|
Ovidius´ Metamorfosen
door Mr. H.J. Scheuer
Publius Ovidius Naso
Metamorfosen
In de oorspronkelijke versmaat vertaald door
Mr. H.J. Scheuer
Oud-directeur van Justitie in Nederlandsch-Indië
1923
Naaml. Venn. Uitgevers-maatschappij en
Boekhandel v/h P.M. Wink
Zalt-Bommel
DERDE BOEK
Cadmus sticht Thebe.
Lang reeds de God, als ´t bedriegelijk beeld van
den stier hij verlaten
Had, en erkend wie hij was, de Cretensische velden bewoonde,
Toen de onwetende vader aan Cadmus beval de geschaakte
Alom te zoeken; met straffe van ballingschap dreigend, wanneer hij
5 Haar niet terugbracht; alzoo door één
handeling vroom en misdadig.
Toen nu de wereld door hem was doorkruist - want wie kan doorgronden
Jupiter´s listen? - ontwijkt zijn vaderland tevens en ´s
vaders
Toornen Agenor´s zoon. Als smeekeling Phoebus´ orakel
Raadplegend, vraagt hij welk land hij verder zal moeten bewonen.
10 "U in het eenzame veld een koe
zal ontmoeten", zegt Phoebus,
"Nooit door een juk nog gedrukt en nooit voor een ploeg nog gespannen.
Volg slechts den weg, dien zij wijst; en waar in het gras zij gaat rusten,
Sticht daar uw stadsmuren en Boeotië zult gij haar heeten!"
Nauwelijks was de
Castalische grot door Cadmus verlaten
15 Toen hij een koe, onbewaakt, met langzame
stappen zag naad´ren,
Die aan den nek geen enkel teeken van dienstbaarheid toonde.
Aanstonds hij volgt en met haastige schreden haar voetstappen nagaat;
Zwijgend zijn dank hij betuigt aan Phoebus, die hem den weg wees.
Als des Cephisus´ strand, ´t Panopeïsche
veld zij voorbij is,
20 Staan blijft de koe en den fraaien kop
met de rijzige horens
Richtend ten Hemel, zij met haar loeien de ruimte vervulde.
Omziende daarop naar hen, die tot zoover haar sporen gevolgd zijn,
Legt zij zich neder en wentelt in ´t teedere gras zich de zijden.
Dankbaar knielt Cadmus neer en kust hij den grond, die hem vreemd is,
25 En aan de vreemde landouwen en bergen
brengt hij zijn groeten.
Jupiter off´ren hij wil, en gelast aan zijn dienaren water
Om bij het offer te plengen, uit levende bron hem te zoeken.
Daar was een eeuwenoud bosch dat nimmer de bijl had geschonden,
En in het midden een grot, bewassen met ranken en twijgen,
30 Die tot een need´rigen boog was
gevormd door de welving der steenen.
Wel overvloedig daar welde het nat, maar in ´t diepste der rotsen
Mavors´ Slang
zich bevond aan kam en goudglans herkenbaar.
Vuurstralen schieten uit ´t oog; heel ´t lichaam van gif
is gezwollen;
Drie zijn de trillende tongen en drie ook de rijen der tanden.
35 Als tot hun ongeluk zij, die van Tyrischen
stam kwamen herwaarts,
In zijn getreden het woud, en hun kruik, in de golven gedompeld,
Hoorbaar geluid gaf, den kop de zeegroene Slang uit de lengte
Stak der spelonk naar omhoog en een vreeselijk sissen deed hooren.
En hun van schrik valt de kruik uit de hand, en het bloed uit het lichaam
40 Wijkt, en een plots´linge schrik
bevangt hun de sidd´rende leden.
Zij echter, buigzaam van lijf, tot schubbige ringen zich kronkelt,
Omwendt, en spant met een sprong tot een boog zich, geweldig van hoogte.
En, zich voor meer dan de helft van haar lengte in het luchtruim verheffend,
Heel zij het woud overziet. Zoo groot zij van lichaam is als ´t
geen
45 - Zag men geheel haar! - de beide gesternten
scheidt van de Beren.
Aanstonds zij valt de Phoeniciërs aan, hetzij tot hun wapens
Wenden zij zich of de vlucht, of beide hun angst zelf verhindert;
Sommigen zij met haar beet, door lange omstrengeling and´ren
Doodt, of de dood´lijke pest van haren vergiftigen adem.
50 Reeds op haar hoogsten stand de zon
had de schaduw doen krimpen,
Toen zich Agenor´s zoon, verbaasd waar zijn makkers vertoefden,
Opmaakte, en naar hen zocht. De huid, ontrukt aan een leeuw, hem
´t Lijf dekt; gewapend hij is met een lans met glinst´rende
speerpunt
En met een werpspies; nog meer hij uitblinkt door moed dan door wapens.
55 Als hij het woud heeft bereikt en de
ziellooze lijken ziet liggen,
En hij, reusachtig van lijf, den zegevierenden vijand
Ziet, die met bloedige tong nog lekt aan de vrees´lijke wonden,
Zegt hij: "Of ik van uw dood, mijn getrouwen, de wreker zal worden,
Of u zal volgen!" En met dit woord met de rechterhand hij een
60 Rotsblok nam op dat, hoe groot en met
wat kracht ook geslingerd,
Wel was in staat door zijn schok ineen te doen storten de hoogste
Torens of stadsmuren, maar toch niet de slang kon verwonden,
Die door haar schubben als door een harnas beschut, door de hardheid
Kaatst van haar donkere huid terug de geweldige botsing.
65 Maar met die hardheid niet kan zij tegen
de werpspies zich weren,
Die, in het midden de bocht der buigzame ruggegraat treffend,
Steken blijft en met geheel het staal in het ingewand doordringt.
Woedend van pijn, ziet de slang, den kop naar achter gebogen,
Om naar de wonde in den rug en bijt in het stekende ijzer.
70 En als met vrees´lijk geweld naar
iederen kant zij dit heenwringt,
Trekt zij het haast uit de wond; maar het staal in ´t gebeente
bleef steken.
Als nu haar daag´lijksche woede verdubbeld is door deze nieuwe
Oorzaak, nu eerst door de volheid der aderen zwelt haar de keel op,
Vloeit haar een witachtig schuim om pestverspreidende kaken.
75 Hoorbaar wordt de aard´ door de
schubben geschaafd en de donkere walm, die
Stijgt uit den Stygischen muil, bederft en vergiftigt het luchtruim.
Nù, met haar kronk´lingen een ontzagg´lijken cirkel
beschrijvend,
Rolt zij zich om; dan een balk nog rechter zij dan overeindstaat.
Straks met geweldige vaart, als een stroom, door de regens gezwollen,
80 Stormt zij vooruit, en het woud in haar´
weg werpt haar borst achterover.
Langzaam Agenor´s zoon wijkt terug; met de leeuwenhuid bij haar
Aanloop te keer gaat, en hij den dreigenden muil met gevelde
Speer van zich afweert. Verwoed, maar vruchteloos, wonden aan ´t
harde
IJzer zij toebrengt en in de punt van de speer slaat de tanden.
85 Reeds uit het gifverspreidend verhemelte
een bloedstroom te leken
Aanving en rood kleurde met zijn spatten het gras van de weide.
Toch was niet ernstig die wond, omdat ze achteruit zich getrokken
En, schoon getroffen, den nek terug had gebogen; dat wijken
Tegengewerkt had den stoot en belet dien nog dieper te dringen.
90 Tot haar ten slotte de zoon van Agenor
het staal in de keel stoot,
En zoo geweldig het stuwt - een eik stond, toen ze achterwaarts deinsde,
Haar in den weg! - dat den nek en den boom tegelijk hij doorboorde.
Onder ´t gewicht van de slang de boomstam zich neerbuigt, en kreunde
Toen door een deel van den staart het hout van zijn boom werd gegeeseld.
95 Als de overwinnaar nog van der verslagene
grootte verbaasd staat,
Eensklaps een stem hij verneemt; vanwaar die kwam was onzeker,
Duidelijk ´t was wat zij sprak: "Wat, zoon van Agenor, beschouwt
gij
Nog deze stervende slang? Ook in u zal men eenmaal een slang zien!"
Lang stond ontsteld hij; en met de bezinning gelijk de gelaatskleur
100 Had hij verloren; van ijskouden schrik
rees het haar hem te berge.
Zie, de beschermster des helds, door het luchtruim gedaald uit den Hemel,
Pallas verschijnt; hem beveelt te zaaien de tanden der slang, als
Omgeploegd zijn zal de grond, als kiem der toekomstige natie.
Als hij gehoorzaam den grond met de ploegschaar geopend heeft, hij de
105 Tanden der slang, naar ´t bevel,
in de vore strooit; oorsprong van menschen.
Daarop - hoe vreemd het ook klinkt! - begint zich de grond te bewegen,
´t Eerst uit de vore rijst op een rij van scherppuntige speren,
Schuddende hoofddeksels dan, met bontbevederden helmkam;
Daarna ook borsten en schouders en armen met wapens beladen
110 Rijzen omhoog. Zoo er wast een oogst
van geharnaste mannen!
Zoo ook, wanneer bij een feest in den schouwburg ´t tooneelscherm
omhoogrijst,
Stijgen figuren vaak op, die het eerst hun gelaatstrekken toonen,
Daarna het oov´rige, tot in geleid´lijken voortgang geheel
zij
Zichtbaar zijn, en op den uitersten rand kunnen plaatsen de voeten.
115 Door die verschijning verschrikt, wil
Cadmus de wapenen grijpen;
"Neder uw wapens!" roept één der schare hem
toe, die door de aarde
Voortgebracht was; "u de strijd tusschen burger en burger niet
aangaat!"
En met de scherpte des zwaards hij treft van dichtbij een der broeders,
Met hem uit de aarde ontstaan; hemzelf doodt een lansworp van verre.
120 Hij, die hem doodelijk trof, niet langer
leeft dan de ander,
Hij ook den adem uitblaast, zoo kort pas geleden ontvangen.
Dergelijk voorbeeld geheel de schare ontvlamt; en in eigen
Strijd, door elkander verwond, zoo plotseling sneuv´len de broeders,
En deze jeugd, wie zoo kort een levensduur slechts was beschoren,
125 ´t Bloedige lichaam weer op den
vochtigen moederschoot neerlegt.
Vijf slechts er werden gered; en een van die vijf was Echion:
Deze, op Pallas´ bevel zijn wapenen thans werpt ter aarde,
Vrede zijn broederen biedt en ook hun belofte in ontvangst neemt.
Dezen nu leenden bij ´t werk den Sidonischen gastvriend hun bijstand,
130 Toen hij daar stichtte zijn stad, als
Phoebus´ orakel gelast had.
Lang reeds was Thebe gesticht en kondt gij, schoon balling, gelukkig
Schijnen, o Cadmus! Tot schoonouders waren u Mavors en Venus
Toebedeeld; daarbij nog voeg van zoo groot een gade het nakroost,
Zonen en dochters en, dierbaarste panden, het kroost uwer kind´ren,
135 Mede volwassen reeds. Maar helaas,
door een ieder verbeid moet
Worden zijn uiterste dag en niemand gelukkig men prijzen
Kan voor zijn sterven; vóór hem de uiterste eer is bewezen!
Actaeon.
´t Eerst u tot oorzaak van rouw, bij zooveel voorspoed,
o Cadmus,
Zijn moest die kleinzoon, wiens hoofd door vreemde horens mismaakt werd;
140 Gij ook, o hondenschaar, met het bloed
van uw´ meester verzadigd!
Maar, als gij ´t wel overweegt, kunt zijn ongeluk slechts gij
ontdekken,
Geenszins zijn misdaad. Want wat misdadigs er steekt in een dwaling?
Reeds was ´t gebergte gedrenkt met het bloed van verschillende
dieren,
Reeds had het midden des daags der voorwerpen schaduw doen krimpen,
145 Stond op gelijken afstand de zon tusschen
opgang en neergang,
Toen de Hyantische
knaap zijn jachtgenooten, in wouden
Dwalend en wildernis rond, met vriend´lijke woorden terugriep:
"Netten en jachtsprieten met het bloed van het wild zijn bevochtigd,
Heden genoeg werd bereikt, mijn vrienden! Wanneer weer Aurora
150 In haar rooskleurigen wagen getrokken,
den dag zal vernieuwen,
Dan wij ´t ons voorgesteld werk hervatten zullen. Nu Phoebus
Juist tusschen Oost staat en West, en vaneensplijt den grond met zijn
hitte.
Staakt dus voorloopig uw werk, ontknoopt van de netten de touwen".
Algemeen volgt men ´t bevel en rust men uit van den arbeid.
Diana.
155 In een vallei, met
dennen en spitse cypressen bewassen,
Gargaphië genaamd, der lichtgegorde Diana
Toegewijd, vond men een land´lijke grot aan het uiterste einde;
Niet door de kunst zoo bewerkt; maar door haar vernuft de natuur had
Mensch´lijke kunst evenaard. Want uit de levende rots zij
160 Had een natuurlijken boog zich gebouwd
en uit luchtigen tufsteen.
Rechts daarvan klatert een bron met koel en kristalhelder water,
En met een grazigen rand geheel is haar bekken omgeven.
Hier placht der wouden Godin, wanneer zij vermoeid was van ´t
jagen,
´t Maagdelijk lichaam zich in het heldere water te baden.
165 Als de Godinne de grot heeft betreên,
geeft zij één harer nimfen,
Draagster der wapens, den koker, de speer en den boog, reeds ontspannen.
´t Nedergeworpen gewaad vangt eene andere op in haar armen;
Twee van sandalen ontdoen haar de voeten. ´t Bekwaamste is van
allen
Crocale, telg des Ismenos,
die ´t haar, dat nog wild om den hals zwiert,
170 Haar tot een wrong vlecht; schoon los
haarzelve de lokken nog hingen.
Zie Nephele, Hyale en Rhanis met het putten van water
Bezig: Psecas, Phiale, uit de omvangrijke kruik die het gieten.
Wijl, naar gewoonte, in het nat, de
telg der Titanen zich baadde,
Zie, hoe zijn deel in den arbeid verschoven hebbende, Cadmus´
175 Kleinzoon, onzeker van tred door het
onbekend struikgewas dwalend,
Dringt in het woud. Maar zijn noodlot het was dat daarheen hem voortdreef.
Immers, zoodra hij de grot, waar het bronwater klaterde, intrad,
Sloegen bij ´t zien van een man, de nimfen, zoo naakt als zij
waren,
Zich op de borsten, vervullende plotseling met haar gejammer
180 Heel de spelonk. En, rondom haar gedrongen,
zij pogen Diana
Met haar gestalten te dekken. Maar zij, de Godin, is van allen
´t Hoogst van gestalte, en tot den hals toe boven haar uitsteekt.
Zoo, als der wolken kleur, wanneer door de stralen der zon zij
Worden getroffen of door den purperen gloed van Aurora,
185 Zoo was de kleur van Diana´s
gelaat, toen men naakt haar gezien had.
Echter, hoezeer door den drom van haar gezellinnen omgeven,
Steelsgewijs zij zich op zijde begeeft en dan achter zich omziet.
Schoon zij verwachtte dat daar zij haar pijlen gereed zoude vinden,
Water het was, wat zij vond. Zij schept het, en werpt ´t in het
mann´lijk
190 Aangezicht. Wijl zij het haar met het
wrekende nat hem bevochtigt,
Roept deze woorden zij uit, die zijn naderend onheil voorspellen:
"Thans gij verhalen moogt hoe met afgelegd kleed ik gezien ben,
Als gij tenminste verhalen nog kunt!" Zonder verder te dreigen,
Geeft aan ´t besprenkelde hoofd van ´t snelvoetige hert
zij de horens;
195 Rekt hem ook langer den hals, maakt
spitser de punten der ooren;
En zij in hoeven de handen, in lange pooten verandert
De armen; met vlekkige huid geheel hem bedekt zij het lichaam.
Schuwheid ook voegt zij daarbij: de nazaat van Autonoë
de
Vlucht neemt , en hem bij die vlucht zijn eigen snelheid verwondert.
200 Maar, toen in ´t water hij nu
gelaat en horens aanschouwde,
"Wee mij!" roepen hij wou, geen woorden zich deden vernemen:
Zuchten hij slaakte, dit was zijn geluid. En de tranen de wangen
- Niet zijn wangen! - bevochtten. Alleen zijn verstand bleef behouden.
Wat moet hij doen? Weer teruggaan naar huis, naar zijn vorst´lijke
woning?
205 Schuilen in ´t woud? Schaamte
´t een, en schuwheid verbiedt hem het ander.
Als hij nog aarzelt, zijn honden hem zien. En het eerste Melampus,
Ichnobates ook, de slimme, luid blaffende gaven het teeken,
Ichnobates uit Cnossus afkomstig, uit Sparta Melampus.
Anderen ook snellen toe, den wind overtreffend in snelheid:
210 Pamphagus en Dorceus en Oribasus, allen
Arcadisch,
Nebrophonus ook, vol moed, de vinnige Theron en Laelaps,
Agre, beroemd om haar neus, Pterelas om zijn snelheid van voeten.
Met hen de woeste Hylaeus, nog onlangs gewond door een ever.
Die uit een wolf geboren werd, Nape; die de kudde vervolgde,
215 Poemenis, en Harpyia, die beide haar
jongen verzellen;
En die uit Sicyon stamde, Ladon, die slank is van lenden;
En Dromas en Canache en Sticte en Tigris en Alce;
En de sneeuwwitte Leucon en Asbolus, donker van haren;
En de vermeet´le Lacon en snel in het loopen Aëllo;
220 En Thoüs en Cyprio, de snelle,
en zijn broeder Lyciscis,
En, die in ´t midden van ´t zwarte voorhoofd met wit is
geteekend,
Harpalos, en Melaneus, en ruig van lichaam, ook Lachne.
En uit Cretensischen vader en moeder uit Sparta geboren,
Labros en Agriodus, en, doordringend van blaffen, Hylactor.
225 And´ren, teveel om te noemen.
Die bende, door jachtlust gedreven,
Snelt over rotsen en klippen en haast ongenaakbare kloven,
Waar is het moeilijkst de weg; waar geen weg is, volgend zijn sporen.
En hij ontvlucht langs de plaatsen, zoo vaak door hem vroeger betreden,
Wee hem, zijn eigen dienaars ontvlucht! Hoe gaarne ook hij roepen
230 Wilde: "Actaeon ben ik! Herkent
toch uw eigen gebieder!"
Woorden ontbreken zijn wil. De hemel weergalmt van het blaffen;
´t Eerst slaat Melanchaetes in den rug van den vlucht´ling
de tanden,
Daarna ook Theridamas; Oresitrophus hangt aan zijn schoften.
Trager wel liepen zij eerst, maar langs korter een weg door de bergen
235 Sneden den pas zij hem af. Wijl deze
hun meester weerhouden,
Nadert de verdere troep en slaat in zijn lichaam de tanden.
Haast blijft voor wonden geen plaats. Hij steunt; en ´t geluid,
schoon niet mensch´lijk,
Is toch een klank, dien een hert onmogelijk zou kunnen uiten.
En met die droevige klacht vervult hij ´t bekende gebergte.
240 Dan, op de knieën voorover gezonken,
als smeekte en bad hij,
Houdt, of in de armen het was, het zwijgend gelaat hij verborgen.
Maar zijn gezellen, die niets vermoeden, nog als zij gewoon zijn
Hitsen de jachthonden aan; hunne oogen zoeken Actaeon,
En, of afwezig hij was, om strijd om Actaeon zij roepen;
245 - ´t Hoofd steekt hij op bij
zijn naam! - en beklagen zich dat hij zich schuil houdt,
Dat, door zijn traagheid, hij niet het gezicht van den buit kan genieten.
Wèl hij afwezig zich wenscht, maar aanwezig hij is! En veel liever
Dan hij die voelt, hij de woeste daden zou zien van zijn honden,
Die, zich verdringend om hem, in ´t lichaam hem domp´len
de muilen,
250 Tot in ´t bedriegelijk beeld
van het hert hun gebieder verscheurd is.
Dan eerst, als tallooze wonden het leven hem hebben benomen,
Zegt men, de toorn is verzoend der pijlkokerdragende Phoebe.
Semele.
´t Oordeel is weifelend: wreeder dan billijk is
schijnt de Godinne
Sommigen toe; and´ren weer haar prijzen en noemen haar strengheid
255 Waardig der godd´lijke maagd.
Voor beiderlei opvatting grond is.
Jupiter´s gade alleen veel min of zij goedkeurt of afkeurt
Kenbaar maakt, dan zich verheugt in de ramp die het huis van Agenor
Trof; daar de haat dien zij tegen de
Tyrische bijzit gevoed had,
Overging op haar geslacht. Maar zie, bij die vroegere oorzaak
260 Komt nog een nieuwe: haar toorn dat
Semele
was bij den grooten
Jupiter zwanger. Gereed, dit overspel hem te verwijten,
Zegt zij: "Wat werkten ooit uit mijn zoo dikwijls herhaalde verwijten?
Zelve ik haar opzoeken wil! Haar zelve, indien men met recht mij
Juno, de machtige, noemt, verderf ik! indien ik het waard ben
265 Dat, met juweelen bezaaid, den schepter
ik voer in de hand, en
Jupiter´s vrouw ben en zuster; zijn zuster zeer zeker! Maar moog´lijk
´t Overspel zelf haar voldeed, en kort slechts die smaad aan mijn
echt was?
Neen! dat ontbrak nog: ze is zwanger en draagt het bewijs van haar zonde
Zichtbaar voor elk; zij die slechts bij Jupiter moeder wil worden,
270 Wat mij nauw´lijks gebeurt! zoo
hoog schat zij zelf hare schoonheid.
´t Zal niet gebeuren: ik wil geen Saturnia heeten, wanneer niet
Zij door haar Jupiter´s schuld in den stroom van den Styx zal
verzinken!"
Op rees zij van haren troon, en in goudgelen nevel verborgen
Semele´s drempel genaakt. Niet eerder verdrijft zij dien nevel,
275 Voor ze, als oud vrouwtje vermomd,
grijs haar aan de slapen geplant heeft,
´t Vel heeft met rimpels doorploegd, en met bevende schreden ´t
gebogen
Lichaam beweegt. Ook de stem, die zij aanneemt, is die van een oudje.
Beroë was zij gelijk, Semele´s Epidaurische voedster;
Knoopte een gesprek met haar aan en, toen zij na langen tijd sprekens,
280 Jupiter´s naam had genoemd, toen
sprak met een zucht zij: "Ik hoop slechts
Dat het ook Jupiter was. Want waarschuwen moet ik u, daar toch
Velen, als Goden vermomd, in het maagdelijk slaapvertrek drongen!
´t Is niet genoeg dat hij Jupiter is: laat zijn liefde een bewijs
u
Geven dat werk´lijk hij ´t is. Zoo groot als hij is en zooals
hem
285 Juno, de groote, ontvangt, zoo groot
en zoodanig ook zij hij
Als hij u weder omarmt; laat hem eerst u zijn teekenen toonen!"
Zoo werd door Juno misleid de onnadenkende dochter van Cadmus.
Als zij aan Jupiter, zonder die nader te omschrijven, een gunst vraagt,
Antwoordt hij: "Kies wat gij wilt; geen weigering hebt gij te vreezen.
290 Wilt gij nog zekerder zijn? De godd´lijke
macht mij getuige
Zij van den Stygischen stroom, die de schrik is en Heerscher der Goden!"
Blijde om een ramp Semele, te invloedrijk en die haars minnaars
Zwakheid zou dooden, toen sprak: "Vertoon, gelijk Juno gewoon is
U te ontvangen, wanneer gij Venus´ verdrag met haar aangaat,
295 Zoo u ook mij!" Tevergeefs poogt
de God nog den mond haar te snoeren,
Reeds had het woord zij geuit en was ´t in het luchtruim vervlogen.
Diep zuchtte hij; maar hij kon niet te niet doen hetgeen zij gewenscht
had,
Noch dat gezworen hij had. En diep hij bedroefd naar den hoogen
Hemel terugkeert. En met een enkelen blik hij doet volgen
300 Wolken met regens gemengd en hevigen
wind en het weerlicht,
Voegt daar den donder nog bij en onafwendbaren bliksem.
Echter zooveel hij nog kon, beproeft hij zijn kracht te vermind´ren:
Niet met den straal die Typhoeus,
met honderd armen, gedood heeft,
Wapent hij thans zich: die schicht bevat hem thans te veel krachten.
305 Daar is een lichtere straal, waaraan
door de hand der Cyclopen
Minder geweld is en vuur en minder vernielkracht gegeven:
´t Mindere wapen dit noemen de Goden. Dit grijpend, Agenor´s
Woning hij binnentreedt. Maar haar sterfelijk lichaam weerstaat niet
´t Hemelsch geweld, maar wordt verteerd in die echt´lijke
omarming.
310 ´t Nog onvoldragen kind wordt
uit den schoot zijner moeder
Weggerukt, en in de dij des vaders - mag men ´t gelooven! -
Verder geborgen, totdat de tijd der geboorte vervuld is.
Heim´lijk verpleegt in de wieg zijn moederszuster hem, Ino;
Dan wordt Nyseïschen
nimfen hij toevertrouwd, die hem verbergen
315 In haar spelonken en daar hem melk
tot voedsel verstrekken.
Tiresias.
Wijl dit nu alles op aard´ naar de wetten van
´t noodlot geschiedde,
En van den tweemaal geboren Bacchus de kindsheid beschermd was,
Jupiter eens, naar men zegt, door nectar bevangen, zijn zware
Zorgen zich schuivend ter zijde, met Juno in ledigheid kortswijl
320 Drijvende, in vroolijkheid sprak: "Voorzeker,
´t genot van de liefde
Grooter bij u is dan ooit aan de mann´lijke sekse tebeurt valt!"
Als zij ´t ontkent, men besluit des geleerden Tiresias´
oordeel
Daarin te vragen, die beide soorten van liefde gekend had.
Want, toen hij eens in het groene woud twee reusachtige slangen
325 Parend gevonden en die met een slag
van zijn staf had getroffen,
Was hij, o wonder, opeens veranderd tot vrouw; en was zeven
Herfsten gebleven een vrouw. In ´t achtste jaar zag dezelfde
Slangen hij weder en sprak: "Was zoo groot de kracht uwer wonde,
Dat gij aan hem, die u sloeg, een andere sekse kondt geven,
330 Dan wederom ik u tref!" En toen
hij weer die slangen getroffen
Had, zijn oorspronkelijk beeld en vroegere vorm keerden weder.
Hem men tot scheidsrechter nam om den schertsenden strijd te beslechten:
En hij valt Jupiter bij. Saturnia ´t ernstiger griefde,
Zegt men, dan billijk was en het onderwerp voegde. Haar´ rechter
335 Straft zij, door hem het oog met eeuwigen
nacht te bedekken.
Maar de almachtige - want geen God mag weer ongedaan maken
Wat door een God is gedaan! - in plaats van ´t gezicht, hem ontnomen,
Kennis der toekomst hem gaf; de straf door die gave verlichtte.
Narcissus en Echo.
Wijd door de Aonische
steden befaamd, gaf deze aan een ieder,
340 Die zijn profetische kracht beproefde,
onfeilbare orakels.
De eerste, die stelde op de proef ´t geloofwaardige van zijn voorspelling,
Liriope was, de zeegroene nimf, die eens met zijn kronkels
Had de Cephisus omvat en toen ze in zijn golven gevangen
Was, had geweld aangedaan. De schoonste der nimfen werd zwanger,
345 En kreeg een zoon, die reeds toen den
nimfen beminnelijk voorkwam.
En zij Narcissus hem noemt. Toen deze hem raadpleegde, of hij
´t Lange tijdsverloop zou der rijpe grijsheid aanschouwen,
Antwoordde haar de profeet: "Wanneer hij zichzelven niet zien zal!"
Lang scheen zinledig des wichelaars taal; toch door de uitkomst bevestigd
350 En door de feiten: den aard van zijn
dood en vreemdsoortigen hartstocht.
Toen toch Cephisus´ zoon aan driemaal vijf jaren een jaar nog
Toegevoegd had, en reeds kon een knaap, kon een jongeling schijnen,
Tallooze jong´lingen hem en tallooze maagden begeerden;
Maar in het teedere lijf zoo trotsch een hoogmoed reeds woonde,
355 Dat hem noch jong´lingen noch
hem maagden konden bekoren.
Echo.
Toen hij het schichtige hert eens poogde in zijn netten
te jagen,
Zag hem de spraakzame nimf, die noch kon een antwoord verzwijgen,
Noch had geleerd te beginnen ´t gesprek, de weergalmende Echo.
Lichaam toen Echo nog was: niet stem alléén. Toch had
ook toen zij,
360 Praatziek, geen ander nut van haar
stemgeluid dan zij het nu heeft:
Dat van veel woorden zij slechts de laatste vermocht te herhalen.
Dit was door Juno bewerkt omdat, toen zij zocht te betrappen
Nimfen, die vaak in ´t gebergte met Jupiter overspel pleegden,
Listig zij had de Godin met lange verhalen weerhouden,
365 Wijl haar de nimfen ontvluchtten. Saturnia,
toen zij ´t doorgrond had,
Sprak: "Van de kracht van die tong, die mij heeft bedrogen, zal
weinig
Over u blijven, ´t gebruik van uw stem tot ´t geringste
beperkt zijn";
En haar bedreiging werd daad. Maar het einde van alle gezegden
De Echo geeft dubbel terug; het woord, dat zij hoorde, herhaalt zij.
370 Toen zij Narcissus nu zag door velden
en struikgewas dwalen,
Aanstonds ontstak zij in gloed en steelsgewijs volgde zijn schreden,
Wijl haar, hoe meer zij hem volgt, te dichter nabij ook de hitte
Blakert, zooals de helder brandende zwavel, gesmeerd op
´t Eind van een fakkel, in ´t vuur gestoken, de vlammen
doet uitslaan.
375 O, hoe vaak heeft zij verlangd met
vleiende woorden te naad´ren,
En met haar smeekingen hem te overwinnen! Verzet de natuur zich,
Laat die ´t beginnen niet toe, wel laat zij haar toe dat gereed
zij
Staat te vernemen ´t geluid, om dat met haar woord te weerkaatsen.
Juist had de knaap, die verdwaald uit de trouwe schaar was van vrienden,
380 "Is daar soms iemand?" geroepen,
en: "Iemand" had Echo geantwoord.
Hij staat verbaasd en roept uit, naar iederen kant om zich heen ziend:
"Kom!" met luidklinkende stem. En die het geroepen heeft,
roept zij.
Dan ziet hij om; en als weder hij niemand ziet komen: "Waarom mij",
Zegt hij, "ontwijkt gij?" en evenveel woorden verneemt als
hij uitsprak.
385 Maar hij volhardt, en misleid door
den schijn van een stem die hem antwoordt,
"Kom hier dan bij mij!" zegt hij. En zij, die geen klank zich
kon denken,
Dien zij ooit liever beantwoorden zou, "Kom dan bij mij!"
zegt Echo.
En van haar eigen woord zij geniet. Dan, de wouden verlatend,
Snelde zij toe, vol begeerte met de armen den hals hem te omvatten.
390 Hij echter vlucht en al vluchtende
roept: "Tracht mij niet te omhelzen!
Veel liever sterven ik wil, dan dat ik zijn zal de uwe!"
En van die woorden herhaalt zij alleen: "dat ik zijn zal de uwe!"
Dan zij verbergt zich, versmaad, in de wouden: de schaamroode wangen
Schuilen in ´t loover; sindsdien alleen ze in spelonken verblijf
houdt.
395 Toch blijft haar liefde bestaan, door
de smart nog van de afwijzing toeneemt.
Kommer verdrijft haar den slaap, ondermijnt haar het teedere lichaam,
Magerheid doet haar verschromp´len de huid; in het luchtruim de
sappen
Opgaan van ´t lichaam geheel; en stem en gebeente slechts blijven.
Nog men haar stem hoort; ´t gebeente, als men zegt, werd veranderd
in steenen.
400 [Dan zij verschuilt zich in ´t
woud en nooit in ´t gebergte gezien wordt:
Wel door een ieder gehoord. De stem is het die in haar voortleeft.]
Narcissus.
Zoo had hij haar, zoo ook and´re in bosschen en
bergen geboren
Nimfen versmaad en nog eer den omgang met mannen vermeden.
Een der versmaden, terwijl de armen hij ophief ten hemel
405 Sprak: "Zoo beminne ook hij dien
nooit hij zal kunnen bereiken!"
En het rechtmatig gebed verhoort de
Rhamnusische godheid.
Helder er kabbelt een bron, met zilverig schitt´rende golven,
Noch door de herders of door de op de heuvelen grazende geiten,
Noch ook door ander vee ooit beroerd; door geen enkelen vogel,
410 Noch door het wild of door een vallenden
boomtak vertroebeld.
Welig het gras er wies in ´t rond, gevoed door ´t nabijzijnde
water;
Wijl door het woud wordt belet dat de plaats door de zon wordt geblakerd.
Hier had de jongeling zich, van jachtdrift vermoeid en van hitte,
Uitgestrekt, daar hem de bron en de lief´lijke omgeving bekoorden.
415 En wijl zijn dorst hij te lesschen
begeert, er een andere dorst rijst:
Want, wijl hij drinkt, hij verrukt door het beeld der aanschouwde gestalte,
Smacht naar hetgeen niet bestaat; voor lichaam houdt wat slechts is
schaduw.
En, van zichzelf hij verbaasd, onbewegelijk blijft van gedaante;
Roerloos, als was hij een beeld, uit marmer van Paros gehouwen.
420 Nedergeknield op den grond, twee sterren
aanschouwt hij, zijn oogen;
En ziet zijn lokken die Bacchus onwaardig niet zijn of Apollo;
Daarbij de baard´looze wang, den hals van ivoor en de schoonheid
Van zijn gelaat en den blos, met sneeuwwitte blankheid vereenigd.
Alles bewondert hij zelf, waardoor hij bewonderenswaard is,
425 En mint zichzelven de dwaas! en hij
die prijst, wordt geprezen,
Hij die begeert, wordt begeerd, gelijkelijk brand sticht en vlam vat.
Hoevele ijdele kussen niet gaf hij ´t bedriegelijk water!
Hoevele malen niet strekt hij de armen, den hals te omvatten,
Dien in het water hij ziet, maar niet hij in staat is te grijpen!
430 Wat hij beschouwt, weet hij niet; toch
doet het gezicht hem ontgloeien;
Die hem de oogen bedriegt, die zelfde dwaling hem prikkelt.
Dwaze! wat grijpt gij vergeefs naar het vluchtige spel der verbeelding?
Nergens toch is, wat gij wenscht: wend u af, en ´t verdwijnt wat
gij liefhebt!
Dat, wat gij ziet, slechts de schim van uw beeld is, weerkaatst in het
water.
435 ´t Heeft dus geen eigen bestaan:
het komt en het blijft met u zelven,
Wijken ook zou het met u, als in staat gij geweest waart te wijken!
Maar noch behoefte aan spijs, noch verlangen naar rust van die plaats
hem
Kunnen verdrijven; en in het welige gras zich verschuilend,
Houdt op ´t bedriegelijk beeld onverzaad´lijk het oog hij
gevestigd.
440 En door zijn eigen oogen te gronde
hij gaat. Zich een weinig
Heffend, naar ´t omliggend woud de armen hij uitbreidt en jammert:
"Zaagt gij, o wouden, ooit dan de mijne wanhopiger liefde?
Gij toch het weet; en zoo velen gij hebt met uw duister begunstigd.
Hebt gij, wier levensduur door zoo talrijke eeuwen zich rekte,
445 In al die jaren ooit iemand van liefdesmart
zoo zien verkwijnen?
Wat ik bemin, ziet mijn oog. Maar wat ik zie, wat ik liefheb,
Toch ik niet vinden kan: zulk een dwaling belemmert mijn liefde.
´t Smartelijkst nog daarbij is, dat geen machtige zeeën ons
scheiden,
Bergen of afstanden niet, noch vestingmuren of poorten,
450 Want slechts een luttel nat ons weerhoudt.
Hijzelf wil zich geven:
Immers, zoo vaak ik mij buig om het stroomende water te kussen,
Even zoo vaak hij zich toeleunt naar mij, met het hoofd achterover.
´t Is of we ons aanraken kunnen; haast niets de gelieven vaneenscheidt.
Wie gij ook zijt, kom hierheen! Wat stelt gij, beminde te leur mij;
455 Wie u het heengaan gelast? Mijn leeftijd
noch schoonheid verdienen
Dat gij ontwijken zoudt mij, die ook door de nimfen bemind werd.
Zaligheid, welke dan ook, verkondigt uw vriend´lijk gelaat mij:
Want, als mijn armen ik strek naar u uit, dan ook strekt gij de uwe,
Lach ik, dan lacht gij mij toe. Uw tranen ook vaak ik zag vloeien,
460 Als ik die stortte; ook vaak mijn hoofdknik
gaaft gij mij weder.
Als uit ´t bewegen ik van den schoonen mond kan vermoeden,
Woorden ook spreekt gij mij toe, die nimmer mijn ooren bereiken!
´k Voel het, dat zelf ik het ben! Mij kan mijn beeld niet misleiden,
Ik ben het zelf, dien ik min; ikzelf voed het vuur, dat mij blakert.
465 Zoek ik, of word ik gezocht? Wat te
doen, en wat blijft mij te zoeken?
Wat ik begeer, heb ik hier! Tot armoede brengt mij mijn rijkdom.
Och, of ´t mij mogelijk was uit ´t eigen lichaam te scheiden,
- Wensch, in een minnaar wel nieuw! - of wat ik bemin, hier niet ware!
Reeds ondermijnde mijn krachten de smart; ik voel dat niet lang te
470 Leven mij overblijft meer; in den bloei
mijner jeugd ik moet sterven.
Geenszins de dood mij beangst, die het einde mij brengt van mijn lijden,
Mocht alleen hij, dien ik min, ware ´t mogelijk, mij overleven;
Nu twee gelieven gaan met één leven tesamen te gronde".
Zoo in zijn waanzin hij sprak, en keerde opnieuw naar de bron zich
475 En met zijn tranen vertroebelt het
nat; door ´t bewegen onduid´lijk
Spiegelt zijn beeld zich terug. En toen hij nu dit zag verdwijnen,
"Waarheen ontvlucht gij?" sprak hij, "o blijf, en laat
uw geliefde,
Wreede, niet achter! En laat voor ´t minst hetgeen ik niet raken
Kan, mij beschouwen, en voedsel verstrekken mijn vrees´lijken
hartstocht!"
480 Klagende trekt hij zich ´t kleed
van den bovensten rand naar beneden,
En zich de borst slaat, ontbloot, met marmergelijkende handen.
En waar de borst hij zich trof, een teedere blos die bedekte.
Zoo zijn de appelen die, aan éénen kant wit, aan den and´ren
Rood zijn gekleurd; zoo de druif, die al naar lengte der stengels,
485 Voor zij haar rijpheid bereikt, een
purperkleur pleegt te erlangen.
Als hij dit alles aanschouwt in het water, weer helder geworden,
Droeg hij ´t niet langer. Gelijk onder matige warmte de gele
Was pleegt te smelten; gelijk de ijzel, die ´s morgens nog glinstert,
Smelt in de warmte der zon, zoo ook door liefde verkwijnend,
490 Lost hij zich op; doet allengs de heim´lijke
gloed hem verteren.
Reeds is verdwenen de blos, met sneeuwwitte blankheid vereenigd,
Weg ook zijn kloekheid en kracht en wat, straks aanschouwd, hem bekoorde
En zelfs het lichaam verdween, dat eenmaal door Echo bemind was.
Als zij dit ziet, zij ´t gebeurde vergeet en haar toorn en haar
wraakzucht,
495 Treurt zij om hem; en zoo vaak de ongelukkige
jongeling "Wee mij!"
Uitriep, herhaalde ook zij, die woorden weerkaatsende: "Wee mij!"
Ook toen hij, jammerend, met de handen zich sloeg op de armen,
Kaatste hetzelfde geluid zij terug, als een uiting van rouwe.
´t Uiterste woord dat hij sprak, wijl, als steeds, in de golven
hij staarde:
500 "Wee, arme knaap, die vergeefs
zijt bemind!" zij met evenveel woorden
Weergaf. Toen eind´lijk hij zuchtte: "Vaarwel!" "Vaarwel!"
antwoordt Echo.
Dan in het groenende gras het afgemat hoofd legt hij neder,
Dood sluit die oogen, die nog zijn eigen schoonheid bewond´ren.
Zelfs, nadat hij het rijk van de schimmen bereikt heeft, beschouwt hij
505 Nog zich ´t gelaat in den stroom
van den Styx. En om hem de Najaden
Treurden, zijn zusters; uit rouw om haar´ broeder hem off´ren
de lokken,
Weeklaagden ook de Dryaden; met ´t weeklagen instemt de Echo.
Reeds men de houtmijt, de brandende fakkels en lijkbaar gereedmaakt;
Nergens het lichaam meer was. In plaats van dat lichaam een goudgeel
510 Bloempje men vindt, in het hart van
witte blaadjes omgeven.
Pentheus.
´t Nieuws van ´t gebeurde rechtmatigen roem
aan den ziener bracht in de
Steden van Griekenland en de naam van den waarzegger groot was.
Pentheus, de zoon van Echion nochtans, de verachter der Goden,
Onder die allen alléén hem bespot, en des grijsaards voorspellend
515 Woord maakt belach´lijk; zijn
ongeluk hem en ´t verduist´ren der oogen
Werpt voor de voeten. Het hoofd met grijzende haarlokken schuddend
Zegt hij: "Gelukkig waart gij, als ook het gebruik van uwe oogen
Gij moest verliezen, dat gij de feesten van Bacchus niet zien kondt!
Komen zal toch de dag - ik voorspel dat niet lang die meer uitblijft
-
520 Dat voor de eerste maal Semele´s
zoon, dat hier Liber
zal komen;
En, als geen godd´lijke eer gij hem in den tempel zult brengen,
´t Lijf u naar duizend kanten uiteen wordt gerukt, gij de wouden
Zult met uw bloed en uw moeder gelijk en haar zusters bespatten!
Zoo zal ´t geschieden: gij zult der Godheid die eer niet bewijzen,
525 Klagen zult gij dat ik in mijn blindheid
te veel nog gezien heb!"
Als hij zoo spreekt, hem de zoon van Echion verdrijft uit zijn woning.
De uitkomst bevestigt het woord: het geschiedt als de ziener voorspelde:
Liber verschijnt, en van feest´lijk gejuich wedergalmen de velden.
´t Volk loopt te hoop, en niet mannen alleen, maar ook moeders
en dochters,
530 En naar het onbekend feest stroomt
het volk met de vorsten te samen.
"Wat razernij toch, o kind´ren der Slang en van Mavors",
zegt Pentheus,
Heeft u beneveld ´t verstand? Is ´t alleen u te doen om
het koper
Tegen het koper gebotst, om de fluit met het mondstuk van horen,
Enkel om de goochelaarskunst? dat hen, die ´t krijgshaftige zwaard
niet
535 Schrikken doet, noch de trompet, noch
strijders met lansen gewapend,
´t Schreeuwen van vrouwen ontroert, door wijn geprikkelde waanzin
En een ontuchtig gemeen en ´t onzinnig misbaar van de pauken?
Hoe kunt, o grijsaards, gij die van verre over zee zijt gekomen,
Hier hebt uw Tyrus herbouwd en uw vluchtende Huisgoôn gevestigd,
540 Dulden dat men zonder strijd u verwint?
En gij, vuriger leeftijd,
Jeugd, meer mijn jaren gelijk, wie ´t betaamde de wapens te voeren,
Geenszins den thyrsus
te zwaaien; en helmen te dragen, geen kransen,
Blijft toch, ik bid ´t u, den stam gedachtig, waaruit gij gesproten
Zijt! Van den moed van de Slang, die alléén er zoo velen
verdelgde,
545 Iets in u opneemt! Zij stierf voor
eigen bronnen en meren,
Gij echter zijt aan uw´ roem alleen verplicht te overwinnen!
Dapperen bracht zij den dood: gij hebt slechts met lafaards te strijden.
Handhaaft der vaderen roem! Als het noodlot niet toelaat dat Thebe
Lang blijft bestaan, o mocht dan alleen onder ´t beuken des stormrams
550 Storten haar veste ineen, onder ´t
gonzen van vuur en van ijzer!
Laat ons ten onder dan gaan zonder schuld, dat ons lot te beklagen,
Niet te verbergen ook is, de tranen ons vrij zijn van schaamte.
Thans wordt ons Thebe bestookt door een baard´loozen knaap, zonder
wapens,
Die in den oorlog behagen niet schept, of in wapens of paarden.
555 Maar slechts in lokken die druipen
van zalf en onmann´lijke kransen,
Purpergewaden en goud in het stof van de kleed´ren geweven.
Zoo gij ulieden onthoudt, zal ik aanstonds hem dwingen te erkennen,
Dat niet zijn afkomst is als hij beweert, en denkbeeldig zijn godheid!
Was slechts Acrisius
dapper genoeg te verachten die ijd´le
560 Godheid; en hem bij zijn komst de poorten
van Argos te sluiten?
Zou een gelukzoeker dan heel Thebe en Pentheus doen vreezen?
Gaat", hij zijn dienaars beveelt, "den aanvoerder grijpt en
hem aanstonds
Hier brengt in zijn boeien, en laat geen aarz´len die opdracht
vertragen!"
Hoe hem zijn grootvader, hoe Athamas,
hoe zijn and´re verwanten
565 Hem ook vermanen, vergeefsch hun poging
is hem te weerhouden:
Driftiger eer hij nog wordt door vermaningen, feller zijn razen
Door die belemmering en door uitstel zijn woede nog toeneemt.
Zoo zag ik vaak, hoe een stroom, door niets in zijn voortgang belemmerd,
Rustig en kalm vloeide voort en met weinig geklater zijn weg koos,
570 Maar waar door stammen van boomen of
rotsblokken hij werd gehinderd,
Schuimende en kokende en om de versperring verbitterd, vooruit stoof.
Zie, daar komen bebloed zijn dienaars terug; op zijn vraag waar
Bacchus was, antwoorden dat zij nergens hem zagen. "Maar dezen
Grepen wij", zeggen zij, "die zijn gezel was en helper bij
de offers!"
575 En zij hem brengen een man, wien de
armen men saâm had gebonden
Achter den rug; een Tyrrhener, die Bacchus´ offers gevolgd is.
Dezen ziet Pentheus aan met oogen, die vrees´lijk zijn woede
Fonkelen doet; en ofschoon met moeite zijn straf hij nog uitstelt,
Zegt hij: "O gij, die gaat sterven en die door uw´ dood nog
aan and´ren
580 Zult tot een waarschuwing zijn, zeg
uw´ naam en den naam van uw ouders
En van uw vaderland, en waarom gij dien eeredienst navolgt!"
Bacchus en de Tyrrheensche schippers.
Antwoord hij geeft onbevreesd: "Mijn naam is Acoetes;
mijn afkomst
Is uit Maeonië,
en van need´rigen stand zijn mijn ouders.
Krachtige rund´ren, geschikt om het veld te bewerken, mijn vader
585 Woldragend vee evenmin of kudden mij
naliet. Hij zelf was
Arm eveneens, en hij placht met netten te visschen en haken
En met den hengel door list de springende visch te verschalken.
Slechts uit die kunst zijn vermogen bestond. Toen hij mij die leerde,
Sprak hij: "Ontvang wat ik heb aan rijkdom, die erfgenaam zijt
en
590 Leerling gelijk van mijn kunst."
En stervend liet niets hij mij na, dan
´t Water, het eenige dat ik het erfdeel mijns vaders kon noemen.
Dan echter, daar op diezelfde rots ik niet steeds wilde blijven,
Leerde ik met leidende hand met de roerpen een schip te besturen,
Aandacht ik schonk aan de ster, die de
geit Amathea gewijd is,
595 Taygete
en het Regengesternte en den Beer in het Noorden
En aan der winden verblijf en de havens, geschikt voor de schepen.
Eens, toen naar Delos ik voer, toevallig de kusten van Chios
´k Nader: de riemen van rechts mij deden het zeestrand bereiken,
En met een luchtigen sprong kwam ik neder op ´t vochtige kustzand.
600 Toen nu de nacht was voorbij, Aurora
weer aanving te blozen,
Op rijs ik en aan mijn makkers ik raad voor versch water te zorgen,
En ik de richting hun wees waarin zij de bron moesten zoeken.
Zelf van een heuveltop keek ik uit wat de wind ons beloofde,
Riep toen mijn makkers bijeen en keerde terug naar het vaartuig.
605 "Zie, hier reeds zijn wij!"
het eerst van allen mij antwoordt Opheltes,
En, dien hij hield voor een prooi en in ´t ledige veld was gevonden,
Leidt langs de kust hij: een knaap, die maagdelijk was van gestalte
En onder invloed van wijn of van slaap, naar ´t mij voorkwam,
al wagg´lend
Nauwelijks volgen ons kon. Maar in gang en gelaat en gestalte
610 Niets aan hem vinden ik kon wat mij
aan een sterv´ling deed denken.
´k Voelde het; deelde het ook mijn makkers mede: "Wat godheid
Zich in dit lichaam verbergt, weet ik niet; maar een godheid woont in
hem!
Wie gij ook zijt, leen uw gunst, en bijstand ons bied bij den arbeid;
Hun ook vergiffenis schenk!" "Voor ons is ´t niet noodig
te bidden!"
615 Dictys toen inviel, die vlug als geen
ander in staat was in ´t tuig van
´t Vaartuig te klimmen en langs een touw naar omlaag weer te glijden.
Dezen valt Libys dan bij en de blonde Melanthus, de uitkijk,
Dezen ook Alcimedon, en wiens stem de beweging der riemen
Regelt of rusten die doet, de moed insprekende Epopeus,
620 En alle and´ren tesaam: zoo blind
de begeerte is naar voordeel.
"Nooit zal ik dulden dat op dit schip met geweld men een God brengt",
Zeg ik: "want op dit schip heb ik het meest te bevelen!"
En ik den toegang versper. Het woedendst´ van allen gedraagt zich
Lycabas, die om een moord uit een Tuscische stad was verdreven
625 En voor die gruweldaad thans als balling
zijn straf ondergaan moest.
Wijl ik op zijde niet ga, treft zijn krachtige vuist in den nek mij;
Vallende, zou ik bijna in zee zijn geslingerd, wanneer niet
Vast aan een touw ik geklemd, schoon buiten mijzelf, mij kon redden.
Goedkeurend juichte de bende der schurken, tot eindelijk Bacchus,
630 - Want het was Bacchus zelf! - alsof
hun tieren den sluimer
Bij hem verdreef, en alsof uit een roes hem de zinnen ontwaakten,
Sprak: "Wat gebeurt hier? Wat moet dit schreeuwen beduiden? Hoe
ben ik
Herwaarts gekomen, o zeeliên, en waarheen wilt gij mij brengen?"
"Wees onbekommerd, en zeg wat haven gij gaarne", sprak Proreus,
635 "Wildet bereiken, dan kunt in
het land dat gij wenscht, gij aan wal gaan!"
"Laat dan naar Naxos uw schip", zegt Liber, "wenden den
steven,
Want daar behoor ik tehuis en u zal het gastvrij ontvangen!"
En bij de Zee hem bezweren en bij alle Goôn de bedriegers
Dat ´t zal geschieden; van ´t schip mij bevelen de zeilen
te spannen.
640 Naxos lag rechts; maar naar rechts
toen ik beproefde te zeilen,
Riepen zij, ieder voor zich: "Wat doet gij? Wat waanzin, Acoetes,
Heeft u bevangen? Naar links wend het roer!" En het meerendeel
hunner
Teekens mij geeft; en een deel hun bedoeling mij fluistert in de ooren.
Hevig ontsteld, roep ik uit: "Laat een ander het roer dan hanteeren!"
645 En tegelijk aan hun dienst mij onttrek
en hun listen en streken.
Allen dan schelden mij uit, van iederen kant hoor ik dreigen.
Daarop zegt Aethalion: "Gij denkt dat op u alleen zeker
Al onze hoop is gebouwd?" en zelf neemt hij dan mijn plaats in,
Grijpt ook het roer en stuurt een anderen koers uit dan Naxos.
650 Maar hen misleidend zegt Bacchus, alsof
eerst nu hun bedrog hij
Opmerkte, wijl hij omlaag van den bochtigen steven in zee keek,
Kwanswijs in tranen: "Dit is niet de kust, waar ik heen wil, o
mannen,
Dit niet het eiland waarheen gij mij beloofd hebt te brengen!
Waarmede heb ik die straf dan verdiend? En wat steekt er voor roem in,
655 Dat gij, mannen, een knaap, zóó
velen één enk´len misleiden?"
Lang reeds in tranen ik was. Maar de bende van schelmen bespot mijn
Weenen, met snelleren slag der riemen doorklieven de golven.
En nu bezweer ik u bij hemzelf - want sterker dan hij is,
Ken ik geen God! - even goed ik de zuivere waarheid u meedeel
660 Als ongeloof´lijk die klinkt:
het vaartuig bleef staan in het water,
Anders niet dan of het stond op ´t droge land, in de scheepswerf.
Stom van verbazing, nochtans zij volhardend hanteeren de riemen;
Spannen de zeilen; door beide middelen zoeken te ontvlieden;
Klimop slingert zich om de riemen; in bochten gekronkeld,
665 Kruipt het omhoog; met zijn weeld´rige
trossen versiert het de zeilen.
Zelf hij, het voorhoofd omkranst met druiventrosdragende ranken,
Rondzwaait den thyrsus, geheel van wijngaardloover omwonden.
Tijgers er liggen in ´t rond; naast ontastbare schimmen van lynxen,
Strekken zich ´t grimmige lijf ook panters, met vlekken geteekend.
670 Op springt het scheepsvolk gelijk,
hetzij zij door waanzin gedreven
Werden, of angst. Maar het eerst begint zich het lichaam van Medon
Donker te kleuren; zijn rug met duid´lijke bocht zich te krommen.
Toen Lycabas aan hem vroeg: "Tot welke vreemde gedaante
Zijt gij betooverd?" verbreedt, wijl hij spreekt, zich zijn kaak
en zijn neus wordt
675 Krachtig gekromd; en zijn huid zich
verhardt en bedekt wordt met schubben.
Toen Libys poogde een riem, die hem hinderde, op zijde te went´len,
Zag hij zijn handen in lengte te samen zich trekken, en dat zij
Handen niet waren: veeleer reeds vinnen verdienden te heeten.
Weer een, die poogde den arm naar een kronk´lenden kabel te strekken,
680 Armen niet heeft meer; gebogen van
rug hij zich met het verminkte
Lijf werpt in zee; en het eind van zijn staart krijgt den vorm van een
sikkel,
Zoo, als de horens zich krommen der maan, als zij half is gewassen,
Springend naar iederen kant, doen het water zij spatten en schuimen,
Komen zij beurtelings boven en duiken weer onder het zeevlak,
685 Of er een rei werd gedanst; wellustig
zich wentelen ´t lichaam,
´t Binnengedrongen nat uit wijde neusgaten blazen.
Tot van het twintigtal dat zoo straks nog het vaartuig bemande,
Ik bleef alléén. Als verstijfd ik van schrik was en rilde
van vreeze,
Nauw´lijks mij meester nog was, stilt Bacchus mijn angst met de
woorden:
690 "Wees zonder vreeze en richt naar
Naxos u!" ´t Eiland bereikend,
Sluit den Bacchanten ´k mij aan en blijf ik dien eeredienst volgen."
Straf van Pentheus.
"´k Heb naar het zinn´loos verhaal",
zegt Pentheus, "te lang moeten luist´ren,
Dan dat door ´t uitstel mijn toorn aan krachten zou hebben verloren.
Sleept hem, mijn dienaars, van hier; zijn ziel naar den Stygischen nacht
zendt,
695 Na hem met gruwzamen pijnen het lichaam
te hebben gefolterd!"
Aanstonds medegesleurd, in een hok de Tyrrheensche Acoetes
Op wordt gesloten. Terwijl, als bevolen was, voor hem het vrees´lijk
Werktuig gereed wordt gemaakt des doods en ijzer en vlammen,
Hebben zich, zegt men, vanzelf de deuren geopend; vanzelf ook,
700 Zonder dat iemand ze slaakt, zijn van
de armen de boeien gevallen.
Echter de zoon van Echion volhardt: thans zendt hij geen and´ren,
Zelf gaat hij heen waar de tot het off´ren gekozen Cithaeron
Van het gezang en de heldere stemmen weerklonk der Bacchanten.
Zoo, als van strijdlust trilt het vurige ros, als het schett´rend
705 Teeken der krijgstrompet klinkt, zijn
lust tot den oorlog voelt groeien,
Zoo voelt zich Pentheus ontroerd door ´t langdurig gehuil dat
ten Hemel
Kaatst, en ´t gejuich, dat hij hoort, opnieuw doet zijn woede
ontvlammen.
Midden haast in het gebergte, aan het einde omgeven van wouden,
Vrij van geboomte, is een veld, van iederen kant overzienbaar.
710 Hier heeft het eerst hem ontwaard zijn
eigen moeder, terwijl hij
Spottend naar ´t offerfeest zag. Door ´t waanzinnige rennen
verbijsterd,
´t Eerst hem zijn eigen moeder verwondt door een worp met den
thyrsus.
"Komt beiden herwaarts!" roept zij, "komt herwaarts,
mijn zusters en helpt mij;
Hier is het everzwijn dat het grootste is, dat dwaalt in mijn landen,
715 Hier is het zwijn, dat verdelgen ik
moet!" En naar hem alleen aller
Woede zich keert. En zij stroomen bijeen en vervolgen die vrees thans
Toont, die thans siddert van angst, min heftige woorden thans uitspreekt,
Thans zijn noodlot verwenscht, thans inziet te hebben gezondigd.
Bloedig verwond, roept hij uit: "Help, Autonoë, die de zuster
720 Zijt mijner moeder: uw ziel zóó
bewege de schim van Actaeon!"
Zij geen Actaeon meer kent: den rechterarm van den smeek´ling
Rukt zij van ´t lichaam; den linkerarm ontscheurde hem Ino.
Zoo hij geen armen meer had, die hij naar zijn moeder kon strekken.
Maar de ongelukkige, wijl hij de bloedige stompen haar toonde,
725 "Zie toch, o moeder!" roept
uit. Maar het aanziende, juichte Agaue,
Wierp achterover zich ´t hoofd, het haar in het luchtruim deed
fladd´ren,
En het hem afgerukt hoofd met bloedige vingers omvattend,
Gilde zij: "Io, vriendinnen! ons werk is deze overwinning!"
Sneller niet rukt in den herfst de stromwind het los aan de takken
730 Hangende, door de koude verschrompelde loof van de boomen,
Dan hem het mannelijk lijf door schendende handen verscheurd wordt!
Zoo, door zijn voorbeeld geleerd, den nieuwen eeredienst volgen,
Offeren wierook en eeren de outers de Ismenische vrouwen.
|