D : dactyli idaei - danaŽ

dactyli idaei

Zie Daktyloi Idaioi.

daedalus

Zie Daidalos.

daidalos (daedalus)

Een der vroegste en bekwaamste beeldhouwers, bouwmeesters en steensnijders, die zich tevens eenen grooten roem verwierf door het uitvinden van de bijl, het waterpas, de scheepsmasten en zeilen, en vele voor de houtsnijkunst noodzakelijke werktuigen. Zijne houten standbeelden waren de eerste, die van de logge, blokvormige gestalte der ruwe Hermesbeelden door eene vrijere behandeling der onderscheidene lichaamsdeelen verschilden. Daar hij onder anderen beelden vervaardigde, die in beweging zijnde personen voorstelden, zeide men zelfs, dat hij wandelende beelden, of figuren, die gaan konden, geschapen had. - Daidalos was een achterkleinzoon van den Attischen koning Erechtheus, een tijdgenoot van Theseus en Minos, en de vader van den ongelukkigen Ikaros. Hij woonde te Athene, doch moest deze stad verlaten, omdat hij zijnen neef en leerling Talos, den zoon zijner zuster, die de pottebakkersschijf, de zaag en de draaibank uitgevonden had, uit afgunst op verraderlijke wijze van de Akropolis had nedergeworpen. Bij de begrafenis van het lijk overvallen en aan den moord schuldig bevonden, onttrok hij zich met zijnen zoon Ikaros aan het doodvonnis, dat het hoogste gerechtshof, de Areiopagos, over hem uitgesproken had, door eene snelle vlucht naar Kreta, waar koning Minos den als kunstenaar alom beroemden man met de grootste gastvrijheid ontving. Op dit eiland vervaardigde hij eene menigte kunstwerken: voor de koningin PasiphaŽ de beruchte houten koe, die haar dienen moest om hare liefde tot eenen stier te bevredigen. Op deze wijze verwekte die stier bij haar een monster, den Minotaurus, en nu bouwde Daidalos voor den koning het beroemde labyrinth, om daarin den Minotaurus op te sluiten, en voor Ariadne, de dochter des konings, vervaardigde hij eene groep van marmeren, dansende figuren. Later viel hij echter bij den koning in ongenade. Hetzij omdat Minos op Daidalos vertoornd was wegens den aan PasiphaŽ bewezen dienst, hetzij dat de kunstenaar beschuldigd werd, dat hij Ariadne in het geheim bijgestaan en haar het kluwen garen gegeven had, waarmede Theseus den Minotaurus opzocht en zich, na het dooden van het monster, gelukkig uit de kronkelpaden van den doolhof redde, hij werd met zijnen zoon in de gangen van het labyrinth opgesloten. Zijn vernuft wist hem intusschen uitkomst te verschaffen; hij vervaardigde heimelijk voor zich en zijnen zoon sterke vleugelen uit door was aanťťngehechte vederen, die zij aan hunne schouders bonden om door de lucht te ontvluchten. Zoo stegen beiden uit het labyrinth op en zweefden voort over de zee, de vader met voorzichtigheid, de zoon met jeugdigen overmoed. Want in zijne onbezonnenheid vloog hij te hoog en kwam te dicht bij de zon, door wier gloeiende stralen het was smolt; de vleugels vielen uit elkander, en Ikaros stortte in de onder hem bruisende golven, waarin hij verdronk. De Grieken noemden deze zee, tot aandenken aan zijnen dood, de Ikarische. - Eene andere overlevering laat hen beiden op schepen ontvluchten. Dat van Ikaros leed echter schipbreuk op de kust van een eiland, hij viel daarbij in de later naar hem genoemde zee en verdronk. Daidalos daarentegen bereikte zonder ongelukken de kust van ItaliŽ, bouwde op de plaats, waar hij op zijne vleugels uit de lucht nederdaalde, in den omtrek van Cumae en Baiae, uit dankbaarheid voor Apollo eenen prachtigen tempel, en begaf zich daarop naar SiciliŽ tot den koning Kokalos, bij wien hij tot aan zijnen dood bleef. Aan dit hof vond hij niet alleen de meest gastvrije ontvangst, maar ook bescherming tegen den hem vervolgenden Minos, die aan het hoofd eener vloot zijne uitlevering eischte. Kokalos liet Minos, dien hij tot zich gelokt had, in een bad dooden, en Daidalos was hem daarvoor ten hoogste dankbaar. Ten blijke daarvan richtte hij allerwegen in het rijk de prachtigste gebouwen op; hij bouwde eene onoverwinnelijke, den koning tot schatkamer dienende vesting bij Agrigentum, eenen Aphrodite-tempel op den Eryx, en omheinde stoombaden in eene bij de stad Selinus gelegene grot. Ook in andere landen vond men later sporen van het verblijf en van de kunstvaardigheid van Daidalos. Vooral bij de Egyptenaren waren zijne kunstwerken in hoog aanzien. - Het schijnt dat de hem betreffende mythe eene voorstelling is van een geheel tijdvak in de Grieksche kunstgeschiedenis en wel van dat tijdvak, waarin de oudere Attische kunst zich begon vrij te maken van het uit Egypte naar Griekenland overgekomen type van beelden met gesloten oogen en aan het lijf gesloten armen en beenen. Toch was de vooruitgang hier slechts eene eerste schrede. Ook de aan Daidalos toegeschreven beelden kenmerkten zich nog door groote stijfheid en onbeholpenheid in hunne houding. - Dat het werk van eenen ganschen tijd en van een groot aantal verschillende personen door demythe, die slechts een flauw beeld van dien vroegeren tijd aan het nageslacht overbracht, op ťťne enkele persoonlijkheid, zooals hier op Daidalos, wordt overgedragen, is een in de oude mythologie zeer dikwijls voorkomend verschijnsel.

daimon (daemon, demon)

Oorspronkelijk de naam aan de goden gegeven, voor zooverre zij niet in hunne eigenaardigheid, in eene zalige rust gedacht werden, maar in hunne betrekking tot het menschelijk leven, en tot den zegenrijken of verderfelijken invloed, dien zij daarop konden uitoefenen. - Later echter ontstond er eene afzonderlijke klasse van goddelijke wezens, die men daimonen noemde. Volgens de dichters waren dit menschen uit de gouden eeuw (Zie Eeuwen.), die na hunnen dood daimonen waren geworden, beschermers der menschen, die onzichtbaar op aarde rondzweefden. Zij waakten over recht en onrecht en schonken aan de menschen rijkdom. Het is evenwel de vraag, of de plaatsen bij de Grieksche dichters, waar van deze daimonen gesproken wordt, niet in lateren tijd zijn ingelascht. De wijsgeeren hebben de leer der daimonen meer ontwikkeld. Sinds men begonnen was ook de heroŽn als hoogere wezens te vereeren, plaatste men in rang tusschen de goden en de heroŽn de klasse der daimonen. Terwijl de goden zich al meer en meer van den omgang met de menschenwereld terugtrokken, vulden de daimonen de klove, die alzoo tusschen goden en menschen ontstond aan. Zij waren eene middelklasse van wezens, die den menschen steeds nabij waren en even als zij onderhevig aan vreugde en smart. Op het lot der menschen konden zij eenen werkdadigen invloed uitoefenen. - Volgens den wijsgeer Plato brengen zij de bevelen en gaven der goden naar de aarde over en dragen de smeekingen en gebeden der menschen opwaarts tot hen. Uit de scholen der wijsgeeren ging de leer dier daimonen over in het volksgeloof. Men pleegde ze te onderscheiden in goede, Agathodaimonen, en in kwade, Alastores. (Zie Agathodaimon en Alastor.), naarmate zij den menschen geluk of ongeluk aanbrachten. Vooral door den wijsgeer Sokrates won het geloof veld, dat ieder mensch zijnen persoonlijken daimon bezat, die hem van zijne geboorte af aan beschermde en zijn zedelijk leven bestuurde. Men behoefde slechts ťťn stap verder te gaan, om aan iederen mensch twee daimonen, ťťn goeden en ťťn boozen toetekennen, die over de richting zijner daden strijd voerden. - Bij de Romeinen vinden wij dergelijke wezens in de dii Indigetes en de Genii (Zie aldaar.) - De Joden en Christenen hebben later alle heidensche goden voor daimonen verklaard, en dat wel voor booze daimonen (demonen), duivels.

daktyloi idaioi (dactyli idaeii)

Of Idaeische Dactylen, zeer oude klein-Aziatische daimonen, van welke men verhaalde, dat zij op den hoogsten top van den Trojaanschen berg Ida woonden, en zich al zeer vroeg naar den berg Ida op Kreta verplaatsten. Zij zouden door eenen boschbrand ijzermijnen ontdekt en bij deze gelegenheid geleerd hebben de metalen te bewerken. Men bracht hen steeds in verband met Kybele, en reeds in de oudheid viel het zeer moeilijk hen van de Kabeiren, Korybanten en Kureten te onderscheiden. Ook zouden zij naar het Peloponesische landschap Elis gekomen zijn en daar zou een hunner met name Herakles (wel te onderscheiden van den grooten heros van dien naam) de Olympische spelen gesticht hebben. - Zij schijnen oorspronkelijk natuurgoden geweest te zijn, die personificatiŽn waren van de vulcanische krachten van het land, waarin zij werden vereerd. Toen later de natuurgodsdienst in Griekenland wijken moest voor het geloof aan den geregelden godenstaat op den Olympos, waarin Zeus heerschappij voerde, daalden zij af tot den rang van dienende wezens, die tot den kring van Rheia Kybele behoorden en werd hun gansche wezen met een waas van geheimzinnigheid overtogen, dat hunnen waren oorsprong verborg en aanleiding gaf tot de grootste verwarring in de verschillende berichten der oude schrijvers, die op deze Daktyloi betrekking hebben.

danaŽ

De dochter van den koning Akrisios van Argos, en Eurydike, werd door Zeus bemind, die zich in de gedaante van eenen gouden regen toegang tot haar verschafte en bij haar Perseus verwekte. (Zie Akrisios en Perseus.) Eene latere sage brengt haar in verband met Turnus, den tegenstander van Aeneas. DanaŽ zou namelijk naar ItaliŽ gekomen zijn en daar de stad Ardea hebben gebouwd. Vervolgens zou zij in het huwelijk zijn getreden met Pilumnus, wien zij Daunus, den stamvader van het geslacht van Turnus baarde.

DanaŽ (zwart-wit afbeelding van gestolen schilderij van Waterhouse; zie artmagick.com)