A : acheron - acis

acheron

Een stroom in de onderwereld, gelijk de Styx en de Kokytos. Volgens eenigen was hij de zoon van den zonnegod Helios en Gaia, (de Aarde), en gaf hij aan de den hemel bestormende Titanen water te drinken. Tot straf daarvoor werd hij in eene slijkerige rivier veranderd en naar de onderwereld verbannen. Volgens anderen schonk Demeter hem het leven in eene donkere grot van het eiland Kreta, en omdat hij het heldere zonnelicht hinderlijk vond, daalde hij vrijwillig in de onderwereld af, en werd hij eene rivier, die Zeus, om de aangevoerde reden, zwart, troebel en bitter water deed bevatten. Over zijn somber water geleidde Charon de zielen der afgestorvenen. In de oudheid waren er verscheidene rivieren van dezen naam, waarvan de bekendste in ThesprotiŰ, een deel van het Grieksche landschap Epeiros (Epirus), lag. Deze Acheron ontspringt beneden Dodona, en stroomt in het slijkerige meer Acherusia; daarna neemt hij den Kokytos op en stort zich in de ionische zee. Hij heeft een walgelijk smakend water, dat giftige dampen uitwasemt. Even als de naam Achelo÷s diende ook de Acheron (welke naam van denzelfden stam wordt afgeleid) tot algemeene benaming voor rivieren. Niet alleen in Griekenland, maar ook in het door Grieken bewoonde zuidelijk deel van ItaliŰ werd die naam aangetroffen. In den Acheron, die door het Noorden van het Italiaansche landschap Bruttium stroomt vond in 332 voor Chr. koning Alexander van Epeiros zijnen dood. Dat de fantazie der Grieken reeds vroeg den Acheron tot eene rivier van het duistere schimmenrijk maakte, had deels zijne oorzaak hierin, dat hij in ThesprotiŰ zich nu en dan bruischend in diepe afgronden stort en geheel onzichtbaar wordt, terwijl hij gedurende zijn ganschen loop iets sombers en angstwekkends heeft, deels daarin, dat men den naam van den Acheron met acoj , d.i. "smart" in verband bracht, even als dien van den Kokytos met kwkuein , d.i. "weenen". Bij de Etruskers droeg eene afdeeling hunner heilige boeken zijnen naam.

Salvador DalÝ : Charon en het oversteken van de Acheron
(uit een serie tekeningen bij Dante's Inferno)

acherusia

Een slijkerig meer in ThesprotiŰ, (Zie het vorig artikel.) waardoor de Acheron loopt. De naam van dit meer werd even als die van den Acheron in het volksgeloof der Grieken op eenen poel der onderwereld overgedragen. Daarenboven dragen nog verscheidene andere meren dezen naam, b.v. een meer in het Italiaansche landschap CampaniŰ, waardoor men verhaalde, dat Herakles naar de onderwereld was afgedaald. - Een dezer meren lag bij Memphis en de Egyptenaren voerden hunne dooden daarover, om die op eene groote gemeenschappelijke begraafplaats te begraven.

achilles

Eigenlijk Achilleus, de zoon van Peleus, den koning der Myrmidonen in ThessaliŰ, en de Nere´de Thetis, de dochter van Nereus, de kleinzoon van Aiakos (Aeacus) en derhalve uit het geslacht van Zeus gesproten. Hij was de dapperste, schoonste en verhevenste van alle Grieksche helden, die naar Troje trokken, en de grootste figuur in de Ilias van Homeros, die in dit heldendicht zijne daden bezongen heeft, zonder evenwel iets van zijn leven vˇˇr den tocht te verhalen. Dit leven was volgens latere schrijvers zeer rijk in wonderbaarlijke gebeurtenissen. Dadelijk na zijne geboorte, dompelde zijne moeder hem in de wateren van de Styx, om hem onkwetsbaar te maken, hetwelk haar ook gelukte, behalve aan den hiel, waaraan zij hem bij het indompelen vastgehouden had. Zijn vader gaf hem tot leermeester Phoinix, den zoon van Amyntor, die hem worstelen, loopen, rijden en het citherspel leerde; bovendien kreeg hij van Cheiron, den Kentaur, onderwijs in de heelkunde. Hij legde zich in zijne jeugd op de muzyk en dichtkunst toe, maar de Muze Kalliope verscheen den knaap in den droom, en zeide hem, dat zij hem van hare geschenken slechts zooveel wilde geven, als hij noodig had om toekomstige droefheid te verzachten, of om een gastmaal op te luisteren. De Moiren (Parcen), Pallas en zij hadden daarentegen besloten, dat hij een krijgsman worden zou; daarom moest hij zich in den wapenhandel oefenen; zij zouden hem eenen zanger verwekken, die zijner waardig was. Reeds bij zijne geboorte was hem een kort leven voorspeld. Om hem aan dit noodlot te onttrekken, liet zijne liefhebbende moeder geen middel onbeproefd. De ziener Kalchas verkondigde echter, toen de knaap negen jaren oud was, dat de stad Troje zonder hem niet zou kunnen genomen worden; zijne moeder Thetis verborg hem daarop, als meisje verkleed, bij de dochters van den koning Lykomedes op het eiland Skyros, alwaar hij door zijne verbindtenis met diens dochter De´dameia eenen zoon, Pyrrhos kreeg, die naderhand Neoptolemos genoemd werd. De ziener Kalchas maakte ondertusschen aan de Grieksche vorsten zijne verblijfplaats bekend, waarop de listige Odysseus (Ulysses) zich naar het hof van Lykomedes begaf en Achilleus door eene list onder de meisjes ontdekte. Hij legde namelijk bij de geschenken, die hij aan deze aanbood, ook een zwaard, en liet de krijgstrompet blazen; de jongeling greep terstond naar de wapenen en verried zich daardoor. - Op deze wijze ontdekt en genoodzaakt om aan den tocht deel te nemen, vertrok hij met vijftig schepen, vergezeld door zijnen leermeester Phoinix en zijnen vriend Patroklos naar Troje. Achilleus had te kiezen tusschen een lang en vreedzaam, maar roemloos leven en eenen vroegtijdigen, maar beroemden dood; tot groote droefheid zijner moeder koos hij dit laatste. Gedurende de eerste jaren van den trojaanschen oorlog verwoestte hij twaalf steden op de kust en elf midden in het trojaansche gebied, en zoolang hij in de gelederen der Grieken streed, behielden zij steeds de overhand op de Trojanen. In alle gevaren stond hij onder de bijzondere bescherming van Pallas Athena en van Hera. - In Lyrnessos, eene der door hem veroverde steden maakte hij Brise´s, de dochter van Brises, buit. Later werd deze hem door Agamemnon, den opperbevelhebber der Grieken ontroofd, omdat hij zelf de schoone Chryse´s, de dochter van Chryses, een' priester van Apollo, aan haren vader had moeten teruggeven, om de pest, die Apollo over het Grieksche leger gezonden had, weder af te wenden. (Zie Chryses). Achilleus geraakte hierdoor in heftigen strijd met Agamemnon en het is deze twist, waarmede de Ilias van Homeros aanvangt. Van nu af nam Achilleus geen deel aan den strijd; zelfs toen de Grieken in den grootsten nood verkeerden, weigerde hij alle hulp. Herhaaldelijk werden deze dan ook verslagen en groot waren de verliezen die de dappere Hektor hun toebracht. Algemeen werd het erkend, dat, zoo Achilleus zijnen bijstand nog verder bleef weigeren een smadelijke terugtocht het eenige middel tot redding zou zijn. Agamemnon liet daarom aan Achilleus de schitterendste aanbiedingen doen, doch de held weigerde om zich aan zijne werkeloosheid te laten ontrukken. Eindelijk, toen de Trojanen zelfs begonnen de schepen der Grieken in brand te steken, gaf hij op diens dringende beden aan zijnen geliefden vriend, speelmakker en wapenbroeder Patroklos verlof, om in zijne plaats en in zijne wapenrusting met de Myrmidonen den vijand te gemoet te trekken; maar hoe dapper Patroklos ook streed, hij viel door de hand van Hektor, die zich van de wapenrusting van Achilleus als rechtmatigen buit meester maakte. Toen Achilleus deze treurmare hoorde, barstte hij in tranen uit over dit smartelijk verlies; maar weldra maakte deze diepe smart plaats voor de hevigste woede en besloot hij het lijk zijns vriends te redden en hem op Hektor te wreken. Zijn langdurige wrok verdween; hij verzoende zich met Agamemnon, en zijne moeder Thetis zelve gaf hem nieuwe, door Hephaistos kunstig gesmede wapenen, waaronder vooral het schild een meesterstuk van kunst was. Daar hij eene gelofte gedaan had, om geene spijs tot zich te zullen nemen, vˇˇr hij zijnen vriend gewroken had, werd hij door Pallas met nektar en ambrosia gesterkt. In den daarop volgenden strijd deed hij vele Trojanen, waaronder Lykaon, een' zoon van Priamos, sneuvelen. De stroomgod Xanthos geraakte door zijn moorden in zulk eene woede, dat hij hem in zijne wateren, die buiten hunne oevers traden wilde verzwelgen, maar Poseidon, Athena en Hephaistos stonden hem bij. Allen vluchtten voor hem, behalve Hektor, die alleen aan de Skai´sche poort stand hield, doch na eenen heftigen en verwoeden strijd werd ook hij door den Griekschen held gedood, en nu sleepte Achilleus het lijk, achter zijnen wagen gebonden, rondom de muren der stad, maar leverde dit kort daarna aan Priamos, die smeekte zijnen zoon te mogen begraven, uit. Doch ook Achilleus zelf vond bij de belegering den dood door eenen pijl, dien Paris, wiens hand door Apollo werd bestuurd, op hem afschoot. Deze trof hem in zijn kwetsbaren hiel. Latere dichters verhalen, dat Paris hem verraderlijk zou getroffen hebben, toen hij ongewapend in eenen tempel van Apollo gekomen was, om zich met de schoone Polyxena, eene der talrijke dochters van koning Priamos in het huwelijk te verbinden. Om zijn lijk ontstond een hevige strijd tusschen de Grieken en Trojanen. Eindelijk gelukte het den dapperen Aias uit Salamis het lijk van zijnen vriend Achilleus aan de handen der vijanden te ontrukken en op zijne schouders uit den strijd weg te dragen. Toen zijn lijk verbrand zou worden, ontrukte zijne moeder Thetis haren zoon aan de vlammen en voerde hem naar het eiland Leuke, aan den mond van den Ister (Donau) gelegen. Daar leidde hij als heros (halfgod) een heerlijk, zalig leven en werd vooral door de schippers vereerd, aan wie hij een gunstige vaart pleegde te verschaffen. Later strekte zich die vereering over een groot deel van Griekenland uit. De droefheid over zijnen dood was algemeen; Muzen en Nymphen beweenden den lieveling der goden, en toen door de Grieken op de zeekust nabij het voorgebergte Sigeion voor hem en voor zijne vrienden Patroklos en Antilochos, den zoon van Nestor een grafheuvel werd opgericht, werden er luisterrijke lijkspelen gevierd. Na zijnen dood streden Odysseus en Aias om zijne wapenen. (Zie verder Telephos, Kyknos, Penthesileia, Thersites, Memnon.)

acis

Eigenlijk Akis. Volgens eene bij de op SiciliŰ wonende Grieken ontstane mythe was hij een zoon eener nymph en van den boschgod Faunus. Hij vatte eene vurige liefde op voor de schoone nymph Galatea, die zijne min met wedermin beloonde. Doch de Kykloop Polyphemos, die Galatea voor zich begeerde, verpletterde hem met een rotsblok, toen hij eens de beide geliefden te zamen aantrof. Acis werd in eene rivier veranderd, die zijnen naam bleef dragen, en onder het rotsblok, dat hem bedekte haren oorsprong nam.