|
publius
ovidius naso
metamorphosen
I
de
proloog (r. 1 - 4)
werkvertaling
Mijn
geest brengt mij ertoe te spreken over gedaanten, veranderd in nieuwe
lichamen: goden - want jullie veranderden ook die gedaanten - blaast
leven in mijn onderneming en leidt mijn lied, dat vanaf de oorsprong
van de wereld doorgaat tot mijn eigen tijd.
de
vier tijdperken (r. 89 - 150)
werkvertaling
Het
gouden tijdperk is als eerste gezaaid, dat zonder bestraffer, uit
eigen beweging, zonder wet, trouw en het juiste vereerde. Straf en
vrees waren afwezig; niet werden dreigende woorden op een bronzen
plaat vastgelegd, en niet vreesde de smekende menigte de uitspraak
van zijn rechter, maar zij waren zonder bestraffer veilig.
Nog niet was de pijnboom, omgehakt, van zijn bergen afgedaald naar
de heldere wateren, om een vreemde wereld te gaan zien, en de stervelingen
kenden géén stranden behalve hun eigen. Nog niet omgaven diepe grachten
vestingsteden; er waren niet de steektrompet, niet de hoorn van gebogen
brons, niet helmen, niet het zwaard: zonder het gebruik van de soldaat
brachten de volkeren vrij van zorg zachte vrije tijd door.
Ook de aarde zelf, vrij van verplichtingen en niet aangeraakt door
de hak en niet gewond door enige ploegscharen gaf alles uit zichzelf,
en tevreden met het voedsel, dat ontstond zonder iemand die dwong,
verzamelden zij vruchten van de aardbezieboom en wilde aardbeien en
kornoeljebessen en moerbeibessen, vastzittend in ruige braamstruiken,
en eikels, die gevallen waren van de wijdvertakte boom van Juppiter.
De lente was eeuwig, en rustig streelden de Westenwinden met lauwe
briesjes de zonder zaad geboren bloemen. Al gauw droeg de ongeploegde
aarde ook vruchten, en zonder opnieuw te zijn bewerkt was de akker
grijs van volle korenaren; er gingen al rivieren van melk, al rivieren
van nectar, en blonde honing druppelde van de groene steeneik.
Nadat
(toen Saturnus naar de duistere onderwereld was gestuurd) de wereld
onder Juppiter was, volgde de zilveren generatie op, slechter dan
goud, waardevoller dan geel brons.
Juppiter trok de tijd (meerv.) van de oude lente samen, en liet door
winters en zomers en veranderlijke herfsten en een korte lente het
jaar verlopen in vier periodes.
Toen voor het eerst zinderde de lucht, verbrand door droge hittes,
en ijs hing, bevroren in/ door de winden; toen voor het eerst gingen
zij huizen in: huizen waren grotten en dicht struikgewas en met schors
vastgebonden takken.
Toen voor het eerst zijn de zaden van Ceres in lange ploegvoren bedolven,
en stieren kreunden, gedrukt door het juk.
Na
die (generatie) volgde als derde de bronzen generatie op, woester
van karakter en vlotter met huiveringwekkende wapens, (maar) toch
niet misdadig; van hard ijzer is de laatste (generatie).
Meteen barstte elk vergrijp los in het tijdperk van minder metaal
en vluchtte schaamte en waarheid en trouw; in plaats daarvan kwamen
bedrog (meerv.) en list en hinderlaag en geweld en de misdadige liefde
van het hebben (=hebzucht).
Zij gaven zeilen aan de winden, en de zeeman kende die nog niet goed,
en kielen die eerst op hoge bergen hadden gestaan dansten op de onbekende
golven. En de grond, eerst gemeenschappelijk zoals het licht (meerv.)
van de zon en de briesjes, bakende de landmeter zorgvuldig af met
een lange grens. En men verlangde van de rijke grond niet alleen gewassen
en het verschuldigde voedsel, maar men ging de ingewanden van de aarde
in: en de rijkdommen, die de aarde had verborgen en geplaatst in de
schaduwen van de Styx worden opgegraven, prikkels tot het kwaad. Reeds
was het schadelijke ijzer en, schadelijker dan ijzer, het goud tevoorschijn
gekomen; tevoorschijn komt de oorlog, die vecht met allebei, en met
bebloede hand de kletterende wapens schudt. Er wordt geleefd van roof;
de gast(heer) is niet veilig voor zijn gast(heer), de schoonvader
niet voor zijn schoonzoon; ook de gunst (het elkaar door dik en dun
steunen) van broers is zeldzaam. De man loert op de ondergang van
zijn echtgenote, zij op die van haar echtgenoot, verschrikkelijke
stiefmoeders mengen vale monnikskap; de zoon informeert vóór de dag
naar de jaren van zijn vader.
Overwonnen ligt de plichtsgetrouwheid; en de maagd Astraea verliet
als laatste van de hemelgoden de door het bloedbad natte landen.
deucalion
en pyrrha (r. 313 - 415)
werkvertaling
Phocis
scheidt de Aoniërs van de akkers van Acte, vruchtbaar land, zolang
het land was, maar in die tijd een deel van de zee en een brede vlakte
van plotselinge wateren; daar reikt een steile berg met twee toppen
naar de sterren, met de naam Parnas(s)us, en de toppen steken uit
boven de wolken.
Zodra Deucalion hier - want het zeeoppervlak had de rest bedekt -
met z'n bedgenote varend op zijn kleine vlot was vastgelopen, bidden
zij tot de Corycische nimfen en de godheden van de berg en de voorspellende
Themis, die toen orakels hield.
Geen enkele man was beter dan hij noch rechtvaardigheidsminnender,
of enige vrouw godsvrezender dan zij.
Toen Juppiter zag, dat de wereld met natte moerassen onder water stond
en dat één man over was van de zoveel duizenden van zoëven en dat
één vrouw over was van de zoveel duizenden van zoëven, beiden onschuldig,
beiden vereerders van de goddelijke wil, verdreef hij de wolken, en
toen de regenwolken door de noordenwind verwijderd waren, toonde hij
de landen aan de hemel en de hemel aan de landen. Ook de woede van
de zee blijft niet, en nadat hij zijn driepuntig wapen heeft weggelegd
kalmeert de bestuurder van de zee de wateren en roept de zeeblauwe
Triton, die boven de diepe zee uitsteekt en die op de schouders bedekt
is met vastgegroeide purperslak, en hij beveelt hem op zijn klinkende
schelp te blazen en de golven en rivieren eindelijk terug te roepen
door een teken te geven: de holle gedraaide hoorn wordt door hem opgenomen,
die steeds breder wordt vanaf de onderste draaiing, de hoorn, die,
wanneer hij midden op zee de lucht heeft opgevangen, met zijn stem
de stranden vult, die liggen in het Oosten en het Westen. Toen ook,
toen hij de met natte baard druipende mond van de god raakte en, geblazen,
de bevolen aftocht blies, is hij gehoord door alle wateren van het
land en de zee, en alle wateren, waardoor hij gehoord is, bedwong
hij. De zee heeft al (weer) een kust; de bedding bevat volle stromen;
de rivieren zakken, en heuvels lijken eruit te komen; de grond verrijst;
de plaatsen nemen toe, terwijl de wateren afnemen: en na een lange
dag laten de bossen hun ontblote toppen zien, en modder houden zij
vast, in het gebladerte achtergebleven.
De
wereld was teruggegeven; toen hij zag, dat die leeg was en dat de
verlaten landen diepe stilte (meerv.) bewaarde, sprak Deucalion als
volgt Pyrrha toe, nadat tranen waren opgeweld:
'O zuster, o echtgenote, o enige overlevende vrouw, die de gemeenschappelijke
afkomst en het feit dat we neef en nicht zijn en vervolgens het huwelijksbed
met mij heeft verbonden, nu verbinden de gevaren zelf ons! Van alle
landen, die de zon ziet als hij ondergaat en opkomt, zijn wij twee
de bevolking: de rest heeft de zee in bezit genomen. Ook dit vertrouwen
in ons leven is nog niet voldoende zeker: ook nu (nog) maken de wolken
mijn geest bang. Welke moed zou jij, beklagenswaardige, nu hebben,
als jij zonder mij aan het noodlot ontrukt was? Op welke manier kon
jij in je eentje je angst verdragen? Met wie om je te troosten je
verdriet? Want ik, geloof mij, als de zee jou ook had, ik volgde je,
vrouw, en de zee zou ook mij hebben. Ach, kon ik maar met de kunsten
van mijn vader de volkeren vernieuwen en zielen gieten in geboetseerde
aarde! Nu is in ons twee de menselijke soort over - zo besloten de
goden - en blijven wij de voorbeelden van mensen.'
Hij
had gezegd, en zij huilden. Zij besloten te bidden tot de hemelse
macht en hulp te vragen door heilige orakels. Er is géén uitstel:
zij gaan gelijk naar het water van de Cephisus,dat weliswaar nog niet
helder is, maar wel al weer de bekende bedding doorsnijdt. Toen zij
daaruit opgeschept water hadden gesprenkeld over hun kleren en hun
hoofd, bogen zij hun voetsporen naar het heiligdom (meerv.) van de
heilige godin, waarvan de gevels vaal waren door smerig mos en de
altaren zonder vuren stonden.
Toen zij de traptreden van de tempel raakten, vielen zij allebei voorover
op de grond en gaven angstig kussen aan de koude steen en zeiden zo:
'Als door juiste gebeden de goden overwonnen zich laten vermurwen,
als de woede van de goden gebogen wordt, zeg dan, Themis, met welke
kunst het verlies van onze soort herstelbaar is, en breng hulp, allervriendelijkste,
aan de overstroomde aarde!'
De godin is in beweging gebracht en gaf de orakelspreuk: 'Ga weg uit
de tempel en omhult het hoofd en maakt de kleding los en werp de botten
van de grote moeder achter je rug!'
Zij
waren lange tijd verstomd; en Pyrrha breekt eerst de stilte (meerv.)
met haar stem en weigert de bevelen van de godin te gehoorzamen, en
met angstig gezicht vraagt zij, dat zij het haar vergeeft, en zij
is bang om de schim (meerv.) van moeder te kwetsen door met de botten
te gooien. Intussen herhalen zij de door de blinde ondoorgrondelijkheid
duistere woorden van het gegeven orakel met elkaar en bespreken die
onderling. Dan kalmeert de zoon van Prometheus de dochter van Epimetheus
met kalme woorden en zegt : 'Óf de vindingrijkheid is voor ons bedrieglijk,
óf - orakels zijn vroom en raden geen ongeoorloofde daad aan! - "de
grote moeder" is de aarde: met "botten" denk ik, dat
de stenen in het lichaam van de aarde bedoeld worden: wij krijgen
het bevel deze achter onze rug te werpen.'
Hoewel de Titaanse onder de indruk is van de uitleg van haar echtgenoot,
is de hoop toch in twijfel: zozeer wantrouwen beiden de hemelse aanwijzingen;
maar wat zal proberen kwaad doen?
Zij verlaten de tempel en omhullen het hoofd en maken hun tunica los
en werpen stenen als bevolen achter hun voet(spor)en.
De stenen - wie zou dit geloven, als de oude traditie niet tot getuige
zou zijn? - begonnen hun hardheid en hun stijfheid af te leggen en
allengs zacht te worden en, eenmaal zacht geworden, vorm te krijgen.
Al gauw, wanneer zij gegroeid zijn en een zachtere natuur hen ten
deel is gevallen, kan wel een zekere maar nog niet duidelijke vorm
van een mens gezien worden, maar zoals begonnen uit marmer, niet voldoende
afgemaakt en zeer gelijkend op ruwe standbeelden.
En het deel van die (stenen), dat met een of ander vocht nat en kleiachtig
was, is gekeerd naar het gebruik van / werd gebruikt voor het lichaam;
wat stevig is en niet kan worden gebogen, verandert in botten, wat
zojuist ader was, bleef onder dezelfde naam, en in een korte periode,
door de wil van de goden, namen de stenen, die gegooid waren door
de handen van de man, het uiterlijk aan van mannen, en de vrouw is
hersteld door het werpen van de vrouw.
Daarom zijn wij een harde soort en bestand tegen inspanningen, en
geven wij de bewijzen, uit welke oorsprong wij geboren zijn.
Io,
Argus en Inachus (r. 630 - 647)
Vertaalopgave CE 1998 Tijdvak 1
werkvertaling
Overdag laat Argus
haar grazen; maar wanneer de zon is ondergegaan,
sluit hij haar op en legt een touw om haar onschuldige nek.
Zij voedt zich met bladeren van bomen en bitter gras,
en in plaats van op een bed gaat zij, de ongelukkige, liggen op de
grond, terwijl die niet altijd gras heeft en zij drinkt uit modderige
rivieren.
Zelfs wanneer zij als een smekeling haar armen naar Argus wilde uitstrekken,
had zij geen armen om naar Argus uit te strekken.
En toen zij probeerde te klagen produceerde zij geloei uit haar mond
en werd bang van de geluiden en is geschrokken van haar eigen stem.
Ook kwam zij bij de oevers, waar zij altijd placht te spelen, de oevers
van Inachus, en toen zij in het water de nieuwe hoorns zag, werd zij
bang en vluchtte in paniek voor zichzelf.
De Naiaden weten niet, ook Inachus zelf weet niet wie zij is; maar
zij volgt haar vader en volgt haar zussen en duldt dat ze wordt aangeraakt
en biedt zich aan hen aan, terwijl zij haar bewonderen.
De oude Inachus had afgeplukte grassen aangereikt; zij likt zijn handen
en geeft kussen aan de handpalmen van haar vader en houdt haar tranen
niet in.
|