ZESDE ZANG

Icarus

Daedalus, wereldberoemd, die den dwarlenden Doolhof gebouwd had,
alom met eere genoemd door wie 't kunstig wonder aanschouwd had,
vlug en vernuftig van geest, de bekwaamste van Griekenland's mannen,
juist om zijn kunde gevreesd - was door Minos naar Creta verbannen.
Dof zit de banneling daar, waar Kronion het licht zag, te zuchten,
peinzend: hoe speel ik 't klaar uit dit straf-oord van Minos te vluchten?
"Hij heeft het water - en 't land, (hm! ik ook!) "zoo denkt Daedalus dikkels,
"ik heb de lucht en 't verstand!"en zijn heimwee, die sterkste der prikkels,
Brengt hem een plan voor den geest. Door het onrecht nog hevig verbolgen,
zint hij, beducht noch bevreesd, de natuur van de vogels te volgen.
Nu komt zijn kunde te pas! hij vervaardigt van vederen vlerken,
lijmt z' aan de leden met was, en erlangt zoo het loon voor zijn werken.
Zie! daar verheft hij zich al om zijn vlieg-apparaat te probeeren;
('t Is maar een proef, voor 't geval dat er soms nog iets aan mocht mankeeren.)
Icarus, Daedalus' zoon, ziet hem gaan, en komt stralende nader.
"O!" roept hij uit, "dat is schoon! maak mij ook van die vleugelen, vader!"
Daedalus draalt in 't begin, maar (men weet het, zoo zijn eenmaal ouders)
geeft hem ten slotte zijn zin, en hij smeert hem het was op de schouders,
hecht er de vleugelen aan, maar vermaant hem voorzichtig te wezen.
Steelsgewijs pinkt hij een traan, en dan denkt hij, met heimelijk vreezen:
Deed ik wat plicht mij gebiedt, 'k gaf het heele plan op, en ik bleef hier....
Lang duurt de weifeling niet, en hij zeilt op de zucht van den zephir
zalig in 's Blaue hinein. Daar blijkt Icarus, 't eerste natuurlijk,
hoog in de wolken te zijn, in den woordlijken zin en figuurlijk.
't Boertje op 't land aan de ploeg, die het ziet, bij het spitten der zoden,
mompelt: "Dat's duidlijk genoeg; die twee vliegers daar ginder zijn goden!"
Icarus, jeugdig en dwaas, d'overmoedige, die geen gevaar schuwt,
slaat er geen acht op, helaas! hoe de vader hem vliegende waarschuwt:
"Icarus, Icarus, kom! Toe, niet hooger! Vlieg net even laag als
ik het doe! Wees niet zoo dom! Daar gebeurt nog een ongeluk, waaghals!"
Alles vergeefs. Wee! zijn zucht om maar hooger en hooger te zweven,
blij door de blauwende lucht, kost den jongen vermeetle het leven.
Zwaar treft den strever de straf: zie, de zon smelt het was.... Even later
vallen de vleugelen af - en hij stort met een kreet in het water!
Daedalus is al aan wal en hij kijkt er ontzet van de ree naar....
Zoo was dan Icarus' val; daar heet nu nog d'Icarische Zee naar.

d'Aviatiek staat nog zwak, ook al vordert de kunst wonderbaarlijk;
kies maar een veiliger vak, want het vliegen blijft altijd gevaarlijk.