P : panakeia - parilia

panakeia (panacea)

D. i. "de alles en allen genezende", eene dochter van Asklepios. Te Oropos in BoiotiŽ had zij een eigen altaar.

panathenaiŽn (panathenaeŽn)

Het grootste feest ter eere van Pallas Athena, dat om de vier jaren te Athene werd gevierd. De stoet daarbij gevormd was de prachtigste onder al de optochten, die de Grieken ter eere der goden hielden. Het doel daarvan was om naar den tempel der godin een geschenk te brengen, dat de Atheners gewoon waren haar om de vier jaren te geven. Dit geschenk bestond uit een kleed door attische jonkvrouwen geweven en met de prachtigste borduursels bewerkt. Dat kleed moest waarschijnlijk dienen tot versiering van het oude houten beeld van Athena. In plechtigen optocht werd het naar de akropolis (burgt) gebracht. Het werd als een zeil aan den mast van een op rollen voortbewogen schip gehecht en zůů naar den voet van den burgt gevoerd, om aan Athena als wijgeschenk aangeboden te worden. De edelste burgers zonden hunne dochters, om de manden te dragen, die alles, wat voor het offer, dat daarbij gebracht werd, dienen moest, bevatten. Haar volgden jonge meisjes, wier ouders het Atheensche burgerrecht niet bezaten, die haar deze zonneschermen en stoeltjes moesten nadragen. Eerwaardige grijsaards met olijftakken in de hand maakten een deel uit van den stoet. Verder volgde de ruiterij der Atheners in hare schoonste wapenrusting en al hun overige soldaten in volle wapenpracht. Dan de overwinnaars in de spelen bij de vorige PanathenaiŽn gevierd. Allen, die aan het feest wilden deelnemen, kwamen in feestgewaad op, voorafgegaan door citherspelers en fluitspelers. Vrijgelaten slaven, kenbaar aan de eikentakken, die zij in de hand droegen, sloten den trein. De stoet steeg de akropolis op en hield halt tusschen het Parthenon en den tempel van Athena Polias. Naar het Parthenon droeg men de wijgeschenken, die op dien dag door bijzondere personen aan de godin werden gewijd, en naar den tempel van Athena Polias den peplos. De PanathenaiŽn hebben eene eigenaardige beroemdheid verkregen, doordat de fries van het Parthenon versierd was met eene afbeelding van den optocht, bij gelegenheid van dit feest gehouden, door den grootsten aller Grieksche beeldhouwers, Pheidias, vervaardigd. Waarschijnlijk geven deze beelden eene vrij nauwkeurige voorstelling van den optocht van dien feesttrein. Ongeveer drie vijfde gedeelten van die afbeeldingen zijn door Lord Elgin, den Engelschen gezant bij de Turksche regeering, in het jaar 1801 onder hoog verlof van het Parthenon afgenomen, naar engeland gezonden en worden als "Elgin marbles" in het British Museum bewaard. -

Het kleed (de peplos), dat aan Pallas Athena gewijd werd, was saffraankleurig, maar muntte vooral uit door het schoone borduursel. Het geslacht der Euniden te Athene had het bestuur over het feest.

panda

Eene godin van den oogst, die aan den voet van het Kapitool vereerd werd. Naar haar was eene poort porta Pandana genoemd. Bij de Sabijnen en andere volken van midden-ItaliŽ was zij zelfs meer in eere dan Ceres. (Zie Ceres.) Bij de naar haar genoemde poort had zij eenen tempel, die een asyl was. Haar naam werd in verband gebracht met het Latijnsche werkwoord pando, d. i. "ik open". Panda zou volgens de legende den koning Titus Tatius de inneming van het Kapitool gemakkelijk gemaakt hebben.

pandareos (pandareus)

Geboortig uit Milete, een zoon van Merops, de vader der ongelukkige Aedon. (Zie aldaar.) Hij was een vriend en helper van Tantalos. Aan al diens misdadige handelingen was hij medeplichtig. Voor Tantalos stal hij den gouden hond, die den tempel van Zeus op Kreta bewaakte. Toen Zeus, niettegenstaande Tantalos zich aan meineed schuldig maakte door te zweren, dat hij geenen hond gekregen had, toch de misdaad kon bewijzen, vluchtte Pandareos eerst naar Athene en van daar naar SiciliŽ. Hier vond hij met zijne gade, Harmothoe, den dood. Zijne beide dochters Klytia en Kameiro hadden van de goden alle goede gaven ontvangen, doch zij werden later als dienaressen gegeven aan de ErinnyŽn. (Zie Klytia 2.) -
“f deze Pandareos, Úf een naamgenoot had van
Demeter de gave ontvangen om te kunnen eten, zonder dat hij ooit verzadigd werd.

pandaros (pandarus)

(1) Een zoon van Alkanor, eenen Trojaan, die met zijnen broeder Bitias Aeneas naar ItaliŽ volgde. Door Zeus waren beiden met buitengewone lichaamskracht begiftigd. Toen Turnus de door de Trojanen opgerichte versterkingen met zijn leger bestormde, openden zij de poort, die aan hunne hoede was toevertrouwd, en doodden ieder, die trachtte de poort te naderen. Eindelijk evenwel vielen ook zij beiden onder de handen van Turnus.
(2) De zoon van
Lykaon uit LykiŽ. In den Trojaanschen oorlog trok hij mede op als bondgenoot van koning Priamos. Toen er tusschen de Grieken en Trojanen een verdrag gesloten was, hetwelk bepaalde, dat de geheele strijd zou beslist worden door een tweegevecht tusschen Menelaos en Paris, spoorde Pallas Athena, die geen vrede, maar den ondergang van Troje wilde, Pandaros aan, om, nadat Paris overwonnen, maar door Aphrodite van den dood gered was, eene pijl op Menelaos afteschieten, want hij was bekend als een der beste boogschutters in het Trojaansche leger. Zůů werd het verdrag geschonden. Pandaros werd later door Diomedes gedood.

pandemos (pandemus)

Een bijnaam van Aphrodite. Zie Aphrodite.

pandion

(1) Zie Kleopatra 1.
(2) en (3) De naam van twee koningen van Athene uit den mythischen voortijd. Onder de regeering van den eersten Pandion kwamen
Dionysos en Demeter in Attika. Zijne gade was Zeuxippe, bij wie hij twee zonen, Erechtheus en Butes en twee dochters, Prokne en Philomela verwekte.
De tweede huwde met de dochter van den koning van Megara, die hem vier zonen schonk. Uit Athene verdreven vluchtte hij tot zijnen schoonvader, dien hij in de regeering opvolgde. Bij zijnen dood liet hij het bestuur over Megara na aan zijnen zoon
Nisos, terwijl een ander zijner zonen, Aigeus, later weder meester werd van Athene.

pandora

(1) D. i. "die door allen met geschenken begiftigd is", de naam van de eerste vrouw, die, door Hephaistos gevormd uit water en aarde, door Zeus aan de stervelingen gezonden was om onheil over hen te brengen, nadat Prometheus vuur uit den hemel gestolen had, met het doel om de menschen uit hunnen ongelukkigen toestand te verlossen. Zij was bekoorlijk schoon. Alle goden hadden haar goede gaven geschonken. Daarnaar droeg zij haren naam. Zeus gaf haar eene doos, waarin alle ongelukken waren opgesloten, zoodat deze haar, indien de doos gesloten bleef, niet treffen konden. Hij liet haar daarop door Hermes brengen tot Epimetheus, den dommen broeder van Prometheus, die haar niettegenstaande de waarschuwingen van zijnen broeder tot zijne vrouw nam. Toen de door Zeus geschonken doos uit nieuwsgierigheid geopend werd, kwamen daaruit allerlei rampen, ziekten en zorgen te voorschijn, die zich over de aarde verspreidden. Alleen de hoop was nog in de doos, toen Pandora haar weder sloot. Vandaar dat onder de hevigste rampen, die de menschen op aarde teisteren, de hoop hun nog altijd bijblijft.

Zij schonk haren gemaal verscheidene dochters, Prophasis, de godin der uitvluchten, Metameleia, de godin van het berouw en Pyrrha, die later de gade werd van Deukalion. (Zie aldaar.)
(2) Een bijnaam van
Gaia (de Aarde), d. i. "die alles schenkt".

pandoros (pandorus)

Een zoon van koning Erechtheus van Athene en van Praxithea; hij was een broeder van Kekrops. Hij stichtte eene volksplanting op Euboia en heerschte daarover.

pandoteira (pandotira)

D. i. "de godin, die alles geeft", een bijnaam van Demeter.

pandrosos (pandrosus)

Eene dochter van Kekrops, de zuster van Erysichthon, Herse en Agraulos. Zie Agraulos.

panhellenios (panhellenius)

D. i. "de god van alle Grieken", een bijnaam van Zeus, onder welken Aiakos hem eenen tempel stichtte op het eiland Aigina. Langen tijd bleef dat eiland de eenige plaats, waar deze dienst onderhouden werd, totdat keizer Hadrianus ook te Athene eenen tempel van Zeus Panhellenios oprichtte. Daardoor kreeg de keizer zelf ook dien bijnaam.

pankratis (pancratis)

De dochter van Aloeus en Iphimede. Zij werd met hare moeder door Tyrrheensche zeeroovers gevangen genomen, doch door hare broeders bevrijd. (Zie Iphimede.)

panopeus

De zoon van Phokos en Asteropeia, die met Kephalos deelnam aan eenen krijgstocht, door Amphitryon (Zie aldaar.) ondernomen. Hij had gezworen zich niets van den buit te zullen toeŽigenen, en daar hij zijnen eed brak, straften de goden hem door aan zijnen zoon Epeios dapperheid te onthouden. Zie Epeios.

panoptes

Zie Argos.

panthos (panthus)

Een van de oudsten der Trojanen, de vader van Euphorbos, Hyperenor en Polydamas, die in de Ilias onder de beste helden der Trojanen worden genoemd. Hij was een priester van Apollon.

paphia

Een bijnaam van Aphrodite, dien zij droeg naar eenen tempel, dien zij had in de nabijheid der stad Paphos op het eiland Kypros. Zie Aphrodite.

parcen (parcae)

De naam waaronder de Moiren (Zie aldaar.) in de Romeinsche mythologie voorkomen. Oorspronkelijk waren zij oud-Italische godheden, maar reeds vroeg zijn zij geheelenal met de Grieksche godinnen geÔdentificeerd. -
Eerst godheden van de geboorte en den dood, werden zij naderhand godheden van het noodlot en droegen als zoodanig ook wel den naam Fata. Zie
Fatum.

parentalia

Een jaarlijksch feest ter eere der gestorven bloedverwanten. De instelling daarvan werd aan koning Numa toegeschreven. Het bestond uit een offer bij de graven gebracht en eenen daarmede verbonden offermaaltijd. Dit feest werd gedurende verscheidene dagen gevierd, meestal in de week vůůr den 21sten Februari. Op dien dag vierde men ten besluite de Feralia (zie aldaar.); de voorafgaande dagen heetten dies parentales.

parilia

Zie Pales.