Publius Vergilius Maro

Aeneis I

(De Aeneis van Publius Vergilius Maro, metrisch vertaald door P. W. de Koning. Amsterdam, P. N. van Kampen & Zoon, 1915.)


L.S.

Publius Vergilius Maro werd, den vijftienden October van het jaar 70 vóór Christus, te Andes bij Mantua geboren. Na met een verzameling herdersgedichten en een leerdicht over den landbouw naam te hebben gemaakt, begon hij, veertig jaar oud, aan de Aeneis, besteedde aan dit werk elf jaren en stierf te Brindisi in het jaar 19 vóór Christus op den tienden October.

Hoewel de Aeneis niet door den schrijver voltooid is en de dood hem, als het ware, midden in zijn arbeid heeft weggenomen, is zij toch steeds beschouwd als het beste werk van Rome's besten dichter.

Het heeft mij niet overbodig geschenen, na vele anderen, nogmaals een veretaling van dit heldendicht in onze taal te beproeven, en ik hoop dat men deze pogingen zal blijven herhalen, tot iemand een vertaling maakt, die de kracht bezit tot het Nederlandsche volk door te dringen.

(...)

Het in hexameters geschreven werk heb ik ook in hexameters weergegeven. Ik heb echter, in de behandeling van deze versmaat, eenigszins mijn eigen voorschriften gevolgd. Want het kwam mij voor, dat de Nederlandsche hexameter, zooals ik dien bij andere auteurs heb aangetroffen, te veel onder den invloed van Latijnsche regels, te weinig overeenkomstig het eigen taaleigen was. De belangrijkste wijziging is wel deze, dat ik voor de eerste lettergeep van het vers, naast dactylus ( __ v v) en spondaeus ( __ __ ), ook den trochaeus ( __ v ) heb toegelaten. Waar de Nederlandsche lettergrepen vaak zwaarder zijn dan de Latijnsche, leek het nuttig, het vers lichter en leniger te maken.

(...)

De poëzie van Vergilius is voor mij steeds een bron van immer wederkeerende vreugde geweest. Dit heeft mij misschien wel het meeste er toe gedreven, dit langdurige werk te ondernemen. Moge het nu voor den lezer zijn als een goed reisverhaal: voor hem die gebonden is, vertolke het verre heerlijkheden; hem die vrij is spore het aan, naar het land zelf te gaan of er weder te keeren.


KORTE INLEIDING

In het begin van de geschiedenis van Griekenland, lag in Phrygië, het Noord-westelijke deel van Klein-Azië, de stad Ilion, ook wel Troje genaamd, die de hoofdstad van het rijk Troje was en wier burcht Pergamum heette.
Deze stad had eene bevolking, die afstamde uit de oorspronkelijke bewoners, eene kolonie van Cretensers, onder Teucer, en eene kolonie van Italianen, onder Dardanus daarheen gekomen. Vandaar dat de Trojanen ook wel Teucrers of Dardanen genoemd worden.
Toen nu Priamus, de zoon van Laomedon, omstreeks het jaar 1200 voor Christus, zegt men, over Troje regeerde, trok zijn zoon Paris als gast naar Griekenland en schaakte daar, op aanstoken van Venus, Helena, de vrouw van den koning van Sparta, Menelaüs, den Atride, die destijds de schoonste vrouw ter wereld was.
Daarop kwamen de Grieken te Aulis samen, staken de zee over en sloegen het beleg voor Priamus' stad, onder de aanvoering van Agamemnon den koning van Mycene, zoon van Atreus en broeder van Menelaüs. Die oude tijd vond vreugde in vele namen. Wij vinden de Grieken dus ook vermeld als Danaërs, Achivers, Argivers en Pelasgen.
Bij dit beleg onderscheidde zich in 't bijzonder Achilles, de zoon van Peleus en Thetis, en later weer zijn zoon Neoptolemus of Pyrrhus. Hij was koning van Thessalie en Epirus en regeerde over de Myrmidonen en de Dolopen.
Verder de beide Atriden, Diomedes, de Tydide, koning van Argos, Ulisses, de koning van Ithaca, Idomeneus, de vorst van Kreta, Teucer, de zoon van den koning van Salamis en velen nog meer.
Toen echter twist was ontbrand tusschen Agamemnon en Achilles, en deze laatste zich aan den oorlog had onttrokken, kregen de Trojanen, onder de leiding van Hector, den zoon van Priamus, en van Aeneas, den zoon van Anchises, de overhand en bestormden zelfs het Grieksche legerkamp en de Grieksche vloot.
Toen zond Achilles zijn vriend Patroclus, aan het hoofd van zijn troepen en in zijn eigen wapenrusting, aan zijn oude strijdmakkers te hulp en deze wierp de Trojanen terug, versloeg Sarpedon, een zoon van Juppiter, doch werd zelf op zijn beurt door Hector verslagen.
Hierna trok, aangezien zijn wraakzucht zijn wrok overwon, Achilles zelf in het veld en slaagde er in Hector te dooden, viel echter niet lang daarna door een pijlschot van Paris.
Bij al deze gevechten werd Griekenland geholpen door Juno, Neptunus en Minerva, Troje daarentegen door Apollo, Venus en Diana. Juppiter zelf stond boven partijen.
Toen het beleg tien jaren geduurd had, in het jaar 1184 voor Christus, zoo zegt men, werd de stad door een list genomen, zooals uitvoerig in het tweede boek van dit werk wordt verhaald, en - volkomen verwoest.
Daarna stak Aeneas, na Hector's dood de eerste van Ilion's kapteins, in zee, op zoek naar een nieuw vaderland.


 

Eerste boek

Ik die, voorheen, op het tengere riet, mijn wijsjes gedeund heb,
En de wouden daarna voor 't aangrenzend veld heb verlaten,
Dat een rijkere oogst voor de hebzucht der boeren mocht rijpen,
('t Won de gunst van den landman), zing thans de verschrikking van d' oorlog.


 

'k Zing den krijg en den man die het eerst, van Troje, als balling,
Door het Noodlot geleid, naar Itali kwam en de kusten
Van het Lavinische rijk; veel werd hij, ter zee en te lande,
Door het geweld van de Goden geslingerd, om 't wrokken der wreede
Juno; veel leed hij in strijd, bij het stichten der stad, toen hij zijne
Goden, met zich, in Latium bracht: van het volk der Latijnen
D'oorsprong, der vaders van Alba, der statige muren van Rome.

Muze, vertel mij wat oorzaak het had, wie der Goden gekrenkt was,
Wat de vorstin van d'Olymp had gegriefd, dat zij zulk een gezwoeg dien
Vroomsten der menschen beschoor, en hem in zoo tallooze rampen
Heeft gestort. Woont zulk een haat in onsterflijke zielen?

Oudtijds was er een stad, een kolonie van Tyrische mannen,
Over Itali lag zij, Karthago, ver over de monding
Van den Tiber, welvarende en stout in de kunsten van d'oorlog:
Welke Juno gezegd wordt het meeste te hebben bevoorrecht,
Meer dan Samos zelfs, dat dr haar wapenen waren,
Dr haar strijdkar stond, terwijl zij hr, van den aanvang
Af, tot gebiedster van d'aard had bestemd: - zoo het lot het gedoogde.
Maar ook was haar voorspeld, dat een stam, uit Troje gesproten,
Eens die Tyrische stad zou verwoesten en sedert uit dezen
't Volk zou komen, dat Koning zou zijn, door de zege verheerlijkt,
Tot verderf van het Libysche Rijk: dat de Parcen dit dreven.
Dit dus vreesde Saturnus' kind en herdacht zich den oorlog
Dien zij, bij Troje, gevoerd had, vr allen, uit gunst tot d'Argivers;
Ook waren nog niet die reednen van toorn, die haar hart eens zoo griefden,
Uit haar zinnen gegaan; want diep in haar binnenste wrokten
't Rechterlijk oordeel van Paris, de hoon der geminachte schoonheid
En het gehate geslacht en het eereambt van Ganymedes.
Zoo dus, te meer nog vergramd, heeft zij 't overschot van de Trojanen,
Wat de Daners niet hadden gedood noch de grimmige Achilles,
Rondgeslingerd op zee en van Latium verre gehouden.
Heel veel jaren dus zwierven zij om, door het Noodlot gedreven;
Z veel werks had het in, het volk van Rome te gronden.

Nauwelijks hadden zij dus het gezicht op Sicili verloren,
Joegen zij blij met de riemen het schuim op en heschen de zeilen,
Toen, haar eeuwige wond in het binnenste harte bewarend,
Juno aldus overwoog: zou ik overwonnen versagen,
Machteloos zijn dien Teucrischen vorst uit Itali te weeren?
Immers, als 't noodlot verbiedt! En Pallas kon vloten verbranden,
Grieksche ... en onder de vloeden kon zij hen zelven bedekken,
Om ns enkelen schuld, den razenden Aiax Oileus?
Zelve toch wierp zij het vliegende vuur van Jupijn uit de wolken,
Smeet zij de kielen uiteen en joeg den wind door de golven,
Maar hem zelf, terwijl hij de vlam uit de wond in zijn borst blies,
Lichtte de wervelwind op, sloeg hem neer, aan de rots bleef hij hangen!
En ik ... koningin van de Goden, die heersch op d'Olympus,
Juppiter's zuster en vrouw, met n volk voer ik nu oorlog,
Jaren en jaren aaneen. Aanbidt nog iemand mijn Godheid?
Plaatst n smeekling zijn offer voortaan nog voor mij op het outer?

Dit dus telkens weer, in haar brandend hart overwegend,
Zocht zij het land der orkanen, dat zwangert van razende buien,
Zocht zij Aelie op, waar koning Aelus vorst is
En de worstlende winden bedwingt en de huilende stormen
Opsluit, in 't machtige hol, en ze boeit met keetnen en kerker.
Zij, zij gonzen boos (en doen 't holle der bergen weerhallen)
Rond de gegrendelde deur. En Aelus zit op de spitse,
Voert den scepter, verzacht hun gemoed en lenigt hun woede.
Deed hij het niet, n de zee n het land n de diepten der heemlen
Voerden zij razende rond, met zich voort, en doorploegden den aether.
Dus verborg hen de Vader in donkere, diepe spelonken,
Hiervoor bezorgd, en hij dekte ze toe met geweldige bergen
En gaf een koning als heerscher, die, volgens gezette geboden,
Wist hoe de teugels te korten en hoe, op bevel, ze te vieren.
En tot dezen dus heeft zij de smeekende woorden gesproken:

"Aelus, want aan U gaf de Vader der Goden, der menschen
Koning, de vloeden te stillen en weer door den wind te verheffen,
't Volk van mijn haat vaart nu over de zee der Tyrrhenen en draagt zijn
Overwonnen Penaten en Troje Itali binnen:
Geef aan de winden dus kracht en bedelf mij hun zinkende stevens,
Of, jaag hen uit elkaar en verstrooi hen alom op de golven.
Tweemaal zeven nymphen zijn mijn, van voortreflijke schoonheid,
Maar die de schoonste mag heeten, van allen, Diopeia,
Geef ik U dan tot wettige vrouw, voor nu en voor eeuwig.
Dat zij, voor zulk een dienst, met U, al de komende tijden,
Leve, en U als vader een kroost, schoon als zij, moge baren."

Waarop Aelus sprak: "Aan U, vorstin, uwe wenschen
Te overwegen, aan mij is de plicht uw bevel te volbrengen.
Gij toch gaaft mij dit rijk, want gij nijgt Juppiters scepter,
Doet ons aanliggen aan het feestmaal der Goden en maakt ons
Machtig over de winden en heerschende over de stormen."

En ... toen dit was gezegd, zijn scepter naar onder gebogen,
Stiet hij het holle gebergte in de zij en de winden, lijk krijgers,
Rennen naar d'opening heen en doorwervlen, al waaiende, 't land en
Storten zich dan op de zee. Zij graven die op uit haar diepten,
Eurus en Notus te zaam en de buiigste wind, de Zuid-Wester,
Dat op het strand, door hun krachten, zich slaan de ontzaglijke vloeden.
Dadelijk volgt het roepen der mannen en 't fluiten der touwen;
Plotseling dekken de wolken den hemel en doven het daglicht
Voor der Trojanen gezicht; het is donkere nacht op het water;
't Gromt aan de polen en d'aether schittert van tallooze vuren.
Alles verkondigt den dreigenden dood, alom tegenwoordig.

En Aeneas verstijfde van schrik, 't liep hem koud langs de leden,
Zuchtend sptak hij en strekte zijn handen, omhoog naar de sterren:
"O, wel gelukkig zijn zij, zijn drie en vierwerf gelukkig,
Wien het gegeven was, om voor het oog van hun ouders, te sneuvlen
Onder de muren van Troje. O, sterkste van alle Danars,
Tydeus' zoon! Kon ik dan niet vallen op Ilions velden,
't Leven er storten, geveld door uw waapnen, waar Hector, de sterke
Viel door de spies van Achilles, waar viel Sarpedon, de machtge,
Waar de Simois door 't water doet wentlen de schilden der mannen
Rusting en helm en gebeent van zooveel treflijke helden."

En terwijl hij dit riep, sloeg een kleprende rukwind van 't Noorden
Over den boeg en tegen het zeil en joeg tot de sterren
't Water op, dat het riemwerk brak en de steven, door 't zwaaien,
Schuins lag, het boord naar de zee en een roller, zoo steil als een bergwand.
Sommigen dobberen hoog op het nat en aan anderen toont het
Gapende water den bodem: de wind slaat wild in het zand neer.
Drie heeft de storm van het Zuiden gesleurd en gestrand op de klippen,
(Rotsen midden in zee, de Altaren geheeten bij 't zeevolk,
Als een machtige rug in den vloed) en drie duwde de Oostwind
Op een ondiepe plaats en sloeg, deernisweerd om te aanschouwen,
Tegen de zandplaten aan en wierp er een bolwerk van zand om;
Een, dien de trouwe Orontes bevoer met het Lycische krijgsvolk,
Trof, voor zijn oogen, een machtige breker, van boven, den spiegel,
Spoelde den meester van 't dek, vorover, en sleurde hem mede.
Maar 't schip zelf, ter plaatse waar 't was, draait de draaikolk, tot driemaal,
Wringend, heelemaal rond en dan verslindt het de wieling.
Enkelen duiken al zwemmende op, in d'onmeetlijken maalstroom;
Wapenen, planken en schatten van Troje, verrijzen in 't water.
Ilioneus' zoo zeewaardig schip en dat van Achates,
Dat waar Abas op voer, reeds dat van den grijzen Aletes,
Had de orkaan overwonnen: bij allen siepelde 't zeenat
Door de losse gebinten der kiel en de wijkende naden.

Maar Neptunus bespeurde intusschen, ten felste verbolgen,
Hoe, met vreeslijk geklots, zjn zee, door den stormwind, geschud werd
En hoe de watren van 't onderste diep naar den spiegel verrezen.
En stak 't rustige hoofd, om het opene ruim te beschouwen,
Boven de baren omhoog. Hij ziet er de vloot van Aeneas,
Al overal, over 't zeevlak verspreid en hij ziet de Trojanen,
Hard door de vloeden en door den val van den hemel bedrongen.
Hem, haar broeder, ontgingen zij niet, Juno's listen en boosheid.
Dus roept hij Oostwind en Westwind nabij en het volgende spreekt hij:

"Hebt gij zveel vertrouwen gehad in 't geslacht van uw ouders?
Hemel en aarde dus durft, u om mjn verlof niet bekreunend,
Durft gij, winden, vermengen en zooveel last te verheffen?
'k Zal ze ... Maar 't eerste wat dringt is de deining der vloeden te stillen.
Andermaal zult gij uw feilen niet meer z billijk betalen.
Vlucht nu, zoo vlug als gij kunt, en boodschapt dit aan uw Koning:
't Rijk der zee is niet aan hem, noch de vreeslijke drietand,
Die zijn mij, door het lot. Hij beheersche de onmeetlijke rotsen,
Uw huis, Eurus, en daar in dien hof mag Aelus groot doen
En er de winden regeeren, in kerkers die toe zijn gesloten."

Sprak en sneller dan 't woord, kalmeert hij d'onstuimige golven,
Jaagt de wolkengevaarten uiteen, voert de zon aan den hemel.
En terwijl duwen Cymothoe en Triton de kielen
Van het puntige rif, met hun schouders; hij zelf met zijn drietand,
Opent de ondiepe zandbanken weer en berustigt het water
En glijdt licht langs de toppen van 't nat met zijn vliegende wagen.
Lijk somwijlen geschiedt, als het volk is te zamen geloopen,
En bij 't gepeupel het oproer smeult en de harten verbittert;
Steenen en fakkelen vliegen al rond en de woede vindt waapnen;
Zien zij een man in wiens deugd en wiens diensten aan 't land zij gelooven,
Dan houden ze in en zij zwijgen en staan met luisterende ooren;
Hij regeert hun zielen door 't woord en verzacht de gemoedren.
Zoo viel ook heel het tumult van de zee, toen de vader de golven
Eens maar had overzien, bij openen hemel, en toen hij 't
Vierspan mende, van 't ijlende rad, met de lossere teugels.

Waar de vermoeide Trojanen de kust maar het dichtste nabij zien
Roeien ze om 't ijligste heen en naderen Libye's oever.
Hier vormt een eiland, aan 't eind van een baai, een veilige rede,
Buiten 't geweld van den vloed, omdat zich de golf op zijn flanken
Breekt, als zij aanrolt uit d'opene zee of zich deelt aan zijn zijden.
Machtige rotsblokken zoomen de kust, twee klippen bedreigen
Hier den hemel en 't nat strekt veilig en wijd in hun luwte,
Zonder geluid, en boven in 't rond, zijn in glinstrend bewegen,
't Loofhout en 't donkerder bosch, met de schaduw der dreigende dennen.
Daartegenover de hangende rots en er onder een woning
Voor de nymphen, een grot, waar zetels van levenden steen zijn,
En het water zoet is. Aldaar zijn de moeide galeien
Zonder kabels in rust en het anker hoeft daar niet te hechten.
Hier dus is Aeneas gevlucht, met een zevental schepen,
Over uit heel het getal, en hunkerend weder op vasten
Bodem te treden, ging 't scheepsvolk aan wal en zij strekten begeerig
't Lijf, dat droop van het zout, op het hun zoo dierbare zand uit.
En Achates sloeg het eerste de vonk uit den vuursteen,
Ving haar in bladeren op en stapelde er brandstof en drooge
Takken omheen en verkreeg in dien tonder al spoedig de vlammen.
Verder brachten zij 't vochtige graan en het noodig gereedschap,
Moe van der dingen gebeuren, aan land en bereidden zich voor de
Korrels te roosteren en nog heet onder steenen te malen.

Maar Aeneas klom intusschen de klip op en speurde,
Over d'ontzaglijke vlakte der zee, of hij nergens Anthus'
Slingrenden bodem kon zien of Frygie's dubble galeien,
Die van Capys, of 't schild van Cacus, op 't hoogst van den spiegel.
Maar geen enkel schip was in zicht; wel dwaalde een drietal
Prachtige herten op 't strand, aan het hoofd van de volgzame kudden,
Weidende wijduit gerijd in het dal en als krijgers geordend.
Mt stond hij stil; greep koortsig den boog en de vliegende pijlen,
Die de trouwe Achates hem droeg en velde de leiders
't Allereerste ter neer, die de koppen zoo statig verhieven,
Met het breedvertakte gewei, toen het volk, en toen joeg hij
Hen, hen met zijn pijlen vervolgend, in wanorde 't bosch in.
En hij liet niet af, eer zeven geweldige beesten
Neder waren gestrekt, wat aan 't aantal der schepen gelijk was;
Zocht de haven weer op en verdeelde ze onder zijn makkers;
Schonk vervolgens den wijn aan hen uit, dien, toen zij vertrokken
Van Sicili's strand, de heldhaftige en goede Acestes
Hun in kruiken gebotteld had en bij 't afscheid gegeven,
En verzachtte 't neerslachtig gemoed met vertroostende woorden:

"O mijn gezellen, voor ons, is de rampspoed toch zeker geen vreemde,
O, gij die erger doorstaan hebt, een God zal ook dit eens benden.
Gij zijt de razende Scylla genaderd, voert rakelings langs die
Rots, wier diepte weerklinkt, gij kent den Cycloop en zijn steenworp,
Roept uw vertrouwen terug en verbant de beklemmende vreeze;
Eens misschien wordt ook dit, wat geschied is, u zoet te herdenken.
Ziet, door zooveel gebeuren, door zooveel gevaarlijke kansen,
Naken wij Latiums kust, waar het Lot ons ruste en vrede
Vast heeft beloofd: dr, dr is het recht, dat Troje weer opstaat.
Weest dus volhardend en houdt u bereid voor de dingen der Voorspoed."

Dit het woord dat hij sprak en ziek van onmeetlijke zorgen
Veinst hij de hoop op 't gelaat en bedwingt, in zijn hart, al zijn kommer.
Maar zij maakten zich op voor den buit en den komenden maaltijd;
Rukten de huid van de ruggen, ontbootten 't geweide en sneden
Verder het lillende vleesch aan stuk en staken 't aan 't braadspit.
Anderen zetten de ketels op 't strand en gevlijd op de grazige zoden
Werden zij vol van den jarigen wijn en het smeuige wildbraad.
Maar, toen de honger gestild was en 't eten weer weg was genomen,
Zochten zij hunne verloren gezellen in lange gesprekken,
Weiflende tusschen hun hoop en hun vrees: of zij moesten gelooven
Dat zij leefden, of waren gegaan en geroepen ... niet hoorden.
En de godvruchtige Aeneas, betreurde, al zwijgend, het eerste,
Vr alle andren, het lot van Amycus, den kloeken Orontes,
't Onheil van Lycus en Gyas den held en den sterken Cloanthus.

En reeds zweeg elk stil, toen Juppiter, hoog uit den aether,
Ziend naar de scheeprijke zee en de diepgelegene landen,
Ziend naar de stranden en tallooze sten, op de tinne des hemels,
Staan bleef en zijn blik op Libyes kusten gericht hield.
En terwijl hij zoo stond en zijn zorg overwoog in zijn harte,
Sprak hem Venus, vol droefenis, aan, haar glinsterende oogen
Vol van tranen: "O gij, die de menschlijke en godlijke dingen
Vast in bedwang houdt, door eeuwig gezag, gij, wiens bliksems wij vreezen,
Wat kon, tegen U, mijn Aeneas z vreeslijks bedrijven,
Wat de Trojanen, dat hun, na zoovele rampen te lijden,
Om Itali's wil n de zee n de landen versperd zijn?
Zeker, gij hebt het beloofd, dat eens, uit hen, de Romeinen,
Uit het herborene bloed van teucer, als leiders der volken,
Heer zouden zijn over ieder zee, over alle gewesten;
Wat, o vader, heeft nu, zoo in eens, uw meening veranderd?
Moest ik dien klaaglijken val, de verwoesting van Troje, herdenken
Dan bleef dit mijn troost en noodlot woog op tegen noodlot.
Thans vervolgt hen de tegenspoed weer, dat door rampen geplaagde
Vluchtende volk. Welk eind, stelt gij eens aan hun moeiten, mijn koning?
Want Antenor drong, aan de omsingling der Grieken ontkomen,
Door tot Illyrie's golf en bereikte zoo, veilig, het binnenst
Van het Liburnische rijk. Hij steeg op tot de bron der Timavus,
Waar die, met negen monden, met machtig gemurmel der bergen,
Groot als een zee ontspringt en zich ruischend verspreidt over de akkers.
En zoo stichtte hij daar Patavum, een zetel der Teucrers,
Gaf een naam aan het volk, hing Ilions wapenen op en
Thans, in zoetvlietende vrede bevredigd, geniet hij zijn ruste;
Wij, die uw kinderen zijn, wien gij 's hemels burchten beloofd hebt,
Wij, wier vloot is vergaan, omdat die enkele ons haatte,
Worden geweerd van Italie's strand en van ieder verstooten.
Is dat de eer waar vroomheid in staat? Geeft gij z ons dien scepter?"

Maar hij lachte haar toe, hij de zaaier van Goden en menschen,
Met dien glimlach waarmee hij de lucht en de stormen verheldert,
Kuste haar op het voorhoofd en sprak: "Vrees niet, Cytherea,
Onverwrikt voor uw kroost blijft het lot, Laviniums muren,
Eens u beloofd, zult gij zien en gij zult den edlen Aeneas
Tot de sterren des hemels verheffen - niets heb ik veranderd.
Hij toch zal (want indien dan die zorg U zoo bijt zal ik spreken,
En wat breeder 't geheim van het lot voor uw oogen ontrollen)
In Italie een krijg vol ontzetting ontkeetnen en hare
Strijdbare volken verpletten, een bouwer van steden en zeden.
En drie maal zal de zon hem als koning in Latium aanschouwen,
Driemaal den hem onderworpen Rutulen de winter voorbijgaan.
Maar de knaap Ascanius, die den toenaam Ilus
Draagt, (maar Ilus was 't nog, toen 't verhevene Ilium hoog stond)
Die zal dertig jaar, bij het stage verwislen der maanden,
Heerscher zijn en den zetel des rijks van de stad van Latinus
Overbrengen en hij zal Alba geweldig omwallen.
Hier zal Hectors geslacht driehonderd jaren regeeren,
Tot de vorstlijke priesteres, door Mavors bezwangerd,
Dezen tweelingen baart, in het goudgele wolfsvel gemanteld,
Wijl een wolvin hem tot voedster verstrekte, zal Romulus al zijn
Krijgers vergaren, den wal, aan Mavors gewijd, zal hij bouwen
En geeft hun, naar den naam dien hij draagt, den naam van Romeinen.
Dezen stelde ik geen mate van macht en geen grenzen van jaren;
Hun een gezag dat geen kentering kent. Zelfs Juno, de wrange,
Die, uit vrees, nu aan zee en land en hemel geen rust laat,
Zal dan, beter gezind, me, steun en bescherming verleenen,
Rome's mannen, d' in toga's gekleeden beheerschers der wereld.
Z is 't beschikt. Ja, de tijd zal eens komen, bij 't glijden der eeuwen,
Dat Assaracus' huis zich Phtias dienstbaar zal maken,
't Wijdberoemde Myceen en het overwonene Argos.
Dan, uit schoonen stam, zal Caesar, de Trojer, ontspruiten,
Wien d'Oceaan zijn gebied, het gestarnte zijn roem zal begrenzen:
Julius, met een naam die stamt van den grooten Ilus.
Dezen zult gij, bevrijd van uw vrees, in den hemel ontvangen,
Met den krijgsbuit van d'Oost, men zal hm in gebeden bevragen.
Sedert verzacht zich de tijd en nadert de eeuwige vrede.
Vesta en d'oeroude Trouw en, naast Remus, zijn broeder Quirinus
Spreken dan recht. En de vreeslijke poort van den krijg wordt gesloten,
Met zijn grendels van staal. Daarbinnen schuimbekt de Dolheid,
Gruwlijk, met bloedigen mond, op de roeklooze waapnen gezeten,
Ruggelings stevig in keetnen gekneld en met ijzer gekneveld."

Sprak en zond Mercurius af, van den hemel naar de aarde,
Dat het land met den burcht van het nieuwe Karthago, den Teucrers,
Gastvrij open zou staan en Dido, die 't noodlot niet kende,
Hen aan de grenzen niet weigeren mocht. Hij doorsnijdt dus het luchtruim,
Roeit met de wieken en strijkt op de kust van Libye neder.
Reeds volbrengt hij zijn last en de Puniers leggen hun felheid
Af, naar bevel van den God, en een trouw en welwillend gevoelen,
Voor de Trojanen, vervult hun gemoed, dat van Dido het meeste.

Maar Aeneas besloot, nadat hij in duizend gepeizen
Heel den nacht had doorwaakt, zoodra weer de lieflijke morgen
Was verrezen, 't gevondene oord en de kust, waar zij landden,
En (want niets was bebouwd), wie er woonde, de mensch of het roofdier,
Te verkennen en dan aan zijn volk zijn bevinden te melden.
Dus verborg hij zijn vloot in een bocht van den woudzoom en onder
Overhangende rots, door sluitende schaduw omgeven,
En vertrok, alleen vergezeld van den trouwen Achates,
Met twee spiesen, waarvan het hout met ijzer bekleed was.

Maar, in het midden van 't bosch, kwam zijn godlijke moeder hem tegen,
Jong van gelaat en jonkvrouwlijk van kleed en met maagdlijke waapnen,
Op een Spartaansche gelijkend, of Harpalic, die het Thracisch
Ros, in vliegenden vaart, den vliegenden Hebrus voorbij jaagt.
Want de handzame boog hing, naar het gebruik, bij de jaagster
Van de schouders af en heur haar gaf zij los aan de winden,
Bloot was de knie en de beet van een gesp hield de plooien te zamen.
Zelve ving ze aan en zij sprak: "Ai, zegt mij, jonglingen, hebt gij
Ook bij toeval mijn zuster gezien, met den pijlkoker over
't Vlekkige kleed van de lynx, terwijl zij in d' omtrek hier doolde,
Of het schuimbekkende zwijn, op zijn vlucht, met kreten vervolgde?"

Zoo dus Venus en Venus' zoon gaf antwoord en zeide:
"Neen, haar zag ik niet en ik hoorde ook geene uwer zusters.
Maar, hoe spreek ik u aan? Niet menschelijk toch zijn uw trekken
En uw stem heeft geen sterflijken klank: Godin dus voorzeker.
Phoebus' zuster misschien of eene der nymphen? Maar immer,
Wie gij ook zijn moogt, heil! Ach, ik bid u, verlicht onzen arbeid.
Wil ons melden waar 't lot ons dreef, naar welk deel van de wereld,
Onder de zon, want wij dwalen hier rond, door den stormwind gedreven,
Zonder iets van het land of van hen die 't bewonen te kennen.
Menig offer zal mijn hand voor uw outer doen vallen."

Toen sprak Venus: "Die eer is te groot en ik ben haar niet waardig.
't Is zoo zede, bij Tyrische maagden, den koker met pijlen
Om te doen en met purperen rijlaars de kuit te ombinden.
Punisch is 't rijk dat gij ziet en het volk uit de stad van Agenor.
Maar, het is Lybisch land en een ras onbedwingbaar in d'oorlog.
Dido voert hier scepter en kroon, zij die wegvlood uit Tyrus,
Voor haar eigen broer. Maar het ware te veel u diens heele
Misdaad te ontvouwen, dus deel ik alleen het belangrijkste mede:

Met Sychaeus was zij getrouwd, hem, den rijksten in land van
Heel het Phoenicische volk en dien zij mateloos lief had,
Die haar, maagd, van haar vader ontving, toen de teeknen der Goden
Dit hem hadden vergund. En haar broer, die Pygmalion heette,
Heerschte als koning van Tyrus en was een reus in de misdaad.
Tusschen die beiden ontkiemde de haat en hij heeft, trots de Goden,
Door zijn geldzucht verblind, met zijn zwaard, vr de huislijke altaren,
In het geniep en onverwachts, Sychaeus verslagen,
Onverschillig om haar, heeft het lang voor de zieke verborgen,
En haar hartstocht met leugens gepaaid en met hope bedrogen.
Maar een nacht toen zij sliep, verscheen haar het spook van haar gade,
(Zelfs niet ter aarde besteld): het verhief op zeldzame wijze
't Lijkbleek gelaat en ontblootte 't geheim dier wreede altaren,
En zijn met staal doorstoken borst en ontdekte geheel het
Zwijgend mysterie van 't huis. Toen ried hij haar ijlings te vluchten
Weg uit haar land en hief uit den grond de reeds tijden verborgen
Maatlooze schatten van zilver en goud, tot behulp op de reize.
Dido was hevig ontsteld en bereidde de vlucht voor n wierf zich
Vrienden. Zij kwamen te zaam, die de haat voor den dwingeland kwelde
Of de knagende vreeze bewoog. Op schepen, toevallig
Zeilklaar, legt men de hand, men belaadt ze met goud en de golven
Dragen Pygmalions hebzucht en schat: een vrouw is de leidster.
Z dus, zijn zij geland, waar gij nu de ontzaglijke muren
En den verrijzenden burcht van het nieuwe Karthago zult schouwen.
Maar gij, wie zijt gij? Van wat voor kusten gekomen,
Of waarheen is de reis?" En, zuchtend, gaf hij ten antwoord,
Toen zij hiernaar vroeg, met een stem uit het diepst van zijn boezem:

"Godlijke, zoo ik bij 't eerste begin wil beginnen en voortga
En gij tijd hebt te hooren naar heel de kroniek onzer rampen,
Dan legt Vesper, voor 'k eindigen kan, den dag weer te rusten
In den gesloten Olymp. Van het oeroud Troje gevaren,
Zoo gij bij toeval dien naam hier al kent, dreef de storm, naar zijn luimen,
Ons naar een andere zee en wierp ons op Libyes kusten;
Maar de godvruchtige Aeneas ben ik, die, uit vuur en uit vijand,
Mijne Penaten in't scheepsruim voer, vermaard tot de sterren.
'k Zoek Italie, mijn land, mijn geslacht dat uit Juppiter voortsproot.
Stak met twintig schepen van wal, van den Phrygischen oever,
Ging lijk mijn Godlijke moeder mij wees, op den roep van het Noodlot,
Zeven zijn nauwelijks over, door zee en door stormen geteisterd.
Nu dool ik zelf door dit wildvreemde land, door het eenzaamste Libye,
Ik dien Euroop en dien Azie verstiet." Maar Venus gedoogde
Toen geen verdere klacht en aldus onderbrak zij zijn smarten:

"Wie gij ook zijt, niet den Goden gehaat, zoo moet ik gelooven,
Haalt gij adem, die thans onze Tyrische stad zult betreden.
Ga slechts voort en begeef u van hier naar den vorstlijken drempel.
Want, zoo mijn ouders mij niet in een ijdele kunst onderwezen,
Toen zij mij leerden de vlucht van de vogels te duiden, zoo weet dat,
Door voorspoedigen wind naar veilige stranden gedreven,
Heel uw leger is wedergekeerd, heel uw vloot is behouden.
Die twaalf zwanen, die dr, verblijd, hun orde bewaren
En die Juppiters vogel, van boven uit d' aether geschoten,
Pas nog langs d' openen hemel vervolgde; zij zoeken in lange
Rij reeds plek of zij zien naar de plek die zij hebben gekozen;
Zoo als zij, die daar eerst, wijdkrings, al zingende vlogen
Thans reeds, dicht bij het land, met de snerpende vleugelen spelen,
Zoo ook, houden uw schepen, met al uw makkers, alreede
Haven of koersen naar kust, met den ruimeren wind in de zeilen.
Ga slechts verder en volg slechts den weg, door het voetpad gewezen."

Sprak en wendde zich om en haar nek ontgloeide als de rozen;
En haar hemelsche haren verspreidden de godlijkste geuren;
't Kleed daalde op haar voeten ter neer en zij bleek zonder twijfel
Reeds door haar gang een Godin. Maar hij, zoodra hij zijn moeder
Had herkend, vervolgde haar vlucht, met verwijtende woorden:
"Hoe misleidt gij, zelfs gij onbarmhartig, zoo dikwijls uw eigen
Zoon door een beeld vol bedrog? Gunt hem nimmer de druk van uw handen
Of om zonder leugen te spreken, als moeder en kind doen."

Zoo dus klonk zijn verwijt en zijn schreden wendde hij stadwaarts.
Maar vrouw Venus omtuinde de gaanden met duistere luchten;
Met veel nevel bekleedde zij hen, dat niemand ze zien kon,
Of hen aan kon raken of oponthoud schaffen of vorschen
Naar het doel van hun komst. En vlood toen zelve, verheerlijkt,
Door de lucht naar Paphos heen en zag blijde haar woonplaats,
Waar haar tempel is, weer, daar waar, op de honderd altaren,
Brandt de Sabaische wierook en geuren de versche guirlanden.

Zij terwijl gingen haastig den weg, dien het voetpad hun aanwees
En beklommen alreede den heuvel, die, 't hoogste van d' omtrek,
Nederziet op de stad en de over hem liggende burchten.
En Aeneas bewonderde daar, waar vroeger slechts hutten
Waren, d' ontzaglijken bouw en de poorten, 't gewoel en de straten.
IJverig was er het volk in de weer; een deel om de muren
Op te trekken, aan 't bouwen van 't slot en aan 't wentlen der steenen;
Sommigen kozen een plek voor hun huis en ploegden de vore;
Rechters en vroedschappen wezen zij aan, de geheiligde vadren;
Anderen groeven de havens of legden de breede fundeering
Voor den schouwburg der stad en d' ontzagwekkende pijlers
Hieuwen zij elders weer weg uit de rots, straks het rijzige sieraad
Van het toekomstig tooneel. Zooals ook de bijen aan d' arbeid
Zijn in 't begin van den zomer, bij middagzon, tusschen de bloemen,
Als zij de jongren van 't volk naar buiten voeren en als de
Vloeibare honing te zaam wordt gepropt en de cel van den zoeten
Nectar doet zwellen, terwijl zij die komen van vrachten ontlasten
Of 't lui vee van de hommels geordend hun stallen versperren;
't Werk gonst alom en hoe geurt naar den thijm de welriekende honing.
"Ach de gelukkigen die hun stad reeds thans zien verrijzen!"
Zoo Aeneas en keek naar de hoogste gebouwen der stad op.
Toen, door den nevel omhuld (hoe wonderlijk om te verhalen!)
Mengde hij zich in 't gewoel van de mannen en niemand bemerkt hem.

In het midden der stad was een woud, vol verkwikkende schaduw,
Waar de Puniers eens, van het stampen der zee en de stormen
Moede, den kop van een paard uit den bodem hadden gegraven,
(Juno's beschik), 't eerste teeken der stad, dat een toekomst beduidde
Machtig in d' oorlog, door d' eeuwen heen en vol bloeiende welvaart.
En alhier dus wrocht thans Dido voor Juno een tempel,
Mateloos groot en door schenkingen rijk en door gunst van de Godheid.
Want de trap was van brons, zoo de drempel en bronzen kolommen
Torschten de balken van 't dak en brons was de poort door scharnieren
Knarsens gedragen. En daar, in dat woud, heeft voor 't eerst, bij Aeneas,
't Zien van iets nieuws zijn vreeze gelenigd, weer durfde hij hopen
En, in zijn toestand vol zorg, wies weder een beter vertrouwen.
Want terwijl, in d' onmeetlijken tempel, hij wachtte, op 't komen
Der vorstin en alles bezag en den voorspoed der veste
En der kunstenaars kunst en den omvang van 't werk heeft bewonderd,
Vond hij daar den Ilischen strijd naar orde verbeeld, den
Oorlog reeds door de faam aan heel dees wereld verkondigd:
Priamus en de Atriden en, beiden verderflijk, Achilles.
Schreiend bleef hij staan: "Achates, waar vind ik nog landen,
Waar nog oorden die ng niet vervuld zijn van onze ellende?
Zie daar is Priamus! Hier, ook hier, is een prijs voor de glorie
En het gebeuren het schreit en het menschelijke klopt aan de zielen.
Ban uw vrees: die bekendheid, hoe ook, is een deel onzer redding."
Sprak het en zijn gemoed ging te gast op die ledige beelden,
Met zoo menige zucht, en de tranen bedauwden zijn kaken.

Want hij zag er verbeeld, hoe, rondom Pergamum strijdend,
Hier de Danars ontvluchtten en Ilions jeugd ze achtervolgde,
Dr weer het Phrygische heir: de helmboschwuivende Achilles
Joeg, op zijn wagen, ze na! Daarnaast herkent hij de witte
Tenten, verraden door d' eersten slaap, het leger van Rhesus,
Dat Diomedes verheert. Hij droop van d' ontzaglijke slachting,
Rood van bloed en de vurige rossen geleidt hij der vloot toe,
Eer zij Troje's weiden begraasden, de Xanthus hen laafde.
Elders Trolus weer, op de vlucht en de waapnen verloren,
Die rampzalige knaap, die zwak was en streed met Achilles;
Door zijn paarden wordt hij gesleept, aan den ledigen wagen
Hangend, de teugels nog vast, achterover, zijn nek en zijn haren
Sleuren over den grond en zijn lans schrijft een streep door het stof heen.
En, dien zelfden tijd, gingen Troje's vrouwen ten tempel
Der vijandige Pallas, zij sloegen de borst met de handen,
Los van haren, als smeeklingen droef en ... zij brachten den mantel:
Zij, de Godin in haar onwil, hield d'oogen gericht op den bodem.
Driemaal had Achilles het lijk van Hector gesleurd rond
Troje's wallen en thans, voor goud thans verkoopt hij den doode.
En Aeneas zuchtte zoo diep, toen hij 't harnas, den strijdkar,
't Lichaam zelf van zijn vriend aanschouwde en Priamus, die zijn
Krachtelooze armen verhief. Zichzelf ook herkent hij bij de eersten,
Onder de voorsten der Grieken gemengd, vooraan bij het strijden;
En het leger van d' Oost en Memnon den donkeren krijger;
En de rijen der Amazonen, met maansikkelschilden,
Voert Penthesileia aan, die, in brandenden strijdlust,
Onder die duizenden krijgers, een goudbandelier heeft geslagen
Onder de prallende borst en maagd met mannen durft kampen.

En terwijl dit alles Aeneas verwonderlijk toescheen,
Hij verbaasd bleef staan en zijn oogen niet af kon wenden,
Trad de koningin, trad Dido, omstuwd van een stoet van
Edlen den tempel in, in heerlijk stralende schoonheid:
Lijk Diana op 't strand van d' Eurotas, de heuvels van Cynthus,
Aan de reien vooraangaat, terwijl haar duizenden nymphen
Volgden, alomme in groepen vergaard; maar zij draagt den koker
Over den schouder en rijziger is zij, bij 't gaan, dan die allen;
In Latona's zwijgende borst bonst het harte van vreugde.
Zoo was Dido, zoo ging zij, blijmoedig, door 't midden dier scharen,
Werkende aan d' arbeid van thans en aan 't machtige rijk dat zou komen.
Nam toen plaats, van krijgsvolk omringd, op verhevenen zetel,
Onder het tempelgewelf, waar het beeld der Godin was, en gaf daar
Recht en wet aan de mannen en deelde aan allen den arbeid
Uit, op rechtvaardige wijs of liet aan het lot de beslissing;
Als Aeneas ineens, in een talrijken oploop van menschen,
Antheus en Sergestus zag en den sterken Cloanthus
En nog meer van zijn vloot, die op zee, door het donkere noodweer
Verre waren verstrooid en naar andere kusten gedreven.
Beiden stonden, Achates en hij, verstomd en verbijsterd,
Zoo door blijdschap als vrees en hunkerde hen te begroeten,
Maar het onzekere van het geval gaf zorg en hield tegen.
Zij dus bedwongen hun hart en bespiedden, omstulpt door den nevel,
Heimelijk, wat aan de krijgers weervoer, waar de vloot was gebleven,
Wat hen dreef. Want elk van de schepen had enklen gekozen.
Dezen nu baden gehoor en trokken, omjoeld, naar den tempel.

Toen verlof was verleend en het vrijstond voor allen te spreken,
Is de oudste, is Ilioneus, kalm en rustig, begonnen:
"Koningin, wie de opperste God gaf een veste te bouwen
En een volk vol trots met teugels van 't recht te betoomen,
Wij, rampzalige Teucrers, die 't weer langs iedere zee joeg,
Bidden u: Wend het misdadige vuur van de schepen, heb deernis
Met zoo vroom een geslacht en bezie onzen toestand van nader.
Waarlijk, wij kwamen niet hier om gewapend de Libysche steden
Af te loopen en roof en buit naar den oever te sleepen;
Zooveel kracht heeft de geest noch zooveel driestheid de neerlaag.
Maar er is een gebied, door de Grieken Hesperie geheeten,
Oud in roem en in wapenen machtig en vruchtbaar van gronden,
Dat de Oenotriers hebben bebouwd; nu zegt men dat jongren,
Naar den naam van den vorst, dat land Italie noemden.
Dat het doel van de reis.
Toen de buiige Orion ineens, uit de vloeden verrijzend,
Ons op de zandplaten joeg en, door de verwatene winden,
Over de golven, bestoven door schuim, langs de dreigende rotsen,
Zoo verstrooide dat slechts wij enklen uw oever bezeilden.
Maar, hoe noem ik dit volk? Welk land duldt zulke barbaarsche
Zeden? Zij willen het recht op het strand aan de onzen onthouden
En gewapender hand wil 't gepeupel de landing beletten.
Doch vreest gij noch het menschlijk geslacht noch menschlijke waapnen,
Weest overtuigd dat de Goden vergelden, wat goed en wat slecht is.
In Aeneas beroemen wij ons een vorst te bezitten
Vroom en rechtvaardig en een van de eersten als krijger en veldheer.
Zoo slechts hij door den dood is gespaard en den hemelschen aether
Nog mag drinken en niet in de grimmige schaduw ter neer ligt,
Dan ook koestert gij nimmer berouw dat gij ons, gj het eerste,
Hulp en steun hebt verleend. Want ook in Sicilie's beemden
Bloeit een machtige Teucrische stad en Acestes regeert daar
Roemrijk, Dardaner als wij. Laat dus de ontredderde schepen
Landen, de kielen en 't want te herstellen en riemen te kappen;
En wanneer wij dan n vorst n gezellen hervinden
Zeilen wij hoopvol naar Latium heen. Maar vlood onze toevlucht,
Geeft de zee u niet weer, o bestevaer van de Trojanen,
Stierf ook de hoop op Ilus, vergun ons dan naar de engten
Der Sicanische zeen en 't land van ons komen te wijken,
Waar de goede Acestes ons wacht." Z Ilioneus en
Al de Teucrers bromden in koor als een teeken van bijval.

Toen sprak Dido, in 't kort, met nedergebogenen hoofde:
"Bant die vrees uit uw hart, o Trojanen, verdrijft uwe zorgen.
Nood die ons dwong en de nieuwheid van 't rijk, die voorzorg te nemen,
Wijd en zijd onze kust door wachten te laten bewaken.
Maar wie kent niet Aeneas' geslacht, wie de stad niet van Troje,
Noch haar helden, haar moed en den brand van dien machtigen oorlog?
't Brein der Puniers is niet zoo grof en Phoebus beteugelt
Niet zoo ver van de stad der Karthagers het span zijner paarden.
Maar, het zij gij nu naar Hesperie henen wilt varen,
Naar het Saturnische land, f den Eryx en 't rijk van Acestes,
Immer zal ik voor een veilige tocht het benoodigde geven.
Maar indien gij hier met de mijnen te zamen wilt wonen,
Landt dan uw schepen en rekent de stad die ik bouw voor de Uwe.
Teucrer of Tyrier mij zijn zij een; ik zal niet onderscheiden.
Maar, ach, ware uw vorst, door den wind die U dreef gedreven,
Ware Aeneas maar hier. Thans zal ik betrouwbare mannen
Zenden, tot Libyes uiterste grenzen de kust te doorzoeken,
Of hij niet rondzwerft, in stad of in woud, aan de schipbreuk ontkomen."

Door die woorden bemoedigd begeerden toen vader Aeneas
En de dappere Achates allang om de wolk te verbreken.
En Achates ving aan en vermaande den grooten Aeneas:
"Zoon der Godin, wat is nu het besluit, dat in 't hart is verrezen?
Alles ziet gij in vree; uw vloot, uw gezellen behouden;
En ontbreekt, dien zagen wij zelf door de vloeden verzwolgen,
Al het andere heeft aan het woord van uw moeder beantwoord."
Nauwelijks had hij 't gezegd, toen eensklaps de wolk die ze omhulde
Openging en verhelderd werd tot doorzichtigen aether.
En Aeneas bleef staan en de held blonk klaar in het daglicht,
Aanzicht en schouders een Godheid gelijk; want zijn moeder had zelve
Schoonheid verleend aan zijn haar, gaf hem dien schittrenden lichtglans
Die het eigen der jeugd is, die blijde betoovring van de oogen:
Lijk de handen 't ivoor zijn bekoring verleenen en t'gele
Goud door Parischen steen of het blinkende zilver omsluiten.

En hij sprak voor een elk onverwacht en richtte tot Dido
Bij het spreken het woord: "Hier ben ik dan zelf, de gezochte:
Ik, de Dardaner Aeneas, ontrukt aan de Libysche golven.
Gij, o gij, die alleen het onheil van Troje beklaagd hebt,
En die ons, wat rest aan Dardanen, ter zee en te lande
Door zoo tallooze rampen ontdaan en aan alles behoeftig,
Opneemt in stad en in huis, het is meer dan waarvoor wij, o Dido,
Ooit den verschuldigden dank kunnen brengen, noch iemand van allen
Die, van het Teucrische volk, over d' omkring der aarde verspreid zijn.
Mogen de Goden u dan, zoo er zijn die vroomheid waardeeren,
Zoo slechts iets de rechtvaardigheid is en te weten wat goed is,
Loonen door 't passende loon. Wat eeuw zoo blij die U voortbracht?
En hoe voortreflijk zijn d' ouders geweest, uit wie gij zijt geboren!
Z lang vloeden stroomen in zee en de schaduw de helling
Van den berg zal doorloopen, de pool ons de sterren doet branden,
Zullen uw eer en uw naam en uw lof tot in eeuwigheid blijven,
Waar ik geroepen moog zijn." Zoo sprak hij. Mt gaf hij zijn rechter
Ilioneus zijn vriend, zijn linker gaf hij Sergestus,
Voorts ook aan d' andren, den dapperen Gyas, den kloeken Cloanthus.

En in den aanvang verraste zijn aanblik de Tyrische Dido,
Toen ook 't onwaardige lot van z 'n man en 't was dit wat zij zeide:
"Wat toch, zoon der Godin, vervolgt u met zveel gevaren,
Wat is de kracht toch die U, op dit vreesverwekkende strand dreef?
Gij zijt dus die Aeneas, dien aan den Dardaanschen Anchises
Venus, de lieflijke, eens heeft gebaard, aan den zoom der Simois?
O, ik herinner mij nog, hoe Teucer, naar Sidon gekomen,
Uit het land van zijn vadren verdreven, aan Belus om hulp vroeg,
Weder belust op een kroon. Mijn vader Belus verheerde
Toen het vruchtbare Cyprus, waar hij als veroveraar heerschte.
Reeds van dien tijd af, hoorde ik van Troje's historie,
Ken ik uw roemrijken naam en de Koningen van de Pelasgen.
Hij, schoon een vijand, hij prees de Trojanen op zeldzame wijze
En vertelde ons graag dat hij zelf uit dien stam was gesproten.
Aarzelt dus heusch niet om hier uw intrek te nemen, gij helden.
Want mij zelve ook slingerde 't lot, zooals u, tot ten leste
't Heeft gewild, na veel kwaals, dat ik hier mijn ruste zou vinden.
'k Heb den rampspoed gekend en zoo leerde ik rampspoedigen helpen."

Zoo haalt zij op uit vervlogenen tijd en zij voerde Aeneas,
Met zich, in 't koninklijk slot en gelastte den Goden een offer;
En zij zond bovendien een twintig prachtige stieren
Voor zijn makkers naar 't strand, honderd ruggen van borstlige zwijnen
En een honderd wollige lamren, te zaam met de voedsters,
Tot de vreugd van dien dag. En aanstonds liet zij de zalen
Van haar prachtig paleis met vorstlijke weelde versieren,
En men dekte in de binnenste hal den disch voor het gastmaal;
Kleeden, sierlijk bewerkt en van kostelijk purper geweven,
Zag men en zilver, onmetelijk rijk, met de daden der vadren
Kunstig gedreven in goud, een oneindige reeks van gebeuren,
Voortgezet van den aanvang af langs zvele helden.

Maar Aeneas zond Achates in haast naar de schepen
(Hem liet zijn liefde als vader geen rust) om Ilus te halen
En hem onverwijld hetgeen er gebeurd was te melden.
Bovendien gaf hij last om hem de geschenken te brengen,
Troje's bouwval ontrukt: den mantel vol gouden borduursel
En den safraangelen sluier omzoomd met beereklauwblaren,
Helena's statiekleed, dat de Argivische, toen zij uit Sparta
Naar den misdadigen echt en 't verhevene Pergamum heen trok,
Mee had genomen, een kostbaar geschenk van Leda haar moeder,
Wonderlijk sierlijk, en voorts den scepter dien eens Ilione
D'oudste van Priamus' dochters gevoerd had, een halssnoer van paarlen
En een dubbele wrong van goud en edelgesteenten.
Dus Achates toog naar de schepen dit snel te volbrengen.

Maar Cythera's godin overwoog weer listen en ranken:
Om Cupido in de gedaante en plaats van Ilus
Naar de stad te doen gaan, opdat hij, door de geschenken
Dido ontstak tot een razende min, die haar brandde in 't gebeente.
Want zij vreesde 't tweeduidige huis, het tweetongige Tyrus;
Juno's felheid liet haar geen rust en de nacht riep den kommer.
Toen dus sprak zij, als volgt, tot den vleugeldragenden Amor:
"Zoon, die al mijn kracht en al mijn vermogen moogt heeten,
Die de Typhoische wapenen van den oppersten Vader
Minacht, thans vlucht ik tot u, om uw Godheid om bijstand te smeeken!
't Is u bekend, hoe uw broeder Aeneas, langs alle de stranden,
Rond is geslingerd op zee, door den haat der bittere Juno;
En al vaak ook hebt gij, met mij, mijn bekomring geleden.
Nu houdt hem de Phoenicische Dido met vleiende woorden
Vast en ik sidder waartoe die gastvrijheid van Juno mag omslaan.
Nooit bleef zij, bij een wending van 't lot, zooals nu, in gebreke.
Dus ontwerp ik een plan, om Dido, vooraf, door mijn listen,
Z te omstrikken en zoo door mijn vlammen te omgeven dat zij door
Geen der Goden verleid weer tot andre gedachten kan komen,
Maar als ik, aan Aeneas verknocht zij door eeuwige liefde.
Hoor nu hoe ik meen dat gij mij dit kunt bewerken.
De doorluchtige knaap, die mijn grootste bekommering zijn moet,
Staat, op wensch van zijn vader, gereed naar Karthago te trekken,
Met de geschenken, die 't nat en het brandende Ilion spaarden.
Hem nu wil ik, diep in slaap, op het hooge Cythera
Of Idalie's berg, op een oord mij geheiligd, verbergen,
Dat hij niets van den toeleg bemerkt en hem niet kan verstoren.
Neem nu, lief, slechts n enkelen nacht, arglistig het wezen
Aan, van die knaap is als gij, opdat gij, heimlijk, als Dido
U op den schoot trekt, van blijdschap vervuld, bij den nachtlijken maaltijd
En het nat van Lyaes, wanneer zij u zoet zal omhelzen
En u aanminnige kusjes zal geven, in haar den verborgen
Brand moogt aanblazen en uw vergif stil in d'aderen storten."

Amor, zijn dierbare moeder gehoorzaam, deed dadelijk blijde
Bei zijn vleugelen af en nam den gang van Ilus.
Maar op Ascanius goot Vrouw Venus een vreedzamen sluimer
En zij nam hem koesterende op, in den schoot, en zij droeg hem
Weg naar het statige woud van Idalie, waar hem de teere
Mariolein welriekend omrankt met bloemen en schaduw.
En Cupido ging, vol trots om Achates' geleide,
En bracht trouw aan 't bevel aan de Tyrirs vorstlijke gaven.
Toen hij er kwam, had Dido zich reeds, onder gulden drapeersels,
Op een gouden rustbank gevlijd, op de middelste ligplaats.
Reeds was vader Aeneas gekomen, bevond er zich Troje's
Jongelingschap en lagen zij aan op de purpren tapijten.
Knechten gingen er rond om met water de handen te wasschen;
Deden, voorzien van wollen servetten, het brood uit de korven.
Vijftig meisjes van 't huis waren bezig met opdracht de tafel
Keurig te schikken en 't vuur der Penaten getrouw te onderhouden.
Honderd anderen en, even oud, een honderd lakeien
Zetten de schotels in rij en plaatsten de bekers op tafel.
Vele Tyriers ook overschreden, als gasten, den drempel,
Blij van geest en lagen er aan op de sierlijke banken.
En bewonderden ieder geschenk en bewonderden Julus,
't Glanzend gelaat van den God en zijn listig veinzende woorden.
Maar de rampzaalge Phoenicische die aan de komende plagen
Toe was gewijd, kon maar niet haar geest verzadigen, ziende
Brandde ze en werd door den knaap en de gaven gelijklijk bewogen.
Gene, nadat hij het eerst aan Aeneas' hals had gehangen
En de begeerte naar liefde verzaad van zijn schijnbaren vader,
Wendde zich naar de vorstin. En Dido, met d'oogen, heel 't harte,
Hing hem aan en liefkoosde hem, telkens weer, op haar knien,
Zonder argwaan, hoe machtig een God, zij arme, op den schoot hield.
Hij, zijn Idalische moeder gedachtig, verwischte, al lijze,
't Beeld van Sychaes en zocht, maar nu door een levende liefde,
Haar reeds rustig hart en 't ontwende gemoed te ontroeren.

Maar, toen de spijs weer weg was gezet en de maaltijd verpoosde,
Sleepten zij machtige mengvaten aan en omkransten de wijnen;
Toen weerklonk heel het huis en liep het gegons van de stemmen
Door de ampele hal; van 't verguld van de balken der zoldring
Hingen de luchters in gloed en verdreven den nacht met hun vlammen.
Op dit oogenblik nu, ontbood de gebiedster den drinkschaal,
Zwaar van steenen en goud, dien Belus en heel zijne afkomst
Hadden gebruikt en zij vult hem met wijn; al de anderen zwijgen:
"Juppiter, gij die, naar 't zeggen, de wetten van 't gastrecht bestemd hebt,
Schenk ons dit: moog de huidige dag voor Trojaan en Karthagers
Blij zijn en moge ons kroost hem steeds met blijdschap herdenken.
Kom, o schenker van vreugde, Lyaes, en kom, goede Juno!
Gij ook, Tyriers, viert dit feest met jonst in het harte!"
Dit dus sprak zij en plengde op den disch ter eere van Bacchus.
Daar na nipte zij wat aan den rand van den beker en reikte
Dezen Bitias toe, hem tevens bemoedigend. Hij dus
Ledigde wakker den schuimenden schaal en spoelde zich door met
D'inhoud van 't goud; toen de andre kapteins. En toen deed Ipas,
Die met het weelderig haar, een leerling van Atlas, den wijze,
Heel de zaal van den klank van zijn gouden Cyther weerklinken.
Hij nu zong het dwalen der maan en de werken der zonne,
D'oorsprong van mensch en van dier en dien van het vuur en den regen,
Zong de poolster, de natte Hyaden en beide de Wagens;
Hoe de zon, als het wintert, zoo'n haast heeft in 't zeenat te duiken,
Wat dan de tragere nachten weerhoudt en langer doet marren.
Krachtig klonk het Tyrisch applaus, weer gevolgd door de Teucrers.
Maar ook Dido rekte den nacht met vele gesprekken
En de rampzalige dronk met gretige teugen haar liefde,
Veel den held naar Priamus vragend en veel over Hector,
Wat voor waapnen de zoon van Aurora wel droeg bij zijn komen,
Dan hoe groot Achilles wel was, hoe het span des Tydiden:
"Maar komaan en vertel ons, mijn gast, van het eerste begin af,
Heel het bedrog der Danars en heel het onheil der uwen
En vervolgens uw tocht. Want het is al de zevende jaarkring,
Die u doet dwalen door ieder gewest en langs tallooze stranden."