisteren,
en zouden zij nooit een ander gekozen hebben: want zij zeiden dat zijn
stugheid dan ophelderde, en dat zijn barschheid dan kracht tegenover
den vijand scheen, zoodat zijn lastigheid juist hen behoud werd. Maar
was er geen gevaar en mocht men naar een anderen veldheer trekken, dan
verlieten hem velen; want hij had niets minzaams, doch was steeds norsch
en ruw, zoodat de verhouding der soldaten tot hem die was van kinderen
tegenover den meester. Nooit had hij lieden die hem uit vriendschap
of welwillendheid volgden, hen die hun vaderstad, of de nood, of eenige
andere dringende oorzaak onder zijne rangen schaarde, die maakte hij
stipt gehoorzaam. Als men begonnen was onder zijn kommando te overwinnen,
waren er twee groote middelen die zijn soldaten uitnemend maakten: onverschrokkenheid
tegen den vijand was reeds bij hem aanwezig, en uit de vrees voor zijn
straf volgde de tucht. Zoo was hij in het bevelvoeren; maar door anderen
gekommandeerd te worden, daarvan (zeide men) hield hij niet zeer. Toen
hij stierf had hij ongeveer den leeftijd van 50 jaren bereikt.
Proxenus uit Boeotië wilde reeds als kind een man worden, geschikt
tot groote dingen, daarom liet hij zich voor geld onderwijzen door Gorgias
uit Leontium. Na dit onderricht achtte hij zich reeds geschikt tot bevel
te voeren, en als vriend van de voornaamsten niet onder te doen in weldaden;
zoo kwam hij er toe met Cyrus te onderhandelen. Immers hij meende daardoor
grooten naam en macht en veel geld te zullen erlangen; maar bij die
begeerte sprong het toch zeer in 't oog dat hij niets daarvan op onrechtmatige
wijze wilde verkrijgen, maar overtuigd was dat hij het met recht en
billijkheid moest doen, en niet anders. Hij was in staat over rechtschapen
menschen te heerschen, niet om eerbied of vrees aan zijne soldaten in
te boezemen. Ja zelfs, hij ontzag meer zijn soldaten dan dezen hem,
en 't was duidelijk dat hij meer vreesde zich bij zijne krijgslieden
gehaat te maken, dan de laatsten, hem ongehoorzaam te zijn. Om een goed
veldheer te zijn en te schijnen, achtte hij het voldoende hem die goed
handelde te prijzen, en te zwijgen over hem die anders deed. Dientengevolge
waren de edelsten onder zijn kommando hem welgezind, maar de slechten
trachtten hem te verschalken, daar hij goedig was. Toen hij stierf was
hij ongeveer dertig jaar.
Menon de Thessaliër verheelde zijn zucht naar rijkdom niet, zijn
heerschzucht altijd meer te krijgen, en zijn eerzucht om maar winst
te behalen; hij wilde een vriend van de machtigen der aarde zijn, om
geen straf voor zijne euveldaden te beloopen. Den kortsten weg om te
bereiken wat hij wilde, meende hij dat gelegen was in meineed, liegen
en bedriegen; eenvoud en waarheidsliefde stelde hij gelijk met domheid.
Blijkbaar hield hij van niemand, en hem dien hij zijn vriend noemde,
bedroog hij in 't openbaar. Een vijand bespotte hij nooit, maar degenen
met wie hij omging lachte hij steeds uit. Op het goed van zijne vijanden
had hij het niet voorzien, want hij vond het moeielijk menschen te berooven
die op hun hoede waren; maar de bezittingen zijner vrienden, onbewaakt
als zij waren, die achtte hij gemakkelijk te plunderen. Als hij meineedigen
en valschaards bemerkte, vreesde hij ze als goedgewapenden, maar eerlijke
en waarheidslievende personen trachtte hij te behandelen als lafaards.
Evenals een ander zich verheft op godsvrucht, waarheid en rechtvaardigheid,
zoo pronkte Menon er mee dat hij bedriegen kon, valsche berichten verzinnen
en zijn vrienden bespotten, en wie niet misdadig was, dien hield hij
steeds voor onopgevoed. Als hij bij menschen in de hoogste gunst wilde
komen, lasterde hij de besten en meende zoo zijn doel te kunnen bereiken.
De gehoorzaamheid zijner soldaten wist hij te krijgen door met hen gemeenzaam
te zijn in slechte dingen; hij wilde geëerd en gediend worden,
en tegelijk toonen dat hij meer dan een ander kwaad doen kon en wilde.
En als iemand hem in den steek liet, dan tekende hij het zich zelf als
een weldaad toe, hem niet in het verderf gestort te hebben, toen hij
nog met hem omging.
Men kan zich bedriegen in dingen die onbekend zijn, maar het volgende
is iets dat allen weten. Terwijl hij nog een jonge knaap was, wist hij
van Aristippus het kommando over een vreemdelingenleger te verkrijgen.
Met Ariaeus, een barbaar, ging hij zeer vertrouwelijk om, doordat deze
veel van mooie knapen hield; en op een leeftijd toen hij nog geen baard
droeg, had hij als lieveling een zekeren Tharypas, die reeds manbaar
was. - Toen nu zijne medeveldheeren ter dood werden gebracht, omdat
zij met Cyrus tegen den koning waren opgetrokken, stierf hij dien dood
niet, hoewel hij hetzelfde gedaan had; maar na den moord der andere
generaals werd hij gestraft door den koning en stierf, niet zooals Clearchus
en de overige strategen door onthoofding, hetgeen voor de snelste wijze
van sterven geldt, doch levend werd hij een jaar lang gemarteld als
een misdadiger, en zóó zegt men dat hij zijn einde vond.
Ook Agias de Arkadiër en Sokrates de Achaeër vonden den dood.
Deze beiden heeft nooit iemand bespot als lafhartigen in den krijg,
noch op hunne vriendschap eenige aanmerking gemaakt. Beiden waren op
den leeftijd van ongeveer 35 jaren.
|