De nu volgende vertaling van Tacitus is ontleend aan:

KLASSIEKE BIBLIOTHEEK
LATIJNSE GESCHIEDSCHRIJVERS
BLOEMLEZING UIT DE WERKEN VAN SALLUSTIUS, CAESAR, LIVIUS EN TACITUS IN NIEUWE VERTALING, SAMENGESTELD EN INGELEID DOOR
Dr JAN VAN GELDER

HAARLEM 1952
N.V. DRUKKERIJ DE SPAARNESTAD


Tacitus Annales III

III,1 Zonder haar reis over de winterse zee ook maar ergens te hebben onderbroken, landde Agrippina op het eiland Corcyra, gelegen tegenover de kust van Calabrië. Daar gebruikte zij een paar dagen om tot zichzelf te komen, heftig in haar rouwgeklag en niet in staat haar leed te verdragen. Naar de stad Brundisium, die van Corcyra het snelst te bereiken is en de beste haven heeft, vond inmiddels, zodra men van haar komst gehoord had, een enorme toeloop plaats: haar naaste vrienden en zeer veel militairen, voor zover zij onder Germanicus hadden gediend; in groten getale ook onbekenden uit de naburige steden, deels uit beleefdheid tegenover den princeps, de meesten omdat zij die anderen achterna liepen. En zodra de vloot aan den horizon werd gezien, vulden zich niet alleen de haven en de kuststrook, maar ook de muren en de daken en elke plaats, die een ver uitzicht bood, met massa's en massa's treurende mensen, die zich onderling afvroegen of zij haar bij het aan land gaan in stilte dan wel met enigen toeroep moesten ontvangen. Nog had men niet goed uitgemaakt wat de situatie eiste, toen de vloot langzamerhand naderde, niet met opgewekten riemslag, den traditionelen stijl, maar in een sfeer van droefheid. Toen zij echter met twee van haar kinderen, de urn in heur handen houdend, op den wal stond en haar ogen neersloeg, braken allen in tranen uit; er was geen verschil meer tussen nabestaanden en vreemden; mannen sloegen zich op de borst zo goed als vrouwen - alleen het gevolg van Agrippina, uitgeput door langdurig vertoon van smart, bleef achter bij hen die nu pas tegenover het leed stonden.

2 Twee praetoriaanse cohorten had de keizer gezonden en bovendien order gegeven, dat de magistraten van Calabrië, Apulië en Campanië de laatste eer aan zijn zoon moesten bewijzen. Zo werd de as op de schouders van hogere en lagere officieren gedragen; voorop gingen veldtekens zonder versiering, naar den grond gerichte bijlbundels; en als men de steden passeerde stond daar het volk in rouwkleding, de ridders in statiegewaad, en zij verbrandden, al naar gelang van de middelen ter plaatse, tapijten, reukwerken en andere bij een begrafenis gebruikelijke dingen. Zelfs degenen wier woonplaatsen ver van den weg af lagen kwamen er toch naar toe en terwijl zij altaren opstelden voor de vergoddelijkte schim van den overledene, betuigden ze door hem onder tranen een laatste, smartelijk vaarwel na te roepen hun verdriet. Drusus is tot Tarracina vooruitgegaan met zijn broer Claudius en de kinderen van Germanicus die deze in Rome had gelaten. Daar stonden de consuls langs den weg (Marcus Valerius en Marcus Aurelius, die hun ambt al hadden aanvaard) met den senaat en een grote massa volk, ongeorganiseerd en oprechte tranen stortend; vleierij immers kwam er niet bij te pas, daar ieder wel wist dat Tiberius nauwelijks kon verhelen hoezeer de dood van Germanicus met zijn wensen strookte.

3 Tiberius en Augusta vertoonden zich niet in het openbaar: zij achtten het beneden hun waardigheid in het publiek te weeklagen; misschein ook vreesden zij in hun onoprechtheid doorzien te worden, als aller ogen zich spiedend op hun gelaat richtten. Bij geen historieschrijver, noch in de "Dagelijkse Berichten" lees ik, dat Germanicus' moeder Antonia enige officiële rol heeft vervuld, terwijl toch wel Agrippina, Drusus, Claudius en de overige bloedverwanten met name zijn genoemd; wellicht werd zij door ziekte verhinderd of verdroeg zij het niet, door smart gebroken, haar ellende in vollen omvang voor ogen te zien. Persoonlijk ben ik geneigd te geloven dat zij door Tiberius en Augusta, die het paleis niet uitkwamen, binnen is gehouden om den schijn te wekken, dat hun droefheid de hare evenaarde en dat in navolging van de moeder ook de grootmoeder en de oom zich terugtrokken.

4 De dag waarop de stoffelijke resten in het graf van Augustus werden bijgezet, was soms een woestijn van stilte, dan weer herrieachtig door rouwmisbaar; volle straten; een zee van fakkellicht op het Marsveld. Daar stonden soldaten gewapend aangetreden, de magistraten zonder hun onderscheidingstekenen, het volk tribusgewijs: zij klaagden luid, dat het gedaan was met den staat, dat er geen hoop meer restte, zo spontaan en openlijk, dat het wel leek of zij hun regeerders vergeten waren. Niets echter maakte op Tiberius meer indruk dan de sympathie van de menigte voor Agrippina, daar men haar "sieraad des vaderlands", "enig bloed van Augustus", "uniek voorbeeld der oudheid" noemde en, tot den hemel en de goden gewend, smeekte dat haar kinderen gespaard mochten blijven en hun vijanden overleven.

(...)

7 Toen is de schorsing der staatszaken opgeheven; men ging weer aan het werk en Drusus vertrok naar de Illyrische legers, terwijl allen er op gespitst waren wraak op Piso te nemen en men veelvuldig de klacht hoorde, dat hij inmiddels, wat omzwervend langs de liefelijke kusten van Klein-Azië en Griekenland, door zijn eigenmachtig en listig talmen de bewijzen van zijn misdaden trachtte te vernietigen. Zo wist men te vertellen dat de beruchte gifmengster Martina, die, zoals ik reeds schreef, door Gnaeus Sentius (naar Rome) was gezonden, in Brundisium een plotselingen dood gevonden had: in een wrong van heur haren was gif verborgen en op haar lichaam werd niets waargenomen, dat op zelfmoord wees.

8 Maar Piso zond zijn zoon naar Rome vooruit met opdrachten, die den princeps gunstig moesten stemmen, en zelf ging hij naar Drusus: deze zou, naar hij hoopte, wel niet zozeer vertoornd op hem zijn om den dood van zijn broer, als wel juist vriendelijk om het uit den weg ruimen van zijn mededinger.
Ten einde zijn onpartijdigheid te tonen ontving Tiberius den jongeman vriendelijk en behandelde hem met zijn gewone royaliteit jegens zoons uit adellijke huizen.
Drusus zeide aan Piso, dat als de geruchten die er gingen wáár bleken, híj vooraan zou staan in de algemene verontwaardiging, maar hij wilde liever, dat ze op niets berustten en dat de dood van Germanicus niemand noodlottig werd. Dit alles in gezelschap met vermijding van enig gesprek onder vier ogen; men twijfelde er dan ook niet aan, dat zijn gedrag door Tiberius was geïnspireerd, daar hij, die anders naief was en makkelijk hanteerbaar door zijn jeugd, toen de diplomatie van een oud man aan den dag legde.

9 Na de Adriatische Zee te zijn overgestoken verliet Piso zijn schepen in Ancona en reisde toen door Picene en later over de Via Flaminia mee met een legioen, dat uit Pannonië naar Rome werd gevoerd om vandaar als garnizoen naar Afrika te gaan; Piso's aanwezigheid is nog gereleveerd door de praatjes, hoe hij zich in den troep en op mars herhaaldelijk aan de soldaten had vertoond. Van Narnia - om verdere verdenking te vermijden of omdat nerveuze mensen wispelturig zijn - voer hij de Nar en vervolgens den Tiber af en maakte de massa nog meer verbitterd, omdat hij zijn schip liet aanleggen bij het graf der Caesars, in het drukste uur van den dag op het drukste punt van den oever, en daar zelf met een grote schare beschermelingen voortwandelde, terwijl Plancina een stoet van vrouwen om zich heen had en beiden zeer opgewekt rondkeken. Ook irriteerde het, dat zijn huis op het forum feestelijk was versierd; en de gasten die men er zag en het grote diner en het ostentatieve karakter van dit alles zo midden in de stad.

10 Den volgenden dag daagde Fulcinius Trio Piso voor de consuls. Hiertegen verzetten zich Vitellius, Veranius en de anderen uit Germanicus' suite: "trio had hier geen rol te vervullen; ook zíj beschouwden zich niet als aanklagers, maar als rapporteurs en getuigen met een opdracht van Germanicus." Zo trok Fulcinius zijn dagvaarding in, maar wist wel te verkrijgen, dat hij Piso's vroegere handelingen als bezwarende omstandigheden naar voren mocht brengen. Men vroeg den princeps de instructie op zich te nemen. Ook de aangeklaagde had hiertegen geen bezwaar, daar hij de partijdigheid van volk en senaat vreesde: "Daarentegen nam Tiberius altijd een krachtige houding aan tegenover de publieke opinie en was hij gebonden door de medeplichtigheid van zijn moeder; bovendien: de enkeling onderscheidt makkelijker waarheid en vooroordeel, haat en verontwaardiging hebben meer invloed op een groep." De ontzaglijke moeilijkheid van deze instructie ontging Tiberius niet, noch hoe men over hemzelf sprak. Derhalve hoorde hij in besloten kring de dreigende woorden van de vervolging aan en de verzoeken der verdediging, om daarop de zaak in haar geheel naar den senaat te verwijzen.

11 Inmiddels keerde Drusus uit Illyrië terug; ofschoon de senaat hem een kleinen triomf waardig had gekeurd wegens de onderwerping van Marobod en zijn campagne in den vorigen zomer, kwam hij voorlopig zonder dit eerbetoon Rome binnen.
Daarna namen Manius Lepidus, Lucius Piso en Livinejus Regulus de verdediging van den beschuldigde op zich; Lucius Arruntius, Publius Vinicius, Asinius Gallus, Aeserninus Marcellus, Sextus Pompejus waren eerst door hem gevraagd, maar hadden zich met diverse verontschuldigingen geëxcuseerd. De hele stad leefde in spanning, hoe trouw Germanicus' vrienden zouden blijken, hoe groot het zelfvertrouwen van den aangeklaagde zou zijn; en of Tiberius zijn gevoelens genoegzaam zou bedwingen en onderdrukken: nooit was men zo fel op iets geweest of had men zich tegenover den princeps meer verholen kritiek of argwanend stilzwijgen veroorloofd.

12 Op den dag dat de senaat zijn eerste zitting hield leidde Tiberius het proces in met een redevoering van bestudeerde onpartijdigheid: Piso was stadhouder en vriend van zijn vader geweest en door hem (Tiberius), met instemming van den senaat, aan Germanicus toegevoegd om dien te helpen bij het organiseren van de situatie in het Oosten. Het kwam er nu op aan onbevooroordeeld uit te maken of hij daar den man door zijn halsstarrigheid en twistzoeken tot het uiterste geprikkeld had en zich verheugd had over zijn dood of dat er werkelijk een moord was gepleegd. "Want wanneer hij als onderbevelhebber de grenzen van zijn competentie overschreed, zijn commandant niet gehoorzaamde en zich over diens dood en mijn rouw verheugde, zal ik met hem breken en hem den toegang tot mijn huis ontzeggen, maar ik zal mij niet, uit persoonlijke vijandschap, op hem wreken met mijn macht als eerste burger. Wanneer er echter een misdaad aan het licht komt, die, waar het den dood van wien ook betreft, gestraft dient te worden - ja, dan, mijne heren, moet ge den kinderen van Germanicus en mij, zijn vader, de vertroosting geven waar wij recht op hebben. Tevens wilt gij dit wel overwegen, of Piso in de legers een stemming van oproer en afvalligheid bewerkt heeft, of door hem met het oog op zekere eerzuchtige plannen de sympathie der soldaten is gezocht en een poging gedaan om de provincie te heroveren, óf dat veeleer deze aantijgingen slechts berusten op de overdreven publicaties van zijn beschuldigers, over wier fanatiek optreden ik terecht ontstemd ben. Want wat voor zin had het Germanicus' lichaam te ontbloten en het gemeen er zijn blikken over te laten rondweiden en zelfs in den vreemde het bericht vrij te geven als zou hij vergiftigd zijn, wanneer dat nu juist nog onzeker is en onderzocht moet worden? Ik voor mij betreur mijn zoon en zal hem altijd betreuren; maar ik verhinder den aangeklaagde niet om alles naar voren te brengen waardoor hij zich van schuld kan ontlasten of eventuele onrechtvaardigheden van Germanicus aantonen. En u verzoek ik dringend geen uitgebrachte beschuldigingen als bewezen te accepteren omdat deze zaak verband houdt met mijn smart. Gij, mijne heren, die het verwante bloed of trouwe vriendschap tot Piso's advocaten maakte, helpt den man bij dit proces, met al uw welsprekendheid en actieve nauwgezetheid. Tot eenzelfde inspanning en standvastigheid spoor ik de beschuldigers aan. Slechts dit kunnen wij Germanicus boven de wet gunnen, dat het gerechtelijk onderzoek over zijn dood in de Curia gehouden wordt in plaats van op het forum, ten overstaan van den senaat en niet voor een gewone jury. Verder zal alles volkomen normaal toegaan. Laat niemand acht slaan op Drusus' tranen, op mijn leed, en ook niet op mogelijken laster aangaande mij."

13 Hierop werd bepaald, dat de vervolging twee dagen ter beschikking zou krijgen en de verdediging drie met een tussenperiode van zes dagen. Toen begon Fulcinius dingen van vroeger die niets ter zake deden op te halen: bij het besturen van Spanje zou hij slechts naar het vermeerderen van zijn eigen invloed en vermogen gestreefd hebben. Dit kon, als het bewezen werd, den aangeklaagde niet tot nadeel zijn, zo hij de recente beschuldiging wist te ontzenuwen, noch hem, in het tegengestelde geval, vrijspraak verzekeren wanneer zijn schuld bleek aan grotere wandaden. Na Fulcinius traden Servaeus, Veranius en Vitellius op, allen met dezelfde overtuiging en Vitellius ook met veel welsprekendheid: "Uit haat tegen Germanicus en uit zucht om een nieuwe situatie te scheppen had Piso den man uit den troep zo verraderlijk voor zich weten te winnen ten koste van de discipline en de rechtszekerheid der bondgenoten, dat het uitschot hem "vader der legioenen" noemde; onmeedogend was hij daarentegen geweest voor de goede elementen, in de eerste plaats voor den staf en de vrienden van Germanicus; tenslotte had hij dezen zelf met toverspreuken en vergift gedood; hierna de schandelijke dankoffers van hemzelf en Plancina en zijn gewapende aanslag op den staat: om hem voor den rechter te kunnen voeren had men hem eerst in een formeel gevecht moeten verslaan."

14 Op alle punten, met één uitzondering, was de verdediging zwak; want noch het nalopen van de soldaten, noch de protectie van de slechte elementen in de hele provincie, en ook niet de beledigingen aan het adres van den opperbevelhebber kon zij ontkennen. Alleen de beschuldiging van giftmoord scheen de man te hebben ontzenuwd; de aanklagers stonden hierin ook niet sterk met hun bewering, dat Piso op een diner bij Germanicus, toen hij boven zijn gastheer ging aanliggen, diens spijzen eigenhandig bewerkt had. Het leek immers ongerijmd, dat hij zo iets zou hebben gewaagd te midden van een andermans bedienden en terwijl zoveel mensen er met hun gezicht bij stonden - onder de ogen van Germanicus zelf! De aangeklaagde bood zijn slaven ter ondervraging aan en eiste het verhoor van degenen die aan tafel hadden bediend. Maar zijn rechters waren om verschillende redenen onverzoenlijk, de keizer om den strijd tegen de provincie, de senaat omdat men nooit goed geloofd had, dat Germanicus niet op misdadige wijze was omgekomen. Terzelfdertijd hoorde men de kreten van het volk voor het senaatsgebouw: "Zij zouden hun handen niet van hem afhouden, als hij door de senatoren werd vrijgesproken." Reeds waren er beelden van Piso naar de Gemonische Trappen gesleept en men wilde die al in stukken gooien, maar op bevel van den princeps zijn ze beschermd en weer op hun plaats gezet. Derhalve liet men Piso in een draagstoel plaats nemen en is hij door een opperofficier van de praetoriaanse cohorten naar huis geleid; men was het er niet over eens of deze hem moest beschermen of doden.

15 De verontwaardiging over Plancina was even groot, haar invloed echter groter en daarom wist men niet goed, wat de keizer tegen haar doen kon. Zelf had zij, zolang Piso nog een redelijke hoop mocht koesteren, nadrukkelijk verzekerd dat zij elk lot met hem zou delen en hem, als het moest, in den dood zou volgen; zodra zij echter op geheime voorspraak van Augusta gratie gekregen had, begon zij zich langzamerhand van haar man te distantiëren en haar eigen verdediging te voeren. Toen de aangeklaagde het fatale hiervan inzag, aarzelde hij om verder te gaan; op aandringen van zijn zoons vermande hij zich echter en ging weer naar den senaat. Terwijl hij daar de hernieuwde beschuldiging, de dreigende uitlatingen der senatoren, die hele onmeedogend vijandige stemming tot het bittere einde verdroeg, bracht niets hem meer van zijn stuk, dan dat hij Tiberius zonder medelijden zag, zonder toorn ook, ondoorgrondelijk, vastbesloten geen enkele aandoening te laten blijken. Na weer thuisgebracht te zijn, maakte hij een paar aantekeningen alsof hij zijn verdediging voor den volgenden dag voorbereidde, verzegelde ze en gaf ze aan een vrijgelatene. Toen baadde hij zich en dineerde als gewoonlijk. Vervolgens, laat in den nacht, nadat zijn vrouw het vertrek had verlaten, beval hij de deur te sluiten; en in de morgenschemering is hij met doorboorde keel gevonden; het zwaard lag naast hem op den grond.

(...)