Plutarchus

Plutarchus.

Levens. (Alexander en Caesar).

Uit het Grieksch
door
Dr. B. H. Steringa Kuyper.

Deel II.

Amsterdam.
S.L. VAN LOOY. / H. GERLINGS.


VOORBERICHT

(...)
Heb ik (in) Deel I Alexander op zulk een voetstuk geplaatst, dat zelfs Caesar zoo hoog niet stijgen kan, zoo neemt dit niet weg, dat ik toch in een bepaald opzicht aan den Romein eene zekere meerderheid boven den Macedoniër niet kan ontzeggen. Deze dunkt mij voornamelijk gelegen te zijn in de koele staatsmanswijsheid en rustige bedaardheid, die bij al zijne voortvarendheid Caesar nooit verlaat; hoe hartstochtelijk en zinnelijk van aard ook, toch wordt hij nimmer slaaf van zijne passies, integendeel: moge hij ook al het "carpe diem" in praktijk brengen, toch zijn voor hem de genietingen altijd voorbijgaande zaken en weet hij met zelfbewuste kracht zich steeds te beheerschen. Ook heeft hij boven Alexander voor, dat hij tot volle rijpheid van jaren gekomen is en, als zooveel later levende, over meer wetenschap en kennis beschikt, maar dit zijn dingen, die, hoewel van beteekensi en dus vermelding verdienende, buiten den persoon als zoodanig liggen.
Reiken wij dus ten slotte gaarne aan Alexander boven ieder ander den eerepalm, toch erkennen wij tevens dat Caesar voor alle tijden is en blijft der groote Tiberstad grootste zoon en dat tot in het verre nageslacht zal gelden het woord van Mommsen: "als ein Wirkender und Schaffender lebt er noch nach Jahrtausenden in Gedächtniss der Nationen, der erste und doch auch der einzige Imperator Caesar." [Mommsen R.G. III, 6e aufl., p 569]

De door mij gebezigde teksten zijn: voor Plutarchus die van C. Sintenis, Teubner en voor Appianus die van L. Mendelssohn, Teubner.

B.H.S.K.

Schiedam, Jan. 1898.


GAJUS CAESAR

1. Bij den aanvang van Sulla's dictatuur was Caesar gehuwd met Cornelia, de dochter van Cinna, den voormaligen alleenheerscher. Sulla liet geen middel onbeproefd om deze echtverbintenis te verbreken. Toen echter noch beloften noch bedreigingen iets baatten, confiskeerde hij Cornelia's bruidschat. De oorzaak der vijandige verhouding tusschen Caesar en Sulla was gelegen in Caesars verwantschap met Marius. Julia toch, de zuster van Caesars vader, was gehuwd geweest met den ouderen Marius; de uit dit huwelijk geboren jongere Marius was dus volle neef van Caesar. In weerwil echter van deze vijandschap was Sulla aanvankelijk door de menigte proscripties en andere bezigheden zóózeer in beslag genomen, dat hij Caesar geheel over het hoofd zag. Deze, in plaats van blijde te zijn, dat men hem vergat, waagde het om zelfs openlijk voor eene volksvergadering op te treden en naar een priesterambt te dingen, en dat terwijl hij nog niet eens ten volle den jongelingsleeftijd achter den rug had.
Dit optreden lokte een krachtig verzet uit van den kant van Sulla, die dan ook wist te bewerken, dat hij niet gekozen werd. Zelfs maakte Sulla het thans tot een punt van ernstige overweging, of het niet wenschelijk ware Caesar uit den weg te ruimen. Toen hem nu door eenigen de opmerking gemaakt werd, dat hij toch geen reden had om een nog zoo jeugdigen knaap te doen ombrengen, zeide hij, dat zij dan wel geen verstand moesten hebben, wanneer zij niet inzagen, dat in dezen knaap vele Mariussen staken. Dit woord kwam weldra Caesar ter oore en deed hem besluiten een poos in het land der Sabijnen rond te zwerven ten einde zich zoodoende voor Sulla schuil te houden. In den eersten tijd gelukte hem dit ook, maar, toen daarna op een zekeren nacht eene ongesteldheid hem noopte zich naar eene andere woning te laten brengen, viel hij soldaten van Sulla in handen, terwijl deze zich juist onledig hielden die streek te doorsnuffelen en personen, die zich daar verborgen hielden, gevangen te nemen. Hij slaagde er evenwel in hun kapitein Cornelius te bewegen hem voor een som van twee talenten vrij te laten, waarna hij zich in allerijl naar de kust begaf en wegvoer naar Bithynië tot koning Nicomedes. Bij hem vertoefde hij nu een korten tijd. Daarop scheepte hij zich weder in, maar werd in den omtrek van het eiland Pharmacusa door zeeroovers gevangen genomen, die toen ter tijd reeds met groote vloten de zee beheerschten en met een ontelbaar aantal vaartuigen de wateren als het ware bedekten.


Lucius Cornelius Sulla

2. Toen zij twintig talenten losgeld van hem eischten, begon hij hen hartelijk uit te lachen alsof zij niet wisten, wien zij gevangen hadden, en beloofde uit eigen beweging hun er vijftig te zullen betalen. Daarna zond hij van zijne begeleiders den een naar deze, den ander naar gene stad om het geld bijeen te krijgen. Zelf bleef hij intusschen met één vriend en twee bedienden onder deze bloeddorstige Ciliciërs achter. Hij behandelde hen echter met de grootste verachting. Zoo liet hij 't hun weten, wanneer hij zich te ruste wilde leggen en gelastte hun zich onderwijl stil te houden. Acht en dertig dagen lang verkeerde hij onder hen, eerder als een door zijn lijfwacht omgeven vorst dan als een door roovers bewaakte gevangene. Zonder de minste vrees nam hij aan hunne spelen en lichaamsoefeningen deel. Ook maakte hij gedichten en stelde redevoeringen op, naar welker voorlezing hij hen noodzaakte te luisteren, en wanneer zij er niet over in bewondering geraakten, schold hij hen in hun gezicht voor onbeschaafden en barbaren uit, en ging dikwijls zoover, dat hij al lachend dreigde hen te zullen laten ophangen. De roovers beschouwden zijne vrijmoedige uitingen als onschuldige jokkernij en schepten er veel vermaak in. Maar toen het losgeld uit Milete gekomen en hij na betaling vrijgelaten was, bemande hij terstond eenige vaartuigen en stak daarmeê tegen de roovers in zee. Hij overviel hen, terwijl zij nog bij het eiland voor anker lagen en kreeg de meesten in zijn macht.
Hun geld beschouwde hij als een hem rechtmatig toekomenden buit; hen zelven bracht hij naar Pergamum, waar hij hen in de gevangenis liet werpen. Vervolgens begaf hij zich tot den toenmaligen landvoogd van Azië, den praetor Junius, daar deze krachtens genoemde qualiteit de aangewezen man was om de gevangenen te straffen. Junius wierp begeerige blikken op het geld, dat een aanmerkelijk bedrag beliep, en zeide, dat hij te gelegener tijd de zaak der gevangenen zou onderzoeken. Caesar liet hierop den praetor voor hetgeen hij was, ijlde naar Pergamum, gaf last de roovers voor hem te brengen en deed hen allen aan het kruis slaan. Zoo ondergingen zij dus inderdaad het lot, waarmede hij hen van te voren op het eiland schijnbaar in scherts zoo dikwijls had bedreigd.
3. Inmiddels begon te Rome Sulla's gesternte allengs te tanen en namen Caesars vrienden daaruit aanleiding hem tot terugkeer uit te noodigen. Allereerst echter voer hij naar Rhodus, om de redenaarsschool van Apollonius, den zoon van Molo, te bezoeken. Deze Apollonius, onder wiens gehoor ook Cicero geweest is, was op het gebied der welsprekendheid een talent van den eersten rang; bovendien stond hij bekend als een man van een rechtschapen karakter. Caesar nu bezat een buitengewonen aanleg voor de politieke welsprekendheid, en wist zijne natuurlijke gaven met zooveel ijver en talent te ontwikkelen, dat hij onder de Romeinsche redenaars onbetwist de tweede plaats innam. Zelfs was zijn aanleg van dien aard, dat hij gemakkelijk de eerste plaats had kunnen veroveren, ware het niet dat hij er de voorkeur aan had gegeven de eerste te wezen op staatkundig en militair terrein. En om zich tot dit hooge standpunt op te werken werd zijn tijd reeds zóózeer in beslag genomen, dat hij afzag van elke poging om ook op oratorisch gebied allen te overschaduwen. Bereikte hij dus niet die volkomenheid in het spreken, die elke mededinging achter zich laat, zoo was dit alleen een gevolg van zijne vele veldtochten en van de menigte beslommeringen van staatkundigen aard, welke de politieke rol, die hij speelde, bij voortduring met zich bracht. Maar hieraan had hij dan ook ten slotte zijne alleenheerschappij te danken. Toen hij later zijn verweerschrift tegen Cicero aangaande Cato in het licht gaf, verzocht hij daarin den lezer het eenvoudige woord van een soldaat toch vooral niet te vergelijken met den afgeronden stijl van een talentvol redenaar, die al zijn tijd aan de beoefening der welsprekendheid kon wijden.
4. Toen hij te Rome teruggekeerd was, klaagde hij Dolabella aan wegens afpersingen in zijne provincie, waarbij vele Grieksche staten als getuigen aan zijne zijde stonden. Toch werd Dolabella vrijgesproken. Kort hierna hadden de Grieken een proces te voeren tegen P. Antonius wegens omkooperij. Om nu hunne bereidwilligheid in het geding tegen Dolabella te vergelden nam Caesar de taak op zich hun zaak te bepleiten voor M. Lucullus den praetor van Macedonië. En inderdaad wist hij door zijne welsprekendheid te bewerken, dat Antonius, voorgevende in Griekenland tegen Grieken geene onpartijdige rechtspraak te kunnen erlangen, zich op de volkstribunen beriep. De schitterende redenaarstalenten nu, die Caesar bij pleitgedingen ten toon spreidde, deden hem intusschen veler gunst te Rome verwerven; maar in niet mindere mate viel hem de toegenegenheid des volks ten deel wegens de bijzondere innemendheid, waarover hij bij begroetingen en in den dagelijkschen omgang wist te beschikken: hij verstond bij uitstek de kunst de plooibare en dienstvaarige man te zijn en dat met een talent, dat zijn leeftijd ver te boven ging. Inzonderheid droegen zijn weelderige tafel en over het geheel zijne schitterende levenswijze er veel toe bij om zijne reeds zoo invloedrijke positie in den staat allengs te doen wassen. Aanvankelijk schonken zijne benijders in de meening, dat, zoodra zijn vermogen zou zijn opgeteerd, daarmede ook zijn invloed verdwijnen zou, aan Caesars meer en meer zich uitbreidend gezag weinig aandacht. Toen echter dit gezag zoo was toegenomen, dat het niet meer te keeren was, en het openlijk afging op de omverwerping der republiek, zag men te laat in, dat men geene zaak, ook al is zij in haar begin klein, ooit voor onbeduidend moet houden. Immers het is juist deze geringschatting, die, met de stalen volharding van den ondernemer tegenover zich, aan haar voortschrijden geen beletsel in den weg legt.
De man, wien het eerst Caesars staatkunde met haar lachend uiterlijk niet minder verdacht en vreesverwekkend voorkwam dan eene kalme zee met hare lachend-kabbelende oppervlakte, was Cicero. Hij doorgrondde ten volle dat karakter, dat onder het mom van minzaamheid en welwillendheid eene onverzettelijke kracht en een machtigen wil verborg. Van Cicero is dan ook het woord: "Op den bodem van alle staatkundige ondernemingen en van alle ontwerpen van dezen man ligt mijns inziens steeds de gedachte van een alleenheerscher." Dezelfde redenaar placht hier echter aan toe te voegen: "Wanneer ik daarentegen zie met welk eene overdreven élégance hij zijn haar verzorgt en hoe hij zich slechts met één vinger krabt, dan kan ik mij aan den anderen kant weêr niet voorstellen, dat deze man zich zulk een rampzalig plan als de omverwerping van den Romeinschen staat in het hoofd zou hebben gezet." Maar dit behoort eerst tot eene latere periode.
5. Van de toegenegenheid des volks ontving Caesar het eerste blijk, toen hij met G. Popilius naar het krijgstribunaat dong en het eerst als zoodanig benoemd werd. Hierop volgde een tweede, dat nog veel meer in het oog viel. Aanleiding hiertoe gaf het overlijden van Julia, de gemalin van Marius. Als haar neef toch hield Caesar te harer eere eene schitterende lijkrede op het forum en waagde het bij de uitvaart borstbeelden van Marius te voorschijn te brengen. Dit was sedert de heerschappij van Sulla, die de Marianen voor vijanden des vaderlands verklaard had, de eerste maal, dat deze beelden weder werden aanschouwd. Toen nu enkelen hierover tegen Caesar een geschreeuw aanhieven, overstemde het volk dit door onder luide kreten en handgeklap Caesars daad toe te juichen. Er ging onder het volk slechts één stem van bewondering op over zijn moed, daar hij niet schroomde den roem van Marius, die zoovele jaren begraven was geweest, te doen herleven door hem als 't ware uit de onderwereld weder de stad binnen te voeren.
Overigens was het uitspreken van lijkredenen ter eere van vrouwen van leeftijd een oud gebruik bij de Romeinen; bij het overlijden van jonge vrouwen bestond deze gewoonte niet. Caesar echter was weder de eerste, die hiermede geene rekening hield.
Toen hem namelijk zijne eigene vrouw door den dood werd ontrukt, sprak hij evenzeer haar ter eere eene rede uit. Ook hierdoor verwierf hij zich de gunst der menigte, die bovendien bij het aanschouwen zijner groote droefheid zóó geroerd werd, dat zij in hem den humanen en gevoelvollen man leerde liefhebben. Na de begrafenis zijner echtgenoote ging Caesar als quaestor naar Hispanië, en wel in het gevolg van den praetor Vetus, een man, dien hij zijn leven lang de hoogste achting toedroeg, waarvan als bewijs kan strekken, dat hij later, toen hij op zijn beurt praetor was, diens zoon tot zijn quaestor maakte. Na afloop zijner quaestuur trad hij voor de derde maal in het huwelijk en wel met Pompeja, terwijl hij van Cornelia eene dochter had, die later de vrouw werd van Pompejus Magnus.
In dezen tijd was Caesar zoo verbazend verkwistend met geld, dat hij nog vóór de aanvaarding van eenig ambt al diep in de schuld stak; men wil zelfs, dat deze reeds toen de ontzaglijke som van 1300 talenten beloopen moet hebben. Het verdient echter opmerking, dat Caesar, hoezeer hij schijnbaar voor groote uitgaven slechts een voorbijgaanden en kortstondigen roem inruilde, in waarheid "het hoogste" kocht voor een geringen prijs. Immers terwijl hij van zijn eigen vermogen reusachtige sommen besteedde, toen hij belast was met het toezicht op de verbetering der Via Appia, en als aedilis driehonderd twintig paren gladiatoren op zijn kosten voor het volk liet vechten, voorts over het geheel ter opluistering van theatervoorstellingen, feestelijke optochten en gastmalen eene vrijgevigheid en royaliteit aan den dag legde, waardoor hij alles in de schaduw stelde, wat op dit gebied vroeger door anderen was geleverd, zoo strekte dit alles ten slotte om het volk zóó voor hem te stemmen, dat ieder telkens om strijd naar nieuwe eerambten en nieuwe onderscheidingen zocht, om hem daardoor zijne dankbaarheid te toonen.
6. Toen ter tijd waren er twee staatkundige partijen te Rome, die der Sullanen en die der Marianen. De eerste had alle macht in handen, de tweede was machteloos en verkeerde in een toestand van ontbinding. Nu was het Caesars doel laatstgenoemde partij uit haar staat van diepe vernedering op te heffen en krachtig te maken. Daarom liet hij, juist toen zijne eerzuchtige bemoeiingen haar toppunt van vrijgevigheid bij de waarneming der aediliteit bereikten, in stilte eenige beelden van Marius en tropaeëndragende Nike's vervaardigen en deze op een nacht naar het Capitool brengen, alwaar hij vervolgens allen eene in het oog vallende plaats gaf. Den volgenden morgen trokken deze beelden, die alle schitterden van goud en ongemeen artistiek waren bewerkt, terwijl er inscripties op waren aangebracht, die de Cimbrische zegepralen vermeldden, reeds terstond de aandacht van velen. De verbazing dezer menschen over de vermetelheid van den man, die de beelden had doen opstellen en over wiens naam niemand in twijfel verkeerde, kende geene palen. Het gerucht hiervan verbreidde zich snel door de stad en lokte alle menschen naar het Capitool om de beelden in oogenschouw te nemen. Er waren er echter onder hen, die luide verkondigden dat het nu duidelijk bleek hoe Caesars staatkunde de alleenheerschappij ten doel had, daar hij eerbetooningen, die reeds lang door wetten en senaatsbesluiten begraven waren, weder in het leven riep: "dit is niets anders", zeiden zij, "dan een proef, die hij neemt op het vooraf door hem bewerkte volk; hij wil zien of hij het door zijne milde schenkingen tam genoeg heeft gemaakt, om hem te veroorloven zulk een spel te spelen en allerlei nieuwigheden te verzinnen." De Marianen daarentegen vertoonden zich, terwijl zij elkander wederkeerig moed inspraken, plotseling in een verbazingwekkend groot aantal op het Capitool, dat zij van jubelende bijvalsbetuigingen deden weergalmen; velen hunner ontwelden bij den aanblik van Marius' beeltenis vreugdetranen en Caesar werd door hunne lofspraken hemelhoog verheven: hij alleen was groot en een man boven alle anderen waardig een verwant van Marius te zijn.
Bovenvermelde gebeurtenissen gaven aanleiding, dat de senaat bijeengeroepen werd. In deze vergadering verhief zich een in dien tijd te Rome bij uitstek gezien man, Lutatius Catulus, van zijn zetel met een rede, die een openlijke aanklacht tegen Caesar behelsde. Hierbij uitte hij de gedenkwaardige woorden: "Caesar belaagt den staat niet langer met loopgraven, maar beukt hem reeds openlijk met stormrammen." Tegen deze beschuldiging wist Caesar zich echter met zóóveel talent te verdedigen, dat de senaat geheel voor hem gewonnen werd. Dit had ten gevolge, dat zijne bewonderaars nog vermeteler werden en hem aanspoorden om toch nooit in fieren moed voor wien ook onder te doen: "dan zou hij, door de gunst des volks gedragen, over al zijne tegenstanders zegevieren en eenmaal de eerste zijn."
7. Inmiddels was door den dood van Metellus het opper-pontificaat vacant geworden. Onder de velen, die naar dit ambt dongen, behoorden Isauricus en Catulus, beiden mannen van aanzien en van veel invloed in den senaat. Hiervoor deinsde echter Caesar zoo weinig terug, dat hij zich naar de volksvergadering begaf en als mededinger tegen hen optrad. Daar de volksgunst zich vrij wel gelijkelijk scheen te zullen verdeelen, koesterde Catulus naarmate de positie, die hij innam, hooger was, ook meer vrees voor een onzekeren afloop. Daarom liet hij Caesar eene groote som gelds aanbieden, ten einde hem te overreden van zijne eerzuchtige plannen af te zien. Caesars antwoord luidde, dat hij den strijd zou uitvechten, al moest hij nog grootere schulden maken. Op den dag der verkiezing begeleidde hem zijne moeder onder tranen tot aan de deur. Hij omhelsde haar en zeide: "moeder, heden zult gij uwen zoon òf als pontifex maximus òf als balling terugzien". De stemming had plaats: na een heeten strijd droeg Caesar de zege weg, hetgeen den senaat en de optimaten met groote bezorgdheid vervulde, daar zij vreesden, dat hij thans het volk tot elken stap, hoe vermetel ook, zou kunnen verleiden. Daarom deden Piso en Catulus met hunne aanhangers Cicero vele verwijten, toen deze bij de ontdekking der samenzwering van Catilina Caesar spaarde, hoezeer hij in deze aangelegenheid vat genoeg op zich gegeven had.
Catilina wilde namelijk niet alleen den staatsvorm veranderen, maar al het bestaande onderste boven werpen; hij beoogde dus eene algeheele vernietiging van het gezag. Wel is waar had hij zelf, toen er nog slechts getuigenissen van minder gewicht tegen hem waren ingebracht en men zijne eigenlijke plannen nog niet had ontdekt, een goed heenkomen gezocht in de vlucht; daarentegen had hij Lentulus en Cethegus in de stad achtergelaten om als zijne opvolgers de door hem gesmeede samenzwering tot uitvoering te brengen. In hoeverre nu deze door Caesar heimelijk zijn aangemoedigd en gesteund wil ik in het midden laten. Toen echter in den senaat hun schuld volledig en overtuigend bewezen was en de consul Cicero aangaande de bestraffing elk naar zijn gevoelen vroeg en allen, die Caesar vóórgingen, voor hunne terdoodbrenging hadden gestemd, rees Caesar, toen de beurt aan hem kwam, van zijn zetel op en sprak eene van te voren wèl overwogen rede uit. Hierin gaf hij met den meesten nadruk als zijne meening te kennen, dat eene terechtstelling zonder vorm van proces van zulke naar rang en geboorte aanzienlijke mannen alleen bij de uiterste noodzakelijkheid kon worden toegelaten; in elk ander geval was zij ongeoorloofd als indruischende zoowel tegen de voorvaderlijke zeden als tegen het recht. Hij gaf dus den raad hen gevangen te zetten, en wel in die steden van Italië, die Cicero zelf zou uitkiezen; werden zij daar dan zoo lang zorgvuldig bewaakt tot Catilina geheel zou zijn overweldigd, dan stond het later immers den senaat volkomen vrij in alle rust en kalmte over elk afzonderlijk een oordeel te vellen.

Marcus Tullius Cicero

8. Deze met meesterlijk talent voorgedragen redevoering ter ondersteuning van een voorstel, waarvan de humane strekking een ieder in het oog sprong, maakte zulk een overweldigenden indruk, dat niet alleen zij, die na hem opstonden, zich aan zijne zijde schaarden, maar ook velen, die vóór hem het woord gevoerd hadden, hunne toen uitgesproken meening terugnamen om die van Caesar te omhelzen. Geheel anders echter werd weder de stand van zaken, toen Cato en Catulus aan het woord kwamen. Deze beide sprekers toch traden als heftige tegenstanders tegen Caesar in het krijt: zelfs ontzag Cato zich niet om, terwijl hij in de krachtigste bewoordingen zich tegen Caesars voorslag verzette, steunende op diens eigen rede verdenking van medeplichtigheid op hem te werpen. Dit optreden had ten gevolge dat de mannen ter dood werden verwezen. Toen hierop nu Caesar den senaat verliet, liepen vele jonge lieden, die in dien tijd een soort lijfwacht van Cicero vormden, te hoop met het blanke zwaard op Caesar gericht. Om hem tegen dezen aanval te beschermen zou Curio zijne toga over hem heen geworpen hebben en hem zoo in veiligheid hebben gebracht. Ook zou Cicero zelf, hetzij uit vrees voor het volk, hetzij omdat hij den moord als een vergrijp tegen de wetten beschouwde en voor niet gerechtvaardigd hield, de jongelingen, wier blikken vragend op hem gericht waren, door een wenk van hun voornemen afgehouden hebben. Als dit werkelijk zoo heeft plaats gehad, is het mij onbegrijpelijk, waarom Cicero in zijn geschrift "over zijn consulaat" deze gebeurtenis in het geheel niet aanroert. Later evenwel maakte men hem er een verwijt van, dat hij toen het gunstige oogenblik, waarop hem zulk eene uitstekende gelegenheid werd aangeboden om tegen Caesar op te treden, had laten glippen en hem uit vrees voor het volk, dat Caesar eene ontzaglijke aanhankelijkheid betoonde, had gespaard. En inderdaad, hoe onbegrensd Caesars populariteit was, bleek reeds in de eerstvolgende dagen. Er werd namelijk eene vergadering van den senaat gehouden, werwaarts zich Caesar begeven had ten einde zich van de op hem geworpen verdenking vrij te pleiten. Men ontving hem met een geweldig rumoer en rekte de zitting vervolgens zoo lang, dat de gewone duur eener senaatsvergadering ver werd overschreden. Nu kwam het volk onder luid geschreeuw opdagen, omringde in dichte drommen het senaatsgebouw en eischte op bevelenden toon Caesars vrijlating. Dit voorval maakte in hooge mate Cato's bezorgdheid voor een oproer der proletariërs gaande. Deze menschen toch, die als het ware de lont vormden, waardoor de geheele volksmenigte in lichtelaaie kon worden gezet, stelden al hun hoop op Caesar. Daarom overreedde Cato den senaat om een bepaald rantsoen koren maandelijks onder hen te verdeelen. Wel is waar werden dientengevolge de jaarlijksche uitgaven met een bedrag van zeven millioen vijf honderd duizend sestertiën vermeerderd, maar het groote gevaar, dat oogenblikkelijk dreigde, was door dezen politieken maatregel glansrijk afgewend. Dit gebeurde juist toen Caesar op het punt stond praetor te worden en zijne macht door dit aanzienlijk ambt des te geduchter zou geworden zijn. In plaats daarvan was echter thans zijn invloed grootendeels gebroken en zijn aanhang verstrooid.
9. Uit de bekleeding der praetuur ontsproot dan ook in geen enkel opzicht eenige oproerige beweging; wel echter trof Caesar in zijn eigen huis een zeer onaangenaam voorval. P. Clodius namelijk, van afkomst patriciër, rijk en een schitterend redenaar, maar tevens zóó vermetel en onbeschaamd, dat hij voor geen van hen, die wegens hunne liederlijkheid berucht waren, onderdeed, was verliefd op Pompeja, Caesars gemalin, en zijne liefde werd door haar beantwoord. Maar hare vertrekken werden zeer nauwlettend bewaakt en Caesars moeder Aurelia, eene matrone van onbesproken zeden, wist gelegenheid te vinden zich bij voortduring in de nabijheid der jonge vrouw op te houden, zoodat samenkomen der gelieven met groote moeiten en gevaren gepaard gingen. De Romeinen nu hebben eene godin, die zij Bona Dea noemen en die men kan vergelijken met de Grieksche Gunaikeia. Volgens de bewering der Phrygiërs is zij eene in hun land inheemsche godheid en wel de moeder van hun koning Midas; de Romeinen daarentegen houden haar voor eene dryade, die gehuwd was met Faunus; bij de Grieken eindelijk is zij eene der moeders van Dionysus, en wel diegene, die als de "onnoembare" wordt aangeduid. Daarom worden door de vrouwen, die het feest vieren, hutten gebouwd, met wijnranken bedekt, en een heilige draak ligt in overeenstemming met de mythe aan de voeten van het standbeeld der godin. Eenen man is de toegang verboden; zelfs mag zich tijdens de viering der heilige feesten geen man ergens in het huis ophouden. De vrouwen bevinden zich in een afgezonderd gedeelte en verrichten, naar men zegt, bij haren offerdienst vele ceremonies, welke op die der Orphische mysteriën gelijken. Wanneer nu het tijdstip van het feest is aangebroken, moet de man, en dit is steeds een consul of een praetor, met alle andere mannelijke bewoners zijn huis verlaten; de vrouw neemt dan het huis van hem over en siert het op met gepasten tooi. De voornaamste mysteriën hebben des nachts plaats en dit nachtfeest gaat gepaard met allerlei scherts en wordt door veel muziek begeleid.
10. Daar het nu juist Pompeja's beurt was om dit feest te vieren, besloot Clodius, die nog baardeloos was en dus meende van dien kant voor ontdekking gevrijwaard te zijn, zich in het gewaad en den overigen dos eener citherspeelster te steken. Zoo vermomd geleek hij volkomen op eene jonge vrouw en begaf zich naar het feest. Hij vond de deur open en werd door eene slavin van Pompeja, die in het geheim was, veilig in huis gelaten. Doordat deze nu vooruitliep om hare meesteres van zijne komst te verwittigen moest Clodius een oogenblik wachten, maar daar hij niet durfde blijven waar men hem gelaten had, sloop hij door het groote huis rond steeds zorgend, dat hij op een goeden afstand bleef van de lampen. Het toeval wilde echter, dat hij eene kamenier van Aurelia ontmoette, die in de meening, dat zij met een lid harer sexe te doen had, hem staande hield en tot een spel met haar uitnoodigde. Toen hij dit verzoek van de hand wees, trok zij hem naar het midden der zaal met de vraag: "wie zijt gij dan en waar komt gij van daan?" Clodius antwoordde, dat hij wachtte op Pompeja's abra, die juist dezen zelfden naam, Abra droeg, maar zijne stem verried hem: onder luid geschreeuw ijlde de kamenier terstond naar het volle licht, waar het gezelschap zich bevond al roepende: "ik heb een man betrapt." De vrouwen werden door hevige ontsteltenis bevangen en vluchtten uiteen; Aurelia brak onmiddellijk allen verderen voortgang der mysteriën af, bedekte de heiligdommen en liet de deuren sluiten; daarop ging zij zelve met flambouwen het geheele huis door om Clodius te zoeken. Men vond hem verborgen in de kamer der slavin, door wie hij binnen was gebracht; de vrouwen herkenden hem en joegen hem buiten de deur. Dadelijk gingen nu ook deze daarop huiswaarts en vertelden in denzelfden nacht haren mannen het voorval.
Den volgenden morgen ging het gerucht van eene gruwelijke heiligschennis, die Clodius gepleegd zou hebben, als een loopend vuur door de stad. Men verzekerde dat hij niet alleen zich aan beschimping van bepaalde personen had schuldig gemaakt, maar zich ook vergrepen had aan den staat en de goden. Terwijl nu een der volkstribunen Clodius wegens heiligschennis aanklaagde, traden bovendien de invloedrijkste leden van den senaat gezamenlijk met een aantal beschuldigingen tegen hem op. Zij verklaarden namelijk te kunnen getuigen, dat hij zich, behalve aan vele andere liederlijke handelingen, ook schuldig had gemaakt aan bloedschennige echtbreuk met zijne eigene zuster, die met Lucullus gehuwd was geweest. Maar thans verzette zich het volk tegen de bemoeiingen dezer mannen; het nam Clodius in bescherming en steunde hem krachtig tegenover de rechters, die voor het gepeupel sidderden en beefden. Caesar zelf liet zich terstond van Pompeja scheiden, maar verklaarde in weerwil hiervan, toen hij als getuige voor het gerecht werd geroepen, dat hem van hetgeen Clodius ten laste werd gelegd niets bekend was. Natuurlijk vond men dit een zeer zonderling antwoord en de aanklager voelde zich dan ook genoopt hem de vraag te stellen: "maar waarom hebt gij u dan van uwe vrouw laten scheiden?" "Omdat ik," antwoordde hij, "verlang, dat op mijne vrouw zelfs niet de minste verdenking mag vallen." Volgens sommigen meende Caesar werkelijk wat hij zeide; anderen daarentegen beweren, dat hij zoo sprak om het volk te behagen, dat zonder eenig voorbehoud den beklaagde wilde redden. Het slot der zaak was, dat Clodius inderdaad werd vrijgesproken, en wel tengevolge van het feit, dat de meeste rechters hun stem over verscheidene zaken door elkaar uitbrachten. Zij deden dit met bedoeling, want veroordeelden zij hem, dan stelden zij zich bloot aan gevaren van de zijde van het volk en spraken zij hem vrij, dan liepen zij de kans, dat hun goede naam in de oogen der optimaten bezwalkt was.
11. Onmiddellijk na afloop der praetuur ontving Caesar Hispanië als provincie. Maar zijn afreis derwaarts werd hem als 't ware door zijn schuldeischers versperd; zij maakten een geweldig kabaal en waren voor geen enkele schikking te vinden. Nu kwam echter Caesar op het denkbeeld zijn toevlucht te zoeken bij Crassus, den rijksten man te Rome, die op zijn beurt Caesars invloed en geestkracht noodig had om zich in zijn politiek tegenover Pompejus te handhaven. Crassus verklaarde zich bereid de lastigste en onverbiddelijkste schuldeischers voor zijne rekening te nemen en bleef bij hen borg voor de som van 830 talenten; zoo kon dus Caesar naar zijne provincie vertrekken. Bij zijn overtocht over de Alpen voerde hem zijn weg langs een kleine stad; het zielental der uit onbeschaafde bergbewoners bestaande bevolking was uiterst gering en het plaatsje zag er armzalig uit. Naar men verhaalt werd toen door zijn gevolg onder gelach en uit scherts de vraag opgeworpen: "zou men nu hier ook eerzuchtig dingen naar ambten en met elkander wedijveren om de eerste plaats te bekleeden, en zou hier ook jaloerschheid de voornaamsten tegen elkaar in het harnas jagen?" In antwoord hierop zou toen echter Caesar in vollen ernst tot hen gezegd hebben: "maar ik verzeker u dan toch, dat ik liever onder deze menschen de eerste zou willen zijn, dan te Rome de tweede."
Iets dergelijks zou bij eene volgende gelegenheid in Hispanië hebben plaats gegrepen. Terwijl hij namelijk op een rustig oogenblik zich bezig hield met het lezen van een geschrift over Alexander, zou hij te midden van zijne lectuur langen tijd in diep gepeins verzonken zijn geweest en daarna zelfs tranen hebben gestort; en toen zijne vrienden verbaasd naar de oorzaak vroegen, zou hij gezegd hebben: "vindt gij dan ook niet, dat ik reden tot droefheid heb, wanneer ik mij zelf vergelijk bij Alexander, die op mijn leeftijd reeds over zoovele volken heerschte, terwijl er thans door mij nog geen enkele daad van beteekenis is verricht?"
12. Nauwelijks had hij den voet op Iberisch grondgebied gezet, of hij ontwikkelde eene groote mate van bedrijvigheid, met dit gevolg, dat hij in weinige dagen bij de reeds van vroeger aanwezige twintig cohorten tien nieuwe op de been bracht. Hiermede ondernam hij een krijgstocht tegen de Galaeciërs en Lusitaniërs. Hij overwon beide volken, drong zelfs tot den Atlantischen Oceaan door en bracht onderwijl eene menigte stammen, die tot nog toe niet aan de Romeinen gehoorzaamden, onder zijn gezag. Na op militair terrein deze gunstige resultaten te hebben erlangd, bezorgde hij met niet minder goed gevolg de aangelegenheden van den vrede. Het gelukte hem de onderling oneenige steden weder met elkander te verzoenen en inzonderheid een middel te vinden, dat eens voor al een eind maakte aan de haspelarijen tusschen schuldenaars en schuldeischers. Hij vaardigde namelijk eene verordening uit, die bepaalde, dat de schuldeischer jaarlijks 2/3 zou ontvangen van de inkomsten van den schuldenaar, dat deze laatste als eigenaar het overige 1/3 zou genieten en dat dit zoo zou voortgaan, totdat de geheele schuld gedelgd was. Deze maatregelen vonden zulk een algemeenen bijval, dat zijn naam allerwegen een goeden klank had, toen hij de provincie verliet.
Intusschen hadden zijne veldtochten de noodige voordeelen afgeworpen: hij zelf was een rijk man geworden en had zijne soldaten overvloedig met buit begiftigd. Door hen werd hij nu met den titel imperator begroet.
13. Juist tegen den tijd der consulaire kiescomitiën kwam Caesar te Rome terug. Nu bestond het voorschrift, dat zij, die een triumf verlangden te houden, zoolang hun aanvraag hangende was, buiten de stad moesten blijven; daarentegen moesten zij, die naar het consulaat dongen, persoonlijk de daartoe noodige stappen in de stad zelve doen. Tengevolge dezer thans als 't ware tegen elkander indruischende wettelijke bepalingen geraakte Caesar in groote verlegenheid. Daarom richtte hij tot den senaat het verzoek, hem te vergunnen zonder persoonlijk tegenwoordig te zijn door zijne vrienden aanzoek te doen om het consulaat. Tegen dit verlangen verzette zich Cato, eerst door zich met kracht vast te houden aan de wet; toen hij vervolgens zag, dat Caesar reeds velen voor zich gewonnen had, beproefde hij de zaak op de lange baan te schuiven en verbruikte zelfs een geheelen dag met het uitspreken eener lange redevoering. Nu besloot Caesar den triumf op te geven en alleen naar het consulaat te dingen.
Terstond kwam hij nu binnen de stad en wist door heimelijke machinatiën een staatsgreep voor te bereiden, waardoor alle menschen, behalve Cato, om den tuin werden geleid. Dit was de verzoening van Pompejus met Crassus, de machtigste mannen in den staat. Terwijl het hem namelijk gelukte hunne geschillen bij te leggen en hen weder in vriendschap tot elkander te brengen, wist hij juist daardoor hun beider macht in zijn persoon te vereenigen. Op deze wijze bracht hij door een daad, die, wanneer men op den naam alleen afging louter een menschlievend karakter droeg, onbemerkt eene volledige staatsomwenteling tot stand. Zoo blijkt het dus, dat van nabij bezien de meesten een geheel verkeerd denkbeeld hebben over de eigenlijke oorzaak der burgeroorlogen. Ten onrechte toch meenen zij, dat de vijandschap tusschen Caesar en Pompejus den burgerkrijg in het leven riep: integendeel zijn ontstaan is veeleer toe te schrijven aan hun vriendschap. Deze immers verbond hen eerst ten nauwste, zoodat zij vereenigd optrokken tot vernietiging der aristocratie; eerst later openbaarde zich tweedracht en zoo stonden zij ten slotte vijandig tegenover elkaar.
Nu voorspelde Cato wel is waar meermalen wat de toekomst baren zou, maar hiermede kwam hij toenmaals niet verder, dan dat men hem voor een grompot en een bemoeial hield; en, toen nu het vervolg van tijd de juistheid zijner inzichten aan het licht bracht, noemde men dien verstandigen raadgever een ongeluksprofeet.

Cato

14. Zoo werd dus Caesar, als 't ware links en rechts door de vriendschap van Crassus en Pompejus gedekt, naar het consulaat gevoerd; de afkondiging zijner verkiezing met Calpurnius Bibulus als ambtgenoot had op schitterende wijze plaats. Maar nauwelijks had hij zijn hooge magistratuur aanvaard of hij diende wetsvoorstellen in, die eerder eenen bij uitstek vermetelen volkstribuun dan eenen consul pasten. Hij stelde namelijk om den grooten hoop te behagen eene akkerwet voor, die verdeelingen van landerijen en inbezitneming daarvan door colonisten voorschreef. Toen hij hiertegen heftig verzet bij de optimaten in den senaat ontmoette, nam hij, die reeds lang naar een voorwendsel zocht, hieruit aanleiding om met luider stemme de verklaring af te leggen, hoe hij tegen zijn wil genoopt werd, zich in de armen van het volk te werpen: "wanneer ik," riep hij uit, "voortaan door dienstebtoon het volk voor mij tracht te winnen, dan doe ik dat alleen door den nood gedrongen, en werp hierbij alle schuld daarvan op den meedoogenloozen trots van den senaat." Met deze woorden verliet hij in allerijl de senaatszitting en begaf hij zich naar de volksvergadering. Hier deed hij Crassus aan zijn eene en Pompejus aan zijn andere zijde plaats nemen en vroeg hen of zij zijne wetten goedkeurden. Toen zij deze vraag bevestigend beantwoordden, deed hij een beroep op hunne bereidvaardigheid om hem bij te staan tegen eene partij, die dreigde zich tegen hem te verzetten met het zwaard in de hand. Beiden beloofden het en Pompejus voegde er nog aan toe, dat hij tegen hunne zwaarden zou uitrukken gewapend met zijn zwaard en gedekt door zijn schild.
Door deze uitlatingen griefde hij de aristocraten in hooge mate; zij hadden een taal vernomen, die eensdeels aan zijn eigen waardigheid tekort deed, anderdeels niet in overeenstemming was met de deferentie, door hem aan den senaat verschuldigd: het scheen wel of dolle waanzin en jeugdige overmoed hem deze woorden hadden ingegeven. Het volk daarentegen juichte.
Inmiddels zat Caesar niet stil, maar wist met sluw overleg den machtigen Pompejus nog hechter aan zijn persoon te verbinden. Hij schonk hem namelijk de hand zijner dochter Julia, hoezeer deze reeds met Servilius Caepio verloofd was. Dezen laatsten zegde hij als vergoeding hiervoor Pompejus' dochter toe, alhoewel ook zij nier meer vrij was; zij was namelijk verloofd met Faustus, den zoon van Sulla. Kort hierna trad Caesar zelf met Calpurnia, eene dochter van Piso, in den echt; aan Piso waarborgde hij het consulaat voor het volgend jaar.
Tegen dit alles verhief echter Cato met nadruk zijn stem. "Het is niet langer te dulden," zoo sprak hij, "dat het hoogste gezag door huwelijken samen te koppelen wordt verkwanseld en dat men elkander, met vrouwen als tusschenpersonen, provincies, legers en ambten bezorgt." Caesars collega Bibulus beproefde nog van zijn kant de totstandkoming der wetten te verhinderen, maar al zijne pogingen leden schipbreuk; zelfs liep hij dikwijls gevaar met Cato op het forum vermoord te worden. Dit noopte hem zich den geheelen nog overigen tijd van zijn consulaat onafgebroken in zijn huis op te sluiten.
Ondertusschen liet Pompejus terstond na zijn huwelijk het forum met gewapenden bezetten, de democratische wetten bekrachtigen, en aan Caesar geheel Gallië voor vijf jaren als provincie toewijzen. Dit gebied omvatte zoowel het cis-Alpinische als het trans-Alpinische Keltenland; bovendien werd er Illyrië aan toegevoegd, terwijl vier legioenen onder zijn commando werden gesteld.
Toen Cato het waagde tegen deze besluiten in oppositie te komen, liet Caesar hem in de gevangenis zetten, in de meening dat hij een beroep zou doen op de volkstribunen. Maar Cato schreed zonder een woord te spreken daarheen, en niet alleen de optimaten waren vergramd, maar ook het volk begeleidde hem zwijgend en met neergeslagen blik uit eerbied voor zijn deugd. Toen Caesar dit bemerkte, verzocht hij in het geheim één der volkstribunen Cato weder in vrijheid te stellen.
Van de senatoren kwamen in den regel slechts weinige leden met Caesar ter vergadering, de overigen bleven uit verontwaardiging weg. Eens zeide Considius, een der oudste senatoren, dat zij uit vrees voor de gewapende troepen niet in den senaat verschenen. Hierop antwoordde Caesar met de vraag: "zoo! en waarom blijft gij dan zelf uit vrees daarvoor ook niet tehuis?" "Omdat," zeide Considius, "de ouderdom mij onbevreesd maakt, want het beetje leven, dat mij nog rest, heeft weinig voorzorg noodig." Maar de schandelijkste aller toenmalige politieke handgrepen schijnt wel deze te zijn, dat onder Caesars consulaat dezelfde Clodius tot volkstribuun verkozen werd, die zich zoozeer aan zijn huwelijk en de geheime nachtelijke feesten vergrepen had. Hij werd echter gekozen met de bedoeling om Cicero's staatkundigen ondergang te bewerken en Caesar vertrok niet eerder naar zijn leger, vóór hij met behulp van Clodius inderdaad Cicero ten val had gebracht en uit Italië had doen verbannen.
15. Dit zijn in hoofdzaak de belangrijkste feiten, die aan de gebeurtenissen in Gallië voorafgaan. Het tijdperk van Caesars leven, dat thans een aanvang neemt, is dat der oorlogen, die hij na al het boven vermelde voerde. Terwijl hij in deze door een reeks van veldtochten het land der Kelten geheel onderwierp, begon hij als 't ware een geheel nieuw leven: hij sloeg andere nieuwe banen in, zooals uit al zijn doen en laten, zijn gansche optreden duidelijk blijkt. De periode der Gallische oorlogen doet hem ons kennen als een krijgsman en legeraanvoerder, die bij geen der grootsten en meest bewonderden op het gebied der veldheerskunst achterstaat. Integendeel, hetzij men hem vergelijkt met de Fabii, de Scipio's of de Metelli, hetzij met tijdgenooten of met hen, die kort vóór hem leefden, zooals Sulla en Marius, de beide Luculli of zelfs Pompejus, wiens roem, wegens zijne veelzijdige militaire voortreffelijkheid hemelhoog verheven, toen op zijn toppunt stond, Caesars daden gaan die van deze allen te boven. Den een overtreft hij wat aangaat de groote bezwaren van het terrein, waarop hij krijg voerde, den ander in de uitgestrektheid van het gebied, dat hij veroverde, een derden door de groote getalssterkte en macht der vijanden, die hij overwon, een vierden door de wispelturige en trouwelooze karakters, die hij onder zijn beschavenden invloed wist te brengen, een vijfden door zijne welwillendheid en zachtmoedigheid jegens zijne gevangenen, weer een ander eindelijk in mildheid en gunstbetoon jegens zijne soldaten. Allen te zamen echter overtreft hij in dit opzicht, dat hij de meeste gevechten geleverd en het grootste aantal vijanden verslagen heeft. Want, hoewel hij nog geen volle tien jaren in Gallië oorlog heeft gevoerd, heeft hij binnen dat tijdsbestek meer dan 800 steden stormenderhand veroverd, 300 volksstammen onderworpen, en in achtereenvolgende gevechten in het geheel slag geleverd tegen drie miljoen menschen, waarvan hij één miljoen in den strijd deed sneuvelen en even zooveel gevangen nam.
16. De toegenegenheid en aanhankelijkheid, die zijne soldaten hem toedroegen, waren buitengemeen. Mannen, die overigens in geen enkel opzicht verschilden van andere soldaten op andere veldtochten, stortten zich als onoverwinnelijke en onweerstaanbare krijgshelden in elk gevaar, waar het Caesars roem gold. Zulk een man was bijvoorbeeld Acilius. Dezen werd, toen hij in den zeeslag bij Massilia een vijandelijk schip had aangeklampt, met een zwaard de rechterhand afgehouwen; desniettegenstaande liet hij toch zijn schild uit de andere hand niet los, maar wist daarmee zelfs de vijanden niet slechts in het gezicht te slaan maar hen allen te verdrijven, waarna hij zich van het vaartuig meester maakte. Een dergelijk wapenfeit verrichtte Cassius Scaeva in den slag bij Dyrrhachium. Deze man, wien door een pijl het oog was uitgeschoten, wiens schouder en dij elk door een werpspies waren doorboord, en die op zijn schild honderd dertig speerworpen had opgevangen, riep aldus toegetakeld de vijanden toe, dat hij zich wilde overgeven. Toen er nu twee op hem toesprongen, hieuw hij den een met zijn zwaard den schouder af en bracht hij den ander zulk een geduchten stoot toe in het gezicht, dat hij op de vlucht sloeg. Hij zelf werd daarop door zijne vrienden omringd en uit alle gevaar gered.
In Britannië waren de centurio's der voorste cohorten in een moerassige en onder water staande streek geraakt, waar zij door de vijanden werden overvallen. Terwijl Caesar al zijn aandacht aan het gevecht wijdde, wierp zich op eens vlak voor zijn oogen een gewoon soldaat midden onder de vijanden, tegen wie hij daarop met weergalooze dapperheid streed. Na een gansche reeks schitterende wapenfeiten verricht te hebben, gelukte het hem inderdaad de officieren uit de handen der barbaren te redden. Terwijl deze nu op de vlucht sloegen, stortte hij, na eerst de anderen te hebben laten voorgaan, zich zelf als den laatsten in het moerassige water, waardoor hij zich met de grootste inspanning een weg baande. Ternauwernood bereikte hij deels zwemmend, deels wadend, echter met achterlating van zijn schild, den anderen oever. Caesar kwam vol bewondering en onder luide bijvalskreten hem met zijne omgeving te gemoet loopen, de soldaat zelf echter was zeer terneergeslagen en viel Caesar onder een stroom van tranen te voet, hem om vergeving smeekende, dat hij zijn schild verloren had.
In Afrika had Scipio zich meester gemaakt van een schip, behoorende tot Caesars vloot. Op dit vaartuig bevond zich Granius Petronius, toen quaestor designatus. Terwijl Scipio nu al de overigen voor krijgsgevangenen verklaarde, schonk hij aan Petronius lijfsbehoud. Maar deze zeide, dat Caesars soldaten niet gewoon waren lijfsbehoud aan te nemen, wel het zelven aan anderen te schenken. Na deze woorden stak hij zich zelf het zwaard in de borst.
17. Zulk eene vastberadenheid van karakter, zulk een eerzucht kweekte en onderhield Caesar zelf. Vooreerst toch was hij verre van karig in het uitdeelen van geschenken en eerbewijzen: integendeel hij wilde juist aan zijne soldaten tooenen, dat hij op zijne veldtochten geene schatten verzamelde om aan eigen genotzucht te voldoen, of om zelf een weelderig leven te leiden, maar om als 't ware een voorraad prijzen bij zich in veilige bewaring te hebben, waarop allen, die dappere daden volbrachten, zonder onderscheid recht hadden, terwijl zijn persoonlijk aandeel aan het verworven goed alleen hierin bestond, dat hij daarvan aan zijne soldaten belooningen voor hunne verdiensten toekende. Was Caesars invloed op het leger hierdoor reeds buitengemeen, niet minder wist hij in de tweede plaats zijne soldaten te bezielen door zich zelf aan elk gevaar vrijwillig bloot te stellen en bij geene enkele zware inspanning te versagen. Nu verwonderde men zich wel is waar niet zoozeer over zijne verachting van gevaren, omdat men zijne eerzucht kende; maar wel vervulde het een ieder met verbazing te zien, hoe hij volkomen bestand bleek te zijn tegen ondernemingen, waartoe inspanningen vereischt werden, die zijne physieke krachten ver te boven schenen te gaan. Want hij was uiterst slank van lichaamsbouw, had een blanke en teere huid, werd veel door hoofdpijn gekweld en leed bovendien nog aan de vallende ziekte. Van deze kwaal moeten zich de eerste aanvallen tijdens zijn verblijf te Cordova vertoond hebben. Caesar was er echter de man niet naar om deze zwakte van zijn gestel tot dekmantel te bezigen voor een verwijfd bestaan; integendeel juist in het krijgsmansleven zocht hij voor deze zwakte een geneesmiddel. Door geforceerde marschen, door eene eenvoudige levenswijze, door onafgebroken te kampeeren in de open lucht, en door het verrichten van inspannenden arbeid wist hij zijn lichaam zoo te harden en met zulk goed gevolg tegen zijn kwaal te kampen, dat deze weinig of geen vat meer op hem had. Meestal sliep hij in zijn wagen of in zijn draagstoel ten einde zoo zelfs zijn rusttijd tot bezigheid te benuttigen.
Overdag reed hij de sterkten, de steden en de verschansingen rond, en had daarbij steeds een dier slaven naast zich zitten, aan wie hij, wanneer hij op reis was, het een en ander placht te dicteeren; achter hem stond een soldaat met een zwaard in de vuist. Hij reisde zoo snel, dat hij reeds de eerste maal van Rome uit in acht dagen den Rhodanus bereikte. Het paardrijden kostte hem reeds van zijn jeugd af niet de geringste moeite; hij was dan gewoon zijne handen achterom te buigen en op den rug gekruist te houden, en zoo het paard uit alle macht te laten draven. Op dezen veldtocht oefende hij er zich bovendien in om te paard gezeten zijne brieven te dicteeren en daarmee tegelijk twee of volgens Oppius nog meer schrijvers bezig te houden. Ook zou, naar men zegt, Caesar te Rome de eerste geweest zijn, die op de gedachte kwam zich over dringende zaken schriftelijk met zijne vrienden te onderhouden, wanneer de gelegenheid tot het mondeling bespreken dier zaken ontbrak, hetzij wegens de groote menigte zijner bezigheden of tengevolge van de uitgebreidheid der stad.
Welke geringe eischen hij als vriend van eene eenvoudige levenswijze aan de toebereiding van spijzen stelde, blijkt uit het volgende voorval. Toen hij eens te Mediolanum vertoefde, richtte zijn gastheer Valerius Leo voor hem een maaltijd aan, waarbij hij hem asperges voorzette, die hij in plaats van met olijfolie met parfumolie begoot. Caesar deed alsof hij hiervan niets bemerkte en bediende zich van het gerecht. Zijne vrienden echter hielden hun tegenzin niet voor zich, hetgeen Caesar noopte hun op bestraffenden toon toe te voegen: "gij hadt het dan toch, dunkt mij, hierbij kunnen laten om wat u niet smaakte te laten passeeren; wie aan zulk een lompheid als Leo beging nog een woord van misprijzing verspilt is zelf een lomperd."
Een andermaal gebeurde het, dat hij op reis door een storm werd overvallen, en een onderkomen zocht in de hut van een arm man. Toen hij daarin niets meer vond dan één vertrek, ternauwernood groot genoeg om één persoon te huisvesten, zeide hij tot zijne vrienden: "waar men over eereplaatsen te beschikken heeft, moet men deze inruimen aan de machtigen; staan ons echter slechts de hoogst noodzakelijke ten dienste, dan dienen wij deze af te staan aan de zwakken." Hierop gelastte hij Oppius zich binnenshuis te rusten te leggen; hij zelf daarentegen bracht met de anderen onder het afdak der huisdeur den nacht door.
18. De eerste oorlog dan nu, dien hij onder de Keltische volksstammen te voeren had, was die tegen de Helvetiërs en Tiguriners. Deze hadden hunne eigen steden ten getale van twaalf benevens hunne vier honderd dorpen in de asch gelegd en trokken nu in snelle marschen door dat gedeelte van Gallië, dat aan de Romeinen onderworpen was. Hun tocht geleek op dien, welken de Cimbren en Teutonen weleer ondernomen hadden, zoowel daar zij in onverschrokkenheid voor dezen in geenen deele schenen onder te doen, alsook omdat zij in aantal niet minder sterk waren. In het geheel bedroeg dit namelijk driehonderd duizend, waaronder honderd negentig duizend strijdbare mannen. Van deze volken werd den Tiguriners, tegen wie Caesar niet in persoon optrok, door Labienus, dien hij tegen hen had afgezonden, bij de rivier den Arar eene verpletterende nederlaag toegebracht. Terwijl Caesar nu zelf zijn hoofdleger naar eene bevriende stad voerde, werd hij onderweg door de Helvetiërs onverhoeds aangegrepen. Echter vond hij nog juist gelegenheid een sterk punt te bereiken, waar hij zijne troepen bijeentrok en in slagorde schaarde. Men bracht hem zijn paard, maar hij zeide: "daarvan zal ik na de overwinning behaald te hebben gebruik maken voor verdere vervolging; laten wij nu eerst op de vijanden losgaan." Na deze woorden stormde hij te voet tegen het leger der Helvetiërs in. Na geruimen tijd gestreden te hebben bracht hij hunne slaglinie tot wijken; kostte hem dit reeds veel inspanning, zoo wachtte hem echter de zwaarste arbeid bij de bestorming van het kamp, waar zij van hunne wagens een soort burcht hadden gebouwd. Daar boden niet alleen de strijdbare mannen tegenweer, maar ook hunne kinderen en vrouwen verdedigden zich tot in den dood; zij lieten zich allen nederhouwen en zoo nam de slag ternauwernood eerst tegen middernacht een einde.
Deze glansrijke zege zette hij door eene nog veel schoonere handeling de kroon op. De barbaren toch, die uit den strijd het leven er hadden afgebracht en ten getale van meer dan honderd duizend in verschillende richtingen ontvloden waren, liet hij weder bij elkaar brengen. Hij dwong hen naar het land, dat zij verlaten hadden, terug te keeren, de steden, die zij hadden verwoest, weêr op te bouwen en zich zoo weder gezamenlijk in hunne vroegere woonplaatsen neer te zetten. Bij deze handeling werd Caesar geleid door de vrees, dat de Germanen anders wellicht naar het openliggende land zouden overkomen en zich daarvan meester maken.
19. De tweede oorlog, dien hij voerde, was tegen de Germanen gericht. Eigenlijk was het een krijg ter bescherming der Kelten, want, hoezeer hij kort te voren te Rome Ariovistus, den koning der Germanen, tot bondgenoot had verklaard, was dit volk voor de aan Caesar onderworpen Galliërs een onverdragelijke nabuur, die niet van plan scheen zich tevreden te stellen met het rustig bezit van het eenmaal verworvene, maar die de eerste de beste gelegenheid zou aangrijpen om zijn gebied verder uit te breiden en geheel Gallië te veroveren.
Ondertusschen was het Caesar gebleken, dat zijne onderbevelhebbers voor dezen oorlog bijster in den angst zaten en wel inzonderheid de voorname jonge Romeinen, die eigenlijk alleen met hem waren meegetrokken in de hoop dat de veldtocht met Caesar hun allerlei genietingen en rijkdom zou aanbrengen. Hij belegde daarom een krijgsraad en gaf hun, die zich zoo laf en verwijfd gedroegen, den raad maar liever heen te gaan en zich niet tegen hun zin aan gevaren bloot te stellen. "Ik voor mij," zoo ging hij voort, "zal niet aarzelen om desnoods alleen met het tiende legioen tegen de barbaren op te trekken; de vijanden toch, met welke ik te strijden zal hebben, zullen wel niet dapperder zijn dan de Cimbren, en wat mij persoonlijk aangaat meen ik geen geringer veldheer dan Marius te zijn." Hierop zond het tiende legioen afgevaardigden aan Caesar om hem voor zijn goeden dunk hun aller erkentelijkheid te betuigen: de andere legioenen scholden op hunne aanvoerders als de eenige schuldigen in deze; ten slotte waren allen vol ijver en bereidwilligheid, zoodat zij met hem een marsch van vele dagen maakten, die eerst een einde nam toen zij op 200 stadiën van de vijanden hun kamp opsloegen. In niet geringe mate werd Ariovistus bij deze nadering van Caesar in zijne hooge meening omtrent zich zelf geschokt. Want dat de Romeinen de Germanen zouden aanvallen ging zijne verwachting geheel te boven; integendeel had hij gemeend, dat zij reeds bij het enkele aanrukken der Germanen geen stand zouden houden. Vol verbazing over Caesars stoutmoedigheid ontwaarde hij nu bovendien, dat zijn leger over het gebeurde in hevige ontsteltenis verkeerde. Nog meer werden zijne mannen terneergeslagen door de voorspellingen hunner heilige vrouwen, wier waarnemingen gericht waren op de dwarrelingen, die zich in de rivieren voordeden. Deze toch profeteerden nu uit de maalstroomen en het geruisch der wateren, dat het niet geoorloofd was slag te leveren vóór het invallen der nieuwe maan.
Toen dit Caesar ter oore kwam en hij bespeurde, dat de Germanen inderdaad zoo goed als bewegingloos waren, achtte hij het geradener hen, ontmoedigd als zij thans waren, aan te grijpen, dan rustig te blijven zitten en het oogenblik af te wachten, dat hun geschikt zou voorkomen. Zoo liet hij dus hunne verschansingen en de heuvels, waarop zij kampeerden, bestormen, en hierdoor geprikkeld en in heftige woede ontstoken daalden zij in wilde razernij van hunne hoogten om den beslissenden slag te wagen. Zij leden echter een volkomen nederlaag en sloegen op de vlucht, waarop Caesar hen 400 stadiën ver tot aan den Rijn vervolgde. Deze vlakte was geheel met lijken en wapenbuit bedekt. Aan Ariovistus gelukte het nog bij tijds om met een klein gevolg den Rijn over te steken. Het getal der gesneuvelden moet 80,000 beloopen hebben.
20. Na deze oorlogen dus tot een goed einde gebracht te hebben, legde Caesar zijn strijdmacht in het land der Sequanen in de winterkwartieren. Hij zelf wenschte een oog in het zeil te houden bij hetgeen intusschen te Rome gebeurde en begaf zich daartoe zuidwaarts naar het om den Padus gelegen Gallië. Dit land vormde een deel van de hem toegewezen provincie en had tot grens de rivier, die den naam Rubico draagt. Deze stroom toch scheidt het Keltische gebied, dat aan den voet der Alpen ligt, van het overige Italië.
Tijdens zijn vertoef aldaar wist hij op handige wijze den demagoog te spelen. Er kwamen namelijk velen uit Rome tot hem, welke ieder voor zich afzonderlijke wenschen koesterden. Hij bevredigde ieder op zijn beurt, en wel zoo, dat hij allen weder van zich liet gaan, hetzij reeds in het bezit van eenig geschenk van hem, hetzij vol hoop op hetgeen zij van hem zouden erlangen. Maar ook gedurende den geheelen overigen tijd van zijn veldtocht ageerde hij zoo, dat hij beurtelings, nu eens door de wapenen der burgers de vijanden onderwierp, dan weer door den rijken buit der vijanden de burgers aan zich ketende en geheel onder zijn invloed bracht, en hij deed dit met zooveel talent, dat Pompejus er niets van bemerkte.
Inmiddels was het gerucht tot hem doorgedrongen dat de Belgen, de machtigste Keltische stam, die het derde deel van geheel Gallië bewoonde, waren afgevallen en een leger van vele duizenden goedgewapende mannen bijeen hadden gebracht. terstond wendde hij zich nu tegen deze vijanden en bereikte hen in zoo snelle dagmarschen, dat hij hen nog geheel onvoorziens overviel, terwijl zij bezig waren het land zijner Gallische bondgenooten te verwoesten. Hun talrijkste en in eene dichte massa samengedrongen legermacht dreef hij na eene erbarmelijke verdediging op de vlucht en vernietigde hij zoo totaal, dat eene menigte lijken, als 't ware op elkaar gestapeld, meren en diepe rivieren vulden, tengevolge waarvan deze voor de Romeinen zelfs begaanbaar waren. Van de afgevallenen gaven thans alle volken, die aan de boorden van den Oceaan woonden, zich zonder verderen tegenweer aan Caesar over. Hierna wachtte hem echter nog een veldtocht tegen de Nerviërs, den ontembaarsten en krijgshaftigsten volksstam dezer gansche streek. Zij woonden in dichtbegroeide bosschen, en hadden hunne huisgezinnen en bezittingen op een verborgen plek diep in het woud zoo ver mogelijk van de vijanden in veiligheid gebracht. Terwijl nu Caesar zich juist onledig hield met het opwerpen van verschansingen voor zijne legerplaats en op dat oogenblik geen aanval verwachtte, kwamen zij plotseling ten getale van wel 60,000 op hem aanstormen, wierpen zijne ruiterij overhoop en omsingelden het 12e en 7e legioen, waarvan zij al de aanvoerders nedersabelden. Wanneer Caesar toen niet een schild gegrepen en zich dwars door de voorste gelederen heen midden onder de barbaren geworpen had, en wanneer niet het 10e legioen op het zien van het gevaar, waarin Caesar verkeerde, van zijne hoogten was neergedaald en de slaglinie der vijanden gebroken had, dan zou wellicht geen der Romeinen er het leven hebben afgebracht. Tengevolge echter van Caesars vermetelen moed streden zij nu den zoogenaamden boven hun macht gaanden strijd, waarin het hun in weerwil daarvan toch niet gelukte de Nerviërs tot wijken te brengen. Deze moesten onder dappere tegenweer bijna allen worden neergehouwen, want van de 60,000 man wisten zich slechts 500 te redden, terwijl van de 400 leden van hun volksraad alleen drie er het leven niet bij inschoten.
21. Op de tijding hiervan nam de senaat het besluit den goden een dankfeest van vijftien dagen te wijden onder bepaling, dat gelijktijdig alle werkzaamheden zouden rusten. Tot nog toe had men geene overwinning door zulk een langdurig feest gevierd. Maar het gevaar scheen dan ook buitengewoon groot geweest te zijn daar zoo vele volken tegelijk in opstand waren geraakt, en de toegenegenheid, die de groote massa Caesar toedroeg, maakte de zege des te schitterender omdat hij de overwinnaar was. Hij zelf regelde intusschen de Gallische aangelegenheden en betrok daarna weder de winterkwartieren in het Pdaansche land om van daaruit de hoofdstad te bewerken. Van zijn beurs bedienden zich thans allen, die naar ambten dongen; met zijn geld kochten zij het volk om en wanneer zij dan gekozen waren, deden zij alles wat zijn macht vermeerderen kon. En hierbij bleef het niet: mannen uit de hoogste en voornaamste Romeinsche kringen vereenigden zich in grooten getale bij hem te Luca. Daar kwamen o.a. Pompejus en Crassus en Appius, de praetor van Sardinië, en Nepos, de proconsul van Hispanië; in het geheel zag men hier 120 lictoren en meer dan 200 senatoren bijeen. Men ging niet eerder uit elkander voordat na gehouden beraadslaging het volgende was vastgesteld: Pompejus en Crassus zouden het consulaat verkrijgen, terwijl Caesars proconsulaat met een tweede vijftal jaren zou worden verlengd; bovendien zou hem de beschikking gegeven worden over een zekere som geld. Laatstgenoemde bepaling scheen elk, die met zijn verstand te werk ging, uiterst zonderling toe. Want juist zij, die zulke groote sommen van Caesar ontvingen, overreedden of liever dwongen den senaat, hoezeer dezen dit besluit menigen zucht deed slaken, hem, alsof hij daaraan gebrek had, aanmerkelijke bedragen te verstrekken. Er was bijtijds voor gezorgd dat Cato hierbij niet tegenwoordig was; men had hem naar Cyprus weten te verwijderen. Wel verzette zich Favonius, een ijverig nabootser van Cato, tegen den maatregel, maar zonder gevolg. Ook baatte het hem niet, dat hij hierna de zaal uitstormde en luide tegen de volksmenigte protesteerde. Niemand lette op hem; deels ontzag men zich voor Pompejus en Crassus, meerendeels echter wilde men het Caesar naar den zin maken; van hem toch verwachtten dezen de vervulling van al hunne wenschen en daarom hielden ook zij zich stil.
22. Nauwelijks was Caesar hierop weder naar zijn leger in Gallië teruggekeerd of hem wachtte in dit land op nieuw een geduchte oorlog. Twee groote Germaansche volken, bekend onder de namen Usipeten en Tencteren, waren juist den Rijn overgestoken met het doel landerijen in deze streken te veroveren. Aangaande de wijze waarop de strijd tusschen hem en deze volksstammen werd gevoerd verhaalt Caesar zelf in zijne commentarii het volgende: de barbaren hadden een gezantschap aan hem gezonden, maar tegelijk in vollen wapenstilstand de zijnen aangegrepen, terwijl deze op marsch waren; dit waren 5000 man ruiterij, die ten gevolge van het onverhoedsche van den aanval door 800 ruiters der hunnen op de vlucht werden gedreven. Daarop stuurden zij weder andere gedzanten aan hem om hem ten tweeden male om den tuin te leiden; deze hield hij echter gevangen, waarna hij zijn leger tegen de barbaren liet oprukken, daar hij het nu als onnoozelheid beschouwde om tegenover zulke trouwelooze en meineedige menschen zijn woord te houden.
Eene eigenaardige mededeeling treft men aan in het werk van Tanusius. Deze schrijver weet namelijk te verhalen, dat toen op het bericht der schitterende overwinning, die het slot van bovenvermelde gebeurtenissen vormde, de senaat bij decreet een groot dankfeest met offers aan de goden gelastte, Cato bij het uitbrengen van zijn stem verklaarde, dat Caesar aan de barbaren moest worden uitgeleverd. "Zóó toch alleen," zeide hij, "kan in naam van onzen staat boete worden gedaan voor het verbreken van den wapenstilstand, wanneer wij den vloek wentelen op het hoofd van hem, die de eenige schuldige is."
Onder degenen, die over den Rijn in Gallië gevallen waren, richtten de Romeinen eene geduchte slachting aan: 400,000 werden nedergehouwen; eenige weinigen, die zich weder over de rivier wisten te redden, vonden bij de Dugambren, een Germaanschen stam, eene welwillende ontvangst. Uit dit feit nam Caesar aanleiding om zich tegen de Sugambren te wenden; echter speelde hierbij ook zijn roemzucht een rol: hij werd namelijk door de begeerte gedreven de eerste man der geheele wereld te zijn, die met een leger den Rijn overtrok. Daarom besloot hij de rivier te overbruggen en koos daartoe dat overgangspunt van den hier overigens toch reeds zeer breeden stroom, waar eene geweldige watermassa met wilden en heftigen golfslag langs de oevers bruiste, en boomstammen en groote stukken hout met zich stroomafwaarts voerde. Om nu de slagen en scheuren, waarmede dientengevolge de pijlers der brug bedreigd werden, op te vangen liet hij bij wijze van waterkeeringen reusachtige balken van den eenen oever naar den anderen in de bedding van den stroom heien, waardoor hij de tegen de brug aanklotsende golven wist te beteugelen. In tien dagen was de brug voltooid en hiermede toonde Caesar der wereld een schouwspel, dat alle geloofwaardigheid te boven ging.
23. Thans voerde hij zijne troepen over de brug. Hij vond echter niemand, die het waagde tegen hem op te treden; zelfs de Sueben, anders steeds bovenal de aanvoerders der Germanen, hadden zich met pak en zak in diepe en dichtbegroeide valleien teruggetrokken. Dus bepaalde hij er zich toe het gebied der vijanden te vuur en te zwaard te verwoesten en die volksstammen, welke de partij der Romeinen omhelsd hadden, in hunne goede gezindheid te versterken. Hierop keerde hij na achttien dagen in Germanië te hebben doorgebracht weder naar Gallië terug. Zijn volgende krijgstocht was tegen de Britanniërs gericht en is alleszins vermeldenswaard wegens de weergalooze stoutmoedigheid, hierbij door hem aan den dag gelegd. Caesar toch was de eerste, die het waagde met een vloot den westelijken oceaan te bevaren en een leger aanvoerende de Atlantische zee te doorklieven. Zijn doel was de verovering van een eiland, welks uitgestrektheid door zulke verbazend groote afmetingen werd bepaald, dat er tusschen eene menigte schrijvers een heftige strijd is ontbrand over de vraag, of het inderdaad wel bestond; velen meenden, dat al wat dienaangaande was verhaald louter verdichtsel was, ja dat zelfs zijn naam was verzonnen. Door zijn tocht derwaarts breidde Caesar de heerschappij der Romeinen buiten de grenzen der bewoonde wereld uit. Tweemaal stak hij van het tegenovergelegen Gallië naar het eiland over en leverde vele gevechten; echter waren de nadeelen, die hij in deze den vijanden toebracht, grooter dan de voordeelen, die zijne eigene troepen behaalden: want van deze nooddruftige en armzalige menschen was niets te halen wat de moeite waard was. Zoo werden dus Caesars verwachtingen niet beantwoord en maakte hij derhalve aan den oorlog een einde. Hij nam van den koning gijzelaars in ontvangst, legde hem eene schatting op en voer weder van het eiland naar Gallië terug. Hier vond hij brieven, die men juist van plan was geweest naar hem over te zenden. Zij waren van zijne vrienden te Rome en behelsden de tijding van den dood zijner dochter, de echtgenoote van Pompejus; zij was overleden aan de gevolgen eener bevalling. Was Pompejus' droefheid hierover groot, niet minder trok zich Caesar dit verlies aan. Van hunne wederzijdsche vrienden echter maakte zich een groote onrust meester daar nu de verwantschap verbroken was, die in den overigens reeds zoo kranken staat nog vrede en eendracht had weten te bewaren. Want ook het kind stierf spoedig, nadat het de moeder slechts weinige dagen overleefd had. Julia's lijk werd door het volk in weerwil van het verzet der volkstribunen op een baar gelegd, naar het Marsveld gedragen en begraven. Daar rust zij in haar graf.
24. Inmiddels was Caesars troepenmacht van lieverlede zoozeer aangegroeid, dat hij, toen hij zelf volgens gewoonte weder naar Italië vertrok, zich verplicht zag zijne soldaten over verschillende wintergarnizoenen te verdeelen. Maar nauwelijks had hij Gallië den rug toegekeerd of plotseling brak weder een opstand uit, ditmaal onder alle Gallische volksstammen. Groote legerscharen zwierven rond, plunderden de winterkwartieren en bestormden de verschansingen der Romeinen. Eenige van de talrijkste en sterkste benden der afgevallenen deden onder Ambiorix een aanval op de legerplaats van Cotta en Titurius en vernietigden deze geheel; ook de beide aanvoerders kwamen om. Het legioen, dat onder bevel van Cicero stond, werd door 60,000 man omsingeld en formeel belegerd; en het scheelde weinig of zij hadden ook dit Romeinsche kamp in storm genomen, daar alle soldaten gewond waren en hunne krachten niet toereikend schenen om met goed gevolg tegenweer te blijven bieden, hoe dapper zij ook streden. Caesar bevond zich thans ver van het oorlogstooneel, maar nauwelijks had hij van een en ander bericht ontvangen of hij kwam in allerijl terug en bracht, zoo spoedig dit ging, zeven duizend man op de been, waarmee hij in snelle marschen tot ontzet van Cicero voorwaarts rukte. Toen de belegeraars zijne nadering bespeurden, trokken zij hem dadelijk tegemoet. Zij schatten zijne kleine troepenmacht zoo gering, dat zij vast overtuigd waren hem terstond overhoop te zullen werpen. Maar Caesar trok, hen listig ontwijkende, stelselmatig terug, totdat hij een terrein had gevonden, dat zich bij uitstek leende voor eene verdediging van eene minderheid tegen overmacht. Hier omgaf hij zijne legerplaats door sterke verschansingen en verbood zijnen manschappen zich met de vijanden in eenig gevecht in te laten; integendeel gelastte hij hun den wal zoo hoog mogelijk op te trekken en de poorten goed gesloten te houden. Natuurlijk was dit een krijgslist, die ten doel had den Galliërs den indruk te geven, dat de Romeinen in doodelijken angst verkeerden. Het duurde nu ook niet lang of de vijanden bestormden vol minachting Caesars kamp. Zij waren echter zoo overmoedig, dat zij geheel ongeregeld aanrukten. Maar nu deed Caesar plotseling een uitval en wel met dezen schitterenden uitslag, dat de geheele bende met achterlating van een groot aantal gesneuvelden in wilde vlucht uiteenstoof.
25. Hierdoor werd nu wel is waar den velen pogingen tot afval, door de Galliërs in die streken ondernomen, de kop ingedrukt; ook werkte hiertoe mede, dat Caesar persoonlijk zich overal heen begaf en bij voortduring scherp toezag of soms hier of daar geene omwentelingszuchtige beweging op touw werd gezet; voorts werden hem, om de door de geleden verliezen gedunde rijen zijner troepen weder aan te vullen, drie legioenen uit Italië gezonden, waartoe Pompejus hem er twee van zijn eigen leger leende, terwijl het derde gevormd was uit eene nieuwe lichting van soldaten uit het Padaansche Gallië. Maar ver van het tooneel der jongste gebeurtenissen vertoonden zich de eerste sporen van een reeds lang in het geheim onder de krijgshaftigste stammen voorbereid oproer, waaruit een zoo omvangrijke en gevaarlijke oorlog zou ontstaan als er nog geen in dit land gevoerd was. De machtigste mannen hadden onder elkaar de rollen verdeeld, van heinde en verre stroomden talrijke scharen goedgewapende krijgers samen, groote geldsommen werden bijeengebracht. Ontleende reeds aan het een en ander het oproer veel vastheid en kracht, zoo kwam hier nog bij, dat het land zoo goed als ontoegankelijk was en door een reeks sterke vestingen werd beschermd. Voorts was het toen midden in den winter: de rivieren waren met ijs bedekt, de bosschen onder sneeuw bedolven; geheele velden waren door woeste bergstroomen onder water gezet, hier waren paden onherkenbaar wegens een dikke laag sneeuw, ginds was geen weg of steg te vinden door de vele moerassen en de buiten hunne oevers getreden rivieren. Alles maakte bij elkaar genomen den indruk dat Caesars pogingen om dezen opstand te onderdrukken een onbegonnen werk waren.
Aan de spits der vele afvallige volksstammen stonden de Arverners en de Carnuten. De opperleiding van den oorlog was bij keuze in handen gesteld van Vercingetorix, hoezeer zijn vader, verdacht van tyrannieke neigingen, door de Galliërs was gedood.
26. Deze begon met zijn strijdmacht in verscheidene onderafdeelingen te splitsen, welke hij onder het bevel van afzonderlijke aanvoerders stelde; voorts wist hij het geheele omliggende land tot aan de streken bij den Arar voor zich te winnen. Hierop vormde hij het grootsche plan, geheel Gallië als één man te doen opstaan en zoo Caesar met een oorlog op het lijf te vallen op een oogenblik, waarop men ook reeds in Rome tegen hem begon samen te spannen. Dit is zeker: had Vercingetorix zijne onderneming iets later ten uitvoer gebracht, toen Caesar in den burgeroorlog verwikkeld was, dan zouden geene minder verschrikkelijke rampen Italië getroffen hebben, dan inderijd toen de Cimbren Rome bedreigden. Thans echter nam alles een ander verloop: nauwelijks had Caesar den afval vernomen of hij toonde bij uitstek de man te zijn, die in den oorlog van alle omstandigheden handig wist partij te trekken en bovenal gelukkig was in het kiezen van het juiste tijdstip voor zijne operaties. Terstond bij het eerste bericht brak hij op en maakte zijne troepen in de richting van den opstand mobiel.
Reeds door de wegen die hij insloeg en door de onstuimige snelheid van zijn marsch, en dat ondanks den zoo strengen winter, leverde hij den barbaren het bewijs, dat daar een onweerstaanbaar en onoverwinnelijk leger tegen hen in aantocht was. Want waar het ongelooflijk scheen, dat een bode of een koerier van hem, zelfs wanneer hij over veel tijd beschikte, vooruit had kunnen komen, daar zag men Caesar met zijn geheele leger verschijnen, terwijl hij bovendien nog den tijd vond het vijandelijke land te plunderen, en degenen, die weder tot hem toetraden, als bondgenooten op te nemen. En zoo ging het voort, totdat hij het land der Aeduers bereikt had. Dit volk, dat zich anders broeders der Romeinen noemde en in het oog vallend door hen was geëerd, nam nu plotseling eene vijandelijke houding tegenover Caesar aan en maakte gemeene zaak met de opstandelingen. Daar zich door dezen afval van zulk een bevrienden stam eene groote moedeloosheid van zijn leger meester maakte, verliet Caesar snel dit land en marcheerde door het gebied der Lingonen met het doel zich naar de Sequanen te begeven. Dit waren bondgenooten van het Romeinsche volk en hun land strekte als 't ware tot voormuur van Italië tegen het overige Gallië. Maar hier overvielen hem op eens de vijanden en omsingelden hem met vele duizenden. Hij besloot echter een beslissenden slag te wagen en wierp zich met zijn gansche macht zoo onstuimig in de vijandelijke drommen, dat hij na een hardnekkigen en bloedigen kamp een volkomen zege op de barbaren behaalde en hen op de vlucht dreef. Evenwel schijnt hij in den aanvang van den strijd zelf groote gevaren geloopen te hebben: de Arverners althans toonen nog op den huidigen dag in een tempel een aldaar opgehangen kort zwaard, dat volgens hunne bewering een op Caesar behaalde wapenbuit zou zijn. Caesar zag eenigen tijd later zelf dit zwaard en glimlachte er bij; zijne vrienden wilden het wegnemen, maar hij verbood hun dit, daar hij het toen als een heilig voorwerp beschouwde.
27. Zij, die uit den slag ontkomen waren, redden zich met hun koning meerendeels in de stad Alesia. Onmiddellijk sloeg nu Caesar hiervoor het beleg. De stad scheen onneembaar door de hoogte der muren en de sterke bezetting. Ten overvloede bedreigde nu plotseling Caesar aan de buitenzijde een onbeschrijfelijk groot gevaar. Eene armee toch, waartoe de meeste Gallische stammen hunne beste troepen als contingenten geleverd hadden, kwam tot aan de tanden gewapend ten getale van 300,000 tot ontzet van Alesia opdagen. Daar nu het aantal weerbare mannen in de stad niet minder dan 170,000 bedroeg, scheen Caesar, midden tusschen twee reusachtige vijandelijke legers in, de rol van den ingeslotene en belegerde te moeten spelen. Om nu zoowel aan de stad als aan de ontzettingstroepen het hoofd te kunnen bieden en eene vereeniging van beide legermachten te voorkomen zag hij zich genoopt aan elke van beide zijden een muur op te trekken, want wanneer eene vereeniging gelukte, dan was het ontwijfelbaar met hem en de zijnen gedaan.
Het waagstuk, dat Caesar nu, omringd van tallooze gevaren vóór Alesia ondernam, blijft om vele redenen een wapenfeit van onsterfelijken roem; met recht mag men zeggen, dat geen ander gevecht ter wereld zulke daden biedt van moed en van kracht als in dezen kamp door de Romeinen aan den dag zijn gelegd. Wat vooral verbazing wekt is de omstandigheid, dat de menschen in de stad van den grooten veldslag, dien Caesar tegen de vele duizenden daarbuiten leverde en waarin hij overwinnaar bleef, in het geheel niets bemerkten; nog merkwaardiger kan men het noemen, dat dit alles zelfs aan die Romeinen ontging, die op den muur, welke naar de stad was gekeerd, de wacht hielden. Want nog was geen gerucht van de overwinning tot hen doorgedrongen, toen zij plotseling een vreeselijk gehuil en geweeklaag vernamen, dat door mannen en vrouwen uit Alesia werd aangeheven. Nu eerst werd het hun duidelijk: de Alesiërs hadden namelijk gezien, hoe aan den tegenovergestelden kant vele met zilver en goud versierde schilden, vele met bloed bevlekte pantsers, alsmede Gallische tenten en drinkbekers door de Romeinen in hun legerplaats gedragen werden. Zoo ongeloofelijk snel was dat reusachtige leger, waarvan de meesten in den slag gevallen waren, als weggevaagd, dat het den schijn had, alsof een droom- of schaduwbeeld zich in het niet had opgelost. Hierna beproefde de bezetting van Alesia nog een verdediging tot het uiterste, waarbij zij zich zelf en Caesar handen vol werks bezorgde, maar eindelijk gaf ook deze zich over. Vercingetorix, de opperbevelhebber van den geheelen oorlog, hulde zich in zijn schitterendsten wapendos, tuigde zijn paard zoo prachtig mogelijk op en rende zoo de poort uit. Daarna reed hij in een kring om Caesar heen, die op zijn tribunaal was gezeten; vervolgens sprong hij van zijn paard, wierp zijn wapenrusting weg en zette zich rustig neder aan de voeten van Caesar. Toen gaf deze last hem weg te voeren en in verzekerde bewaring te nemen om later tot opluistering te strekken van zijn triumf.
28. Inmiddels was bij Caesar het plan om Pompejus ten val te brengen allengs tot een vast besluit gerijpt; trouwens wederkeerig was aan Pompejus eene zelfde gedachte omtrent Caesar niet vreemd. Sedert namelijk Crassus in het land der Parthen was omgekomen en hun beider doen en laten dus niet meer door hem in het oog gehouden werd, bleef den een, ten einde de machtigste te worden, niets anders over dan den ondergang van hem te bewerken, die inderdaad de machtigste was; terwijl omgekeerd de ander, ten einde dit lot te ontgaan, zich genoopt achtte hem, dien hij vreesde, te voren uit den weg te ruimen. Tot nog toe had Pompejus met eene zekere geringschatting Caesars optreden gadegeslagen, daar hij het als geen zware taak beschouwde hem, dien hij zelf op zijn hoog voetstuk had geplaatst, daarvan weder omlaag te halen; nu echter was hij sinds kort van deze meening teruggekomen en ontwaarde hij in Caesar inderdaad een te vreezen tegenstander. Wat Caesar betreft, deze had zijn plan reeds van den aanvang af gemaakt en evenals een athleet, die zich voorbereidt tot den kamp, zich ver verwijderd gehouden van het terrein, waarop zijne mededingers zich bewogen: hij had zich in de Gallische oorlogen geoefend, zijne soldaten gehard en door zijne schitterende wapenfeiten een roem behaald, die ruimschoots opwoog tegen den glans der overwinningen van Pompejus. Hij nam nu in zijn belang elk voorwendsel te baat, hetzij hem dit aan de hand gedaan werd door Pompejus zelf, hetzij door de omstandigheden, of wel door de bedorven politieke toestanden te Rome. Daar zetten zij, die naar hooge ambten dongen, geldtafels op de openbare straat en kochten schaamteloos het volk om. Begiftigd met rijke geschenken begaven zich dan de burgers naar de kiescomitiën, waar zij echter ten behoeve van hun beweldadiger weldra niet meer met stembiljetten, maar met bogen en zwaarden en slingers vochten. Niet zelden was bij het uiteengaan der vergadering de tribune met bloed en lijken bezoedeld, en zoo dreef het schip van staat daar zonder stuurman voort, prijsgegeven aan eene algeheele anarchie. Daarom meenden de verstandigen, dat men het nog voor een geluk moest houden, wanneer uit al dezen waanzin en uit die dwarrelende stormen voor hen niets ergers dan eene monarchie geboren werd. Ja, reeds waagden velen het openlijk uit te spreken, dat de staat niet te genezen was, dan alleen door een monarchischen regeeringsvorm; men moest zich echter deze remedie laten reiken door dien arts, die als 't zachtzinnigst in het toedienen van een geneesmiddel bekend stond: zij die zoo spraken, doelden hiermede op Pompejus. Deze trachtte nu wel is waar door allerlei fraaie bewoordingen aan zijne uitlatingen een glimp te geven, alsof hij een dergelijke opdracht van de hand zou wijzen, maar inderdaad waren al zijne handelingen zeer bepaald op dit doelwit gericht, dat men hem tot dictator benoemen zou. Cato en diens partijgenooten doorzagen zijn plan en, om nu te voorkomen dat hij langs gewelddadigen weg de dictatuur verkreeg, overreedden zij den senaat hem het consulaat zonder ambtgenoot op te dragen; op deze wijze zou eensdeels Pompejus tevreden worden gesteld, daar hij toch de monarchie erlangde, en anderdeels de wettelijke vorm meer in acht genomen worden. Ook besloot men den duur van zijn beheer over zijne twee provinciën Hispanië en geheel Afrika nog met eenigen tijd te verlengen. Hij liet deze gewesten echter besturen door legaten, die hij in zijn plaats derwaarts zond en onderhield er legers, voor wier onderhoud hij uit de staatskas jaarlijks duizend talenten trok.
29. Deze decreten noopten Caesar ook op zijn beurt naar het consulaat te dingen. Hij zond daartoe eenige vertrouwden naar Rome, door wie hij eveneens verlenging van het bestuur over zijne landvoogdijen liet aanvragen.
Bewaarde Pompejus hiertegenover aanvankelijk het stilzwijgen, des te nadrukkelijker verzetten zich Marcellus en Lentulus tegen Caesars eischen. Hierbij lieten zij het niet, maar persoonlijk reeds vijanden van Caesar stapelden zij op hetgeen de omstandigheden van zelf met zich brachten allerlei onnoodige hatelijkheden, alleen om hem te krenken en te beschimpen. Zoo ontnamen zij den bewoners van Novum Comum, eene kort te voren door Caesar in Gallië gevestigde nederzetting, het burgerrecht. En toen een lid van den raad dier stad tijdens het consulaat van Marcellus te Rome kwam, liet deze den man met roeden geeselen, terwijl hij hem de volgende woorden toevoegde: "deze slagen laat ik u geven als merkteeken, dat gij geen Romeinsch burger zijt; ga nu heen en toon ze aan Caesar."
Na afloop echter van Marcellus' consulschap liet Caesar allen, die in de politiek verwikkeld waren, rijkelijk putten uit de schatten, die hij in Gallië verzameld had: zoo verschafte hij den volkstribuun Curio de middelen om zijne schulden, die eene kolossale som bedroegen, af te betalen en gaf hij den consul Paullus de vrije beschikking over een bedrag van 1500 talenten. Hiervan liet deze die prachtige basilica, dat beroemde kunstwerk, in plaats van de basilica Fulvia, ter versiering van het forum bouwen.
Nu gaf Pompejus bevreesd als hij werd voor dit vereenigd optreden zijne werkelooze houding op. Weldra was het voor een ieder duidelijk wat hij beoogde. Hij trachtte namelijk zoowel persoonlijk als door zijne vrienden het daarheen te sturen, dat er een opvolger van Caesar voor diens provincie aangewezen werd. Ook liet hij de soldaten weder van hem opeischen, die hij hem voor de Gallische oorlogen geleend had. Caesar zond hem deze onmiddellijk terug na vooraf aan elken man 250 drachmen als geschenk te hebben doen uitreiken. De officieren, die deze troepen naar Pompejus begeleidden, strooiden onder het volk allerlei leelijke en lasterlijke praatjes over Caesar uit, terwijl zij Pompejus met ijdele hoop verblindden, door hem wijs te maken, dat Caesars leger smachtend naar hem uitzag. Mocht hem hier te Rome de naijver der partijen in den innerlijk kranken staat ook al beletten tot zijn doel te geraken, zoo kon hij steeds op de troepen daarginds rekenen; deze stonden als 't ware voor hem gereed en behoefden slechts ééne schrede in Italië te doen om dadelijk naar hem over te loopen: zóó gehaat was Caesar bij hen geworden door zijne eeuwigdurende veldtochten en zoozeer had de vrees, dat hij monarchische neigingen koesterde hem bij de soldaten verdacht gemaakt. Door dit alles werd Pompejus zóó opgeblazen, dat hij, alsof hij niets te vreezen had, het uitrusten van troepen geheel en al verwaarloosde, en liever in redevoeringen over Caesar oordeel vellingen uitsprak waardoor hij trachtte hem als staatsman den voet op den nek te zetten; ook liet hij te zijnen opzichte besluiten in dien zin nemen, waaraan Caesar zich echter in het minst niet stoorde. Zoo verhaalt men van een der centurio's, die door hem naar Rome gezonden waren, dat deze, toen hij voor de curia stond en vernam, dat de senaat niet bewilligde in eene verlenging van den duur van Caesars proconsulaat, met de hand aan de greep van zijn zwaard geslagen uitriep: "Welnu, dan zal dit het hem geven."
30. Inmiddels was van de zijde van Caesar een voorslag ingekomen, waaraan men uiterlijk den schijn niet ontzeggen kon van in hooge mate billijk te zijn. Hij van zijn kant bood namelijk aan de wapenen neder te leggen, maar verlangde dan ook, dat pompejus hetzelfde doen zou; beiden zouden dan in het gewone burgerlijke leven terugkeeren en afwachten welke belooningen voor hunne verdiensten hun door hunne medeburgers zouden worden toegekend; want wanneer men hem zijn leger ontnam en daarentegen Pompejus het zijne liet behouden, dan zou men onder voorwendsel dat men Caesar verdacht van naar de alleenheerschappij te staan, intusschen Pompejus tot alleenheerser maken. Dit voorstel werd namens Caesar door Curio in de volksvergadering voorgedragen en aldaar met oorverdoovenden bijval ontvangen; hij zelf werd als een athleet onder kransen en bloemen bedolven. Bovendien bracht de volkstribuun Antonius een ingekomen schrijven van Caesar, dat over dit onderwerp handelde, voor de vergadering ter tafel en las dit ondanks het verzet der consuls voor. In den senaat daarentegen deed Scipio, de schoonvader van Pompejus, het voorstel, dat Caesar, wanneer hij niet tegen een bepaalden termijn de wapenen zou hebben neergelegd, voor een vijand des vaderlands zou worden verklaard. Toen nu hierop de consuls eerst de vraag aan de orde stelden of men van oordeel was, dat Pompejus zijne soldaten moest afdanken en vervolgens of men meende, dat Caesar dit doen moest, stemden voor het eerste vraagpunt over het geheel slechts enkele leden, voor het tweede echter alle leden op eenige weinigen na. Thans evenwel eischte Antonius wederom, dat beiden tegelijk hun gezag zouden neerleggen en inderdaad verklaarden zich nu allen éénstemmig hiervoor. Maar hiertegen verzette zich Scipio met alle macht en de consul Lentulus schreeuwde, dat men tegen een roover geen stemmingen maar wapenen van noode had. Nu werd de zitting opgeheven, waarop de senatoren uit droefheid over deze tweespalt zich in rouwgewaad hulden.
31. Korten tijd hierna kwamen er weder brieven van Caesar in. Op nieuw stelde hij zich in deze op een zeer gematigd standpunt. Thans namelijk deed hij het aanbod afstand te doen van alles, mits hem alleen het bezit van Gallië aan deze zijde der Alpen benevens Illyrië met twee legioenen gewaarborgd werd; en dit verlangde hij slechts zoolang totdat hij naar zijn tweede consulaat kon dingen. Juist om dezen tijd bevond zich de redenaar Cicero na afloop van zijn proconsulaat over Cilicië te Rome. Deze beproefde nu eene verzoening tusschen de twee mededingers tot stand te brengen en werkelijk gelukte het hem Pompejus in zoover zachter te stemmen, dat deze zich bereid verklaarde in al het andere, behalve in Caesars eisch nopens de troepen, te bewilligen. Hierop wist Cicero de vrienden van Caesar te overreden, dat hij zich met de genoemde provinciën en slechts 6000 man legioensoldaten tevreden zou stellen. Maar toen hij nu langs dezen weg den strijd meende beslecht te hebben, daar ook Pompejus zich gewonnen gaf en in dit voorstel toestemde, kwam plotseling de consul Lentulus met zijn aanhang tegen deze maatregelen in verzet. Zij gingen zelfs zoover, dat zij Antonius en Curio onder veel hoon en smaad uit den senaat wegjoegen, een daad, waardoor zij juist aan Caesar het meest geschikte voorwendsel, dat hij zich wenschen kon, in handen gaven, om zijne soldaten in vuur en vlam te zetten. Hij liet dan ook niet na hen er op te wijzen, dat deze aanzienlijke mannen, die Romeinsche magistraturen bekleedden, genoopt waren geweest in slavenkleederen op gehuurde karren de vlucht te nemen. Inderdaad waren zij zoo door vrees bevangen geweest, dat zij in deze vermomming heimelijk uit Rome weggeslopen waren.
32. Caesar beschikte voor het oogenblik over niet meer dan 5000 man zwaargewapend voetvolk en 300 ruiters, want zijne overige troepen waren aan gene zijde der Alpen achtergebleven in afwachting van zijne legaten, die hij trouwens nu ook had afgezonden om hen terug te voeren. Nu zag Caesar echter in, dat het bij zijne onderneming in haren aanvang en bij zijn eersten aanval oogenblikkelijk niet zoozeer op veler handen arbeid aankwam, als wel op verbazingwekkende stoutmoedigheid en snelle benuttiging van het gunstige tijdstip. Immers op deze wijze diende hij zijn zaak aan te vatten wanneer hij zijne vijanden door schrik over zijne onverwachte komst wilde verbijsteren: en hiervan stelde hij zich gunstiger gevolgen voor tot het bereiken van zijn doel, dan van een gewelddadigen aanval en groote toerustingen. Daarom gaf hij aan zijne tribunen en centurio's last slechts met het zwaard in de vuist zonder eenige andere wapenen Ariminum, eene groote stad in Gallië te bezetten. Deze troepen, die hij onder aanvoering van Hortensius stelde, kregen het uitdrukkelijk bevel mede, zich zooveel mogelijk van bloedvergieten en ook van elke wanordelijkheid te onthouden. Hij zelf vertoonde zich verder dien ganschen dag in het publiek en nam o.a. bij de gladiatoren-voorstellingen onder de toeschouwers plaats. Kort vóór het aanbreken van den avond nam hij een bad en begaf zich vervolgens naar de eetzaal, waar hij zich eenige oogenblikken met de tot den maaltijd genoodigde gasten onderhield. Toen de duisternis inviel, stond hij op, groette de aanwezigen zeer vriendelijk en verzocht hen aan tafel te blijven met de woorden: "maakt inmiddels goede sier; ik ben spoedig weder terug en hoop u alsdan allen weder aan te treffen." Slechts aan enkele vertrouwde vrienden had hij van te voren gezegd, dat zij, wanneer hij de zaal verlaten had, hem moesten volgen, echter niet allen tegelijk en langs denzelfden weg, maar ieder op zich zelf langs verschillende wegen. Zelf besteeg hij een huurrijtuig en sloeg daarmede, na eerst een eindweegs eene andere richting genomen te hebben, den weg naar Ariminum in. Toen hij den stroom bereikte, die de grens vormt tusschen het aan deze zijde der Alpen gelegen Gallië en het overige Italië, en den naam Rubico draagt, viel hij in eene diepe overpeinzing, want hoe meer hij het gevaar nader kwam des te onrustiger werd hij bij de gedachte aan de grootte van zijn waagstuk. Nu deed hij den wagen stilhouden en terwijl hij een poos halt hield, liet hij in alle stilte bij zich zelf eenige malen zijn geheele plan door zijn hoofd gaan en legde het voor en tegen bij afwisseling tegen elkaar op de weegschaal. Al deze overwegingen deden hem telkens wankelen in het nemen van een vast besluit; ook maakte hij de vrienden uit zijne omgeving, onder welke zich Asinius Pollio bevond, deelgenooten van zijne vele bekommernissen, terwijl hij berekende hoe groote rampen de overtocht van den Rubico wellicht aan de geheele wereld zou berokkenen, en welk een zware verantwoordelijkheid zij daardoor tegenover het nageslacht op zich laadden. Eindelijk rukte hij zich uit zijne bedenkingen los en wierp zich in eene zekere hartstochtelijke opwelling als 't ware de toekomst in de armen. Zoo besloot hij tot den overtocht onder het uitspreken van dat veel gebezigde woord, wanneer men een onzeker lot en gewaagde ondernemingen tegemoet gaat: "de teerling zij geworpen!" Het overige van den weg legde hij hierop zóó snel af, dat hij nog vóór het aanbreken van den dag als veroveraar Ariminum binnentrok.
Men verhaalt, dat hij in den aan den overtocht voorafgaanden nacht een afschuwelijken droom zou hebben gehad: het kwam hem namelijk voor, dat hij in bloedschennige gemeenschap bij zijne eigene moeder sliep.
33. Na de inneming van Ariminum was het, alsof de oorlog door wijde poorten zich tegelijk tot alle landen en zeeën den toegang geopend zag, en alsof door de overschrijding van de grenzen der provincie ook de geheele staatsregeling omvergeworpen was. Het had den schijn, dat niet alleen mannen en vrouwen, zooals anders het geval pleegt te wezen, panisch verschrikt door Italië stormden, maar alsof gansche steden van hare grondvesten verrezen waren en in wilde vlucht door elkander renden. Rome zelf was door vluchtelingen en uitgewekenen der volksstammen uit den omtrek letterlijk overstroomd; te vergeefs beproefden de magistraten nu eens door overredende woorden, dan weer door strenge bevelen het volk tot kalmte te stemmen: het bleek noch voor het eene vatbaar, noch voor het andere. Allerwegen toch bruisten zoozeer de tegenstrijdigste hartstochten en waren zulke geweldige bewegingen waarneembaar, dat het weinig scheelde of Rome was in de hooggaande branding en den razenden storm door zich zelf te gronde gegaan. Want zelfs de partij, die zich thans verheugde, hield zich niet rustig, maar geraakte met dat deel van het volk, dat nu in zak en asch zat, telkens wanneer zij daarmee samentrof, hetgeen in eene groote stad natuurlijk licht gebeuren kon, in het trotsch gevoel van haar toekomstige zegepraal in hevigen twist en strijd. Pompejus, zelf reeds geheel verbijsterd, werd van verschillende kanten nog meer in onrust gebracht; er waren er, die rekenschap van hem vorderden over het feit, dat hij Caesar tegen zich zelf en tegen zijne eigene heerschappij zoo machtig gemaakt had; anderen weer maakten hem er een verwijt van, dat hij hem, die zoo toeschietelijk was gebleken en zulke billijke voorstellen had gedaan, prijsgegeven had aan de beschimpingen van Lentulus. Favonius stelde hem den eisch, thans met zijn voet op den grond te stampen, hierbij zinspelende op zijn voormalige grootspraak: Pompejus had namelijk vroeger eens in den senaat gezegd, dat hij niet wilde, dat de senatoren zich verontrusten of beangstigen zouden wegens de toerustingen tot den oorlog: "ik zelf toch," riep hij uit, "behoef, zoodra Caesar nadert, slechts met mijn voet op den aardbodem te stampen om Italië van legioenen te doen wemelen."
Toch nam dit alles niet weg, dat Pompejus toen in aantal troepen Caesar inderdaad overtrof; niemand liet echter den man volgens eigen inzichten handelen en zoo gebeurde het, dat hij ten gevolge van vele valsche en vreesverwekkende tijdingen, alsof de vijand reeds vóór de poorten stond en meester was van alles, de wijk nam en zich door de algemeene onstuimige vlucht liet medesleuren. Bij het verlaten der stad vaardigde hij nog een decreet uit, waarin hij, onder het afleggen der verklaring, dat de burgerkrijg was ontbrand, den senaat gelastte, hem te volgen en verder een ieder verbood te blijven, die aan het vaderland en de vrijheid boven de tyrannie de voorkeur gaf.
34. Zoo namen nu de consuls de vlucht en dat zelfs zonder inachtneming der wet, die hun voorschreef offers te verrichten vóór hun vertrek uit de stad. Voorts vluchtten de meeste senatoren met medeneming van het eerste het beste hunner bezittingen op eene wijze alsof zij bezig waren eens anders goed te rooven. Zelfs onder hen, die vroeger met volle instemming Caesars partij gekozen hadden, waren er, die thans door schrik bevangen hunne bezinning verloren en geheel onnoodig zich door den stroom dier vluchtelingen lieten medesleepen. Het betreurenswaardigst van alles echter was het schouwspel, dat de stad zelve bood. Deze toch geleek, na het losbarsten van zulk een hevigen storm, op een schip, dat in den blinde dobberde op de baren, waaraan het was prijsgegeven door zijne versagende stuurlieden. Maar hoe jammerlijk dit uitwijken naar den vreemde ook was, toch beschouwden de menschen ter wille van Pompejus het oord der ballingschap als hun vaderland, terwijl zij daarentegen Rome als Caesars kamp volgaarne in den steek lieten. Zelfs Labienus, een man met Caesar ten nauwste bevriend, zijn voormalige legaat, die hem in al zijne Gallische oorlogen met den grootsten ijver had bijgestaan, gaf nu zijne partij op om over te loopen naar die van Pompejus. In weerwil hiervan zond echter Caesar hem al zijn geld en have achterna.
Inmiddels hield Domitius aan het hoofd van 30 cohorten Corfinium bezet, maar nauwelijks was Caesar genaderd en werd hij door diens troepen belegerd, of hij wanhoopte terstond aan zijn zaak en verzocht een zijner slaven, dien hij als geneesheer in dienst had, hem vergift te geven. deze reikte hem het middel; hij nam het aan en dronk den beker om zoo den dood te vinden. Toen hij echter kort daarop hoorde, dat Caesar zijne gevangenen met bewonderenswaardige menschlievendheid behandelde, begon hij over zijn lot te weeklagen en deed zich zelf verwijten over zijn overijld besluit. Maar nu gaf zijn arts hem de geruststellende verzekering, dat hij geen vergift, doch slechts een slaapdrank ingenomen had. Hierover was hij zóó verheugd, dat hij onmiddellijk opsprong om zich tot Caesar te begeven, en zijne vergiffenis af te smeeken. Deze gaf hem dadelijk de hand der vriendschap - maar dit belette niet, dat dezelfde Domitius niet lang daarna toch weder naar Pompejus overliep.
Deze berichten brachten te Rome eene vroolijkere stemming onder de menschen te weeg en verscheidene uitgewekenen keerden terug.
35. Caesar voegde nu de troepen van Domitius benevens alle andere, die hij nog bijtijds in deze en gene stad aantrof, waar zij voor Pompejus werden gelicht, bij zijn eigen leger. Toen hij ten gevolge hiervan zulk eene sterke macht bijeenverzameld had, dat hij inderdaad in staat was zijn vijand de noodige vrees in te boezemen, trok hij tegen Pompejus zelven op. deze wachtte echter zijn aankomst niet af, maar vlood naar Brindisium. Hierop zond hij de consuls met een deel van zijn leger naar Dyrrhachium vooruit, om kort daarna bij Caesars nadering zich zelf derwaarts in te schepen. Later zal ik dit alles meer omstandig in het "Leven van Pompejus" verhalen.
Gebrek aan vaartuigen was oorzaak, dat Caesar aan zijn wensch om Pompejus op staanden voet na te zetten geen gevolg kon geven; daarom keerde hij naar Rome terug na in 60 dagen, zonder één druppel bloed vergoten te hebben, meester van geheel Italië te zijn geworden. Toen hij nu ook de hoofdstad in een veel rustiger toestand aantrof dan hij verwacht had en het hem bleek, dat er zich zelfs nog een vrij groot aantal senatoren in bevond, hield hij tot dezen eene redevoering in gematigde bewoordingen en in populairen toon. Hij spoorde hen hierin aan gezanten naar Pompejus af te vaardigen ten einde op billijke grondslagen tot een beiden partijen passend verdrag te geraken. Er was echter niemand onder hen, die aan dit voorstel het oor leende, hetzij uit vrees voor Pompejus, dien zij in den steek gelaten hadden, hetzij omdat zij dachten dat Caesar toch niets meende van al wat hij zeide, al bezigde hij daartoe nog zulke fraaie zinswendingen.
Hierna gebeurde het, dat de volkstribuun Metellus hem, door een beroep te doen op bepaalde wetten, wilde verhinderen geld uit de schatkist te nemen. Caesar echter gaf hem ten antwoord: "de tijd der wapenen en die der wetten is niet dezelfde; wanneer gij geen vrede hebt met hetgeen thans geschiedt, maak u dan maar liever terstond uit de voeten, want aan het vrije woord heeft de oorlog geen behoefte; wanneer ik eenmaal de wapenen neergelegd en vrede gesloten heb, dan moogt gij optreden en vrijuit tot het volk spreken." "En terwijl ik dit zeg," ging hij voort, "geef ik reeds iets van mijne rechten prijs; immers gij zijt in mijne macht even als alle anderen, die tegen mij hebben samengespannen en nu in mijne handen gevallen zijn." Na deze tot Metellus gerichte woorden trad hij op de deuren der schatkamer toe. De sleutels waren echter zoek, waarop hij smeden liet komen, dien hij gelastte de deuren open te breken. Toen nu Metellus zich wederom verzette en hiervoor den bijval van sommigen inoogstte, sloeg Caesar een krachtiger toon aan en dreigde hij hem te zullen dooden, wanneer hij niet ophield hem nog langer lastig te vallen. "En gij weet wel, jonge man," voegde hij hierbij, "dat het mij meer moeite kostte dit te zeggen dan 't te doen." deze woorden misten hunne uitwerking niet; niet alleen toch sloop Metellus nu geheel ontsteld heen, maar ook werden Caesar alle benoodigdheden voor den oorlog zonder eenige moeite en snel verschaft.
36. Nu trok hij naar Hispanië, daar hij besloten had eerst Afranius en Varro, de legaten van Pompejus, te verdrijven en vervolgens de legioenen aldaar benevens de geheele provincie aan zich te trekken, ten einde geen vijand in den rug achter te laten, wanneer hij tegen Pompejus oprukte. Wel werden hem dikwijls hinderlagen gelegd en liep zijn leven bij herhaling gevaar en had zijn leger veel te lijden door honger, maar toch hield hij niet eerder op met genoemde veldheeren te vervolgen, hen tot het leveren van veldslagen te nopen en hen in te sluiten, voordat hij hen gedwongen had het veld te ruimen en hij zich van al hunne legerplaatsen en legioenen meester had gemaakt. De legaten zelven namen de wijk naar Pompejus.
37. Toen Caesar te Rome teruggekeerd was, gaf zijn schoonvader Piso hem den raad eenige personen naar Pompejus af te vaardigen om vredesonderhandelingen aan te knoopen; Isauricus daarentegen, die hem welgevallig wilde zijn, ontried hem dit ten sterkste. Inmiddels werd hij door den senaat tot dictator benoemd en riep als zoodanig de verbannenen terug, en herstelde de zonen van hen, die onder Sulla vogelvrij verklaard waren, weder in hun volle burgerrecht; ook verlichtte hij de schulden van hen, die daarmee bezwaard waren, door eene verlaging der rente en nam nog enkele soortgelijke maatregelen meer; maar reeds na elf dagen legde hij zijne alleenheerschappij neder, benoemde zich zelf met Servilius Isauricus tot consuls en aanvaardde zijn veldtocht. Hierop marcheerde hij zoo snel voorwaarts, dat hij een groot gedeelte van zijne troepen achter zich liet en slechts 600 man uitgelezen ruiterij en 5 legioenen bij zich had, toen hij zich juist om den tijd van het wintersolstitium in het begin van Januari, de maand, die met den Atheenschen Poseideoon overeenkomt, inscheepte. Na de Ionische zee overgestoken te zijn nam hij Oricum en Apollonia in; vervolgens zond hij de schepen weder naar Brindisium om de soldaten, die op den marsch achtergebleven waren, over te voeren. Deze waren nog bij voortduring onderweg, hetgeen niet te verwonderen was, daar zij niet meer in de volle kracht des levens stonden en tengevolge der vele veldtochten zeer verzwakt waren. Nu begonnen zij zich over Caesar te beklagen: "waarheen." zeiden zij, "en naar welk doelwit wil deze man ons toch brengen? Hij sleept ons rond en behandelt ons als waren wij onverslijtelijke en gevoellooze lichamen. Zelfs het ijzer wordt mat van de slagen, en schild en harnas spaart men van tijd tot tijd wanneer zij veeljarigen dienst hebben. Bemerkt Caesar dan aan onze wonden niet, dat hij sterfelijke menschen aanvoert, en dat wij evenmin als anderen gevrijwaard zijn voor pijn en smart, eigen als deze zijn aan de menschelijke natuur? Het winterjaargetijde en het stormgeloei op zee vermag zelfs geen god te trotseeren; maar deze man zet alles op het spel, als gold het niet de vijanden te vervolgen, maar voor hen te vluchten." Zoo sprekende marcheerden zij langzaam naar Brindisium op. Maar toen zij bij hun komst aldaar ontwaarden, dat Caesar reeds weggevaren was, sloeg hunne stemming onmiddellijk om. Zij deden zich zelven de heftigste verwijten en noemden zich verraders van hun opperbevelhebber; ook verweten zij hunne aanvoerders, dat deze den marsch niet hadden bespoedigd. En terwijl zij zoo op de kruinen der voorgebergten gezeten waren, richtten zij hunne blikken op de zee en op Epirus, uitziende naar de schepen waarop zij naar hem overvaren zouden.
38. Inmiddels bevond zich Caesar te Apollonia in de uiterste verlegenheid; de troepenmacht, die hij bij zich had, was te onbeduidend om hiermede een slag te wagen en het leger, dat van de overzijde moest komen, bleef uit. Nog was hij hierover geheel terneergeslagen, toen hij plotseling het gevaarlijke plan opvatte om heimelijk een vaartuig, ter grootte van niet meer dan twaalf riemen te bestijgen en daarmede naar Brindisium over te steken, en dat hoewel de zee met talrijke vijandelijke vloten als bedekt was. Toen de nacht was aangebroken, hulde hij zich in het gewaad van een slaaf, ging scheep en legde zich rustig in een hoek als iemand op wien geen mensch acht sloeg. Langzaam gleed het schip langs de rivier Aoüs, gedragen door den landwind, naar zee. Deze wind, die zich in den regel 's morgens verhief, hield den golfstroom ver van de monding verwijderd, ten gevolge waarvan, zoolang hij woei, de zee op dat punt uiterst kalm was. Maar des nachts stak een zeewind op met zulk een hevig geblaas, dat de landwind zich legde. Nu had de rivier weldra te kampen met den inmiddels opkomenden vloed der zee, zoodat zij tegen den heftigen golfslag in zelf wild en onstuimig werd; onder geweldig gebruis werden hare wateren, waarin zich draaikolken vormden, stroomopwaarts teruggeworpen. Op deze wijze werd het voor den stuurman eene onmogelijkheid om vooruit te komen; dus gelastte hij zijn matrozen het schip te wenden en weder de rivier op te varen. Nauwelijks had Caesar dit gehoord of hij maakte zich bekend en greep den stuurman, die bij dezen aanblik geheel ontstelde, bij de hand, terwijl hij zeide: "ga gerust voort, brave vriend, waag het en vrees niets, gij hebt Caesar maar bovendien Caesars geluk als medepassagier aan boord." Nu vergaten de matrozen den storm, en roeiden weder zooveel zij konden; maar hoezeer zij al hunne krachten inspanden, was het hun met den besten wil niet doenlijk den stroom meester te worden. Toen hierbij nu nog kwam, dat het schip veel water binnen kreeg en in den mond der rivier groot gevaar liep te zinken, stond hij, ofschoon nog zeer tegen zijn zin, den stuurman toe te keeren. Bij zijne terugkomst in de legerplaats liepen de soldaten hem in dichte drommen tegemoet, terwijl zij hem bittere verwijten deden en zich diep beklaagden, dat zijn vertrouwen in hen zoo gering was. "Zijt gij dan zoo overtuigd," riepen zij uit, "niet in staat te zijn met ons alleen te overwinnen, dat gij u over afwezigen bekommert en alles om hunnentwillen op het spel zet, maar ons daarentegen, die hier bij u zijn, behandelt als hadden wij uw vertrouwen verbeurd?"
39. Kort daarop bracht Antonius de troepen veilig van de overzijde in Caesars kamp. Hierdoor weder bemoedigd trachtte hij Pompejus uit zijne verschansingen te lokken om zoo tot een veldslag te geraken. ...

KLIK HIER om verder te lezen!
(Hoofdstukken 39 t/m 69 en de Vergelijking tussen Alexander en Caesar)