|
Platoons Drinkgelag
Uit het Grieksch overgebracht
door
P.C. Boutens
W.L. & J. Brusse's
Uitgeversmaatschappij N.V.
Rotterdam MCMXXXI
[Typografisch verwerkt door Thijs de Haas;
bedankt, Thijs!]
Personen: Apollodoros, Glaukoon, gezellen van Apollodoros,
Aristodemos, Sokrates, Agathoon, Phaidros, Pausanias, Eryximachos, Aristofanes,
Alkibiades, tafelgenooten en slaven.
APOLLODOROS
[172] Het komt mij voor dat ik in het onderwerp waar gij naar vraagt,
een uitnemende vooroefening gehad heb. Immers, een paar dagen geleden
kwam ik van huis, van Phaleron, naar de stad gewandeld, toen een van
mijn bekenden mij vanachterop gewaar werd en nog op een afstand aanriep
en luidkeels schertsend zeide: ,,He daar, Phaleriër, Apollodoros,
kunt ge niet even wachten?" Ik bleef staan en wachtte hem op. ,,Al
sinds een tijdje, Apollodoros," zeî hij, ,,kijk ik naar u
uit met de bedoeling u eens nader te vragen, wat voor gesprekken over
Eroos het waren, die Agathoon, Sokrates, Alkibiades en de overigen die
met hen aan het avondmaal bijeenwaren, indertijd gehouden hebben. Iemand
anders, die het had van Phoinix, den zoon van Philippos, heeft mij er
al een soort van verslag van gegeven, en zeî dat ook gij er van
afwist. Ondertusschen was hij niet in staat iets nauwkeurigs meê
te deelen. Vertel gij het mij dus in alle bizonderheden. Want gij zijt
de meest aangewezen man om van uw vriends woorden verslag te doen. Maar
zeg mij eerst, waart gij zelf van de partij of niet?" - ,,Uw zegsman,"
antwoordde ik, ,,schijnt u heel geen juist denkbeeld van de zaak gegeven
te hebben, als gij meent, dat de feestelijkheid waarnaar gij vraagt,
kortgeleden plaats gehad heeft, zoodat ook ik erbij had kunnen zijn."
- ,, Ja, dat dacht ik." - ,,Hoe komt gij daaraan," zeide ik,
,,o Glaukoon? Weet gij niet dat Agathoon sinds vele jaren hier niet
in de stad geweest is ? Dat ik nu met Sokrates op-en-neêrga en
er mijn hoofdbezigheid van maak iederen dag op de hoogte te zijn van
wat hij zegt of doet, is nog geen drie jaar. Vóordien liep ik
rond waar het toeval wilde, [173] en dacht iets uit te voeren en was
er allerongelukkigs aan toe, niet minder dan gij nu, gij die denkt dat
men zich met alles eerder behoort bezig te houden dan met wijsbegeerte."
- ,,Maak nu geen gekheid," zeide hij, ,,maar zeg mij, wanneer die
bijeenkomst geweest is." Ik antwoordde: ,,Toen wij nog kinderen
waren, toen Agathoon met zijn eerste treurspel den prijs behaald had,
daags nadat hij saam met de koorleden het overwinningsoffer gevierd
had." - ,,Dan is het wel een heelen tijd geleden. Maar van wien
hebt gij het? Soms van Sokrates zelven?" - ,,Neen bij Zeus, maar
van denzelfden zegsman als Phoinix. Een zekeren Aristodemos, uit den
demos Kydathenaion, een klein mannetje, dat altijd ongeschoeid liep.
Hij was er persoonlijk bij geweest, daar hij, meen ik, toen ter tijd
een der grootste minnaars van Sokrates was. Evenwel heb ik ook Sokrates
al gevraagd naar enkele dingen die ik van hem gehoord had, en hij bevestigde
ze juist zooals de ander ze verhaalde." - ,,Wacht dan niet langer,"
zeî hij, ,,het op uw beurt aan mij te vertellen. Onze weg naar
stad is alleszins geschikt om al wandelend te verhalen en te luisteren."
Zoo hebben wij dan onder 't loopen onze gesprekken daarover gevoerd,
zoodat ik, wat ik begon te zeggen, niet zonder vooroefening ben. Als
ik nu ook aan u deze dingen nog eens moet verhalen, berust ik daar gaarne
in. Want zoo vaak ik òf zelf spreek over wijsbegeerte òf
anderen daarover spreken hoor, doet mij dat toch al, afgezien van het
nut dat ik eruit meen te trekken, met bovenmatige vreugde aan. Maar
zoo vaak ik eenige andere gesprekken aanhoor, vooral die van u, rijken
en geldmannen, erger ik mij bij mijzelf en heb medelijden met u mijne
vrienden, omdat gij meent iets uit te richten zonder iets te doen. En
allicht meent gij van uwen kant, dat ik er maar armzalig aan toe ben,
en ik meen dat gij daarmeê waarheid meent. Ik evenwel meen het
niet van u, maar weet het zeker.
APOLLODOROS' GEZEL
Altijd zijt gij aan uzelf gelijk, o Apollodoros. Want voordurend spreekt
gij kwaad zoowel van uzelf als van de overigen, en het lijkt mij, dat
gij, met uzelf te beginnen, eenvoudigweg alle menschen voor rampzalig
houdt uitgezonderd Sokrates. En waarvandaan gij indertijd uw bijnaam
van ,,de Dolleman" gekregen hebt, ik weet het niet - in uw redevoeringen
toch zijt gij steeds van die kracht, en gaat te keer tegen uzelf en
tegen anderen met uitzondering van Sokrates.
APOLLODOROS
Wel mijn waarde vriend, het is toch duidelijk, dat ik om zulk een opinie
te kunnen hebben omtrent mijzelven en ulieden, dol en krankzinnig moet
zijn?
TWEEDE GEZEL
Het loont de moeite niet, Apollodoros, om nu daarover te twisten. Maar
wat wij u verzochten, doe dat, en verhaal ons, welke gesprekken dat
geweest zijn.
APOLLODOROS
Die gesprekken waren dan als ik ga zeggen... Of liever, ik zal van het
begin af, zooals Aristodemos het mij verhaalde, op mijn beurt trachten
het u te verhalen. [174]
Hij zeide dan, dat hij Sokrates tegengekomen was versch uit het bad
en met sandalen aan, wat zelden bij hem voorkwam, en dat hij hem gevraagd
had, waarheen hij op weg was, dat hij zich zoo mooi gemaakt had. ,,Ter
maaltijd naar Agathoon," zeide Sokrates. ,,Want gisteren bij gelegenheid
van het overwinningsoffer heb ik mij achterbaks gehouden uit vrees voor
een overgroot gezelschap; maar ik heb beloofd vandaag zijn gast te zijn.
Daarom heb ik mij opgeknapt om schoon te gaan tot eenen schoone. Maar
hoe denkt gij erover om ongenood ter maaltijd meê te komen?"
- ,,Zooals gij goed vindt," had Aristodemos geantwoord. - ,,Kom
dan meê ; zoo zullen wij het spreekwoord verdraaien door een nieuwe
toepassing, dat bij Agathoon, in plaats van bij de uitnemenden, de uitnemenden
ongenood ter maaltijd komen. Homeros toch schijnt dat spreekwoord niet
alleen te verdraaien, maar zelfs geheel te ontwrichten. Want Agamemnoon
bezingt hij als een bizonder uitnemend man in den oorlog, Menelaos als
een flauwhartig lansstrijder. Maar bij een offermaaltijd, dien Agamemnoon
houdt, verhaalt hij dat Menelaos ongenood op het festijn komt, de mindere
op den maaltijd van zijn betere." Daarop had Aristodemos gezegd:
,,Misschien zal ook ik, niet naar uw, maar naar Homeros' zeggen, o Sokrates,
den schijn heben van als een nietswaardige ongenood te komen tot het
feestmaal van een wijs man. Bedenk dus wel, wat gij tot uw verontschuldiging
zult aanvoeren, wanneer gij mij meêneemt. Want ik zal niet willen
weten, dat ik ongenoodigd kom, maar zeggen dat gij mij genood hebt."
- ,,Eenmaal samen op weg zullen wij met elkaêr beraadslagen, wat
wij zullen zeggen. Maar laten wij nu gaan."
Na een gesprek van dien aard waren zij op weg gegaan. Sokrates nu was
eenigszins in zichzelf gekeerd en bleef onderweg telkens achter, en
wanneer hij op hem wilde wachten, verzocht hij hem vast door te loopen.
Toen zij aan het huis van Agathoon waren gekomen, vonden zij de deur
open, en daar was, zeî hij, een vermakelijk ding gebeurd. Want
hem was dadelijk van uit huis een slaaf tegemoet gekomen en had hem
gebracht waar de overigen aanlagen, en dezen vond hij reeds op het punt
te gaan eten. Zoodra Agathoon hem gewaar werd, zeide hij: ,,O Aristodemos,
gij komt juist op tijd om met ons meê te eten. Als gij voor iets
anders gekomen zijt, stel dat uit tot een anderen keer; want gisteren
ook al heb ik u gezocht om u uit te noodigen, maar ik kon u niet in
het oog krijgen. Maar hoe komt het dat gij Sokrates niet meêbrengt?"
En ik, vertelde hij, keer mij om en zie nergens Sokrates achter mij.
Ik zeide dus, dat ik juist samen met Sokrates gekomen was, daar hij
mij hier ten eten had gevraagd. ,,Daar heb gij wel aan gedaan, maar
waar is hij?" - [175] ,,Daarnet kwam hij achter mij aan naar binnen;
het bevreemdt mij evenzeer als u, waar hij kan zijn." - ,,Ga dadelijk
kijken," had Agathoon tot een slaaf gezegd, ,,en breng Sokrates
binnen. En wilt gij, Aristodemos, naast Eryximachos gaan aanliggen?"
Terwijl de daartoe aangewezen slaaf zijn voeten wiesch, dat hij zou
kunnen gaan aanliggen, kwam een andere slaaf met de boodschap:,,Sokrates
staat ginds terzij geweken in het voorportaal der buren, en wil niet
binnenkomen op mijn verzoeken." - ,,Wat malle boodschap,"
zei Agathoon, ,,roep hem nog eens, en laat hem niet gaan." - ,,Doe
dat vooral niet," had Aristodemos gezegd, ,,maar laat hem begaan.
Want dat is zoo zijn gewoonte. Nu en dan zondert hij zich af waar het
uitkomt, en blijft daar staan. Hij zal ieder oogenblik komen, denk ik.
Stoort hem dus niet, maar laat hem met rust." - ,,Dan moet het
maar zoo," zei Agathoon, ,,als gij dat beter vindt. Doch ons overigen,
o slaven, kunt gij onderhand te eten geven. Gij hebt de gewoonte volslagen
op te disschen wat u in het hoofd komt, wanneer men eens nalaat u onder
toezicht te houden. Wat ik nog nooit in praktijk gebracht heb. Denkt
dus ditmaal, dat zoowel ik als deze overigen door u ter maaltijd zijn
genoodigd, en verzorgt ons zóo dat wij u kunnen prijzen."
Daarop waren zij gaan eten, maar Sokrates daagde niet op. Agathoon wilde
herhaalde malen bevel geven hem te halen, doch Aristodemos kwam er telkens
tegen op. Hij bleef ten slotte korter tijd weg dan zijn gewoonte was,
en verscheen toen zij vrijwel midden in 't maal waren. Agathoon nu,
die alleen aan 't ondereind der tafel lag, zeide: ,,Kom hier naast mij
aanliggen, Sokrates, opdat ik, in aanraking met u, ook van de wijsheid
voordeel trekke, die gij in het voorportaal hebt opgedaan. Want klaarblijkelijk
hebt gij gevonden wat gij zocht, en bevat het nu; want gij zoudt niet
eerder vandaar zijn opgebroken." Sokrates zette zich neêr
en zeide: ,,Dat zou heerlijjk zijn, o Agathoon, als wijsheid iets van
dien aard was,dat zij door lichamelijke beroering uit den vollere in
den leêgere van ons overstroomde, zooals het water in de bekers,
dat door den wollen draad uit den volleren in den leêgeren loopt.
Want als het met wijsheid ook zoo gaat, stel ik er hoogen prijs op naast
u te mogen aanliggen. Want ik denk dat ik van uit u met vele en schoone
wijsheid zal gevuld worden. Mijne wijsheid is toch zeker maar een duistere
en betwistbare, als droomwijsheid, maar de uwe eene helderstralende
en sterke lichtkracht ontwikkelende. Immers, hoewel gij nog zoo zeer
jong zijt, is zij voorgisteren van u uitgestraald en tot heldere openbaring
geworden in de tegenwoordigheid van meer dan dertig duizend Hellenen-getuigen."
- ,,Een spotter zijt gij, o Sokrates," zeî Agathoon. ,,Deze
kwestie omtrent wijsheid zullen wij even goed straks onder ons beslechten,
met Dionysos als rechter. Doch wijd nu eerst uw aandacht aan den maaltijd."
[176] Daarop, vertelde hij, ging Sokrates aanliggen, en toen hij en
de anderen afgegeten hadden, en zij de plengingen hadden verricht en
ter eere van den god den lofzang gezongen en de herkomstige ceremoniën
volbracht, gingen zij tot drinken over. Toen nu deed Pausanias een voorstel
als volgt: ,,Wel, mannen, op welke wijze zullen wij minst bezwaarlijk
drinkgelag houden? Ik moet u zeggen, dat ik mij werkelijk zeer onbehagelijk
gevoel ten gevolge van ons drinken van gisteren en noodig heb eenigszins
op mijn verhaal te komen, en de meesten van u, denk ik, eveneens. Want
gij waart er gisteren ook bij. Overweegt dus, op welke wijze wij zoo
behagelijk mogelijk zullen drinken." Aristofanes zeide daarop:
,,Daar hebt gij gelijk in, o Pausanias, dat gij in elk geval eenige
zachtzinnige wijze van drinken voorbereidt. Ik behoor ook zelf tot de
gisteren gedoopten." Op het hooren hiervan zei Eryximachos, de
zoon van Akoemenos: ,,Dit is een goed voorstel. Maar éen ding
zou ik nog willen weten. Hoe voelt zich Agathoon opgelegd voor flink
drinken?" - ,,Heelemaal niet," antwoordde deze, ,,ik gevoel
mij zelf ook niet flink." - ,,Dat zou, lijkt het, een buitenkansje
voor ons zijn, voor mij en Aristofanes en Phaidros en dezen hier, wanneer
gij die het best tegen drinken kunt, er nu genoeg van hebt; want wij
zijn altijd zwakke broeders. Sokrates laat ik buiten bespreking. Die
is tot beide berekend, zoodat het hem om 't even is, wat van tweeë
wij doen. Daar dus niemand van de aanwezigen geneigd schijnt veel wijn
te drinken, zal ik nu misschien, zonder onaangenaam te zijn, de waarheid
kunnen zeggen omtrent den invloed van het zich bedrinken. Ik ben namelijk
op geneeskundige gronden tot zekerheid gekomen, dat dronkenschap voor
de menschen bepaald schadelijk is. Ik zou uit eigen beweging er nooit
toe komen er maar op los te drinken, en zou dat ook een ander niet aanraden,
vooral als men nog in den naroes is van den vorigen dag." - ,,Ik
voor mij," nam toen Phaidros uit den demos Myrrhinoes het woord,
,,pleeg steeds uw voorschriften te volgen, vooral geneeskundige. En
nu, als zij zich goed beraden, ook de overigen." Na deze woorden
kwamen allen overeen, bij dit samenzijn niet te drinken om dronken te
worden, maar ieder naar zijn genoegen.
,,Aangezien dan hiertoe besloten is," ging Eryximachos voort, ,,dat
ieder drinken zal zooveel hij wil, en er geheel geen dwang zal zijn,
stel ik verder voor de pas binnengekomen fluitspeelster te laten schieten.
Zij kan voor zichzelf gaan spelen of, als zij wil, voor de vrouwen binnen.
Maar laten wij vandaag den tijd korten met gesprekken. En ook wil ik
u, als gij het goedvindt, een voorstel doen omtrent den aard der gesprekken."
[177] Allen vonden dat goed en verzochten hem met zijn voorstel voor
den dag te komen. Toen zeide Eryxmachos: ,,Mijn aanhef is in den trant
van Euripides' Melanippe. Want het is niet mijn woord dat ik ga spreken,
maar van Phaidros hier. Phaidros namelijk zegt onophoudelijk in verontwaardiging
tot mij: ,,Is het niet verschrikkelijk, o Eryximachos, dat, terwijl
de dichters hymnen en lofzangen op ettelijke andere goden gemaakt hebben,
op Eroos, die een zoo oude en groote god is, van het zoo groote aantal
dichters uit het verleden ook niet éen nog ooit eenig prijsdicht
vervaardigd heeft? Wanneer gij aan den anderen kant kijkt naar de knappe
sofisten, schrijven die in proza wel den lof van Herakles en anderen,
zooals onze uitnemende Prodikos, - en dat is nog niet zoo erg verwonderlijk,
maar nu laatst trof ik een boek, waarin zout hoog geroemd werd met het
oog op zijn nuttigheid, en over zeer veel andere dergelijke zaken zou
men lofredenen kunnen vinden. Is het nu niet een schande, dat men over
zooonbeduidende zaken veel drukte maakt, terwijl nog niemand der menschen
tot op dezen dag zich de moeite getroost heeft Eroos op waardige wijze
te lofzingen, maar een zoo groot god zoo geheel veronachtzaamd is?"
Dit vind ik een juiste opmerking van Phaidros. Ik wensch derhalve ten
bate van Phaidros een inzameling te houden en zelf bij te dragen, en
vind dat wij tevens op het oogenblik niets passenders kunnen doen dan,
zooals wij hier bijeenzijn, den god te prijzen. Als gij het nu mede
goedvindt, zouden wij in praten een bezigheid voor den heelen avond
vinden. Ik stel namelijk voor, dat een ieder van ons, op de rij af van
links naar rechts, een lofrede houdt op Eroos zoo mooi als hij kan.
Phaidros moet de eer hebben van te beginnen, omdat hij op de eereplaats
aanligt en tevens de vader van het voorstel is." - ,,Niemand, o
Eryximachos," sprak Sokrates, ,,zal u hierin tegenstemmen. Want
noch zou ik, die toegeef van niets anders verstand te hebben dan van
Eroos en wat Eroos aangaat, hiertegen kunnen zijn, noch allicht Agathoon
en Pausanias, en ook Aristofanes wel niet, wiens heele leefbedrijf loopt
om Dionysos en Afrodite. En ook niemand anders van wie ik hier zie.
Alleen staat voor ons die onderaan aanliggen, de eisch niet gelijk.
Maar als onze voorgangers met hun schoone redenen het onderwerp uitputten,
moeten wij er maar het zwijgen aan toedoen. Laat voorhands Phaidros,
onder beste wenschen, een aanvang maken en Eroos prijzen." Al de
anderen stemden hiermeê in en sloten zich bij Sokrates aan. [178]
Al wat nu een ieder gesproken had, herinnerde Aristodemos zich niet
nauwkeurig, en ik weet evenmin nog alles wat hij mij vertelde. Maar
wat ik mij nog het best herinner, zal ik u mededeelen, en de redevoeringen
die mij het vermeldenswaardst leken, van ieder afzonderlijk. In de eerste
plaats dan, als gezegd, had Phaidros het woord genomen. Zijn aanhef
was om-en-bij, dat Eroos een groote god is en bewonderd bij goden en
menschen in vele andere opzichten, maar vooral betreffende zijn oorsprong.
,,Want dat hij verreweg de oudste der goden is," zeide hij, ,,is
eervol voor hem." Het bewijs hiervan: ouders van Eroos bestaan
niet noch worden vermeld door eenig prozaschrijver of dichter. Maar
Hesiodos zegt, dat eerst Chaos geweest is en daarna Borstbreede Aarde,
al schepsels onwrikbaar eeuwige woonplaats,
Eroos meteen...
Hij beweert dan, dat na Chaos deze twee ontstaan zijn, Aarde en Eroos.
En Parmenides vertelt van Genesis:
Eersten van alle de goden, verwekte de Genesis Eroos.
En met Hesiodos is Akoesilaos weêr eensluidend. Zoo stemt men
van vele zijden overeen, dat Eroos de alleroudste god is. Behalve nu
dat hij de oudste is, is hij ons oorzaak van de grootste goede gaven.
Want ik-voor-mij ben niet in staat te zeggen, welk een grooter goed
is al terstond in iemands jeugd dan een deugdelijk minnaar, en voor
den minnaar dan een deugdelijke beminde. Want wat door het geheele leven
leiden moet menschen die zich voornemen schoon te leven, dat kan noch
verwantschap zoo schoon inscheppen, noch eereposten, noch rijkdom, noch
iets anders als Eroos. Wat bedoel ik daar dan meê? Schaamte voor
het schandelijke, wedijver in het schoone; want buiten deze kan noch
een staat noch een eenling groote en schoone daden uitwerken. Ik betoog
dan, dat voor een man die bemint, wanneer hij wordt betrapt op het doen
van iets schandelijks of op het lijdelijk ondergaan daarvan, terwijl
hij uit lafheid zich niet verweert, het niet zoo smartelijk zal zijn
door zijn vader of door zijn vrienden of door iemand anders daarbij
gezien te worden als door zijn geliefde. En dit zelfde zien wij ook
van den geliefde, dat hij onderscheidenliijk zich schaamt voor zijn
minnaars, wanneer hij in een of ander schandelijks waargenomen wordt.
Indien er derhalve een middel op was, dat eene stad of een leger bestaan
zou uit minnaren en geliefden, zouden zij op geen andere betere wijze
kunnen samenleven dan door zich van alle schandelijks te onthouden en
daarin met elkaêr te wedijveren. En vereenigd slagleverende zouden
zoodanigen met hun weinigen om-zoo-te-zeggen alle menschen overwinnen.
[179] Want door zijn geliefde gezien te worden bij 't verlaten van zijn
post of het wegwerpen van zijn wapenen zou een minnaar immers veel minder
aandurven dan door alle anderen, en eer dan dat zou hij er de voorkeur
aan geven vele malen te sterven. En dan, om den geliefde in den steek
te laten of in gevaar niet bij te staan, zoo laf is niemand, of Eroos
zelf zou hem bezielen tot dapperheid, dat hij gelijk zou zijn aan den
van nature dapperste. In éen woord, wat Homeros zegt, dat sommigen
van de helden de god moed inblies, dat schaft Eroos den minnenden, dat
wordt in hen geboren uit hem.
Ook voor elkander sterven willen alleen die liefhebben, niet slechts
mannen, maar ook vrouwen. Hiervan legt o.a. de dochter van Pelias Alkestis
een voldoend getuigenis af ter bevestiging van deze mijne woorden voor
de Hellenen, doordat zij alleen voor haren man bereid was te sterven,
hoewel die vader en moeder had. Welke laatsten zij zooverre overtroffen
heeft in genegenheid uit oorzaak van hare liefde, dat zij hen vreemden
bewezen heeft aan hunnen zoon en slechts in naam zijn verwanten. En
daarmeê heeft zij zulk een schoone daden vericht niet alleen in
de schatting der menschen, maar ook der goden, dat de goden, die onder
de vele verrichters van vele schoone daden maar aan enkele wel-te-tellenen
dit geschonken hebben, hun ziel weêr uit Hades los te laten, hare
ziel hebben losgelaten uit bewondering voor haar daad. Zoo eeren ook
de goden hoogst ijver- en deugd-in-liefde. Maar Orfeus, den zoon van
Oiagros , zonden zij onverhoord uit den Hades terug. Zij hebben hem
een schijnbeeld getoond van zijn vrouw, die te halen hij gekomen was,
maar haar zelf hem niet gegeven, omdat hij hun, cytherspeler die hij
was, een lafling leek en een die niet van zich kreeg ter wille van zijn
liefde te sterven als Alkestis, maar listig doorgezet had levend in
den Hades binnen te dringen. Daarom hebben zij hem ook straf opgelegd,
en beschikt, dat hij door de handen van vrouwen den dood zou lijden.
Maar gansch anders hebben zij Achilleus geëerd, den zoon van Thetis,
en hebben hem naar de eilanden der gelukzaligen gezonden, omdat ondanks
zijn moeders verzekering, dat hij wanneer hij Hektoor doodde, zelf sneuvelen
zou, maar wanneer hij dezen niet doodde, naar huis gekeerd, oud van
dagen sterven, hij liever onderstaan heeft zijn minnaar Patroklos trouw
te blijven en te wreken en zoo niet alleen ter wille van hem te sterven,
maar hem in den dood achterna te sterven. [180] Daarvandaan dan ook
hebben de goden uit overgroote bewondering hem onderscheidenlijk geëerd,
omdat hij zijnen minnaar zoo hoog stelde. Doch Aischylos' bewering is
onzin, dat Achilleus Patroklos' minnaar zou zijn geweest, Achilleus,
die schooner was niet alleen dan Patroklos, maar dan de gezamenlijke
helden, en nog baardeloos, verder veel jonger, zooals Homeros het zegt.
Immers, al eeren de goden altijd wel deze deugd-in-liefde inderdaad
zeer hoog, meer toch bewonderen en vieren en beloonen zij, wanneer de
geliefde den minnaar aanhangt dan de minnaar den geliefde. Want goddelijker
is de minnaar dan de geliefde; want in hem is de god. Daarom hebben
zij ook Achilleus meer geëerd dan Alkestis door hem naar de eilanden
der gelukzaligen te zenden. Zoo dan beweer ik, dat Eroos van de goden
zoowel de oudste als de eerwaardste is, en oppermachtigst tot het verwerven
voor menschen van deugd en gelukzaligheid zoowel bij het leven als in
den dood."
Dat was ten-naaste-bij de redevoering van Phaidros, en na Phaidros hadden
eenige anderen het woord gevoerd, wier redenen Aristodemos zich niet
goed herinnerde. Die liet hij dus rusten, en gaf verslag van de volgende
rede van Pausanias:
,,Niet juist dunkt mij, o Phaidros, het onderwerp der rede ingeleid
zoo maar met de eenvoudige aankondiging van Eroos te lofzingen. Want
wanneer er maar éen Eroos was, zou dat volkomen voldoende zijn,
doch er bestaat er meer dan éen. En daar er meer dan éen
bestaat, is het juister vooraf aan te geven, wat voor Eroos men zich
tot taak stelt te prijzen. Ik zal derhalve trachten deze fout te vermijden,
en eerst zeggen, welken Eroos mijn taak is te prijzen, om dat eerst
dan op den god waardige wijze te doen. Wij weten allen, is het niet,
dat Afrodite niet bestaat zonder Eroos. Als er nu maar éene Afrodite
was, zou er maar éen Eroos zijn. Maar aangezien er twee zijn,
is het noodzakelijk dat ook Eroos dubbel is. Hoe toch zouden er niet
twee godinnen zijn? De éene, zeker wel de oudere, en niet uit
een vrouw geboren, de dochter van Oeranos, die wij dan ook Oerania,
de Hemelsche, bijnoemen, de tweede jonger en de dochter van Zeus en
Dione, die wij Pandemos, de Gemeene, heeten. Het is dan noodzakelijk
den éenen Eroos, die de handlanger der éene godin is,
den Gemeenen te noemen, en den anderen den Hemelschen. Prijzen in 't
algemeen behoort men wel alle goden te doen, doch hier moeten wij trachten
uit te leggen welke werkkring elk van beiden toegewezen is. Met iedere
handeling toch gaat het zóo: op zichzelf is zij noch schoon noch
leelijk. [181] Bijvoorbeeld wat wij nu doen, drinken, zingen, praten,
niets van die dingen is op zichzelf schoon, maar in het doen, naarwijze
het gedaan wordt, krijgt het die eigenschap. Want wat op schoone en
behoorlijke wijze wordt verricht, wordt schoon, maar wat niet op behoorlijke
wijze wordt gedaan, leelijk. Zoo is niet alle liefhebben en niet elke
Eroos schoon en waardig te lofprijzen, maar alleen die, welke ons op
schoone wijze aanspoort lief te hebben.
De Eroos nu, die behoort bij de gemeene Afrodite, is in der waarheid
gemeen, en werkt uit wat het toeval wil. En dat is de liefde waarmeê
de gemeenen onder de menschen liefhebben. Zich verlieven doen de zoodanigen
in de eerste plaats niet minder op vrouwen dan op knapen. Verder meer
op de lichamen dan op de zielen van die zij liefhebben; en dan beminnen
zij bij uitstek de minst begaafden, daar zij alleen in het oog hebben
het volvoeren der liefdedaad zonder zich te bekommeren omtrent schoon
of niet. Daarvandaan richten zij uit wat het toeval wil, onverschillig
iets goeds, en onverschillig het tegendeel. Dit is ook de Eroos, die
behoort bij de godin die veel jonger is dan de andere, en die in haar
afkomst deel heeft aan vrouwelijk en manlijk. Maar de andere Eroos behoort
bij Afrodite Oerania, welke geen deel heeft aan het vrouwelijke, maar
enkel aan het manlijke, en ouder is en vrij van lichtzinnigen overmoed.
Daarvandaan keeren zij die door dezen Eroos worden bezield, zich tot
het manlijke, daar zij het van nature meer krachtige en meer met verstand
bedeelde lieven. En gemakkelijk kan men juist in hun neiging tot knapen
diegenen onderkennen, die zonnezuiver door dezen Eroos zijn gedreven.
Want zij verlieven zich niet op jonge knapen, maar pas als zij reeds
verstand beginnen te krijgen, en dat is na aan het manbaar worden. Want
die vandaar aanvangen te beminnen, zijn naar mijn meening toegerust
om hun geheele leven samen te zijn en in gemeenschap met elkander te
leven. Maar zij kunnen niet iemand als kind in zijn dwaasheid verleiden
en hem later uitlachen en hard naar een ander wegloopen. Er behoorde
ook een wet te zijn, die verbood jonge knapen lief te hebben, opdat
niet veel goede wil in 't onzekere werd verspild. Want onzeker is het,
of het met een jongen knaap later goed of slecht zal aflopen zoowel
naar ziel als naar lichaam. De goeden nu stellen zichzelf uit eigen
verkiezing die wet, maar ook die andere gemeene liefhebbers behoorde
men tot iets dergelijks te dwingen, gelijk wij hen ook , zooveel als
wij vermogen, bij dwang verhinderen onze vrije vrouwen te verleiden.
[182] Want dezen zijn het die ook de verguizing dezer liefde veroorzaakt
hebben, zoodat enkelen durven beweren, dat het schandelijk is minnaars
ter wille te zijn. Zij zeggen dat met het oog op dezen, ziende hun ontijdigheid
en onbillijkheid. Immers, al wat naar schoonen regel en naar wet en
zede wordt verricht, zou billijkerwijze geen afkeuring kunnen wegdragen.
Wat nu de zede inzake deze liefde betreft, is die in de overige staten
gemakkelijk te begrijpen; want zij is eenvoudig-scherp afgegrensd. Maar
hier in 't land is zij bont-onzeker. In Elis immers en in Lakedaimoon
en bij de Boiotiërs, en overal waar zij niet knap in praten zijn,
heeft het gebruik eenvoudigweg schoon gesteld minnaars ter wille te
zijn, en niemand, oud of jong, zou daar beweren, dat het schandelijk
is, opdat, naar ik meen, zij geen moeite hebben bij hun pogen om de
jongeren te overreden, onmachtig als zij zijn tot redeneeren. Maar in
Ionia en op vele plaatsen elders geldt het voor schandelijk, bij allen
die onder heerschappij der barbaren leven. Want bij de barbaren vanwege
hun alleenheerschappijen geldt dit voor schandelijk evenzeer als de
liefde voor wetenschap en lichaamsoefening. Want de heerschers hebber
er, denk ik, geen belang bij, dat hooge gezindheden opkomen bij hun
onderdanen of krachtige vriendschappen en verbintenissen, wat boven
alle dingen ter wereld juist Eroos pleegt in te scheppen. Uit de daad
hebben dit ook de tyrannen hier in 't land geleerd. Want Aristogeitoons
liefde en Harmodios' genegenheid is zoo onwrikbaar geweest, dat zij
hun heerschapij heeft ten val gebracht. Zoo dan, waar het in het gebruik
schandelijk heet minnaars ter wille te zijn, geldt dit door zedelijke
slechtheid der instellers: door heerschzucht der machthebbers, door
lafhartigheid der onderdanen. En waar het eenvoudigweg
voor schoon gehouden wordt, door zieletraagheid.
Maar hier in het land is de zede veel schooner ingericht, en als ik
zeide, niet gemakkelijk te doorkennen. Bedenk eens. Men zegt dat het
schooner is, openlijk dan heimelijk zich te verlieven, en vooral op
de besten van afkomst en van aanleg, ook al zouden die leelijker dan
de anderen zijn. Verder ondervindt de verliefde van alle menschen wonderlijk-veel
aanmoediging, niet als zou hij iets schandelijks doen. Als hij den geliefde
wint, is dat een eer voor hem, als hij hem niet wint, een smaad. Om
hem te winnen, staat het gebruik den minnaar toe de buitensporigste
dingen te doen onder algemeene goedkeuring, dingen die niemand zou moeten
wagen om wat dan ook anders dan dit te bereiken of gedaan te krijgen
zonder de grootste blaam te oogsten. [183] Want indien iemand om geld
van eenig mensch te krijgen of om tot een ambt te geraken of eenige
andere machtstelling het goed zou vinden te doen wat minnaars doen tegenover
hun geliefden - hun smeekgebeden en voetvallen bij hun aanzoeken, hun
eeden, hun opwachtliggen aan de deuren, de slavendiensten waartoe zij
bereid zijn als zelfs geen geboren slaaf -, zou hij zich zoo te gedragen
verhinderd worden aan den éenen kant door het smalen van zijn
vijanden op zijn kruiperij en slaafschheid, aan den anderen kant door
de berisping en de schaamte zijner vrienden. Maar den verliefde die
dit alles doet, blijft de menschengunst bij, en bij zede is hem toegestaan
buiten blaam dit te doen, als bedreef hij een alschoone daad. En wat
het verregaandste is, krijgt, naar beweren der menigte, alleen hij vergiffenis
van de goden, zelfs wanneer hij een eed zweert en dien tebuitengaat.
Want een eed uit liefde zou niet als eed gelden. Zoo hebben, naar luid
der zede hier, zoowel goden als menschen den verliefde volkomen vrijheid
gelaten. Daaruit zou men de meening kunnen opvatten, dat het hier in
de stad voor alschoon gehouden wordt, zich te verlieven en zijn minnaars
te vriend te zijn. Maar de vaders stellen opzieners over hunne zonen
en verbieden dezen met hun minnaars te spreken, en hunne leeftijdgenooten
en gezellen bespotten hen, wanneer zij zien, dat zoo iets gaande is,
en de ouderen van dagen gaan die spotters niet tegen en wijzen hen niet
terecht als om ongegronde beweringen. Wanneer men hierop ziet, zou men
wêer meenen, dat zoo iets hier voor zeer schandelijk gehouden
wordt.
Maar het gaat hiermeê, meen ik, zóo. Het is niet eenvoudig
uit te maken. Zooals al in 't begin door mij gezegd werd: het is op
zichzelf noch schoon nog leelijk, maar als het schoon bedreven wordt,
schoon, en leelijk, leelijk. De leelijke wijze van iemand ter wille
zijn is, dat men dat een laag man is op lage wijze, en de schoone wijze
een edel man op edele wijze. De lage man is die bovenbedoelde gemeene
minnaar, die meer op het lichaam verliefd is dan op de ziel. Want die
is zelf niet standhoudend, daar hij zich op een niet standhoudend ding
verlieft. Want zoodra de lijfsbloei ophoudt, waar hij verliefd op was,
vliegt hij weg en verdwijnt, en maakt zóo vele betuigingen en
beloften te schande. Maar die van het karakter om zijn uitnemendheid
de minnaar is, blijft het leven door, daar hij immers met iets standhoudends
versmolten is. [184] Deze laatsten wil onze zede wel en schoon toetsen.
En daarom moedigt zij de éene partij aan in het vervolgen en
de andere in 't vluchten, en stelt een wedstrijd in en toetst, tot welke
van beide soorten de liefhebber behoort en tot welke de beminde. Om
die reden ook staat het als schandelijk te boek, in de eerste plaats
om zich algauw te laten winnen, opdat tijd tusschenbeide kome, die de
meeste dingen schoon te toetsen lijkt. Verder om zich onder invloed
van geld of politieke macht te laten winnen, hetzij men slecht behandeld
wordt en daar lijdelijk in berust, hetzij men zich laat weldoen en dit
niet gerinschat. Want niets hiervan lijkt hecht of standhoudend, afgezien
van het feit dat natuurlijk edele vriendschap uit deze dingen niet eens
kan ontstaan. Eén weg dan blijft naar onze zede over, wanneer
de geliefde den minnaar op schoone wijze ter wille zal zijn. Want evenals
het aan de liefhebbers stond iederen mogelijken vrijwilligen dienst
aan den geliefde te bewijzen zonder dat dat kruiperij of smaadverdienend
leek, zoo ook blijft daarnaast éene vrijwillige smaadvrije dienstbaarheid
der jongeren over. Dat is de dienstbaarheid die gaat om deugd. Want
bij ons is het zede, dat, als iemand een ander dienen wil in de meening
door diens toedoen uitnemender te worden in wijsheid of eenig ander
onderdeel van deugd, deze vrijslavernij niet schandelijk en geen vleidienst
wordt gerekend. Deze twee zedewetten behoort men dus te vereenigen,
die omtrent het liefhebben van knapen en die omtrent wetenschap en verdere
deugd, wanneer het een schoon samentreffen zal zijn, dat den minnaar
de beminde ter wille is. Want wanneer minnaar en beminde samenkomen,
elk met die wet als beginsel, de éen, dat hij den beminde die
hem ter wille is, billijkerwijze iederen mogelijken dienst behoort te
bewijzen, de ander, dat hij den man die hem wijs en goed maakt, billijkerwijze
in al 't mogelijke onderdanig behoort te zijn, en wanneer de éen
bijdragen kan tot ontwikkeling in verstand en de overige deugdelijke
eigenschappen, en de ander behoefte gevoelt maatschappelijke vorming
en andere kennis en wetenschap te verwerven, wanneer dus die twee beginselen
samenkomen, in dat samenvallen alleen is het schoon, dat de beminde
den minnaar ter wille zij, maar anders in geen geval.
Wanneer aan die voorwaarde voldaan is, is ook bedrogen uitkomen geen
schande, maar in alle andere gevallen draagt deze liefde schande voor
iemand, of hij bedrogen uitkomt of niet. [185] Want laat iemand een
minnaar, in de meening dat deze rijk is, ter wille zijn om zijn rijkdom,
en bedrogen uitkomen en er geen geld meê verdienen, doordat het
blijkt dat de minaar arm is, dan is dat niets minder schandelijk. Want
zoo een heeft, vindt men, voor zoover het aan hem lag, getoond, dat
hij voor geld tot welk dienstbetoon ook aan wien ook bereid is, en dat
is niet schoon. Overeenkomstig geredeneerd is ook, wanneer men iemand
ter wille is, in de meening dat het een goed man is en dat men zelf
daardoor uitnemender zal worden, en bedrogen uitkomt doordat hij slecht
blijkt te zijn, toch dat zelfbedrog schoon. Want ook deze heeft weêr,
vindt men, wat hem betreft, blijk gegeven, dat hij, om deugd te verwerven
en uitnemender te worden, alles voor een ieder zou overhebben. Dit is
weêr allerschoonst. Zoo is het allerwijzen schoon om het verwerven
van deugd iemand ter wille te zijn.
Dit is de Eroos die behoort bij de hemelsche godin en zelf hemelsch
is en van groote waarde voor staat en eenlingen, daar hij zoowel minnaar
als beminde dwingt zich ieder persoonlijk toe te leggen op deugd. Maar
elke andere Eroos behoort bij de andere godin, bij de gemeene. Dit,
o Phaidros, is wat ik zoo voor de vuist weg u kan bijdragen om trent
Eroos."
Nadat Pausanias pauze gemaakt had - de heeren der wetenschap leeren
mij zoo praten in gelijkvormige termen -, had, naar Aristodemos vertelde,
Aristofanes eigenlijk moeten spreken. Maar deze leed , omdat hij te
veel gegeten had of om eenige andere reden, onder een toevalligen aanval
van hik en was niet in staat het woord te voeren. Hij zeide dan (want
naastonder hem lag dokter Eryximachos aan): ,,o Eryximachos, gij zijt
verplicht òf mijn hik te doen ophouden òf mijn spreekbeurt
te vervullen tot hij vanzelf is opgehouden." En Eryximachos: ,,Wel,
ik zal beide doen. Ik namelijk zal spreken op uw beurt, en wanneer uw
hik over is, gij op de mijne. Onderwijl ik spreek, moet gij langen tijd
uw adem inhouden. Allicht gaat dan de hik over. Maar als het niet lukt
gorgel dan met water. En als hij erg hardnekkig is, neem iets om in
uw neus te kittelen tot gij niest. Als gij dat een- of tweemaal gedaan
hebt, zal de hik, al is hij nog zoo hardnekkig, ophouden." - ,,Begin
maar dadelijk met spreken," had Aristofanes gezegd. ,,En ik zal
uw voorschrift toepassen."
Eryximachos nam dan het woord: ,,Noodwendig is het voor mij, dunkt me,
daar Pausanias den uitnemenden aanhef van zijn rede niet voldoende heeft
uitgewerkt, te trachten aan die rede een passend slot toe te voegen.
[186] Want dat Eroos dubbel is, lijkt mij een schoonjuiste onderscheiding.
Maar omdat hij niet alleen voorkomt bij de zielen der menschen met betrekking
tot de schoonen, maar ook met betrekking tot vele andere dingen, en
in de overige dingen, zoowel in de lichamen van alle dieren als in wat
groeit op de aarde, en om-zoo-te-zeggen in al het bestaande, - daarom
ben ik uitgaande van de geneeskunst, ons vak, tot het inzicht gekomen,
dat hij een groot en bewonderenswaard god is en op alles invloed oefent
zoowel in menschelijke als in goddelijke aangelegenheden. Ik zal dan
bij mijn rede uitgaan van de geneeskunst om meteen ons vak te eeren.
De natuur der lichamen namelijk houdt dien dubbelen Eroos in. Want de
gezonde toestand van het lichaam en de zieke toestand zijn erkend verschillend
en ongelijk. Wat ongelijk is, heeft begeerte en liefde naar ongelijke
dingen. Bij den gezonde komt dus een andere Eroos voor dan bij den zieke.
Het is dan, zooals Pausanias zooeven zeide, schoon den goeden onder
de menschen ter wille te zijn, maar schandelijk den tuchteloozen. Zoo
ook in de lichamen zelve is het schoon en plicht den goeden en gezonden
neigingen ter wille te zijn, en dat doen heet geneeskundig, maar den
boozen en ziekelijken neigingen ter wille zijn is schandelijk, en deze
mag men niet inwilligen, wil men een goed vakman zijn. Want geneeskunde,
om haar in hoofdzaak te bepalen, is de kennis van de door Eroos opgewekte
begeerten des lichaams met betrekking tot vulling en lediging, en hij
die onder deze den schoonen en den schandelijken Eroos onderkent, dat
is de dokter bij uitnemendheid, en die hen doet omwisselen, zoodat met
den éenen Eroos in stêe van den anderen krijgt, en die
verstand heeft bij hen waar Eroos niet is, maar behoort te zijn, hem
in te scheppen, en hem wanneer hij er wel is, uit te nemen, dat zou
een goed praktizijn wezen. Want zoo een moet in staat zijn de meest
vijandige dingen in het lichaam bevriend te maken en tot elkaêr
in liefde te brengen. Vijandigst bedoelt hier de meest tegenovergestelde
dingen, koud tegenover warm, droog tegenover vochtig, en alle dergelijke.
Doordat nu onze voorvader Asklepios, zooals deze dichters hier zeggen
en ik volgaarne aanneem, de gave had dezen dingen liefde en eensgezindheid
in te scheppen, heeft hij onze kunst tot een geheel ineengezet.
De geneeskunst dan nu, zooals ik beweer, wordt geheel en al door tusschenkomst
van dezen god bestuurd, [187] en evenzeer de kunst der lichaamsoefening
en de landbouw. En van muziek is het ook een ieder duidelijk, wanneer
hij er ook maar weinig aandacht aan schenkt, dat het met haar juist
gesteld is als met die andere kunsten, zooals misschien ook Herakleitos
heeft bedoeld te zeggen. Want woordelijk drukt hij het niet juist uit.
Hij zegt namelijk dat de eenheid door met zichzelf oneens te worden
weêr met zichzelf een wordt, evenals de harmonische spanning van
een boog en van een lier. Groote dwaasheid is het van harmonie te zeggen,
dat zij met zichzelf oneens is of uit nog-oneensche dingen ontstaat.
Maar waarschijnlijk wil hij dit zeggen, dat zij uit vroeger wel oneensche
dingen, hoog en laag, ontstaan is, maar eerst nadat die later overeenkomstig
waren geworden door de kunst der muziek. Want natuurlijk zou uit hoog
en laag, zoolang zij oneens zijn, geen harmonie kunnen ontstaan. Want
harmonie is samenstemming, en samenstemming is een soort van overeenkomst.
Overeenkomst kan onmogelijk ontstaan uit oneensche dingen, zoolang zij
oneens zijn. En oneens en niet-overeenkomstig kunnen onmogelijk een
harmonie vormen, zooals ook de muziekmaat uit snel en langzaam, die
eerst oneens waren, pas nadat zij overeenkomstig waren geworden, ontstaan
is. De overeenkomst wordt aan al deze dingen, zooals bij de voorbeelden
van daarstraks door de geneeskunst, hier door de muziekkunst ingelegd,
doordat deze hun liefde en eensgezindheid tegenover elkander inschept.
En dus is ook weêr muziekkunst kennis van de door Eroos opgewekte
begeerten naar harmonie en maat. In het ontstaan nu zelf van harmonie
en maat is zonder moeilijkheid de invloed van Eroos te onderkennen.
Ook komt daarbij de dubbele Eroos nog niet voor. Maar wanneer men tegenover
de menschen maat en harmonie moet toepassen, hetzij om zelf te dichten
of te componeeren (wat zij lyrisch voortbrengen noemen), hetzij om een
doelmatig gebruik te maken van reeds bestaande liederen en wijzen (wat
opvoeding en vorming geheeten is), dan wordt het niet alleen moeilijk,
maar is er een goed deskundige van noode. Want daar keert dezelfde eisch
terug, dat men den zedelijk-uitnemenden der menschen ter wille behoort
te zijn, met het doel ook dat zij die dit nog niet zijn, zedelijk-uitnemender
worden, en dat men de liefde tot die eersten behoort te bewaren. Dit
is de schoone, de hemelsche Eroos, die behoort bij de moeze Oerania.
Maar de andere behoort bij Polhymnia en is de gemeene, welken men met
voorzichtigheid moet aanwenden bij wie men hem aanwendt, dat zij wel
genot van hem plukken, maar hij geen onvertogenheid inscheppe. Gelijk
het in ons vak een moeilijke taak is inzake de kookkunst een juist gebruik
te maken van de begeerten, zoodat men zonder gevaar van ziekte den lust
dier begeerten genieten kan.
Zoowel in muziek dan als in geneeskunst en in alle overige zoo goddelijke
als menschelijke aangelegenheden moet men voor zoover mogelijk is, deze
beide vormen van Eroos in 't oog houden; want zij zijn overal in. [188]
Immers ook de regeling der jaargetijden is vol van deze beiden, en wanneer
de dingen die ik zooeven noemde, het warme en het koude, het droge en
het vochtige, tegenover elkander in welgeregelde liefde zijn en harmonie
en verstandige menging aannemen, brengen zij een goed jaar meê
en gezondheid voor menschen en andere levende wezens en planten, en
richten geen schade aan. Maar wanneer de onvertogen Eroos de machtigste
wordt over de jaargetijden, verderft hij veel en richt schade aan. Want
zoowel de epidemische plagen plegen uit dergelijke toestanden te ontstaan,
als ook vele andere uiteenloopende ziekten zoo bij dieren als bij planten.
Immers, rijp en hagel en honingdauw ontstaan uit overheersching en onevenredige
verhouding tot elkander van diergelijke door Eroos verwekte neigingen,
wier wetenschap in betrekking tot den loop der sterren en de jaargetijden
astronomie wordt genoemd. Verder gaan ook alle offeranden en al wat
onder toezicht der waarzegkunst staat - en deze vormen de wederkeerige
gemeenschap tusschen goden en menschen - om niets anders dan het behoud
en de genezing van Eroos. Want alle onvroomheid pleegt dan te geschieden,
wanneer men niet den welbezadigden Eroos ter wille is en eert en hoog
houdt bij iedere daad, maar den anderen, zoowel betreffende ouders bij
hun leven en na hun dood als betreffende goden. Deze dingen zijn dan
ook onder het opzicht en de geneeskundige behandeling van de waarzegkunst
gesteld; en zoo is weêr de waarzegkunst de bewerkster van vriendschap
tusschen goden en menschen door hare kennis van de door Eroos bij de
menschen verwekte neigingen, voor zoover die te maken hebben met oorbaarheid
en vroomheid.
Zoo heeft dan Eroos in zijn geheel genomen vele en uitgebreide, of liever
in-éen-woord-gezegd alle macht. Maar in 't bijzonder heeft die
Eroos, die zich in bezonnenheid en gerechtigheid toelegt op het goede,
de grootste macht, en verschaft ons volslagen gelukzaligheid, daar wij
door hem met elkander kunnen omgaan en vrienden zijn zoowel van elkander
als van onze meerderen, de goden. Allicht sla nu ook ik bij mijn lofrede
op Eroos veel over, maar dan is het buiten mijn wil. Maar als ik iets
uitgelaten heb, dan is het uw werk, o Aristofanes, dat aan te vullen.
Of indien gij op eenige andere manier den god van plan zijt te prijzen,
prijs hem. Want ook is uw hik over."
[189] Aristofanes had derhalve het woord overgenomen, en zeide: ,,Zeker
is hij opgehouden, niet evenwel, vóor ik het niezen tegen hem
aangewend had. Zoodat ik benieuwd ben, of de bezadigde toestand van
het lichaam begeerte heeft naar zulke geruchten en keelgeluiden, waartoe
niezen behoort; want onmiddellijk hield hij op, toen ik het niezen tegen
hem aangewend had." - ,,Weet wel, mijn waarde," antwoordde
Eryximachos, ,,wat gij doet. Gij maakt mij belachelijk, nu gij zelf
op het punt zijt van te gaan praten, en dwingt mij een wachter te worden
van uw eigen rede, of gij iets belachelijks zult zeggen, terwijl het
u vrijstond in vrede te spreken." - Lachend zeî daarop Aristofanes:
,,Gij hebt gelijk, o Eryximachos; laat het door mij gezegde voor ongezegd
gelden. Houd mij, bid ik u, niet in uw wacht. Want ik ben bang voor
wat ik ga zeggen, niet, dat ik belachelijke dingen zal zeggen, - want
dat zou winst zijn en thuis behooren bij onze moeze - maar bespottelijke
dingen." - ,,Nu gij mij geraakt hebt, denkt gij ongedeerd te ontkomen,
o Aristofanes. Maar let op en spreek als iemand die rekenschap zal moeten
geven. Misschien evenwel, als het mij lust, zal ik u kwijtschelding
geven."
,,Welaan dan, o Eryximachos," had Aristofanes gezegd, ,,mijn plan
is vrijwel een-anderen-kant-op te redeneeren dan gij en Pausanias gedaan
hebt. Mij namelijk lijken de menschen Eroos' macht geheel niet bevroed
te hebben; want als zij dat deden, zouden zij voor hem de grootste heiligdommen
en altaren oprichten en hem de grootste offers brengen, niet zooals
nu, nu niets daarvan met betrekking tot hem gebeurt. Toch behoorde dat
boven-al te gebeuren. Want hij is van de goden de meest menschlievende
in zijn hoedanigheid van helper der menschen en geneesheer van die kwalen,
uit wier genezing voor het menschelijke geslacht wel de grootste gelukzaligheid
zou ontstaan. Ik zal derhalve trachten u in te wijden in zijn macht,
en gij zult daarna de leermeesters der overige menschen zijn.
Vooreerst behoort gij onderricht te worden in de menschelijke natuur
en hare lotgevallen. Onze oorsprongelijke natuur toch was niet dezelfde
als nu, maar van een andere soort. Want in het begin waren de geslachten
der menschen drie, niet zooals tegenwoordig, twee, manlijk en vrouwlijk,
maar er was ook nog een derde, dat uit die beide andere vereenigd bestond,
waarvan nu wel de naam over is, maar het geslacht zelf is verdwenen.
Toen namelijk bestond werkelijk het man-vrouwelijk geslacht, dat in
gedaante en naam uit de beide andere samengesteld was, terwijl het nu
niet anders meer bestaat dan als een schimpnaam. Verder was de gedaante
van elk mensch in haar geheel bolrond met rug en zijden in de ronde
doorlopend. En armen had elk vier en evenveel benen als armen en twee
geheel eendere gezichten op éen cirkelronden hals, [190] en op
de twee tegen-elkaêr-overstaande gezichten éen enkele hersenpan,
en ooren vier en schaamdeelen twee en al het overige naar men hieruit
kan afleiden. En hij liep ook al rechtop zooals nu, achter- en vooruit
zooals hij wilde; en wanneer hij hard begon te loopen, zette hij zich,
evenals buitelaars die hun beenen de lucht in gooien en zoo ronddraaiend
ombuitelen, op zijn acht ledematen van toen af en bewoog zich snel in
de ronde. Hierom nu waren hun geslachten drie en van dien aard, omdat
het manlijke oorspronkelijk van de Zon afstamde, het vrouwelijke van
de Aarde, en dat, dat aan beide deel had, van de Maan, naardat ook de
Maan aan beide, Zon en Aarde, deel heeft. Zij waren dan zelf bolrond
en hun gang was in de ronde wegens hun overeenkomst met hunne ouders.
In geweld en lichaamskracht waren zij vreeswekkend en hadden hooge gedachten
van zichzelven, en maakten zich op tegen de goden, en wat Homeros vertelt
van Efialtes en Otos, wordt van hen verhaald, dat zij trachtten een
opgang te maken naar den hemel om de goden aan te tasten.
Zeus nu en de overige goden overlegden, wat men met hen doen moest,
en wisten geen raad. Want het ging niet aan hen te dooden en hun geslacht,
evenals dat der Giganten, met den bliksem te treffen en zoo te vernietigen
- want dan zouden ook de eerbewijzen en offers van de menschen voor
hen verloren gaan, - en ook was het onmogelijk hen in zondigen opstand
te laten. Eindelijk had Zeus iets bedacht en sprak: ,,Ik geloof er een
middel op te weten, hoe de menschen kunnen blijven voortbestaan en tevens
op zullen houden met hun roekelooze baldadigheid, wanneer wij hen namelijk
zwakker maken. Ik zal hen voorloopig," zeide hij, ,, éen
voor éen in twee helften deelen. Zoo zullen zij niet alleen zwakker
zijn, maar ook dienstiger wegens hun grooter aantal. En zij zullen recht
op twee beenen wandelen. En wanneer het hun nog eens mocht invallen
opstandig te worden en zij zich niet rustig willen houden, zal ik hen
weêr opnieuw," zeide hij, ,,in tweeën deelen, zoodat
zij zich op éen been zullen voortbewegen als zakloopers."
Na deze woorden begon hij de menschen in tweeën te snijden zooals
men kwalsterbeziën vóor het inmaken doorsnijdt of eieren
met een haar. Hij gelastte Apolloon bij wien hij doorgesneden had, het
gezicht met den halven hals om te draaien naar de snede, opdat de mensch
door het voortdurend gezicht van ziijn doorgesneden lijf ootmoediger
zou zijn, en gelastte hem het overige te heelen. Deze draaide het gezicht
om en trok het vel van alle kanten samen naar den nu-genaamden buik,
evenals een koordbeurs, zoodat hij éen eindopening kreeg, en
bond die af midden op den buik in wat men nu den navel noemt. En de
overige plooien effende hij voor het meerendeel, [191] en de borst welfde
hij met zulk een instrument als de schoenmakers gebruiken, wanneer zij
om de leest de plooien van het leêr gladmaken. Maar eenige weinige
liet hij over, de plooien om den buik zelf en den navel als een aandenken
aan hun vroeger ongeval.
Nadat dan nu hun natuurlijk wezen in tweeë gesneden was, had elk
wee naar zijn eigen helft en zocht die op, en zij sloegen er de armen
omheen, en in elkaêrs omhelzing, in de begeerte om samen te groeien,
stierven zij van honger en andere werkloosheid der organen, omdat zij
niets afgescheiden van elkander wilden doen. Als éen van de helften
stierf en éen overbleef, zocht de overgeblevene een andere helft
op en omvatte die, hetzij hij van een oorspronkelijk geheele vrouw de
helft aantrof (dat is wat wij nu een vrouw noemen), hetzij van een man.
En zoo kwamen zij om. Zeus kreeg medelijden en bedacht een andere uitkomst,
en zette hun schaamdelen om naar voren; want tot dan hadden zij ook
die aan den buitenkant en bezwangerden en werden bevrucht niet in elkander,
maar in den grond gelijk de krekels. Zoo verplaatste hij ze dan naar
hun voorzijde en deed hun voortplanting door middel daarvan in elkander
geschieden, door middel van het manlijke in het vrouwlijke, hierom,
dat bij de omhelzing, wanneer een man met een vrouw samentrof, zij zouden
verwekken en hun geslacht voortgeplant worden, en dat, wanneer een man
met een man samentrof, zij tenminste een bevrediging in het samenzijn
zouden vinden en nu en dan zouden ophouden en aan hun werk gaan en voorzien
in de overige behoeften van hun leven. Van-zoo-lang-her dus is de liefde
tot elkander den menschen ingeplant. Eroos is de hereeniger der oorspronkelijke
natuur en beproeft uit twee éen te maken en de menschelijke natuur
te heelen.
Elk van ons derhalve is de weêrhelft van een ander mensch, doordat
wij uit éen in tweeën gesneden zijn evenals schollen. Altijd
dan zoekt een ieder zijn eigen weêrhelft. Zooveel mannen nu een
afgesneden deel zijn van zoo'n geheel, dat toen-ter-tijd man-vrouw heette,
zijn vrouwenminnend en de meeste echtbrekers behooren tot dit geslacht,
en ook alle vrouwen die mannenlievend zijn en overspeelsters, komen
voort uit dit geslacht. Maar alle vrouwen die een afgesneden deel zijn
van een vrouwgeheel, die zijn niet zoo zeer gesteld op mannen, maar
voelen zich meer tot vrouwen aangetrokken, en de hetairistriai
stammen van dit geslacht. Doch allen die een afgesneden deel van een
mangeheel zijn, hangen het manlijke na, en zoolang zij knapen zijn,
beminnen zij, daar zij immers onderdeeltjes zijn van het oorspronkelijk
mangeheel, mannen, [192] en hebben er vreugd aan bij mannen te liggen
en mannen te omhelzen, en dat zijn de besten onder de knapen en jongelingen,
daar zij de manlijksten van nature zijn. Enkelen beweren van hen, dat
zij schaamteloos zijn, maar dat is gelogen. Want niet uit schaamteloosheid
doen zij dit, maar uit koenheid en kloekheid en manhaftigheid, daar
zij het hun gelijke welkom heeten. Een groot bewijs hiervoor is, dat
zulken alleen, als zij volwassen zijn, als mannen tot het werk van den
staat zich ontpoppen. En wanneer zij mannen zijn, hebben zij knapen
lief en voelen zich van nature niet aangetrokken tot huwelijk en vaderschap.
Doch het is hun genoeg met elkander ongehuwd te leven. Zulk een wordt
volstrekt een knapenliefhebber en een minnarenvriend, daar hij aldoor
het hem verwante welkom heet. Wanneer hij dan ook die andere eigen helft
zelf vindt, zoowel een knapenliefhebber als ieder ander, dan geraken
zij in verwondelijke extase van vriendschap en vertrouwelijkheid en
liefde, en willen om-zoo-te-zeggen zelfs geen oogenblik van elkander
gescheiden worden. En die hun geheele leven samen met elkander doorbrengen,
zijn dezen, zij die zelfs niet zouden kunnen zeggen wat zij willen dat
hun van elkander geschieden zal. Want geen van hen zou vinden dat de
gemeenschap in mingenot dat doel was, dat namelijk ter wille daarvan
de éen met zoo groote vreugde en zoo grooten ijver met den ander
samen is. Maar klaarblijkelijk wil de ziel van elk van beiden iets anders,
dat zij niet kan uitspreken, maar heeft een duister vermoeden wat zij
wil, en duidt in raadselteekenen daarheen. En indien, terwijl zij samenliggen,
Hefaistos met zijn werktuigen op hen toetrad en hun vroeg: ,,Wat wilt
gij, o menschen, dat u van elkander geschieden zal?" - en indien
hij hun dan in hun verlegenheid weêr vroeg: ,,Begeert gij dit
soms, zooveel mogelijk met elkander éen te worden, zoodat gij
bij dag of nacht niet van elkander aflaat? Want als gij dat begeert,
wil ik u samensmelten en samensmeden tot éen, zoodat gij met
u tweeën maar éen zult zijn, en zoolang gij leeft, beiden
vereenigd als éen wezen zult leven, en wanneer gij gestorven
zult zijn, daarginds in den Hades opnieuw éen zijn in plaats
van twee in een gemeenschappelijke dood; - maar bedenkt wel, of hiernaar
uw verlangen gaat en of gij ermeê tevreden zult zijn, wanneer
gij het verkregen hebt..." - wij weten, dat op het hooren hiervan
ook niet éen het zou afslaan of van anderen wil blijk geven,
maar volslagen meenen zou dat in woorden gehoord te hebben, wat hij
allang verlangde, om met den beminde vereenigd en samengesmolten van
twee éen te worden. Want hiervan is de reden, dat dit onze oorspronkelijke
natuur is geweest, en dat wij eenmaal samen éen geheel hebben
gevormd.
De begeerte nu en het streven naar het weêr-éen-worden
draagt den naam Eroos. [193] Vroeger, als gezegd, waren wij éen,
maar thans zijn wij wegens onze ongerechtigheid door de godheid in verschillende
woonplaatsen gescheiden als de Arkadiërs door de Lakedaimoniërs.
Er bestaat dus vrees, dat, als wij ons niet ordelijk gedragen tegenover
de goden, wij nog eens zullen gesplitst worden en rond zullen loopen
als de basreliëfs, die in profiel staan uitgebeiteld op de grafstenen,
doorgezaagd langs den neus, gelijk geworden aan gespleten dobbelsteenen.
Doch daarom behoort elk man een ieder aan te sporen godvruchtig te zijn,
opdat wij hieraan ontkomen, maar dat andere verkrijgen, waarheen Eroos
ons leidsman en aanvoerder is. Tegen wien niemand vijandig handele;
en dat doet al wie zich bij de goden gehaat maakt. Want wanneer wij
bevriend en verzoend zijn met de godheid, dan zullen wij ontdekken en
ontmoeten onze eigen lievelingen, wat weinigen van de menschen nu tebeurtvalt.
En laat Eryximachos niet, om mijn woord tot spot maken, de opvatting
ten beste geven, dat ik op Pausanias en Agathoon doel. Want waarschijnlijk
behooren ook zij tot dezen, en beiden zijn van nature manminnend. Maar
ik zeg met betrekking op allen zoowel mannen als vrouwen, dat op die
manier ons geslacht gelukzalig zou kunnen worden, wanneer wij onze liefde
zouden vervoleindigen, en elk den bij hem behoorenden lieveling verkreeg
door terug te keeren tot zijn oorspronkelijken toestand. En indien dit
het beste is, dan is noodwendig ook onder de nu gegeven omstandigheden
wat hieraan meest nabij komt het beste. Dat is een lieveling te vinden,
die van nature strookt met onzen zin. Wanneer wij dan den god prijzen,
die daarvan oorzaak is, zullen wij billijkerwijze Eroos loven, die in
het tegenwoordige ons meest begunstigt door ons te voeren naar het verwante,
en voor de toekomst ons groote verwachtingen geeft, dat hij ons, wanneer
wij ons godvruchtig betoonen, in onze oorspronkelijke natuur zal herstellen
en genezen en ons zóo gelukkig en zalig maken.
Dit, o Eryximachos, is mijne rede omtrent Eroos, van een anderen aard
dan de uwe. Zooals ik u al verzocht heb, maak haar niet bespottelijk,
maat laat ons liever hooren, wat een elk der overigen nog te zeggen
heeft. Of liever de twee overigen. Want Agathoon en Sokrates zijn de
eenige." - ,,Ik zal u uw zin geven," zeide Eryximachos, ,,want
uw rede is mij een genot geweest. En indien ik niet wist, dat Sokrates
en Agathoon zeer bedreven zijn in al wat Eroos aangaat, zou ik mij erg
bang maken, dat zij verlegen zullen zijn wat te zeggen, omdat al zooveel
en velerhand gezegd is. Maar nu ben ik vol goede hoop." - [194]
,,Gij hebt mooi praten, o Eryximachos," zeide Sokrates, ,,want
gij hebt den wedstrijd schoon bestaan. Maar wanneer gij u in mijn toestand
zoudt bevinden, of liever misschien, in den toestand waarin ik zal zijn,
wanneer ook Agathoon zal gesproken hebben, dan zoudt gij terdege zeer
bevreesd zijn en in groote ongerustheid zooals ik nu." - ,, Belagen
wilt gij mij, o Sokrates," zeide daarop Agathoon, ,,opdat ik van
de wijs gebracht zal worden door te meenen, dat het schouwburgpubliek
groote verwachting heeft van een uitnemende rede van mij." - ,,Dat
zou erg vergeetachtig van mij zijn, o Agathoon," hernam Sokrates,
,,wanneer ik, die met eigen oogen uwe manmoedigheid en edele kalmte
gezien heb, toen gij samen met uw tooneelspelers op de planken opkwaamt
en zoo'n groot schouwburgpubliek onder de oogen zaagt en heelemaal niet
van uw stuk gebracht werdt, hoewel gij een tekst van u zelf daar gingt
opvoeren, meenen zou, dat gij u van de wijs zoudt laten brengen om een
handvol menschen als ons." - ,,Hoe nu, o Sokrates? Gij meent toch
zeker niet, dat ik zoo vervuld ben van den schouwburg, dat ik niet eens
weet, dat voor een man met begrip eenige weinige verstandigen meer te
vreezen zijn dan vele onverstandigen?" - ,,Dat zou wel erg onbehoorlijk
zijn, o Agathoon, wanneer ik iets onwelopgevoeds bij u veronderstelde.
Ik weet zeer wel, dat, wanneer gij enkele menschen ontmoet, die gij
voor wijs houdt, gij u meer om hen zult bekommeren dan om de groote
menigte. Maar er is geen kans op, dat wij dat zijn. Want wij zijn bij
de voorstelling tegenwoordig geweest en behoorden bij de groote menigte.
Maar indien gij anderen, die werkelijk wijs waren, zoudt ontmoeten,
dan zoudt gij u allicht schamen, indien gij mogelijk meenen zoudt iets
te doen dat schandelijk was. Is dat uw bedoeling niet?" - ,,Ja,
dat is de waarheid." - ,,Maar voor de groote menigte zoudt gij
u niet schamen, indien gij meendet iets schandelijks te doen...?"
- Toen kwam, vertelde Aristodemos, Phaidros tusschenbeiden en zeî:
,,O waarde Agathoon, als gij Sokrates antwoord geeft, zal het hem niet
meer kunnen schelen, hoe het verder afloopt met waar wij op 't oogenblik
mede bezig zijn, als hij maar iemand heeft om meê te redeneeren,
vooral wanneer die schoon is. Nu hoor ik Sokrates wel graag gesprek
voeren, maar ik ben op 't oogenblik gedwongen op te komen voor den lofprijs
van Eroos en van ieder uwer afzonderlijk zijn rede in ontvangst nemen.
Wanneer gij derhalve elk uw schuld aan den god hebt afbetaald, dan moogt
gij verder praten." - ,,Wel gezegd, o Phaidros," zeî
Agathoon, ,,en niets belet mij met spreken te beginnen. Want met Sokrates
zal ik mij nog dikwijls een ander maal kunnen onderhouden.
Ik dan wil, vóor ik spreken ga, vooraf zeggen, op welke wijze
ik behoor te spreken. Immers, allen die tot-nog-toe gesproken hebben,
prijzen, lijkt mij, niet den god, maar roemen de menschen gelukzalig
om de goede dingen waarvan hij hun oorzaak is. Maar van welken aard
de god zelf is om daarvan de schenker te kunnen zijn, heeft niemand
gezegd. [195] Er is voor iederen prijs omtrent ieder maar éen
ordelijke manier, met redenen na te gaan, hoedanig hij is over wien
de rede loopt, en van hoedanige dingen hij dus oorzaak is. Zoo is het
dan billijk, dat ook wij in onzen lof eerst van Eroos zelf zeggen, hoedanig
hij is, en daarna van zijn gaven.
Ik beweer dan, dat, of al alle goden gelukzalig zijn, Eroos, als het
oorbaar en niet te wraken is om dat zoo te zeggen, de gelukzaligste
van hen is, omdat hij de schoonste is en de beste. De schoonste is hij
om de volgende hoedanigheden. Allereerst is hij de jongste der goden,
o Phaidros. Een groot bewijs voor deze bewering levert hij zelf doordat
hij vluchtend ontgaat aan den ouderdom, die zeker snel is. Sneller tenminste
dan noodig is nadert hij ons. Dezen haat Eroos van nature en nadert
hem zelfs niet van verre, maar altijd is hij met jeugdigen samen, en
is zelf jong. Want de oude spreuk zegt terecht, dat gelijk steeds gelijk
zoekt. En ben ik het in vele andere punten met Phaidros eens, dit geef
ik hem niet gewonnen, dat Eroos ouder is dan Kronos en Iapetos, maar
ik beweer dat hij de jongste der goden is en eeuwig jong. Doch de oude
toestanden betreffende de goden, waarvan Hesiodos en Parmenides spreken,
zijn door Anangke en niet door Eroos in 't leven geroepen, als die schrijvers
de waarheid hebben verteld. Want zij zouden elkander niet ontmand en
gevangen gezet hebben en vele andere gewelddadige dingen tegen elkaêr
gedaan, indien Eroos onder hen geweest was, maar vriendschap en vrede
zouden onder hen geheerscht hebben, zooals nu, sinds Eroos over de goden
koning is. Hij is derhalve jong, en behalve dat hij jong is, is hij
teeder. En er is een dichter noodig als Homeros om de teederheid van
den god duidelijk te maken. Homeros namelijk zegt van Ate dat zij een
godin is en teeder. Dat tenminste hare voeten teeder zijn blijkt uit
de woorden:
... heur zijn teedere voeten: op aarde
Wandelt zij niet, maar altijd treedt ze over hoofden der mannen.
Een schoone bewijsvoering lijkt het mij, waardoor hij haar teederheid
in 't licht stelt, dat zij niet op iets hards, maar op iets weeks gaat.
Datzelfde zullen ook wij dan gebruiken als bewijs omtrent Eroos, dat
hij teeder is. Want hij gaat niet op aarde, en ook niet op menschenschedels,
die niet erg week zijn, maar in het weekste deel der wezens wandelt
hij en woont hij. Want in gemoederen en zielen van goden en menschen
heeft hij zijn woonplaats gesticht, en verder niet zonder onderscheid
in alle zielen, maar als hij in een ziel komt en daar een hard gemoed
vindt, gaat hij weg, maar waar hij een week gemoed vindt, maakt hij
woning. Daar hij derhalve, met zijn voeten als geheel-en-al, in aanraking
is met het weekste van het weekste, moet hij noodwendig zeer teeder
zijn. [196] Hij is dan zeer jong en zeer teeder, en bovendien lenig
van gestalte. Want hij zou zich niet naar alle kanten kunnen omvouwen,
en ongemerkt in iedere ziel kunnen in- en uitgaan, als hij stijf was.
Van zijn evenredigen lichaamsbouw is een groot bewijs zijne bekoorlijk
gemanierdheid, die, als allen overeenstemmen, Eroos eigen is. Want ongemanierdheid
en Eroos zijn altijd met elkaêr in oorlog. De schoonheid van de
gelaatskleur van den god wordt aangetoond door zijn voortdurend verblijf
onder bloemen. Want op geen lichaam of ziel of wat-anders-ook zet Eroos
zich neder, wanneer het bloemloos is of uitgebloeid, maar overal waar
een welbloeiende en welriekende plaats is, daar zet hij zich neêr
en blijft er.
Als bewijzen van de schoonheid van den god zijn deze toereikend, al
schiet er nog veel over te zeggen. Nu moet ik spreken over Eroos' deugdzaamheid.
Wat al dadelijk de grootste deugd is: Eroos krenkt god noch mensch en
laat zich door god noch mensch krenken. Want hij ondergaat noch zelf
iets door geweld, als hij iets ondergaat (want geweld raakt Eroos niet),
noch als hij iets doet, doet hij dat door geweld. Want ieder bewijst
Eroos iederen dienst vrijwillig, en wat twee vrijwillig overeenkomen,
daarvan zeggen de koningen van den staat, de wetten, dat het rechtvaardig
is. Behalve rechtvaardigheid is grootste ingetogenheid zijn eigenschap.
Want men is het erover eens, dat ingetogenheid is heerschen over lust
en begeerten, en dat geen enkele lust sterker is dan Eroos. Als zij
nu zwakker zijn dan hij, worden zij door hem beheerscht, en Eroos is
dus hun meester, en daar dus Eroos meester is over lusten en begeerten,
is hij bizonderlijk ingetogen. En verder, wat manmoedigheid aangaat,
kan zelfs Ares niet tegen Eroos op. Want Ares houdt Eroos niet, maar
Eroos Ares, door diens liefde tot Afrodite, als de overlevering is.
Sterker is hij die houdt dan die gehouden wordt. En daar hij dus den
moedigsten van de overige goden de baas is, zal hij wel de moedigste
van allen moeten zijn.
Over de rechtbaardigheid en ingetogenheid en manmoedigheid van den god
is dus gesproken, maar over zijn wijsheid schiet nog over. Voor zoover
dat nu mogelijk is, moet ik trachten niets over te slaan. In de eerste
plaats dan, opdat ook ik op mijn beurt onze kunst in eere houde evenals
Eryximachos de zijne, is de god zulk een wijs dichter, dat hij ook een
ander tot dichter maakt. Ieder tenminste dien Eroos aanraakt, wordt
dichter, ook al was hij tot-nu-toe moezisch onbegaafd. Dit mogen wij
laten gelden als een bewijs, dat Eroos een uitnemend voortbrenger in
't algemeen van allerleid schepping in moezische kunsten is. Want wat
iemand niet heeft of niet kent, zou hij een ander niet kunnen geven
of leeren. [197] De voortbrenging van al wat levend is, wie zou ontkennen
dat dit Eroos' wijsheid is, waardoor al wat leeft geboren wordt en uit
den grond opkomt? Maar weten wij ook niet van het uitoefenen der maatschappelijke
kunsten, dat daarin de man die Eroos tot leermeester gehad heeft, tot
grooten naam en stralenden roem geraakt, terwijl de man die niet door
Eroos is beroerd, in donkere onbekendheid blijft? De kunst van het boogschieten
tenminste en de geneeskunst en de voorspelkunst heeft Apolloon uitgevonden
onder de leiding van verlangen en liefde, zoodat ook hij een leerling
van Eroos is. Zóo ook vonden de Moezen de moezische kunsten en
Hefaistos de smeedkunst en Athena de weefkunst en Zeus de kunst van
goden en menschen te besturen. Daarvandaan is ook der goden staat geregeld,
toen Eroos onder hen geboren is, Eroos, d.i. de liefde tot het schoone.
Want in het leelijke is Eroos niet. Doch vóordien plachten, als
ik in het begin zeide en de overlevering is, vele schrikkelijke dingen
onder de goden te gebeuren wegens het koningschap van Anangke. Maar
zoodra deze god ontstaan is, zijn uit de liefde tot het schoone alle
goede dingen voor goden en menschen geboren. Zoo lijkt mij, o Phaidros,
Eroos in de eerste plaats zelf schoonst en deugdzaamst, en verder den
anderen van andere dergelijke dingen oorzaak. Hij is de bewerker - en
ik zeg dit in verzen, zooals het bij mij opkomt - hij is de bewerker
van
Vrede onder menschen en windstil weêr over 't effene zeevlak,
De aêmloosheid na de stormen, en nachtrust, 't zorgloos slaapfeest.
Hij ledigt ons van vervreemdheid, en vervult ons van vertrouwelijkheid,
door al zulke samenkomsten van ons onderling in te stellen en bij feesten,
bij koren, bij offers onze aanvoerder te zijn. Zachtzinnigheid schaffend,
woestzinnigheid buitensluitend; goedgeefsch in welwillendheid, karig
in kwaadwilligheid; genadig, zachtmoedig; de bewondering der wijzen,
de lust der goden; benijd door de misdeelden, bezeten door de welbedeelden;
van teederheid, weelde, bekoorlijkheid, lustbegeer de vader; immer uit
op het goede, nimmer uit op het slechte; in moeite en vrees, in gemis
en zelftroost de beste stuurman en zeesoldaat, medestrijder en redder;
aller goden en menschen sieraad; de schoonste en deugdzaamste leidsman,
dien ieder man behoort te volgen in den reizang, instemmende in het
lied, waarmeê hij aller goden en menschen zin betoovert.
Dit is de rede, o Phaidros, die van mij den god zij gewijd, een samenstel
deels van scherts, deels van passenden ernst, naar mijne gaven en krachten."
[198] Toen Agathoon gezegd had, hadden alle aanwezigen (vertelde Aristodemos)
onstuimig toegejuicht, daar de jonge man zoo zeer tot eer van zichzelf
als van den god had gesproken. Sokrates nu keek Eryximachos aan en zeide:
,,Vindt gij nu wel, o zoon van Akoemenos, dat ik mij zonder reden voor
vrees allang bevreesd maak, en was wat ik zooeven zeide, niet profetisch,
dat Agathoon wonderlijk goed zijn wooord zou doen, en ik niet weten
wat zou te zeggen?" - ,,Het éene," antwoordde Eryximachos,
,,lijkt mij wel profetisch, dat Agathoon goed spreken zou, maar het
andere, dat gij in verlegenheid zoudt zijn, daar geloof ik niet aan."
- ,,En hoe zou, mijn gelukzalige, ik of wie-anders-ook niet in verlegenheid
zijn, nu ik spreken ga nadat een zoo schoone en afwisselende rede pas
gehouden is? Misschien verdiende al het overige niet even hooge bewondering,
maar het slot - wie zou die schoonheid van woorden en wendingen kunnen
aanhooren zonder ontsteld te worden? Nu ik tenminste bedenken ging,
dat ik zelf niet in staat zal zijn iets schoons te zeggen, dat hieraan
maar nabijkomt, zou ik bijna van schaamte zijn weggeloopen, als ik maar
gekund had. Want de rede deed mij aanhoudend aan Gorgias denken, zoodat
ik volkomen het gevoel kreeg, dat Homeros beschrijft: ik werd bang,
dat Agathoon tenslotte het hoofd van Gorgias, den geweldige in 't spreken,
op mijne rede zou afzenden en mij zelf in sprakeloosheid zou versteenen.
En ik bedacht, dat ik een tijdje geleden wel een bespottelijke dwaas
was geweest om u te beloven met u op mijn beurt Eroos te prijzen en
om te beweren knap te zijn in al wat Eroos aangaat, ik, die niets van
de zaak afwist, niet eens hóe men een willekeurig ding behoort
te prijzen. Want ik meende in mijn onnoozelheid, dat men omtrent ieder
ding dat men prijst, de waarheid behoort te zeggen, en dat dit de grondslag
behoort te zijn, en dat men juist daaruit het schoonste moet uitzoeken
en dat zoo sierlijk mogelijk ordenen. Ik had dan ook groote inbeelding,
dat ik een schoone rede zou houden, omdat ik achter de ware manier van
prijzen was. Maar dat was, zooals 't mij nu lijkt, volstrekt de schoone
manier niet om welk ding ook te prijzen, maar men moet de klinkendste
en schoonste woorden wijden aan zijn onderwerp, of die waar zijn of
niet. Als het leugens zijn, doet dat niets ter zake. Want wel werd van
te voren vastgesteld, schijnt het, dat een ieder van ons zich den schijn
zou geven van Eroos te prijzen, maar niet dat hij hem inderdaad prijzen
zou. Daarom, meen ik, haalt gij allerhande redeneeringen overhoop en
behangt daar Eroos meê, en beweert, dat hij zoodanig is en van
zooveel dingen oorzaak, opdat hij zoo schoon en goed mogelijk zal schijnen.
[199] Natuurlijk voor wie niet kunnen oordelen, want voor wie hem wel
kennen gaat dit niet aan. En zoo krijgt men een schoone en statige lofrede.
Maar hoe moet ik mij hieruit redden? Want ik kende uwe wijze van prijzen
niet, en in mijn onkunde heb ik beloofd eveneens op mijn beurt te zullen
prijzen. Mijn tong heeft het dus beloofd, maar mijn geest niet. Laat
dan dit voornemen welvaren. Want ik zal niet op deze manier met prijzen
doorgaan: ik zou 't niet kunnen. Evenwel ben ik bereid, als gij het
goed vind, u de waarheid te vertellen naar mijn eigen inzicht, buiten
mededinging met uwe redevoeringen, opdat ik niet uitgelachen worde.
Zie dus toe, o Phaidros, of gij zulk een rede gebruiken kunt. Wilt gij
de waarheid hooren omtrent Eroos in zulke bewoordingen en zoo een zinsbouw
als iemand oogenblikkelijk invalt?" - Phaidros en de overigen verzochten
hem te spreken, zooals hij meenen zou te moeten spreken, en niet anders.
- ,,Dan nog, o Phaidros, moet gij mij toestaan eenige kleine vragen
aan Agathoon te doen, opdat ik mij eerst daarover met hem versta, en
dan pas ga spreken." - ,,Ik geef u verlof; vraag maar op."
- Toen was Sokrates ongeveer als volgt begonnen:
,,Wel, mijn waarde Agathoon, het leek mij een schoone inleiding tot
uw rede, uw bewering, dat men eerst van Eroos zelf moet aantoonen, wat
voor wezen hij is, en daarna pas spreken over zijn werken. Dat begin
bewonder ik zeer. Welaan dus, nu gij ook in het overige op schoone en
schitterende wijze uiteengezet hebt, van welken aard hij is, zeg mij
eveneens het volgende. Is Eroos van dien aard, dat hij als liefde in
betrekking staat tot iemand of tot niemand? Ik vraag niet of hij het
kind van een moeder of vader is; dat zou een belachelijke vraag zijn,
of Eroos een moeder of een vader heeft. De bedoeling van mijn vraag
is, alsof ik juist dat omtrent ,,vader" vroeg: een vader is dat
iemands vader of niet? Gij zoudt dan natuurlijk zeggen, indien gij juist
wildet antwoorden, dat een vader de vader is van een zoon of van een
dochter. Of niet?" - ,,Voorzeker," antwoordde Agathoon. -
,,En gaat het met ,,moeder" niet netzoo?" - Ook dit gaf Agathoon
toe. - ,,En geef nu nog op eenige weinige dingen meer antwoord, opdat
gij beter inziet wat ik wil. Indien ik vroeg, laat eens zien ... een
broeder, in zoover hij juist dat is wat hij is, is dat iemands broeder
of niet?" - Agathoon zeide van ja. - ,,Van een broeder of een zuster,
nietwaar?" - De ander stemde toe. - ,,Tracht mij dan ook omtrent
Eroos dat te zeggen. Is Eroos liefde die in betrekking staat tot iemand
of niemand, liefde tot iemand of iets, of niet?" - ,,Dat is hij
gewis." - [200] ,,Houd dit," zeide Sokrates, ,,een oogenblik
in gedachten, de vraag tot wien of wat Eroos liefde is. Zeg mij voorhands
alleen dit. Datgene, waartoe hij liefde is, begeert Eroos dat of niet?"
- ,,Ja zeker." - ,, Heeft Eroos dat wat hij begeert en waarop hij
verliefd is, of begeert hij het en is hij erop verliefd, zonder het
zelf te hebben?" - Zonder het zelf te hebben, waarschijnlijk."
- ,,Denk eens even na of, in plaats van waarschijnlijk, het noodzakelijk
is, nl. dat men datgene begeert dat men mist, of anders wanneer men
het niet mist, het niet begeert. Mij toch, o Agathoon, komt het wonderlijk
noodzakelijk voor. Maar hoe lijkt het u?" - ,,Mij eveneens."
- ,,Goed zoo. Immers, zou iemand die groot is, wel groot kunnen willen
zijn? Of een die sterk is, sterk?" - ,,Onmogelijk is dat op grond
van het overeengekomene." - ,,Want iemand die zelf zoo iets is,
kan het niet begeeren." - ,,Gij zegt de waarheid." - ,,Want,
nietwaar, gesteld iemand die sterk is, begeert sterk te zijn, en iemand
die snel is, snel, en een die gezond is, gezond - immers, iemand zou
in deze en dergelijke gevallen allicht kunnen meenen, dat menschen die
zoo zijn en deze eigenschappen bezitten, die dingen die zij hebben,
toch ook verlangen; opdat wij ons dus niet laten misleiden, voer ik
dit hier aan - die menschen, o Agathoon, moeten, als gij wel bedenkt,
wat zij hebben, op het oogenblik noodzakelijk hebben, of zij willen
of niet, en kunnen dat dus niet verlangen. Maar wanneer iemand zegt:
Ik die gezond ben, ik wil ook gezond zijn, ik die rijk ben, ik wil ook
rijk zijn, en ik begeer juist wat ik heb - dan zouden wij tot hem zeggen:
O mensch, gij bezit rijkdom en gezondheid en kracht, en gij wilt die
dingen ook voor de toekomst bezitten; want op het oogenblik hebt gij
ze, of gij wilt of niet. Ga derhalve eens na, of gij, wanneer gij beweert
te begeeren wat gij hebt, iets anders beweert dan dat gij wat gij nu
hebt, ook in de toekomst wilt hebben. Zou hij dat niet toegeven?"
- Agathoon beaamde dit. - ,,Derhalve is dat weêr begeerte hebben
naar wat hem nog niet eigen is en wat hij niet heeft, dat namelijk deze
dingen in de toekomst voor hem behouden zullen blijven." - ,,Ja,
dat is zoo." - ,,Deze mensch dus en ieder ander die begeert, begeert
wat nog niet zijn eigen is en niet in zijn bezit, en wat hij niet heeft
en wat hij zelf niet is en wat hij mist, en dat zijn dus vrij wel de
zaken waarnaar verlangen en begeerte uitgaat?" - ,,Ja, zoo is het."
- ,,Welaan," zeî Sokrates, ,,laten wij wat wij overeengekomen
zijn, nog eens nagaan. Is in de eerste plaats niet Eroos liefde tot
bepaalde dingen, en verder tot die dingen waaraan het hem ontbreekt?"
- ,,Ja." - [201] ,,Herinner u nu onder deze gegevens, tot welke
dingen gij in uwe rede beweerd heb, dat Eroos liefde was... Als gij
het goed vindt, zal ik het u te binnen brengen. Ik meen dat uwe bewering
zoo ongeveer was, dat de aangelegenheden der goden geregeld zijn door
liefde tot het schoone; want dat tot het leelijke geen liefde bestond.
Was dat niet zoowat uw zeggen?" - ,,Ja, dat heb ik gezegd."
- ,,En zeer gepast zegt gij het nu, o mijn vriend. Als dit nu zoo is,
is Eroos dan niet: liefde tot de schoonheid, en niet tot de lelijkheid?"
- Agathoon gaf dit toe. - ,,Zijn wij nu niet overeengekomen, dat men
liefde heeft voor dat wat men mist en niet heeft?" - ,,Ja."
- ,,Dan mist derhalve Eroos schoonheid en heeft haar niet." - ,,Dit
is noodzakelijk." - ,,Maar hoe dan? Dat wat schoonheid mist en
haar op geene wijze bezit, beweert gij daarvan dat het schoon is?"
- ,,Zeker niet." - ,,Blijft gij er dan nog bij, dat Eroos schoon
is, als dit zoo is?" - ,,Het lijkt, o Sokrates," zeide Agathoon,
,,dat ik niets weet van wat ik daarnet beweerd heb." - ,,Toch hebt
gij zeer zeker schoon gesproken, o Agathoon. Maar zeg mij nog éen
kleinigheid. Denkt gij niet dat het goede ook tot het schoone behoort?"
- ,,Ja zeker." - ,,Indien het dan Eroos ontbreekt aan het schoone,
en het goede een deel van het schoone is, dan zal hij ook het goede
moeten missen." - ,,Ik, o Sokrates, zie geen kans u tegen te spreken.
Laat dit zoo zijn als gij zegt." - ,,Neen maar de waarheid, o mijn
geliefde Agathoon, kunt gij niet tegenspreken. Want Sokrates tegenspreken
is niets moeilijk.
En u zal ik nu met rust laten. Doch het betoog over Eroos, dat ik eens
hoorde van een Mantineiische vrouw Diotima, die zoowel in dit onderwerp
wijs was als in vele andere dingen, en vóor de pest den Atheners
door hen offers te doen brengen tien jaar uitstel van de ziekte bezorgd
heeft, welke mij dan ook onderwezen heeft in al wat Eroos betreft -
het betoog dat deze vrouw mij hield, zal ik trachten met u te doorloopen
uitgaande van wat ik en Agathoon overeengekomen zijn. Ik zal dat doen,
alleen aan 't woord, zoo goed als ik kan. Ik behoor dan, o Agathoon,
naar uw voorbeeld, eerst uiteen te zetten, wie Eroos zelf is en van
welke hoedanigheden, om het dan pas over zijn werken te hebben. Het
gemakkelijkst wel is de manier te volgen van vragen en antwoorden over
en weêr, zooals de vreemdelinge het mij indertijd uiteenzette.
Ik zeide dan vrij wel dergelijke dingen tot haar als nu Agathoon tot
mij, dat Eroos een groote god was, en liefde was tot het schoone, en
zij weêrlegde mij met dezelfde redeneering als ik hem, dat volgens
mijn zeggen Eroos noch schoon noch goed was. - ,,Wat zegt gij daar,
o Diotima?" zeide ik. ,,Is Eroos dan leelijk en slecht?" -
En zij: ,,Zeg niets lasterlijks. Of meent gij dat al wat niet schoon
is, noodzakelijk leelijk is?" - ,,Zeker." - [202] ,,En ook
wat niet wijs is, onwetend? Of hebt gij niet opgemerkt dat er iets tusschen
wijs en onwetend in is?" - ,,Wat is dat dan?" - ,,Het hebben
van een juist oordeel ook zonder er rekenschap van te kunnen geven.
Dit is geen weten; want hoe zou een onberedeneerde zaak wetenschap kunnen
zijn? Maar het is ook geen onwetendheid; want hoe kan iets dat de waarheid
raakt, onwetendheid zijn? Een direct juist oordeel is dus een voorbeeld
van zoo'n tusschending, tusschen inzicht en onwetendheid in." -
,,Gij spreekt de waarheid," zeide ik. - ,,Stel dus niet noodzakelijk,
dat wat niet schoon is, leelijk moet zijn, en wat niet goed is, slecht.
Zoo kunt gij ook van Eroos er op aan, dat, omdat hij nu eenmaal, zooals
gij zelf toegeeft, noch goed noch schoon is, het daarom evenmin noodzakelijk
is, dat hij leelijk en slecht is, maar iets tusschen die beide in."
- ,,Toch," zeide ik, ,,geldt hij bij allen voor een erkend grooten
god." - ,,Bij allen die hem niet kennen, bedoelt gij. Of ook bij
die hem kennen?" - ,,Bij allen zonder onderscheid." - Toen
zeide zij lachend: ,,En hoe zou hij voor een grooten god kunnen gelden
bij hen die zeggen dat hij niet eens een god is?" - ,,Wie zeggen
dat dan? - ,,Gij onder anderen en ik." - ,,Hoe kunt gij dat waar
maken?" - ,,O gemakkelijk. Geeft gij niet toe, dat alle goden gelukzalig
zijn? Of zoudt gij durven beweren, dat éen der goden niet gelukzalig
is?" - ,,Neen bij Zeus, ik niet." - ,,En als gij van gelukzaligen
spreekt, bedoelt gij dan niet hen die het schoone en het goede bezitten?"
- ,,Zeker." - ,,Doch van Eroos hebt gij toegegeven, dat hij uit
gemis aan het goede en het schoone juist die dingen die hem ontbreken
begeert." - ,,Ja, dat heb ik." - ,,Hoe zou nu een god kunnen
zijn die geen deel heeft aan het schoone en het goede?" - ,,Geenzins,
naar het schijnt." - ,,Ziet gij dus, dat ook gij Eroos niet voor
een god houdt?" - ,,Wat zou Eroos dan wel zijn? Sterfelijk?"
- ,,Allerminst." - ,,Maar wat dan?" - ,,Evenals de voorbeelden
van daarstraks, iets tusschen sterfelijk en onsterfelijk in." -
,,Wat dus, o Diotima?" - ,,Een groot daimoon, o Sokrates. Want
al het daimonische bevindt zich tusschen god en sterveling in."
- ,,En welk machtsgebied heeft dat daimonische?" - ,,Het vertolken
en overvoeren tot de goden van wat van de menschen komt, en tot de menschen
van wat van de goden komt, der menschen gebeden en offeranden, der goden
opdrachten en vergeldingen. Het vult de ruimte tusschen beiden aan,
zoodat het heelal daardoor tot éen geheel verbonden is. Door
dat daimonische heen gaat ook de geheele waarzeggerskunst en de kunst
der priesters, zoowel die te maken hebben met de offeranden als met
de wijdingen. [203] Doch een god laat zich niet onmiddellijk met een
mensch in, maar daardoor henen is al de omgang en het verkeer van goden
met menschen en menschen met goden, in waken als in slaap. Die in zoodanige
dingen wijs is, is een daimonisch man, maar die in iets anders, hetzij
kunst of handwerk, wijs is, is een van laag bedrijf. Deze daimonen zijn
dan vele en veelsoortige, en éen van hen is onder anderen Eroos."
- ,,En van welken vader en welke moeder is hij?" vroeg ik. - ,,Het
is een vrij omslachtig verhaal," zeide zij. ,,Toch zal ik het u
vertellen. Toen Afrodite geboren was, hielden de goden maaltijd, met
de overige ook Metis' zoon Poros (Overvloed). Nadat zij gegeten hadden,
kwam daar om te bedelen, zooals haar gewoonte is bij een feestmaal,
Penia (Armoede) en was in den omtrek der deur. Poros nu, dronken van
den nektar (want wijn was er toen nog niet), ging den tuin van Zeus
binnen en sliep daar roesbezwaard in. Penia die wegens haar eigen nooddruft
erop-uit was een kind uit Poros te baren, legde zich bij hem neêr
en ontving Eroos. Daarom is Eroos ook Afrodite's volgeling en dienaar
geworden, omdat hij verwekt is op haar geboortefeest en van nature als
minnaar om-en-bij het schoone is en Afrodite schoon is. Als zoon van
Poros en Penia is zijn levenslot van den volgenden aard. Om-te-beginnen
is hij altijd arm en verre van teeder en schoon, zooals de meesten meenen,
maar uitgedroogd en groezelig en ongeschoeid en zonder tehuis, altijd
slaapt hij op den grond en zonder dek; aan deuren, op straat, onder
den open hemel brengt hij den nacht door, daar hij de natuur zijner
moeder heeft en altijd met gebrek samenleeft. Maar naar zijn vaders
aard is hij een belager van het schoone en het goede, manlijk, steeds
erop-uit en ingespannen bezig, een geweldig jager, altijd een-of-andere
listen spannend, begeerig naar inzicht en een die zich steeds weet te
redden, een wijsgeer zijn gansche leven door, een vaardig toovenaar
en giftmenger en sofist. Hij is van nature noch als onsterfelijk noch
als sterfelijk aangelegd, maar den eigen dag staat hij het éene
oogenblik in leven en bloei, het andere oogenblik op sterven. Zoodra
hij in beteren doen komt, leeft hij weêr op wegens de natuur van
zijn vader, maar de welstand ontglipt hem telkens weêr. Zoodat
Eroos nooit gebrek lijdt, maar ook nooit rijk is. Tusschen wijsheid
weêr en onwetendheid bevindt hij zich in 't midden. Hiermede staat
het zóo: geen der goden wijsgeert of begeert wijs te worden;
want hij is het. [204] Ook wanneer een ander wezen wijs is, wijsgeert
hij niet. En ook de onwetenden van hunnen kant doen niet aan wijsbegeerte
en verlangen niet wijs te worden. Want dat is juist de moeilijkheid
van onverstand, dat men niet schoon, niet goed, niet verstandig is en
toch met zichzelf tevreden. Immers iemand die niet meent behoeftig te
zijn, begeert niet naar wat hij niet meent tekort te komen." -
,,Wie dan, o Diotima, zijn zij die wel aan wijsbegeerte doen, als het
noch de wijzen noch de onwetenden zijn?" - ,,Dat is nu zelfs een
kind duidelijk: die tusschen die twee in staan. Tot wie zeker ook Eroos
behoort. Want tot de schoonste dingen behoort wijsheid, en Eroos is
liefde om het schoone, zodat noodzakelijk Eroos wijsgeerig is, en als
wijsgeerig tusschen wijs en onwetendin is. De oorzaak ook van deze dingen
is voor hem zijn afkomst. Want hij is uit een wijzen en welbemiddelden
vader, maar uit een niet-wijze en nooddruftige moeder. Dit derhalve,
o vriend Sokrates, is de natuurlijke aard van den daimoon. Maar hoe
gij aan uwe meening omtrent Eroos gekomen zijt, is niets verwonderlijks.
Gij dacht, naar ik uit uw beweringen meen te kunnen opmaken, dat Eroos
datgene is wat bemind wordt, niet datgene wat bemint. Daarom kwam u,
denk ik, Eroos alschoon voor. Want het beminnenswaarde is in waarheid
schoon en teeder en volmaakt en gelukzalig te prijzen, maar datgene
wat bemint heeft een ander wezen, zulk een als ik beschreven heb."
- Ik zeide: ,,Goed dan, o gastvriendin; want gij spreekt schoon... Als
Eroos zoodanig is, welk nut heeft hij dan voor de menschen?" -
,,Dat, o Sokrates, zal ik u nu na het voorafgaande trachten te leeren.
Eroos is namelijk inderdaad van dien aard en is zoo ontstaan; en hij
is liefde tot het schoone, zooals gij zegt. Maar als iemand ons nu vroeg:
Waarin bestaat Eroos´ liefde tot het schoone, o Sokrates en Diotima?
of - zóo zal ik het duidelijker zeggen: Hij die het schoone liefheeft,
welk doel heeft hij met zijn liefde?" - ,,Dat het zijn zal worden."
- ,,Uw antwoord maakt nog de volgende vraag noodzakelijk: wat zal hij
zijn die in het bezit gekomen is van het schoone?" - ,,Ik ben nog
niet in staat op die vraag zoo voor de hand te antwoorden." - ,,Wel,
doe alsof men voor het schoone het goede in de plaats zette en u vroeg:
Zeg, Sokrates, welk doel met zijn liefde beoogt hij die op het goede
verliefd is?" - ,,Dat het zijn zal worden." - ,,En wat zal
die man zijn, die tot het bezit van het goede geraakt?" - ,,Daar
kan ik gemakkelijker antwoord op geven: hij zal gelukzalig zijn."
- [205] ,,Ja, want door het bezit van het goede is het, dat de gelukzaligen
gelukzalig zijn, en men behoeft verder niet te vragen, met welk doel
iemand gelukzalig wil zijn. Het antwoord lijkt zijn einddoel bereikt
te hebben." - ,,Dat is de waarheid." - ,,Denkt gij dat die
wil en die liefde aan alle menschen gemeen is, en dat allen altijd willen
dat het goede hun eigen zal worden, of wat anders beweert gij?"
- ,,Zoo is het, die liefde is aan allen gemeen." - ,,Maar hoe komt
het dan, o Sokrates, als allen altijd liefde hebben voor dezelfde dingen,
dat wij zeggen, dat niet alle menschen liefhebben, maar sommige wel,
andere niet?" - ,,Ik sta er zelf ook verwonderd over." - ,,Verwonder
u maar niet. Dat komt omdat wij éen soort van liefde afzonderen
en die liefde noemen met den naam van het geheel, en voor de andere
soorten andere namen gebruiken." - ,,Evenals bijvoorbeeld?"
- ,,Hier is een voorbeeld. Gij weet dat poëzie een veelvoudig begrip
is; want voor alles wat uit het niet-bestaande tot bestaan komt, is
poëzie de scheppende oorzaak, zoodat de werkzaamheden onder alle
kunsten begrepen poëzie zijn, en al de uitoefenaars daarvan poëten."
- ,,Gij zegt de waarheid." - ,,Maar toch, zooals gij weet, worden
zij niet poëten genoemd, maar hebben andere namen. Doch uit de
poëzie als geheel wordt éen klein deel afgezonderd, dat
te maken heeft met muziek en maat, en wordt benoemd met den naam van
het geheel. Want dit alleen wordt poëzie geheeten, en zij die dit
kleine deel der poëzie uitoefenen, poëten." - ,,Dat is
waar." - ,,Zoo gaat het ook met het begrip liefde. In 't algemeen
is alle begeerte naar het goede en naar gelukkig-zijn, liefde. Toch
bij de éenen, die zich vele andere kanten uit op liefde toeleggen,
in geldverdienen, in lichaamsoefening, in wijsbegeerte, spreekt men
niet van beminnen en men noemt hen niet minnaren. Maar die zich op éen
enkel onderdeel toeleggen en zich daarin beijveren, krijgen den naam
van het geheel. Daar spreekt men van liefde, beminnen, minnaars."
- ,,Gij zegt de waarheid, lijkt mij." - ,,Er wordt ook wel beweerd,
dat die hun weêrhelft zoeken, beminnen; maar mijn beweren is,
dat Eroos liefde is noch naar een helft noch naar een geheel, wanneer
die helft of dat geheel niet iets goeds is. Immers, zelfs hun eigen
beenen en armen willen de menschen wel laten afsnijden, indien hun eigen
deelen hun lijken boos te zijn. Want niet zijn eigen, denk ik, heeft
ieder graag, of het moet zijn dat men het goede eigen noemt, het kwade
vreemd. Want niets anders is het waarvoor de menschen liefde hebben,
dan voor het goede. [206] Of vindt gij van wel?" - ,,Neen bij Zeus,
ik niet." - ,,Kunnen wij dus zoo-zonder-meer zeggen, dat de menschen
liefde hebben voor het goede?" - ,,Ja." - ,,Hoe dan? Moet
er niet aan toegevoegd worden, dat hun liefde ook daarop gericht is,
dat het goede hun eigen worde?" - ,,Dat moet er aan toegevoegd
worden." - ,,En niet alleen dat het het hunne zal zijn, maar ook
voor altijd?" - ,,Ja, dat ook." - ,,Dan is alles-tezamen-genomen
Eroos liefde naar het goede, dat het iemands eigen worde voor altijd."
- ,,Dat is allerwaarst."
,,Wanneer dan liefde steeds dit doel en voorwerp heeft," zeide
Diotima, ,,op welke wijze en in welke toepassing moet men het dan najagen,
zoodat iemands ijver en inspanning liefde zou kunnen genoemd worden?
Wat voor bezigheid is dat? Kunt gij mij dit zeggen?" - ,,Dan zou
ik, o Diotima, niet in bewondering voor uwe wijsheid en juist om die
dingen te leeren tot u komen om onderricht." - ,,Wel, dan zal ik
het u zeggen. Dat is namelijk verwekken in het schoone zoowel naar lichaam
als naar ziel." - ,,Zienersgave is noodig om te verstaan wat gij
zegt. Ik begrijp het niet." - ,,Dan zal ik het duidelijker zeggen.
Alle menschen toch, o Sokrates, zijn zaadzwanger zoowel naar het lichaam
als naar den geest, en wanneer zij op een bepaalden leeftijd gekomen
zijn, verlangt onze natuur te verwekken. En verwekken kan zij niet in
het leelijke, maar alleen in het schoone. Deze zaak is een goddelijke
iets, en is in het levende wezen, sterfelijk als het is, het onsterfelijke:
de drang tot bevruchten en het verwekken. Maar dit kan onmogelijk geschieden
in het niet-aanpassende. En niet-aanpassend is het leelijke aan al wat
goddelijk is, maar wel-aanpassend het schoone. Eene Moira derhalve en
eene Eileithyia is de schoonheid tot het verwekken. Wanneer daarom het
zaadzwangere iets schoons nadert, wordt het blijde en lost zich op in
vreugde en bezwangert en verwekt. Maar als het nadert tot iets leelijks,
wordt het bedrukt en verdrietig en trekt samen en wendt zich af en rolt
zich inéen en verwekt niet, maar houdt zijn zaad in en draagt
het met kommer. Daarvandaan is het zaadzwangere en reeds driftrijpe
in groote opwinding in de buurt van het schoone, omdat dit hem die in
dien toestand is, van zware weeën verlost. Want, o Sokrates, Eroos
is niet, zooals gij denkt, liefde tot het schoone." - ,,Wat dan?"
- ,,Begeerte naar verwekking en bevruchting in het schoone." -
,,'t Is mogelijk." - ,,Neen, dat is zeker... Waarom hij dan wel
begeerte naar verwekking is? Omdat de verwekking voor hem als sterfelijke
het vereeuwigende en onsterfelijke is. [207] En naar onsterfelijkheid
in verband met het goede moet Eroos noodzakelijk verlangen op grond
van wat vroeger overeengekomen is, indien het waar is dat Eroos is begeerte
naar het goede, dat dit zijn zal wezen voor altijd. Noodzakelijk is
het op grond van deze redeneering, dat Eroos liefde is ook tot onsterfelijkheid."
In al deze dingen nu placht zij mij te onderrichten, zoovaak zij over
Eroos gesprek voerde. Ook vraagde zij mij eens: ,,Wat denkt gij wel,
o Sokrates, dat de oorzaak is van die liefde en begeerte? Of hebt gij
niet opgemerkt in wat opgewonden toestand al de dieren geraken, wanneer
zij verlangen hebben te verwekken, zoowel op den grond wandelende als
gevleugelde, dat zij alle in een ziekelijken en verliefden toestand
zijn, eerst om met elkander te paren, dan om het grootbrengen van wat
hun geboren werd, en dat zij bereid zijn ter verdediging daarvan tot
het laaste toe te vechten, de zwakste met de sterkste, en ervoor te
sterven, en dat zij zichzelf door honger kwellen om dat groot te brengen
en niets ontzien? Van de menschen zou men kunnen denken, dat zij dit
uit overleg doen; maar wat is de oorzaak, dat de dieren in zulk een
verliefden toestand zijn? Kunt gij dat zeggen?" - ,,Ik zeide weêr,
dat ik het niet wist. - ,,Denkt gij ooit degelijk onderlegd te zullen
worden in de kennis van Eroos, als gij dit niet inziet?" - ,,Juist
daarom, o Diotima, zooals ik daarstraks al zeide, kom ik tot u, omdat
ik behoefte gevoel aan leermeesters. Zeg mij dus hiervan de reden en
van alle andere dingen die met Eroos te maken hebben." - ,,Als
gij nog altijd overtuigd zijt, dat Eroos van nature de liefde is tot
datgene wat wij vele malen overeengekomen zijn, verwonder u dan niet.
Want ook in dit geval streeft, volgens dezelfde redeneering als daarstraks,
de sterfelijke natuur naar haar vermogen eeuwig te zijn en onsterfelijk.
Zij kan het alleen op deze wijze, dat zij altijd een nieuw jong wezen
in de plaats van het oude achterlaat. Immers, ook voor zoolang elk der
levende wezens als eenheid heet te leven en hetzelfde te zijn: bijvoorbeeld,
iemand gaat van-kind-af tot hij een oud man geworden is, voor denzelfde
door, - toch al wordt hij aldoor met denzelfden naam genoemd, blijft
hij nooit bestaan uit dezelfde deelen, maar wordt altijd weêr
verniewd, en verliest het oude in haren en vleesch en gebeente en bloed
en heel zijn lichaam. En niet alleen in het lichaam, maar ook in de
ziel blijft bij niemand ooit aanleg, karakter, meeningen, begeerten,
vreugden, smarten, vreezen als dezelfde bestaan, maar nieuw ontstaat,
oud vergaat. Ja wat nog veel bevreemdender is, [208] ook onze weetbegrippen
ontstaan aanhoudend en vergaan, zoodat wij nooit dezelfden zijn ook
niet in ons weten, en dat niet alleen, maar ook met elk der begrippen
afzonderlijk gaat het zoo. Want wat men zich bezinnen noemt, geschiedt
omdat het begrip van ons uitgaat. Want vergeten is de uitgang van het
weten, doch bezinning schept, in de plaats van het weggaande, een nieuw
begrip, en redt het weten, zoodat het den schijn heeft hetzelfde te
zijn. Op deze wijze toch wordt al het sterfelijke in 't leven behouden,
niet doordat het geheel-en-al eeuwig hetzelfde blijft als het goddelijke,
maar doordat het heengaande en verouderende altijd een ander nieuw ding,
gelijk aan wat het zelf was, in zijn plaats achterlaat. Door dit hulpmiddel,
o Sokrates, heeft het sterfelijke aan de onsterfelijkheid deel in lichaam
en in alle andere opzichten. Anders is het niet mogelijk. Verwonder
u dus niet, als alles van nature zijn eigen voortteelsel in eere houdt;
want om der onsterfelijkheid wille kleeft deze ijver en liefde alles
aan."
En ik, op het hooren van haar betoog, verbaasde mij en zeide: ,,Laat
even goed zijn, o zeer wijze Diotima, is het hiermeê in waarheid
zoo gesteld?" - ,,En zij, in den toon der volslagen vakgeleerden,
antwoordde: ,,Wees er zeker van, o Sokrates. Immers, ook wanneer gij
letten wilt op de eerzucht der menschen, zult gij, wanneer gij niet
in gedachte houdt wat ik tot u gesproken heb, u verbazen over hun onzinnigheid,
hoe geweldig opgewonden zij zijn door begeerte om befaamd te worden
en zich een onsterfelijken roem voor alle tijden te grondvesten, en
hoe om dien te verwerven zij bereid zijn alle gevaren te doorstaan nog
eerder dan om hunne kinderen, en geld uit te geven en alle mogelijke
moeite te doen en terwille daarvan te sterven. Want gelooft gij, dat
Alkestis voor Admetos gestorven zou zijn, of Achilleus Patroklos achternagestorven,
of uw Kodros ter redding van het koningschap zijner zonen van-te-voren
den dood zou ingegaan zijn, indien zij niet geloofd hadden dat hun eigen
deel een onsterfelijken nagedachtenis van deugd zou zijn, welke wij
nu bewaren? Verre-van-dien. Maar om onsterfelijken deugdroem en zulk
een roemruchtigen naam, geloof ik, zijn allen tot alles bereid, des
te meer naarmate zij zelven uitnemender zijn. Want op het onsterfelijke
zijn zij verliefd.
Die dan nu zaadzwanger zijn naar het lichaam, wenden zich bij voorkeur
tot vrouwen en zijn in die richting verliefd, daar zij door middel van
kinderverwekking onsterfelijkheid en nagedachtenis en geluk, naar zij
meenen, zich voor al den komenden tijd verschaffen. Maar die naar de
ziel zaadzwanger zijn, - want zulken zijn er, die in hun zielen zaadzwanger
zijn en nog meer dan in hun lichamen aan wat der ziel past te verwekken
en te baren - waar behooren dezen zwanger aan te gaan? [209] Aan inzicht
en alle verdere deugd. Van welke dingen dan ook al de dichters verwekkers
zijn en al die bedrijfsbeoefenaars, die scheppende kunstenaars heeten.
Doch het hoogste en schoonste inzicht is dat betrekking heeft op de
inrichting van staat en samenleving, welke wijsheid den naam draagt
van bezonnenheid en rechtvaardigheid. Wanneer nu iemand van-kind-af
aan deze dingen zwanger gaat, een man goddelijk van ziel, en hij wanneer
de tijd daartoe gekomen is, thans verlangt te bevruchten en te verwekken,
dan gaat ook hij, stel ik mij voor, rond en zoekt het schoone waarin
hij zou kunnen verwekken. Want in het leelijke zal hij dat nooit kunnen.
Van de lichamen nu zijn de schoone hem, zaadzwanger als hij is, meer
welkom dan de leelijke, en wanneer hij daaronder een schoone, edele,
welgeschapen ziel aantreft, heet hij de vereeniging van die beide meest
welkom, en tegenover dien mensch heeft hij terstond overvloed van woorden
omtrent deugd, en hoe de uitnemende man behoort te wezen en waarmeê
zich bezig te houden, en hij onderneemt het op te voeden. Want daar
hij, naar ik meen, in beroering is met het schoone en in dagelijksch
verkeer daarmeê, bevrucht hij en verwekt hij waar hij allang zaadzwanger
aan ging, in afwezigheid en aanwezigheid daar altijd aan gedachtig,
en het verwekte brengt hij gemeenschappelijk met den ander groot. Zoodat
dezulken veel grooter gemeenschap met elkander krijgen en houden dan
die van lijfelijke kinderen en een hechteren vriendschapsband, aangezien
zij schoonere en onsterfelijkere kinderen gemeen hebben. En een ieder
zou gaarne willen, dat hem zoodanige kinderen geboren werden, liever
dan mensch-kinderen, wanneer hij in bewonderenden ijver ziet naar Homeros
en Hesiodos en de overige goede dichters, wat voor nakomelingen zij
van zichzelven nalaten, die hun onsterfelijken roem en gedachtenis verschaffen,
daar zij zelf onsterfelijk zijn. Of als gij een ander voorbeeld wilt,
zulke kinderen als Lykoergos heeft nagelaten als redders van Lakedaimoon
en om-zoo-te-zeggen van geheel Hellas. En in eere bij u Atheners is
ook Soloon om zijn vaderschap over uwe wetten, en andere mannen op vele
andere plaatsen, zoowel bij de Hellenen als bij de barbaren, die door
het scheppen van vele schoone werken allerhande deugd hebben verwekt.
Hun zijn dan ook reeds vele heiligdommen gebouwd om zulke kinderen,
maar om vleeschelijke kinderen nog nooit voor iemand.
[210] Zoover kunt ook gij allicht, o Sokrates, in de geheimenissen van
Eroos worden ingewijd, maar tot de voleindige en aanschouwende wijding,
terwille waarvan ook al het voorgaande blijkt te bestaan wanneer iemand
zich daarop naar behooren toelegt, weet ik niet of gij wel in staat
zoudt zijn. Toch zal ik het u meedeêlen en het niet aan bereidwilligheid
laten ontbreken. Tracht mij te volgen, als gij bij machte zijt. Wie
namelijk zich hierop behoorlijk toelegt, moet in zijn jeugd beginnen
zich te richten tot de schoone lichamen, en eerst, als zijn gids hem
goed leidt, zelf op éen van hen zich verlieven en daarin schoone
redenen verwekken, maar daarna uit zichzelf inzien, dat het schoone
in een bepaald lichaam met het schoone in een tweede lichaam verbroederd
is. Zoo zal hij inzien, dat wanneer men het uiterlijk schoon moet najagen,
het groote dwaasheid is de schoonheid in alle lichamen niet voor éen
en hetzelfde te houden. Hij wordt dan minnaar van alle schoone lichamen
samen en zal zijn heftige liefde tot dat éene laten schieten,
daar hij het heeft leeren versmaden en klein achten. Daarna moet hij
de schoonheid der zielen meer waard achten dan de lichamelijke schoonheid,
zoodat ook wanneer iemand die een geschikte ziel bezit, maar geringen
lijfsbloei vertoont, dat hem genoeg zij om het lief te hebben en te
verzorgen en zulke redenen daarin voort te brengen en op te sporen als
jonge menschen beter kunnen maken. Het doel wordt dan weêr dat
hij tot de aangschouwing genoopt wordt van het schoone in de leefplichten
en de wetten en zeden en ziet dat al dat schoon onderling met zichzelf
verwant is. En na de leefplichten moet Eroos hem voeren tot de wetenschappen,
opdat hij de schoonheid zie der wetenschappen op haar beurt, en het
schoone reeds als iets wijduitgestrekts overblikkend, niet meer als
een huisslaaf verknocht zij aan de schoonheid in éen enkel voorwerp,
een onnut en woordenkramend dienstknecht van een knaap of eenig mensch
of éen enkele levenstaak, maar in gestadige aanschouwing gekeerd
naar de wijde zee der schoonheid vele schoone heerlijke woorden voortbrenge
en gedachten in overvloedende wijsbegeerte, totdat hij op die hoogte
gesterkt en volwassen, gewaar worde éen bepaald zoodanig begrip
van een schoon als ik zeggen ga... Tracht zooveel mogelijk oplettend
te zijn," zeide zij.
,,Wie namelijk tot hiertoe zich in Eroos' onderwijs heeft laten leiden
en in juiste volgorde het schoone aanschouwd, die zal, reeds naderend
tot Eroos' laatste wijding, plotseling iets van nature wonderlijk schoons
aanschouwen, dat juist, o Sokrates, ter wille waarvan alle vroegere
moeiten geweest zijn, [211] iets dat allereerst eeuwig is en noch ontstaat
noch vergaat, noch toeneemt noch afneemt, verder niet in éen
opzicht schoon, in 't andere leelijk, en ook niet nu-eens schoon, dan-weêr
niet, of vergeleken met het éene schoon, met het andere niet,
of op de éene plaats schoon, op de andere niet. Ook zal dat schoone
geen gedaante hebben, bijvoorbeeld eenig gelaat of handen of iets anders
dat bij een lichaam behoort, en het zal niet eenig woord zijn en niet
een-of-andere wetenschap, en het zal niet ergens in eenig tweede ding
aanwezig zijn, als in een levend wezen of op de aarde of in den hemel
of in eenig ander ding, maar op zichzelf met zichzelf eeuwig enkelvormig.
Al het overige schoon zal blijken daaraan deel te hebben op zulk een
wijze dat, terwijl het overige ontstaat en vergaat, dat noch meerder
wordt noch minder, maar geheel buiten allen invloed blijft. Wanneer
dan iemand uitgaand van de verschijnselen hier, bij wege van zijn ordelijke
wijze van jongemenschen lief te hebben opklimmende, dat schoon begint
gewaar te worden, raakt hij bijna aan de eindwijding. Want dit is de
ordelijke wijze om zich toe te leggen op Eroos' onderwijzing of door
een ander daarin geleid te worden, dat men begint vanaf deze verschijnselen
hier van schoonheid aldoor ter wille van dat andere schoon op te stijgen
als langs trappetreden, van éen schoon lichaam tot twee en van
twee tot alle schoone lichamen, en van de schoone lichamen tot de schoone
leefplichten, en van de leefplichten tot de schoone wetenschappen, om
van de wetenschappen ten slotte te geraken tot die wetenschap, welke
de wetenschap is van niets anders dan van dat schoon. Op die levenshoogte,
o mijn waarde Sokrates," zeide de Mantineiische vreemdelinge, ,,indien
ergens anders, is 't een mensch leefbaar, in voortdurende aanschouwing
van het schoone zelf. Indien gij dit eenmaal zult gezien hebben, zal
het u toeschijnen niet te vergelijken te zijn met goud en kleedij of
met de schoone knapen en jongelingen, bij 't zien van wie gij nu buiten
uzelf zijt. En nu zijt gij zoowel als vele anderen, als gij maar steeds
uw lievelingen kunt zien en met hen samenzijn, bereid, indien het mogelijk
was, niet te eten en niet te drinken, om alleen hen aan te zien en met
hen samen te zijn. Wat moeten wij dan dáarvan wel denken,"
zeide zij, ,,wanneer het iemand gebeuren mocht het schoone zelf te zien,
louter, rein, onvermengd, niet onkenbaar gemaakt door menschvleesch
en menschkleur en veel anderen sterfelijken smuk, maar hij het goddelijke
enkelvormige schoon zelf zou kunnen gewaarworden? [212] Meent gij dat
dit een onwaardig leven zou zijn voor een mensch om daarop steeds te
zien en dat te aanschouwen naar behoort en daarmeê samen te zijn?
Of bevroedt gij niet, dat daar alleen het hem gebeuren zal om, ziende
het schoone met het eenige oog waarmeê het gezien kan worden,
niet schijnbeelden van deugd voort te brengen, maar ware deugd, daar
hij immers met de waarheid in beroering is; en dat een die ware deugd
voortbrengt en kweekt, onvoorwaardelijk godgevallig, en zoo eenig mensch,
zeker die mensch onsterfelijk wordt?"
Deze dingen, o Phaidros en gij overigen, zeide Diotima mij, en ik ben
van hun waarheid overtuigd. En overtuigd als ik ben, tracht ik op mijn
beurt ook de overige menschen te overtuigen, dat men voor de menschelijke
natuur niet gemakkelijk een beteren helper zal vinden dan Eroos om tot
dit bezit te komen. Daarom is het dan dat ik beweer, dat een ieder man
Eroos behoort te eeren en ik zelf zijn onderwijs eer en mij daarin bizonder
oefen en de anderen daartoe aanspoor en zoo nu als altijd de macht en
manmoedigheid van Eroos loof voor-zoo-ver ik bij machte ben. Van deze
rede dan, o Phaidros, moogt gij meenen, als gij goedvindt, dat zij als
lofrede op Eroos is uitgesproken, of anders, hoe en met wat naam het
u lief is haar te noemen, noem haar zoo."
Na deze woorden van Sokrates begonnen de overigen hem te prijzen en
trachtte Aristofanes juist iets te berde te brengen naar aanleiding
dat Sokrates op zijn rede gezinspeeld had, toen plotseling met veel
gedruisch, zeker van feestgangers, op de huisdeur werd aangeklopt, en
men het geluid van een fluitspeelster hoorde. Agathoon zeide toen: ,,Slaven,
gaat eens zien. Wanneer het een mijner goede bekenden is, noodigt hem
dan binnen. Maar zegt anders, dat wij niet meer drinken, maar reeds
te bed zijn." Dadelijk daarop hoorde men de stem van Alkibiades
in den voorhof, erg dronken en luid roepend: ,,Waar is Agathoon? Brengt
mij naar Agathoon!" Hij werd tot hen binnengeleid, onder de armen
gesteund door de fluitspeelster en sommige anderen van zijn gezelschap,
en bleef in de deur staan, zelf met een soort dichten krans op van klimop
en viooltjes en met nog heel veel haarlinten op zijn hoofd. ,,Mannen,
weest gegroet," zeide hij. ,,Wilt gij een heel erg dronken man
als drinkgenoot opnemen? Of moeten wij direkt weêr heengaan na
alleen Agathoon bekranst te hebben, waartoe wij gekomen zijn? Want ik
was gisteren niet in de gelegenheid te komen, maar nu ben ik gekomen
met haarbanden, als gij ziet, aan mijn hoofd, om vanaf mijn hoofd het
hoofd van den wijsten en schoonsten man, als ik het zoo zeggen mag,
te bekransen. Zult gij mij als een dronken man uitlachen? [213] Al lacht
gij, ik weet toch zeer wel, dat ik de waarheid spreek. Maar zegt mij,
vóor ik nader kom, neemt gij mijn voorwaarden aan, en moet ik
binnenkomen of niet? Wilt gij met mij meêdrinken of niet?"
Allen begroetten hem met luid applaus, en zeiden dat hij binnen zou
komen en gaan aanliggen. En Agathoon noodigde hem nog in 't bizonder,
en hij kwam op hem af, geleid door zijn menschen, en terwijl hij bezig
was de haarbanden van zijn hoofd te nemen om Agathoon te omkransen,
kreeg hij die voor zijn oogen te hangen en werd daardoor Sokrates niet
gewaar, maar zette zich neêr naast Agathoon tusschen Sokrates
en dezen in; want Sokrates was wat opzij geschoven. Toen hij eenmaal
naast hem zat, omhelsde hij Agathoon en bekranste hem. Agathoon dan
zeide: ,,Ontbindt, slaven, Alkibiades' sandalen. Dan kan hij hier als
derde man aanliggen." - ,,Gaarne," zeide Alkibiades, ,,maar
wie is deze onze derde drinkgenoot?" Meteen keerde hij zich om
en zag Sokrates en sprong op. ,,O Herakles! Wat is dit nu weêr?
Zijt gij het, Sokrates? Hadt gij u daar weêr in hinderlaag tegen
mij gelegd, zooals gij vroeger gewoon waart plotseling op te duiken
waar ik u minst verwachtte? En wat komt gij nu weêr doen? En waarom
zijt gij nu weêr op deze plaats gaan aanliggen? Hoe komt het dat
gij niet aanligt bij Aristofanes of eenig ander lustig of would-be-lustig
tafelgenoot? Hoe hebt ge weêr doorgezet om aan te liggen naast
den schoonsten der aanwezigen?" - ,,Agathoon," zeide Sokrates,
,,doe al uw best mij te helpen. Want mijn liefde tot dezen mensch is
mij tot geen geringen last geworden. Van dien tijd toch dat ik mij eens
op hem verliefd heb, staat het mij niet meer vrij eenig schoon man aan
te zien of met hem te spreken, zonderdat hij uit naijver en afgunst
wonderbaarlijk te keer gaat en mij uitscheldt en met moeite zijn handen
van mij afhoudt. Pas op dat hij ook nu niet aan den gang gaat, maar
verzoen ons, of als hij met geweld begint, bescherm mij dan; want ik
ben voor razenij en jaloersche aanhankelijkheid erg benauwd." -
,,Daar is," zeî Alkibiades, ,,tusschen mij en u geen kans
op verzoening. Doch hiervoor zal ik wel een andere keer op u wraak nemen.
Maar geef mij nu, Agathoon, een deel van de haarbanden terug, opdat
ik ook het bewonderenswaardige hoofd van dezen man hier bekranse, en
hij mij niet moge verwijten, dat ik, terwijl ik u wel bekranste, hem
die in woorden aller menschen overwinnaar is, niet zooals gij eergisteren,
maar altijd-door, niet bekranst heb." Meteen nam hij een deel der
haarbanden, waarmeê hij Sokrates bekranste, en legde zich neêr.
Daarop zeide hij: ,,Lustig wat, mannen! Gij lijkt mij nuchter te zijn.
Dat mag ik niet gedoogen, maar drinken zult gij; want zoo is onze afspraak.
Als voorzitter nu van het drinkgelag benoem ik, totdat gij genoeg gedronken
hebt, mezelf. Doch laat, Agathoon, als er eenig groot drinkvat in huis
is, dat aanrukken. Of liever, het hoeft niet meer, maar breng,"
zeide hij tot een der slaven, ,,dat koelvat daar." [214] Hij had
een koelvat in 't oog gekregen van meer dan acht maten. Dat liet hij
vullen en dronk het eerst zelf uit, en terwijl hij het opnieuw beval
te vullen voor Sokrates, zeide hij: ,,Tegen Sokrates, o mannen, helpt
mijn bedenksel niets. Want zoveel als iemand hem voorzet te drinken,
dat drinkt hij uit en wordt daarom toch nooit dronken." Daarop
dronk Sokrates, toen de slaaf voor hem had ingeschonken. Doch Eryximachos
sprak: ,,Wat is dit nu voor een bezigheid, o Alkibiades? Zullen wij
zoo-maar zonder over iets te praten of een lied bij den beker te zingen
eenvoudig-weg drinken als menschen die dorst hebben?" - En Alkibiades:
,,O Eryximachos, uitnemendste zoon van een uitnemendsten en deugdzaamsten
vader, wees gegroet." - ,,Wees ook gij van mij gegroet. Maar wat
moeten wij doen?" - ,,Al wat gij beveelt. Immers, naar u moet men
luisteren. Want vele andere mannen tezaam is waard de geneesheer. Schrijf
derhalve voor wat gij wilt." - ,,Luister dan. Vóor gij binnengekomen
zijt, hadden wij afgesproken, dat ieder op de beurt van links naar rechts
een rede zou houden tot lofprijs van Eroos zoo mooi als hij kon. Wij
overigen nu hebben allen het woord gevoerd. Maar daar gij nog niet gesproken
hebt en met drinken klaar zijt, behoort gij nu het woord te nemen, en
na gesproken te hebben, kunt gij dan aan Sokrates opdragen wat gij wilt,
en die weêr aan zijn rechter buurman, en de overigen zoo door."
- ,,Wel, o Eryximachos, dat is een uitnemend voorstel. Maar ik ben bang
dat het een onbillijke eisch is, dat een dronken man een rede zou houden
in mededinging met die van nuchteren. Daar komt nog bij, gelooft gij
iets van wat Sokrates daarnet gezegd heeft? Weet gij wel, dat het geheel
het tegenovergestelde is van wat hij zeî. Want hij is het die,
wanneer ik in zijn tegenwoordigheid òf een god òf een
ander mensch dan hem zal prijzen, zijn handen niet van mij zal afhouden."
- ,,Wilt gij wel eens stil zijn," zeide Sokrates. - ,,Neen bij
Poseidoon," antwoordde Alkibiades, ,,hier kunt gij niets tegen
inbrengen. Want ik zou in uw tegenwoordigheid niemand anders kunnen
prijzen." - ,,Wel, doe dat dan, als gij wilt," zeide Eryximachos.
,,Prijs Sokrates." - ,,Wat zegt gij daar? Vindt gij dat dat pas
zou geven, o Eryximachos? Moet ik den man belagen en mij op hem wreken
ten overstaan van ulieden?" - ,,Zeg eens," zeide Sokrates,
,,wat zijt gij van plan? Zult gij mij prijzen om een loopje met me te
nemen, of wat is uw bedoeling?" - ,,De waarheid zal ik zeggen.
Maar gij moet weten, of gij het toelaat." - ,,Voorwaar, de waarheid
te zeggen sta ik gaarne toe en verzoek u." - ,,Dan zal ik onmiddellijk
beginnen," zeide Alkibiades. ,,Maar doe mij dit genoegen. Wanneer
ik iets onwaars zeg, val mij dan in de rede, als gij zoo goed wilt zijn,
en zeg dat ik het daarin mis heb. Want met mijn wil zal ik niets onwaars
zeggen. [215] Als ik echter, naarmate mij de verschillende dingen invallen,
niet alles op zijn juiste plaats zeg, wees daarover niet verwonderd.
Want het is geen gemakkelijk werk om uwe vreemdaardigheid in vloeiende
en goedgeordende redenen te sommen voor iemand in mijn toestand...
Sokrates prijzen, o mannen, zal ik zóo trachten te doen: door
mijn toevlucht te nemen tot beeldspraak. Hij zal nu misschien denken,
dat dit belachlijk-maken bedoelt, maar het beeld zal zijn ter wille
van de waarheid en niet om de lachwekkendheid. Ik beweer dan, dat hij
allergelijkst is aan die bekende hurkbeelden van silenen in de beeldhouwerswerkplaatsen,
die de werklui uitsnijden met herderspijpen en fluiten, en die wanneer
men ze opensluit, binnenin beelden van goden blijken te bevatten. En
verder beweer ik, dat hij in 't bizonder gelijkt op den satyr Marsyas.
Dat gij, o Sokrates, in uiterlijk aan de silenen gelijk zijt, zoudt
gij ook zelf allicht niet willen betwisten. En luistert verder, hoe
gij ook in de overige dingen op hen gelijkt. Een overmoedige spotter
zijt gij. Of niet? Want als gij het niet toegeeft, zal ik getuigen voorbrengen.
En een fluitspeler? Een veel bewonderenswaardiger fluitspeler dan Marsyas.
Deze betooverde de menschen door de macht die van zijn mond uitging
met behulp van instrumenten, en dat doet nu nog ieder die zijn muziek
speelt. Want de muziek van Olympos noem ik Marsyas' muziek, daar deze
zijn leermeester is geweest. Hetzij nu een kundig fluitspeler hetzij
een minderwaardige fluitspeelster zijne wijzen speelt, is alleen die
muziek in staat de toehoorders te bevangen en brengt door haar eigenschap
van goddelijk te zijn onder hen diegenen aan het licht, die behoefte
gevoelen naar de goden en goddelijke wijding. Gij verschilt van dezen
alleen in zooverre, dat gij zonder behulp van instrumenten met bloote
woorden datzelfde uitwerkt. Wij tenminste, wanneer wij iemand anders,
ook al is hij een nog zoo goed redenaar, het woord hooren voeren over
andere onderwerpen, trekken ons om-zoo-te-zeggen daar niets van aan;
maar wanneer iemand u hoort of uw woorden bij monde van een ander, ook
al is die zeer slecht-bespraakt, dan zijn wij, of het een vrouw is of
een man of een knaap die ze hoort, buiten onszelven en worden bevangen
gehouden. Ik tenminste, o mannen, zou, wanneer ik niet daardoor den
indruk ging maken van geheel-en-al dronken te zijn, onder eede u verhalen
wat uitwerking op mij persoonlijk zijne woorden gehad hebben en ook
nu nog hebben. Want wanneer ik hem hoor, bonst mij hart òp in
mij erger dan bij wie in korybantische geestvervoering zijn, en mijn
tranen stroomen. Ook bij zeer vele anderen zie ik datzelfde gebeuren.
Perikles hoorde ik meermalen en andere goede redenaars, en vond wel
dat zij uitstekend spraken, maar niets van dien aard ondervond ik, en
mijn ziel kwam niet in luiden opstand van zelfverwijt, als was ik er
slaafsch aan toe. Maar door dien Marsyas daar ben ik meermalen in zoo
een toestand gebracht, dat ik meende niet te kunnen leven wanneer ik
bleef die ik was. [216] Hiervan, o Sokrates, zult gij niet zeggen, dat
het niet de waarheid is. En ook nu nog ben ik met mijzelven zeker, dat,
als ik hem het oor zou willen leenen, ik het niet uit zou houden, maar
hetzelfde ondergaan. Want hij dwingt mij toe te geven, dat ik zelf nog
veel tekort kom, en toch mijn eigen persoon verwaarloos en mij met de
zaken der Atheners bemoei. Ik doe daarom mijzelf geweld aan en loop
als van de Sirenen met dichtgestopte ooren hard van hem weg om niet
bij hem te blijven zitten in dadeloosheid, en zoo oud te worden. En
tegenover hem alleen van alle menschen heb ik het gevoel gehad, dat
men zou meenen niet in mij te zijn, het gevoel van mij te schamen voor
wien-dan-ook. Maar voor hem alleen schaam ik mij. Want ik ben mij bewust,
dat ik niet in staat ben hem tegen te spreken, dat ik behoor te doen
wat hij van mij eischt, maar wanneer ik van hem weg ben, bezwijk ik
voor het eerbetoon der menigte. Derhalve ontloop en ontvlucht ik hem,
en als ik hem zie, schaam ik mij over wat ik hem heb toegegeven. En
vaak zou ik met vreugde zien dat hij niet meer onder de menschen was,
maar als aan den anderen kant dat gebeurde, weet ik wel, dat ik veel
meer leed over zou hebben, zoodat ik niet weet wat ik met dezen mensch
moet aanvangen.
Tengevolge van zijn fluitspel nu hebben zoowel ik als vele anderen zulke
dingen ondervonden van dezen satyr. Maar hoort van mij verder, hoe gelijk
hij is aan de wezens bij wie ik hem vergeleken heb, en hoe wonderlijk
een macht hij heeft. Want weet wel, dat niemand van u dezen man kent;
maar ik zal hem u openbaren, nu ik toch eenmaal aangevangen ben. Want
gij ziet dat Sokrates verliefd is op de schoonen en altijd om-en-bij
dezen is en buiten zichzelf is van bewondering en al het andere vergeten
is en van niets afweet naar zijn uiterlijk doen. Is dat niet silenenaard?
Ja,erg. Want dat heeft hij als een mantel aan den buitenkant om evenals
het gesneden silenenbeeld. Maar van hoe groote kuischheid, o mannen
drinkgenooten, denkt gij wel dat hij, eenmaal geopend, vanbinnen vervuld
is? Gij moet weten dat, of iemand schoon is, hem niets kan schelen,
maar hij acht dit zoo zeer gering als zelfs niet éen zich zou
kunnen voorstellen, en ook niet of iemand rijk is of eenige andere onderscheiding
heeft, die de groote menigte gelukzalig prijst. Maar hij houdt het bezit
van al die dingen voor niets waard en ons (ik verzeker het u) telt hij
voor niets, maar in ironie en jokspel tegenover menschen brengt hij
zijn geheele leven door. En ik weet niet of wel iemand de godenbeelden
binnenin hem gezien heeft, wanneer hij een oogenblik ernstig wordt en
opengaat. Maar ik heb ze vroeger eenmaal gezien, en zij leken mij zoo
goddelijk en gouden te zijn en alschoon en bewonderenswaardig, dat ik
kortweg alles wat Sokrates van mij zou verlangen, besloot te moeten
doen. [217] Ik dacht nu, dat hij ernst maakte met mijn schoonheid, en
meende dat deze een wonderbaarlijke vondst en geluksgift voor mij was,
iets waarmeê ik Sokrates ter wille zou kunnen zijn om zoodoende
alles te weten te komen wat hij wist. Want ik had wonderlijk groote
inbeelding van mijne schoonheid. Zoo overlegde ik, en terwijl ik totnogtoe
gewoon geweest was niet zonder begeleidenden slaaf met hem samen te
zijn, zond ik toen mijn begeleider weg en bleef alleen met hem... Immers,
ik moet tegenover u de volle waarheid vertellen. Volgt mij met aandacht,
en als ik iets onwaars zeg, Sokrates, weêrleg mij dan. Ik bleef
dan alleen met hem, en dacht dat hij dadelijk met mij zou gaan praten
als minnaar met lieveling in eenzaamheid zou doen, en verheugde mij
daarop. Doch hiervan gebeurde heelemaal niets. Hij onderhield zich met
mij zooals hij gewoon was en bracht den dag met mij door en ging ten
slotte heen. Daarop stelde ik hem voor samen met mij aan lichaamsoefening
te doen om misschien daarmeê iets uit te richten. Hij oefende
zich nu samen met mij en worstelde herhaaldelijk met mij zonderdat er
iemand bij was. En... wat moet ik verder nog zeggen? Want ik vorderde
niets. En toen ik nu op deze wijze heel niet opschoot, besloot ik den
man gewelddadig te belagen en niet van hem af te laten, nu ik hem eenmaal
onder handen had, zonder ten slotte te weten te komen, wat er van de
zaak was. Ik nood hem dan om samen met met mij te eten geheel-en-al
als een minnaar die een lieveling belaagt. Ook hieraan gaf hij niet
gauw gehoor. Mettertijd evenwel liet hij zich overhalen. De eerste maal
dat hij ten eten gekomen was, wilde hij na den maaltijd heengaan. En
dien keer liet ik hem uit schaamte gaan. Maar toen ik hem weêr
eens mijn lagen leide, praatte ik, nadat wij klaar met eten waren, onafgebroken
door tot diep in den nacht, en toen hij wilde weggaan, wendde ik voor,
dat het daarvoor te laat was en drong hem te blijven. Hij rustte nu
op het bed naast het mijne, waarop hij ook aangelegen had, en niemand
anders sliep in de kamer dan wij... Tot-zoo-ver is het verhaal geheel
betamelijk en om aan ieder te vertellen. Maar het vervolg zoudt gij
van mij niet hooren, indien niet, als het spreekwoord zegt, wijn, zonder
of met kinderen, gewoon was de waarheid spreken. Verder lijkt het mij
ook onbillijk om, nu ik eenmaal Sokrates ben gaan prijzen, een hooghartige
daad van hem te verduisteren. En verder... Het gaat mij als den man
die door de adder gebeten was. Men zegt immers, dat iemand wien dit
overkomen is, niet wil zeggen wat hij doorstaan heeft, behalve aan menschen
die ook een gebeten zijn, omdat zij alleen het zich kunnen indenken
en hem niet kwalijk zullen nemen, als hij door de pijn ertoe gekomen
is de uitgelatenste dingen te doen en te zeggen. [218] Ik nu was gebeten
door iets pijnlijkers en in het gevoeligste deel waarin iemand kan gebeten
worden: in mijn hart of mijn ziel toch, of met welken anderen naam men
dat behoort te noemen, was ik getroffen en gebeten door de woorden der
wijsbegeerte, die wreeder knijpen dan een adder wanneer zij een jonge
niet onbegaafde ziel aangrijpen, en die iemand ertoe brengen de buitensporigste
dingen te doen en te zeggen... Aan den anderen kant, ik zie hier mannen
als Phaidros en Agathoon en Eryximachos en Aristodemos en Aristofanes.
En wat behoef ik van Sokrates zelf te praten en al de overigen? Immers,
gij hebt allen de razernij en bakchische opwinding van de wijsgeerige
meêgemaakt. Daarom zult gij alles hooren. Want gij zult wat toen
geschied is en wat nu door mij uitgesproken wordt, vergoêlijkend
begrijpen. Maar gij dienaren en iedere andere oningewijde en profane
die hier aanwezig is, sluit uwe ooren met zware deuren. - Nadat dan,
o mannen, de lamp was uitgedoofd en de slaven buiten waren, meende ik
dat ik verder niets tegenover hem behoorde te bewimpelen, maar openhartig
moest zeggen wat ik dacht. Ik raakte hem dus even aan en zeide: ,,Sokrates,
slaapt gij?" - ,,Neen," zeide hij. - ,,Weet gij wat ik bij
mijzelf besloten heb?" - ,,Wat dan wel?" - ,,Gij lijkt mij
de eenige," zeide ik, ,,die waardig is mijn minnaar te zijn, en
het komt mij voor dat gij schroomt mij hierover aan te spreken. Maar
ik sta daar zóo tegenover. Ik vind het zeer dwaas u niet ook
hierin ter wille te zijn, even goed als wanneer gij eenig ander ding
van noode hadt, dat in mijn vermogen is of dat mijner vrienden. Want
niets staat bij mij hooger dan de vraag hoe ik zoo uitnemend mogelijk
zal worden, en ik meen dat niemand een meer aangewezen helper daartoe
voor mij is dan gij. Ik nu zou mij, wanneer ik zulk een man niet ter
wille was, meer schamen voor de verstandige menschen dan ik mij, wanneer
ik u wel ter wille ben, schamen zal voor de groote menigte der onverstandigen."
Toen hij dat gehoord had, zeide hij zeer ironisch en erg zichzelf en
naar zijn gewone doen: ,,Mijn lieve Alkibiades, gij schijnt inderdaad
lang niet dwaas te zijn, indien dat wat gij zegt de waarheid is, en
er werkelijk eenige macht in mij is waardoor gij uitnemender zoudt kunnen
worden. Dan zoudt gij in mij een ongeloofelijk groote schoonheid ontdekt
hebben en eene die oneindig veel verschilt van de uitwendige schoonheid
die in uw bezit is. Als gij nu wegens die ontdekking het onderneemt
aan haar deel te krijgen en schoonheid tegen schoonheid in te wisselen,
is het uw bedoeling geen klein voordeel te behalen, en gij tracht dan
in ruil voor schijnschoonheid ware schoonheid te verwerven, en in waarheid
wilt gij een gouden rusting tegen een bronzen omruilen. [219] Maar kijk,
o gelukzalige, wat beter toe, dat het u niet ontga dat ik niets ben.
Het gezicht van ons verstand begint scherpziende te worden, wanneer
het gezicht onzer oogen in scherpte gaat afnemen. Maar gij zijt daar
nog ver vandaan." Toen ik dit gehoord had, zeide ik: ,,Dat was
wat ik te zeggen had. En niets daaran is anders gezegd dan ik denk.
Maar overleg gij zelf wat gij voor u en voor mij het beste meent."
- ,,Wel, dat is een verstandig woord," zeide hij, ,,want in den
komenden tijd zullen wij samen overleggen en doen wat ons het beste
lijkt, zoowel hierin als in de overige dingen." Na dit gesprek
nu, waarin ik mijn woorden als pijlen op hem had afgeschoten, meende
ik dat hij gewond was. En ik rees op en stond hem niet toe verder nog
iets te zeggen. Ik dekte hem met mijn eigen overkleed - want het was
winter - en legde mij bij hem onder zijn versleten mantel en sloeg mij
armen om dien in waarheid daimonischen en bewonderenswaardigen man,
en lag zoo den geheelen nacht. En ook hiervan weêr zult gij niet
zeggen, o Sokrates, dat ik onwaarheid spreek. Hoewel ik nu zoo ver gegaan
was om dat te doen, overmocht hij zoo zeer mijn schoonheid en minachtte
en versmaadde haar en dreef den spot met haar, o mannen rechters (want
rechters zijt gij over Sokrates' hooghartigheid), dat gij bij alle goden
en godinnen ervan verzekerd moogt zijn, dat ik niet anders van mijn
slapen met Sokrates opstond dan wanneer ik geslapen zou hebben met een
vader of een ouderen broer. Hoe denkt gij nu wel dat ik hierna te moede
was, die meende door hem te zijn gesmaad, maar toch zijn karakter en
bezadigdheid en manmoedigheid bewonderen moest? Had ik niet een man
ontmoet als ik nimmer gemeend had te zullen ontmoeten, van zulk een
inzicht en zulk een standvastigheid? Onmogelijk kon ik mij boos op hem
maken en mij van zijn gezelschap berooven, en ook had ik geen middel
om hem onder mijn invloed te krijgen. Want ik wist wel, dat hij voor
goud aan alle kanten nog meer onwondbaar was dan Aias voor staal, en
bij de aanwending van het eenige ding waardoor ik meende dat hij zich
zou laten vangen, was hij mij ontkomen. Ik wist dan geen uitweg en liep
rond, door dien mensch tot zijn slaaf gemaakt als niemand door eenig
ander.
Dat alles was nu al vantevoren gebeurd, toen wij gemeenschappelijk deelnamen
aan den veldtocht naar Potidaia en daarbij aan dezelfde tafel maalden.
Allereerst was hij in de moeiten van den dienst meer waard niet alleen
dan ik, maar dan alle overigen. Zoovaak wij, zooals dat voorkomt bij
een veldtocht, waren afgesneden en gedwongen om te vasten, [220] beteekenden
de anderen in vergelijking met hem niets om dat uit te houden, en aan
den anderen kant wanneer wij het eens bizonder goed hadden, was hij
alleen de man om dat te genieten, en bij die gelegenheden was hij onder
andere in het drinken (wanneer hij ertoe gedwongen werd, want uit zichzelf
deed hij het niet) allen de baas. En wat het allerverwonderlijkste is,
geen enkel mensch heeft Sokrates nog ooit dronken gezien. Hiervan nu
denk ik dat ook zoo dadelijk weêr het bewijs zal worden geleverd.
Wat betreft het uithouden van de winterkoude (want de winters zijn daan
streng) heeft hij wonderen gedaan. Eens toen de vorst zoo hevig was
als maar kan, en iedereenòf niet buiten kwam, òf als hij
uitging, verbazend veel kleêren aanhad en schoenen droeg en de
beenen ingewikkeld had in viltlappen en schaapsvachten, ging hij onder
hen uit met zoo'n overkleed als hij ook vroeger gewoon was te dragen,
en hij liep blootsvoets met meer gemak door het ijs dan de anderen geschoeid.
En de soldaten namen hem wantrouwend waar als deed hij dit om zijn minachting
voor hen te toonen.
En dat tot daaraantoe. Doch
dit ook weêr, dat de krachtige held uitstond en te weeg bracht
daar in den loop van den veldtocht, is waard gehoord te worden. 's Morgens
vroeg eens kreeg hij een inval en bleef, op de plaats waar hij was,
daarover staan redeneeren in zichzelf en toen hij er niet meê
opschoot, gaf hij het niet op, maar bleef staan nadenken. En reeds was
het middag, en de menschen werden er opmerkzaam op, en in hun verwondering
vertelden zij de éen aan den ander, dat Sokrates van 's morgens
vroeg af over iets stond te peinzen. Ten slotte droegen enkele der jonge
mannen, toen het avond was, na den maaltijd hun veldbedden naar buiten
(want toen was het zomer) en gingen daar slapen in de koelte en om tegelijk
een oog op hem te houden, of hij ook gedurende den nacht daar zou blijven
staan. Hij bleef staan tot het dageraad geworden was en de zon opgekomen
was. Toen verrichte hij zijn gebed aan de zon en ging heen. - Als gij
een voorbeeld wilt uit de gevechten (want ook hierin ben ik verplicht
hem zijn toekomenden lof te geven): toen het gevecht plaats had, na
afloop waarvan de bevelhebbers mij, als bekend is, den prijs van dapperheid
schonken, heeft niemand anders dan hij mij het leven gered, en wilde
mij toen ik gewond was niet achterlaten, maar heeft mij met mijn wapenen
behouden door de vijanden heen gebracht. En ik, o Sokrates, heb toen
dan ook voorgesteld aan de veldheeren u den dapperheidsprijs toe te
kennen. Hiertegen zult gij niets kunnen inbrengen, en gij zult niet
kunnen beweren dat dit onwaarheid is. Maar het hielp mij niet; want
de aanvoerders lieten mijn aanzienlijke afkomst gelden en wilden volstrekt
mij den prijs geven, en gij zelf waart er nog meer op gesteld dan de
veldheeren, dat ik hem krijgen zou en niet gij. - Verder was het nog
de moeite waard, o mannen, Sokrates te zien toen het leger zich in vlucht
terugtrok van Delion. [221] Ik was daarbij als ruiter, hij als zwaargewapende.
Hij trok zich nu terug, toen het gros zich reeds verstrooid had, samen
met Laches. Zoo ontmoete ik hen toevallig, en zoodra ik hen zag, riep
ik hun toe goeden moed te houden, en zeide dat ik hen niet zou verlaten.
Bij die gelegenheid heb ik Sokrates nog mooier waargenomen dan bij Potidaia;
want ik zelf had minder aanleiding tot vrees wegens het feit dat ik
te paard was. In de eerste plaats hoe hij Laches de baas was in tegenwoordigheid
van geest. Verder leek hij mij naar dat bekende woord van u, o Aristofanes,
ook daar weêr evenals hier in stad te wandelen ,,in pauwengang
en trots rondblikkend", rustig aan alle kanten zoo vrienden als
vijanden opnemend; en ook van verre al was het een ieder duidelijk,
dat wanneer iemand dien man zou te lijf gaan, hij zich zeer krachtig
verweren zou. Daarom ook kwam hij veilig weg, zoowel hij als zijn gezel.
Want het komt bijna niet voor, dat zij in den oorlog menschen van die
klaarblijkelijke gezindheid ook maar aanraken, maar zij vervolgen hen
die hals-over-kop vluchten.
Vele andere, zeker bewonderenswaardige dingen nog zou men tot lof van
Sokrates kunnen aanvoeren; maar terwijl men met betrekking tot de overige
levensverhoudingen allicht ook van een ander dingen van denzelfden aard
zou kunnen zeggen, verdient het feit dat hij aan geen der menschen noch
van vroeger noch van tegenwoordig gelijk is, onverdeelde bewondering.
Want als men vraagt naar iemand zooals Achilleus geweest is, zou men
nu Brasidas en anderen met hem kunnen vergelijken, en zooals Perikles,
zou men Nestoor en Antenoor kunnen noemen en anderen meer, en op dezelfde
wijze zou men den overigen beroemdheden een tegenhanger kunnen geven.
Maar een zoo buitennissig mensch als deze is, zoo vreemd in persoonlijkheid
en in woorden, zou men als men zoeken ging, ook niet ten-naaste-bij
vinden, of men zou hem moeten vergelijken met wie ik noemde, met geen
enkelen der menschen, maar met de silenen en de satyrs, hem zelf zoowel
als zijne woorden. Want ook dit onder andere heb ik in het begin overgeslagen,
dat ook zijn woorden allergelijkst zijn aan silenenbeelden die men openen
kan. Als toch iemand naar Sokrates' woorden luisteren gaat, zullen zij
hem op het eerste gehoor belachelijk voorkomen. Met zulke namen en zegswijzen
zijn zij vanbuiten bekleed als met de huid van een spotlustigen satyr.
Want hij heeft het over pakezels en smeden en schoenlappers en leerlooiers,
en schijnt voordurend door middel van dezelfde uitdrukkingen hetzelfde
te beweren, zoodat ieder onervaren en onverstandig man met zijn woorden
den spot zal drijven. [222] Maar wanneer men hen heeft zien opengaan
en binnenin hen komt, zal men in de eerste plaats bevinden, dat zij
de eenige woorden zijn die zin in zich hebben, verder dat zij goddelijkst
zijn en zeer veel beelden van deugd in zich bevatten, en een zeer wijde
bedoeling hebben, of liever doelen op alles waarop een man wiens streven
is een uitmuntend leven te leiden, behoort te letten.
Dit is, o mannen, wat ik in Sokrates te prijzen heb. En ook wat ik in
hem laak, heb ik in mijn lof gemengd en u meêgedeeld: de beleediging
die hij mij heeft aangedaan. En dat heeft hij niet alleen mij gedaan,
maar ook Charmides den zoon van Glaukoon en Euthydemos den zoon van
Diokles en zeer veel anderen, die hij om den tuin leidt alsof hij hun
minnaar was, en tot wier lieveling hij zelf veeleer wordt in plaats
van minnaar. Hiervoor waarschuw ik dan ook u, o Agathoon, dat gij u
niet door hem laat misleiden, maar uit onze ondervindingen leering trekt
en op uw hoede zijt, en niet, volgens het spreekwoord, als een dwaas
door eigen schade wijs wordt."
Toen Alkibiades met deze woorden uitgesproken had, lachte men over zijn
openhartigheid, omdat hij den indruk maakte van nog altijd op Sokrates
verliefd te zijn. Sokrates nu sprak: ,,Gij lijkt mij nuchter te zijn,
o Alkibiades; want anders zoudt gij nooit zoo listig-gevat gepoogd hebben
door een verren omweg te verbergen, om wat reden gij dit alles verteld
hebt. Nu hebt gij dit als een bijzaak aan het eind van uw rede geplaatst,
alsof niet dáarom uw geheele rede geweest was, om twist te stoken
tusschen mij en Agathoon. Gij meent dat ik u en niemand anders beminnen
moet, en dat Agathoon door u en niemand anders bemind mag worden. Maar
gij zijt ons niet ontgaan, doch dat silenen-satyr-drama van u is zeer
duidelijk geweest. Maar laten wij zorgen, mijn lieve Agathoon, dat dit
hem niet gelukt, maar rust u toe, dat niemand twist stoke tusschen mij
en u." - ,,Werkelijk, o Sokrates," zeide Agathoon, ,,gij zegt
de waarheid, schijnt het. En als bewijs laat ik gelden, dat hij midden
tusschen mij en u is gaan liggen om ons van elkander te scheiden. Maar
het zal hem niet lukken; want ik zal naast u komen liggen." - ,,Doe
dat vooral," zeide Sokrates, ,,kom hier ondernaast mij liggen."
- ,,O Zeus, wat moet ik weêr van den mensch doorstaan! Hij vindt
dat hij mij aan alle kanten de baas moet zijn. Als er dan niets anders
opzit, mijn bewonderenswaardige, sta toe dat Agathoon tusschen ons in
komt liggen." - ,,Dat is onmogelijk," antwoordde Sokrates,
,,want gij hebt mij geprezen, en nu moet ik weêr mijn rechter
buurman prijzen. Als Agathoon nu ondernaast u komt te liggen, kan hij
mij toch niet nog eens prijzen, terwijl het veeleer pas geeft dat hij
door mij geprezen wordt. Laat hem zijn gang gaan, mijn goddelijke, en
misgun het jongmensch niet door mij geprezen te worden; [223] want ik
voel grooten lust een lofrede op hem te houden." - ,,Heerlijk,
heerlijk," riep Agathoon. ,,Onmogelijk, Alkibiades, kan ik hier
blijven. Ik zal onvoorwaardelijk moeten verhuizen om door Sokrates geprezen
te worden." - ,,Daar hebben wij weêr de gewone geschiedenis,"
zeî Alkibiades, ,,als Sokrates erbij is, is het voor een ander
onmogelijk zich te bemoeien met de schoonen in het gezelschap. Hoe handig
heeft hij ook nu weêr een zelfs overtuigende reden gevonden, dat
Agathoon naast hem moet liggen."
Agathoon nu stond op om naast Sokrates te gaan liggen, toen plotseling
een groot aantal feestvierders aan de voordeur kwam en die open vond,
omdat er juist iemand uitging. Zoo kwamen zij regelrecht tot hen naar
binnen en gingen aanliggen. En terstond was alles vol gedruisch, en
zonder eenigen regel meer werd men gedwongen een groote hoeveelheid
wijn te drinken. Eryximachos nu en Phaidros en sommige anderen (vertelde
Aristodemos) waren toen weggegaan, en hij zelf was in slaap gevallen,
en had een heelen tijd geslapen, daar de nachten lang waren, en was
tegen den morgen wakker geworden, toen de hanen al kraaiden. Bij zijn
ontwaken zag hij dat de overigen sliepen of waren weggegaan. Agathoon
en Aristofanes en Sokrates waren alleen nog wakker en dronken uit een
grooten beker die rondging van links naar rechts. Sokrates leidde een
gesprek met hen. En Aristodemos zeide dat hij de overige beweringen
zich niet meer herinnerde. Want hij was er niet van het begin af bij
geweest en was nog slaperig. Maar de hoofdzaak was, dat Sokrates hen
nopen wilde toe te geven, dat het het werk van éen en denzelfden
man was om blijspel en treurspel te kunnen schrijven, en dat iemand
die van zijn vak treurspeldichter was tegelijk ook blijspeeldichter
moest zijn. Zij stemden dat gedwongen toe, maar konden hem noode volgen
en zaten te knikkebollen. En eerst was Aristofanes in slaap gevallen,
en toen het al dag werd, Agathoon. Sokrates nu legde hen terecht en
stond op en ging heen. En Aristodemos was hem, zooals hij gewoon was,
gevolgd. Sokrates ging daarop naar het Lykeion en nam daar een bad en
bracht den dag verder door als anders, en ging tegen den avond naar
huis en ter ruste.
Kolofoon
Phaidros, Phaidoon en Drinkgelag van Platoon, de trilogie Agamemnoon,
Doodenoffer en Eumenieden, Zeven tegen Thebai, Perzen, Prometheus geboeid
en Smeekelingen van Aischylos, alle uit het Grieksch overgebracht door
P.C. Boutens, verschijnen in oplaag van 600 exemplaren, in twee kleuren
gedrukt en gezet uit lettertypen van S.H. de Roos, met door hem geteekende
initialen en bandstempels. Platoons Drinkgelag, dat in 1901 werd gedrukt
in een oplaag van veertig exemplaren, die niet in den handel waren,
is gezet uit de Erasmus-Mediaeval corpus 10.
|