PLINIUS

Beeld van Plinius aan de voorgevel van de Dom te Como.

 

Leven en werken van Plinius

Een inscriptie

In de Sant'Ambrogio, een middeleeuwse kerk in Milaan, zijn fragmenten gevonden van een Latijnse inscriptie, waarvan ook nog een handgeschreven kopie uit de Renaissance bewaard is gebleven. Dit gebeurde omdat een bezoeker ergens in de 15e eeuw de tekst zo interessant vond dat hij die heeft overgeschreven. Blijkens de inhoud van de inscriptie gaat het om een steen uit de Romeinse thermen van Comum. Waarschijnlijk is de stenen plaat na de afbraak van het badhuis gebruikt als grafsteen en zo later in de kerk terechtgekomen. De tekst die in de steen is aangebracht, omvat een uitgebreide beschrijving van de loopbaan van Plinius, met vermelding van de weldaden die hij de stad, waar hij was geboren had bewezen. Gecombineerd met de autobiografische gegevens die Plinius zelf in zijn brieven biedt, levert deze inscriptie veel informatie over het leven van Plinius.

Reconstructie van de inscriptie in het Museo nazionale della civiltà romana

Na reconstructie ziet de tekst van de inscriptie er als volgt uit:

C PLINIVS L F OVF CAECILIVS SECVNDVS COS
AUGVR LEGAT PRO PR PROVINCIAE PONTI ET BITHYNIAE
CONSVLARI POTESTAT IN EAM PROVINCIAM EX SENATVS CONSVLTO MISSVS AB
IMP CAESAR NERVA TRAIANO AVG GERMANICO DACICO OPTIMO PATRE PATRIAE
CVRATOR ALVEI TIBERIS ET RIPARVM ET CLOACARVM VRBIS
PRAEF AERARI SATVRNI PRAEF AERARI MILIT PRAETOR TRIBVNVS PLEBIS
QVAESTOR IMP SEVIR EQUITVM ROMANORVM
TRIB MILIT LEG III GALLICAE X VIR STLI
TIB IVDICAND THERMAS EX HS ADIECTIS IN
ORNATVM HS CCC AMPLIVS IN TVTELAM
HS CC T E I LIBERTOR SVORVM HOMIN C
HS XVIII LXVI DCLXVI REI P LEGAVIT QUORVM INCREMENT POSTEA AD EPVLVM
PLEB VRBAN VOLVIT PERTINERE ITEM VIVVS DEDIT IN ALIMENT PVEROR
ET PUELLAR PLEB URBAN HS D ITEM BYBLIOTHECAM ET IN TUTELAM BYBLIOTHE
CAE HS C

(CIL V.5262, ILS 2927)

We zullen nu proberen aan de hand van deze tekst meer te weten te komen over het leven van Plnius.

C(AIUS) PLINIUS L(UCII) F(ILIUS) OUF(ENTINA TRIBU) CAECILIUS SECUNDUS CO(N)S(UL) AUGUR

De uitgebreide officiële aanduiding van de naam van Plinius maakt duidelijk dat Plinius een Romeins burger was, afkomstig uit en behorend tot het stemdistrict (tribus) Oufentina. In dat district lag ook de plaats Comum, die Plinius in één van zijn brieven 'patria mea' noemt.
Opvallend aan de naamsaanduiding is dat Plinius twee gensnomina heeft, zowel Plinius als Caecilius. De verklaring hiervoor is dat Plinius, die na de vroegtijdige dood van zijn vader L. Caecilius tot zijn veertiende jaar een voogd had, geadopteerd is door een broer van zijn moeder, die tot de gens Plinia behoorde. Bij de adoptie nam Plinius, of eigenlijk nog C. Caecilius, de gens- en cognomina van zijn oom over. Zijn oude gensnomen voegde hij aan zijn nieuwe naam toe, zonder die te veranderen in Caecilianus, zoals lange tijd gebruikelijk was geweest.
Plinius' adoptiefvader, C. Plinius Secundus, was al tijdens zijn leven een beroemde historicus en natuurwetenschapper. Net als de Caecilii behoorden de Plinii tot de plaatselijke aristocratie van grootgrondbezitters.

Plinius vertelt in een van zijn brieven dat hij tijdens de uitbarsting van de Vesuvius - op 24 augustus van het jaar 79 - bij zijn oom in Misenum aan de baai van Napels was. Terloops deelt hij ons mee dat hij op dat moment 17 jaar was. Terugrekenend moet hij dus geboren zijn tussen 24 augustus 61 en 24 augustus 62.
Plinius Secundus Maior (Maior om hem te onderscheiden van onze Plinius Minor) kwam bij de ramp om het leven. Omdat Plinius zijn oom slechts één keer in al zijn brieven per adoptionem pater noemt en het meestal gewoon over zijn 'oom' heeft, nemen we aan dat de oude Plinius zijn neef pas in zijn testament heeft geadopteerd. De jongeman, die al het hele vermogen van zijn natuurlijke vader had geërfd, erfde ook het vermogen van zijn oom-adoptiefvader en was vanaf dat moment zeer rijk.

De vermelding van het feit dat Plinius consul is geweest (in 100) leert dat Plinius tot de senatorenstand behoorde. Het consulaat was de bekroning van een senatoriale cursus honorum. Daarom ook staat deze titel als eerste van de reeks ambten die Plinius heeft bekleed vermeld, direct gevolgd door augur, de belangrijkste priesterfunctie die men kon vervullen. Plinius werd augur in 103. Men bleef voor het leven lid van het collegium van 16 augures, dat bij alle grote staatsaangelegenheden waarbij de keizer als pontifex maximus fungeerde, werd betrokken.

Na de vermelding van het consulaat en het priesterschap volgt de carrière van Plinius in omgekeerde volgorde, zoals gebruikelijk in inscripties van deze aard, bedoeld om een persoon te eren. Als we dus de loopbaan van Plinius willen volgen, moeten we beginnen in regel 8/9 en dan teruglezen naar boven.

Opleiding

Als voorbereiding op zijn bestuurlijke carrière heeft hij na het onderwijs van de ludi magister en de grammaticus college gelopen in Rome, bij de retor Quintilianus. Die bracht Plinius bewondering bij voor Cicero, in de ogen van velen de grootste Romeinse redenaar die er bestaan heeft. Plinius zou zijn leven lang proberen Cicero na te volgen en te evenaren.

Na zijn opleiding in de retorica trad Plinius als achttienjarige op als advocaat in Rome. Hij verscheen onder meer aan het hof van de centumviri, een soort hooggerechtshof dat zich bezighield met eigendoms- en erfenisprocessen.

Decemvir stlitib(us) iuducand(is)

Invloedrijke vrienden en kennissen hadden Plinius aan de latus clavus geholpen, de brede purperen zoom op zijn toga ten teken dat hij door de keizer tot de ordo senatorius was toegelaten. Daarom kon Plinius zijn loopbaan beginnen met deze functie als rechter. De 'tien mannen voor het beoordelen van geschillen' traden op als voorzitters van het hof van de centumviri. Als decemvir kwam Plinius dus terug in het gerechtshof waar hij als advocaat zijn eerste schreden had gezet. Hij zou het grootste deel van zijn leven deel blijven uitmaken van deze rechtbank.

Trib(unus) milit(um) leg(ionis) III Gallicae

De tweede stap in de cursus honorum bracht Plinius in het Midden-Oosten. Hij ging in de rang van militair tribuun naar het legioen tertia Gallica, dat in Syria lag. Zijn taak is beperkt gebleven tot administratieve bezigheden: hij onderwierp de militaire boekhouding aan een onderzoek. Naar eigen zeggen trof hij een chaos aan.
Intussen verwaarloosde hij zijn studie niet, hij had contacten met Griekse filosofen in Syria en op de terugweg naar Rome schreef hij tijdens een oponthoud elegieën. Overigens had hij al op veertienjarige leeftijd zijn eerste literaire werk gewrocht: een Griekse tragedie.
De exacte datering van Plinius' militair tribunaat is niet te geven. Het enige dat met zekerheid valt te zeggen is dat het viel in de regeringsperiode van Domitianus, dus na 81. Waarschijnlijk was het ook niet veel later dan dat jaar, want Plinius noemt in zijn brieven over die tijd zichzelf een iuvenis.

Sevir equitum Romanorum

Na terugkeer in Rome kreeg Plinius het bevel over één van de zes ruiterafdelingen van het leger, die waren samengesteld uit leden van de ordo equster. Het was een hele eer dat Plinius deze functie kreeg, die doorgaans was voorbehouden aan een zoon van de keizer zelf. Bij hoge uitzondering kregen zonen van senatoren, die een bijzonder aanzien genoten, deze post. Het is de eerste aanwijzing dat Plinius een opvallende plaats innam tussen de Romeinse bestuurders van zijn tijd.

Quaestor imp(eratoris)

De eerste van de vier basisambten in de senatoriale loopbaan, die dateerden van de republikeinse tijd, was de quaestura. Om quaestor te zijn moest men in de keizertijd minimaal 25 jaar oud zijn. Plinius was waarschijnlijk enkele jaren ouder toen hij dit ambt aanvaardde.
Uit de toevoeging imperatoris blijkt dat Plinius één van de twee quaestores was die door de keizer werden voorgedragen om als zijn officiële woordvoerders in de senaat op te treden. De benoeming tot quaestor betekende overigens, dat men automatisch zitting kreeg in de senaat.

Trib(unus) pl(ebis)

Het ambt van volkstribuun was met het wegvallen van de volksvergaderingen in het principaat beroofd van zijn functie. In de republiek hadden de volkstribunen het recht hun veto uit te spreken tegen wetsvoorstellen van de kant van de magistraten. In de keizertijd had de princeps zelf de bevoegdheid van een volkstribuun (tribunicia potestas) overgenomen en daarmee het volkstribunaat gemaakt tot een 'ijle schaduw' (inanem umbram) en een 'titel zonder betekenis' (sine honore nomen) (Plin. Epist. 1,23). Plinius wenste het ambt echter toch te zien als een potestas sacrosancta, een 'macht die onschendbaar was' en staakte zijn activiteiten als advocaat om werkelijk voor iedereen bereikbaar te zijn in zijn functie van volkstribuun.

Pr(aetor)

Hoewel zij slechts met twee letters in de inscriptie wordt aangeduid, was de praetura een belangrijke functie, niet in de laatste plaats omdat het één van de oudste honores was, die stamde uit de tijd van de republiek. De taken van de praetores lagen in de rechtspraak. Omdat de princeps zich hier ook mee bezighield was het gewicht van de eigenlijke functie van de praetores afgenomen. Daar stond tegenover dat het ambt de toegang vormde tot de belangrijkste bestuursposten in het rijk. Ex-praetores werden aangesteld als gouverneur van een provincie of als bevelhebber van een legioen.

De minimumleeftijd om praetor te kunnen zijn was 30 jaar. Volgens de regels kan Plinius dus al in 91 of 92 praetor zijn geworden. Het was in werkelijkheid waarschijnlijk een jaar later, in elk geval onder de regering van Domitianus.
In het jaar 93 trad hij voor het eerst op in een politiek strafproces voor de senaat. Bewoners van de Spaanse provincie Baetica hadden hun voormalige gouverneur aangeklaagd wegens afpersing. Plinius werd gevraagd hun advocaat te zijn. Dat was, zo schrijft hij later, niet zonder risico, omdat vrienden van Domitianus bij de afpersingen waren betrokken. Toch nam hij de zaak op zich en wist deze tot een succesvol einde te brengen.

Praef(ectus) aerari(i) milit(aris) praef(ectus) aerari(i) Saturni

Na zijn jaar als praetor bekleedde Plinius inderdaad nog een aantal belangrijke posten. Eerst werd hij voor drie jaar de beheerder van de militaire begroting (aerarium = schatkist), vervolgens nog eens drie jaar 'minister van financiën' van de staat; de staatskas bevond zich in de tempel van Saturnus aan het forum Romanum. Deze laatste functie vond Plinius vervelend werk. Direct daarna werd hij consul.

Consul

In de tijd van Plinius was het al lang niet meer zo dat de consuls samen één jaar de hoogste macht vormden in de staat. Vier tot zes maal per jaar kwam er een nieuw consulspaar. (En dikwijls was een van de twee de regerende princeps; zo ook in het jaar 100, waarin Plinius consul was: in het begin van dat jaar was Trajanus voor de derde maal consul geweest, voor de duur van twee maanden.) Zodoende bleven er voldoende ex-consuls beschikbaar om het bestuur op zich te nemen van de provincies, die vanwege hun strategisch belang een speciale status hadden.
In deze tijd moet Plinius voor de derde keer zijn getrouwd, en wel met de jeugdige Calpurnia. Over zijn eerste twee huwelijken is zo goed als niets bekend, behalve dat ze kinderloos zijn gebleven. Zijn derde vrouw was evenals hijzelf afkomstig uit Comum. We lezen in Plinius' brieven van een miskraam en van ziektes. Ook dit huwelijk bleef tenslotte kinderloos. Het was - voorzover dat uit de brieven valt op te maken - wel een gelukkig huwelijk.

Curator alvei Tiberis et riparum et cloacarum urb(is)

Een cura is een buitengewoon ambt dat de keizer verleende aan consulares (oud-consuls). Het was vooral een erefunctie. De curator alvei Tiberis et riparum et cloacarum urbis was officieel belast met het toezicht op de bedding en de oevers van de Tiber en de riolen van Rome, die op de Tiber uitkwamen. Hoofd van de stadsreinigingsdienst dus.

Legat(us) pro pr(aetore)

Het is geen toeval dat de laatste functie die van Plinius wordt vermeld, zoveel woorden in beslag neemt. Het is verreweg de belangrijkste baan die hij heeft gehad.
De officiële functie-aanduiding luidt: legatus pro praetore provinciae Ponti et Bithyniae. De provincie die Pontus en Bithynia omvat, globaal gezegd het noordwesten van het huidige Turkije, werd gewoonlijk bestuurd door een ex-praetor. De Latijnse terminologie zegt letterlijk: een afgezant in de functie van praetor. Tot zover is alles heel gewoon.
De toevoeging consulari potestate in eam provinciam ex senatus consulto missus ab imperatore maakt echter duidelijk dat er iets bijzonders aan de hand was. Plinius krijgt als legatus de bevoegdheid van een consul. Bovendien krijgt hij de post door ingrijpen van de keizer zelf, hoewel deze provincie normaal gesproken onder de senaat viel; ex senatus consulto geeft aan dat de senaat wel formeel instemde met de bestuurlijke ingreep van Trajanus. Wat aan deze zware beslissing van de keizer, inmenging in de bestuurlijke aangelegenheden van een senaatsprovincie, ten grondslag heeft gelegen laat zich opmaken uit de ruime taakomschrijving die Trajanus zelf in een van zijn brieven aan Plinius geeft: om te bepalen wat bijdraagt tot langdurige rust en orde in die provincie (ut ea constitueres quae ad perpetuam eius provinciae quietem essent profutura, Epist. 10.117). Kennelijk was er geen quies en dreigde de toestand in Bithynia uit de hand te lopen doordat de bestuurders niet krachtdadig optraden. Uit Plinius' ambtelijke brieven kunnen we deduceren dat in de provincie Bithynia-Pontus verschillende civitates (steden) onderling in een prestigeslag waren verwikkeld. Dat leidde tot onverantwoord hoge uitgaven voor publieke bouwwerken. Behalve dat hij het financiële beleid van de steden moest beteugelen, kreeg Plinius ook de opdracht mee de vorming van politieke clubs en van andere verenigingen die de status quo zouden kunnen bedreigen, tegen te gaan. Dat laatste verklaart zijn optreden tegen de christenen.
Het spreekt voor zich dat de benoeming van Plinius tot legatus Augusti voor deze moeilijke provincie een bewijs is voor het vertrouwen dat de keizer had in de capaciteiten van Plinius.

Sterfjaar

Aan de naam Nerva Trajanus is een reeks eretitels toegevoegd naar aanleiding van zijn overwinningen in Germania en Dacia (in het huidige Roemenië). Samen met het conventionele Caesar Augustus en 'vader des vaderlands' leveren deze het bewijs dat deze inscriptie is opgesteld, toen Trajanus nog aan het bewind was. Het feit dat de titel optimus princeps, die de senaat Trajanus verleende in 114, ontbreekt kunnen we gebruiken om een nog preciezere 'terminus ante quem' vast te stellen voor de datering van de inscriptie. Met dat gegeven kunnen we dan weer komen tot een vermoedelijk sterfjaar van Plinius, aangezien de inscriptie verderop verwijst naar de beneficia die Plinius per testament aan zijn geboortestad heeft bewezen:

'… heeft bij testament deze thermen laten bouwen [voor een bedrag van …], waarbovenop een bedrag van 300.000 HS (= sestertiën) kwam voor de inrichting en bovendien 200.000 HS voor het onderhoud.
Eveneens heeft hij voor het onderhouden van zijn vrijgelatenen, honderd man, 1.866.666 HS aan de stad vermaakt, waarvan de rente volgens zijn wil bestemd is voor een jaarlijkse maaltijd voor het volk in de stad.
Eveneens heeft hij bij leven 500.000 HS gegeven voor het onderhouden van de jongens en meisjes van het stadsvolk,
en eveneens een bibliotheek en 100.000 HS voor het onderhoud van die bibliotheek.'

Plinius is waarschijnlijk overleden in Bithynia, naar wordt aangenomen in het jaar 111.

Uit de inscriptie komt Plinius overduidelijk naar voren als een geslaagde carrièremaker. Hij heeft het hoogste ambt, dat van consul, bereikt, iets wat lang niet voor iedereen die aan de cursus honorum begon was weggelegd. Van de twintig mensen die in een bepaald jaar aan het laagste ambt begonnen (naast de decemviri stlitibus iudicandis waren er nog functies voor tien anderen), bereikten slechts enkelen het consulaat. Plinius kreeg bovendien nog een belangrijk gouverneurschap toegewezen. En de bedragen die in de inscriptie worden genoemd, duiden erop dat Plinius een zeer vermogend lid van de ordo senatorius is geweest.

Van Vespasianus tot Trajanus

Eén opvallend feit wordt niet direct duidelijk uit de inscriptie, omdat er geen data staan bij de verschillende stappen van de loopbaan. Als we de carrière van Plinius proberen te reconstrueren, dan constateren we dat die zich heeft uitgestrekt over een periode waarin zeker vier, misschien zelfs vijf keizers regeerden. We weten niet exact wanneer Plinius decemvir is geweest. Het moet tussen zijn achttiende en zijn twintigste zijn geweest. Aangezien we zijn geboortedatum ook niet precies kennen, is het onzeker of Plinius zijn carrière is begonnen toen (Titus Flavius) Vespasianus nog aan de macht was (tot 24 juni 79) of onder diens zoon en opvolger Titus (Flavus Vespasianus).

Zeker is dat Plinius diverse functies heeft vervuld tijdens de regeringsperiode van de broer van Titus, T. Flavius Domitianus (81-96), die bekend staat als een van de meest tirannieke keizers. Dat laatste heeft alles te maken met zijn absolutistische opvatting over de machtsuitoefening. Domitianus was de eerste keizer die de keizercultus al tijdens zijn leven toejuichte en stimuleerde, de apotheose na zijn dood niet afwachtte, maar zich al tijdens zijn leven dominus et deus liet noemen. Dit leidde tot botsingen met senatoren met meer conservatieve denkbeelden. Die slechte relatie tussen keizer en senaat escaleerde al snel. Tal van samenzweringen tegen Domitianus en processen wegens laesa maiestas (majesteitsschennis / hoogverraad) tegen senatoren volgden. Tenslotte werd Domitinaus vermoord.

Dat Plinius zijn carrière in de turbulente tijd van Domitianus' regeringsperiode heeft voortgezet, heeft in senatoriale kringen kennelijk geleid tot kritiek op Plinius. Dat valt af te leiden uit het feit dat hij het nodig vond om in de redevoering die hij bij de aanvaarding van het consulaat uitsprak - na Nerva was inmiddels Trajanus keizer geworden - nadrukkelijk te stellen dat zijn cursus honorum belemmering had ondervonden van het gedrag van de insidiosissimus princeps. Plinius verdeelt Domitianus' regering in twee delen, waarvan volgens Plinius alleen de laatste periode gekenmerkt werd door odium bonorum. Voor die tijd was er geen bezwaar om onder Domitianus te functioneren in het bestuur van het rijk. Dat Plinius in zijn rede tot Trajanus en de senaat overdrijft als hij spreekt van een problematische periode in zijn carrière - onder de nagelaten papieren van Domitianus zou zelfs, zo schrijft Plinius ergens, een aanklacht tegen hem zijn gevonden - staat, gezien het voorspoedig verloop van Plinius' carrière ook in de laatste jaren van Domitianus' bewind, wel vast. Trajanus heeft Plinius in elk geval, gezien de functies die hij hem toedeelde, een mogelijk tweeslachtige houding tijdens het bewind van Domitianus niet aangerekend.

Werken

De feestrede die Plinius bij zijn ambtsaanvaarding als consul uitsprak, de zogenoemde Panegyricus, is de enige toespraak die nog over is van alle redevoeringen die Plinius in de senaat en aan het hof van de centumviri heeft gehouden. Net als de Panegyricus heeft Plinius die in een speciaal daartoe bewerkte versie uitgegeven (zie Epist.5.8). Maar op die ene uitzondering na zijn ze niet overgeleverd.

De paradox van Plinius' leven is dat hij onsterfelijkheid heeft willen verwerven als groot orator, maar dat hij bekend is gebleven als schrijver van 247 als literaire pronkstukken gepubliceerde brieven, terwijl hij die zelf beschouwde als vingeroefeningen voor het grotere werk. Na zijn dood is na de negen 'brievenboeken' nog een groot deel van zijn correspondentie met Trajanus als tweede boek toegevoegd.
Ter afwisseling schreef en publiceerde Plinius ook wel kleine, speelse gedichten, die hij 'hendecasyllabi' (elf-lettergepen-verzen) noemde. Tenslotte schreef zelfs Cicero wel eens een gedicht, zo verdedigde Plinius zich tegenover vrienden die hem hierover kapittelden. In zijn eigen woorden:

Toen ik het boek van Gallus (1) las,
die zonder schroom of vrees
zijn vader boven Cicero prees
vond ik daar versjes van Cicero bewaard,
scalks, maar toch de moeite waard,
omdat zij getuigen van hetzelfde talent,
dat wij van zijn ander werk zijn gewend.
Daarmee geldt voortaan meteen als feit
dat ook een grote geest
houdt van scherts en geestigheid!
In die versjes doet hij zijn beklag
dat Tiro (2) hem 's nachts niet de zoenen gaf,
die hij zijn minnaar had beloofd,
toen hij bij het diner aanlag.

Toen ik dit las, heb ik gedacht:
waarom nog langer met mijn avontuurtjes gewacht!
Zal ik uit valse schaamte blijven ontkennen
het spel van aantrekken en afstoten te kennen,
Tiro's gedraai, zijn listen en lagen,
die het vuur steeds opnieuw aanjagen?

Plinius, Epistulae 7.4

(1) Zoon van de redenaar en schrijver Asinius Pollio; in een boek stelde hij de schrijfstijl van zijn vader boven die van Cicero.
(2) Secretaris en vriend van Cicero.




De geschiedenis van de brief

Ons woord brief is afgeleid van het Latijnse brevis libellus. Het woord is in de middeleeuwen ontstaan. De Romeinen zelf spraken van lit(t)erae of epistula. Het laatste woord is een leenwoord uit het Grieks (e0pistolh/) en betekent letterlijk 'wat toegezonden wordt'.


De voor-schriftelijke communicatie

De brief is ontstaan vanuit de behoefte om met mensen of gemeenschappen elders in contact te zijn. Ook toen het schrift nog niet was uitgevonden, bestonden er al vormen van 'telecommunicatie'. Boden brachten met pictogrammen versierde dierenhuiden of bodestaven over, waarvan de code meestal alleen aan de ontvanger bekend was. Ook werden boodschappen door middel van tromgeroffel of vuursignalen doorgeseind.
In de klassieke tijd vind je nog sporen van dit 'vóór-schriftelijk' telegraafverkeer. Bijvoorbeeld in het begin van het toneelstuk Agamemnon van Aischylos, waar een wachter op het dak van de burcht van Mycene uitkijkt naar een vuursignaal uit Troje. Dat signaal, zo was de afspraak, zou van bergtop naar bergtop worden doorgegeven, als Troje gevallen was. En dan eindelijk komt het signaal en haast de wachter zich het nieuws aan Agamemnons vrouw te vertellen.
Een 'aardig' voorbeeld van niet-schriftelijke berichtgeving biedt ook het verhaal over de manier waarop Sextus Tarquinius, zoon van de laatste Romeinse koning, zijn vader de stad Gabii in handen wist te spelen. Zogenaamd gevlucht voor zijn vader, had hij zijn toevlucht gezocht in deze stad. Toen hij het vertrouwen van de bewoners had gewonnen, stuurde hij in het geheim een bode naar zijn vader voor nadere instructies. De bode keerde echter zonder boodschap terug. De koning had slechts, zei de man, met hem door de tuin gewandeld en met zijn stok de koppen van papaver-bloemen afgeslagen. Sextus begreep de wenk: hij moest de stad eerst van zijn 'hoofden' beroven! Dat deed hij en toen Gabii in oorlog raakte met Rome, was er nog maar één bekwame legeraanvoerder over: Sextus.

De brief in het oude Oosten

De uitvinding van het schrift opende nieuwe mogelijkheden voor communicatie-op-afstand. Zowel in Mesopotamië als in Egypte vinden we daar vóór 2000 v. Chr. al voorbeelden van.
Als materiaal gebruikten de Mesopotamiërs vooral kleitabletten en de Egyptenaren papyrus. Papyrusbladen werden opgerold, met een snoer samengebonden en verzegeld. Voor het verzegelen gebruikte men bijenwas.
De briefschrijfkunst vormde aanvankelijk een monopolie van de priesters. Schrijvers waren tegelijk priester en andersom. Zij stelden hun op priesterscholen geleerde schrijfkunst in dienst van de koning, van hofambtenaren en legeraanvoerders. Daarom werd, voorzover uit gevonden materiaal valt op te maken, de brief aanvankelijk vooral voor bestuurlijke doeleinden gebruikt.
Beroemd is het archief van de farao's Amenhotep III en IV, zoals dat in El Amarna is gevonden: de zogenaamde El Amarna-brieven, stammend uit de 15e en 14e eeuw v. Chr. Deze bevatten hun correspondentie met andere Oosterse vorsten, onder andere die van Babylonië, Assyrië, Palestina en het Hettitische rijk.
Voorzover er sprake is van particuliere correspondentie, zijn althans in Babylonië zakelijke brieven (rekeningen, leveringsbewijzen, koopakten e.d.) in de meerderheid. Maar soms komen we ook een persoonlijke brief tegen, bijvoorbeeld die van een zekere Ammunasir aan zijn zus Bisu:
Zeg tegen Bisu: Dit zegt Ammunasir: 'Ik heb Ruttu als vrouw gekregen. Als jij Ruttu niet ontvangt, ben jij niet meer mijn zus.'
Het valt op dat de brief zelf als menselijke bode wordt aangesproken:
Zeg tegen Bisu … De brief staat hier dus nog dicht bij de mondelinge boodschap.

De brief in de Griekse Oudheid

1 De periode tot de vierde eeuw voor Christus

Myceense koningen moeten al via brieven in contact hebben gestaan met Oosterse vorsten, bijvoorbeeld met de koning der Hettieten. Maar na het einde van de Myceense cultuur (ca. 1200 v. Chr.) verdween het door hen gebruikte schriftsysteem (lineair B) en tegelijk ook de geschreven brief in Griekenland. Pas na de invoering van het Phoenicische alfabet, in de loop van de 8e eeuw v. Chr., openden zich voor de Grieken nieuwe mogelijkheden.

Bij Homeros (ca. 750 v. Chr.) is één keer sprake van een brief. In de Ilias (VI,168 vv.) geeft een Argivische koning de held Bellerophon een gesloten brief mee voor de koning van Lycië met de opdracht de brenger van de brief te doden. De brief is geschreven op een 'pinax ptuktos', een dichtklapbaar schrijftafeltje. Maar de geleerden zijn het er niet over eens, of de 'semata lugra' (de onheilspellende tekens) waarvan sprake is, al echte letters zijn.

Met Herodotos (ca. 450 v. Chr.) betreden wij vastere grond: bij deze Griekse historicus is er verschillende malen sprake van brieven. De oudste daarvan is de brief, die farao Amasis schreef aan de Griek Polykrates, die in de 6e eeuw tiran was van het eiland Samos. Deze Polykrates, met wie Amasis vriendschappelijke betrekkingen onderhield, ging het zo voor de wind dat Amasis zich zorgen begon te maken en hem in een brief enige welgemeende adviezen aan de hand deed. Omdat Herodotos de brief letterlijk citeert (dat althans door de directe-rede-vorm suggereert), wordt hij door sommigen als de oudste ons overgeleverde brief in de Griekse Oudheid beschouwd:

'Amasis spreekt als volgt tot Polykrates. Het is prettig te horen dat het een gastvriend, die tevens een persoonlijk vriend is, goed gaat, maar je wel bovenmate grote voorspoed bevalt mij niet, want ik weet hoe afgunstig de goden zijn. Voor mijzelf en degenen om wie ik geef, heb ik liever dat geluk en ongeluk elkaar gedurende het leven steeds afwisselen dan dat alles maar voor de wind blijft gaan, want ik heb nog nooit van iemand gehoord, wiens langdurige voorspoed op het eind tenslotte niet volkomen in haar tegendeel is omgeslagen. Luister dan nu naar mij en handel ten aanzien van je voorspoed als volgt. Ga in gedachten na, aan welk voorwerp je het meest gehecht bent, waarvan je het verlies het diepst zou betreuren en gooi dat dan op zo'n manier weg dat het nooit meer onder de mensen kan terugkeren. Als geluk en ongeluk elkaar dan nog niet gaan afwisselen, pas dan het middel dat ik je aan de hand deed, nogmaals toe.'(Historiën III, 40)

Polykrates volgde Amasis' raad op en gooide zijn kostbaarste zegelring in zee. Maar de ring werd gevonden in een vis en weer aan hem terugbezorgd. Dat schreef Polykrates in zijn antwoord aan Amasis. Deze zegde toen per bode de vriendschap op, omdat, zo schrijft Herodotos, hij niet de pijn wilde voelen, die het ongeluk van een vriend hem ongetwijfeld zou gaan bezorgen. En inderdaad, in 522 viel Polykrates in handen van een Perzische satraap en stierf aan het kruis. Overigens was Amasis zelf intussen al gestorven.

Boeiend is het om bij Herodotos te lezen, welke listen men weet te bedenken om te voorkomen dat een brief in verkeerde handen valt. Daarvan is het volgende verhaal een voorbeeld. Koning Demaratos van Sparta leeft in ballingschap in Susa in Perzië. Daar verneemt hij dat Xerxes plannen koestert voor een nieuwe expeditie tegen Griekenland. Hij wil zijn landgenoten op bedekte wijze waarschuwen. Hij neemt daartoe een opvouwbaar wastafeltje, krabt de waslaag eraf, schrijft rechtstreeks in het hout, wat Xerxes van plan is en brengt opnieuw de waslaag aan. Zo verstuurt hij de brief. (Historiën VII, 239)

2 De vierde eeuw voor Christus

Grieken zouden geen Grieken zijn, als zij, in vergelijking met het Oosten, ook met de brief niet iets geheel nieuws zouden doen, zoals zij dat deden met de beeldende kunst, politiek, wetenschap en literatuur. Zij ontdekten namelijk dat je de brief ook op een andere manier kunt gebruiken dan alleen voor particuliere, zakelijke of bestuurlijke doeleinden. Bijvoorbeeld om de publieke opinie voor een bepaalde zaak te mobiliseren. Zo schreef de redenaar Isokrates een open brief aan koning Philippus II van Macedonië, waarin hij hem aanspoorde uit naam van alle Grieken tegen de Perzen op te trekken.
Filosofen maakten er weer een ander gebruik van, namelijk om aan leerlingen, vrienden of een groter publiek hun filosofische denkbeelden op meer bevattelijke wijze over te brengen. Zo bezitten wij brieven van Plato, die als voorlopers beschouwd kunnen worden van onze lesbrieven en onze essays. Filosofen schreven ook troostbrieven aan vorsten of vrienden om hen bij een verlies te troosten.
Tenslotte verschenen er verzamelingen van brieven van bekende persoonlijkheden zoals van Plato en dat stimuleerde weer verder tot navolging. Daarmee werd een nieuw literair genre een feit: de epistolografie, de briefschrijfkunst.

Als schrijfmateriaal gebruikten de Grieken aanvankelijk, zoals gezegd, inklapbare wastafeltjes, diptycha genaamd, een woord dat niet voor niets ook 'oesters' betekende. Men klapte ze dicht, wond er een snoer om en verzegelde ze. Overigens hebben we geen oorspronkelijke brieven op wastafeltjes over, wel op papyrus, dat later in gebruik kwam.

3 De Hellenistische tijd

De briefvorm benutten als literair genre betekent niet alleen dat je brieven schrijft met het oog op publicatie - dat doe je tenslotte ook met de open brief en de lesbrief - maar tegelijk dat je hem op grond van zijn vorm en/of inhoud een niet tijdgebonden waarde probeert te geven. En met de brief ook jezelf.
De briefvorm leent zich prachtig voor literatuur. Want wat is mooier dan de intimiteit die tussen briefschrijver en lezer bestaat, voor literaire doeleinden te exploiteren! Alsof de schrijver jou persoonlijk in vertrouwen neemt. En als het om brieven van andere, al dan niet fictieve, personen gaat: alsof je in vertrouwen wordt binnengelaten in de intieme wereld van een ander.
In de Hellenistische tijd is er een voorkeur voor het fictieve briefgenre. Er verschijnen fictieve liefdesbrieven en onechte brieven van beroemde personen, zoals Alexander de Grote.

Een bijzondere omstandigheid bevorderde de opkomst van dit soort literatuur in de Hellenistische tijd. In de Hellenistische koninkrijken werd de rol van de kanselarij namelijk steeds overheersender: bestuur en diplomatiek verkeer werden hoofdzakelijk in briefvorm afgewikkeld. Welnu, de retorenscholen hebben mede met het oog daarop de briefschrijfkunst in hun schoolprogramma opgenomen. Omdat het in de Hellenistische tijd moeilijk was om te oefenen met actuele onderwerpen, vluchtte men alras in de fictie. Overigens werden in de Hellenistische tijd behalve fictieve en bestuurlijke brieven ook veel particuliere brieven geschreven, getuige het grote aantal papyrusvondsten in het Egyptische woestijnzand.
Meestal zag een Griekse brief er zo uit:

1 aanspreking: A tw=| B xai/rein (sc. le/gei): A groet B
2 briefinhoud als middenstuk
3 afsluiting met groet en eventuele datering.

Deze brieven zijn gewoonlijk aan één persoon gericht, in een natuurlijke, onopgesmukte stijl geschreven en bieden een grote verscheidenheid aan onderwerpen en tonen. Een voorbeeld:
Theo woont met zijn ouders in een dorpje langs de Nijl. Aks hij hoort dat zijn vader op reis moet naar Alexandrië, wil hij mee. Theo senior heeft hiertegen bezwaar en bedenkt een list. Hij doet alsof hij naar Oxyrhynchos, een stad in de buurt, gaat en vertrekt alleen. Na een paar dagen komt zoonlief erachter welke streek pa hem heeft geleverd en hij schrijft hem een boze brief.

Theo groet zijn vader Theo
Dat heb je mooi gedaan! Je hebt me niet meegenomen naar de stad!
Als je me niet wilt meenemen naar Alexandrië, dan schrijf ik je geen brief meer; en dan praat ik ook niet meer tegen je en wens je geen geluk.
Ga je zonder mij naar Alexandrië, dan geef ik je geen hand meer en zeg ik je nooit meer gedag. Dat gebeurt er, als je me niet wilt meenemen!
Moeder zei ook al tegen Archelaös: 'Hij maakt me dol! Weg met die knul!'
Ja, dat heb je mooi gedaan! Je stuurde me prachtige geschenken! Peultjes!
Ze hebben ons wat wijs gemaakt, toen je op 7 januari de boot had genomen.
Nu dan, laat me halen, vraag ik je. Als je me niet laat halen, eet ik niet meer en drink ik niet meer. Dat staat vast!
Ik wens je sterkte.

13 januari

Adressering op de achterkant: Geef 'm aan Theo, hij is van zijn zoon Theootje.

Papyrus Oxyrhynchos I.119, 2e of 3e eeuw na Chr.

Aan de inkleding van de Griekse brief kun je zien dat de brief in wezen werd gezien als een ontmoeting. Vandaar de groet aan begin en eind en het feit dat de briefschrijver direct aan het begin zijn naam noemt, zich voorstelt.
De handtekening onderaan de brief stamt pas uit de middeleeuwen.
Deze Griekse briefopvatting vinden we terug in wat een Griekse theoreticus, pseudo-Demetrius, omstreeks 250 v. Chr. daarover schreef:
'De brief wil slechts een klein bewijs zijn van vriendelijke gezindheid, het verslag van een eenvoudig onderwerp met simpele woorden … Gratie en beknoptheid sieren hem.'
En elders: 'De brief vormt de helft van een gesprek.'

De brief in de Romeinse Oudheid

Voor de Romein werd de brief met de groei van het Romeinse rijk een steeds belangrijker communicatiemiddel; veel meer dan voor de Griek die tot aan de Hellenistische tijd in sterk besloten gemeenschappen leefde. Provinciebestuurders, legeraanvoerders, belastingpachters, kooplieden, grootgrondbezitters, Romeinse studenten in Griekse universiteitssteden, zij allen bleven via brieven in contact met Rome en met elkaar. Men gaf brieven mee aan reizigers, of stuurde slaven als speciale koeriers (tabellarii). Het is dan ook niet verwonderlijk dat juist in Rome de briefschrijfkunst tot hoge ontwikkeling is gekomen. De belangrijkste correspondentie die wij over hebben, is die van M. Tullius Cicero (106-43 v. Chr.), ongeveer 900 brieven die hij schreef aan verwanten, vrienden en bekenden. Zijn brieven geven interessante achtergrondinformatie over de roerige periode van 68 tot 43 v. Chr. en over de persoon van Cicero zelf. Ons treft, behalve de verzorgde stijl, met name de wellevendheid, de hoffelijke toon, ook tegenover politieke tegenstanders zoals Caesar. En die hoffelijkheid was wederzijds, zoals blijkt uit de antwoordbrieven van Caesar aan Cicero. Het briefkader is van de Grieken overgenomen:

1 aanspreking: A B salutem (dicit) (met eventuele datering)
2 middenstuk met briefinhoud
3 afsluiting: vale(te)

Als schrijfmateriaal dienden, net als bij de Grieken, eerst met was bedekte dichtklapbare schrijftafeltjes (codicilli of tabellae) en later vooral papyrus (charta), waarop men schreef met een rieten pen, gedoopt in inkt. De papyrusbladen werden aan elkaar geplakt, opgerold, samengebonden en verzegeld.

Als briefstijl wordt, ook weer naar Grieks voorbeeld, een ongedwongen gesprekstoon geadviseerd, een 'sermo solutus' of 'cotodianus'. Maar deze stijl wordt formeler als de invloed van de retorica toeneemt.
Rome heeft in alle opzichten sterk de invloed ondergaan van de Griekse en Hellenistische cultuur. Dat geldt ook voor de briefschrijfkunst. Met het Hellenistische schoolsysteem werd tegelijk het oefenprogramma overgenomen. Dat verklaart de invloed op de Romeinse briefschrijfkunst van de retorica en van het daarin schuilgaande humanitas-ideaal. Beide elementen zijn merkbaar in de correspondentie van Cicero.
Ook de andere briefgenres, die in de 4e eeuw en in de Hellenistische tijd waren ontwikkeld, vonden in Rome toepassing:

De open brief
Een open brief is een brief, die hoewel hij gericht is aan één persoon, met opzet wordt gepubliceerd om tegelijk de openbare mening voor een bepaalde zaak te mobiliseren.
Een voorbeeld hiervan is de brief die Sallustius als aanhanger van de populares rond het begin van de burgeroorlog (49 v. Chr.) aan Caesar schreef. Hierin doet hij hem enige hervormingsvoorstellen aan de hand, zoals uitbreiding van het burgerrecht, het stichten van nieuwe kolonies, het vergroten van de senaat en de invoering aldaar van geheime stemprocedures om de invloed van de nobiles terug te dringen.

De lesbrief
Een lesbrief is een brief, waarin van de briefvorm gebruik wordt gemaakt om een filosofisch of wetenschappelijk probleem op meer levendige, toegankelijke en persoonlijke wijze aan de orde te stellen.
Het bekendst zijn de epistulae morales, de lessen over ethiek in briefvorm van de filosoof L. Annaeus Seneca (4 v. Chr. - 65 na Chr.). Ze zijn allemaal gericht aan een zekere Lucilius, maar deze, hoewel een historisch persoon, blijft verder zo in het duister dat de brieven meer lijken op een cursus filosofie voor iedereen.

De fictieve brief
Een fictieve brief is een brief, die door een literator is geschreven vanuit de gedachtengang en soms ook de stijl van een ander - al dan niet bekend - personage.
Een voorbeeld hiervan vormen de Heroides (Heldinnebrieven) van P. Ovidius Naso (43 v. Chr. - 18 na Chr.), een verzameling (verzonnen) brieven van Penelope aan Odysseus, van Dido aan Aeneas, van Medea aan Jason enz.

De dichterlijke brief
Een dichterlijke brief is eenvoudig een brief in dichtvorm. Overigens kunnen alle briefgenres daar gebruik van maken, zodat het verdedigbaar is hier niet van een apart briefgenre te spreken, maar eerder van een andere briefstijl: poëzie in plaats van proza.
Zo zijn de hiervoor genoemde Heroides van Ovidius in dichtvorm geschreven. Ovidius schreef ook meer persoonlijk getinte dichterlijke brieven, namelijk de Tristia (Treurzangen) en de Epistulae ex Ponto (Pontus = Zwarte Zee), beide geschreven vanuit zijn ballingsoord Tomi aan de Zwarte Zee. Volgens sommigen echter is Ovidius niet echt verbannen. In dat geval behoren deze twee werken dus eveneens tot het fictieve genre.
Ook de dichter Q. Horatius Flaccus (65 - 8 v. Chr.) schreef poëtische brieven, onder andere de beroemde Ars Poetica, die niet anders is dan een lesbrief in dichtvorm over de dichtkunst. Andere brieven van hem sluiten meer aan op zijn satiren.

De literair verzorgde brief
De literair verzorgde brief is een brief, die een schrijver richt tot een bepaald persoon, maar waarmee hij tegelijk pretendeert een literair werkstuk af te leveren, hetgeen tot uitdrukking komt in extra aandacht voor vorm en inhoud. De brieven van Plinius, de centrale auteur van dit boekje, zou men tot dit genre kunnen rekenen. Men zou hem zelfs daarvan de 'uitvinder' kunnen noemen.

In de Romeinse keizerrijd komt ook de bestuurlijke briefcultuur weer sterk naar voren. Caesar had de kunst van het afwikkelen van bestuurlijke aangelegenheden per brief van de Hellenistische koninkrijken overgenomen en zijn opvolgers hadden dit systeem verder uitgewerkt. In de keizerlijke secretarie werd hiervoor een aparte afdeling ingericht: ab epistulis, onderverdeeld in: ab epistulis latinis en ab epistulis graecis.


De brief tijdens het vroege christendom en de middeleeuwen

Het christendom tot de vijfde eeuw

In het tweede deel van het Nieuwe Testament treffen we een aantal brieven aan. Het bekendst zijn de brieven van Paulus. Het zijn verhandelingen in briefvorm, gericht tot mede-christenen of jonge christengemeenten. Ze vormen een christelijke variant van de door de Grieken ontwikkelde filosofische lesbrief. Paulus nam ook de Griekse briefvorm, de formulaire omlijsting, over. Hij veranderde alleen de gelukwens (het xai/rein) aan het begin in een genade- en vredewens.

Als voorbeeld volgt hier het begin van zijn tweede brief aan Timotheüs:
'Paulus, een apostel van Jezus Christus door de wil van God, naar de belofte van het leven, dat in Jezus Christus is, aan Timotheüs, mijn geliefde zoon: genade, barmhartigheid, vrede zij u van God de Vader en van Christus Jezus, onze Heer.'
Dan volgt de eigenlijke brief en het geheel wordt afgesloten met groeten en weer een gebed om zegen.

Kerkvaders, zoals Augustinus en Ambrosius, schreven ook veel theologische verhandelingen in briefvorm. Die worden ook wel zendbrieven genoemd. Net zoals die van Paulus werden ze verzameld en bewaard. Pauselijke zendbrieven heten nog altijd encyclieken.

De ridderlijke middeleeuwen: zesde tot twaalfde eeuw

Tijdens de middeleeuwen werd de briefschrijfkunst praktisch geheel het monopolie van de geestelijken. De kerk heeft immers het Romeinse rijk in een bepaalde zin voortgezet. De beheerders van dit kerkelijke rijk waren de priesters. Latijn vormde daarbij hun belangrijkste internationale voertaal, vergelijkbaar met het Engels van nu. Wie dus lezen en schrijven wilde, moest priester worden en Latijn, de taal van de kerk, leren. Ons woord 'klerk', tot voor kort een speciaal met schrijfwerk belaste lagere ambtenaar, stamt niet voor niets van het middeleeuwse clericus (geestelijke). Deze clerici verzorgden, uiteraard in het Latijn, de correspondentie van de vorsten, schreven theologische zendbrieven of correspondeerden met elkaar. Zij kregen onderricht in het schrijven van brieven op kloosterscholen. Men schreef brieven volgens een vast stramien:
1 salutatio: begroeting
2 captatio benevolentiae: het welwillend stemmen van de lezer
3 narratio: vertelling, het aan de orde stellen van de kwestie
4 petitio: verzoek om iets te doen of laten
5 conclusio: besluit
Voor het bestuurlijk verkeer waren zelfs in formulierboeken kant en klare standaardbrieven ontwikkeld.
De brief werd in deze periode praktisch vereenzelvigd met bestuurlijk document, oorkonde. Vergelijk de betekenis van het woord 'brief' in 'geloofsbrieven' en 'adelbrieven'.
Als schrijfmateriaal gebruikte men in de middeleeuwen perkament. Dat was al in de 2e eeuw v. Chr. in Pergamum als schrijfmateriaal ontwikkeld, maar verdrong pas sinds de bezetting van Egypte door de Arabieren (7e eeuw) het papyrus in West Europa.

Maar het strikt persoonlijke laat zich ook in de middeleeuwen niet geheel verstikken! Het vond zijn uitlaatklep in de liefdesbrief. Aanvankelijk schijnen het vooral de vrouwen te zijn, die zich daarin weten te uiten: nonnen in kloosters, adellijke dames daarbuiten. In deze brieven vinden wij ook de eerste doorbraak naar de volkstaal. Beroemd is een brief uit het begin van de 12e eeuw, die een dame schreef aan een … monnik. Eerst in het Latijn. Hij moet niet jaloers zijn, als zij ook omgaat met ridders, want, en dan gaat zij ineens over op de Duitse taal:

'Dû bist mîn, ich bin dîn:
des solt dû gewis sîn.
dû bist beslozzen
in mînem herzen:
verlorn ist daz slüzzelîn:
dû muost immer drinne sîn.'

Als ten gevolge van de Kruistochten ook de ridders wat vrijer en 'hoofser' worden, ontwikkelt zich: de hoofse minnebrief, de salut d'amor, gericht tot een in het geheim beminde, getrouwde dame. Het volgende lied uit Willems 'Oude Vlaamse Liederen' zinspeelt daarop:

Daar was een sneeuwwit vogeltje
Al op een stekendorentje (din don).

'Wilt gi mijnheer de bode zijn?'
'Mijnheer de bood' wil ik wel zijn (din don).'

Hi nam den brief in zinen bek,
Hi vloog er mee tot over 't hek (din don).

Hi vloog er mee tot zijns liefs deur:
'En slaap je, of waak je, of zijt gi dood? (din don).'

''k En slape noch 'k en wake niet,
Ik ben getrouwd al een half jaar (din don).'

'Zijt gi getrouwd al een half jaar!
Het dochte mi wel duzend jaar (din don).'

Het beroemdst in het genre liefdesbrief is de tragische briefwisseling uit de eerste helft van de 12e eeuw tussen Abaelard en Heloïse.
Pierre Abaelard (1079-1142), zoon van een Bretonse edelman, besloot op zestienjarige leeftijd een militaire loopbaan te laten schieten voor een leraarschap in filosofie en theologie. Al snel steeg zijn roem als uiterst scherpzinnig denker en debater. Maar na twintig jaar raakte hij verliefd op het vijftienjarige nichtje van een Parijse kanunnik. Nu diende een leraar in genoemde vakken te behoren tot de geestelijke stand: een huwelijk was dus uitgesloten, wilde hij althans zijn vak waarmee hij zoveel succes oogstte, blijven uitoefenen. Hij wist het toen zo te regelen dat hij een kamer kreeg in het huis van genoemde kanunnik en tegelijk het toezicht op de studie van het meisje. Al spoedig ontwikkelde zich een hartstochtelijke verhouding - Abaelard schreef liefdesliedjes in plaats van filosofisch werk - tot oom er achter kwam en hem het huis uitzette. Maar omdat Heloïse intussen zwanger was geraakt, schaakte hij haar op een avond en bracht haar in veiligheid bij zijn zuster in Bretagne, waar zij beviel van een zoon. De familie van Heloïse zon op wraak. Op een nacht werd Abaelard in zijn bed overvallen en ontmand. Beschaamd en ontredderd trok hij zich terug in een klooster, nadat hij ook Heloïse zover had gekregen dat zij hetzelfde deed, overigens tegen haar zin. Via brieven bleven de twee in contact met elkaar.
Zij liggen naast elkaar begraven op het kerkhof Père Lachaise in Parijs.

De burgerlijke middeleeuwen: twaalfde tot veertiende eeuw

De opkomst van de steden en van de burgerij, die in Italië begon, vond zijn weerslag in de briefschrijfkunst. Ook leken maken zich nu de Latijnse taal eigen en willen haar voor handels- en andere doeleinden gaan benutten. Naast professionele briefschrijvers op wier diensten men een beroep kon doen, verschenen er ook handleidingen met briefmodellen voor alle rangen en standen en voor alle mogelijke doeleinden. De taal was nog wel het Latijn, zij het een eenvoudig Latijn (simplex sermo), niet dat van Cicero en de kerkvaders.
De brief, die tot dan toe voorbehouden was aan de priesterstand en het bestuurlijk apparaat, kwam zo binnen het bereik van de burger, mede doordat het perkament sinds de 13e eeuw werd vervangen door het goedkopere papier, dat via Chinese krijgsgevangenen in West Europa bekend werd.

Opvallend in deze periode zijn de brieven van mystici, waarin zij de buitenwereld deelgenoot willen maken van hun geestelijke ervaringen. Deze brieven vormen als het ware de geestelijke voortzetting van de minnebrieven. Ook hier zien wij weer vrouwen naar voren komen. En ook hier valt weer het gebruik op van de eigen landstaal in plaats van het Latijn. In ons land dienen zeker te worden vermeld de in Middelnederlands geschreven brieven, in rijm en in proza, van zuster Hadewych.

De brief sinds de middeleeuwen

De Renaissance, het eerst in Italië begonnen, voltooit het proces dat in de late middeleeuwen begon. Immers als ook de volkstaal in de officiële wereld zijn volwaardige plaats krijgt, is in principe voor iedereen (en niet alleen voor de latinisten) de mogelijkheid geschapen om zich per brief tot anderen te richten. In principe, want de werkelijkheid blijkt weerbarstiger. Het Latijn zal zich namelijk tot in de 18e eeuw weten te handhaven als de taal van wetenschap en kerk, terwijl met name in de 17e eeuw het Frans de sociale briefcultuur zal gaan beheersen. Pas als met Sentimentalisme en Romantiek (18e/19e eeuw) de natuurlijkheid tot een doorbraak komt, is het proces dat met de late middeleeuwen begon, definitief tot voltooiing gebracht. Pas dan zal de brief weer zijn, wat zij al bij de Grieken was: een ontmoeting, een gesprek tussen twee personen.

Renaissance en Humanisme

Vanaf ongeveer het midden van de 14e eeuw verschijnen er in Italië brieven in de volkstaal; bekend zijn onder andere de brieven van Machiavelli. Frankrijk en Duitsland volgden. In het Duitse taalgebied vormden de brieven van de kerkhervormer Luther (1483-1546) een hoogtepunt van de briefschrijfkunst in de volkstaal. Tegelijkertijd maakten humanisten als Petrarca en Erasmus de in Ciceroniaans Latijn geschreven brief tot internationaal wetenschappelijk communicatiemiddel.

Barok en Classicisme

Bleef de Latijnse brief dus voorlopig het schriftelijk contactmiddel voor wetenschap en kerk, in de 17e eeuw wordt het Frans de taal van hof en diplomatie. De hogere standen schreven elkaar elegante brieven in het Frans, hoffelijk en met gratie. Ze vormen tegelijk ook een spiegel van de samenleving van die tijd. Bekend zijn de brieven van Madame de Sévigné aan haar dochter in de Provence, een briefwisseling die ze 25 jaar volhield. Ofschoon niet bedoeld voor publicatie, worden deze brieven toch beschouwd als meesterstukjes in het 'genre epistolaire', die een treffend beeld geven van het leven in de hogere standen van haar tijd. In Engeland vond zij navolging in de brieven van Horace Walpole (1717-1797), die zijn brieven (42 boeken) wel van meet af aan voor publicatie bedoelde.
Ook filosofen gebruikten de brief als voertuig voor hun gedachten. Een voorbeeld hiervan is Pascal.

Verlichting en Sentimentalisme

Terwijl rationele verlichtingsfilosofen, zoals Montesquieu en Voltaire, de epistolaire traditie van Pascal voortzetten, baande in de 18e eeuw de beweging van het sentimentalisme, die meer vanuit het gemoed te werk ging, de weg voor de brief als ego-document, als de uitdrukking van eigen diepste gedachten en gevoelens. Dit leidde tot een neiuw literair genre: de briefroman. De eerste briefroman is van de Engelse schrijver Richardson: Pamela (1740). Het arme dienstmeisje Pamela wordt steeds door haar meester lastig gevallen. Zij geeft echter pas toe, als hij met haar trouwt. En zo wordt 'deugd' beloond. Twintig jaar later kwam Jonathan Swift (bij ons vooral bekend door Gulliver's reizen) met een satirische reactie, getiteld Shamela. [Dit is onjuist: de schrijver van Shamela is Henry Fielding. Dank je wel, Eric, voor de correctie!]
Richardson vond in ons land navolging in het werk van het bekende schrijfstersduo Betje Wolff en Aagje Deken. Zij schreven gezamenlijk de brievenroman: Sara Burgerhart (1782). Via de brieven van een aantal personen volgen we de ontwikkeling van de jonge en spontane Sara, die door 'verstandige' ouderen langs de klippen van de verleiding (in de gedaante van een obscuur heerschap) en dweperige vroomheid in de veilige haven van een degelijk huwelijk wordt geloodst.
Verder dienen genoemd te worden: Les liaisons dangereuses van Choderlos de Laclos (1782) en Die Leiden des jungen Werthers van Goethe (1774).

Romantiek en Realisme

In de 19e eeuw baande de Romantiek verder de weg naar natuurlijkheid en echtheid. Het proces dat - begonnen met de Renaissance - hier tot voltooiing komt, vindt misschien zijn beste formulering in de uitspraak van Lessing: 'Schreibe, wie du redest, so schreibst du schön.' Kortom, de door de Grieken en Romeinen geadviseerde gesprekstoon!
In de tweede helft van de 19e eeuw werd de briefstijl als gevolg van de ontwikkeling van natuurwetenschap en techniek zakelijker.
Ook deze eeuw kent grote briefschrijvers: onder andere Goethe, Van Gogh, Multatuli.

De twintigste eeuw

De neiging tot inkorting en verzakelijking zal zich met name na de Eerste Wereldoorlog in de briefstijl doorzetten en daar het uitvoerig beschrijven en vertellen gaan verdringen.
Alle briefgenres, die door de Grieken en Romeinen (verder) ontwikkeld zijn, vinden we terug in onze tijd: de lesbrief, de open brief (met als variant: de ingezonden brief), de dichterlijke brief, de brief als kader voor filosofische, politieke, religieuze of letterkundige uiteenzettingen, de zakelijke brief, de bestuurlijke brief, de literaire brief. En net als in de oudheid verschijnen er keer op keer briefverzamelingen van bekende personen. Maar de belangrijkste briefvorm blijft toch de persoonlijke brief, met het merkteken 'strikt privé' aan een bepaald persoon gericht en geschreven vanuit een concrete situatie. Het in de grondwet verankerde briefgeheim benadrukt het privé-karakter van de moderne brief.
Al hebben andere communicatievormen, zoals telefoon en fax, en al hebben steeds betere en goedkopere reismethoden de noodzaak tot schrijven verminderd, overbodig geworden lijkt de brief nog allerminst.

De 21e eeuw

Email heeft de brief populairder dan ooit gemaakt. …


 

Vier epistolografen vóór Plinius

Cicero

Het grote voorbeeld van persoonlijke brieven in de Latijnse literatuur vormt de bewaard gebleven brievencollectie van Marcus Tullius Cicero (106 - 43 v. Chr.), waarin zich bovendien een aantal antwoordbrieven bevindt. Cicero heeft zelf wel met plannen rondgelopen om de belangrijkste brieven te bewerken voor publicatie, maar is daar niet meer aan toegekomen; ze zijn pas na zijn dood uitgegeven. Het gevolg daarvan is dat de brieven zijn overgeleverd in de vorm waarin ze oorspronkelijk zijn geschreven: dus in een lossere stijl, die dicht tegen de spreektaal aanleunt, met toepselingen op eigentijdse gebeurtenissen en situaties, die bij de geadresseerde bekend worden verondersteld. Omdat Cicero tijdens zijn leven een belangrijke rol speelde in de Romeinse politiek, bieden zijn brieven dan ook de nodige informatie voor de geschiedschrijving over de jaren 68 - 43 v. Chr., maar uiteraard ook over wat de hogere standen van Rome in die tijd verder zoal bezighield.
Een goed voorbeeld van zo'n brief biedt de hieronder volgende brief uit het jaar 54 v. Chr., gericht aan Cicero's jongere broer Quintus, die op dat moment in Gallië verblijft als onderbevelhebber van Caesar. Cicero houdt zijn broer op de hoogte van de gebeurtenissen in Rome (het is een zeer onrustige tijd, met straatterreur van allerlei knokploegen); ook houdt hij een oogje op diens zaken, zoals de verfraaiing van zijn landgoed en de opvoeding van zijn zoon.

Rome, december 54
Marcus aan zijn broer Quintus

Wat Gabinius [Tegenstander van Cicero, zojuist teruggekeerd van zijn stadhouderschap in Syrië; wegens zijn bestuur daar aangeklaagd en vrijgesproken.] betreft, kon ik niets doen van wat jij mij zo vriendelijk hebt gesuggereerd; 'zowaar moge mij nu de aarde verzwelgen…' [Ilias VIII 150] Wat ik gedaan heb, heb ik, naar ieders mening, met de grootst mogelijke ernst en de grootst mogelijke mildheid gedaan. Ik heb hem niet in het nauw gebracht, maar het hem ook niet gemakkelijk gemaakt; ik ben een strenge getuige geweest, maar heb me verder rustig gehouden. De schandelijke en verderfelijke afloop van het proces heb ik zonder morren geaccepteerd; dat levert me nu tenminste eindelijk het voordeel op dat deze ellende voor de staat en de onbeschaamdheid van de brutalen, waar ik vroeger om uit mijn vel sprong, me nu niet eens meer raken. Niets is immers meer verdorven dan deze mensen en deze tijden. Aangezien er dus geen enkel plezier meer is te beleven aan de staatszaken, zou ik niet weten waarom ik me kwaad zou maken. Ik vind mijn genoegen in de literatuur, mijn studie, mijn vrije tijd en mijn buitenhuizen en vooral in onze jongens.
Alleen Milo [Knokploegleider in dienst van Pompeius, grote rivaal van Cicero's aartsvijand Clodius.] baart mij nog zorgen. Maar ik hoop dat zijn consulaat daar een einde aan maakt; daarvoor zal ik mij niet minder inspannen dan ik gedaan heb voor dat van mijzelf en jij zult van jouw kant helpen, wat je nu al doet. Hij staat er overigens nog niet eens zo slecht voor, als zijn kansen hem maar niet met geweld worden ontnomen; maar ik maak me zorgen over zijn vermogen. 'Hij gaat op onverdraaglijke wijze te keer' [Ilias VIII 355]: hij is van plan 300.000 sestertiën aan spelen te besteden. Zijn onbezonnenheid in dit ene opzicht zal ik proberen te matigen, zo goed ik kan, en het ligt in jouw mogelijkheden hetzelfde te doen.
Wat ik schreef over de roerige tijden die ik het komende jaar verwacht: het was niet de bedoeling dat jij dat in die zin zou opvatten dat ik persoonlijk word bedreigd, maar ik doelde op de algemene stand van zaken in de staat: ook al bekleed ik daarin geen enkele functie, toch kan ik er moeilijk onverschillig tegenover staan. Hoezeer ik echter wil dat jij voorzichtig bent bij het schrijven, mag je hieruit opmaken dat ik jou zelfs niet over die zaken schrijf die in de staat voor ieders ogen verloederen, om te voorkomen dat een brief van mij, als hij wordt onderschept, ook maar iemands gevoelens kwetst. Daarom moet je je vooral geen zorgen maken om mij persoonlijk; wat de staat betreft, weet ik hoezeer je altijd meeleeft.

Ik zie onze vriend Messalla [Vriend van Cicero, kandidaat voor het consulaat en bedreigd met een proces; hij is echter nog magistraat en kan zolang niet worden aangeklaagd.] al als consul: wanneer de verkiezingen worden gehouden onder leiding van een interrex, dan zonder een proces, wanneer ze worden gehouden onder leiding van een dictator, [Wanneer de consuls niet beschikbaar waren om leiding te geven aan de verkiezingen, werden die gehouden onder leiding van een interrex (een senator die om de vijf dagen werd afgelost) of een dictator; in het laatste geval verviel de onschendbaarheid van andere magistraten.] dan in ieder geval zonder gevaar: er bestaan geen haatgevoelens tegen hem, het warme pleidooi van Hortensius zal veel gewicht in de schaal leggen, de vrijspraak van Gabinius wordt beschouwd als een vrijbrief voor straffeloosheid. Tussen haakjes, over het aanwijzen van een dictator is nog steeds niets beslist. Pompeius is afwezig, Appius stookt, Hirrus treft voorbereidingen, er is sprake van talrijke interventies door de volkstribunen [de volkstribunen Appius en Hirrus ijverden voor de dictatuur van Pompeius.], het volk kan het niets schelen, de leiders willen niet, ik houd me rustig.
Voor het feit dat je me slaven belooft, ben ik je zeer dankbaar; ik ben inderdaad, zoals je schrijft, zowel in Rome als op mijn landgoederen slecht voorzien; maar zorg er alsjeblieft voor, mijn beste broer, dat als je iets op het oog hebt dat in mijn belang is, dat ook volkomen in jouw belang is en binnen je bereik ligt.
Over de brief van Vatinius [Vroegere tegenstander van Cicero, maar kort geleden door hem met succes verdedigd; hij heeft kennelijk een brief aan Caesar geschreven om Cicero bij hem zwart te maken.] heb ik gelachen; maar je moet weten dat hij mij met zoveel respect behandelt, dat ik zijn haatgevoelens niet alleen kan slikken, maar ook kan verteren.
Het epos op Caesar, dat je me aanspoort af te maken, heb ik afgemaakt en het is heel aardig geworden, voorzover ik het tenminste kan beoordelen; maar ik zoek een betrouwbare bode, opdat er niet hetzelfde mee gebeurt als met jouw Erigona [Door Quintus geschreven tragedie; blijkbaar is het door hem aan zijn broer gezonden exemplaar niet aangekomen.] , de enige voor wie de reis uit Gallië onder het bestuur van Caesar niet veilig was! Stel je eens voor dat ze niet zo'n goede hond had gehad! [Toespeling op de trouwe hond van Erigona, die zijn meesteres tegen alle gevaren bewaakte.]
Wat? Moet ik het huis laten afbreken? Maar het bevalt me met de dag beter, vooral de zuilengang beneden en de vertrekken daarvan worden mooi. Wat het Arcanum [Landgoed van Quintus.] betreft: dat is een project voor Caesar of, waarachtig, voor iemand met nog meer smaak; immers, die beelden, het sportveld, de visvijver en de Canopus [Nagebootste Nijlarm in de tuin van een villa.] is werk voor vele mannen als Philotimus [Architect, door Cicero hoog gewaardeerd.] , niet voor mannen als Diphilus [Architect, belast met de leiding van de bouwactiviteiten op het Arcanum, met wie Cicero niet zoveel opheeft.]. Maar ik zal er zelf naar toe gaan, het laten inspecteren en opdrachten geven.
Over het testament van Felix zou je je des te meer beklagen, als je alles wist. Want het stuk dat hij dacht te tekenen, waarin jou zonder enige twijfel een twaalfde deel wordt toegewezen, heeft hij in werkelijkheid niet getekend (het was een vergissing van hem en zijn slaaf Sicura); het testament dat hij niet wilde tekenen, heeft hij getekend. 'De duivel mag hem halen!', als wij maar gezond blijven.
Jouw zoon Cicero heb ik lief, zoals jij vraagt, zoals hij verdient en zoals ik verschuldigd ben; ik houd hem echter niet bij me, zowel om hem niet weg te halen bij zijn leermeesters als omdat zijn moeder het huis niet verlaat, zonder wie ik bang word van de vraatzucht van de jongen. Maar toch zijn we erg vaak samen.
Daarmee heb ik op alles geantwoord. Mijn zeer dierbare en beste broer, gegroet.

Cicero, Ad Quintum fratrem 3,7

 

Seneca

Van een heel ander karakter dan de brieven van Cicero zijn de Brieven aan Lucilius van Lucius Annaeus Seneca (4 v. Chr. - 65 na Chr.). Hier geen enkele toespeling op de actualiteit en evenmin uitwisseling van details uit het leven van vertrouwde vrienden. Over het hoofd van een werkelijk bestaande of gefingeerde Lucilius heen richt Seneca zich tot de lezer met een betoog waarin hij een aspect van zijn eigen stoïsche levensovertuiging belicht. Hij kiest voor de briefvorm om een direct contact tot stand te brengen tussen leraar en leerling. Hoewel Seneca de schijn ophoudt dat hij zich uitsluitend richt tot Lucilius, is het duidelijk dat de 'epistulae morales' van meet af aan voor publicatie waren bedoeld.

In de hier volgende brief (54) houdt Seneca een bespiegeling over de dood en het noodlot.

Beste Lucilius,

Mijn slechte gezondheid had mij een lang verlof gegeven; plotseling heeft deze mij overvallen. 'Van welke soort? / Op welke manier?' zeg jij. Helemaal terecht vraag jij (dat): zozeer is mij geen enkele (ziekte) onbekend. Toch ben ik als het ware aan één ziekte overgeleverd, waarvan ik niet weet waarom ik hem met een Griekse naam zou moeten noemen; voldoende treffend immers kan hij kortademigheid genoemd worden. Een aanval is echter zeer kort en gelijk aan een storm(vlaag): binnen een uur houdt hij gewoonlijk op. Wie blaast immers zijn laatste adem lange tijd uit?
Alle ongemakken of gevaren van het lichaam zijn door mij heengetrokken: geen schijnt aan mij lastiger. Waarom niet? Want iets anders, wat het ook is, is (gelijk aan) ziek zijn, dit is (gelijk aan) de geest geven. Daarom noemen de doktoren dit 'een voorbereiding op de dood.' Want die adem doet op een keer wat hij vaak heeft geprobeerd.
Meen jij dat ik deze dingen opgewekt aan jou schrijf, omdat ik (de dood) ontvlucht ben? Even belachelijk handel ik, wanneer ik mij over deze afloop verheug als over een goede gezondheid, als ieder die meent dat hij gewonnen heeft, wanneer hij de dag van het proces heeft uitgesteld. Ik ben echter ook juist bij benauwdheid niet opgehouden troost te vinden in blijde en dappere gedachten.
'Wat is dit?' zeg ik. 'Beproeft de dood mij zo vaak? Laat hij dat maar doen: maar ik heb hem lang geleden ervaren.' 'Wanneer?', zeg jij. Voordat ik geboren werd. De dood betekent niet bestaan. Hoe dit is, weet ik al: dit zal ná mij zijn, wat vóór mij is geweest. Als er iets van hevige pijn hierin is, dan is het noodzakelijk dat deze ook geweest is, voordat wij tevoorschijn kwamen in het (dag)licht; maar toch hebben wij toen geen enkele kwelling gevoeld.
Ik vraag je, zou jij iemand niet heel dwaas (kunnen) noemen, als hij zou menen dat het voor een lamp slechter is, wanneer zij uitgedoofd is, dan voordat zij wordt aangestoken? Ook wij worden zowel uitgedoofd als aangestoken: in die tijd ertussen ondergaan wij iets, aan weerszijden echter is diepe rust. Hierin immers, mijn Lucilius, als ik mij niet vergis, hebben we het bij het verkeerde eind, dat wij menen dat de dood volgt, terwijl zij zowel voorafgegaan is als zal volgen. Alwat vóór ons was, is de dood. Want wat maakt het uit of jij niet begint of ophoudt, wanneer van beide zaken dit het resultaat is: niet zijn/bestaan?
Met deze en dergelijke aansporingen - natuurlijk zwijgende, want er was geen plaats voor woorden - hield ik niet op mij toe te spreken. Vervolgens maakte langzamerhand die kortademigheid, die al begonnen was een gehijg te zijn, grotere pauzes en is afgenomen en uitgebleven. En nog steeds stroomt mijn adem niet op natuurlijke wijze, hoewel deze (kortademigheid) is opgehouden: ik voel een zekere aarzeling ervan en vertraging. Hoe die adem het ook zal willen, als ik maar niet vanuit mijn geest naar adem snak.
Wees wat mij betreft hiervan overtuigd: ik zal niet bang zijn in het aangezicht van mijn laatste ogenblikken, ik ben al voorbereid, ik denk niets over een hele dag. Prijs hém en volg hém na die er niet tegenop ziet te sterven, hoewel hij er plezier in heeft om te leven. Wat voor deugd is het immers om weg te gaan, wanneer je eruit gegooid wordt? Toch is er ook hier een deugd: ik word er weliswaar uitgegooid, maar dan wel alsof ik wegga. En daarom wordt een wijze er nooit uitgegooid, omdat er uitgegooid worden gelijk is aan het vandaar verdreven worden, vanwaar men tegen zijn wil weggaat: een wijze doet niets tegen zijn wil. Hij ontkomt aan de noodzakelijkheid, omdat hij datgene wil waartoe zij (hem) zal dwingen.
Gegroet.

 

Horatius

Terwijl men van Seneca kan zeggen dat zijn brieven tenminste nog voldoen aan de formele criteria voor een brief (een geadresseerde op wiens correspondentie - zogenaamd - gereageerd wordt, proza dat aanleunt tegen de spreektaal), is dat bij de Latijnse brieven in dichtvorm niet het geval.
Deze brieven houden zich weliswaar in zoverre aan de briefvorm dat ze een geadresseerde hebben van wie men mag aannemen dat het in de brief besprokene hem aangaat of hem interesseert. Maar in plaats van in eenvoudig proza zijn de brieven geschreven in verzen met het daarbij behorende dichterlijke taalgebruik. De briefvorm is kennelijk door de dichter gekozen om zich, net zoals bij Seneca het geval was, via de geadresseerde op min of meer vertrouwelijke toon tot zijn publiek te richten. De Brieven van Quintus Horatius Flaccus (65 - 8 v. Chr.) sluiten dan ook goed aan bij zijn Satiren (gedichten over van alles en nog wat) en zijn in dezelfde versmaat geschreven. In zijn Brieven spreekt Horatius over allerlei zaken die hem na aan het hart liggen. Dat kan de dichtkunst zijn, zoals in de brief aan de Pisones, beter bekend als de 'Ars Poetica', maar ook over meer alledaagse dingen, zoals in onderstaande brief. Horatius spreekt hier zijn 'vilicus' toe, de slaaf die het beheer voert over Horatius' villa en de daarbij behorende slaven. De vilicus zou zijn huidige functie graag verruilen voor een baantje in de stad, zoals hij dat vroeger heeft gehad. Horatius, die zich op dit moment zelf in Rome bevindt, schrijft hem een brief waarin hij het verzoek afwijst en uitlegt waarom.

Meier der bossen, van het landje dat mij tot mezelf laat komen,
dat gij te min acht, schoon bevolkt door vijf haardsteden* en [noot 1]
gewoon vijf vroede vaderen naar Varia* te zenden, [noot 2]
kampen wij wie het hardst de doornen uitrukt, ik uit mijn ziel of gij
uit het veld, en wie het beste af is, Horatius of zijn goed.
Hoewel ik opgehouden word door liefde en zorg voor Lamia*, [noot 3]
die zijn broer beweent; die om zijn weggerukte broeder treurt en
ontroostbaar is, voert mij toch mijn geest in gedachten naar ginds
en verlangt de slagboom te verbreken die de baan verspert.
Wie op het land leeft noem ìk gelukkig, gíj wie in de stad woont;
wien andermans lot behaagt, is het zijne vanzelf een gruwel.
Dwaas maakt elk ten onrechte zijn woonplaats een onverdiend verwijt;
de schuld ligt bij de geest, die nooit aan zichzelf ontkomt.
Als doe-al* haakte je in stil verlangen naar het land; [noot 4]
nu, als meier, hunker je naar de stad, de spelen en de baden.
Ik blijf mijzelf gelijk, zoals je weet, en vertrek bedroefd,
zo vaak beslommeringen die ik haat, mij naar Rome sleuren.
Wij hebben niet dezelfde smaak; daarin ligt het meningsverschil
tussen mij en jou; want wat jij verlaten en onherbergzame
steppen acht, noemt wie met mij meevoelt, liefelijk, en hij verafschuwt
wat jij mooi vindt. Een bordeel en een vettig spijshuis
wekken bij jou het verlangen naar de stad, zie ik, en het feit dat
dit hoekje vlugger peper en wierook voortbrengt dan druiven,
en er geen herberg in de buurt is die je wijn verschaffen kan,
noch een fluitspelende lichtekooi, op wier klanken
je, met zwaar gestamp op de grond, kunt dansen. En toch tob
je op bouwland, reeds lang door geen hak beroerd, en verzorg
je de uitgespannen os en voert hem het versgeplukte loof; als je
luiert brengt de beek nieuw werk bij regenval, als men haar
met veel dammen wijzen moet hoe de bezonde wei te sparen.
Welaan dan, luister, wat onze harmonie verstoort:
Wien ragfijne toga's sierden en glanzende haren,
wie, zo je weet, om niet de gierige Cinara* kon behagen, [noot 5]
wie vanaf de middaghoogte stromen Falerner* dronk, [noot 6]
die houdt nu van een kort maal, een slaapje bij de beek in het gras,
en schaamt zich niet gespeeld te hebben, wel het spel niet te staken.
Ginds doet niemand met schuinse blikken afbreuk aan mijn
geluk, of vergalt het met verborgen haat en nijd;
de buren lachen om mij als ik kluiten en stenen verzet.
Mét de slaven wil jij liever knauwen op een stads rantsoen;
je wenst met geweld tot hen te behoren; maar het gebruik
van hout en vee en tuin benijdt jou mijn sluwe stalknecht.
Het luie rund hunkert naar het zadel, het paard naar de ploeg;
laat elk met liefde, is mijn raad, het vak dat het kent beoefenen.

Noot 1: Op Horatius' landgoed zijn blijkbaar vijf pachters met hun families gevestigd.
Noot 2: De dichtstbijzijnde stad.
Noot 3: Vriend van Horatius.
Noot 4: Manusje van alles, dus de slaaf met de laagste positie van allemaal.
Noot 5: Dame van lichte zeden, voormalige vriendin van Horatius.
Noot 6: Wijn, geliefd om zijn kwaliteit.

Horatius, Epistulae I.14; vert. L. van de Laar



Ovidius

Ook de dichter Publius Ovidius Naso (43 v. Chr. - 18 na Chr.) heeft zich gewaagd aan het genre van de poëtische brief. Tot zijn jeugdwerken behoren de Heroides, gefingeerde brieven van heldinnen uit de Griekse mythologie aan hun geliefden. De andere collectie poëtische brieven van Ovidius wordt gevormd door de Epistulae ex Ponto (Brieven van de Zwarte Zee).
In het jaar 8 na Chr. werd Ovidius namelijk, naar het schijnt wegens zijn vrijmoedige liefdesgedichten en zijn niet onberispelijke levenswandel, door keizer Augustus verbannen naar het plaatsje Tomi (tegenwoordig Constanza in Roemenië) aan de Zwarte Zee. Een zware slag voor Ovidius, die het leven in de grote stad maar moeilijk kon missen. Vanuit zijn verbanningsoord stuurde hij gedicht na gedicht naar Rome, waarin hij zijn beklag deed over het ellendige leven in Tomi en smeekte te mogen terugkeren. Deze gedichten uit de ballingschap zijn gebundeld in twee collecties: de Tristia (Treurzangen) en de Epistulae ex Ponto. De laatstgenoemde verschillen eigenlijk alleen maar van de eerste doordat ze aan iemand geadresseerd zijn.
De onderstaande brief is gericht aan Ovidius' literaire vriend Atticus (overigens een ander dan degene met wie Cicero correspondeerde).

Ontvang uit kille Donaustreken dit bericht van Naso
en weet dat ik nog op je reken, Atticus.
Hoe zit het, wil je nog wel aan je arme makker denken
of is de aandacht van jouw kant wat uitgeblust?
De goden zijn toch niet zo wreed dat ik nu aan moet nemen
of het normaal moet vinden dat jij mij vergeet?

Vandaag en alle dagen staat jouw beeld mij hier voor ogen,
steeds meen ik in gedachten jouw gelaat te zien,
denk ik aan veel gesprekken over serieuze zaken
en ook aan al die blijde uren vol plezier.
Vaak leek de tijd te vliegen met uitvoerige verhalen,
vaak was de dag te kort voor wat ik zeggen moest,
vaak toeterden jouw oren van mijn pas-geschreven verzen
en werd een nieuw gedicht getoetst aan jouw kritiek.
Want wat jij goed vond, dacht ik, zou ook mijn publiek bevallen -
dat is de winst van vriendschap met haar zacht vermaan.
Zo werd mijn tekst bekrast en bijgevijld door vriendenhanden
en nooit is door jouw raad een kwade vlek ontstaan.
Men zag ons samen op het Forum, in de galerijen,
op straat en in theaterkringen, zij aan zij.
Kortom, mijn beste, onze band is sterk geweest als tussen
Achilles en Antilochus*, en ik vermoed [noot 1]
dat zelfs al dronk je bekers vol vergetelheid uit Lethe*, [noot 2]
je deze dingen nooit meer kwijt raakt uit je geest.
Nog eerder zullen najaarsdagen lengen, zal in juni
de nacht veel langer duren dan in wintertij,
zal Babylon niet heet zijn en de Zwarte Zee niet koud meer
en geurt een goudsbloem sterker dan een Paestum-roos*, [noot 3]
eerder dan dat jij onze samenwerking kunt vergeten.
Geen deel van mijn bestaan was mij zo aangenaam.

Zorg dus dat mijn vertrouwen niet bedriegelijk moet heten,
dat mijn geloof in jou geen dwaasheid blijkt te zijn
en wil je oude vrind beschermen door hem trouw te blijven
zolang dat kan en jij mij niet te lastig vindt.

Noot 1: Helden uit de Trojaanse oorlog en goede vrienden.
Noot 2: Bron in de onderwereld waaruit de doden dronken om hun vroeger bestaan te vergeten.
Noot 3: Paestum: stad in Zuid-Italië.

Ovidius, Epistulae ex Ponto II.4; vert. M. d'Hane-Scheltema


 

De brieven van Plinius

Een karakterisering

Van Plinius hebben wij tien boeken brieven over. De eerste negen boeken met in totaal 247 brieven heeft hij zelf uitgegeven, en wel in de periode tussen zijn consulschap in 100 na Chr. en zijn vertrek naar zijn provincie Bithynia-Pontus in 109/110. Het tiende boek, dat zijn correspondentie bevat met keizer Trajanus gedurende zijn gouverneurschap, is pas na zijn dood (111) geplubliceerd.
Terwijl de brieven in het laatste boek gerekend kunnen worden tot het bestuurlijke briefgenre, willen wij de brieven in de eerste negen boeken karakteriseren als behorend tot het genre van de literair verzorgde brief. Het zijn namelijk geen echte brieven, zoals Cicero ze schreef, bedoeld als privé-aangelegenheid tussen adressant en geadresseerde, maar in de woorden van Plinius zelf: gewone brieven, alleen wat zorgvuldiger geschreven: epistulae curatius scriptae. Hoogstwaarschijnlijk gaat het hier om eerder geschreven brieven, die hij later gedeeltelijk herschreven heeft om ze te publiceren, iets waartoe een vriend hem zou hebben aangespoord. Hiermee heeft Plinius binnen het briefgenre een geheel nieuw subgenre gecreëerd. Een tweede reden om brieven te schrijven en te publiceren heeft te maken met zijn beroep als advocaat. Hij vindt het een goede oefening, omdat in redevoeringen dikwijls historische of poëtische beschrijvingen (descriptiones) moeten worden ingelast.
Tenslotte, al zegt hij dat niet met evenzoveel woorden, heeft hij wellicht, net als op het gebied van de welsprekendheid, ook hier met zijn grote voorbeeld Cicero willen wedijveren. Van Cicero waren tenslotte ook brieven uitgegeven, zij het dan dat hij ze niet primair voor dat doel had geschreven.
Plinius besefte terdege dat hij in zijn stofkeuze beperkt was. Terwijl in Cicero's tijd een senator nog volop betrokken was bij het politieke besluitvormingsproces, lag in zijn tijd de beslissingsbevoegdheid praktisch geheel in handen van één man: de princeps. Plinius is dan ook zeer terughoudend (volgens sommigen zelfs laf) met het aansnijden van politieke onderwerpen en levert nooit kritiek op een nog levende keizer. 'Nos quam angustis terminis claudamur perspicis' ('Je weet maar al te goed binnen welke enge grenzen wij ons moeten bewegen'), schrijft hij in één van zijn brieven. Maar afgezien hiervan bestrijken zijn brieven een breed scala aan onderwerpen, variërend van zeer alledaagse, zoals roddels in de stad of ontmoetingen met deze of gene, tot bespiegelingen over de zin van het leven. Je moet, zegt hij over dat laatste, als mens kiezen tussen eeuwige roem of genot, waarbij hij over zijn eigen keuze geen twijfel laat bestaan. Opvallend zijn zijn portretten van mensen die hij bewondert: mensen die hun ouderdom op waardige wijze weten te dragen of mensen die rustig kiezen voor de dood, als hun ziekte zonder uitzicht is, of een Nero of Domitianus hen daartoe dwingt. De enkele brieven in deze syllabus geven uiteraard geen voldoende beeld van deze inhoudelijke rijkdom.
Al met al bieden zijn brieven een goede kijk op het leven binnen het Romeinse rijk, gezien door de ogen van een uit de provincie afkomstige en niet tot de oude adel behorende grootgrondbezitter en senator. Ze zijn daarom zeer leesbaar, mede ook vanwege de uiterst verzorgde, op afwisseling en puntigheid gerichte stijl.

De stijl

De echte brief is informeel en heeft meestal geen hechte structuur, een redevoering daarentegen is bewust geconcipieerd. Dat is ook duidelijk aan het verschil in stijl te merken. Een Latijnse redevoering is geschreven in het kunstproza dat in die tijd speciaal daarvoor was ontwikkeld, een brief in de gewone spreektaal (sermo coridianus). De brieven van Cicero benaderen de spreektaal, zij het dan wel de spreektaal van 'betere' kringen.
Wanneer men echter bewust het schrijven van brieven als kunst gaat beoefenen, vervaagt dat onderscheid tussen retorisch kunstproza en informele briefstijl. We merken dat heel goed aan de brieven van Plinius. De informele stijl is bewust gearrangeerd, er gaat een weloverwogen opbouwpeincipe achter schuil, er worden duidelijk bepaalde stijlprocédés toegepast.
Zijn belangrijkste opbouw-, of compositiebeginslen zijn:
a per brief mag slechts één onderwerp behandeld worden (met enige verdedigbare uitzonderingen);
b een brief mag niet te lang zijn (met weer enige verdedigbare uitzonderingen);
c in veel brieven hanteert hij de ringcompositie: thema, uitwerking, bevestiging thema.
En wat de stijl betreft, die vormt een mengsel van eenvoudige spreektaal en poëtische woordkeus. Ook de eigentijdse voorliefde voor liefst paradoxaal geformuleerde sententiae (puntige uitspraken) is bijzonder goed merkbaar, om maar te zwijgen van de vele andere stijlfiguren. Zie bijgevoegde lijst van stijlfiguren.

Alfabetische lijst van stijlfiguren

Alliteratie: beginrijm
Twee of meer woorden beginnen met dezelfde medeklinker of klinker:
het is al kommer en kwel; rust roest; kort en klein
veni, vidi, vici

Anafoor: herhaling
Herhaling van hetzelfde woord of van dezelfde woordgroep aan het begin van twee of meer opeenvolgende zinnen, zinsdelen of versregels:
hier ben ik, hier blijf ik, hier sterf ik
Verres calumniatorem apponebat, Verres de causa cognoscebat, Verres pronuntiabat

Antithese: tegenstelling
Samenvoeging van twee tegengestelde gedachten of begrippen:
mijn en dijn; levend of dood; goed en kwaad
vicit pudorem libido, timorem audacia

Assonantie: klinkerrijm
Overeenkomst tussen lettergrepen van woorden op grond van gelijkheid van klinkers:
een boze droom is vervlogen
ik ben geboren uit zonnegloren
per aspera ad astra

Asyndeton: niet verbonden (vergelijk: polysyndeton)
Woorden, woordgroepen of zinnen worden zonder voegwoord naast elkaar geplaatst:
Caesar was veldheer, redenaar, schrijver, rokkenjager
haec eadem, Aenea, terram, mare, sidera iuro
alieni adpetens, sui profusus (vgl. ook antithese)
vivat crescat floreat

Chiasme: kruisstelling (afgeleid van de Griekse letter ?)
Van twee zinnen of zinsdelen zijn de overeenkomstige termen in tegengestelde volgorde geplaatst (a b : b a):
Denkend aan de dood kan ik niet slapen, en niet slapend denk ik aan de dood
odit populus Romanus privatam luxuriam, publicam magnificentiam diligit

Hendiadys: één door middel van twee
Nevenschikking in plaats van onderschikking: een attributief adjectief dat bij een substantief hoort, wordt door een nevengeschikt substantief uitgedrukt:
de weg loopt door groen en gras (i.p.v. het groene gras)
rust en vrede (i.p.v. vredige rust)
pateris libamus et auro
cum omnes ferrum pugnamque poscerent

Ironie: geveinsde onwetendheid, bedekte spot
Men zegt niet precies wat men werkelijk bedoelt, maar men overdrijft of drukt zich in een 'understatement' uit. Vergelijk de steeds weerkerende opmerking van Marcus Antonius in Shakespeare's Julus Caesar: 'And Brutus is an honourable man'.
helden die wij waren, wij sloegen op de vlucht (zelf-ironie)
C. Verres, praetor urbanus, homo sanctus et diligens

Klimax (gradatio): trap
Serie zinnen waarvan het eerste lid telkens (bij voorkeur) het laatste lid van de voorgaande zin opneemt; het geheel toont qua vorm of qua inhoud een stijgende lijn:
Africano virtutem industria, virtus gloriam, gloria aemulos comparavit

Litotes: eenvoud
(Vaak) sterke bevestiging door middel van ontkenning van het tegendeel:
niet slecht; niet in de laatste plaats
Men verkleint ogenschijnlijk iets (eenvoud), met de bedoeling het juist beter te doen uitkomen: minus dicere et plus significare:
non ignarus; haud incognitus; non semel

Metafoor: betekenisoverdracht (zie ook: vergelijking)
In plaats van het 'eigenlijke', gewone woord gebruikt men een ander woord, op grond van een betekenisovereenkomst, met de bedoeling te verduidelijken, te verlevendigen, te versterken of te verzwakken.
De metafoor kan gezien worden als een vergelijking waaruit het tertium comparationis (vergelijkingsgrond) en het vergelijkingspartikel (zoals, als) zijn weggelaten:
het is hier een zwijnenstal (i.p.v. dit lokaal is smerig)
aan de voet van de berg ('versleten' metafoor)
somno sepulti
classique immittit habenas

Metonymie: vervanging van het ene woord door het andere op grond van een bepaalde relatie die tussen beide woorden bestaat (hier valt niet de metafoor onder, omdat deze niet met een directe relatie tussen de betreffende woorden werkt, maar deze juist teweegbrengt).
De overeenkomst kan berusten op verschillende relaties zoals:
a. deel - geheel (pars pro toto) b. oorzaak - gevolg c. bewerker - product
a een vijfkoppige bemanning
b zijn tong verliezen
c Venus (i.p.v. liefde)
a limen i.p.v. domus
b bilis i.p.v. ira
c sudor i.p.v. labor

Paradox: tegen de verwachting
Een ogenschijnlijk ongerijmde uitspraak die een diepere waarheid blijkt te bevatten:
nog één zo'n overwinning en ik ben verloren
in summa avaritia sumptuosus, in summa infamia gloriosus

Parallellie (isokolon): gelijklopendheid
Zinnen beginnen en verlopen op dezelfde wijze en door deze syntactische herhaling wordt er een betekenisversterking nagestreefd:
wij gingen er op af en werden niet binnengelaten
zij gingen er op af en werden wel binnengelaten
et inimico proderas et amicum laedebas et tibi non consulebas

Paronomasia (annominatio): bijna-gelijknamigheid
Een woordspel met op elkaar gelijkende woorden; woordspeling:
varen … met groot gevaar
qui de huius urbis atque adeo de orbis terrarum exitio cogitant

Polysyndeton: veelvoudig verbonden (vergelijk: asyndeton)
Tenminste drie woorden, woordgroepen of zinnen worden naast elkaar geplaatst met tussen elk een voegwoord:
Caesar was een veldheer en redenaar en schrijver en rokkenjager
tectumque laremque armaque Amyclaeumque canem Cressamque pharetram

Praeoccupatio (anticipatio): tegenwerping vooraf
Men laat een denkbeeldige tegenstander al tevoren bezwaren maken, om de kans te krijgen deze vervolgens te weerleggen:
U zult misschien denken: dat is onmogelijk; ik beweer echter dat ik het al binnen een dag voor elkaar heb gebracht!
dixerit aliquis …

Retorische vraag (interrogatio): onechte vraag
Een retorische vraag wil geen antwoord, zoals een echte vraag, omdat het antwoord er al in besloten ligt:
bestaat er een mooiere tijd dan je studententijd?
quousque tandem abutere, Catilina, patientia nostra?

Sententia: gedachte
Spreekwoord of op een spreekwoord lijkende kernachtige gedachte met meestal een ethische inhoud:
niemand is in alle opzichten vrij
litterarum radices amarae, fructus dulces sunt

Trikolon: drieledige zin of zinsdeel
De opeenvolging van drie begrippen in 'stijgende' (soms ook 'dalende') lijn, wat betreft sterkte van hun betekenis of wat betreft hun lengte:
dief, rover, schurk!
sufferd, lelijke zwamneus, doorgedraaide mislukte oliebol!
Te Deum laudamus, Te Dominum confitemur, Te aeternum Patrem omnis terra veneratur

Vergelijking (similitudo)
Twee begrippen worden met elkaar in verband gebracht op grond van een bepaalde (onvermoede) overeenkomst:
hij krijgt een kleur als een boei
hij is zo sterk als een os / zo mak als een lammetje
ut pictura poesis
ut remiges sine gubernatore, sic milites sine imperatore nihil valere


Gebruikte bronnen en literatuur

Curiatius scripsi. Brieven van Plinius in de literaire traditie en in hun historische context. Harke Bremer e.a. (Uitwerking van de eindexamensyllabus 1992. Hermaion, Emmeloord, 1991)

www.livius.org (Jona Lendering)