Plutarchus

Plutarchus.
Levens. (Alexander
en Caesar).
Uit het Grieksch
door
Dr. B. H. Steringa Kuyper.
Deel II.
Amsterdam.
S.L. VAN LOOY. / H. GERLINGS.
VOORBERICHT
(...)
Heb ik (in) Deel I Alexander op zulk een voetstuk geplaatst, dat zelfs
Caesar zoo hoog niet stijgen kan, zoo neemt dit niet weg, dat ik toch
in een bepaald opzicht aan den Romein eene zekere meerderheid boven
den Macedoniër niet kan ontzeggen. Deze dunkt mij voornamelijk
gelegen te zijn in de koele staatsmanswijsheid en rustige bedaardheid,
die bij al zijne voortvarendheid Caesar nooit verlaat; hoe hartstochtelijk
en zinnelijk van aard ook, toch wordt hij nimmer slaaf van zijne passies,
integendeel: moge hij ook al het "carpe diem" in praktijk
brengen, toch zijn voor hem de genietingen altijd voorbijgaande zaken
en weet hij met zelfbewuste kracht zich steeds te beheerschen. Ook heeft
hij boven Alexander voor, dat hij tot volle rijpheid van jaren gekomen
is en, als zooveel later levende, over meer wetenschap en kennis beschikt,
maar dit zijn dingen, die, hoewel van beteekensi en dus vermelding verdienende,
buiten den persoon als zoodanig liggen.
Reiken wij dus ten slotte gaarne aan Alexander boven ieder ander den
eerepalm, toch erkennen wij tevens dat Caesar voor alle tijden is en
blijft der groote Tiberstad grootste zoon en dat tot in het verre nageslacht
zal gelden het woord van Mommsen: "als ein Wirkender und Schaffender
lebt er noch nach Jahrtausenden in Gedächtniss der Nationen, der
erste und doch auch der einzige Imperator Caesar." [Mommsen R.G.
III, 6e aufl., p 569]
De door mij gebezigde teksten zijn: voor Plutarchus die van C. Sintenis,
Teubner en voor Appianus die van L. Mendelssohn, Teubner.
B.H.S.K.
Schiedam, Jan. 1898.

GAJUS CAESAR
1. Bij den aanvang
van Sulla's dictatuur was Caesar gehuwd met Cornelia, de dochter van
Cinna, den voormaligen alleenheerscher. Sulla liet geen middel onbeproefd
om deze echtverbintenis te verbreken. Toen echter noch beloften noch
bedreigingen iets baatten, confiskeerde hij Cornelia's bruidschat. De
oorzaak der vijandige verhouding tusschen Caesar en Sulla was gelegen
in Caesars verwantschap met Marius. Julia toch, de zuster van Caesars
vader, was gehuwd geweest met den ouderen Marius; de uit dit huwelijk
geboren jongere Marius was dus volle neef van Caesar. In weerwil echter
van deze vijandschap was Sulla aanvankelijk door de menigte proscripties
en andere bezigheden zóózeer in beslag genomen, dat hij
Caesar geheel over het hoofd zag. Deze, in plaats van blijde te zijn,
dat men hem vergat, waagde het om zelfs openlijk voor eene volksvergadering
op te treden en naar een priesterambt te dingen, en dat terwijl hij
nog niet eens ten volle den jongelingsleeftijd achter den rug had.
Dit optreden lokte een krachtig verzet uit van den kant van Sulla, die
dan ook wist te bewerken, dat hij niet gekozen werd. Zelfs maakte Sulla
het thans tot een punt van ernstige overweging, of het niet wenschelijk
ware Caesar uit den weg te ruimen. Toen hem nu door eenigen de opmerking
gemaakt werd, dat hij toch geen reden had om een nog zoo jeugdigen knaap
te doen ombrengen, zeide hij, dat zij dan wel geen verstand moesten
hebben, wanneer zij niet inzagen, dat in dezen knaap vele Mariussen
staken. Dit woord kwam weldra Caesar ter oore en deed hem besluiten
een poos in het land der Sabijnen rond te zwerven ten einde zich zoodoende
voor Sulla schuil te houden. In den eersten tijd gelukte hem dit ook,
maar, toen daarna op een zekeren nacht eene ongesteldheid hem noopte
zich naar eene andere woning te laten brengen, viel hij soldaten van
Sulla in handen, terwijl deze zich juist onledig hielden die streek
te doorsnuffelen en personen, die zich daar verborgen hielden, gevangen
te nemen. Hij slaagde er evenwel in hun kapitein Cornelius te bewegen
hem voor een som van twee talenten vrij te laten, waarna hij zich in
allerijl naar de kust begaf en wegvoer naar Bithynië tot koning
Nicomedes. Bij hem vertoefde hij nu een korten tijd. Daarop scheepte
hij zich weder in, maar werd in den omtrek van het eiland Pharmacusa
door zeeroovers gevangen genomen, die toen ter tijd reeds met groote
vloten de zee beheerschten en met een ontelbaar aantal vaartuigen de
wateren als het ware bedekten.
Lucius Cornelius Sulla
2. Toen zij twintig
talenten losgeld van hem eischten, begon hij hen hartelijk uit te lachen
alsof zij niet wisten, wien zij gevangen hadden, en beloofde uit eigen
beweging hun er vijftig te zullen betalen. Daarna zond hij van zijne
begeleiders den een naar deze, den ander naar gene stad om het geld
bijeen te krijgen. Zelf bleef hij intusschen met één vriend
en twee bedienden onder deze bloeddorstige Ciliciërs achter. Hij
behandelde hen echter met de grootste verachting. Zoo liet hij 't hun
weten, wanneer hij zich te ruste wilde leggen en gelastte hun zich onderwijl
stil te houden. Acht en dertig dagen lang verkeerde hij onder hen, eerder
als een door zijn lijfwacht omgeven vorst dan als een door roovers bewaakte
gevangene. Zonder de minste vrees nam hij aan hunne spelen en lichaamsoefeningen
deel. Ook maakte hij gedichten en stelde redevoeringen op, naar welker
voorlezing hij hen noodzaakte te luisteren, en wanneer zij er niet over
in bewondering geraakten, schold hij hen in hun gezicht voor onbeschaafden
en barbaren uit, en ging dikwijls zoover, dat hij al lachend dreigde
hen te zullen laten ophangen. De roovers beschouwden zijne vrijmoedige
uitingen als onschuldige jokkernij en schepten er veel vermaak in. Maar
toen het losgeld uit Milete gekomen en hij na betaling vrijgelaten was,
bemande hij terstond eenige vaartuigen en stak daarmeê tegen de
roovers in zee. Hij overviel hen, terwijl zij nog bij het eiland voor
anker lagen en kreeg de meesten in zijn macht.
Hun geld beschouwde hij als een hem rechtmatig toekomenden buit; hen
zelven bracht hij naar Pergamum, waar hij hen in de gevangenis liet
werpen. Vervolgens begaf hij zich tot den toenmaligen landvoogd van
Azië, den praetor Junius, daar deze krachtens genoemde qualiteit
de aangewezen man was om de gevangenen te straffen. Junius wierp begeerige
blikken op het geld, dat een aanmerkelijk bedrag beliep, en zeide, dat
hij te gelegener tijd de zaak der gevangenen zou onderzoeken. Caesar
liet hierop den praetor voor hetgeen hij was, ijlde naar Pergamum, gaf
last de roovers voor hem te brengen en deed hen allen aan het kruis
slaan. Zoo ondergingen zij dus inderdaad het lot, waarmede hij hen van
te voren op het eiland schijnbaar in scherts zoo dikwijls had bedreigd.
3. Inmiddels begon te Rome Sulla's gesternte allengs te tanen en namen
Caesars vrienden daaruit aanleiding hem tot terugkeer uit te noodigen.
Allereerst echter voer hij naar Rhodus, om de redenaarsschool van Apollonius,
den zoon van Molo, te bezoeken. Deze Apollonius, onder wiens gehoor
ook Cicero geweest is, was op het gebied der welsprekendheid een talent
van den eersten rang; bovendien stond hij bekend als een man van een
rechtschapen karakter. Caesar nu bezat een buitengewonen aanleg voor
de politieke welsprekendheid, en wist zijne natuurlijke gaven met zooveel
ijver en talent te ontwikkelen, dat hij onder de Romeinsche redenaars
onbetwist de tweede plaats innam. Zelfs was zijn aanleg van dien aard,
dat hij gemakkelijk de eerste plaats had kunnen veroveren, ware het
niet dat hij er de voorkeur aan had gegeven de eerste te wezen op staatkundig
en militair terrein. En om zich tot dit hooge standpunt op te werken
werd zijn tijd reeds zóózeer in beslag genomen, dat hij
afzag van elke poging om ook op oratorisch gebied allen te overschaduwen.
Bereikte hij dus niet die volkomenheid in het spreken, die elke mededinging
achter zich laat, zoo was dit alleen een gevolg van zijne vele veldtochten
en van de menigte beslommeringen van staatkundigen aard, welke de politieke
rol, die hij speelde, bij voortduring met zich bracht. Maar hieraan
had hij dan ook ten slotte zijne alleenheerschappij te danken. Toen
hij later zijn verweerschrift tegen Cicero aangaande Cato in het licht
gaf, verzocht hij daarin den lezer het eenvoudige woord van een soldaat
toch vooral niet te vergelijken met den afgeronden stijl van een talentvol
redenaar, die al zijn tijd aan de beoefening der welsprekendheid kon
wijden.
4. Toen hij te Rome teruggekeerd was, klaagde hij Dolabella aan wegens
afpersingen in zijne provincie, waarbij vele Grieksche staten als getuigen
aan zijne zijde stonden. Toch werd Dolabella vrijgesproken. Kort hierna
hadden de Grieken een proces te voeren tegen P. Antonius wegens omkooperij.
Om nu hunne bereidwilligheid in het geding tegen Dolabella te vergelden
nam Caesar de taak op zich hun zaak te bepleiten voor M. Lucullus den
praetor van Macedonië. En inderdaad wist hij door zijne welsprekendheid
te bewerken, dat Antonius, voorgevende in Griekenland tegen Grieken
geene onpartijdige rechtspraak te kunnen erlangen, zich op de volkstribunen
beriep. De schitterende redenaarstalenten nu, die Caesar bij pleitgedingen
ten toon spreidde, deden hem intusschen veler gunst te Rome verwerven;
maar in niet mindere mate viel hem de toegenegenheid des volks ten deel
wegens de bijzondere innemendheid, waarover hij bij begroetingen en
in den dagelijkschen omgang wist te beschikken: hij verstond bij uitstek
de kunst de plooibare en dienstvaarige man te zijn en dat met een talent,
dat zijn leeftijd ver te boven ging. Inzonderheid droegen zijn weelderige
tafel en over het geheel zijne schitterende levenswijze er veel toe
bij om zijne reeds zoo invloedrijke positie in den staat allengs te
doen wassen. Aanvankelijk schonken zijne benijders in de meening, dat,
zoodra zijn vermogen zou zijn opgeteerd, daarmede ook zijn invloed verdwijnen
zou, aan Caesars meer en meer zich uitbreidend gezag weinig aandacht.
Toen echter dit gezag zoo was toegenomen, dat het niet meer te keeren
was, en het openlijk afging op de omverwerping der republiek, zag men
te laat in, dat men geene zaak, ook al is zij in haar begin klein, ooit
voor onbeduidend moet houden. Immers het is juist deze geringschatting,
die, met de stalen volharding van den ondernemer tegenover zich, aan
haar voortschrijden geen beletsel in den weg legt.
De man, wien het eerst Caesars staatkunde met haar lachend uiterlijk
niet minder verdacht en vreesverwekkend voorkwam dan eene kalme zee
met hare lachend-kabbelende oppervlakte, was Cicero. Hij doorgrondde
ten volle dat karakter, dat onder het mom van minzaamheid en welwillendheid
eene onverzettelijke kracht en een machtigen wil verborg. Van Cicero
is dan ook het woord: "Op den bodem van alle staatkundige ondernemingen
en van alle ontwerpen van dezen man ligt mijns inziens steeds de gedachte
van een alleenheerscher." Dezelfde redenaar placht hier echter
aan toe te voegen: "Wanneer ik daarentegen zie met welk eene overdreven
élégance hij zijn haar verzorgt en hoe hij zich slechts
met één vinger krabt, dan kan ik mij aan den anderen kant
weêr niet voorstellen, dat deze man zich zulk een rampzalig plan
als de omverwerping van den Romeinschen staat in het hoofd zou hebben
gezet." Maar dit behoort eerst tot eene latere periode.
5. Van de toegenegenheid des volks ontving Caesar het eerste blijk,
toen hij met G. Popilius naar het krijgstribunaat dong en het eerst
als zoodanig benoemd werd. Hierop volgde een tweede, dat nog veel meer
in het oog viel. Aanleiding hiertoe gaf het overlijden van Julia, de
gemalin van Marius. Als haar neef toch hield Caesar te harer eere eene
schitterende lijkrede op het forum en waagde het bij de uitvaart borstbeelden
van Marius te voorschijn te brengen. Dit was sedert de heerschappij
van Sulla, die de Marianen voor vijanden des vaderlands verklaard had,
de eerste maal, dat deze beelden weder werden aanschouwd. Toen nu enkelen
hierover tegen Caesar een geschreeuw aanhieven, overstemde het volk
dit door onder luide kreten en handgeklap Caesars daad toe te juichen.
Er ging onder het volk slechts één stem van bewondering
op over zijn moed, daar hij niet schroomde den roem van Marius, die
zoovele jaren begraven was geweest, te doen herleven door hem als 't
ware uit de onderwereld weder de stad binnen te voeren.
Overigens was het uitspreken van lijkredenen ter eere van vrouwen van
leeftijd een oud gebruik bij de Romeinen; bij het overlijden van jonge
vrouwen bestond deze gewoonte niet. Caesar echter was weder de eerste,
die hiermede geene rekening hield.
Toen hem namelijk zijne eigene vrouw door den dood werd ontrukt, sprak
hij evenzeer haar ter eere eene rede uit. Ook hierdoor verwierf hij
zich de gunst der menigte, die bovendien bij het aanschouwen zijner
groote droefheid zóó geroerd werd, dat zij in hem den
humanen en gevoelvollen man leerde liefhebben. Na de begrafenis zijner
echtgenoote ging Caesar als quaestor naar Hispanië, en wel in het
gevolg van den praetor Vetus, een man, dien hij zijn leven lang de hoogste
achting toedroeg, waarvan als bewijs kan strekken, dat hij later, toen
hij op zijn beurt praetor was, diens zoon tot zijn quaestor maakte.
Na afloop zijner quaestuur trad hij voor de derde maal in het huwelijk
en wel met Pompeja, terwijl hij van Cornelia eene dochter had, die later
de vrouw werd van Pompejus Magnus.
In dezen tijd was Caesar zoo verbazend verkwistend met geld, dat hij
nog vóór de aanvaarding van eenig ambt al diep in de schuld
stak; men wil zelfs, dat deze reeds toen de ontzaglijke som van 1300
talenten beloopen moet hebben. Het verdient echter opmerking, dat Caesar,
hoezeer hij schijnbaar voor groote uitgaven slechts een voorbijgaanden
en kortstondigen roem inruilde, in waarheid "het hoogste"
kocht voor een geringen prijs. Immers terwijl hij van zijn eigen vermogen
reusachtige sommen besteedde, toen hij belast was met het toezicht op
de verbetering der Via Appia, en als aedilis driehonderd twintig paren
gladiatoren op zijn kosten voor het volk liet vechten, voorts over het
geheel ter opluistering van theatervoorstellingen, feestelijke optochten
en gastmalen eene vrijgevigheid en royaliteit aan den dag legde, waardoor
hij alles in de schaduw stelde, wat op dit gebied vroeger door anderen
was geleverd, zoo strekte dit alles ten slotte om het volk zóó
voor hem te stemmen, dat ieder telkens om strijd naar nieuwe eerambten
en nieuwe onderscheidingen zocht, om hem daardoor zijne dankbaarheid
te toonen.
6. Toen ter tijd waren er twee staatkundige partijen te Rome, die der
Sullanen en die der Marianen. De eerste had alle macht in handen, de
tweede was machteloos en verkeerde in een toestand van ontbinding. Nu
was het Caesars doel laatstgenoemde partij uit haar staat van diepe
vernedering op te heffen en krachtig te maken. Daarom liet hij, juist
toen zijne eerzuchtige bemoeiingen haar toppunt van vrijgevigheid bij
de waarneming der aediliteit bereikten, in stilte eenige beelden van
Marius en tropaeëndragende Nike's vervaardigen en deze op een nacht
naar het Capitool brengen, alwaar hij vervolgens allen eene in het oog
vallende plaats gaf. Den volgenden morgen trokken deze beelden, die
alle schitterden van goud en ongemeen artistiek waren bewerkt, terwijl
er inscripties op waren aangebracht, die de Cimbrische zegepralen vermeldden,
reeds terstond de aandacht van velen. De verbazing dezer menschen over
de vermetelheid van den man, die de beelden had doen opstellen en over
wiens naam niemand in twijfel verkeerde, kende geene palen. Het gerucht
hiervan verbreidde zich snel door de stad en lokte alle menschen naar
het Capitool om de beelden in oogenschouw te nemen. Er waren er echter
onder hen, die luide verkondigden dat het nu duidelijk bleek hoe Caesars
staatkunde de alleenheerschappij ten doel had, daar hij eerbetooningen,
die reeds lang door wetten en senaatsbesluiten begraven waren, weder
in het leven riep: "dit is niets anders", zeiden zij, "dan
een proef, die hij neemt op het vooraf door hem bewerkte volk; hij wil
zien of hij het door zijne milde schenkingen tam genoeg heeft gemaakt,
om hem te veroorloven zulk een spel te spelen en allerlei nieuwigheden
te verzinnen." De Marianen daarentegen vertoonden zich, terwijl
zij elkander wederkeerig moed inspraken, plotseling in een verbazingwekkend
groot aantal op het Capitool, dat zij van jubelende bijvalsbetuigingen
deden weergalmen; velen hunner ontwelden bij den aanblik van Marius'
beeltenis vreugdetranen en Caesar werd door hunne lofspraken hemelhoog
verheven: hij alleen was groot en een man boven alle anderen waardig
een verwant van Marius te zijn.
Bovenvermelde gebeurtenissen gaven aanleiding, dat de senaat bijeengeroepen
werd. In deze vergadering verhief zich een in dien tijd te Rome bij
uitstek gezien man, Lutatius Catulus, van zijn zetel met een rede, die
een openlijke aanklacht tegen Caesar behelsde. Hierbij uitte hij de
gedenkwaardige woorden: "Caesar belaagt den staat niet langer met
loopgraven, maar beukt hem reeds openlijk met stormrammen." Tegen
deze beschuldiging wist Caesar zich echter met zóóveel
talent te verdedigen, dat de senaat geheel voor hem gewonnen werd. Dit
had ten gevolge, dat zijne bewonderaars nog vermeteler werden en hem
aanspoorden om toch nooit in fieren moed voor wien ook onder te doen:
"dan zou hij, door de gunst des volks gedragen, over al zijne tegenstanders
zegevieren en eenmaal de eerste zijn."
7. Inmiddels was door den dood van Metellus het opper-pontificaat vacant
geworden. Onder de velen, die naar dit ambt dongen, behoorden Isauricus
en Catulus, beiden mannen van aanzien en van veel invloed in den senaat.
Hiervoor deinsde echter Caesar zoo weinig terug, dat hij zich naar de
volksvergadering begaf en als mededinger tegen hen optrad. Daar de volksgunst
zich vrij wel gelijkelijk scheen te zullen verdeelen, koesterde Catulus
naarmate de positie, die hij innam, hooger was, ook meer vrees voor
een onzekeren afloop. Daarom liet hij Caesar eene groote som gelds aanbieden,
ten einde hem te overreden van zijne eerzuchtige plannen af te zien.
Caesars antwoord luidde, dat hij den strijd zou uitvechten, al moest
hij nog grootere schulden maken. Op den dag der verkiezing begeleidde
hem zijne moeder onder tranen tot aan de deur. Hij omhelsde haar en
zeide: "moeder, heden zult gij uwen zoon òf als pontifex
maximus òf als balling terugzien". De stemming had plaats:
na een heeten strijd droeg Caesar de zege weg, hetgeen den senaat en
de optimaten met groote bezorgdheid vervulde, daar zij vreesden, dat
hij thans het volk tot elken stap, hoe vermetel ook, zou kunnen verleiden.
Daarom deden Piso en Catulus met hunne aanhangers Cicero vele verwijten,
toen deze bij de ontdekking der samenzwering van Catilina Caesar spaarde,
hoezeer hij in deze aangelegenheid vat genoeg op zich gegeven had.
Catilina wilde namelijk niet alleen den staatsvorm veranderen, maar
al het bestaande onderste boven werpen; hij beoogde dus eene algeheele
vernietiging van het gezag. Wel is waar had hij zelf, toen er nog slechts
getuigenissen van minder gewicht tegen hem waren ingebracht en men zijne
eigenlijke plannen nog niet had ontdekt, een goed heenkomen gezocht
in de vlucht; daarentegen had hij Lentulus en Cethegus in de stad achtergelaten
om als zijne opvolgers de door hem gesmeede samenzwering tot uitvoering
te brengen. In hoeverre nu deze door Caesar heimelijk zijn aangemoedigd
en gesteund wil ik in het midden laten. Toen echter in den senaat hun
schuld volledig en overtuigend bewezen was en de consul Cicero aangaande
de bestraffing elk naar zijn gevoelen vroeg en allen, die Caesar vóórgingen,
voor hunne terdoodbrenging hadden gestemd, rees Caesar, toen de beurt
aan hem kwam, van zijn zetel op en sprak eene van te voren wèl
overwogen rede uit. Hierin gaf hij met den meesten nadruk als zijne
meening te kennen, dat eene terechtstelling zonder vorm van proces van
zulke naar rang en geboorte aanzienlijke mannen alleen bij de uiterste
noodzakelijkheid kon worden toegelaten; in elk ander geval was zij ongeoorloofd
als indruischende zoowel tegen de voorvaderlijke zeden als tegen het
recht. Hij gaf dus den raad hen gevangen te zetten, en wel in die steden
van Italië, die Cicero zelf zou uitkiezen; werden zij daar dan
zoo lang zorgvuldig bewaakt tot Catilina geheel zou zijn overweldigd,
dan stond het later immers den senaat volkomen vrij in alle rust en
kalmte over elk afzonderlijk een oordeel te vellen.

Marcus
Tullius Cicero
8.
Deze met meesterlijk talent voorgedragen redevoering ter ondersteuning
van een voorstel, waarvan de humane strekking een ieder in het oog sprong,
maakte zulk een overweldigenden indruk, dat niet alleen zij, die na
hem opstonden, zich aan zijne zijde schaarden, maar ook velen, die vóór
hem het woord gevoerd hadden, hunne toen uitgesproken meening terugnamen
om die van Caesar te omhelzen. Geheel anders echter werd weder de stand
van zaken, toen Cato en Catulus aan het woord kwamen. Deze beide sprekers
toch traden als heftige tegenstanders tegen Caesar in het krijt: zelfs
ontzag Cato zich niet om, terwijl hij in de krachtigste bewoordingen
zich tegen Caesars voorslag verzette, steunende op diens eigen rede
verdenking van medeplichtigheid op hem te werpen. Dit optreden had ten
gevolge dat de mannen ter dood werden verwezen. Toen hierop nu Caesar
den senaat verliet, liepen vele jonge lieden, die in dien tijd een soort
lijfwacht van Cicero vormden, te hoop met het blanke zwaard op Caesar
gericht. Om hem tegen dezen aanval te beschermen zou Curio zijne toga
over hem heen geworpen hebben en hem zoo in veiligheid hebben gebracht.
Ook zou Cicero zelf, hetzij uit vrees voor het volk, hetzij omdat hij
den moord als een vergrijp tegen de wetten beschouwde en voor niet gerechtvaardigd
hield, de jongelingen, wier blikken vragend op hem gericht waren, door
een wenk van hun voornemen afgehouden hebben. Als dit werkelijk zoo
heeft plaats gehad, is het mij onbegrijpelijk, waarom Cicero in zijn
geschrift "over zijn consulaat" deze gebeurtenis in het geheel
niet aanroert. Later evenwel maakte men hem er een verwijt van, dat
hij toen het gunstige oogenblik, waarop hem zulk eene uitstekende gelegenheid
werd aangeboden om tegen Caesar op te treden, had laten glippen en hem
uit vrees voor het volk, dat Caesar eene ontzaglijke aanhankelijkheid
betoonde, had gespaard. En inderdaad, hoe onbegrensd Caesars populariteit
was, bleek reeds in de eerstvolgende dagen. Er werd namelijk eene vergadering
van den senaat gehouden, werwaarts zich Caesar begeven had ten einde
zich van de op hem geworpen verdenking vrij te pleiten. Men ontving
hem met een geweldig rumoer en rekte de zitting vervolgens zoo lang,
dat de gewone duur eener senaatsvergadering ver werd overschreden. Nu
kwam het volk onder luid geschreeuw opdagen, omringde in dichte drommen
het senaatsgebouw en eischte op bevelenden toon Caesars vrijlating.
Dit voorval maakte in hooge mate Cato's bezorgdheid voor een oproer
der proletariërs gaande. Deze menschen toch, die als het ware de
lont vormden, waardoor de geheele volksmenigte in lichtelaaie kon worden
gezet, stelden al hun hoop op Caesar. Daarom overreedde Cato den senaat
om een bepaald rantsoen koren maandelijks onder hen te verdeelen. Wel
is waar werden dientengevolge de jaarlijksche uitgaven met een bedrag
van zeven millioen vijf honderd duizend sestertiën vermeerderd,
maar het groote gevaar, dat oogenblikkelijk dreigde, was door dezen
politieken maatregel glansrijk afgewend. Dit gebeurde juist toen Caesar
op het punt stond praetor te worden en zijne macht door dit aanzienlijk
ambt des te geduchter zou geworden zijn. In plaats daarvan was echter
thans zijn invloed grootendeels gebroken en zijn aanhang verstrooid.
9. Uit de bekleeding der praetuur ontsproot dan ook in geen enkel opzicht
eenige oproerige beweging; wel echter trof Caesar in zijn eigen huis
een zeer onaangenaam voorval. P. Clodius namelijk, van afkomst patriciër,
rijk en een schitterend redenaar, maar tevens zóó vermetel
en onbeschaamd, dat hij voor geen van hen, die wegens hunne liederlijkheid
berucht waren, onderdeed, was verliefd op Pompeja, Caesars gemalin,
en zijne liefde werd door haar beantwoord. Maar hare vertrekken werden
zeer nauwlettend bewaakt en Caesars moeder Aurelia, eene matrone van
onbesproken zeden, wist gelegenheid te vinden zich bij voortduring in
de nabijheid der jonge vrouw op te houden, zoodat samenkomen der gelieven
met groote moeiten en gevaren gepaard gingen. De Romeinen nu hebben
eene godin, die zij Bona Dea noemen en die men kan vergelijken met de
Grieksche Gunaikeia. Volgens de bewering der Phrygiërs is zij eene
in hun land inheemsche godheid en wel de moeder van hun koning Midas;
de Romeinen daarentegen houden haar voor eene dryade, die gehuwd was
met Faunus; bij de Grieken eindelijk is zij eene der moeders van Dionysus,
en wel diegene, die als de "onnoembare" wordt aangeduid. Daarom
worden door de vrouwen, die het feest vieren, hutten gebouwd, met wijnranken
bedekt, en een heilige draak ligt in overeenstemming met de mythe aan
de voeten van het standbeeld der godin. Eenen man is de toegang verboden;
zelfs mag zich tijdens de viering der heilige feesten geen man ergens
in het huis ophouden. De vrouwen bevinden zich in een afgezonderd gedeelte
en verrichten, naar men zegt, bij haren offerdienst vele ceremonies,
welke op die der Orphische mysteriën gelijken. Wanneer nu het tijdstip
van het feest is aangebroken, moet de man, en dit is steeds een consul
of een praetor, met alle andere mannelijke bewoners zijn huis verlaten;
de vrouw neemt dan het huis van hem over en siert het op met gepasten
tooi. De voornaamste mysteriën hebben des nachts plaats en dit
nachtfeest gaat gepaard met allerlei scherts en wordt door veel muziek
begeleid.
10. Daar het nu juist Pompeja's beurt was om dit feest te vieren, besloot
Clodius, die nog baardeloos was en dus meende van dien kant voor ontdekking
gevrijwaard te zijn, zich in het gewaad en den overigen dos eener citherspeelster
te steken. Zoo vermomd geleek hij volkomen op eene jonge vrouw en begaf
zich naar het feest. Hij vond de deur open en werd door eene slavin
van Pompeja, die in het geheim was, veilig in huis gelaten. Doordat
deze nu vooruitliep om hare meesteres van zijne komst te verwittigen
moest Clodius een oogenblik wachten, maar daar hij niet durfde blijven
waar men hem gelaten had, sloop hij door het groote huis rond steeds
zorgend, dat hij op een goeden afstand bleef van de lampen. Het toeval
wilde echter, dat hij eene kamenier van Aurelia ontmoette, die in de
meening, dat zij met een lid harer sexe te doen had, hem staande hield
en tot een spel met haar uitnoodigde. Toen hij dit verzoek van de hand
wees, trok zij hem naar het midden der zaal met de vraag: "wie
zijt gij dan en waar komt gij van daan?" Clodius antwoordde, dat
hij wachtte op Pompeja's abra, die juist dezen zelfden naam, Abra droeg,
maar zijne stem verried hem: onder luid geschreeuw ijlde de kamenier
terstond naar het volle licht, waar het gezelschap zich bevond al roepende:
"ik heb een man betrapt." De vrouwen werden door hevige ontsteltenis
bevangen en vluchtten uiteen; Aurelia brak onmiddellijk allen verderen
voortgang der mysteriën af, bedekte de heiligdommen en liet de
deuren sluiten; daarop ging zij zelve met flambouwen het geheele huis
door om Clodius te zoeken. Men vond hem verborgen in de kamer der slavin,
door wie hij binnen was gebracht; de vrouwen herkenden hem en joegen
hem buiten de deur. Dadelijk gingen nu ook deze daarop huiswaarts en
vertelden in denzelfden nacht haren mannen het voorval.
Den volgenden morgen ging het gerucht van eene gruwelijke heiligschennis,
die Clodius gepleegd zou hebben, als een loopend vuur door de stad.
Men verzekerde dat hij niet alleen zich aan beschimping van bepaalde
personen had schuldig gemaakt, maar zich ook vergrepen had aan den staat
en de goden. Terwijl nu een der volkstribunen Clodius wegens heiligschennis
aanklaagde, traden bovendien de invloedrijkste leden van den senaat
gezamenlijk met een aantal beschuldigingen tegen hem op. Zij verklaarden
namelijk te kunnen getuigen, dat hij zich, behalve aan vele andere liederlijke
handelingen, ook schuldig had gemaakt aan bloedschennige echtbreuk met
zijne eigene zuster, die met Lucullus gehuwd was geweest. Maar thans
verzette zich het volk tegen de bemoeiingen dezer mannen; het nam Clodius
in bescherming en steunde hem krachtig tegenover de rechters, die voor
het gepeupel sidderden en beefden. Caesar zelf liet zich terstond van
Pompeja scheiden, maar verklaarde in weerwil hiervan, toen hij als getuige
voor het gerecht werd geroepen, dat hem van hetgeen Clodius ten laste
werd gelegd niets bekend was. Natuurlijk vond men dit een zeer zonderling
antwoord en de aanklager voelde zich dan ook genoopt hem de vraag te
stellen: "maar waarom hebt gij u dan van uwe vrouw laten scheiden?"
"Omdat ik," antwoordde hij, "verlang, dat op mijne
vrouw zelfs niet de minste verdenking mag vallen." Volgens
sommigen meende Caesar werkelijk wat hij zeide; anderen daarentegen
beweren, dat hij zoo sprak om het volk te behagen, dat zonder eenig
voorbehoud den beklaagde wilde redden. Het slot der zaak was, dat Clodius
inderdaad werd vrijgesproken, en wel tengevolge van het feit, dat de
meeste rechters hun stem over verscheidene zaken door elkaar uitbrachten.
Zij deden dit met bedoeling, want veroordeelden zij hem, dan stelden
zij zich bloot aan gevaren van de zijde van het volk en spraken zij
hem vrij, dan liepen zij de kans, dat hun goede naam in de oogen der
optimaten bezwalkt was.
11. Onmiddellijk na afloop der praetuur ontving Caesar Hispanië
als provincie. Maar zijn afreis derwaarts werd hem als 't ware door
zijn schuldeischers versperd; zij maakten een geweldig kabaal en waren
voor geen enkele schikking te vinden. Nu kwam echter Caesar op het denkbeeld
zijn toevlucht te zoeken bij Crassus, den rijksten man te Rome, die
op zijn beurt Caesars invloed en geestkracht noodig had om zich in zijn
politiek tegenover Pompejus te handhaven. Crassus verklaarde zich bereid
de lastigste en onverbiddelijkste schuldeischers voor zijne rekening
te nemen en bleef bij hen borg voor de som van 830 talenten; zoo kon
dus Caesar naar zijne provincie vertrekken. Bij zijn overtocht over
de Alpen voerde hem zijn weg langs een kleine stad; het zielental der
uit onbeschaafde bergbewoners bestaande bevolking was uiterst gering
en het plaatsje zag er armzalig uit. Naar men verhaalt werd toen door
zijn gevolg onder gelach en uit scherts de vraag opgeworpen: "zou
men nu hier ook eerzuchtig dingen naar ambten en met elkander wedijveren
om de eerste plaats te bekleeden, en zou hier ook jaloerschheid de voornaamsten
tegen elkaar in het harnas jagen?" In antwoord hierop zou toen
echter Caesar in vollen ernst tot hen gezegd hebben: "maar ik verzeker
u dan toch, dat ik liever onder deze menschen de eerste zou willen zijn,
dan te Rome de tweede."
Iets dergelijks zou bij eene volgende gelegenheid in Hispanië hebben
plaats gegrepen. Terwijl hij namelijk op een rustig oogenblik zich bezig
hield met het lezen van een geschrift over Alexander, zou hij te midden
van zijne lectuur langen tijd in diep gepeins verzonken zijn geweest
en daarna zelfs tranen hebben gestort; en toen zijne vrienden verbaasd
naar de oorzaak vroegen, zou hij gezegd hebben: "vindt gij dan
ook niet, dat ik reden tot droefheid heb, wanneer ik mij zelf vergelijk
bij Alexander, die op mijn leeftijd reeds over zoovele volken heerschte,
terwijl er thans door mij nog geen enkele daad van beteekenis is verricht?"
12. Nauwelijks had hij den voet op Iberisch grondgebied gezet, of hij
ontwikkelde eene groote mate van bedrijvigheid, met dit gevolg, dat
hij in weinige dagen bij de reeds van vroeger aanwezige twintig cohorten
tien nieuwe op de been bracht. Hiermede ondernam hij een krijgstocht
tegen de Galaeciërs en Lusitaniërs. Hij overwon beide volken,
drong zelfs tot den Atlantischen Oceaan door en bracht onderwijl eene
menigte stammen, die tot nog toe niet aan de Romeinen gehoorzaamden,
onder zijn gezag. Na op militair terrein deze gunstige resultaten te
hebben erlangd, bezorgde hij met niet minder goed gevolg de aangelegenheden
van den vrede. Het gelukte hem de onderling oneenige steden weder met
elkander te verzoenen en inzonderheid een middel te vinden, dat eens
voor al een eind maakte aan de haspelarijen tusschen schuldenaars en
schuldeischers. Hij vaardigde namelijk eene verordening uit, die bepaalde,
dat de schuldeischer jaarlijks 2/3 zou ontvangen van de inkomsten van
den schuldenaar, dat deze laatste als eigenaar het overige 1/3 zou genieten
en dat dit zoo zou voortgaan, totdat de geheele schuld gedelgd was.
Deze maatregelen vonden zulk een algemeenen bijval, dat zijn naam allerwegen
een goeden klank had, toen hij de provincie verliet.
Intusschen hadden zijne veldtochten de noodige voordeelen afgeworpen:
hij zelf was een rijk man geworden en had zijne soldaten overvloedig
met buit begiftigd. Door hen werd hij nu met den titel imperator
begroet.
13. Juist tegen den tijd der consulaire kiescomitiën kwam Caesar
te Rome terug. Nu bestond het voorschrift, dat zij, die een triumf verlangden
te houden, zoolang hun aanvraag hangende was, buiten de stad moesten
blijven; daarentegen moesten zij, die naar het consulaat dongen, persoonlijk
de daartoe noodige stappen in de stad zelve doen. Tengevolge dezer thans
als 't ware tegen elkander indruischende wettelijke bepalingen geraakte
Caesar in groote verlegenheid. Daarom richtte hij tot den senaat het
verzoek, hem te vergunnen zonder persoonlijk tegenwoordig te zijn door
zijne vrienden aanzoek te doen om het consulaat. Tegen dit verlangen
verzette zich Cato, eerst door zich met kracht vast te houden aan de
wet; toen hij vervolgens zag, dat Caesar reeds velen voor zich gewonnen
had, beproefde hij de zaak op de lange baan te schuiven en verbruikte
zelfs een geheelen dag met het uitspreken eener lange redevoering. Nu
besloot Caesar den triumf op te geven en alleen naar het consulaat te
dingen.
Terstond kwam hij nu binnen de stad en wist door heimelijke machinatiën
een staatsgreep voor te bereiden, waardoor alle menschen, behalve Cato,
om den tuin werden geleid. Dit was de verzoening van Pompejus met Crassus,
de machtigste mannen in den staat. Terwijl het hem namelijk gelukte
hunne geschillen bij te leggen en hen weder in vriendschap tot elkander
te brengen, wist hij juist daardoor hun beider macht in zijn persoon
te vereenigen. Op deze wijze bracht hij door een daad, die, wanneer
men op den naam alleen afging louter een menschlievend karakter droeg,
onbemerkt eene volledige staatsomwenteling tot stand. Zoo blijkt het
dus, dat van nabij bezien de meesten een geheel verkeerd denkbeeld hebben
over de eigenlijke oorzaak der burgeroorlogen. Ten onrechte toch meenen
zij, dat de vijandschap tusschen Caesar en Pompejus den burgerkrijg
in het leven riep: integendeel zijn ontstaan is veeleer toe te schrijven
aan hun vriendschap. Deze immers verbond hen eerst ten nauwste, zoodat
zij vereenigd optrokken tot vernietiging der aristocratie; eerst later
openbaarde zich tweedracht en zoo stonden zij ten slotte vijandig tegenover
elkaar.
Nu voorspelde Cato wel is waar meermalen wat de toekomst baren zou,
maar hiermede kwam hij toenmaals niet verder, dan dat men hem voor een
grompot en een bemoeial hield; en, toen nu het vervolg van tijd de juistheid
zijner inzichten aan het licht bracht, noemde men dien verstandigen
raadgever een ongeluksprofeet.

Cato
14.
Zoo werd dus Caesar, als 't ware links en rechts door de vriendschap
van Crassus en Pompejus gedekt, naar het consulaat gevoerd; de afkondiging
zijner verkiezing met Calpurnius Bibulus als ambtgenoot had op schitterende
wijze plaats. Maar nauwelijks had hij zijn hooge magistratuur aanvaard
of hij diende wetsvoorstellen in, die eerder eenen bij uitstek vermetelen
volkstribuun dan eenen consul pasten. Hij stelde namelijk om den grooten
hoop te behagen eene akkerwet voor, die verdeelingen van landerijen
en inbezitneming daarvan door colonisten voorschreef. Toen hij hiertegen
heftig verzet bij de optimaten in den senaat ontmoette, nam hij, die
reeds lang naar een voorwendsel zocht, hieruit aanleiding om met luider
stemme de verklaring af te leggen, hoe hij tegen zijn wil genoopt werd,
zich in de armen van het volk te werpen: "wanneer ik," riep
hij uit, "voortaan door dienstebtoon het volk voor mij tracht te
winnen, dan doe ik dat alleen door den nood gedrongen, en werp hierbij
alle schuld daarvan op den meedoogenloozen trots van den senaat."
Met deze woorden verliet hij in allerijl de senaatszitting en begaf
hij zich naar de volksvergadering. Hier deed hij Crassus aan zijn eene
en Pompejus aan zijn andere zijde plaats nemen en vroeg hen of zij zijne
wetten goedkeurden. Toen zij deze vraag bevestigend beantwoordden, deed
hij een beroep op hunne bereidvaardigheid om hem bij te staan tegen
eene partij, die dreigde zich tegen hem te verzetten met het zwaard
in de hand. Beiden beloofden het en Pompejus voegde er nog aan toe,
dat hij tegen hunne zwaarden zou uitrukken gewapend met zijn zwaard
en gedekt door zijn schild.
Door deze uitlatingen griefde hij de aristocraten in hooge mate; zij
hadden een taal vernomen, die eensdeels aan zijn eigen waardigheid tekort
deed, anderdeels niet in overeenstemming was met de deferentie, door
hem aan den senaat verschuldigd: het scheen wel of dolle waanzin en
jeugdige overmoed hem deze woorden hadden ingegeven. Het volk daarentegen
juichte.
Inmiddels zat Caesar niet stil, maar wist met sluw overleg den machtigen
Pompejus nog hechter aan zijn persoon te verbinden. Hij schonk hem namelijk
de hand zijner dochter Julia, hoezeer deze reeds met Servilius Caepio
verloofd was. Dezen laatsten zegde hij als vergoeding hiervoor Pompejus'
dochter toe, alhoewel ook zij nier meer vrij was; zij was namelijk verloofd
met Faustus, den zoon van Sulla. Kort hierna trad Caesar zelf met Calpurnia,
eene dochter van Piso, in den echt; aan Piso waarborgde hij het consulaat
voor het volgend jaar.
Tegen dit alles verhief echter Cato met nadruk zijn stem. "Het
is niet langer te dulden," zoo sprak hij, "dat het hoogste
gezag door huwelijken samen te koppelen wordt verkwanseld en dat men
elkander, met vrouwen als tusschenpersonen, provincies, legers en ambten
bezorgt." Caesars collega Bibulus beproefde nog van zijn kant de
totstandkoming der wetten te verhinderen, maar al zijne pogingen leden
schipbreuk; zelfs liep hij dikwijls gevaar met Cato op het forum vermoord
te worden. Dit noopte hem zich den geheelen nog overigen tijd van zijn
consulaat onafgebroken in zijn huis op te sluiten.
Ondertusschen liet Pompejus terstond na zijn huwelijk het forum met
gewapenden bezetten, de democratische wetten bekrachtigen, en aan Caesar
geheel Gallië voor vijf jaren als provincie toewijzen. Dit gebied
omvatte zoowel het cis-Alpinische als het trans-Alpinische Keltenland;
bovendien werd er Illyrië aan toegevoegd, terwijl vier legioenen
onder zijn commando werden gesteld.
Toen Cato het waagde tegen deze besluiten in oppositie te komen, liet
Caesar hem in de gevangenis zetten, in de meening dat hij een beroep
zou doen op de volkstribunen. Maar Cato schreed zonder een woord te
spreken daarheen, en niet alleen de optimaten waren vergramd, maar ook
het volk begeleidde hem zwijgend en met neergeslagen blik uit eerbied
voor zijn deugd. Toen Caesar dit bemerkte, verzocht hij in het geheim
één der volkstribunen Cato weder in vrijheid te stellen.
Van de senatoren kwamen in den regel slechts weinige leden met Caesar
ter vergadering, de overigen bleven uit verontwaardiging weg. Eens zeide
Considius, een der oudste senatoren, dat zij uit vrees voor de gewapende
troepen niet in den senaat verschenen. Hierop antwoordde Caesar met
de vraag: "zoo! en waarom blijft gij dan zelf uit vrees daarvoor
ook niet tehuis?" "Omdat," zeide Considius, "de
ouderdom mij onbevreesd maakt, want het beetje leven, dat mij nog rest,
heeft weinig voorzorg noodig." Maar de schandelijkste aller toenmalige
politieke handgrepen schijnt wel deze te zijn, dat onder Caesars consulaat
dezelfde Clodius tot volkstribuun verkozen werd, die zich zoozeer aan
zijn huwelijk en de geheime nachtelijke feesten vergrepen had. Hij werd
echter gekozen met de bedoeling om Cicero's staatkundigen ondergang
te bewerken en Caesar vertrok niet eerder naar zijn leger, vóór
hij met behulp van Clodius inderdaad Cicero ten val had gebracht en
uit Italië had doen verbannen.
15. Dit zijn in hoofdzaak de belangrijkste feiten, die aan de gebeurtenissen
in Gallië voorafgaan. Het tijdperk van Caesars leven, dat thans
een aanvang neemt, is dat der oorlogen, die hij na al het boven vermelde
voerde. Terwijl hij in deze door een reeks van veldtochten het land
der Kelten geheel onderwierp, begon hij als 't ware een geheel nieuw
leven: hij sloeg andere nieuwe banen in, zooals uit al zijn doen en
laten, zijn gansche optreden duidelijk blijkt. De periode der Gallische
oorlogen doet hem ons kennen als een krijgsman en legeraanvoerder, die
bij geen der grootsten en meest bewonderden op het gebied der veldheerskunst
achterstaat. Integendeel, hetzij men hem vergelijkt met de Fabii, de
Scipio's of de Metelli, hetzij met tijdgenooten of met hen, die kort
vóór hem leefden, zooals Sulla en Marius, de beide Luculli
of zelfs Pompejus, wiens roem, wegens zijne veelzijdige militaire voortreffelijkheid
hemelhoog verheven, toen op zijn toppunt stond, Caesars daden gaan die
van deze allen te boven. Den een overtreft hij wat aangaat de groote
bezwaren van het terrein, waarop hij krijg voerde, den ander in de uitgestrektheid
van het gebied, dat hij veroverde, een derden door de groote getalssterkte
en macht der vijanden, die hij overwon, een vierden door de wispelturige
en trouwelooze karakters, die hij onder zijn beschavenden invloed wist
te brengen, een vijfden door zijne welwillendheid en zachtmoedigheid
jegens zijne gevangenen, weer een ander eindelijk in mildheid en gunstbetoon
jegens zijne soldaten. Allen te zamen echter overtreft hij in dit opzicht,
dat hij de meeste gevechten geleverd en het grootste aantal vijanden
verslagen heeft. Want, hoewel hij nog geen volle tien jaren in Gallië
oorlog heeft gevoerd, heeft hij binnen dat tijdsbestek meer dan 800
steden stormenderhand veroverd, 300 volksstammen onderworpen, en in
achtereenvolgende gevechten in het geheel slag geleverd tegen drie miljoen
menschen, waarvan hij één miljoen in den strijd deed sneuvelen
en even zooveel gevangen nam.
16. De toegenegenheid en aanhankelijkheid, die zijne soldaten hem toedroegen,
waren buitengemeen. Mannen, die overigens in geen enkel opzicht verschilden
van andere soldaten op andere veldtochten, stortten zich als onoverwinnelijke
en onweerstaanbare krijgshelden in elk gevaar, waar het Caesars roem
gold. Zulk een man was bijvoorbeeld Acilius. Dezen werd, toen hij in
den zeeslag bij Massilia een vijandelijk schip had aangeklampt, met
een zwaard de rechterhand afgehouwen; desniettegenstaande liet hij toch
zijn schild uit de andere hand niet los, maar wist daarmee zelfs de
vijanden niet slechts in het gezicht te slaan maar hen allen te verdrijven,
waarna hij zich van het vaartuig meester maakte. Een dergelijk wapenfeit
verrichtte Cassius Scaeva in den slag bij Dyrrhachium. Deze man, wien
door een pijl het oog was uitgeschoten, wiens schouder en dij elk door
een werpspies waren doorboord, en die op zijn schild honderd dertig
speerworpen had opgevangen, riep aldus toegetakeld de vijanden toe,
dat hij zich wilde overgeven. Toen er nu twee op hem toesprongen, hieuw
hij den een met zijn zwaard den schouder af en bracht hij den ander
zulk een geduchten stoot toe in het gezicht, dat hij op de vlucht sloeg.
Hij zelf werd daarop door zijne vrienden omringd en uit alle gevaar
gered.
In Britannië waren de centurio's der voorste cohorten in een moerassige
en onder water staande streek geraakt, waar zij door de vijanden werden
overvallen. Terwijl Caesar al zijn aandacht aan het gevecht wijdde,
wierp zich op eens vlak voor zijn oogen een gewoon soldaat midden onder
de vijanden, tegen wie hij daarop met weergalooze dapperheid streed.
Na een gansche reeks schitterende wapenfeiten verricht te hebben, gelukte
het hem inderdaad de officieren uit de handen der barbaren te redden.
Terwijl deze nu op de vlucht sloegen, stortte hij, na eerst de anderen
te hebben laten voorgaan, zich zelf als den laatsten in het moerassige
water, waardoor hij zich met de grootste inspanning een weg baande.
Ternauwernood bereikte hij deels zwemmend, deels wadend, echter met
achterlating van zijn schild, den anderen oever. Caesar kwam vol bewondering
en onder luide bijvalskreten hem met zijne omgeving te gemoet loopen,
de soldaat zelf echter was zeer terneergeslagen en viel Caesar onder
een stroom van tranen te voet, hem om vergeving smeekende, dat hij zijn
schild verloren had.
In Afrika had Scipio zich meester gemaakt van een schip, behoorende
tot Caesars vloot. Op dit vaartuig bevond zich Granius Petronius, toen
quaestor designatus. Terwijl Scipio nu al de overigen voor krijgsgevangenen
verklaarde, schonk hij aan Petronius lijfsbehoud. Maar deze zeide, dat
Caesars soldaten niet gewoon waren lijfsbehoud aan te nemen, wel het
zelven aan anderen te schenken. Na deze woorden stak hij zich zelf het
zwaard in de borst.
17. Zulk eene vastberadenheid van karakter, zulk een eerzucht kweekte
en onderhield Caesar zelf. Vooreerst toch was hij verre van karig in
het uitdeelen van geschenken en eerbewijzen: integendeel hij wilde juist
aan zijne soldaten tooenen, dat hij op zijne veldtochten geene schatten
verzamelde om aan eigen genotzucht te voldoen, of om zelf een weelderig
leven te leiden, maar om als 't ware een voorraad prijzen bij zich in
veilige bewaring te hebben, waarop allen, die dappere daden volbrachten,
zonder onderscheid recht hadden, terwijl zijn persoonlijk aandeel aan
het verworven goed alleen hierin bestond, dat hij daarvan aan zijne
soldaten belooningen voor hunne verdiensten toekende. Was Caesars invloed
op het leger hierdoor reeds buitengemeen, niet minder wist hij in de
tweede plaats zijne soldaten te bezielen door zich zelf aan elk gevaar
vrijwillig bloot te stellen en bij geene enkele zware inspanning te
versagen. Nu verwonderde men zich wel is waar niet zoozeer over zijne
verachting van gevaren, omdat men zijne eerzucht kende; maar wel vervulde
het een ieder met verbazing te zien, hoe hij volkomen bestand bleek
te zijn tegen ondernemingen, waartoe inspanningen vereischt werden,
die zijne physieke krachten ver te boven schenen te gaan. Want hij was
uiterst slank van lichaamsbouw, had een blanke en teere huid, werd veel
door hoofdpijn gekweld en leed bovendien nog aan de vallende ziekte.
Van deze kwaal moeten zich de eerste aanvallen tijdens zijn verblijf
te Cordova vertoond hebben. Caesar was er echter de man niet naar om
deze zwakte van zijn gestel tot dekmantel te bezigen voor een verwijfd
bestaan; integendeel juist in het krijgsmansleven zocht hij voor deze
zwakte een geneesmiddel. Door geforceerde marschen, door eene eenvoudige
levenswijze, door onafgebroken te kampeeren in de open lucht, en door
het verrichten van inspannenden arbeid wist hij zijn lichaam zoo te
harden en met zulk goed gevolg tegen zijn kwaal te kampen, dat deze
weinig of geen vat meer op hem had. Meestal sliep hij in zijn wagen
of in zijn draagstoel ten einde zoo zelfs zijn rusttijd tot bezigheid
te benuttigen.
Overdag reed hij de sterkten, de steden en de verschansingen rond, en
had daarbij steeds een dier slaven naast zich zitten, aan wie hij, wanneer
hij op reis was, het een en ander placht te dicteeren; achter hem stond
een soldaat met een zwaard in de vuist. Hij reisde zoo snel, dat hij
reeds de eerste maal van Rome uit in acht dagen den Rhodanus bereikte.
Het paardrijden kostte hem reeds van zijn jeugd af niet de geringste
moeite; hij was dan gewoon zijne handen achterom te buigen en op den
rug gekruist te houden, en zoo het paard uit alle macht te laten draven.
Op dezen veldtocht oefende hij er zich bovendien in om te paard gezeten
zijne brieven te dicteeren en daarmee tegelijk twee of volgens Oppius
nog meer schrijvers bezig te houden. Ook zou, naar men zegt, Caesar
te Rome de eerste geweest zijn, die op de gedachte kwam zich over dringende
zaken schriftelijk met zijne vrienden te onderhouden, wanneer de gelegenheid
tot het mondeling bespreken dier zaken ontbrak, hetzij wegens de groote
menigte zijner bezigheden of tengevolge van de uitgebreidheid der stad.
Welke geringe eischen hij als vriend van eene eenvoudige levenswijze
aan de toebereiding van spijzen stelde, blijkt uit het volgende voorval.
Toen hij eens te Mediolanum vertoefde, richtte zijn gastheer Valerius
Leo voor hem een maaltijd aan, waarbij hij hem asperges voorzette, die
hij in plaats van met olijfolie met parfumolie begoot. Caesar deed alsof
hij hiervan niets bemerkte en bediende zich van het gerecht. Zijne vrienden
echter hielden hun tegenzin niet voor zich, hetgeen Caesar noopte hun
op bestraffenden toon toe te voegen: "gij hadt het dan toch, dunkt
mij, hierbij kunnen laten om wat u niet smaakte te laten passeeren;
wie aan zulk een lompheid als Leo beging nog een woord van misprijzing
verspilt is zelf een lomperd."
Een andermaal gebeurde het, dat hij op reis door een storm werd overvallen,
en een onderkomen zocht in de hut van een arm man. Toen hij daarin niets
meer vond dan één vertrek, ternauwernood groot genoeg
om één persoon te huisvesten, zeide hij tot zijne vrienden:
"waar men over eereplaatsen te beschikken heeft, moet men deze
inruimen aan de machtigen; staan ons echter slechts de hoogst noodzakelijke
ten dienste, dan dienen wij deze af te staan aan de zwakken." Hierop
gelastte hij Oppius zich binnenshuis te rusten te leggen; hij zelf daarentegen
bracht met de anderen onder het afdak der huisdeur den nacht door.
18. De eerste oorlog dan nu, dien hij onder de Keltische volksstammen
te voeren had, was die tegen de Helvetiërs en Tiguriners. Deze
hadden hunne eigen steden ten getale van twaalf benevens hunne vier
honderd dorpen in de asch gelegd en trokken nu in snelle marschen door
dat gedeelte van Gallië, dat aan de Romeinen onderworpen was. Hun
tocht geleek op dien, welken de Cimbren en Teutonen weleer ondernomen
hadden, zoowel daar zij in onverschrokkenheid voor dezen in geenen deele
schenen onder te doen, alsook omdat zij in aantal niet minder sterk
waren. In het geheel bedroeg dit namelijk driehonderd duizend, waaronder
honderd negentig duizend strijdbare mannen. Van deze volken werd den
Tiguriners, tegen wie Caesar niet in persoon optrok, door Labienus,
dien hij tegen hen had afgezonden, bij de rivier den Arar eene verpletterende
nederlaag toegebracht. Terwijl Caesar nu zelf zijn hoofdleger naar eene
bevriende stad voerde, werd hij onderweg door de Helvetiërs onverhoeds
aangegrepen. Echter vond hij nog juist gelegenheid een sterk punt te
bereiken, waar hij zijne troepen bijeentrok en in slagorde schaarde.
Men bracht hem zijn paard, maar hij zeide: "daarvan zal ik na de
overwinning behaald te hebben gebruik maken voor verdere vervolging;
laten wij nu eerst op de vijanden losgaan." Na deze woorden stormde
hij te voet tegen het leger der Helvetiërs in. Na geruimen tijd
gestreden te hebben bracht hij hunne slaglinie tot wijken; kostte hem
dit reeds veel inspanning, zoo wachtte hem echter de zwaarste arbeid
bij de bestorming van het kamp, waar zij van hunne wagens een soort
burcht hadden gebouwd. Daar boden niet alleen de strijdbare mannen tegenweer,
maar ook hunne kinderen en vrouwen verdedigden zich tot in den dood;
zij lieten zich allen nederhouwen en zoo nam de slag ternauwernood eerst
tegen middernacht een einde.
Deze glansrijke zege zette hij door eene nog veel schoonere handeling
de kroon op. De barbaren toch, die uit den strijd het leven er hadden
afgebracht en ten getale van meer dan honderd duizend in verschillende
richtingen ontvloden waren, liet hij weder bij elkaar brengen. Hij dwong
hen naar het land, dat zij verlaten hadden, terug te keeren, de steden,
die zij hadden verwoest, weêr op te bouwen en zich zoo weder gezamenlijk
in hunne vroegere woonplaatsen neer te zetten. Bij deze handeling werd
Caesar geleid door de vrees, dat de Germanen anders wellicht naar het
openliggende land zouden overkomen en zich daarvan meester maken.
19. De tweede oorlog, dien hij voerde, was tegen de Germanen gericht.
Eigenlijk was het een krijg ter bescherming der Kelten, want, hoezeer
hij kort te voren te Rome Ariovistus, den koning der Germanen, tot bondgenoot
had verklaard, was dit volk voor de aan Caesar onderworpen Galliërs
een onverdragelijke nabuur, die niet van plan scheen zich tevreden te
stellen met het rustig bezit van het eenmaal verworvene, maar die de
eerste de beste gelegenheid zou aangrijpen om zijn gebied verder uit
te breiden en geheel Gallië te veroveren.
Ondertusschen was het Caesar gebleken, dat zijne onderbevelhebbers voor
dezen oorlog bijster in den angst zaten en wel inzonderheid de voorname
jonge Romeinen, die eigenlijk alleen met hem waren meegetrokken in de
hoop dat de veldtocht met Caesar hun allerlei genietingen en rijkdom
zou aanbrengen. Hij belegde daarom een krijgsraad en gaf hun, die zich
zoo laf en verwijfd gedroegen, den raad maar liever heen te gaan en
zich niet tegen hun zin aan gevaren bloot te stellen. "Ik voor
mij," zoo ging hij voort, "zal niet aarzelen om desnoods alleen
met het tiende legioen tegen de barbaren op te trekken; de vijanden
toch, met welke ik te strijden zal hebben, zullen wel niet dapperder
zijn dan de Cimbren, en wat mij persoonlijk aangaat meen ik geen geringer
veldheer dan Marius te zijn." Hierop zond het tiende legioen afgevaardigden
aan Caesar om hem voor zijn goeden dunk hun aller erkentelijkheid te
betuigen: de andere legioenen scholden op hunne aanvoerders als de eenige
schuldigen in deze; ten slotte waren allen vol ijver en bereidwilligheid,
zoodat zij met hem een marsch van vele dagen maakten, die eerst een
einde nam toen zij op 200 stadiën van de vijanden hun kamp opsloegen.
In niet geringe mate werd Ariovistus bij deze nadering van Caesar in
zijne hooge meening omtrent zich zelf geschokt. Want dat de Romeinen
de Germanen zouden aanvallen ging zijne verwachting geheel te boven;
integendeel had hij gemeend, dat zij reeds bij het enkele aanrukken
der Germanen geen stand zouden houden. Vol verbazing over Caesars stoutmoedigheid
ontwaarde hij nu bovendien, dat zijn leger over het gebeurde in hevige
ontsteltenis verkeerde. Nog meer werden zijne mannen terneergeslagen
door de voorspellingen hunner heilige vrouwen, wier waarnemingen gericht
waren op de dwarrelingen, die zich in de rivieren voordeden. Deze toch
profeteerden nu uit de maalstroomen en het geruisch der wateren, dat
het niet geoorloofd was slag te leveren vóór het invallen
der nieuwe maan.
Toen dit Caesar ter oore kwam en hij bespeurde, dat de Germanen inderdaad
zoo goed als bewegingloos waren, achtte hij het geradener hen, ontmoedigd
als zij thans waren, aan te grijpen, dan rustig te blijven zitten en
het oogenblik af te wachten, dat hun geschikt zou voorkomen. Zoo liet
hij dus hunne verschansingen en de heuvels, waarop zij kampeerden, bestormen,
en hierdoor geprikkeld en in heftige woede ontstoken daalden zij in
wilde razernij van hunne hoogten om den beslissenden slag te wagen.
Zij leden echter een volkomen nederlaag en sloegen op de vlucht, waarop
Caesar hen 400 stadiën ver tot aan den Rijn vervolgde. Deze vlakte
was geheel met lijken en wapenbuit bedekt. Aan Ariovistus gelukte het
nog bij tijds om met een klein gevolg den Rijn over te steken. Het getal
der gesneuvelden moet 80,000 beloopen hebben.
20. Na deze oorlogen dus tot een goed einde gebracht te hebben, legde
Caesar zijn strijdmacht in het land der Sequanen in de winterkwartieren.
Hij zelf wenschte een oog in het zeil te houden bij hetgeen intusschen
te Rome gebeurde en begaf zich daartoe zuidwaarts naar het om den Padus
gelegen Gallië. Dit land vormde een deel van de hem toegewezen
provincie en had tot grens de rivier, die den naam Rubico draagt. Deze
stroom toch scheidt het Keltische gebied, dat aan den voet der Alpen
ligt, van het overige Italië.
Tijdens zijn vertoef aldaar wist hij op handige wijze den demagoog te
spelen. Er kwamen namelijk velen uit Rome tot hem, welke ieder voor
zich afzonderlijke wenschen koesterden. Hij bevredigde ieder op zijn
beurt, en wel zoo, dat hij allen weder van zich liet gaan, hetzij reeds
in het bezit van eenig geschenk van hem, hetzij vol hoop op hetgeen
zij van hem zouden erlangen. Maar ook gedurende den geheelen overigen
tijd van zijn veldtocht ageerde hij zoo, dat hij beurtelings, nu eens
door de wapenen der burgers de vijanden onderwierp, dan weer door den
rijken buit der vijanden de burgers aan zich ketende en geheel onder
zijn invloed bracht, en hij deed dit met zooveel talent, dat Pompejus
er niets van bemerkte.
Inmiddels was het gerucht tot hem doorgedrongen dat de Belgen, de machtigste
Keltische stam, die het derde deel van geheel Gallië bewoonde,
waren afgevallen en een leger van vele duizenden goedgewapende mannen
bijeen hadden gebracht. terstond wendde hij zich nu tegen deze vijanden
en bereikte hen in zoo snelle dagmarschen, dat hij hen nog geheel onvoorziens
overviel, terwijl zij bezig waren het land zijner Gallische bondgenooten
te verwoesten. Hun talrijkste en in eene dichte massa samengedrongen
legermacht dreef hij na eene erbarmelijke verdediging op de vlucht en
vernietigde hij zoo totaal, dat eene menigte lijken, als 't ware op
elkaar gestapeld, meren en diepe rivieren vulden, tengevolge waarvan
deze voor de Romeinen zelfs begaanbaar waren. Van de afgevallenen gaven
thans alle volken, die aan de boorden van den Oceaan woonden, zich zonder
verderen tegenweer aan Caesar over. Hierna wachtte hem echter nog een
veldtocht tegen de Nerviërs, den ontembaarsten en krijgshaftigsten
volksstam dezer gansche streek. Zij woonden in dichtbegroeide bosschen,
en hadden hunne huisgezinnen en bezittingen op een verborgen plek diep
in het woud zoo ver mogelijk van de vijanden in veiligheid gebracht.
Terwijl nu Caesar zich juist onledig hield met het opwerpen van verschansingen
voor zijne legerplaats en op dat oogenblik geen aanval verwachtte, kwamen
zij plotseling ten getale van wel 60,000 op hem aanstormen, wierpen
zijne ruiterij overhoop en omsingelden het 12e en 7e legioen, waarvan
zij al de aanvoerders nedersabelden. Wanneer Caesar toen niet een schild
gegrepen en zich dwars door de voorste gelederen heen midden onder de
barbaren geworpen had, en wanneer niet het 10e legioen op het zien van
het gevaar, waarin Caesar verkeerde, van zijne hoogten was neergedaald
en de slaglinie der vijanden gebroken had, dan zou wellicht geen der
Romeinen er het leven hebben afgebracht. Tengevolge echter van Caesars
vermetelen moed streden zij nu den zoogenaamden boven hun macht gaanden
strijd, waarin het hun in weerwil daarvan toch niet gelukte de Nerviërs
tot wijken te brengen. Deze moesten onder dappere tegenweer bijna allen
worden neergehouwen, want van de 60,000 man wisten zich slechts 500
te redden, terwijl van de 400 leden van hun volksraad alleen drie er
het leven niet bij inschoten.
21. Op de tijding hiervan nam de senaat het besluit den goden een dankfeest
van vijftien dagen te wijden onder bepaling, dat gelijktijdig alle werkzaamheden
zouden rusten. Tot nog toe had men geene overwinning door zulk een langdurig
feest gevierd. Maar het gevaar scheen dan ook buitengewoon groot geweest
te zijn daar zoo vele volken tegelijk in opstand waren geraakt, en de
toegenegenheid, die de groote massa Caesar toedroeg, maakte de zege
des te schitterender omdat hij de overwinnaar was. Hij zelf regelde
intusschen de Gallische aangelegenheden en betrok daarna weder de winterkwartieren
in het Pdaansche land om van daaruit de hoofdstad te bewerken. Van zijn
beurs bedienden zich thans allen, die naar ambten dongen; met zijn
geld kochten zij het volk om en wanneer zij dan gekozen waren, deden
zij alles wat zijn macht vermeerderen kon. En hierbij bleef het
niet: mannen uit de hoogste en voornaamste Romeinsche kringen vereenigden
zich in grooten getale bij hem te Luca. Daar kwamen o.a. Pompejus en
Crassus en Appius, de praetor van Sardinië, en Nepos, de proconsul
van Hispanië; in het geheel zag men hier 120 lictoren en meer dan
200 senatoren bijeen. Men ging niet eerder uit elkander voordat na gehouden
beraadslaging het volgende was vastgesteld: Pompejus en Crassus zouden
het consulaat verkrijgen, terwijl Caesars proconsulaat met een tweede
vijftal jaren zou worden verlengd; bovendien zou hem de beschikking
gegeven worden over een zekere som geld. Laatstgenoemde bepaling scheen
elk, die met zijn verstand te werk ging, uiterst zonderling toe. Want
juist zij, die zulke groote sommen van Caesar ontvingen, overreedden
of liever dwongen den senaat, hoezeer dezen dit besluit menigen zucht
deed slaken, hem, alsof hij daaraan gebrek had, aanmerkelijke bedragen
te verstrekken. Er was bijtijds voor gezorgd dat Cato hierbij niet tegenwoordig
was; men had hem naar Cyprus weten te verwijderen. Wel verzette zich
Favonius, een ijverig nabootser van Cato, tegen den maatregel, maar
zonder gevolg. Ook baatte het hem niet, dat hij hierna de zaal uitstormde
en luide tegen de volksmenigte protesteerde. Niemand lette op hem; deels
ontzag men zich voor Pompejus en Crassus, meerendeels echter wilde men
het Caesar naar den zin maken; van hem toch verwachtten dezen de vervulling
van al hunne wenschen en daarom hielden ook zij zich stil.
22. Nauwelijks was Caesar hierop weder naar zijn leger in Gallië
teruggekeerd of hem wachtte in dit land op nieuw een geduchte oorlog.
Twee groote Germaansche volken, bekend onder de namen Usipeten en Tencteren,
waren juist den Rijn overgestoken met het doel landerijen in deze streken
te veroveren. Aangaande de wijze waarop de strijd tusschen hem en deze
volksstammen werd gevoerd verhaalt Caesar zelf in zijne commentarii
het volgende: de barbaren hadden een gezantschap aan hem gezonden, maar
tegelijk in vollen wapenstilstand de zijnen aangegrepen, terwijl deze
op marsch waren; dit waren 5000 man ruiterij, die ten gevolge van het
onverhoedsche van den aanval door 800 ruiters der hunnen op de vlucht
werden gedreven. Daarop stuurden zij weder andere gedzanten aan hem
om hem ten tweeden male om den tuin te leiden; deze hield hij echter
gevangen, waarna hij zijn leger tegen de barbaren liet oprukken, daar
hij het nu als onnoozelheid beschouwde om tegenover zulke trouwelooze
en meineedige menschen zijn woord te houden.
Eene eigenaardige mededeeling treft men aan in het werk van Tanusius.
Deze schrijver weet namelijk te verhalen, dat toen op het bericht der
schitterende overwinning, die het slot van bovenvermelde gebeurtenissen
vormde, de senaat bij decreet een groot dankfeest met offers aan de
goden gelastte, Cato bij het uitbrengen van zijn stem verklaarde, dat
Caesar aan de barbaren moest worden uitgeleverd. "Zóó
toch alleen," zeide hij, "kan in naam van onzen staat boete
worden gedaan voor het verbreken van den wapenstilstand, wanneer wij
den vloek wentelen op het hoofd van hem, die de eenige schuldige is."
Onder degenen, die over den Rijn in Gallië gevallen waren, richtten
de Romeinen eene geduchte slachting aan: 400,000 werden nedergehouwen;
eenige weinigen, die zich weder over de rivier wisten te redden, vonden
bij de Dugambren, een Germaanschen stam, eene welwillende ontvangst.
Uit dit feit nam Caesar aanleiding om zich tegen de Sugambren te wenden;
echter speelde hierbij ook zijn roemzucht een rol: hij werd namelijk
door de begeerte gedreven de eerste man der geheele wereld te zijn,
die met een leger den Rijn overtrok. Daarom besloot hij de rivier te
overbruggen en koos daartoe dat overgangspunt van den hier overigens
toch reeds zeer breeden stroom, waar eene geweldige watermassa met wilden
en heftigen golfslag langs de oevers bruiste, en boomstammen en groote
stukken hout met zich stroomafwaarts voerde. Om nu de slagen en scheuren,
waarmede dientengevolge de pijlers der brug bedreigd werden, op te vangen
liet hij bij wijze van waterkeeringen reusachtige balken van den eenen
oever naar den anderen in de bedding van den stroom heien, waardoor
hij de tegen de brug aanklotsende golven wist te beteugelen. In tien
dagen was de brug voltooid en hiermede toonde Caesar der wereld een
schouwspel, dat alle geloofwaardigheid te boven ging.
23. Thans voerde hij zijne troepen over de brug. Hij vond echter niemand,
die het waagde tegen hem op te treden; zelfs de Sueben, anders steeds
bovenal de aanvoerders der Germanen, hadden zich met pak en zak in diepe
en dichtbegroeide valleien teruggetrokken. Dus bepaalde hij er zich
toe het gebied der vijanden te vuur en te zwaard te verwoesten en die
volksstammen, welke de partij der Romeinen omhelsd hadden, in hunne
goede gezindheid te versterken. Hierop keerde hij na achttien dagen
in Germanië te hebben doorgebracht weder naar Gallië terug.
Zijn volgende krijgstocht was tegen de Britanniërs gericht en is
alleszins vermeldenswaard wegens de weergalooze stoutmoedigheid, hierbij
door hem aan den dag gelegd. Caesar toch was de eerste, die het waagde
met een vloot den westelijken oceaan te bevaren en een leger aanvoerende
de Atlantische zee te doorklieven. Zijn doel was de verovering van een
eiland, welks uitgestrektheid door zulke verbazend groote afmetingen
werd bepaald, dat er tusschen eene menigte schrijvers een heftige strijd
is ontbrand over de vraag, of het inderdaad wel bestond; velen meenden,
dat al wat dienaangaande was verhaald louter verdichtsel was, ja dat
zelfs zijn naam was verzonnen. Door zijn tocht derwaarts breidde Caesar
de heerschappij der Romeinen buiten de grenzen der bewoonde wereld uit.
Tweemaal stak hij van het tegenovergelegen Gallië naar het eiland
over en leverde vele gevechten; echter waren de nadeelen, die hij in
deze den vijanden toebracht, grooter dan de voordeelen, die zijne eigene
troepen behaalden: want van deze nooddruftige en armzalige menschen
was niets te halen wat de moeite waard was. Zoo werden dus Caesars verwachtingen
niet beantwoord en maakte hij derhalve aan den oorlog een einde. Hij
nam van den koning gijzelaars in ontvangst, legde hem eene schatting
op en voer weder van het eiland naar Gallië terug. Hier vond hij
brieven, die men juist van plan was geweest naar hem over te zenden.
Zij waren van zijne vrienden te Rome en behelsden de tijding van den
dood zijner dochter, de echtgenoote van Pompejus; zij was overleden
aan de gevolgen eener bevalling. Was Pompejus' droefheid hierover groot,
niet minder trok zich Caesar dit verlies aan. Van hunne wederzijdsche
vrienden echter maakte zich een groote onrust meester daar nu de verwantschap
verbroken was, die in den overigens reeds zoo kranken staat nog vrede
en eendracht had weten te bewaren. Want ook het kind stierf spoedig,
nadat het de moeder slechts weinige dagen overleefd had. Julia's lijk
werd door het volk in weerwil van het verzet der volkstribunen op een
baar gelegd, naar het Marsveld gedragen en begraven. Daar rust zij in
haar graf.
24. Inmiddels was Caesars troepenmacht van lieverlede zoozeer aangegroeid,
dat hij, toen hij zelf volgens gewoonte weder naar Italië vertrok,
zich verplicht zag zijne soldaten over verschillende wintergarnizoenen
te verdeelen. Maar nauwelijks had hij Gallië den rug toegekeerd
of plotseling brak weder een opstand uit, ditmaal onder alle Gallische
volksstammen. Groote legerscharen zwierven rond, plunderden de winterkwartieren
en bestormden de verschansingen der Romeinen. Eenige van de talrijkste
en sterkste benden der afgevallenen deden onder Ambiorix een aanval
op de legerplaats van Cotta en Titurius en vernietigden deze geheel;
ook de beide aanvoerders kwamen om. Het legioen, dat onder bevel van
Cicero stond, werd door 60,000 man omsingeld en formeel belegerd; en
het scheelde weinig of zij hadden ook dit Romeinsche kamp in storm genomen,
daar alle soldaten gewond waren en hunne krachten niet toereikend schenen
om met goed gevolg tegenweer te blijven bieden, hoe dapper zij ook streden.
Caesar bevond zich thans ver van het oorlogstooneel, maar nauwelijks
had hij van een en ander bericht ontvangen of hij kwam in allerijl terug
en bracht, zoo spoedig dit ging, zeven duizend man op de been, waarmee
hij in snelle marschen tot ontzet van Cicero voorwaarts rukte. Toen
de belegeraars zijne nadering bespeurden, trokken zij hem dadelijk tegemoet.
Zij schatten zijne kleine troepenmacht zoo gering, dat zij vast overtuigd
waren hem terstond overhoop te zullen werpen. Maar Caesar trok, hen
listig ontwijkende, stelselmatig terug, totdat hij een terrein had gevonden,
dat zich bij uitstek leende voor eene verdediging van eene minderheid
tegen overmacht. Hier omgaf hij zijne legerplaats door sterke verschansingen
en verbood zijnen manschappen zich met de vijanden in eenig gevecht
in te laten; integendeel gelastte hij hun den wal zoo hoog mogelijk
op te trekken en de poorten goed gesloten te houden. Natuurlijk was
dit een krijgslist, die ten doel had den Galliërs den indruk te
geven, dat de Romeinen in doodelijken angst verkeerden. Het duurde nu
ook niet lang of de vijanden bestormden vol minachting Caesars kamp.
Zij waren echter zoo overmoedig, dat zij geheel ongeregeld aanrukten.
Maar nu deed Caesar plotseling een uitval en wel met dezen schitterenden
uitslag, dat de geheele bende met achterlating van een groot aantal
gesneuvelden in wilde vlucht uiteenstoof.
25. Hierdoor werd nu wel is waar den velen pogingen tot afval, door
de Galliërs in die streken ondernomen, de kop ingedrukt; ook werkte
hiertoe mede, dat Caesar persoonlijk zich overal heen begaf en bij voortduring
scherp toezag of soms hier of daar geene omwentelingszuchtige beweging
op touw werd gezet; voorts werden hem, om de door de geleden verliezen
gedunde rijen zijner troepen weder aan te vullen, drie legioenen uit
Italië gezonden, waartoe Pompejus hem er twee van zijn eigen leger
leende, terwijl het derde gevormd was uit eene nieuwe lichting van soldaten
uit het Padaansche Gallië. Maar ver van het tooneel der jongste
gebeurtenissen vertoonden zich de eerste sporen van een reeds lang in
het geheim onder de krijgshaftigste stammen voorbereid oproer, waaruit
een zoo omvangrijke en gevaarlijke oorlog zou ontstaan als er nog geen
in dit land gevoerd was. De machtigste mannen hadden onder elkaar de
rollen verdeeld, van heinde en verre stroomden talrijke scharen goedgewapende
krijgers samen, groote geldsommen werden bijeengebracht. Ontleende reeds
aan het een en ander het oproer veel vastheid en kracht, zoo kwam hier
nog bij, dat het land zoo goed als ontoegankelijk was en door een reeks
sterke vestingen werd beschermd. Voorts was het toen midden in den winter:
de rivieren waren met ijs bedekt, de bosschen onder sneeuw bedolven;
geheele velden waren door woeste bergstroomen onder water gezet, hier
waren paden onherkenbaar wegens een dikke laag sneeuw, ginds was geen
weg of steg te vinden door de vele moerassen en de buiten hunne oevers
getreden rivieren. Alles maakte bij elkaar genomen den indruk dat Caesars
pogingen om dezen opstand te onderdrukken een onbegonnen werk waren.
Aan de spits der vele afvallige volksstammen stonden de Arverners en
de Carnuten. De opperleiding van den oorlog was bij keuze in handen
gesteld van Vercingetorix, hoezeer zijn vader, verdacht van tyrannieke
neigingen, door de Galliërs was gedood.
26. Deze begon met zijn strijdmacht in verscheidene onderafdeelingen
te splitsen, welke hij onder het bevel van afzonderlijke aanvoerders
stelde; voorts wist hij het geheele omliggende land tot aan de streken
bij den Arar voor zich te winnen. Hierop vormde hij het grootsche plan,
geheel Gallië als één man te doen opstaan en zoo
Caesar met een oorlog op het lijf te vallen op een oogenblik, waarop
men ook reeds in Rome tegen hem begon samen te spannen. Dit is zeker:
had Vercingetorix zijne onderneming iets later ten uitvoer gebracht,
toen Caesar in den burgeroorlog verwikkeld was, dan zouden geene minder
verschrikkelijke rampen Italië getroffen hebben, dan inderijd toen
de Cimbren Rome bedreigden. Thans echter nam alles een ander verloop:
nauwelijks had Caesar den afval vernomen of hij toonde bij uitstek de
man te zijn, die in den oorlog van alle omstandigheden handig wist partij
te trekken en bovenal gelukkig was in het kiezen van het juiste tijdstip
voor zijne operaties. Terstond bij het eerste bericht brak hij op en
maakte zijne troepen in de richting van den opstand mobiel.
Reeds door de wegen die hij insloeg en door de onstuimige snelheid van
zijn marsch, en dat ondanks den zoo strengen winter, leverde hij den
barbaren het bewijs, dat daar een onweerstaanbaar en onoverwinnelijk
leger tegen hen in aantocht was. Want waar het ongelooflijk scheen,
dat een bode of een koerier van hem, zelfs wanneer hij over veel tijd
beschikte, vooruit had kunnen komen, daar zag men Caesar met zijn geheele
leger verschijnen, terwijl hij bovendien nog den tijd vond het vijandelijke
land te plunderen, en degenen, die weder tot hem toetraden, als bondgenooten
op te nemen. En zoo ging het voort, totdat hij het land der Aeduers
bereikt had. Dit volk, dat zich anders broeders der Romeinen noemde
en in het oog vallend door hen was geëerd, nam nu plotseling eene
vijandelijke houding tegenover Caesar aan en maakte gemeene zaak met
de opstandelingen. Daar zich door dezen afval van zulk een bevrienden
stam eene groote moedeloosheid van zijn leger meester maakte, verliet
Caesar snel dit land en marcheerde door het gebied der Lingonen met
het doel zich naar de Sequanen te begeven. Dit waren bondgenooten van
het Romeinsche volk en hun land strekte als 't ware tot voormuur van
Italië tegen het overige Gallië. Maar hier overvielen hem
op eens de vijanden en omsingelden hem met vele duizenden. Hij besloot
echter een beslissenden slag te wagen en wierp zich met zijn gansche
macht zoo onstuimig in de vijandelijke drommen, dat hij na een hardnekkigen
en bloedigen kamp een volkomen zege op de barbaren behaalde en hen op
de vlucht dreef. Evenwel schijnt hij in den aanvang van den strijd zelf
groote gevaren geloopen te hebben: de Arverners althans toonen nog op
den huidigen dag in een tempel een aldaar opgehangen kort zwaard, dat
volgens hunne bewering een op Caesar behaalde wapenbuit zou zijn. Caesar
zag eenigen tijd later zelf dit zwaard en glimlachte er bij; zijne vrienden
wilden het wegnemen, maar hij verbood hun dit, daar hij het toen als
een heilig voorwerp beschouwde.
27. Zij, die uit den slag ontkomen waren, redden zich met hun koning
meerendeels in de stad Alesia. Onmiddellijk sloeg nu Caesar hiervoor
het beleg. De stad scheen onneembaar door de hoogte der muren en de
sterke bezetting. Ten overvloede bedreigde nu plotseling Caesar aan
de buitenzijde een onbeschrijfelijk groot gevaar. Eene armee toch, waartoe
de meeste Gallische stammen hunne beste troepen als contingenten geleverd
hadden, kwam tot aan de tanden gewapend ten getale van 300,000 tot ontzet
van Alesia opdagen. Daar nu het aantal weerbare mannen in de stad niet
minder dan 170,000 bedroeg, scheen Caesar, midden tusschen twee reusachtige
vijandelijke legers in, de rol van den ingeslotene en belegerde te moeten
spelen. Om nu zoowel aan de stad als aan de ontzettingstroepen het hoofd
te kunnen bieden en eene vereeniging van beide legermachten te voorkomen
zag hij zich genoopt aan elke van beide zijden een muur op te trekken,
want wanneer eene vereeniging gelukte, dan was het ontwijfelbaar met
hem en de zijnen gedaan.
Het waagstuk, dat Caesar nu, omringd van tallooze gevaren vóór
Alesia ondernam, blijft om vele redenen een wapenfeit van onsterfelijken
roem; met recht mag men zeggen, dat geen ander gevecht ter wereld zulke
daden biedt van moed en van kracht als in dezen kamp door de Romeinen
aan den dag zijn gelegd. Wat vooral verbazing wekt is de omstandigheid,
dat de menschen in de stad van den grooten veldslag, dien Caesar tegen
de vele duizenden daarbuiten leverde en waarin hij overwinnaar bleef,
in het geheel niets bemerkten; nog merkwaardiger kan men het noemen,
dat dit alles zelfs aan die Romeinen ontging, die op den muur, welke
naar de stad was gekeerd, de wacht hielden. Want nog was geen gerucht
van de overwinning tot hen doorgedrongen, toen zij plotseling een vreeselijk
gehuil en geweeklaag vernamen, dat door mannen en vrouwen uit Alesia
werd aangeheven. Nu eerst werd het hun duidelijk: de Alesiërs hadden
namelijk gezien, hoe aan den tegenovergestelden kant vele met zilver
en goud versierde schilden, vele met bloed bevlekte pantsers, alsmede
Gallische tenten en drinkbekers door de Romeinen in hun legerplaats
gedragen werden. Zoo ongeloofelijk snel was dat reusachtige leger, waarvan
de meesten in den slag gevallen waren, als weggevaagd, dat het den schijn
had, alsof een droom- of schaduwbeeld zich in het niet had opgelost.
Hierna beproefde de bezetting van Alesia nog een verdediging tot het
uiterste, waarbij zij zich zelf en Caesar handen vol werks bezorgde,
maar eindelijk gaf ook deze zich over. Vercingetorix, de opperbevelhebber
van den geheelen oorlog, hulde zich in zijn schitterendsten wapendos,
tuigde zijn paard zoo prachtig mogelijk op en rende zoo de poort uit.
Daarna reed hij in een kring om Caesar heen, die op zijn tribunaal was
gezeten; vervolgens sprong hij van zijn paard, wierp zijn wapenrusting
weg en zette zich rustig neder aan de voeten van Caesar. Toen gaf deze
last hem weg te voeren en in verzekerde bewaring te nemen om later tot
opluistering te strekken van zijn triumf.
28. Inmiddels was bij Caesar het plan om Pompejus ten val te brengen
allengs tot een vast besluit gerijpt; trouwens wederkeerig was aan Pompejus
eene zelfde gedachte omtrent Caesar niet vreemd. Sedert namelijk Crassus
in het land der Parthen was omgekomen en hun beider doen en laten dus
niet meer door hem in het oog gehouden werd, bleef den een, ten einde
de machtigste te worden, niets anders over dan den ondergang van hem
te bewerken, die inderdaad de machtigste was; terwijl omgekeerd de ander,
ten einde dit lot te ontgaan, zich genoopt achtte hem, dien hij vreesde,
te voren uit den weg te ruimen. Tot nog toe had Pompejus met eene zekere
geringschatting Caesars optreden gadegeslagen, daar hij het als geen
zware taak beschouwde hem, dien hij zelf op zijn hoog voetstuk had geplaatst,
daarvan weder omlaag te halen; nu echter was hij sinds kort van deze
meening teruggekomen en ontwaarde hij in Caesar inderdaad een te vreezen
tegenstander. Wat Caesar betreft, deze had zijn plan reeds van den aanvang
af gemaakt en evenals een athleet, die zich voorbereidt tot den kamp,
zich ver verwijderd gehouden van het terrein, waarop zijne mededingers
zich bewogen: hij had zich in de Gallische oorlogen geoefend, zijne
soldaten gehard en door zijne schitterende wapenfeiten een roem behaald,
die ruimschoots opwoog tegen den glans der overwinningen van Pompejus.
Hij nam nu in zijn belang elk voorwendsel te baat, hetzij hem dit aan
de hand gedaan werd door Pompejus zelf, hetzij door de omstandigheden,
of wel door de bedorven politieke toestanden te Rome. Daar zetten zij,
die naar hooge ambten dongen, geldtafels op de openbare straat en kochten
schaamteloos het volk om. Begiftigd met rijke geschenken begaven zich
dan de burgers naar de kiescomitiën, waar zij echter ten behoeve
van hun beweldadiger weldra niet meer met stembiljetten, maar met bogen
en zwaarden en slingers vochten. Niet zelden was bij het uiteengaan
der vergadering de tribune met bloed en lijken bezoedeld, en zoo dreef
het schip van staat daar zonder stuurman voort, prijsgegeven aan eene
algeheele anarchie. Daarom meenden de verstandigen, dat men het nog
voor een geluk moest houden, wanneer uit al dezen waanzin en uit die
dwarrelende stormen voor hen niets ergers dan eene monarchie geboren
werd. Ja, reeds waagden velen het openlijk uit te spreken, dat de staat
niet te genezen was, dan alleen door een monarchischen regeeringsvorm;
men moest zich echter deze remedie laten reiken door dien arts, die
als 't zachtzinnigst in het toedienen van een geneesmiddel bekend stond:
zij die zoo spraken, doelden hiermede op Pompejus. Deze trachtte nu
wel is waar door allerlei fraaie bewoordingen aan zijne uitlatingen
een glimp te geven, alsof hij een dergelijke opdracht van de hand zou
wijzen, maar inderdaad waren al zijne handelingen zeer bepaald op dit
doelwit gericht, dat men hem tot dictator benoemen zou. Cato en diens
partijgenooten doorzagen zijn plan en, om nu te voorkomen dat hij langs
gewelddadigen weg de dictatuur verkreeg, overreedden zij den senaat
hem het consulaat zonder ambtgenoot op te dragen; op deze wijze zou
eensdeels Pompejus tevreden worden gesteld, daar hij toch de monarchie
erlangde, en anderdeels de wettelijke vorm meer in acht genomen worden.
Ook besloot men den duur van zijn beheer over zijne twee provinciën
Hispanië en geheel Afrika nog met eenigen tijd te verlengen. Hij
liet deze gewesten echter besturen door legaten, die hij in zijn plaats
derwaarts zond en onderhield er legers, voor wier onderhoud hij uit
de staatskas jaarlijks duizend talenten trok.
29. Deze decreten noopten Caesar ook op zijn beurt naar het consulaat
te dingen. Hij zond daartoe eenige vertrouwden naar Rome, door wie hij
eveneens verlenging van het bestuur over zijne landvoogdijen
liet aanvragen.
Bewaarde Pompejus hiertegenover aanvankelijk het stilzwijgen, des te
nadrukkelijker verzetten zich Marcellus en Lentulus tegen Caesars eischen.
Hierbij lieten zij het niet, maar persoonlijk reeds vijanden van Caesar
stapelden zij op hetgeen de omstandigheden van zelf met zich brachten
allerlei onnoodige hatelijkheden, alleen om hem te krenken en te beschimpen.
Zoo ontnamen zij den bewoners van Novum Comum, eene kort te voren door
Caesar in Gallië gevestigde nederzetting, het burgerrecht. En toen
een lid van den raad dier stad tijdens het consulaat van Marcellus te
Rome kwam, liet deze den man met roeden geeselen, terwijl hij hem de
volgende woorden toevoegde: "deze slagen laat ik u geven als merkteeken,
dat gij geen Romeinsch burger zijt; ga nu heen en toon ze aan Caesar."
Na afloop echter van Marcellus' consulschap liet Caesar allen, die in
de politiek verwikkeld waren, rijkelijk putten uit de schatten, die
hij in Gallië verzameld had: zoo verschafte hij den volkstribuun
Curio de middelen om zijne schulden, die eene kolossale som bedroegen,
af te betalen en gaf hij den consul Paullus de vrije beschikking over
een bedrag van 1500 talenten. Hiervan liet deze die prachtige basilica,
dat beroemde kunstwerk, in plaats van de basilica Fulvia, ter versiering
van het forum bouwen.
Nu gaf Pompejus bevreesd als hij werd voor dit vereenigd optreden zijne
werkelooze houding op. Weldra was het voor een ieder duidelijk wat hij
beoogde. Hij trachtte namelijk zoowel persoonlijk als door zijne vrienden
het daarheen te sturen, dat er een opvolger van Caesar voor diens provincie
aangewezen werd. Ook liet hij de soldaten weder van hem opeischen, die
hij hem voor de Gallische oorlogen geleend had. Caesar zond hem deze
onmiddellijk terug na vooraf aan elken man 250 drachmen als geschenk
te hebben doen uitreiken. De officieren, die deze troepen naar Pompejus
begeleidden, strooiden onder het volk allerlei leelijke en lasterlijke
praatjes over Caesar uit, terwijl zij Pompejus met ijdele hoop verblindden,
door hem wijs te maken, dat Caesars leger smachtend naar hem uitzag.
Mocht hem hier te Rome de naijver der partijen in den innerlijk kranken
staat ook al beletten tot zijn doel te geraken, zoo kon hij steeds op
de troepen daarginds rekenen; deze stonden als 't ware voor hem gereed
en behoefden slechts ééne schrede in Italië te doen
om dadelijk naar hem over te loopen: zóó gehaat was Caesar
bij hen geworden door zijne eeuwigdurende veldtochten en zoozeer had
de vrees, dat hij monarchische neigingen koesterde hem bij de soldaten
verdacht gemaakt. Door dit alles werd Pompejus zóó opgeblazen,
dat hij, alsof hij niets te vreezen had, het uitrusten van troepen geheel
en al verwaarloosde, en liever in redevoeringen over Caesar oordeel
vellingen uitsprak waardoor hij trachtte hem als staatsman den voet
op den nek te zetten; ook liet hij te zijnen opzichte besluiten in dien
zin nemen, waaraan Caesar zich echter in het minst niet stoorde. Zoo
verhaalt men van een der centurio's, die door hem naar Rome gezonden
waren, dat deze, toen hij voor de curia stond en vernam, dat de senaat
niet bewilligde in eene verlenging van den duur van Caesars proconsulaat,
met de hand aan de greep van zijn zwaard geslagen uitriep: "Welnu,
dan zal dit het hem geven."
30. Inmiddels was van de zijde van Caesar een voorslag ingekomen, waaraan
men uiterlijk den schijn niet ontzeggen kon van in hooge mate billijk
te zijn. Hij van zijn kant bood namelijk aan de wapenen neder te leggen,
maar verlangde dan ook, dat pompejus hetzelfde doen zou; beiden zouden
dan in het gewone burgerlijke leven terugkeeren en afwachten welke belooningen
voor hunne verdiensten hun door hunne medeburgers zouden worden toegekend;
want wanneer men hem zijn leger ontnam en daarentegen Pompejus het zijne
liet behouden, dan zou men onder voorwendsel dat men Caesar verdacht
van naar de alleenheerschappij te staan, intusschen Pompejus tot alleenheerser
maken. Dit voorstel werd namens Caesar door Curio in de volksvergadering
voorgedragen en aldaar met oorverdoovenden bijval ontvangen; hij zelf
werd als een athleet onder kransen en bloemen bedolven. Bovendien bracht
de volkstribuun Antonius een ingekomen schrijven van Caesar, dat over
dit onderwerp handelde, voor de vergadering ter tafel en las dit ondanks
het verzet der consuls voor. In den senaat daarentegen deed Scipio,
de schoonvader van Pompejus, het voorstel, dat Caesar, wanneer hij niet
tegen een bepaalden termijn de wapenen zou hebben neergelegd, voor een
vijand des vaderlands zou worden verklaard. Toen nu hierop de consuls
eerst de vraag aan de orde stelden of men van oordeel was, dat Pompejus
zijne soldaten moest afdanken en vervolgens of men meende, dat Caesar
dit doen moest, stemden voor het eerste vraagpunt over het geheel slechts
enkele leden, voor het tweede echter alle leden op eenige weinigen na.
Thans evenwel eischte Antonius wederom, dat beiden tegelijk hun gezag
zouden neerleggen en inderdaad verklaarden zich nu allen éénstemmig
hiervoor. Maar hiertegen verzette zich Scipio met alle macht en de consul
Lentulus schreeuwde, dat men tegen een roover geen stemmingen maar wapenen
van noode had. Nu werd de zitting opgeheven, waarop de senatoren uit
droefheid over deze tweespalt zich in rouwgewaad hulden.
31. Korten tijd hierna kwamen er weder brieven van Caesar in. Op nieuw
stelde hij zich in deze op een zeer gematigd standpunt. Thans namelijk
deed hij het aanbod afstand te doen van alles, mits hem alleen het bezit
van Gallië aan deze zijde der Alpen benevens Illyrië met twee
legioenen gewaarborgd werd; en dit verlangde hij slechts zoolang totdat
hij naar zijn tweede consulaat kon dingen. Juist om dezen tijd bevond
zich de redenaar Cicero na afloop van zijn proconsulaat over Cilicië
te Rome. Deze beproefde nu eene verzoening tusschen de twee mededingers
tot stand te brengen en werkelijk gelukte het hem Pompejus in zoover
zachter te stemmen, dat deze zich bereid verklaarde in al het andere,
behalve in Caesars eisch nopens de troepen, te bewilligen. Hierop wist
Cicero de vrienden van Caesar te overreden, dat hij zich met de genoemde
provinciën en slechts 6000 man legioensoldaten tevreden zou stellen.
Maar toen hij nu langs dezen weg den strijd meende beslecht te hebben,
daar ook Pompejus zich gewonnen gaf en in dit voorstel toestemde, kwam
plotseling de consul Lentulus met zijn aanhang tegen deze maatregelen
in verzet. Zij gingen zelfs zoover, dat zij Antonius en Curio onder
veel hoon en smaad uit den senaat wegjoegen, een daad, waardoor zij
juist aan Caesar het meest geschikte voorwendsel, dat hij zich wenschen
kon, in handen gaven, om zijne soldaten in vuur en vlam te zetten. Hij
liet dan ook niet na hen er op te wijzen, dat deze aanzienlijke mannen,
die Romeinsche magistraturen bekleedden, genoopt waren geweest in slavenkleederen
op gehuurde karren de vlucht te nemen. Inderdaad waren zij zoo door
vrees bevangen geweest, dat zij in deze vermomming heimelijk uit Rome
weggeslopen waren.
32. Caesar beschikte voor het oogenblik over niet meer dan 5000 man
zwaargewapend voetvolk en 300 ruiters, want zijne overige troepen waren
aan gene zijde der Alpen achtergebleven in afwachting van zijne legaten,
die hij trouwens nu ook had afgezonden om hen terug te voeren. Nu zag
Caesar echter in, dat het bij zijne onderneming in haren aanvang en
bij zijn eersten aanval oogenblikkelijk niet zoozeer op veler handen
arbeid aankwam, als wel op verbazingwekkende stoutmoedigheid en snelle
benuttiging van het gunstige tijdstip. Immers op deze wijze diende hij
zijn zaak aan te vatten wanneer hij zijne vijanden door schrik over
zijne onverwachte komst wilde verbijsteren: en hiervan stelde hij zich
gunstiger gevolgen voor tot het bereiken van zijn doel, dan van een
gewelddadigen aanval en groote toerustingen. Daarom gaf hij aan zijne
tribunen en centurio's last slechts met het zwaard in de vuist zonder
eenige andere wapenen Ariminum, eene groote stad in Gallië te bezetten.
Deze troepen, die hij onder aanvoering van Hortensius stelde, kregen
het uitdrukkelijk bevel mede, zich zooveel mogelijk van bloedvergieten
en ook van elke wanordelijkheid te onthouden. Hij zelf vertoonde zich
verder dien ganschen dag in het publiek en nam o.a. bij de gladiatoren-voorstellingen
onder de toeschouwers plaats. Kort vóór het aanbreken
van den avond nam hij een bad en begaf zich vervolgens naar de eetzaal,
waar hij zich eenige oogenblikken met de tot den maaltijd genoodigde
gasten onderhield. Toen de duisternis inviel, stond hij op, groette
de aanwezigen zeer vriendelijk en verzocht hen aan tafel te blijven
met de woorden: "maakt inmiddels goede sier; ik ben spoedig weder
terug en hoop u alsdan allen weder aan te treffen." Slechts aan
enkele vertrouwde vrienden had hij van te voren gezegd, dat zij, wanneer
hij de zaal verlaten had, hem moesten volgen, echter niet allen tegelijk
en langs denzelfden weg, maar ieder op zich zelf langs verschillende
wegen. Zelf besteeg hij een huurrijtuig en sloeg daarmede, na eerst
een eindweegs eene andere richting genomen te hebben, den weg naar Ariminum
in. Toen hij den stroom bereikte, die de grens vormt tusschen het aan
deze zijde der Alpen gelegen Gallië en het overige Italië,
en den naam Rubico draagt, viel hij in eene diepe overpeinzing, want
hoe meer hij het gevaar nader kwam des te onrustiger werd hij bij de
gedachte aan de grootte van zijn waagstuk. Nu deed hij den wagen stilhouden
en terwijl hij een poos halt hield, liet hij in alle stilte bij zich
zelf eenige malen zijn geheele plan door zijn hoofd gaan en legde het
voor en tegen bij afwisseling tegen elkaar op de weegschaal. Al deze
overwegingen deden hem telkens wankelen in het nemen van een vast besluit;
ook maakte hij de vrienden uit zijne omgeving, onder welke zich Asinius
Pollio bevond, deelgenooten van zijne vele bekommernissen, terwijl hij
berekende hoe groote rampen de overtocht van den Rubico wellicht aan
de geheele wereld zou berokkenen, en welk een zware verantwoordelijkheid
zij daardoor tegenover het nageslacht op zich laadden. Eindelijk rukte
hij zich uit zijne bedenkingen los en wierp zich in eene zekere hartstochtelijke
opwelling als 't ware de toekomst in de armen. Zoo besloot hij tot den
overtocht onder het uitspreken van dat veel gebezigde woord, wanneer
men een onzeker lot en gewaagde ondernemingen tegemoet gaat: "de
teerling zij geworpen!" Het overige van den weg legde hij hierop
zóó snel af, dat hij nog vóór het aanbreken
van den dag als veroveraar Ariminum binnentrok.
Men verhaalt, dat hij in den aan den overtocht voorafgaanden nacht een
afschuwelijken droom zou hebben gehad: het kwam hem namelijk voor, dat
hij in bloedschennige gemeenschap bij zijne eigene moeder sliep.
33. Na de inneming van Ariminum was het, alsof de oorlog door wijde
poorten zich tegelijk tot alle landen en zeeën den toegang geopend
zag, en alsof door de overschrijding van de grenzen der provincie ook
de geheele staatsregeling omvergeworpen was. Het had den schijn, dat
niet alleen mannen en vrouwen, zooals anders het geval pleegt te wezen,
panisch verschrikt door Italië stormden, maar alsof gansche steden
van hare grondvesten verrezen waren en in wilde vlucht door elkander
renden. Rome zelf was door vluchtelingen en uitgewekenen der volksstammen
uit den omtrek letterlijk overstroomd; te vergeefs beproefden de magistraten
nu eens door overredende woorden, dan weer door strenge bevelen het
volk tot kalmte te stemmen: het bleek noch voor het eene vatbaar, noch
voor het andere. Allerwegen toch bruisten zoozeer de tegenstrijdigste
hartstochten en waren zulke geweldige bewegingen waarneembaar, dat het
weinig scheelde of Rome was in de hooggaande branding en den razenden
storm door zich zelf te gronde gegaan. Want zelfs de partij, die zich
thans verheugde, hield zich niet rustig, maar geraakte met dat deel
van het volk, dat nu in zak en asch zat, telkens wanneer zij daarmee
samentrof, hetgeen in eene groote stad natuurlijk licht gebeuren kon,
in het trotsch gevoel van haar toekomstige zegepraal in hevigen twist
en strijd. Pompejus, zelf reeds geheel verbijsterd, werd van verschillende
kanten nog meer in onrust gebracht; er waren er, die rekenschap van
hem vorderden over het feit, dat hij Caesar tegen zich zelf en tegen
zijne eigene heerschappij zoo machtig gemaakt had; anderen weer maakten
hem er een verwijt van, dat hij hem, die zoo toeschietelijk was gebleken
en zulke billijke voorstellen had gedaan, prijsgegeven had aan de beschimpingen
van Lentulus. Favonius stelde hem den eisch, thans met zijn voet op
den grond te stampen, hierbij zinspelende op zijn voormalige grootspraak:
Pompejus had namelijk vroeger eens in den senaat gezegd, dat hij niet
wilde, dat de senatoren zich verontrusten of beangstigen zouden wegens
de toerustingen tot den oorlog: "ik zelf toch," riep hij uit,
"behoef, zoodra Caesar nadert, slechts met mijn voet op den aardbodem
te stampen om Italië van legioenen te doen wemelen."
Toch nam dit alles niet weg, dat Pompejus toen in aantal troepen Caesar
inderdaad overtrof; niemand liet echter den man volgens eigen inzichten
handelen en zoo gebeurde het, dat hij ten gevolge van vele valsche en
vreesverwekkende tijdingen, alsof de vijand reeds vóór
de poorten stond en meester was van alles, de wijk nam en zich door
de algemeene onstuimige vlucht liet medesleuren. Bij het verlaten der
stad vaardigde hij nog een decreet uit, waarin hij, onder het afleggen
der verklaring, dat de burgerkrijg was ontbrand, den senaat gelastte,
hem te volgen en verder een ieder verbood te blijven, die aan het vaderland
en de vrijheid boven de tyrannie de voorkeur gaf.
34. Zoo namen nu de consuls de vlucht en dat zelfs zonder inachtneming
der wet, die hun voorschreef offers te verrichten vóór
hun vertrek uit de stad. Voorts vluchtten de meeste senatoren met medeneming
van het eerste het beste hunner bezittingen op eene wijze alsof zij
bezig waren eens anders goed te rooven. Zelfs onder hen, die vroeger
met volle instemming Caesars partij gekozen hadden, waren er, die thans
door schrik bevangen hunne bezinning verloren en geheel onnoodig zich
door den stroom dier vluchtelingen lieten medesleepen. Het betreurenswaardigst
van alles echter was het schouwspel, dat de stad zelve bood. Deze toch
geleek, na het losbarsten van zulk een hevigen storm, op een schip,
dat in den blinde dobberde op de baren, waaraan het was prijsgegeven
door zijne versagende stuurlieden. Maar hoe jammerlijk dit uitwijken
naar den vreemde ook was, toch beschouwden de menschen ter wille van
Pompejus het oord der ballingschap als hun vaderland, terwijl zij daarentegen
Rome als Caesars kamp volgaarne in den steek lieten. Zelfs Labienus,
een man met Caesar ten nauwste bevriend, zijn voormalige legaat, die
hem in al zijne Gallische oorlogen met den grootsten ijver had bijgestaan,
gaf nu zijne partij op om over te loopen naar die van Pompejus. In weerwil
hiervan zond echter Caesar hem al zijn geld en have achterna.
Inmiddels hield Domitius aan het hoofd van 30 cohorten Corfinium bezet,
maar nauwelijks was Caesar genaderd en werd hij door diens troepen belegerd,
of hij wanhoopte terstond aan zijn zaak en verzocht een zijner slaven,
dien hij als geneesheer in dienst had, hem vergift te geven. deze reikte
hem het middel; hij nam het aan en dronk den beker om zoo den dood te
vinden. Toen hij echter kort daarop hoorde, dat Caesar zijne gevangenen
met bewonderenswaardige menschlievendheid behandelde, begon hij over
zijn lot te weeklagen en deed zich zelf verwijten over zijn overijld
besluit. Maar nu gaf zijn arts hem de geruststellende verzekering, dat
hij geen vergift, doch slechts een slaapdrank ingenomen had. Hierover
was hij zóó verheugd, dat hij onmiddellijk opsprong om
zich tot Caesar te begeven, en zijne vergiffenis af te smeeken. Deze
gaf hem dadelijk de hand der vriendschap - maar dit belette niet, dat
dezelfde Domitius niet lang daarna toch weder naar Pompejus overliep.
Deze berichten brachten te Rome eene vroolijkere stemming onder de menschen
te weeg en verscheidene uitgewekenen keerden terug.
35. Caesar voegde nu de troepen van Domitius benevens alle andere, die
hij nog bijtijds in deze en gene stad aantrof, waar zij voor Pompejus
werden gelicht, bij zijn eigen leger. Toen hij ten gevolge hiervan zulk
eene sterke macht bijeenverzameld had, dat hij inderdaad in staat was
zijn vijand de noodige vrees in te boezemen, trok hij tegen Pompejus
zelven op. deze wachtte echter zijn aankomst niet af, maar vlood naar
Brindisium. Hierop zond hij de consuls met een deel van zijn leger naar
Dyrrhachium vooruit, om kort daarna bij Caesars nadering zich zelf derwaarts
in te schepen. Later zal ik dit alles meer omstandig in het "Leven
van Pompejus" verhalen.
Gebrek aan vaartuigen was oorzaak, dat Caesar aan zijn wensch om Pompejus
op staanden voet na te zetten geen gevolg kon geven; daarom keerde hij
naar Rome terug na in 60 dagen, zonder één druppel bloed
vergoten te hebben, meester van geheel Italië te zijn geworden.
Toen hij nu ook de hoofdstad in een veel rustiger toestand aantrof dan
hij verwacht had en het hem bleek, dat er zich zelfs nog een vrij groot
aantal senatoren in bevond, hield hij tot dezen eene redevoering in
gematigde bewoordingen en in populairen toon. Hij spoorde hen hierin
aan gezanten naar Pompejus af te vaardigen ten einde op billijke grondslagen
tot een beiden partijen passend verdrag te geraken. Er was echter niemand
onder hen, die aan dit voorstel het oor leende, hetzij uit vrees voor
Pompejus, dien zij in den steek gelaten hadden, hetzij omdat zij dachten
dat Caesar toch niets meende van al wat hij zeide, al bezigde hij daartoe
nog zulke fraaie zinswendingen.
Hierna gebeurde het, dat de volkstribuun Metellus hem, door een beroep
te doen op bepaalde wetten, wilde verhinderen geld uit de schatkist
te nemen. Caesar echter gaf hem ten antwoord: "de tijd der wapenen
en die der wetten is niet dezelfde; wanneer gij geen vrede hebt met
hetgeen thans geschiedt, maak u dan maar liever terstond uit de voeten,
want aan het vrije woord heeft de oorlog geen behoefte; wanneer ik eenmaal
de wapenen neergelegd en vrede gesloten heb, dan moogt gij optreden
en vrijuit tot het volk spreken." "En terwijl ik dit zeg,"
ging hij voort, "geef ik reeds iets van mijne rechten prijs; immers
gij zijt in mijne macht even als alle anderen, die tegen mij hebben
samengespannen en nu in mijne handen gevallen zijn." Na deze tot
Metellus gerichte woorden trad hij op de deuren der schatkamer toe.
De sleutels waren echter zoek, waarop hij smeden liet komen, dien hij
gelastte de deuren open te breken. Toen nu Metellus zich wederom verzette
en hiervoor den bijval van sommigen inoogstte, sloeg Caesar een krachtiger
toon aan en dreigde hij hem te zullen dooden, wanneer hij niet ophield
hem nog langer lastig te vallen. "En gij weet wel, jonge man,"
voegde hij hierbij, "dat het mij meer moeite kostte dit te zeggen
dan 't te doen." deze woorden misten hunne uitwerking niet; niet
alleen toch sloop Metellus nu geheel ontsteld heen, maar ook werden
Caesar alle benoodigdheden voor den oorlog zonder eenige moeite en snel
verschaft.
36. Nu trok hij naar Hispanië, daar hij besloten had eerst Afranius
en Varro, de legaten van Pompejus, te verdrijven en vervolgens de legioenen
aldaar benevens de geheele provincie aan zich te trekken, ten einde
geen vijand in den rug achter te laten, wanneer hij tegen Pompejus oprukte.
Wel werden hem dikwijls hinderlagen gelegd en liep zijn leven bij herhaling
gevaar en had zijn leger veel te lijden door honger, maar toch hield
hij niet eerder op met genoemde veldheeren te vervolgen, hen tot het
leveren van veldslagen te nopen en hen in te sluiten, voordat hij hen
gedwongen had het veld te ruimen en hij zich van al hunne legerplaatsen
en legioenen meester had gemaakt. De legaten zelven namen de wijk naar
Pompejus.
37. Toen Caesar te Rome teruggekeerd was, gaf zijn schoonvader Piso
hem den raad eenige personen naar Pompejus af te vaardigen om vredesonderhandelingen
aan te knoopen; Isauricus daarentegen, die hem welgevallig wilde zijn,
ontried hem dit ten sterkste. Inmiddels werd hij door den senaat tot
dictator benoemd en riep als zoodanig de verbannenen terug, en herstelde
de zonen van hen, die onder Sulla vogelvrij verklaard waren, weder in
hun volle burgerrecht; ook verlichtte hij de schulden van hen, die daarmee
bezwaard waren, door eene verlaging der rente en nam nog enkele soortgelijke
maatregelen meer; maar reeds na elf dagen legde hij zijne alleenheerschappij
neder, benoemde zich zelf met Servilius Isauricus tot consuls en aanvaardde
zijn veldtocht. Hierop marcheerde hij zoo snel voorwaarts, dat hij een
groot gedeelte van zijne troepen achter zich liet en slechts 600 man
uitgelezen ruiterij en 5 legioenen bij zich had, toen hij zich juist
om den tijd van het wintersolstitium in het begin van Januari, de maand,
die met den Atheenschen Poseideoon overeenkomt, inscheepte. Na de Ionische
zee overgestoken te zijn nam hij Oricum en Apollonia in; vervolgens
zond hij de schepen weder naar Brindisium om de soldaten, die op den
marsch achtergebleven waren, over te voeren. Deze waren nog bij voortduring
onderweg, hetgeen niet te verwonderen was, daar zij niet meer in de
volle kracht des levens stonden en tengevolge der vele veldtochten zeer
verzwakt waren. Nu begonnen zij zich over Caesar te beklagen: "waarheen."
zeiden zij, "en naar welk doelwit wil deze man ons toch brengen?
Hij sleept ons rond en behandelt ons als waren wij onverslijtelijke
en gevoellooze lichamen. Zelfs het ijzer wordt mat van de slagen, en
schild en harnas spaart men van tijd tot tijd wanneer zij veeljarigen
dienst hebben. Bemerkt Caesar dan aan onze wonden niet, dat hij sterfelijke
menschen aanvoert, en dat wij evenmin als anderen gevrijwaard zijn voor
pijn en smart, eigen als deze zijn aan de menschelijke natuur? Het winterjaargetijde
en het stormgeloei op zee vermag zelfs geen god te trotseeren; maar
deze man zet alles op het spel, als gold het niet de vijanden te vervolgen,
maar voor hen te vluchten." Zoo sprekende marcheerden zij langzaam
naar Brindisium op. Maar toen zij bij hun komst aldaar ontwaarden, dat
Caesar reeds weggevaren was, sloeg hunne stemming onmiddellijk om. Zij
deden zich zelven de heftigste verwijten en noemden zich verraders van
hun opperbevelhebber; ook verweten zij hunne aanvoerders, dat deze den
marsch niet hadden bespoedigd. En terwijl zij zoo op de kruinen der
voorgebergten gezeten waren, richtten zij hunne blikken op de zee en
op Epirus, uitziende naar de schepen waarop zij naar hem overvaren zouden.
38. Inmiddels bevond zich Caesar te Apollonia in de uiterste verlegenheid;
de troepenmacht, die hij bij zich had, was te onbeduidend om hiermede
een slag te wagen en het leger, dat van de overzijde moest komen, bleef
uit. Nog was hij hierover geheel terneergeslagen, toen hij plotseling
het gevaarlijke plan opvatte om heimelijk een vaartuig, ter grootte
van niet meer dan twaalf riemen te bestijgen en daarmede naar Brindisium
over te steken, en dat hoewel de zee met talrijke vijandelijke vloten
als bedekt was. Toen de nacht was aangebroken, hulde hij zich in het
gewaad van een slaaf, ging scheep en legde zich rustig in een hoek als
iemand op wien geen mensch acht sloeg. Langzaam gleed het schip langs
de rivier Aoüs, gedragen door den landwind, naar zee. Deze wind,
die zich in den regel 's morgens verhief, hield den golfstroom ver van
de monding verwijderd, ten gevolge waarvan, zoolang hij woei, de zee
op dat punt uiterst kalm was. Maar des nachts stak een zeewind op met
zulk een hevig geblaas, dat de landwind zich legde. Nu had de rivier
weldra te kampen met den inmiddels opkomenden vloed der zee, zoodat
zij tegen den heftigen golfslag in zelf wild en onstuimig werd; onder
geweldig gebruis werden hare wateren, waarin zich draaikolken vormden,
stroomopwaarts teruggeworpen. Op deze wijze werd het voor den stuurman
eene onmogelijkheid om vooruit te komen; dus gelastte hij zijn matrozen
het schip te wenden en weder de rivier op te varen. Nauwelijks had Caesar
dit gehoord of hij maakte zich bekend en greep den stuurman, die bij
dezen aanblik geheel ontstelde, bij de hand, terwijl hij zeide: "ga
gerust voort, brave vriend, waag het en vrees niets, gij hebt Caesar
maar bovendien Caesars geluk als medepassagier aan boord." Nu vergaten
de matrozen den storm, en roeiden weder zooveel zij konden; maar hoezeer
zij al hunne krachten inspanden, was het hun met den besten wil niet
doenlijk den stroom meester te worden. Toen hierbij nu nog kwam, dat
het schip veel water binnen kreeg en in den mond der rivier groot gevaar
liep te zinken, stond hij, ofschoon nog zeer tegen zijn zin, den stuurman
toe te keeren. Bij zijne terugkomst in de legerplaats liepen de soldaten
hem in dichte drommen tegemoet, terwijl zij hem bittere verwijten deden
en zich diep beklaagden, dat zijn vertrouwen in hen zoo gering was.
"Zijt gij dan zoo overtuigd," riepen zij uit, "niet in
staat te zijn met ons alleen te overwinnen, dat gij u over afwezigen
bekommert en alles om hunnentwillen op het spel zet, maar ons daarentegen,
die hier bij u zijn, behandelt als hadden wij uw vertrouwen verbeurd?"
39. Kort daarop bracht Antonius de troepen veilig van de overzijde in
Caesars kamp. Hierdoor weder bemoedigd trachtte hij Pompejus uit zijne
verschansingen te lokken om zoo tot een veldslag te geraken. ...
KLIK
HIER om verder te lezen!
(Hoofdstukken 39 t/m 69 en de Vergelijking tussen Alexander en Caesar)
|