publius ovidius naso

metamorphosen XI

 

Orpheus' dood (r.1 - 66)

Terwijl de Thracische zanger met een dergelijk lied de bossen en de geesten van de wilde dieren en de stenen als zijn gevolg leidt, kijk! jonge vrouwen van de Cicones, de Bacchusdronken borsten bedekt met de huiden van wilde dieren, zien van de top van een heuvel Orpheus, terwijl hij zijn liederen begeleidt met het tokkelen van de snaren.
Eén van hen werpt heur haar door de lichte lucht (meerv.) en zegt : "Hee kijk, dit is de verachter van ons!" en zij gooide een lans naar de welluidende mond van de Apollinische dichter; deze (lans), aan de voorkant bedekt met bladeren, maakte een merk zonder wond; het werpwapen van een ander is een steen, die, toen hij gegooid was, midden in de lucht is overwonnen door het welluidend samenklinken van de stem en de lier, en zoals een smekeling voor zo waanzinnige waagstukken voor zijn voeten lag. Maar toch neemt de roekeloze oorlog (meerv.) toe, en de maat/gematigdheid verdween, en de waanzinnige Erinys heerst.
En alle projectielen zouden zijn zacht gemaakt door het gezang, maar het enorme geschreeuw en de Berecyntische fluit met gebogen pijp en de tamboerijns en het handgeklap en het Bacchische gejoel (meerv.) overstemden het geluid van de cither. Toen kortom kleurden de stenen rood van het bloed van de zanger, nu hij niet gehoord werd.
En eerst verscheurden de Maenaden de ook nu nog in vervoering door de stem van de zanger zijnde talloze vogels en slangen en stoet van wilde dieren, de roem van Orpheus, zijn publiek. Daarna keren zij zich met bebloede rechterhanden tegen Orpheus en storten zich samen op hem, zoals vogels, als die eens een bij daglicht zwervende vogel van de nacht zien, en (zoals) wanneer in het amphitheater een hert, dat gaat sterven in de ochtendarena, de prooi is van honden; zij vallen de zanger aan en werpen hun door gebladerte groene thyrsusstaf, niet voor deze taken gemaakt.
Deze slingeren aardkluiten, díe van een boom losgerukte takken, een deel slingert stenen, en om de projectielen voor hun woede niet te laten ontbreken, waren runderen toevallig de aarde aan het omploegen, de ploegschaar in de grond gedrukt, en niet ver hiervandaan spitten gespierde boeren de harde akkers, met veel zweet de vrucht voorbereidend; op het zien van de colonne (vrouwen) vluchten zij en laten de instrumenten van hun werk achter, en verspreid over de lege akkers liggen hakken en zware houweelen en lange hakwerktuigen.
Nadat zij die wild gegrepen hadden en de runderen met dreigende hoorn uiteengescheurd hadden, rennen zij terug naar het noodlot van de zanger, en terwijl hij zijn handen uitstrekt en op dat moment voor het eerst vruchteloze woorden zegt en niets met zijn stem in beweging brengt doden de goddeloze vrouwen hem, en door die mond, bij Juppiter!, die gehoord was door stenen en begrepen door de zintuigen van dieren, verdween zijn ziel, uitgeblazen in de winden.
De vogels weenden bedroefd om jou, Orpheus, de menigte wilde dieren, de harde stenen, de bossen, die jouw liederen vaak hadden gevolgd; (collectief enkelvoud:) bomen verloren hun blad en rouwden over jou met afgeschoren haar; ook de rivieren groeiden, naar men zegt, door hun eigen tranen, en Naiaden en Dryaden hadden de kleren omzoomd met een zwarte rand en de haren los.
De ledematen liggen op verschillende plaatsen, het hoofd, Hebrus, en de lier neem jij op, en - een wonder! - terwijl die midden in de rivier voortglijdt, klaagt de lier iets deerniswekkends, iets deerniswekkends fluistert de dode tong, de oevers antwoorden iets deerniswekkends.
Reeds drijven zij de zee in en verlaten de rivier van zijn volk en bereiken de kust van Lesbos bij Methymna. Hier gaat een wilde slang af op het hoofd, aan land gezet in vreemd zand, en de met druipend vocht uitgespreide haren. Eindelijk is Phoebus erbij en weert de slang, op het punt beten toe te brengen, af, en hij doet de geopende muil van de slang tot steen verstijven en maakt de wijdopen gapende bek (meerv.) hard, zoals hij was.
De schim gaat naar onder de aarde (meerv.) en de plaatsen die hij tevoren had gezien herkent hij alle en zoekend door de velden van de vromen vindt hij Eurydice en omarmt haar met verlangende armen. Hier wandelen zij beide met zojuist weer verbonden passen: nu eens volgt hij haar, terwijl zij vooropgaat, dan weer gaat Orpheus vooraan op weg en kijkt eindelijk veilig om naar zijn eigen Eurydice.