DE TRAGEDIES VAN SOPHOCLES
(circa 496-406)

ANTIGONE

Ontleend aan:
Het Griekse treurspel
Aeschylus - Sophocles - Euripides
Een keuze uit vertalingen van hun werken,
verzorgd, ingeleid en van verbindenden tekst voorzien door
Dr G.F. Diercks
Haarlem 1952.
N.V. Drukkerij De Spaarnestad
(Klassieke Bibliotheek deel 3)



ANTIGONE

   De „Antigone" is op een na de oudste van de bewaard gebleven tragedies van Sophocles. Naar den inhoud sluit het stuk echter aan op de „Oedipus te Colonus". Daarom laten wij het hier als zevende en laatste in de rij volgen.       Eteocles en Polynices, Oedipus' zoons, zijn overeenkomstig den vloek en voorspelling van hun vader in den strijd om Thebe door elkaars hand gevallen. Het bewind is overgegaan op Creon, Oedipus' zwager, en deze heeft bevolen dat Eteocles, de verdediger van zijn vaderstad, eervol zal worden begraven, maar dat het lijk van Polynices, den aanrander van zijn vaderstad, eerloos en onbegraven zal worden uitgeworpen, ten prooi aan honden en roofvogels.
   Het stuk speelt te Thebe voor het koninklijk paleis. Het koor wordt gevormd door Thebaanse grijsaards (geronten). De negen rollen zijn: Antigone en Ismene (dochters van den gestorven Oedipus), Creon, Eurydice (echtgenote van Creon), Haemon (zoon van Creon en verloofde van Antigone), Tiresias (de blinde Thebaanse ziener), een wachter, een bode, een paleisdienaar. Verder gevolg en soldaten van Creon en de geleider van den blinden Tiresias (figuranten).
   Wij bevinden ons te Thebe, voor het paleis van koning Creon. Het is de ochtend na de roemrijke overwinning: de vijandelijke legerscharen zijn in wanorde naar Argos teruggevlucht, Thebe is gered! Op het toneel bevinden zich Antigone en haar jongere zuster Ismene. De beide zusters zijn ondanks de bevrijding van haar vaderstad bedroefd en terneergeslagen; haar beide broeders immers hebben in den strijd door elkaars hand het leven gelaten. Maar nog meer verdriet staat haar te wachten! Zoëven heeft Antigone dit vernomen en zij heeft Ismene buiten het paleis laten komen om het haar daar onder vier ogen te kunnen vertellen: Creon heeft verboden Polynices' lijk te begraven en op overtreding van dit verbod de doodstraf gesteld! Maar, zo vertrouwt zij haar zuster toe, zij is desondanks vastbesloten haar broeder te begraven en hem de laatste eer te bewijzen. Met dringende woorden poogt ze haar te overreden haar daarbij haar medewerking te verlenen. Maar dodelijk verschrikt probeert Ismene haar van haar onzalig voornemen af te brengen: is de maat der ellende nog niet vol? Wil zij, door het verbod des konings vermetel te overtreden, ook over zichzelve een smadelijken dood afroepen? Want wat kan zij, als vrouw alleen, tegen Creon's machtsmiddelen beginnen? Maar misprijzend en smalend wijst Antigone haar bedenkingen en uitvluchten van de hand en fanatiek en verbeten verlaat zij het toneel om haar gevaarlijke liefdedaad te gaan volbrengen, terwijl Ismene, die, hoezeer zij haar zuster ook bewondert, toch, murwgeslagen door smart en verdriet als zij is, zelve de kracht mist om haar te volgen en bij te staan, zich met nieuwen kommer in het hart in het paleis terugtrekt.
   Nu betreedt het koor van Thebaanse geronten de orchestra. Zij zijn, als vertegenwoordigers der burgerij, door Creon voor een bijzondere bijeenkomst samengeroepen en, nog onbekend met Creon's wreed besluit en niets vermoedend van de hierdoor ontketende dramatische spanningen, zingen zij, in afwachting van Creon's komst, een jubelend overwinningslied; zij verwelkomen den aanbrekenden dag als den schoonsten die ooit over Thebe gerezen is. Wel smart het hun dat Oedipus' beide zoons zo'n beklagenswaardigen dood hebben gevonden, maar desondanks moeten, nu Zeus het machtige leger der aanvallers heeft verjaagd en Thebe heeft gered, vreugde en blijdschap overheersen!
   Hierna opent zich de paleispoort en treedt Creon met zijn gevolg naar buiten. Waardig begroet hij de geronten, steeds de trouwe en onbaatzuchtige dienaren van de koningen van hun land. En nu, nu de omstandigheden hem, Creon, op den troon hebben gebracht, is hij het die hen ter vergadering heeft bijeengeroepen. Hij is zich van zijn zware verantwoordelijkheid terdege bewust en vastbesloten zich naar beste krachten en zonder aanzien des persoons aan zijn grootse taak te wijden.

Nu is 't onmooglijk om van eenig vorst de ziel,
Zijn inborst en zijn denkwijs, goed te kennen, eer
Hij die door wetten en regeeringsdaden toont.
Want wie, met het bestier des ganschen staats belast,
Niet altijd en in alles 't heil des volks beoogt,
Maar zich door menschenvrees den mond laat snoeren, hem
Beschouwde ik steeds als nieteling en doe 't ook nu.
Ja, wie zijn vaderland niet boven alles stelt,
Iets meer dan dat bemint, is niet bij mij in tel.
Maar ik — getuige 't Zeus, die alles hoort en ziet —
Zal onbewimpeld spreken, nu ik het verderf
Zie naadren en gevaar 't Thebaansche land bedreigt;
'k Zal nooit — ik zweer het u — een vijand van den staat
Tot vriend mij maken, wetend, dat zijn heil alleen
Ons aller welzijn is en dat, als 't schip van staat
Voorspoedig zeilt, de goden onze vrienden zijn.
Zoo wil ik dan regeeren naar beginselen
Als deze en in dien geest heb ik der burgerij
Omtrent de broeders dit besluit bekend gemaakt:
„Eteocles, die kampend voor zijn vaderland
Den heldendood gestorven is, hem zal men straks
Begraven met alle eer en iedere offerand,
Die 't lijk eens dappren helds bij de uitvaart begeleidt.
Maar zijnen snooden broeder Polynices die
Als balling wederkeerend zijne vaderstad
Verbranden wilde met de tempels harer goôn,
't Bloed zijner medeburgers slurpen of tot slaaf
Den vrije maken, hem mag niemand, wie 't ook zij,
— Dit werd zoo even afgekondigd op mijn last —
Begraven noch beweenen. Onbegraven moet
Zijn lichaam blijven liggen, 't vooglenheir ter prooi,
Een aas der honden, afschuwwekkend om te zien."
Zoo, mannen, is mijn denkwijs; nimmer zal van mij
De slechtaard de eer genieten des rechtvaardigen,
Maar al wie 't wel meent met zijn vaderland, hij wordt
Altijd, in dood en leven, hoog door mij geëerd!


Vertaling dr H. van Herwerden, Antigone van Sofokles, in Nederlandsche dichtmaat. Utrecht, J. L. Beyers, 1890.

   De geronten, die Creon's woorden met nauw verholen schrik hebben aanhoord, buigen niettemin, zonder een woord van protest te laten horen, gehoorzaam en onderdanig het hoofd. Creon deelt hun vervolgens nog mede dat hij bij het lijk in de vlakte buiten Thebe wachtposten heeft uitgezet; de taak van de geronten zal het zijn, elke poging tot verzet terstond tegen te gaan; hij die het zal wagen het verbod te overtreden is des doods schuldig!
   Op dit ogenblik wordt de dialoog tussen Creon en het koor onverwacht onderbroken door de opkomst van een der wachters, die Creon bij Polynices' lijk heeft uitgezet. De man durft zijn meester haast niet onder de ogen komen en talmt zo lang mogelijk met zijn onheilstijding:

Ik kan niet zeggen, koning, dat ik ademloos
Met snelle schreden uwen hof burg heb bereikt.
Neen, zorg en angst vertraagden menigmaal mijn tred
En vaak bekroop de lust mij, om te keeren. Want
Gedurig sprak ik in mijzelf op deze wijs:
„Dwaas, waarom wilt ge daarheen gaan, waar straf u wacht?
Wegblijven wilt ge? Hoe? Als Creon 't dan verneemt
Van anderen, zal dan uw straf niet zwaarder zijn?"
Zulke overpeinzingen, die van een korten weg
Een langen maken, vorst, vertraagden mijnen voet;
Ten letste nam ik toch een kloek besluit. Ziedaar,
Ik wil u zeggen wat ik weet, al is 't niet veel,
Als naar een stroohalm grijpend naar den zwakken troost,
Dat slechts wat voorbestemd is me overkomen kan.


Vertaling van Herwerden.

   Maar ongeduldig valt Creon hem in de rede en vraagt hem kortaf wat hij nu toch eigenlijk te vertellen heeft. Nog probeert de man te rekken, maar tenslotte moet het hoge woord er toch uit:

Welnu, het zij zoo. Iemand heeft zoo even 't lijk
Ginds onder 't zand begraven en dat graf gewijd
Met offerplechtigheden, die 't gebruik verlangt.
Cr. Hoe zegt ge? Welke man had die vermetelheid?
Wa. Ik weet niet, want daar was geen spoor van werken met
Houweel of spade. Hard en steenig was de grond,
Niet omgehakt, en ook van raad'ren was geen spoor.
Geen teeken had de man gelaten van zijn werk.
Toen hij die de eerste wacht had 't feit ons had getoond,
Beving ons allen pijnlijke verwondering.
Want 't lijk was gansch onzichtbaar, wel niet in een graf
Gelegd, maar met een dunne laag van zand bedekt.
Van hond of wild gedierte, dat wellicht het aas
Zoo onder 't zand gewoeld had, was geen spoor te zien.
Daar klonken weldra booze woorden onder ons,
De één gaf de schuld aan d'ander, weinig scheelde 't of
Het liep op vechten uit; wat geen verhinderd had.
Want elk van ons gold voor den dader bij den aâr,
Schoon niemand 't kon bewijzen. Elk ontkende schuld,
Ja ieder was bereid, heet ijzer in de hand
Te nemen, door het vuur te gaan, den duursten eed
Te zweren, dader noch meêplichtige te zijn
Van hem die 't schendig feit beraamd heeft of volvoerd.
Ten slotte, toen geen onderzoek meer baten kon,
Sprak één een woord, hetwelk ons allen 't hoofd van vrees
Ter aarde buigen deed, daar niemand onzer iets
Daartegen in kon brengen noch iets beters wist.
Zijn voorstel was, de zaak niet te verhelen, maar
Die onverwijld aan u te laten weten, vorst.
't Werd aangenomen — en mij, arme, trof het lot
Om 't groot geluk te smaken van deez' gang tot u.
Ongaarne kwam ik en ongaarne ziet ge mij.
Want niemand is op boden van slecht nieuws gesteld.


Vertaling van Herwerden.

   Het koor, onder den indruk van 's wachters relaas, oppert bescheiden de veronderstelling dat misschien een of andere godheid hier de hand in heeft gehad. Maar verontwaardigd en toornig valt Creon hen in de rede: zouden de goden soms een man die hun tempels en heiligdommen had willen plunderen en verwoesten in bescherming kunnen nemen? Neen, neen! Reeds lang waarden er in de stad opstandige elementen rond, die hem, Creon, slecht gezind waren en zijn gezag probeerden te ondermijnen; zij waren het ongetwijfeld die de wachters tot het verrichten van die daad van ongehoorzaamheid hadden omgekocht! Maar ik zweer je bij Zeus, zo wendt Creon zich vervolgens tot den wachter, als jullie er niet in slagen den dader te ontdekken en voor mij te leiden, dan zullen jullie met je eigen leven daarvoor boeten! Nog probeert de wachter zich te rechtvaardigen en zijn onschuld te betuigen, maar Creon keert hem den rug toe en gaat met zijn gevolg het paleis weer binnen. Ook de wachter, ondanks alles blij er voorlopig nog zo van afgekomen te zijn, verlaat het toneel met de woorden:

Den dader zal men, hoop ik, vinden. Niettemin,
Eén ding is zeker, 't zij hij wordt gevat of niet,
Mij ziet gij hier niet weder! Dat beloof ik u!
Ik dank de goden dat ik heelhuids wederkeer
En denk mij niet te wagen aan een tweede proef.

Vertaling J. van Leeuwen, Antigone, Tragedie van Sophokles, metrisch vertaald. Leiden, A. W. Sijthoff, z.j.

   Nadat de wachter is verdwenen bezingt het alleen in de orchestra achtergebleven koor van geronten de geweldige macht van den menselijken geest, die de zeeën en de aarde, de vogelen des hemels en de dieren des velds overheerst en aan zich dienstbaar maakt, die zich door het bouwen van behuizingen en steden tegen de aanslagen van koude en noodweer heeft weten te beveiligen en zich tegen teisterende ziekten heeft leren te beschermen, maar toch somtijds door trots en overmoed in fouten vervalt en nog geen middel heeft kunnen bedenken om aan den greep des doods te ontkomen....
   Maar plots zien zij Antigone, meegevoerd door den wachter van zoëven, naderen. Zou zíj het soms zijn die het koninklijk verbod heeft durven overtreden? Dra vernemen zij de toedracht:

Wa. Hier is ze, mannen, die de misdaad heeft gepleegd!
Haar vingen wij bij 't werk. Maar zegt, waar Creon is.
Ko. Daar komt de koning uit zijn hofburg, juist van pas.
Cr. Wat is er? Waarvoor kom ik ter geschikter tijd?
Wa. O vorst, de stervling zegge nooit: „Dit zal ik doen,
Dát doe ik niet !" Geen enkel plan biedt zekerheid.
Daar straks nog, toen ik wegvlood voor uw dreigend woord,
Toen zwoer ik dat men hier mij niet terug zou zien —
En nu reeds sta ik weder vóór u, trots mijn eed,
Omdat — o vreugde waar geen andre vreugd bij haalt! —
Omdat ik u mijn onschuld nu bewijzen kan.
Want zie, ik breng dit meisje, dat gegrepen is
Terwijl zij 't lijk een graf bereidde. Thans voorwaar
Viel niet te loten! Mijn was deze rijke vondst.
Welnu dan, koning, 'k geef haar over in uw hand:
Doe recht naar welbehagen en vergun dat ik
Vanhier moog weggaan, vrij en in mijn eer hersteld.
Cr. Háár brengt gij mij? Maar hoe dan toch? Waar vondt gij haar?
Wa. Eén woord zegt alles: zij bestelde 't lijk ter aard.
Cr. Man, weeg uw woorden! Weet gij zeker wat gij zegt?
Wa. 'k Zag immers zelf haar doen, wat gij verboden hebt,
Het lijk begraven! Is dat duidelijk en klaar?
Cr. Hoe zaagt ge 't? Hoe werd zij gevangen en betrapt?
Wa. Dus droeg de zaak zich toe. Toen ik teruggekeerd
Mijn makkers uwe dreigementen had verhaald,
Toen veegden wij het zand, dat 't lijk bedekte, weg,
Zoodat het rottend lichaam ganschlijk werd ontbloot,
En namen, om de lucht die 't van zich gaf te ontgaan,
Windvrij op heuveltoppen in den omtrek plaats,
Onze oogen op de plek alwaar het lag gericht,
Elkanders ijver prikklend. Zoo er een van ons
Nalatig was gebleken, 't waar hem slecht vergaan.
Dat duurde tot de schitterende zonneschijf
Des hemels midden had bereikt en loom en zwaar
Haar vuurgloed neerzond. Eensklaps jaagt een dwarrelwind
Het stof der velden tot een reuzenzuil omhoog,
Die vlakte en hemel in een valen sluier hult,
Der bosschen kruin ontluistert, ja den dampkring zelf
Verstikkend opvult. Hijgend staan wij 't noodweer door,
Met dichtgenepen oogen. Eindlijk luwt de vlaag —
Daar zien wij deze jonkvrouw staan in bittre smart.
Gelijk de vogel die, naar 't nestje weergekeerd,
Het rustbed van haar jongen leeg en eenzaam vindt,
Zoo kreet zij schril en droevig, toen zij de oogen sloeg
Op 't onbeschermde lichaam dat daar voor haar lag,
En riep des hemels wrake op 't hoofd der daders af.
Snel droeg zij met haar handen 't dorre stof bijeen
En plengde uit bronzen, schoongedreven offerkan
Driemaal de laatste gave der gestorvenen.
Wij snelden ijlings op haar toe en grepen haar,
Die kalm en onverschrokken zich ons overgaf.
Gevraagd naar wat ze deed en vroeger had gedaan,
Heeft zij ons, niets verhelend, alles vrij bekend.
Mij is dat vreugde, doch een vreugd met leed gemengd.
Want zoet is 't, zelf zich aan gevaar ontsnapt te zien,
Maar smartelijk, degenen die ons dierbaar zijn
In 't ongeluk te storten. Doch het ga zoo 't wil,
Mijn leus was immer: ieder is zichzelf het naast!


Vertaling van Leeuwen-van Herwerden.

   Straf beveelt Creon den wachter in te rukken, daarna roept hij Antigone, die met gebogen hoofd voor hem staat, ter verantwoording. Onomwonden is haar bekentenis, fier haar verdediging:

Wát overtrad ik? Niet het heilge woord van Zeus,
Niet de eeuwge wetten, in het menschenhart gegrift
Door Dikè, die de levenden en dooden richt!
Neen, zóóver reikt de macht niet van uw vorstenwil,
Dat 's hemels ongeschreven, onomstootbaar recht
Zou zwichten voor de woorden van een sterveling!
Dát recht, wie zag zijn wording? 't Leeft in onze ziel;
't Is niet van nu of gister, maar van eeuwigheid!
Dat zou ik overtreden? En uit menschenvrees
Mij schuldig stellen voor der goden rechterstoel?
Uit vrees! — voor 't sterven? Wachtte dan de dood mij niet
Ook zónder uw bedreiging? En ontvoert hij thans
Mij vóór mijn tijd aan 't lijden, 'k reken dat gewin!
Want wie, als ik, gedrukt door tal van rampen leeft,
De dood is hem geen straffe, maar een zegening.
Zoo wacht ik dan mijn vonnis zonder droefenis.
Ja, had ik stil gezeten toen mijn moeders zoon
Daar onbegraven neerlag, dán betaamde mij
Nu bittre smart en rouwe — thans ontroer ik niet.
Gij acht het dwaasheid wat ik deed? Het moog zoo zijn...
Daar is een dwaasheid die de schranderheid beschaamt!


Vertaling van Leeuwen.

   Creon heeft voor Antigone's woorden niet het minste begrip. Integendeel, juist doordat zij niet alleen zijn verbod overtreden heeft, maar er blijkbaar nog groots op gaat ook en „door haar tranen heen hem uitlacht" acht hij zijn koninklijk aanzien op een absoluut ontoelaatbare wijze aangetast en een strenge bestraffing meer dan ooit dringend vereist. Hij laat niet met zich spotten! Zij, Antigone, en haar zuster Ismene — hij laat haar door zijn dienaren naar buiten roepen — die ongetwijfeld medeplichtig is aan de ongehoorde daad, zullen, ook al zijn zij de dochters van zijn eigen zuster Iocaste, haar gerechte straf niet ontgaan! Rustig ziet Antigone hem aan en verzoekt hem zijn vonnis onmiddellijk ten uitvoer te doen brengen: zij weet dat zij juist gehandeld heeft en dat ook de geronten van het koor, zo zij het durfden, dat zouden beamen. Maar juist haar rust doet Creon zich hoe langer hoe meer opwinden; hij giet een stortvloed van smalende verwijten over haar uit, maar zij stuiten alle af op haar zekerheid en onverzettelijkheid.
   Op dit ogenblik wordt Ismene wenend door Creon's knechten uit het paleis naar buiten geleid. Creon overlaadt ook haar met smaad- en scheldwoorden en vraagt haar of zij Antigone soms geholpen heeft met het begraven van Polynices' lijk. Dapper geeft Ismene, die haar zuster in dit bange uur niet in den steek wil laten, op zijn vraag een bevestigend antwoord, maar onverbiddelijk wijst Antigone, nu niet meer van haar hulp gediend, ondanks haar smekend aandringen, haar offer af. Met klimmende verbazing hoort en ziet Creon dit schouwspel aan. Er is voor hem slechts één conclusie mogelijk:

Zij zijn krankzinnig, deze beiden! De eene blijkt
Eerst heden zoo, maar de andre was 't van kindsbeen af.


Vertaling van Leeuwen.

   Nog probeert Ismene hem van inzicht te doen veranderen door hem te vragen of hij werkelijk de verloofde van zijn eigen zoon ter dood wil laten brengen. Maar cynisch antwoordt hij:

En waarom niet? Ook andere akkers dragen vrucht!

Vertaling van Herwerden.

   En dan laat hij de beide meisjes door zijn dienaren geboeid het paleis binnendrijven. Zelf blijft hij, in gepeins verzonken, op het toneel, terwijl het koor, nu ook de twee enige nog levende telgen van Oedipus ten dode zijn gedoemd, mijmert over de keten van rampen, die nu reeds zo lang van geslacht op geslacht het huis der Labdaciden hebben geteisterd. Wel zwaar drukt der goden straffende hand en niemand die aan hun gerechte wraak ontsnapt! Zeker, bedrieglijke hoop spiegelt den mens vaak loos geluk voor en vervult hem met ijdele verwachtingen, ja doet hem vaak goed wanen wat slecht is! Maar onverwacht slaat de wrekende godheid toe en verdelgt hem en al de zijnen ....
   Maar daar verschijnt Haemon, Creon's zoon en Antigone's verloofde, ten tonele. Het is duidelijk wat hem hierheen heeft gedreven en vriendelijk spreekt Creon hem toe:

Mijn zoon, vernaamt gij 't vonnis, juist door mij geveld,
En zijt ge toornig op uw vader om uw bruid
Of houdt ge, wat ik ook mag doen, mij voor uw vriend?


Vertaling van Herwerden.

Haemon antwoordt:

'k Ben, vader, de uwe. Handelend, zoals het past,
Wijst gij den weg mij, dien 'k gewillig volgen zal;
Want leidt gij naar behooren mijne schreên, dan zal
Geen echtverbond ooit meer mij gelden dan uw wil.


Vertaling van Herwerden.

   Nu zet Creon, die, opgelucht door Haemon's rust en kalmte, op het door hem gemaakte voorbehoud geen acht heeft geslagen en geen ogenblik meer twijfelt of de jongen zal zich wel zonder al te veel tegenstand in het onvermijdelijke weten te schikken, nogmaals met veel omhaal van woorden, met gebruikmaking van al zijn vaderlijke autoriteit en overredingskracht en terwijl hij zijn zoon met het ten toon spreiden van zijn rijke levenservaring poogt te overbluffen, de juistheid van zijn standpunt en maatregelen uiteen en vermaant hij zijn zoon dringend zonder gevoelens van spijt van die vrouw af te zien. Zeker, het was misschien wel even een pijnlijke teleurstelling voor hem, maar heus, het was zo het beste: een huwelijk met een dergelijke vrouw kon tóch geen geluk brengen. Kom, het was in zijn welbegrepen eigenbelang zich zonder morren bij het besluit van zijn vader neer te leggen. Deze kon dat trouwens toch niet meer herroepen. Hoe immers zou de burgerij daarop reageren? Zou zij hem niet van woordbreuk betichten, van slapheid en halfheid, ja van partijdigheid? En, afgezien daarvan, hij kon een dergelijke ernstige overtreding van de door hem gestelde wet niet ongestraft laten passeren: orde moest er zijn, in het groot en in het klein, anders zou het met het welzijn van staat en burgerij dra gedaan zijn!
   De geronten van het koor zijn door Creon's vertoog danig geïmponeerd, voor Haemon echter zijn zijn woorden één bron van ontgoocheling en teleurstelling. Hij weet zich niettemin nog te beheersen en brengt zijn vader onder het oog dat, ook al moge zijn naaste omgeving hem dan al naar den mond praten, men in de stad algemeen over de aan Antigone opgelegde straf verbitterd is en het meisje beschouwt als een onschuldig slachtoffer van haar broederliefde en plichtsbesef; zij behoorde — zo mompelt men fluisterend, want niemand durft zijn stem openlijk verheffen — veeleer gelukgewenst en geprezen te worden om haar daad! Zou het niet verstandiger zijn, als vader met deze onder het volk heersende stemming rekening hield en er zich naar richtte? Was het dan schande een eenmaal genomen, maar verkeerd gebleken besluit te herroepen en te erkennen dat men door nieuw overleg tot een beter inzicht was gekomen?

Gij ziet hoe boomen, als ze wijken voor de kracht
Des naderenden strooms, hun twijgen redden, maar
Bij wederstand ontworteld worden meegesleurd;
Hoe eveneens de stuurman, die bij storm te straf
Het schoottouw aantrekt en niet toegeeft aan den wind,
Alras leert zeilen met een omgekenterd schip.
O luister naar mijn taal, verander uw besluit!


Vertaling van Herwerden.

   Ook Haemon's woorden hebben op het koor een diepen indruk gemaakt en zij weten nu waarlijk niet meer, aan wien van beiden zij gelijk moeten geven. Maar Creon, die elk toegeven een onherstelbare aanranding van zijn koninklijk gezag en waardigheid acht, verandert nu van toon en wijst Haemon met scherpe woorden terecht. Deze echter blijft hem het antwoord geenszins schuldig, allengs laat hij alle reserve varen en zo eindigt het gesprek tussen vader en zoon, zo rustig en uiterlijk vredelievend begonnen, in een sfeer en met woorden van afkeer en haat.

Cr. Zal ik op mijnen leeftijd aan zoo jong een man
Het oor dan leenen, hij mij wijsheid leeren? Nooit!
Ha. In niets wat onrecht is. Ben ik, mijn vader, jong,
Vergeet mijn jaren en let op de zaak alleen.
Cr. Een schoone zaak, die lof der ongehoorzaamheid!
Ha. Ik prijs de slechten niet, noch wensch dat gij het doet.
Cr. Heeft zij aan zulk een daad niet schuldig zich gemaakt?
Ha. Het volk dat deze stad met u bewoont zegt „neen".
Cr. Staat 't oordeel aan het volk, wat ik verordnen moet?
Ha. Spreekt zoo de rijpe leeftijd die de jeugd berispt?
Cr. Moet ik dit land regeeren of een ander? Spreek!
Ha. Een staat die éénen toebehoort, dat is geen staat.
Cr. Hoe? Is het land dan 't eigendom des heerschers niet?
Ha. Uw ideaal-rijk ware een doodsche woestenij!
Cr. Hij is, zoo schijnt het wel, de bondgenoot dier vrouw!
Ha. Zoo gij een vrouw zijt, ja; ik zorg voor úw belang.
Cr. Ellendeling, die uwen vader richten durft!
Ha. 't Is, vader, wijl ik 't recht door u geschonden zie.
Cr. Schend ik het recht, die eerbied wil voor mijn geboôn?
Ha. Geen eerbied noem ik 't, als ge de eer der goôn vertrapt.
Cr. Ha, slechtaard, die u door een vrouw beheerschen laat!
Ha. Voor zielegrootheid zich te buigen is geen smaad.
Cr. 'k. Hoorde u althans niets zeggen of het was voor haar!
Ha. Voor haar, voor u en mij, en de onderaardsche goôn.
Cr. Zwijg stil, gij walgt mij, woordenrijke vrouwenslaaf!
Ha. Wie spreekt, hij dulde 't antwoord dat zijn taal vereist.
Cr. Nooit huwt gij, Haemon, bij haar leven deze vrouw!
Ha. Dan sterft ze — en neemt een ander 't leven door haar dood!
Cr. Gij waagt het mij te dreigen, gij dolzinnige?
Ha. Ja, als een dwaas besluit bestrijden dreigen heet.
Cr. Niet ongestraft leert gij mij wijsheid, zelf een dwaas.
Ha. Ha, waart gij niet mijn vader, 'k noemde ú zinneloos.
Cr. Ei, zoudt ge dat? Maar, bij den hemel, weet dat gij
Niet langer ongestraft mij zult beleedigen!
Brengt hier die deerne! Brengt haar vóór mij, onverwijld;
Zij sterve hier voor de oogen van haar bruidegom!
Ha. Maak hierop staat, dat noch die schuldelooze maagd
Ooit voor mijn oogen 't jeugdig leven laten zal,
Noch gij ooit weder mijn gelaat aanschouwen zult;
Dan dulde, wie ze dulden wil, uw razernij!
(Haemon af)
Ko. Mijn vorst, in wilde gramschap is hij heengesneld.
Geen goede raadsman is de drift voor 't jong gemoed!
Cr. Hij ga en doe, wat hem zijn trotsche waan gebiedt.
De beide maagden redt hij toch niet van den dood.


Vertaling van Leeuwen - van Herwerden.

   Toch is Creon wel zozeer onder den indruk van Haemon's woorden ge-komen, dat hij alsnog besluit Ismene niet ter dood te laten brengen. Aan Antigone echter zal het vonnis nu onverwijld worden voltrokken:

Ik zal haar laten brengen waar geen mensch verwijlt
En sluit haar levend in een onderaardsch gewelf,
Met zooveel voedsel bij zich als toereikend is
Om bloedschuld af te wenden van ons aller hoofd.
Daar mag zij dan der dooden god, haar een'gen god,
Om levensredding smeeken — wellicht hoort hij haar!
Zoo niet — dan moog ze ervaren wat te wachten staat
Aan wie de dooden voortrekt bij de levenden.


Vertaling van Leeuwen - van Herwerden.

   Met deze woorden verlaat Creon het toneel om zijn voorbereidselen te treffen. Het koor, ongerust over de mogelijke gevolgen van de breuk tussen Creon en Haernon, zingt van de onoverwinnelijke en onweerstaanbare macht van Eros, den god der liefde, die zijn scepter zwaait over goden en mensen, met zijn met bezetenheid geslagen slachtoffers zijn onbarmhartig spel speelt en zo ook nu vader en zoon tegen elkaar heeft opgezet in verbitterden twist.
   Op dit ogenblik komt Antigone uit het paleis naar buiten getreden voor haar laatsten gang. In een ontroerende kommos met het koor dat haar, hoewel het haar haar ongehoorzaamheid tegen het wettig gezag, waarvan zij nu de gevolgen moet dragen, met zachte woorden verwijt, toch poogt te troosten en moed in te spreken door haar te wijzen op den onsterfelijken roem dien zij zich zal verwerven, neemt zij afscheid van de geronten, van haar vaderstad, van het leven. Dit afscheid valt haar onnoemelijk zwaar en even dreigt zij onder den last van haar leed te bezwijken .... „Hier is de mythische Antigone geheel en al het ongelukkig menschenkind, dat, na alle heroieke grootschheid, zijn moment van zwakheid kent, nu het komt te staan voor het onherroepelijk afscheid uit dit leven, welks schoonheid en opperst geluk in de lentedreven der aarde het nimmer mocht smaken en thans voor eeuwig voor zich verloren ziet gaan. Zoo ergens, heeft Sophocles zichzelf hier, in deze strophen van verpuurde innigheid van allen menschelijken weemoed bij het aanschouwen van den dood, vereeuwigd als den door de Muzen begenadigden dichter, die voor alle eeuwen heeft gedacht en gezongen!" (B. Verhagen, a.w., pag. 305)
   Maar haastig komt nu Creon uit het paleis naar buiten en beveelt zijn mannen Antigone terstond weg te leiden en zijn bevelen snel en stipt ten uitvoer te brengen. Zijn verschijning doet Antigone haar zelfbeheersing herwinnen; nog eenmaal rechtvaardigt zij voor goden en mensen haar daad van ongehoorzaamheid, zij geeft uiting aan haar vertrouwen dat haar ouders en haar broers, wien zij bij hun dood liefdevol de laatste eer heeft bewezen, nu ook haar in den Hades liefdevol zullen ontvangen en dan volgt zij, berustend in haar lot, Creon's lansknechten, die door hun meester steeds opnieuw tot groteren spoed worden aangespoord, naar haar doodsverblijf, terwijl het koor haar lot vergelijkt met dat van de grote mythologische figuren, die eens tot een soortgelijke straf waren veroordeeld.
   Nu echter betreedt de blinde ziener Tiresias, door een knaap geleid, het toneel en doet Creon, die tijdens het koorgezang van zoëven op het toneel is gebleven, mededeling van onheilspellende tekenen: vogels verscheuren elkaar onder wild gekrijs; offervuren willen niet ontvlammen, maar verspreiden slechts een walmenden smook. De tempels en altaren der goden zijn ontwijd en besmet door de honden en roofvogels, die zich te goed hebben gedaan aan Polynices' lijk! De goden luisteren niet meer naar der Thebanen gebeden! De vogels, verzadigd met mensenvlees, stoten nog slechts afschrikwekkende kreten uit!

Kom eindlijk tot bezinning! O mijn zoon, 't begaan
Van dwalingen is 't lot van elken sterveling.
Maar hem die heeft gedwaald noemt niemand ooit een dwaas
Of slechtaard, als hij 't kwaad, dat door zijn eigen schuld
Veroorzaakt werd, te heelen tracht en goeden raad
Wil volgen. Eigenwaan toch kenschetst onverstand.
O luister naar mijn smeeken: wond den doode niet!
Wat steekt er dan voor moed in 't moorden van een lijk?
Voorwaar ik smeek om bestwil en 't verstandigst is
Te luisteren naar hem wiens taal uw heil beoogt.


Vertaling van Herwerden.

   Maar Creon, die nog steeds zelfs de gedachte aan een concessie als een onherstelbare ontluistering van zijn koninklijke waardigheid beschouwt, weigert onverbiddelijk Tiresias' raad op te volgen. Integendeel, zijn macht en aanzien van alle kanten belaagd wanend, waagt hij het zelfs hem er van te betichten dat hij zich uit winstbejag tot het doen van dezen stap heeft laten omkopen. Nog probeert Tiresias hem in een vinnigen dialoog tot een ander inzicht te brengen, maar als alle pogingen nutteloos blijken, slingert hij hem zijn verschrikkelijke voorspelling in het gezicht: Creon zal met het leven van een der zijnen voor zijn dubbele wandaad boeten; weldra zal zijn huis weerklinken van weeklachten en rouwmisbaar! Na deze woorden laat Tiresias zich door zijn dienaar wegleiden, Creon, die weet dat de beroemde ziener nog nooit een ijdele voorspelling heeft gedaan, verbijsterd en radeloos achterlatend. Al zijn ongenaakbaarheid en onaantastbaarheid zijn plots verdwenen; heel het gebouw van zijn zich steeds hoger verheffenden eigenwaan stort door de enkele aanraking van een macht, waartegen hij zich niet opgewassen weet, als een kaartenhuis ineen. Hij die zoëven nog naar niemand wilde luisteren, niet naar zijn eigen zoon, niet naar den wijzen Tiresias, hij vraagt nu wanhopig de oude geronten om raad, ja volgt hun raad terstond, zonder enige tegenspraak, op!

Ja, aanstonds ga ik. Gij trawanten, ver en na,
Begeeft u ijlings met houweel en spade naar
De plaats waar 't onbegraven lijk des prinsen ligt.
Mijn geest is omgewend, ik ken mijzelf niet meer;
De banden ga ik slaken door mijzelf geknoopt!
Doch 't moet geschieden; onrecht deed ik. 't Is niet goed
Te schenden wat der eeuwen stem tot wet verhief.


Vertaling van Leeuwen - van Herwerden.

   Met deze woorden snelt hij heen. Het koor, vervuld van hoop dat alles tenslotte toch nog goed zal aflopen, richt zich met een vurige bede tot Bacchus, den zoon van Semele, dochter van Thebe's stichter Cadmus, en smeekt hem snel te komen naar de hem dierbare stad en haar van de haar aanklevende smet te zuiveren. Maar dra wordt de blijde hoop der geronten wreed vernietigd. Een bode, een van Creon's manschappen, komt op en doet zijn tragisch verhaal, dat wordt onderbroken door de opkomst van Creon's echtgenote Eurydice, die na de verschrikkelijke tijding te hebben vernomen zich weer zwijgend in het paleis terugtrekt:

Bo. O Thebe's burgers, telgen van Amphion's huis,
Daar is geen menschenleven dat ik prijzen wil,
Geen dat ik wil beklagen, eer 't geëindigd is.
Het lot verheft ons en het lot vernedert ons;
Geluk wordt onspoed, tegenspoed wordt zegening;
En niemand spelt den stervling wat hem morgen wacht.
Ziet Creon, dien benijdbre, wien zijn vaderland,
Aan 's vijands legerdrommen door zijn hand ontrukt,
Bewondrend riep tot de ongedeelde vorstenmacht,
Die fiere zonen op zag wassen nevens zich —
En thans, voorbij dat alles! O geen leven meer
Noem ik het leven van den man, die zelf 't geluk
Heeft prijsgegeven; neen, ik acht hem levend dood.
Zijn woning zij van ongetelde schatten vol,
Hij leve omstuwd door koningspraal: indien de vreugd
Hem verre blijft, waartoe hem dan zijn geld en goed?
De schaduw van een rookwolk heeft nog meer waardij.
Ko. Wat nieuwen jammer meldt gij van ons vorstenhuis?
Bo. Zij liggen dood — op hen die leven kleeft hun bloed.
Ko. Wie is verslagen? Wie de moordenaar? O spreek!
Bo. Haemon is dood! ... geen vreemde hand was 't die hem sloeg ....
Ko. Was 't die zijns vaders, of .... was het zijn eigen hand?
Bo. Zelf gaf hij, wrokkende op zijn vader, zich den dood.
Ko. O priester, hoe vervult zich uw orakelwoord!
Bo. Zoo is de toestand! Geeft mij raad! Wat moet ik doen?
Ko. Daar nadert ons de diep rampzaalge Eurydice,
De moeder van den doode. Kan dat toeval zijn?
Of heeft de jammertijding reeds haar oor bereikt?
Eur. Och burgers, 'k ving zoo juist uw laatste woorden op,
Terwijl ik 't voorportaal doorschreed, om 't heiligdom
Van Pallas met mijn smeekgebed te naderen.
Ik doe de grendels open, ik ontsluit de poort:
Daar dringen vreeselijke woorden tot mij door,
't Wordt duister voor mijn oogen en ik zijg bezwijmd
In de armen mijner toegeschoten vrouwen neer.
Herhaal 't bericht nog eenmaal, wat 't ook wezen moog'!
Haar die u aan zal hooren is de smart niet vreemd ....
Bo. Ik, lieve meesteresse, die 't heb bijgewoond,
Verhaal 't u, niets verzwijgend van wat is geschied.
Waartoe zou ik 't verzachten, als de leugen toch
Ras aan het licht zou treden? Eerlijk duurt het langst!
  Met de andre dienaars volgde ook ik uw echtgenoot
Naar 't eind der vlakte, waar nog immer, onbeweend,
't Geschonden lijk van Polynices nederlag.
Wij namen 't op, wij wieschen 't in 't gewijde bad
En riepen biddend Pluto aan en Hecate,
Opdat hun toom genadig ons voorbij mocht gaan.
Toen legden wij hetgeen van 't lichaam over was
In verschgeplukt gebladerte op den houtmijt neer
En dekten eindlijk in der aarde moederschoot
't Gebeente met een hooggetoornde tombe dicht.
  Toen spoedden we ons naar 't kilbevloerde rotsvertrek,
De zerken huwlijkssponde van de bruid des doods.
Ach, schrille wanhoopskreten stegen op vandaar!
Een onzer snelt tot Creon en bericht het hem.
Hij ijlt er heen en hartverscheurend kermen klinkt
Hem tegen. „Wee mij, wee mij," barst hij snikkend los,
„Wat voorgevoel ontwaakt hier? 't Is de stem mijns zoons!
Zal deze gang de zwaarste van mijn leven zijn?
Trawanten, op dan, schielijk! Vliegt naar 't rotsgewelf,
Rukt weg den sluitsteen, die de monding overspant
Van 't doodenhuis, dringt binnen! Ziet of 't Haemon is,
Wiens stem ik hoor. O mocht het zelfbegoochling zijn!"
Zoo kreet hij in vertwijfling. Ijlings volgden wij
Des meesters woord en — zagen. Op den achtergrond
Der groeve hing de jonkvrouw, dood — een sluierdoek,
Tot koord ineengewrongen, neep den hals haar dicht.
En bij het zielloos lichaam knielde Haemon neer,
Woest kermend om 't in rouw verkeerde bruidsgeluk,
Den band der liefde door zijns vaders hand verscheurd.
Zóó vond hem Creon. Siddrend zag hij 't schouwspel aan
En snelde klagend op het sombre tweetal toe.
„Wat deedt ge, onzaalge," riep hij uit, „wat booze geest
Beving u, deed in waanzin u te gronde gaan!
Kind, ga van hier! Ik bid, ik smeek u, blijf hier niet!"
Geen antwoord volgde, maar met woeste blikken spuwt
De zoon den vader, als een vijand, in 't gelaat.
Hij trekt 't tweesnijdend zwaard en stormt op Creon los,
Die door de vlucht zich redde. Razend op zichzelf
Stort de ongelukkige zich dan in 't scherpe staal,
Maar klemt, eer nog 't bewustzijn uit zijn lichaam wijkt,
Met stervende armen aan het lijk der bruid zich vast,
Zoodat de breede bloedstroom, die zijn wonde ontgudst,
De bleeke wang der dierbre met zijn purper verft.
Ontzield ligt de arme naast de ontzielde; 't bruiloftsmaal
Werd niet op aarde, maar bij Hades aangericht!
Wel bleek het hier: zóó bitter is op aard geen leed,
Als 't leed dat zielsverblinding aan zichzelf bereidt.
Ko. Wat mag het wel beduiden dat Eurydice
Van hier ging zonder 't uiten van een enkel woord?
Bo. Dat wekt ook mijn bezorgdheid, schoon de hoop mij vleit
Dat zij, het lot baars zoons vernemend, aan haar smart
Geen lucht wil geven, waar haar 't oog van vreemden ziet,
Maar in 't paleis gegaan, de droeve doodenklacht
Aanheffen laten zal door haar slavinnenstoet.
Ko. Ik weet het niet; haar onnatuurlijk zwijgen dunkt
Mij even onheilspellend als de luidste kreet.
Bo. Wanneer wij binnentreden, weten wij terstond,
Of zij wellicht in wanhoop eenig plan beraamt,
Dat ze ons verhelen wil. Want 'k vrees, ge hebt gelijk:
Dat doffe zwijgen der vorstin voorspelt niets goeds.


Vertaling van Leeuwen - van Herwerden.

   Nauwelijks is de bode het paleis binnengegaan, of Creon, het lijk van zijn zoon in de armen, verschijnt ten tonele. In doffe wanhoop weeklaagt hij om de vreselijke gevolgen van zijn onzalige eigenzinnigheid en halsstarrigheid. Maar nog is de maat van zijn straf niet vol. Een dienaar komt uit het paleis naar buiten gesneld en roept hem ontzet toe:

Uw gade is dood! De moeder is haar kind gevolgd!
Zoo even sneed het staal 't rampzalig leven af!


Vertaling van Leeuwen.

   De katastrophe is volkomen. Met horten en stoten vertelt de paleisdienaar, tussen Creon's weeklachten door, hoe Eurydice zichzelve van het leven heeft beroofd. Wel diep is de eens zo hoog zetelende Creon gevallen! Vermorzeld door zelfverwijt, spijt en wroeging strompelt hij, een menselijk wrak, door zijn dienaren ondersteund, het paleis binnen.... Het koor verlaat de orchestra onder de klanken van het waarschuwend woord:

Welzalig de mensch die zijn driften betoomt
En eerbiedig gehoorzaamt de wetten der goôn!
Wie in woorden en daden laatdunkend zich toont,
Hem treffen de felle slagen van 't lot
En brengen veelal
Den zondaar te laat tot bezinning!

Vertaling van Leeuwen.

*

   Bij onze nabeschouwing van de „Ajax" wezen wij op de verschillen tussen dit stuk van Sophocles en Aeschylus' tien tot vijftien jaar oudere „Orestie" en op de vorderingen die het Griekse toneel in dien tussentijd bleek te hebben gemaakt. Vergelijken we nu de „Ajax" met de slechts een paar jaar jongere „Antigone", dan ontdekken wij naast overeenkomsten ook weer verschillen en nieuwen vooruitgang.
   Opvallend is vooreerst de overeenstemming in hoofdthema: begrafenis van een verwant tegen het bevel van de overheid in. Terwijl echter in de „Ajax"  de strijd om Ajax' begrafenis min of meer een aanhangsel van de eigenlijke tragedie is of althans door sommigen als zodanig wordt beschouwd, staat in de „Antigone" de strijd om de begrafenis van Polynices van begin tot eind in het middelpunt van het dramatisch gebeuren. Is hierdoor de eenheid van de ,Antigone" ontegenzeglijk groter dan die van de „Ajax", nochtans ontwaart men in de „Antigone", zij het in minder sterke mate, een soortgelijke tweeledigheid als wij ook in de „Ajax" en „De Vrouwen van Trachis" hebben kunnen opmerken: het eerste gedeelte eindigt met den ondergang van Antigone, het tweede met dien van Creon.
   Een tweede overeenkomst is deze, dat de Creon van de „Antigone" levendig herinnert aan de beide Atriden, Agamemnon en Menelaüs, van de „Ajax". Het direct opvallende verschil is echter dat de twee tegenstanders zijn vervangen door één. Door deze concentratie van het machtsbeginsel in één persoon, Creon, wint deze aanmerkelijk aan gezag en kracht. Maar ook met andere middelen heeft Sophocles de positie van Creon zoveel mogelijk versterkt. Vooreerst geeft de dichter zich nergens moeite de schuld die Polynices zich door zijn aanval op zijn vaderstad op den hals heeft gehaald te verkleinen of te verdoezelen. Dit geeft aan Creon's optreden een hechte juridische basis. Hij verzet zich niet tegen Polynices' begrafenis uit persoonlijke motieven, uit persoonlijken wrok of wraakzucht, neen, hij treedt, omdat hij dit zijn plicht acht, met heel zijn gezag op voor het beginsel, dat aan zijn koninklijk bevel, aan de rechtvaardigheid waarvan niet de geringste twijfel bij hem opkomt, ja dat hij in het belang van den staat het enig juiste acht, moet worden gehoorzaamd. Persoonlijke geaardheid — hij is kennelijk autoritair ingesteld — en bijzondere omstandigheden — hij is pas koning geworden en wil van meet af aan doortastend en zonder aanzien des persoons optreden — mogen hierbij een niet te verwaarlozen rol spelen, leidinggevend is voor hem het beginsel van de onaantastbaarheid van het staatsgezag, waar dit optreedt in het weloverwogen staatsbelang. Daarom dan ook schenkt hij geen gehoor aan de persoonlijke motieven waarmee zijn zoon Haemon hem tot andere gedachten probeert over te halen.
   Van dezen Creon is Antigone de tegenspeelster. Zij wordt geflankeerd door een zuster, Ismene, die eigenlijk niets anders doet dan haar wijzen op de kwade gevolgen van haar verzet tegen het wettig gezag. Zeker, later riskeert ook zij haar leven door zich met haar zuster solidair te verklaren, maar hiermede beoogt de dichter slechts de wilskracht van Antigone, die Ismene's ongevraagd offer afwijst, des te sterker te doen uitkomen. Ismene doet denken aan de Tecmessa van de „Ajax". Door echter zuster tegenover zuster te plaatsen wordt een veel werkzamer dramatisch effect verkregen dan door de bijzit Tecmessa te laten contrasteren met haar heer en meester Ajax.
   Een soortgelijke functie als Ismene vervult het koor, met opzet door den dichter samengesteld uit zwakke en bedachtzame grijsaards. Zeker, zij staan vriendelijk en sympathiek tegenover het jonge meisje, maar zij geven toch ook meer dan eens blijk danig onder den indruk te zijn van Creon's argumenten en motieven. Zij houden Antigone voor dat het misschien toch beter ware geweest zich aan Creon's bevel te onderwerpen. En op haar zwaarste ogenblik, als zij zich opmaakt zich naar haar grafspelonk te begeven, laten ook zij haar geestelijk volkomen alleen en vereenzaamd haar zwaren gang gaan.
   Zo draagt het optreden van Ismene en het koor er enerzijds weliswaar toe bij de vastberadenheid en karaktervastheid van Antigone in een helder licht te zetten, anderzijds echter wordt haar positie tegenover Creon er in de ogen van het publiek ten zeerste door verzwakt en ondermijnd. Hiertegen nu heeft Sophocles op de volgende wijze een tegenwicht geschapen. In de „Ajax" draagt Teucer, tegen het verbod van de legerleiding in, zorg voor de begrafenis van Ajax omdat hij zich daar tegenover zijn halfbroer moreel toe verplicht acht. Ook voor Antigone bestaat deze persoonlijke verantwoordelijkheid tegenover haar broeder, maar hoog daarboven uit gaat voor haar haar verantwoordelijkheid tegenover de eeuwige wetten der goden, die haar tot haar handelwijze nopen. Uit dit besef van verantwoordelijkheid put zij de kracht om stand te houden tot het eind. Maar dit bovenpersoonlijke motief ook rechtvaardigt pas ten volle haar verzet tegen Creon's bevel.
   Het behoeft wel geen betoog dat door dit alles heel het stuk op een aanzienlijk hoger niveau wordt geheven. Tegenover elkaar staan niet meer twee personen, maar twee beginselen, dat van het staatsgezag, dat zijn in het belang van den staat genomen besluiten wenst geëerbiedigd te zien, en dat van de persoonlijke verantwoordelijkheid, die zich niet gebonden acht door besluiten, die zij goddeloos en zondig acht. Is dit in waarheid geen probleem van alle tijden?
   Wel geen toeschouwer zal het theater verlaten, wel geen lezer zal dit drama uit handen leggen zonder partij te hebben gekozen voor Antigone of voor Creon of zonder zich althans de vraag te hebben gesteld, wie van beiden daar wel het meest aanspraak op zou mogen maken. Het lijdt geen twijfel of de figuur van Antigone wint van stonde af aan ieders oprechte sympathie. Toch heeft het ook Creon niet aan ijverige verdedigers ontbroken! Wij hebben er naar gestreefd aan den lezer een zo objectief mogelijke schets van deze tragedie voor te leggen. Hij make zelf zijn rechtvaardige keuze.