Ovidius´ Metamorfosen

door Mr. H.J. Scheuer

Publius Ovidius Naso
Metamorfosen
In de oorspronkelijke versmaat vertaald door
Mr. H.J. Scheuer
Oud-directeur van Justitie in Nederlandsch-Indië

1923
Naaml. Venn. Uitgevers-maatschappij en
Boekhandel v/h P.M. Wink
Zalt-Bommel


 

VEERTIENDE BOEK.

Circe.

Weldra de Aetna, die ligt in den muil der Giganten gedompeld,
En der Cyclopen gebied, dat nimmer 't gebruik van den ploeg zag,
't Eggen niet kent noch iets waarvoor men de ossen in 't juk spant,
Had de Euboeïsche vriend van de bruisende golven verlaten;
Zancle hij mede verliet, aan den overkant Rhegion's muren,
En het noodlottige nauw, dat van weerskant geperst door de oevers
Tusschen Ausonië en het Sicilische land vormt de scheiding.
Dan, van een talrijk gevolg vergezeld, door de zee der Tyrrhenen,
Glaucus het grasrijke eiland van Circe, de dochter der Zonne,
En hare woning, vervuld van verschillende diersoorten, nadert.
Aanstonds, zoodra hij haar zag en groeten met haar had gewisseld,
Sprak hij: "Toon deernis, ik bid u Godin met een God! Immers gij slechts
Kunt, zoo gij waard mij dit acht, den smart dezer liefde verlichten.
Wat is des tooverkruids' macht, o dochter des Titan's! is niemand
Beter bekend dan aan mij, die zelf daardoor werd veranderd.
Dat u de oorzaak van mijn hartstocht verborgen niet blijve:
Ginds op de Italische kust, tegenover den burcht van Messana,
Scylla door mij werd aanschouwd. Mijn geloften en beden herhalen
Schaam ik mij en mijn vleienden aandrang en hoe zij mij afwees.
Gij echter, zoo in uw tooverspreuken er macht schuilt, een spreuke
Prevel met godd'lijken mond; zoo meerdere kracht in het kruid schuilt,
Maak van der kruiden beproefde kracht dan gebruik tot dat doeleind!
't Is geen herstel dat ik zoek: niet dat gij mijn wond zoudt genezen,
't Einde verlang ik niet, maar dat zij van dien hartstocht haar deel krijgt!"
Circe nochtans - want geen andere meer dan zij in de liefde
Inzicht bezat, 't zij omdat de oorzaak daarvan in haarzelf lag,
't Zij omdat Venus, gekrenkt door haars' Vaders verraad dit bewerkt had, -
Zoo hem bescheid gaf: "'t Was beter voor u zoo een vrouw gij bemindet,
Eén van verlangen en wensch, door gelijken hartstocht bewogen.
Gij zijt dit waard: elke vrouw zou gaarne u willen bezitten,
En zoo gij hoop alleen geeft, geloof mij, men zal naar u dingen!
Dat gij niet twijfelt, dat niet u vertrouwen ontbreekt in uw schoonheid,
Zie, ik die zelf ben Godin, de dochter des stralenden Titan's,
Die met mijn tooverformules zooveel vermag en mijn kruiden,
Wensch slechts de uwe te zijn! Versmaad de versmaadster: die willig
Is, moet gij volgen. Daardoor aan beiden gij geeft wat haar toekomt!"
Zoo in verzoeking gebracht, "Eer zullen", zegt Glaucus, "gebladert'
Dragen de golven, eer zal op de bergtoppen wassen het zeewier,
Eer, zoolang Scylla nog leeft, een and're het doel van mijn min wordt!"

Gedaanteverwisseling van Scylla.

Diep hij beleedigt hierdoor de Godin; maar daar zij hemzelven
Deren niet kan, en uit liefde niet wil, ontsteekt tegen haar zij,
Die boven haar hij verkoos. Gekrenkt door geweigerde liefde
Aanstonds een gruwelijk kruid zij wrijft met vergiftige sappen
En, als 't gewreven is, mengt met Hecate's tooverbezwering.
Steekt zich in zeegroen gewaad, en dwars door de scharen van 't wilde
En haar aanbiddend gediert', verlaat zij de middelste halle
En zij, naar Rhegion, dat tegenover de rotsen van Zancle
Ligt, zich begevend, betreedt de ziedende branding der golven,
Die zij beroert, alsof op vasten bodem haar schreden
Drukten; en droogvoets zij langs de toppen der baren vooruitijlt.
Daar was een kleine spelonk, tot bochtige welving gebogen,
Scylla's lievelingsplaats om te rusten, waar zij voor de hitte
Veiligheid zocht van de zee en de lucht, als de zon op het midden
Stond van den dag en de schaduw, van boven geworpen, het kortst was.
Deze besmet de Godin: met wonderenwekkend vergif zij
Deze bezoedelt, en hier zij sprenkelt het sap, dat geknepen
Werd uit der wortels venijn; en driemalen negenmaal met haar
Toovermond prevelt zij ongehoorde, geheimvolle woorden.
Scylla treedt binnen en duikt tot het midden van 't lichaam in 't water,
Als zij ontwaart dat haar buik met blaffende monsters bezoedeld
Is. Zij in 't eerst niet vermoedt dat deze een deel van haar lichaam
Vormen; dus wijkt zij terug en duwt ze opzijde, en der honden
Razende muilen zij ducht. Maar die zij ontvlucht sleept zij mede;
't Lichaam zoekende van haar beenen en dijen en voeten,
Vindt zij in plaats van die deelen geopende Cerberus-muilen!
Onder die razende honden zij staat. En de ruggen dier monsters
Haar uit de rest van haar buik en het uitstekend bovenlijf groeien.
Glaucus zijn liefde beweent en het huw'lijk met Circe ontvlucht hij,
Daar te vijandig gebruik van de kracht harer kruiden zij maakte.
Scylla verblijft waar zij is, en als zij de kans krijgt, het eerst uit
Haat tegen Circe zij Ulysses berooft van zijn makkers.
Vast had zij ook met haar beet de vloot der Trojanen geteisterd,
Zoo zij niet eer in een klip, die nog heden als rotspunt omhoog steekt,
Zich zag veranderd. Maar ook die klip zoekt de zeeman te ontwijken!

Vaart naar Italië.

Als der Trojanen vloot en haar en de vraat'ge Charybdis
Roeiend ontkomen is en welhaast zij Ausonië's kusten
Naderden, dreef hen de wind terug naar de Libysche stranden.
Sidon's Vorstin hier Aeneas ontvangt in haar hart en haar woning,
Zij, die zoo moeilijk 't vertrek van dien Phrygischen echtvriend kon dragen,
Dat ze op een brandstapel, onder het beeld van een offer verborgen,
Zich in haar zwaard wierp. Misleid, zij zelve alle and'ren misleidde.
't Land der woestijnen ontvluchtend en muren, zooeven gesticht, hij
Keert naar den zetel des Eryx terug en den trouwen Acestes.
Daar hij met plechtige offers zijns vaders grafheuvel eer brengt
En hij de schepen, bijna verbrand door de bode van Juno,
Iris, behoudt; en hij Aeolus' rijk en de landen, die in den
Zwavelgloed dampen en vuur, verlaat en de rots der Sirenen,
Uit Acheloüs geboren. Een vaartuig, beroofd van zijn stuurman,
Stevent naar Inarime, Prochyte en der Pithecusen
Dorre gebergten, die den naam hun bewoners ontleenden.

De Cercopen.

Eertijds de Koning der Goôn, vertoornd op het volk der Cercopen,
Hatend de leugens en list, gepleegd door dit volk van bedriegers,
In een wanstaltig gediert' de mannen veranderde: dat zij
Niet aan de menschen gelijk, toch met hen gelijkenis toonden,
Trok hij hun leden tesaâm, den neus die zich welft van het voorhoofd,
Drukte hij in; het gelaat met de voren des ouderdoms ploegde,
En, hun het lichaam geheel met geelgrauwe haren bedekkend,
Zond hij hen derwaarts; hun eerst ontnemend de gave van spreken
En het gebruik van de tong, die tot lasteren slechts hun gediend had,
Slechts het vermogen hij laat om met rauw krijschen te klagen.

Aeneas in de onderwereld.

Als hij hierlangs is gegaan, de Parthenopeïsche muren
Rechts had gelaten en links de grafterp des zang'rigen zoons van
Aeolus
en het gebied, bevrucht door het nat der moerassen,
Nadert hij Cumae's strand en treedt de spelonk der Sibylle,
Hoogbejaard, binnen, en vraagt de schim van zijn vader te ontmoeten
Door den Avernus. Maar zij, het oog dat ter aarde gericht was
Opslaat, en als, door den God bezield, zij ten laatste in vuur raakt,
Spreekt zij: "Veel eischt gij, o held, zoo groot door uw daden! van wien de
Oorlog de dapperheid zag en het brandende Troje de vroomheid!
Schep echter moed, o Trojaan. Bereiken gij zult wat uw wensch was:
Naast het Elysium 't rijk, waar de menschheid haar laatste verblijf vindt,
Zal ik u toonen; gelijk met de heilige schim van uw' vader.
Want ontoegankelijk is geen weg voor den dappere!" En zij
Toont hem een twijg, die straalde van goud uit het bosch, des Avernus'
Juno gewijd, en gaf hem bevel van den stam die te scheiden.
En Aeneas haar hoort, en ziet van den vrees'lijken Orcus
Alle de schatten, daarbij zijn voorouders, nevens de schaduw
Ook van Anchises, den held. Voorts verneemt hij de wet van die plaatsen,
En de gevaren, door hem opnieuw in den krijg te trotseeren.
Dan, als hij afgemat weer vandaar zijn schreden terugricht,
Kort hij de reis zich door met zijn geleidster uit Cumae te spreken.
Wijl door der nevelen walm hun vrees'lijken weg zij vervolgen,
"'t Zij gij Godin zijt", zegt hij, "hetzij met de Goden bevriend zijt,
Mij zult gij steeds zijn van godd'lijken rang en ik steeds zal erkennen
Dat aan uw gunst ik het dank dat ik de verblijfplaats der dooden
Heb mogen zien en, na 't zien, die weder heb kunnen verlaten.
En voor die gunsten, zoodra weer de wereld hierboven bereikt is,
Zal ik een tempel u bouwen, met 't branden van wierook u eeren!"
Zuchtend hem aanziende, hem antwoordde de wichelaresse:
"Niet een Godinne ben ik; en tracht niet een menschelijk wezen
Heiligen wierook te wijden, dat niet ge uit onwetendheid zondigt!
't Eeuwige leven was mij, om nimmer te einden, gegeven,
Had ik mijn maagd'lijken staat aan de liefde van Phoebus geofferd.
Toen hij begeerde mij en mij met zijn geschenken te winnen
Poogde, toen sprak hij: "O maagd van Cumae, kies zelf wat u aanstaat,
Wat gij ook wenscht, wordt uw deel!" En ik van den grond nam een handvol
Zand; in mijn dwaasheid ik vroeg om zoovele jaren te mogen
Leven, als korreltjes in het hoopje zand zich bevonden.
Maar ik verzuimde terstond daarbij ook om jeugd hem te vragen.
Die echter gaf hij mij en daarbij ook een eeuwige jonkheid
Als ik slechts duldde zijn min. Maar Phoebus' geschenk ik niet aannam.
En ongehuwd ik steeds bleef. Doch reeds de gelukkige jaren
Achter mij liggen, en thans met bevenden tred naakt de grijsheid,
Lang nog door mij te doorstaan! Zooals gij mij ziet, heb ik zeven
Eeuwen geleefd reeds; mij blijven, naar 't aantal der korrels berekend,
Driehonderd oogsttijden nog, driehonderd herfsten te aanschouwen!
Naderen zie ik den tijd, dat heel dit lichaam de jaren
Samen doen krimpen en dat de grijsheid mijn leden verschrompelt
Tot 't allerkleinste gewicht. Dat ooit ik bemind werd, aan Phoebus
Ooit heb behaagd, men ontkennen, wellicht zal Phoebus ook zelf dit
Of niet meer weten, of wel ontkennen dat ooit hij mij liefhad.
Zoozeer veranderd, zal ik moeten voortbestaan! Ieder onzichtbaar
Zal toch mijn stem zich doen hooren: de stem zal het noodlot mij laten!"

Achaemenides.

Als op dien duisteren weg zoo had de Sibylle gesproken,
Komt de Trojaansche Aeneas, terug van de Stygische stranden,
Weer in de Euboeïsche stad. Aan de Goden hij offert, en daarna
Zoekt hij de kust, die nog niet haren naam aan zijn voedster ontleende.
Hier ook zich ophield, om van zijner zwerftochten moeiten te rusten,
Ithaca's spruit Macareus, een gezel des ervaren Ulysses.
Hier hij Achaemenides terugzag, dien eens in het midden
Men van de rotsen der Aetna had achtergelaten. Verbaasd, dat
Hij hem in leven nog zag, sprak deze: "Welk toeval of godheid
Heeft u, Achaemenides, gered? En hoe komt 't, dat een vreemde
Scheepskiel u draagt, den Helleen? En naar welk land wilt gij varen?"
Daar hij dit vraagt, Achaemenides, niet haav'loos gekleed meer,
Reeds weer zichzelf, en wiens gewaad reeds geen dorens meer hechtten,
Antwoord geeft: "Moge ik wederom Polyphemus aanschouwen,
En hoe het menschelijk bloed hem stroomt langs de gruw'lijke kaken,
Zoo mij ooit Ithaca zelf en mijn woning zijn dierbaarder dan dit
Schip! zoo Aeneas, den held, ik minder vereer dan mijn vader!
Nooit, wat ik poge, zal ik hem dankbaar genoeg kunnen wezen.
Dat ik nog adem, nog spreek, den Hemel mag zien en de sterren,
Zien mag het licht van den zon, kan ik ooit dit, ondankbaar, vergeten?
Hem ik het dank, dat mijn leven niet lang in den muil des Cyclopen
Ondergegaan is en dat, zoo het leven ik nu mocht verliezen,
Ik in een grafheuvel, niet, voorwaar! in diens buik word begraven!
Hoe toch was toen ik gestemd - tenzij mij de doodsangst gevoel en
Stemming ontnomen had! - toen ik, achtergebleven, uw vaartuig
Voorwaarts zag steev'nen in zee? Ik wilde schreeuwen, maar vreesde
Dat mij de vijand zou hooren: het schreeuwen, bijna, van Ulysses
Stortte uw schip in 't verderf! Ik zag toch hoe een reusachtig
Rotsblok, gerukt uit een berg, hij slingerde in 't midden der golven;
Nogmaals zag ik hoe met zijn reuzenarm hij de grootste
Steenblokken, als door 't geweld van den stormram gedreven, in zee smeet.
En ik bevreesd was dat òf de golf òf de steenen het vaartuig
Zouden vermorz'len: vergat dat zelf ik niet meer op dat schip was!
Maar toen tenslotte de vlucht van dien gruw'lijken dood u gered had,
Bleef hij nog, zuchtend, rondom de Aetna dolen; de wouden
Tastende voor zich uit met de hand, beroofd van het daglicht,
Dwaalt langs de oevers hij rond, en de armen, met bloed nog bespat, in
't Zeewater dompelend, hij verwenscht het geslacht der Argiven;
Zeggende: "O zoo mij ooit het toeval Ulysses terugbracht,
Of van zijn makkers één, op wien ik mijn woede kon koelen,
't Ingewand hem ik verslond, zijn ledematen mijn hand zou
Levend verscheuren; zijn bloed de keel mij zou overstroomen,
En het vaneengerukt lijf mij trillen zou tusschen de tanden!
Weinig of niet zou dan mijn blindheid mij meer kunnen deren!"
Zóó, en nog meer, de barbaar. Doodsbleek van schrik ik hem aanhoor,
Ziende die kaken, die druipen nog steeds van het bloed mijner makkers,
En die wreedaardige hand, en de ledige holte, waar 't oog was;
En dan die leden, dien baard, waar het mensch'lijke bloed in gestold was!
Wel stond de dood mij voor oogen, maar dezen het minst nog ik duchtte,
't Was reeds alsof hij mij greep en 'k meende reeds dat hij mijn lichaam
Diep in het zijne verzwolg: in mijn geest was het beeld van dat tijdstip
Hangen gebleven, toen ik twee lichamen zag van mijn makkers
Driemaal en viermalen tegen den bodem geslingerd, wijl hij zich
Over hen wierp, als de ruige leeuw op zijn offer zich uitstrekt.
Ingewanden en vleesch, met het wit van het merg het gebeente
Gulzig naar binnen hij sloeg, met de leden, nog trillend van leven.
Rillende blijf ik daar staan, en bleek van schrik ik mij voorstel
Hoe hij hen kauwde, hoe uit den bloedigen muil hij de spijzen
Uitspuwde; hoe hij de brokken, met wijn geklonterd, teruggaf.
En ik verbeeldde mij dat ook mij zulk een lot stond te wachten.
Dagen lang hield ik mij schuil, bij ieder geritsel van doodsangst
Bevende, vreezend den dood, maar tevens verlangend te sterven,
Honger verdrijvend met eikels en gras, dat met loof ik vermengde.
Eenzaam, verlaten, wanhopig, het noodlot ten prooi en de wraakzucht,
Zag ik na langen tijd ten slotte in de verte dit vaartuig!
'k Smeek met gebaren om hulp tot mijn vlucht, ik nader het zeestrand,
Roerde hen: en het schip der Trojanen den Danaër opnam!
Zeg mij thans, dierbaarste vriend, wat verder u is overkomen
En onzen aanvoerder en wie met u der zee zich vertrouwden!"

Macareus verhaalt Ulysses' avonturen.

Aeolus hij dan vermeldt, die heerscht in de Tuscische diepte,
Aeolus, Hippotes' telg, die de winden in boeien bijeenhoudt,
Hoe die - merkwaardig geschenk! - in de huid van een koe aan den vorst van
Ithaca werden vertrouwd, en hoe, na een negental dagen
Varens met gunstigen wind, zij des vaderlands kusten aanschouwden,
Hoe na den negenden dag, toen weder de dageraad aanbrak,
Afgunst zijn makkers beving en hoe zij, door hebzucht gedreven,
Meenend dat goud daarin was, de boeien der winden ontbonden;
Hoe die het schip wederom naar de zeeën, die juist zij bevaren
Hadden, terugdreven, tot het bij Aeolus' eiland terugkwam.
"Daarna wij Lamus", sprak hij, "der Laestrygones vroegere veste
Naderden. Antiphates dat eiland beheerschte als koning.
Mij zendt men uit naar zijn huis, wijl twee mijner makkers mij volgden.
Nauwelijks kon door de vlucht mijzelf en één makker ik redden,
Want van den derde van ons der Laestrygones euvele kaken
Verfde het bloed! Als wij vluchten, ons volgt en aanhitst zijn scharen
Antiphates, en zij komen bijeen en met steenen en balken
Werpen zij, tot zij verplett'ren de mannen zoowel als de schepen.
Eén echter, dat buiten mij Ulysses zelf ook aan boord had,
Wist te ontkomen. Den dood van een deel onzer makkers beweenend,
Luidkeels klagende, dan naar die kusten wij worden gedreven,
Die gij van verre hier ziet. Van verre - geloof mij! - blijf 't eiland
Aanzien! Ik heb het bezocht. Ook u, o held der Trojanen,
Zoon der Godin; want gij kunt na het eind van den oorlog geen vijand
Meer voor ons heeten! ik raad: vermijd het eiland van Circe!

Circe.

Wij ook, zoodra aan het strand van Circe ons vaartuig gemeerd was,
Antiphates nog indachtig en 't vrees'lijk geval der Cyclopen,
Weigerden verder te gaan. Maar het vreemde verblijf te betreden
Wordt door het lot ons gelast; het lot, dat mij en Polites
Aanwees, en Eurylochus en Elpenor, den wijn teveel minnend.
Tweemalen negen man het zond naar de woning van Circe.
Toen wij die hadden bereikt, aan den drempel dier woning wij stonden,
Wolven, een duizendtal sterk, met beren gemengd en met leeuwen,
Drongen, o schrik! op ons aan. Maar geen was er werk'lijk te duchten,
Geen eraan dacht om ons het lichaam zelfs maar te wonden;
Kwispelstaartende zij veeleer en vleiende door ons
Streelen zich laten en onze schreden verzellen, tot vrouwen
Ons tegemoetkomen en door zalen, met marmer gedekt, ons
Inleiden bij de Godin. In een prachtig vertrek zij gezeten
Was op een statigen troon, gehuld in een schitt'renden mantel,
Waar overheen zij nog droeg een sluier, van gouddraad doorweven.
Nimfen en zeenimfen ook, doch die met beweeg'lijke vingers
Spinnen geen wol, noch trekken zij draden of winden zij kluwens:
Kruiden zij uitzoeken en in wanorde liggende bloemen,
Gras van verschillende kleur in allerlei mandjes verdeelen;
Zelf de Godin leidt het werk, waarmeê zij belast zijn; 't gebruik van
Ieder afzonderlijk blad en de uitwerking ook der vermenging
Kent zij; en zij onderzoekt van iederen grasspriet de krachten.
Als zij ons naderen ziet, na groeten te hebben gewisseld,
Plooit zij haar trekken, alsof onze wenschen zij wilde vervullen.
Zonder verwijl zij geroosterde gerst laat met kruiden vermengen,
Honig met krachtigen wijn en melk, die tevoren gestremd was;
Daarbij nog sappen zij voegt, die onder die zoetheid arglistig
Schuilgaan, en wij uit de hand der Godinne aanvaarden den beker.
En niet zoodra die door ons met dorstigen mond is geledigd,
Of ons de wreede Godin met een twijg raakt de kruin onzer haren,
En - ik mij schaam bij 't verhaal! - ik bemerk hoe van borstels bedekt ik
Word, en niet spreken meer kan: een heesch geknor zich voor woorden
Hooren doet, en naar den grond met heel mijn gelaat ik mij neerbuig.
En ik gevoel hoe mijn mond tot breeden snoet wordt verbogen;
Manen mij dekken den nek, dat ik met de hand, die zooeven
Aannam den beker nog, thans slechts hoefsporen maak in de aarde!
Met wie hetzelfde overkwam - zoo groot is de kracht harer kruiden! -
Sluit zij mij op in den stal. Die verand'ring tot zwijn te ontkomen
Wist alleen Eurylochus: slechts hij had den beker geweigerd.
Had toch ook hij dien aanvaard, nòg was ik een deel van het vee, dat
Borstelen draagt, en niet was van die vrees'lijke ramp ooit Ulysses
Door hem verwittigd, of was als wreker tot Circe gekomen!
Hem de Cyllenische God uit deernis een bloem had gegeven,
- Moly haar noemen de Goôn! - die wit groeit uit donkeren wortel.
Hierdoor beschermd en gelijk door den godd'lijken raad, hij het huis van
Circe betreedt, en als de noodlottige beker gereikt wordt,
En wanneer de Godin zijn hoofd met haar tooverstaf aanroert,
Weert hij haar af en, het zwaard getrokken, hij dwingt haar tot vreeze.
Dan zij hem trouw zweert en reikt hem de hand. In haar leger ontvangen,
Eischt hij als huwelijksgift de lichamen weer van zijn makkers.
En zij besprenkelt ons met het sap van weldadiger kruiden,
Raakt ons het hoofd met de twijg, die omgekeerd zij in de hand houdt,
Spreuken prevelend die haar vroegere woorden bestrijden.
Daarop, hoe langer zij spreekt, hoe meer van den grond wij ons heffen,
En wij ons oprichten, hoe de borstels verdwijnen, de spleet der
Dubbele hoeven zich sluit, de schouders terugkeeren, de armen
Zichtbaar weer zijn. Onzen vorst wij weenend omhelzen, die zelf ook
Weende, omvattend zijn hals. En eerder geen woorden te uiten
Waren we in staat dan waarmeê wij hem onze dankbaarheid toonden.
Daar wij verbleven een jaar en in dien langen tijd veel ik
Bij mijn verblijf heb gezien en veel ook vernamen mijn ooren.
Dit onder anderen ook dat mij in 't geheim eens verhaalde
Eén van de vier dienaressen, die met deze offers belast zijn.
Want, wijl met onzen vorst alleen zich Circe slechts ophield,
Deze mij eenmaal het beeld, uit sneeuwwit marmer gehouwen,
Toonde eens jongelings, op wiens hoofd ik een specht zag gezeten;
Daar in een tempel geplaatst, met velerlei kransen omwonden.
Toen ik haar vroeg wie dat was en waarom hij in een tempel
Op was genomen, waarom dien vogel hij droeg, was haar antwoord:
"Luister dan, Macareus! en ook hieruit leer kennen hoe groot de
Kracht is van deze Godin; en schenk aan mijn woorden uw aandacht:

Picus.

Picus, Saturnus' zoon, in de Ausonische landen als koning
Heerschte. En minnaar hij was van rossen, geschikt tot den oorlog;
En de gestalte hij droeg, die gij ziet: gij kunt dus zijn schoonheid
Waarnemen; kunt uit het beeld zijn ware gedaante herkennen.
En als zijn lichaam was ook zijn ziel. De vijfjaarlijksche spelen
Te Elis in Griekenland
hij geen viermalen nog kon beleven.
Hij de Dryaden, die zijn op Latium's bergen geboren,
Voor zich gewonnen had, hem eveneens de Najaden begeerden,
Nimfen der bronnen, bewonende de Albula en des Numicius'
En ook des Anio's vloed, den kort slechts stroomenden Almo
En den snelvliedenden Nar en des Farfarus' donkere golven;
En die het woudrijk gebied der Scythische Phoebe bewonen,
Of het naburige meer. Haar allen versmadende, één nimf
Minde hij, die naar men zegt, voorheen op den berg Palatinus
Janus, Ausonië's God, Venilia eens had geschonken.
Toen deze dochter het eerst den huwbaren leeftijd bereikt had,
And'ren voorbijgaande zij den Laurentischen Picus tot man koos.
Zeldzaam van schoonheid zij was, maar zeldzamer nog was haar zangkunst;
Daarom men Canens haar heette. En bosschen en steenen te ontroeren,
't Wilde gedierte te temmen, den stroom in zijn vaart te doen toeven
Placht haar geluid, dat zelfs de vogels weerhield bij hun vluchten.
Wijl met haar lief'lijke stem zij eens hare liederen aanhief,
Picus, verlatend het huis, het Laurentische veld had betreden.
Jacht hij ging maken op 't inlandsche zwijn. En hij reed op een vurig
Ros, in de linkerhand droeg twee jachtsprieten en in een purp'ren
Mantel hij had zich gehuld, met gouden haken gesloten.
Daar, in datzelfde woud, ook de dochter der Zon was gekomen;
Om op die vruchtbare heuvels naar andere kruiden te zoeken,
Had zij 't Circaeïsch gebied, dat naar haar genoemd was, verlaten;
Toen in het kreupelhout zij verscholen den jong'ling ontdekte,
Stond zij verstomd: het verzamelde kruid haar ontviel aan de handen,
En het haar was of de min haar blaakte in het diepst van 't gebeente.
Toen van dien hevigen gloed zij kwam tot bezinning, besloot zij
Hem te openbaren haar wensch. Maar eerst dat het paard niet kon naad'ren
Zorgt zij en evenmin ook de dienaren die hem verzelden.
"Niet mij ontkomt gij", sprak zij, "al moest in een storm ik u rooven!
Zoo ik mijzelve slechts ken, zoo niet alle kracht uit mijn kruiden
Nog is geweken; mij niet mijn tooverformules begaven!"
Zoo sprak zij; en een beeld, dat schijn slechts was, zonder lichaam,
Vormt van een everzwijn, en het laat voor de oogen des konings
Vluchten voorbij, tot het scheen in het diepst van het woud zich te bergen;
Daar, waar de groei is het dichtst, en waar men te paard niet kan komen.
Zonder verwijl, onverpoosd de onwetende Picus de schaduw
Nazet van 't wild en in haast springt omlaag van den rug van het strijdros.
Volgend een ijdele hoop hij te voet door het dichtst van het woud dwaalt.
Zij haar gebeden ontwerpt en spreekt haar vergiftige spreuken,
En aan de Goden, haar vreemd, met vreemde woorden brengt hulde,
Die zij gebruikt om 't gelaat der sneeuwblanke Maan te misvormen,
't Hoofd van haar' vader, de Zon, met vochtige nevels te omweven.
Ditmaal ook na het geprevel der spreuken verdicht zich de Hemel,
De aardbodem nevelen dampt, en geheel in den blinde zijn makkers
Dwalen in 't rond in het woud: bescherming ontbreekt aan den koning.
Gunstig zijn plaats nu en tijd en zij spreekt: "Bij uwe oogen bezweer 'k u,
Die aan de mijne behaagden, en bij, allerschoonste, uw vormen,
Welke zelfs mij, een Godin, tot u doen bidden, verhoor mijn
Liefde! Tot schoonvader wil de Zon, die 't heelal overzien kan,
Aannemen! Circe, de dochter des Titan's, hardvochtig niet afwijs!"
Zoo sprak zij. Hij echter wild haarzelf en haar smeekbeden afweert,
"Wie gij ook zijn moogt", spreekt hij, "ik kan de uwe niet zijn: aan een and're
Wijdde ik mijn liefde: zij moge nog langen tijd die behouden!
Nooit voor een vreemde min mijn echt'lijke trouw wil ik schenden,
Zoolang het lot mij bewaart de uit janus gesprotene Canens!"
Toen nu, hoe vaak ook herhaald, haar pogingen vruchteloos bleven,
Sprak zij :"Niet straffeloos gij zult blijven; tot Canens niet keeren!
Leer dan waartoe een vrouw, wier liefde versmaad wordt, in staat is,
Uit de gevolgen: èn vrouw èn versmaad èn u minnende is Circe!"
Tweemaal naar 't Westen zij zich en tweemaal zich buigt naar het Oosten,
Driemaal den jongeling raakt met haar staf, en drie spreuken zij prevelt.
Hij echter vlucht, maar verbaast er zich om dat hij vlugger dan anders
Loopen kan; en hij ontwaart hoe vleugels hem groeiden aan 't lichaam.
En verontwaardigd dat hij opeens in Latium's wouden
Nieuw is als vogel, de wilde eiken hij treft met den harden
Snavel, en woedend de zwierende takken verwondingen toebrengt.
Doch aan zijn purpergewaad zijn wieken de kleuren ontleenden,
En wat een haak was geweest en den mantel hem vast had gehouden,
Pluimen wordt, en hem de hals met goudgelen rand wordt omgeven;
En van den vroegeren Picus is niets dan de naam hem gebleven!
Middelerwijl zijn gevolg, dat vrucht'loos om Picus geroepen
En dat in velden en woud vergeefs ook naar Picus gezocht had,
Circe ontmoet - want reeds had zij den hemel weer helder doen worden,
Toegestaan ook, dat door zon en door wind zich de nevels verdeelden -
En haar heur misdaad verwijt en vordert terug hunnen koning.
Dreigende, staan zij op 't punt hun wapenen op haar te richten;
Zij echter giftig venijn in 't ronde sprenkelt en sappen,
Daarbij den Nacht en de Goden des Nachts en den Erebus roept zij,
Chaos en Hecate zelf met langgerekt huilen zij aanroept.
Houtgewas springt overeind - ongeloof'lijk het klinkt! - uit de aarde,
De aardbodem zucht; in het rond van kleur verbleeken de boomen;
Druppelen hier en daar van bloed langs de bladeren leken.
't Was of een schor gebrul de steen deed hooren, of honden
Jankten in 't rond, en het scheen of de bodem van donkere slangen
Glinsterde, of ijl in het rond de schaduwen waarden der dooden.
Van al die wonderen staan de jagers verbaasd. Der verbaasden
Angstig gelaat zij met haar giftigen tooverstaf aanroert,
En door die aanraking in verschillende soorten van wilde
Dieren die mannen vervormt: geen enkel behield zijn gedaante.

Rouw van Canens.

Dalend in 't Westen, de zon de Tartessische kusten bestraalde,
Nog wachtte steeds tevergeefs met hart en met oogen haar' echtvriend
Canens. En hare bedienden en 't volk doorzochten de wouden
Wijd allerwege in het rond, en gaan tegemoet hem met fakkels.
't Is voor de nimf niet genoeg dat zij weent en de haren zich uitrukt            420
En zij zich slaat op de borst. Toch doet zij dit alles; waanzinnig
Vliegt ze overeind en door de landouwen van Latium dwaalt zij.
Zes malen zag haar de nacht en zesmaal het rijzende zonlicht
Daar zij, wanhopig, en zich èn voedsel èn sluimer ontzeggend,
Doolde langs rotsen en dalen, waarheen maar het toeval haar leidde.          425
Eindelijk, toen zij van smart was uitgeput en van vermoeidheid,
Zag haar de Tiber, toen zij in de koelte der oevers zich neerwierp.
Daar, onder tranen, een lied, dat door haar smart zelf welluidend
Was, zij met zachte stem vol droefheid deed hooren; als eertijds
't Stervenslied aanhief de zwaan, wanneer hij den dood voelde naad'ren.      430
Eindelijk 't teedere lijf, door het rouwbedrijf ijler geworden,
Wegsmelt en langzamerhand in het luchtige windje zich oplost.
Echter de faam bleef gehecht aan die plaats, die door de oude Camenae
Werd, naar den naam van de nimf, eerbiedig Canens geheeten".
Zoo is er veel mij verhaald en veel ook aanschouwde ik in 't lange                435
Jaar. Ons, door lediggang en gebrek aan inspanning loom, men
Aanzegt de zee weer te kiezen en weder de zeilen te hijschen.
Maar ons een hach'lijke reis en langdurigen zeetocht des Titan's
Dochter voorspelde en groot gevaar, dat op zee ons nog wachtte.
'k Vreesde die; 't is zoo! En aan deze kusten gekomen, ik hier bleef."            440

Oorlog met Turnus.

Macareus eindigde hier. In een marmeren urn nam Aeneas
De assche der voedster op, en haar' grafheuvel sierde dit opschrift:
"Hier heeft mijn pleegzoon, bekend om zijn vroomheid, mijzelve, Cajeta,
Argolis' vlammen ontrukt, verbrand met het vuur, dat mij toekwam."
Dan van den grazigen wal de kabels men wederom losmaakt,                        445
En in de verte zij achter zich laten het huis der beruchte
Circe en listen gelijk, en zoeken de kust, waar de Tiber
Dwars door het goudgele zand, in nevels gehuld, zich in zee werpt.
't Huis en de dochter van Faunus' zoon Latinus vermeesterd
Worden, schoon niet zonder strijd. Een oorlog er volgt met de dapp're            450
Natie, en Turnus woedt voor de echtgenoot, die hem beloofd was.
Samen in Latium stroomt geheel Tyrrhenië; moeizaam
Wordt de overwinning langdurig betwist door bekommerde legers.
Beiden versterken hun kracht door bijstand van buiten te zoeken:
Velen der Rutulers heir en velen het kamp der Trojanen                                 455
Bijstaan. Zoo vruchteloos niet Aeneas Evander on hulp vroeg,
Wèl Venulus tevergeefs naar de stad trok, waarin Diomedes
Toevlucht vond. Deze toch had onder Japyx, Apulië's koning,
Daar zich een veste gesticht, bij zijn huwelijk landen verworven.
Toen Venulus hen nu had de boodschap van Turnus verkondigd,                     460
En hem zijn hulp had gevraagd, de held van Aetolië hem die 
Weigerde, daar hij het volk van hemzelf en zijn schoonvader niet kon
Wapenen tot dezen strijd, en hem van zijn eigen geslacht geen
Strijders meer bleven. "Opdat geen voorwendsel gij dit zoudt achten,
Zal ik, schoon door het verhaal opnieuw mijn bittere rouw wordt                     465
Opgewekt, dragen dat leed! Nadat wij verbrandden het hooge
Ilion; Pergamum voor der Danaërs vuur had gesidderd,
Bracht de Narycische held door de Maagd van een maagd te berooven,
Over ons allen de straf, door hem slechts verdiend. Want verstrooid wij
Werden; gedreven door storm langs vijandige zeeën; den bliksem                  470
Duldden wij, Danaërs, en den nacht en den regen, den toorn des
Hemels, de woede der zee, en 't vrees'lijkst van al: den Caphareus.
En, dat ik niet u te lang onze droeve avonturen verhale:
Griekenland's rampspoed kon zelfs aan Priamus klagelijk schijnen!
Wel werd ikzelf door de hulp der wapenendragende Pallas                              475
Nog uit de golven gered, maar terug van des vaderlands kusten
Werd ik gedreven, en wraak voor de wond, die ik eenmaal haar toebracht
Venus, de alvoedende, zoekt. Zoodanige ellende op de diepe
Zee ik trotseerde en ook zoodanige in 't strijden te lande,
Dat door mij meermalen zijn dezulken zalig geprezen,                                   480
Die òf te saam door den storm òf op den gevreesden Caphareus
Vonden den dood; dat ik wenschte dat met hen ik ware gestorven!
't Uiterste hebbend doorstaan, mijn makkers door zee en door oorlog
Uitgeput zijn, en zij eischen het eind van hun zwerftocht. Maar Acmon,
Driftig als altijd van aard, nu nog door dat lijden verbitterd,                           485
"Wat blijft", zegt hij, "waarvan uw eind'loos geduld zelfs, o vrienden,
't Dragen nog weigeren kan? Wat kan Cytherea nog verder
Kwaaddoen, al wilde zij ook? Zoolang er nog erger te vreezen
Blijft, is er ruimte voor hoop. Maar blijft ons het lot toch vijandig,
Dan wij versmaden de vrees, dan laat ons het ergste onverschillig.                 490
't Deert mij niet of zij mij hoort! Laat vrij zij ons haten als mannen
In Diomedes' gevolg. Wij allen den haat dier Godinne
Minachten; is het dan ook dat duur ons die grootspraak kan kosten!"
Zoo met zijn kwetsende taal nog meer de Pleuronische Acmon
Venus verbittert en prikkelt opnieuw hare vroegere wraakzucht.                     495
Weinigen vallen hem bij; ik zelf met de meesten der and'ren
Acmon aangrijp. Maar hem, als hij poogde te weer zich te stellen,
Mindert de stem tegelijk met den weg van de stem. En zijn haren
Worden tot veed'ren; de nieuwe nek bedekt zich met pluimen,
Evenzoo borst ook en rug; de armen nog langere pennen                               500
Krijgen; de elleboog zich tot luchtige vleugelen ombuigt,
't Grootste gedeelt' van den voet wordt teenen; de lippen, tot hoorn zich
Hardende, stijf worden en vooruit steken als snavel.
Lycus verbaasd staat, Idas, en met hen Rhexenor en Nycteus,
Even verbaasd ook Abas. En wijl zij verbaasd staan denzelfden                       505
Vorm zij erlangen! Met hen het grootste gedeelte der manschap
Wegvliegt; omfladdert het schip met luid geklepper van wieken.
Zoo gij mij vraagt van welk soort die plots'linge vogelen waren,
Zoo zij geen zwanen al zijn, toch 't dichtst hun in blankheid zij naad'ren.
Nauw met het kleinste gedeelte der mijnen kon ik deze veste                         510
En als de schoonzoon van Japyx het dorre Apulië behouden!"

Apulus.

Zóó Diomedes' verhaal. Venulus 't Calydonische landschap
En de Peucetische bocht en Messapische velden alleen laat.
Daat hij de grot had gezien waar, dicht door de bosschen beschaduwd,
Druppelt het luchtige nat, en die Pan met zijn bokspoot tot woonplaats           515
Dient. Maar in vroegeren tijd die spelonk was de schuilplaats der nimfenn;
Apulus had uit die streek, de herder, die nimfen verdreven:
Eerst haar beangstigd en door zijn plots'ling verschijnen doen sidd'ren,
Dan, als haar moed weer terug was gekeerd, haar' vervolger versmadend,
Zij op de maat van de tripp'lende voeten haar reidansen hielden.                   520
Maar haar de herder beschimpt en plomp van sprongen haar nabootst,
Aan zijn ontuchtige taal nog platte scheldwoorden toevoegt.
Niet eerder zweeg hij, voordat zijn keel werd door boomschors gesloten,
Want hij werd boom; uit het sap is nog zijn karakter te kennen:
Daar in zijn bittere vrucht de wilde olijf nog het teeken                                 525
Toont van zijn taal, want in haar is de ruwheid der woorden gevaren.

De vloot van Aeneas.

Als met ’t bericht dat de Aetolische hulp wordt geweigerd, ’t gezantschap
Weder is huiswaarts gekeerd, dan zonder die troepen den oorlog
Voeren de Rutulers. Aan weerskanten men groote verliezen
Lijdt. Zie, hoe Turnus opeens de vratige toortsen in ’t houtwerk                     530
Slingert der vloot; en zij vreezen het vuur, die het water gespaard had.
En reeds de teer en het hars en het andere voedsel der vlammen
Mulciber’s vuur had verteerd en steeg langs den mast naar de zeilen,
Reeds in het ruim van het schip de rook uit de kruishouten opsteeg,
Toen zich de eerwaardige Moeder der Goden bezon dat op Ida’s                     535
Bergtop dit hout was geveld. En, het hemelruim met het gekletter
Vullend van bekkenslag en het blazen der fluit, door de ruimte
Rijdend der lucht met haar span van tamme leeuwen, zij uitriep:
„Vruchtloos uw schendende hand die brandfakkels werpt in de schepen,
Turnus! Ik red ze uit het vuur: niet werkeloos zal ik het aanzien                     540
Dat slechts een deel of een lid van mijn wouden door ’t vuur wordt verslonden!”
’t Dondert bij ’t woord der Godin. Eu op dien donderslag volgend
Zwaar stort de regenbui neer, vermengd met den springenden hagel,
En de Astraeische broeders het zwerk en de golven doen zwellen,
Opgeschrikt door hun geweld; tesamen zij tijgen ten strijde.                          545
En de alvoedende Moeder met hulp van één hunner de kabels
Doorbreekt van hennip, waarmee men de Phrygische schepen gemeerd had,
Werpt dan voorover de kiel en dompelt die onder de golven.
’t Eikenhout zacht wordt en dan het hout gaat in lichamen over,
En in een mensch’lijk gelaat verandert de bochtige steven.                             550
En in vingers gaan op en in zwemmende voeten de riemen.
Dat, wat zij vroeger reeds was, blijft de zijde. Wat midden in ’t schip ligt,
Onder de waterlijn, zal voortaan als ruggegraat dienst doen.
’t Touwwerk tot zijdezacht haar verandert, tot armen de stengen.
Groen blijft als vroeger de kleur. De golven, die vroeger zij duchtten,              555
Thans zij, Najaden der Zee, met haar maagd’lijke spelen vervullen;
Zij, in vroegeren tijd op het rotsig gebergte geboren,
Huizen in ’t golvende nat, om haar afkomst zich niet meer bekreunen.
Echter vergeten zij nooit hoe vele gevaren zij zelven
Duldden op zee, en waar schepen zij zien door den stormwind geteisterd,        560
Steunen zij die met de hand; tenzij ’t door Argiven bemand is:
Ilion’s lijden gedachtig, nog steeds de Pelasgen zij haten,
En zij met vroolijk gelaat de schipbreuk aanschouwden van 't schip van
Ithaca's vorst; en verheugd zij het aanzagen hoe tot een rotsblok
't Schip werd van Alcinoüs; het houtwerk van steen overgroeid werd.               565

Ardea.

Hoop was er, dat, nu de vloot in nimfen der zee was veranderd,
Turnus, door 't wonder verschrikt, van den verderen oorlog zou afzien.
Maar hij volhardt: ieder heeft van beide partijen zijn Goden
En van die Goden den moed. Niet langer om bruidschat of troon slechts
Of om des schoonvaders' rijk, om u niet, Lavinische jonkvrouw!                        570
Om de overwinning men strijdt en, uit schaamte om de neêrlaag te lijden,
Voert men den krijg. Aan het slot overwinnend toch Venus de wapens
Ziet van haar' zoon. En Turnus bezwijkt en Ardea, toen hij
Levend was, machtig genaamd. Als de stad door het vuur der barbaren
Afgebrand is; onder hitte en asch zijn de huizen bedolven,                                575
Plots uit het midden van 't vuur een vogel, die nimmer gezien was,
Opvliegt en met het geklepper der vleugelen jaagt hij de asch op.
Bleekheid en magerheid, stem en al het anderee zijn als
Voegt een veroverde stad. Ook haar naam is den vogel gebleven:
En bij der vleugelen slag bejammert de Reiger zichzelven!                                580

Aeneas onder de goden opgenomen.

Reeds had Aeneas' moed, door alle Goden bewonderd,
Juno bewogen zelfs haar vroegere veete te staken;
Toen nu voorgoed scheen gesticht het rijk van den jongen Iülus,
Aanbrak het tijdstip waarop Aeneas den Hemel verdiend had.
Venus de Goden daartoe had aangezocht.En aan den hals zij                              585
Hangens haars Vaders: "Gij die te geener tijd mij als vader
Hard waart", sprak zij, "toon u thans, ik bid het u, mij het toegevendst!
Geef aan Aeneas, mijn zoon, die u tot grootvader uit mijn
Bloed heeft gemaakt, hoe gering, iets godd'lijks toch, dierbare Vader,
Geef hem iets godd'lijks, althans. Genoeg zij 't, het rijk der verschrikking            590
Eénmaal te hebben aanschouwd, éénmaal den Styx te overschrijden!"
Alle de Goôn stemmen in; de vorst'lijke echtgenoot zelve
Niet onbewogen thans blijft van gelaat, maar knikt vol verzoening.
Toen sprak de Vader: "Gij hebt verdiend deze gave des Hemels,
En gij die vraagt en voor wien gij het vraagt. Neem, dochter, 't verlangde!"         595
't Woord was gesproken. Verheugd betuigt zij haar dank aan haar' vader,
En door de ijlte der lucht zij, getrokken door 't span harer duiven,
Nadert 't Laurentische strand, waar dwars door de rietbosschen kronk'lend
Naar de naburige zee de Numicus zijn golven doet vloeien.
Hem zij Aeneas gelast van hetgeen is aan dood onderhevig                                600
Zuiverend, dit met zijn zwijgenden stroom naar de zee te doen vloeien.
En de Gehoornde volbrengt wat Venus hem opdroeg, en met zijn
Water van 't sterfelijke in Aeneas hem reinigt en daarmeê
Wascht hem opnieuw. Maar wat hij het hoogste had, is hem gebleven.
En het gelouterde lijf de Moeder met godd'lijke geuren                                       605
Zalfde, en raakte met ambrozijn, die gemengd was met zoeten
Nectar 't gelaat; en hem maakt tot den God, dien het volk van Quirinus
Indiges heette en wien het tempels en altaren wijdde!

Vertumnus en Pomona.

En na hem Ascanius, met den dubbelen naam, over Alba
Heerschte en Latium. En op hem weder Silvius volgde.                                      610
Uit dien eerwaardigen vorst gesproten, opnieuw een Latinus
Zwaaide den schepter; en op Latinus wederom volgde
Epytus, roemrijk van naam; Capetus en Capys vervolgens:
Capys het eerste nochtans. Na hen Tiberinus de kroon droeg,
Die in de wateren van den Tuscischen stroom werd verzonken                           615
En die rivier gaf zijn naam. Aan hem Remulus en de woeste
Acrota dankten 't bestaan. Remulus, die de oudste was, en den
Bliksem nabootste, kwam zelf, door den bliksem getroffen, om 't leven.
Acrota, zachter van aard dan zijn broeder, den schepter droeg over
Aan Aventinus, den held, die werd op 't gebergte begraven,                              620
Waar hij geheerscht had, en die zijn naam aan dien berg heeft gelaten.
Dan in het Palatijnsche gebied heerschte Proca als koning.
 Onder diens koningschap leefde Pomona, die van de Latijnsche
Hamadryaden de meeste zorg aan haar tuinen besteedde;
Geen harer grootere vlijt bij het kweeken dier boomvruchten toonde                  625
Wien zij ontleende haar' naam. Niet bosschen zij liefhad of stroomen:
't Landleven slechts, en takken van boomen met weeld'rige vruchten.
Nimmer de jachtspriet de hand haar bezwaart, maar de bochtige sikkel.
Nu zij hiermede de weeld'righeid snoeit, en het breed zich vertakkend
Houtgewas kort, en dan weer in een spleet van de boomschors een stekje          630
Invoegt, den rijkdom van sap door vreemden voedsterling opvoert.
Ook duldt zij niet dat zij kwijnen van dorst; maar de kronkelende aders,
Als zij versmachten die ziet, der wortels bevloeit zij met water.
Dit is haar liefde en haar lust. Naar liefde zij toont geen verlangen,
Maar van de landlieden duchtend 't geweld, zij vanbinnen haar boomgaard         635
Afsluit; en zoo zij den toegang belet en ontwijkt zij de mannen.
 Wat doen de Satyrs al niet, die jeugd, in het dansen geoefend,
Wat niet de Faunen, met 't loof van den pijnboom de horens omslingerd,
Wat niet Silvanus, die steeds is jeugdiger nog dan zijn jaren,
En welke God er de dieven verschrikt, ’t zij door lichaam of snoeimes                640
Om te veroov’ren haar min? Vertumnus, ofschoon hij in liefde
De anderen ver overtrof, niet gelukkiger hierin dan zij was.
O, hoe hij vaak op de wijs des ruwen maaiers naar huis bracht
’t Afgemaaid graan in een korf, en was hij het toonbeeld eens maaiers!
Dikwijls, de slapen met ’t jonge hooi omwonden, het schijnen                           645
Kon, dat het verschgemaaid gras op hooibergen hij had gestapeld;
Vaak hij ook stijf in de hand een zweep hield, zoodat men zou zweren
Dat hij zijn stieren zoo juist, vermoeid van het werk, had ontspannen.
Droeg hij een snoeimes, hij scheen een snoeier van boomgaard of wijngaard,
Droeg hij een ladder, men zou voor appelenplukker hem houden.                      650
Krijgsman hij scheen met een zwaard en, nam hij een hengel, een visscher!
Vele gedaanten, kortom, hij aannam, daarmee zich den toegang
Tot haar te openen en ’t geluk, dat hij hoopte, te smaken.
Eindelijk zelfs, zich het hoofd met een kleurigen tulband bedekkend,
Steunende op een stok, het haar langs de slapen gestreken,                             655
Trad, als oud vrouwtje vermomd, den boomgaard hij in, dien zij hoedde.
En, vol bewond’ring voor ’t ooft: „Wat zijt gij voorspoedig toch!” spreekt hij
En hij haar prijst en haar kust; met kussen nochtans als geen echte
Oude ooit gaf; en hij buigt zich neer en gaat zitten op de aarde,
En naar de takken ziet op, gekromd door ’t gewicht, dat de herfst bracht.            660
Niet ver vandaar stond een olm, waar weeld’rige druiven zich hechtten,
En nadat hij dien zelf en tevens die ranken geroemd had,
Sprak hij; „Maar stond ongepaard die stam en zonder die loten,
Niets zou hij dragen waarop men prijs zou stellen, dan blaad’ren;
En deze wingerd, die aan een olmboom gebonden, gesteund wordt,                    665
Zou, als gehuwd zij niet was, zijn plat op den bodem gaan liggen.
Gij, door het voorbeeld nochtans wordt van dezen boom niet bewogen,
Mijdend het huwelijk, gij niet denkt eraan u te verbinden!
Och, of gij wildet toch maar! Zelfs Helena zou door niet meerder
Minnaars zijn aangezocht, noch die de aanleiding tot der Lapithen                      670
Strijd was; noch ook de gade des lang verbeiden Ulysses!
Nu ook, ofschoon gij ontwijkt en van u afstoot de vrijers,
Duizenden zoeken uw hand van mannen, halfgoden, Goden
En welke wezens nog meer het Albaansche gebergte bewonen.
Dus, als verstandig gij zijt, verstandig ook huwen wilt, hoor dan                        675
Wat thans dit oudje u raadt, die meer u bemint dan die allen.
Meer dan gijzelf wel gelooft: verwerp die gewone aanbidders,
Kies u als deelgenoot van uw leger Vertumnus! Voor dezen
Gaarne ik borg u wil staan; hij kent zichzelf toch niet beter
Dan ik hem ken! Ook dwaalt hij doelloos niet rond in de wereld:                        680
Hier is hij steeds in de buurt. En niet als de meesten der minnaars
Mint hij die nauw’lijks hij kent. Gij zult hem zijn eerste en laatste
Liefde zijn! Aan u alleen hij toewijden zal al zijn jaren.
Voeg daar nog bij dan zijn jeugd, en dat ook de gave der schoonheid
Hem is gegeven, en hij in allerlei vorm zich kan hullen.                                    685
Wat gij bevelen hem zult, dat zal hij, wat ’t zijn moog’, volbrengen.
Stemt niet uw smaak overeen? Hij ’t eerste de vruchten zal proeven,
Door u gekweekt, en verrukt zal aannemen wat gij hem aanbiedt.
Nu echter wenscht hij geen vrucht, die gij van de boomen geplukt hebt,
Noch wat in boomgaarden groeit, gewassen die zoet zijn van sappen;                690
Niets anders wenscht hij dan u! Met die liefde toon deernis, alsof hij
Zelf u dit smeekte, alsof hijzelf met mijn mond had gesproken.
Vrees de vergelding der Goôn, en vergeet niet dat Venus het harde
Vrouwenhart haat, en hoe lang der Rhamnusische toorn blijft gedenken!
En — dat te meer gij dien vreest; want veel heeft mijn leeftijd mij leeren           695
Kennen! — zal ik u een feit, dat aan geheel Cyprus bekend is,
Meêdeelen; dat u allicht verteederen zal en vermurwen:

Iphis en Anaxarete.

Iphis, uit need’rige ouders geboren, Anaxarete zag,
Die tot den edelen stam van Teucer haar afkomst terugbracht.
Toen hij haar zag, tot in ’t diepst van ’t gebeente de liefde hem blaakte;             700
En na langdurigen strijd, toen hijzelf door zijn rede dien hartstocht
Niet te beteug’len vermocht, hij smeekende nadert haar’ drempel.
Nu aan haar voedster, haar zijn wanhopige liefde bekennend,
Smeekt bij haar pleegdochters’ heil dat niet zij hardvochtig hem afstoot,
Dan van haar talrijken stoet dienaressen een ieder hij beurt’lings                        705
Vleit, en met angstig geluid haar smeekt om haar hulp en haar voorspraak.
Dikwijls ook biddende woorden hij schreef in het was met de schrijfstift.
Dikwijls ook kransen, die hij besproeit met den dauw zijner tranen,
Hangt aan haar deurposten op, en strekt op den steenharden drempel
’t Teedere lichaam, terwijl hij den haat’lijken grendel verwenschte.                      710
Wreeder van aard dan de rijzende vloed bij het zinken der sterren,
Harder dan ijzer, dat in de Norische vuren men uitsmelt,
En dan de steen, die nog vast in de levende rotsmassa wortelt,
Minacht zij hem, en hem hoont. En bij die hardvochtige daden,
Voegt zij nog schimpwoorden en den minnaar geen enkele hoop gunt.                  715
Iphis, die foltering moe, kan dit eindeloos lijden niet langer
Dragen, en spreekt, voor haar deur, haar de laatste maal toe met de woorden:
"U is, Anaxarete, de zege: die afkeer tot mij zal
Langer niet kwellen u. Stem in vroolijkheid aan uw' triomfzang
En zing uw zegelied; sier het hoofd u met 't glinst'rend laurierloof!                       720
Gij overwint, en vrijwillig ik sterf. Kom, verheug u, o wreede!
Toch ik u dwingen zal ook in mij iets te prijzen: het zal iets
Zijn dat in mij u behaagt, dat gij zult als verdienste erkennen.
Echter onthoud, dat mijn liefde voor u niet eerder zal einden
Dan met mijn leven! Gelijk zal tweeërlei licht mij ontbreken.                               725
Ook zal niet ’t bloote gerucht het bericht van mijn sterven u brengen:
Zelf — wees verzekerd daarvan! — zal ik komen en zelf zal aanschouwen
Hoe aan mijn ziellooze lijf het hardvochtige oog gij zult weiden!
Zoo echter werk’lijk, o Goôn! der sterv’lingen daden gij aanziet,
Weest mij gedachtig dan, en — doch meer is de tong mij in staat niet                  730
U te verzoeken! — maar zorgt, dat lang men nog van mij gewage,
Wat van mijn leven gij neemt, dienzelfden tijd aan mijn faam geeft!”
 Zoo sprak hij. Naar de deur, zoo vaak met zijn kransen omhangen,
Heffend het vochtige oog en strekkend de bevende armen,
Sprak hij, terwijl aan den bovensten balk hij een touwstrik bevestigt:                  735
„Kan, ongevoelige en wreede! wellicht deze krans u behagen?”
En steekt het hoofd in den strik; zelfs toen nog naar haar hij zich wendde.
En hing zich op, de ongelukkige! tot zijn gewicht hem den nek brak.
Zij, door der voeten beweging verschrikt, een angstigen kreet doet
Hooren, vol vrees, tot de deur geopend wordt en het gebeurde                           740
Duidelijk maakt. Tevergeefs, als hij losgemaakt is, hem de dienaars
Jamm’rend (zijn vader was dood) naar de woning der moeder vervoeren.
Zij aan haar boezem ontvangt en klemt in haar armen het koude
Lichaam haars zoons. En nadat van rampzalige ouders de klachten
Zij heeft geuit en gedaan wat rampzaligen moeders te doen staat,                      745
Leidde zij weenende door het midden der veste zijn uitvaart,
Droeg op de lijkbaar, bestemd voor de houtmijt, zijn doodsbleeke leden.
Dicht, als het trof, stond haar huis bij den weg, waarlangs zich de somb’re
Optocht bewoog; en ’t geluid van het vrees’lijk gejammer de ooren
Trof van Anaxarete, die de godd'lijke wraak reeds nabij was!                              750
Niet zonder deernis zij sprak: „Laat dit droevige schouwspel ons aanzien!”
En door de opening van het venster betreedt zij den huistop.
Nauw had zij Iphis gezien, hoe uitgestrekt hij op de baar lag,
Toen zich verstarde haar blik, het warme bloed haar uit ’t lichaam
Week, en zij doodsbleek bleef slaan, en schoon zij ’t beproefde, den voet niet      755
Weder terugtrekken kon. Toen zij trachtte 't gelaat af te wenden,
Kon zij ook dit niet. De steen, dien eerst zij slechts in het hardvochtig
Harte droeg, langzamerhand geheel had haar lichaam bevangen.
Dat gij geen fabel dit acht, het beeld van de jonkvrouw tot heden
Salamis steeds heeft bewaard in den tempel der vèr-ziende Venus,                     760
Als men dien noemt. Blijf daaraan gedachtig, leg af uw hooghartig
Dralen, o dierbaarste nimf, en geef aan uw’ minnaar u over!
Dan zal in ’t voorjaar u noch de nachtvorst den wasdom der vruchten
Hinderen, noch u de snelle winden de bloesems doen vallen”.
  Als nog vergeefs haar de God, bekwaam in ’t verwiss’len van vormen,               765
Dit heeft gezegd, hij tot jong’ling weer wordt en de kleeding der oude
Werpt van zich af. En hij zoo vertoont zich aan haar als der zonne
Stralende beeltenis drijft de wolkengevaarten uiteen, die
Staan in haar’ weg en opnieuw, door niemand belemmerd, weerschittert.
Als tot geweld hij besluit, geweld niet meer noodig is: ’t godd’lijk                       770
Aanschijn behaagt aan de nimf, ook zij door de liefde gewond is.

Romulus.

Dan in Ausonië's rijk des harden Amulius’ wapens
Heerschten, tot Numitor, de oude, ’t verloren bewind door der kleinzoons’
Tusschenkomst weder herwon. Bij het feest der Paliliën wordt de
Stad van haar muren omringd, en Tatius met de Sabijnsche                               775
Vaderen voeren den krijg. En de weg naar den. burcht wordt ontsloten,
En — welverdiend was haar straf! — onder schilden gesmoord, sterft Tarpeia.
Daarop het Curische volk, naar de wijze der sluipende wolven
Smorend ’t geluid in den mond, de mannen door sluimer bevangen
Aantasten; zoekend de poorten, die Ilia’s zoon met zijn grendels                        780
Vast had gesloten. Maar één Saturnia zelf had geopend,
Zonder dat ’t draaiend scharnier het geringste geluid had gegeven.
Venus alléén had gehoord dat de grendel der poort was gevallen,
En die wel sluiten wou, zoo het verijd’len van daden der Goden
Slechts aan de Goôn was vergund. Ausonische bronnimfen hoedden                   785
’t Heiligdom, Janus gewijd, dat droop van haar ijskoude water.
Haar zij te hulp roept. ’t Rechtmatig verzoek der Godin door de nimfen
Niet wordt weerstaan en de aad’ren en bronnen zij van haar fonteinen
Oproepen. Daarmeê nog niet ontoegankelijk Janus’ verblijf was:
Wijd het nog open stond; nog het water den weg niet versperde.                       790
Helgele zwavel zij onder het weeld’rige nat van haar bronnen
Brengen en rookende hars en ontsteken de holte der aad’ren.
Deze en andere kracht doen den gloed in het binnenst’ der bronnen
Doordringen; ’t water, zooeven door koude in staat om de Alpen
Zelf te evenaren, thans wijkt in hitte niet meer voor het vuur zelfs.                    795
De aanraking nu van dien gloed doet beide de deurposten dampen,
En zoo den toegang, schoon die aan de trotsche Sabijnen beloofd was,
Sperde die nieuwe bron, totdat de nazaat van Mavors
Riep daar zijn krijgers bijeen. Als Romulus met hen den vijand
Aantast, en Rome's gebied met lijken bedekt der Sabijnen                                 800
Wordt en van 't eigene volk; en het schuldige zwaard stort des schoonzoons
Bloed met het bloed tegelijk van den schoonvader
, eind'lijk besluit men
Vrede te sluiten; te staken den strijd en niet tot het uiterst'
't Zwaard te hanteeren: 't gezag met Tatius samen te deelen.

Romulus onder de goden opgenomen.

Daarop, na Tatius' dood, aan beide die volk'ren gelijk'lijk,                                  805
Romulus! wetten gij gaaft. Den helm afleggende, Mavors
Toen tot den Vader van Goden en menschen als volgt heeft gesproken:
"Thans is, o Vader, gekomen de tijd, nu rotsvast gegrond is
't Rijk der Romeinen, en van één vorst niet langer het afhangt,
't Loon te betalen dat gij aan mij en uw' waardigen kleinzoon                             810
Eens hebt beloofd, en omhoog hem van de aarde ten Hemel te voeren!
Gij mij toch eens hebt gezegd - en de Raad van de Goden het hoorde -
En het mij heugt daar uw liefderijk woord in mijn ziele gegrift bleef:
"Eén zal er zijn, dien gij moogt in het blauw van den Hemel verheffen!"
Geef mij de zekerheid dat dit woord zich ook moge vervullen."                           815
En de Almachtige knikt en doet in het duister der wolken
Schuilgaan de lucht, en met donder en bliksem verschrikt hij de aarde,
Die uit die teekens beseft dat de roof, haar beloofd, wordt voltrokken.
En op zijn speerschacht gesteund, de onverschrokken Gradivus besteeg den
Wagen, en 't span zijner rossen bedwong met den bloedigen dissel;                    820
Suizend hij zwaaide de zweep. Voorover gestort door het luchtruim,
Blijft op de toppen hij staan van den woudrijken berg Palatinus.
Ilia's zoon, die daar juist als koning de wet zijn Quiriten
Stelde, ontvoert hij. En 't sterfelijk lichaam in 't ijle van 't luchtruim
Loste zich op, evenals door de kracht van den slinger gedreven,                         825
Pleegt in de ruimte des hemels de kogel van lood te versmelten.
Tot hij een edeler vorm, en beter den Godd'lijken zetel
Waardig, erlangde: den vorm des driewerf heil'gen Quirinus.

Hersilia.

Hem als verloren beweende zijn gâ', tot de vorst'lijke Juno
Iris gebood langs haar' boog tot de weduwe neder te dalen                                830
En om aan Hersilia dit goddelijk woord te verkonden:
  "Vrouwe, van Latium's stam en het volk der Sabijnen het schoonste
Sieraad; die 't waardigst' eerst waart zoo groot een gemaal te bezitten
Toen hij nog leefde, en thans Quirinus' gade te heeten,
Droog thans uw tranen! Zoo gij uw' echtgenoot weder te aanschouwen               835
Koestert den wensch, vergezel naar het woud mij, hetwelk op Quirinus'
Heuvelen groent en den tempel des konings van Rome beschaduwt!"
Iris gehoorzaamt en langs haar' veelkleurigen boog naar de aarde
Dalend, geeft Hersilia het bevel dat haar op was gedragen.
Zij, met schroomvallig gelaat, nauw wagende de oogen te heffen,                       840
Spreekt: ""O Godin - want al valt het mij zwaar u bij name te noemen,
Zeker gij goddelijk zijt! - geleid, o geleid mij; het aanschijn
Toon mij mijns echtgenoots! Zoo slechts een oogenblik dit te aanschouwen
't Lot mij vergunt, ik erken den Hemel te hebben verworven!"
  En onverwijld zij bestijgt met de dochter van Thaumas den heuvel,                   845
Romulus toegewijd. Daar een ster, uit den Hemel gevallen,
Daalt tot de aarde omlaag, en van haren lichtglans doorschitterd,
Hersilia met die ster door de ruimte des Hemels gevoerd wordt.
Haar aan zijn trouwe hart heet welkom de stichter van Rome
En, met het lichaam gelijk, den naam, door haar eertijds gedragen,                    850
Wijzigt en Hora haar noemt, als godin met Quirinus hereenigd!