lucretius
boek
V
925
evv.
(De geschiedenis van de beschaving)
(Vertaald
door Geert de Schrijver. Kox Kollum dankt Geert voor zijn toestemming
deze vertaling hier te publiceren.)
(925)
En toendertijd was het mensdom op de velden veel harder zoals normaal
was, want de harde aarde had het geschapen, en het werd vanbinnen
geschraagd door grotere en stevigere beenderen, voorzien in het vlees
van sterke pezen, en dat niet gemakkelijk het slachtoffer werd van
hitte of koude of van onbekend voedsel of ook maar enige lichamelijke
aandoeningen.
(931) En gedurende vele omwentelingen van de zonnebaan doorheen de
hemel rekten ze hun bestaan op de wijze van wilde beesten die overal
rondzwerven. Noch was iemand de noeste stuurder van de kromme ploeg,
noch kon men de akkers omwoelen met ijzer of jonge twijgen ingraven
in de aarde of van hoge bomen de oude takken afsnijden met sikkels.
Wat zon en regen hadden gegeven, wat de aarde uit zichzelf had voortgebracht,
dat geschenk stilde voldoende hun harten.
(939) Zij verkwikten hun lichamen gewoonlijk temidden van de eikeldragende
eiken, en de aardbeziebessen die je nu in de wintertijd ziet rijp
worden met purperen kleur, bracht toen de aarde in overvloed en zelfs
nog groter voort. Daarenboven bracht toen de bloeiende nieuwheid der
aarde veel hard voedsel voort, ruim genoeg voor de ongelukkige stervelingen.
(945) Maar stromen en rivieren nodigden hen uit hun dorst te lessen,
zoals nu vanuit de grote bergen een watervloed helder wijd en zijd
de dorstende geslachten der wilde dieren aantrekt. Uiteindelijk hielden
ze zich op in de bosgewelven der nimfen die ze kenden van op hun zwerftochten,
waarvan ze wisten dat vlietende stromen van water met rijke vloed
de vochtige rotsen bespoelden, de vochtige rotsen, druppelend bovenop
de groene moslaag en dat ze deels opborrelen en opwellen uit het vlakke
land.
(953) Nog niet wisten ze de dingen te behandelen met vuur of gebruik
te maken van huiden en hun lichamen te bekleden met jachttrofeeën
behaald op wilde dieren, maar ze bewoonden bossen en holle bergen
en wouden en borgen hun ruige leden tussen de struiken, als ze gedwongen
waren de gesel der winden en de regens te mijden. Zij waren nog niet
in staat rekening te houden met het gemeenschappelijk heil, of zeden
of wetten te gebruiken in hun omgang. Wat het toeval ieder aan buit
bracht, dat nam hij mee, geleerd als hij had volgens zijn eigen wil
zijn levenskrachten te gebruiken voor zichzelf.
(962) En Venus verenigde in de wouden de lichamen der minnenden, want
telkens liet de vrouw zich verleiden ofwel door een gedeelde lust,
of liet de vrouw zich winnen door de gewelddadige kracht van de man
en zijn ongeremde drift, of om zijn beloning: eikels en bessen of
uitgelezen peren.
(966) En vertrouwend op de wonderbaarlijke kracht van hun handen en
voeten achtervolgden ze het woudvolk der dieren met rotsblokken, die
ze slingerden en het grote gewicht van hun knots. En veel overwonnen
ze, een klein aantal gingen ze uit de weg door zich te verstoppen
in de schuilplaatsen.
(969) Gelijk aan borsteldragende zwijnen legden ze hun wilde leden
naakt op de grond, als ze door het vallen van de nacht werden verrast,
terwijl ze zich rondom inwentelden in de bladen en lover. En ze zochten
niet onder luid misbaar de dag en de zon over de velden, bang rondzwervend
in de schaduwen van de nacht, maar ze wachtten erop in stilte en begraven
in slaap, totdat de zon met haar rozige fakkel het licht in de hemel
bracht. Omdat ze immers van kleinsaf aan gewend waren altijd te zien,
dat afwisselend het duister wordt en licht, was het onmogelijk, dat
het kon gebeuren, dat ze zich er ooit over verwonderden of vrezen,
dat een eeuwige nacht de aarde in zijn greep hield, nadat het licht
van de zon voor altijd was ontnomen.
(982) Maar veeleer waren dit hun bekommernissen: dat de geslachten
der wilde dieren de rust voor de ongelukkigen vaak gevaarlijk maakten,
en verjaagd uit hun huis vluchtten ze hun rotsig onderdak bij de aankomst
van een schuimbekkend zwijn of een sterke leeuw, en zij stonden in
het holst van de nacht in paniek hun met lover gedekte legerstede
aan hun wrede gasten af.
(988) En toen verlieten de geslachten der stervelingen, niet zo heel
veel meer dan nu, het zoete levenslicht onder klachten. Toen verschafte
veeleer een apart individu van hen, als hij gepakt was, levend voedsel
aan de wilde dieren, opgeslokt door zijn tanden en hij vulde de wouden,
bergen en bossen met zijn gekerm, terwijl hij zag dat zijn levend
vlees begraven werd in een levend graf.
(994) Maar diegenen die de vlucht gered had met aangevreten lichaam
liepen daarna, terwijl ze hun trillende handpalmen boven de afschuwelijke
zweren hielden, met huiveringwekkende kreten boven op de Orcus, totdat
gruwelijke krampen hen van het leven beroofden, verstoken als ze waren
van hulp en niet wetend wat wonden nodig hebben. Maar niet leverde
één enkele dag vele duizenden mannen, aangevoerd onder de vaandels,
aan de ondergang, noch sloegen de troebele wateren van de zee schepen
en hun bemanning tegen de rotsen.
(1002) Maar de zee kwam zonder resultaat, vruchteloos en vergeefs
vaak op en ging te keer en legde zonder meer haar ijdele dreigingen
terzijde, noch kon de listige verlokking van de rustige zee iemand
met zijn lachende golven tot zijn ondergang verleiden. De boze kennis
van de scheepvaart lag toen verborgen in het duister.
(1007) Vervolgens leverde toen gebrek aan voedsel de kwijnende leden
over aan de dood, daarentegen dompelt nu de overvloed der bezittingen
de mensen ten onder. Zij schonken zichzelf in hun onwetendheid vaak
vergif uit, nu geven ze het met meer deskundigheid aan anderen.
(1011) Vervolgens, nadat ze zich hutten, huiden en vuur hadden aangeschaft,
en de vrouw verbonden met de man één enkel huwelijk aanging, en nadat
ze een nageslacht uit zichzelf zagen voortgebracht, toen eerst begon
het menselijk ras week te worden.
(1015) Het vuur immers zorgde ervoor, dat hun kouwelijke lijven de
kou niet meer zo goed konden verdragen onder de blote hemel, en de
liefde tastte hun krachten aan en de kinderen braken met hun gevlei
gemakkelijk het trotse karakter van hun ouders. Dan begonnen ze ook
vriendschap te sluiten, als buren vol verlangen om elkaar onderling
geen kwaad te doen of kwaad te ondergaan; en zij bevalen de kinderen
en het vrouwendom, terwijl ze met klanken en gebaren al stotterend
te kennen geven dat het billijk was, dat iedereen medelijden had met
de zwakkere. Toch kon de eendracht niet over de hele lijn tot stand
komen, maar een goed en een groot deel kwam de verdragen gewetensvol
na; want anders was toen al het mensdom ten onder gegaan en had nooit
de voortplanting de geslachten tot op heden kunnen voortzetten.
(1028) Maar het was de natuur, die dwong de verscheidene klanken van
de taal te uiten, en nut vormde de namen der dingen op een manier,
die niet zo erg verschilt van die, waarop men ziet, dat het onvermogen
tot spreken de kinderen tot gebaren brengt, wanneer ze er de oorzaak
van is, dat ze met hun vinger aanwijzen wat zich voor hen bevindt.
Immers, ieder voelt aan, in welke mate hij van zijn kracht kan gebruik
maken.
(1034) Nog vooraleer bij het kalf de ontluikende hoorns uit zijn voorhoofd
uitsteken, valt het daarmee aan als het kwaad is en duwt er venijnig
mee. Maar de kleintjes van de panters en de welpen van de leeuwen
vechten dan al met hun klauwen en poten en een beet, zelfs als nog
maar nauwelijks hun tanden en klauwen ontstaan zijn. Verder zien we,
dat heel het geslacht der vleugeldragers vertrouwt op zijn vlerken
en aan zijn veren een bevende hulp ontleent.
(1041) Vervolgens te denken, dat iemand toen de namen over de dingen
heeft verdeeld en dat vandaar de mensen hun eerste woorden hebben
geleerd is waanzin. Want waarom zou hij in staat geweest zijn alles
met woorden aan te duiden en de verschillende klanken van taal voort
te brengen en zou men menen, dat op hetzelfde moment de anderen dat
niet hebben gekund. Daarenboven, als ook de anderen niet onder elkaar
woorden hadden gebruikt, vanwaar is dan bij die eerste het besef ingeplant
van het nut en vanwaar is hem het eerste vermogen gegeven om te weten
en in zijn geest te zien wat hij wilde realiseren.
(1050) Evenzo kon hij in zijn eentje niet een overwonnen meerderheid
bedwingen en temmen, zodat ze bereid waren de namen der dingen te
leren, noch is het op enige manier gemakkelijk om les te geven aan
doven en hen ervan te overtuigen wat moet gedaan worden, ze zouden
het immers niet toelaten. Noch zouden ze op enige manier hebben kunnen
verdragen, dat de nog nooit gehoorde klanken van een stem vruchteloos
hamerden op hun oren. Tenslotte, wat is er in deze aangelegenheid
zo verwonderingwekkend aan als het mensdom, dat beschikte over krachtige
stem en tong, de dingen alnaargelang de verschillende gewaarwordingen
met verschillende woorden aanduidden.
(1059) Terwijl toch het stomme vee en tenslotte ook nog de geslachten
der wilde dieren verschillende en verscheidene klanken plegen voort
te brengen, alnaargelang er vrees of pijn bij hen is en wanneer hun
vreugde aan het groeien is. Immers, men kan dit vaststellen met dingen
die voor het grijpen liggen:
(1063) Wanneer aanvankelijk de grote weke muil van de Molossische
honden als ze kwaad zijn grollen terwijl ze hun harde tanden ontbloten,
dan dreigen ze in razernij opgespannen met een heel ander geluid,
dan wanneer ze aan het blaffen zijn en met hun klanken alles vullen.
Maar wanneer ze liefdevol hun jongetjes met de tong proberen te likken,
of wanneer ze ze in de lucht gooien met hun poten en met een beet
aanvallend lieflijk doen, alsof ze hen opslokken met niet doorbijtende
tanden, dan vleien ze met het gejank van hun stem op een heel andere
manier dan wanneer ze, alleen achtergelaten, bassen in hun huis of
huilend met de buik tegen de grond de slagen ontvluchten.
(1073) Tenslotte, lijkt evenzo niet het gehinnik te verschillen, wanneer
een jong paard in de bloei van zijn leven te keer gaat tussen de merries,
getroffen door de sporen van de gevleugelde Amor, en hij uit zijn
wijdopenstaande neusgaten een gebries laat klinken voor de strijd,
en wanneer hij, als het zo uitkomt bij een andere gelegenheid hinnikt
met trillende leden?
(1078) Tenslotte, het geslacht der vleugeldragers en de bonte vogels,
haviken, zee-arenden en duikers die in de golven van de zee in het
zilte nat hun voedsel en levensonderhoud zoeken, slaken op verschillende
momenten heel andere kreten dan wanneer ze ruzie maken over voedsel
en hun buit zich verzet en voor een deel veranderen ze samen met de
weersomstandigheden hun heesklinkende zang, zoals de oude geslachten
der kraaien en de schare der raven, wanneer men zegt, dat ze water
en regen vragen en van tijd tot tijd roepen om winden en een bries.
(1087) Dus als verscheidene gevoelens de vogels ertoe brengen, ondanks
het feit dat ze stom zijn, om verschillende klanken voort te brengen,
hoeveel meer waarschijnlijk is het dan, dat de stervelingen toen in
staat geweest zijn verschillende dingen met een ander woord aan te
duiden.
(1091)
Opdat je in deze aangelegenheid dat niet stilzwijgend of bij jezelf
soms zou afvragen: de bliksem bracht voor de stervelingen op aarde
in eerste instantie vuur. Vandaar verspreidt zich de gloed der vlammen.
Immers, we zien veel dingen ingeënt met vlammen uit de hemel
gloeien wanneer een slag uit de hemel ze vuur heeft gegeven.
En toch, wanneer een wijdvertakte boom onder de slagen van de winden
wankelt en heen en weer zwiept, vallend op de takken van een andere
boom, dan wordt het vuur eruit geperst naar buiten gedreven door de
sterke krachten en flitst van tijd tot tijd de laaiende gloed van
de vlam op terwijl de takken en stammen wederzijds tegen elkaar wrijven.
Elk van beiden daarvan kan aan de stervelingen het vuur hebben gegeven.
(1102)
Dan leerde de zon om voedsel te koken en zacht te maken door de hitte
van de vlam, omdat ze zagen dat veel dingen overwonnen door de slagen
van zijn stralen en door de hitte week werden in de velden.
(1105)
Van dag tot dag leerden zij meer om hun vroeger levensonderhoud en
levenswijze in te ruilen voor nieuwe dingen en het vuur, van diegenen
die uitblonken door talent en een sterk verstand hadden. Koningen
begonnen steden te stichten en een burcht te bouwen als bescherming
en toevluchtsoord voor zichzelf. En zij verdeelden en schonken vee
en akkers in verhouding met ieders schoonheid, krachten en verstand.
Want schoonheid was veel waard en krachten stonden in aanzien.
(1113)
Daarna vond men het bezit uit en werd het goud ontdekt, dat gemakkelijk
zowel aan sterken als aan schonen hun ereplaats ontnam, immers, meestal
volgen de mensen de partij van de rijkere, hoe sterk ze ook zijn,
en met welk mooi lichaam ook begiftigd. Maar als men zijn leven zou
sturen met het ware inzicht, dan zijn de grote rijkdommen van de mens:
spaarzaam te leven in gelijkmoedigheid. Immers, nooit is er aan weinig
gebrek.
(1120)
Maar de mensen wilden zichzelf beroemd zien en machtig, opdat hun
fortuin op een stabiel fundament zou blijven bestaan en zij in welstand
een vredig leven zouden kunnen leiden, vruchteloos, want door te wedijveren
om de hoogste eer ter bereiken, maakten zij de reisweg gevaarlijk.
En toch, wie trof hen geregeld van op hun hoogtepunt - de afgunst,
als een bliksemschicht en wierp hen van hun hoogte op vernederende
wijze in de Tartarus, aangezien meestal de hoogste dingen in gloed
staan door de afgunst als door de bliksem evenals al wat hoger is
dan de rest; zodat het veel beter is rustig te gehoorzamen dan de
dingen met zijn heerschappij te willen beheersen en het koningschap
te willen uitoefenen. Welaan, laat hen vruchteloos uitgeput bloed
zweten, terwijl ze worstelen op het nauwe pad van de ambitie, aangezien
ze hun wijsheid halen uit andermans mond en dat ze de dingen nastreven
eerder van horen zeggen dan op basis van hun gevoelens zelf en dit
lukt nu niet meer en zal in de toekomst niet meer lukken dan het vroeger
is gelukt.
(1136)
En zo lag dan, nadat de koningen waren omgebracht, de vroegere majesteit
van de tronen en de trotse scepters omvergeworpen terneer. En het
schitterend sieraad van de koning aan de top betreurde bebloed onder
de voeten van de massa zijn grote aanzien, want begerig wordt vertrappeld
al wat daarvoor te zeer gevreesd werd. Want de toestand raakte in
de grootste verwarring en chaos, doordat iedereen voor zichzelf de
heerschappij en oppermacht nastreefde.
(1143)
Dan leerde een deel om magistratuur aan te stellen en ze bouwden een
rechtspraak uit, opdat ze bereid zouden zijn wetten te volgen. Want
het mensengeslacht, het beu zijnde zijn leven door te brengen in geweld,
kwijnde weg tengevolge van de vijandschappen: daardoor onderwierp
het zich uit eigen beweging des te meer aan de wetten en het dwingende
recht. Omdat ieder op grond van zijn woede aanstalten maakte zich
feller te wreken dan nu is toegestaan door billijke wetten, daarom
zijn de mensen het kotsbeu geworden om hun leven door te brengen in
geweld.
(1151)
Vandaar dat vrees voor straffen de gaven des levens bezoedelt. Immers,
geweld en onrecht vangen als in een net de dader en komen meestal
weer neer op het hoofd van hem van wie het is uitgegaan, en het is
niet gemakkelijk om een rustig en vredig leven te leiden voor hem,
die door zijn daden de gemeenschappelijke vredesverdragen schendt.
(1156)
Immers, ook al misleidt hij het geslacht van goden en mensen, toch
moet hij voortdurend beducht zijn, dat het zou uitlekken, aangezien
velen vaak tijdens hun slaap sprekend of ijlend door ziekte - naar
men zegt - zichzelf hebben aangegeven en hun geheimen zelf en hun
vergrijpen in de openbaarheid hebben gebracht.
(1161)
Welke oorzaak nu de macht van de goden verspreid heeft bij grote volkeren
en de steden gevuld heeft met altaren en ervoor gezorgd heeft dat
plechtige rituelen werden ingesteld, rituelen die nu nog bloeien bij
belangrijke aangelegenheden en op belangrijke plaatsen, waardoor ook
nu nog bij stervelingen huiver is ingeplant, die nieuwe tempels van
de goden op heel de wereld doet verrijzen en dwingt ze te vereren
op feestdagen; daarvan rekenschap te geven met woorden is niet moeilijk.
(1169)
Immers, reeds toen zagen de geslachten der stervelingen met wakende
geest de voortreffelijke verschijningsgedaanten van de goden en meer
nog in hun slaap, met hun wonderbaarlijke lichaamsbouw begiftigd.
Aan hen kenden ze dan gevoel toe omdat ze hun leden schenen te bewegen
en trotse woorden te uiten in overeenstemming met hun schitterende
verschijning en grote krachten.
(1175)
En ze verleenden hun een eeuwig leven, omdat hun verschijning steeds
werd aangevuld en hun gedaante dezelfde bleef, en trouwens, in het
algemeen gesproken, omdat ze van oordeel waren, dat wezens met zo'n
grote krachten begiftigd niet licht door enige macht konden worden
bedwongen. En hierom dachten ze, dat ze ver boven hen stonden in geluk,
omdat de vrees voor de dood geen enkele van hen kwelde en tegelijkertijd
zagen ze hen in hun slaap vele wonderbaarlijke dingen verrichten en
daar zelf geen enkele last van ondervinden.
(1183)
Daarenboven zagen ze, dat de hemelverschijnselen en de verschillende
jaarseizoenen in een vaste orde evolueerden en ze waren niet in staat
uit te vorsen door welke oorzaken dit gebeurde.
Dus hadden ze als toevlucht alles toe te schrijven aan de goden en
te maken dat alles door een knik van hen werd gestuurd.
En ze localiseerden de verblijfplaatsen en woonsten van de goden in
de hemel, omdat men doorheen de hemel de nacht en de maan ziet evolueren:
de maan, de dag en de nacht, strenge sterrenbeelden van de nacht en
nachtelijk rondzwermende hemelfakkels en vliegende (hemel-)vlammen,
wolken, zon, regen, sneeuw, wind, bliksem, hagel en snel gerommel
en het zware gebulder vol dreiging.
(1194)
O rampzalig mensengeslacht, toen het dergelijke daden aan de goden
toedichtte en er wrange woede-uitbarstingen mee verbond!
Welke zuchten hebben ze toen zichzelf bereid, hoe grote wonden voor
ons, welke tranen voor onze nakomelingen!
(1198)
En het is geen enkele blijk van vroomheid geregeld te worden gezien
terwijl men zich met omhuld hoofd draait bij een steen en op alle
altaren toe te gaan, noch voorover op de grond te vallen en de handpalmen
open te spreiden voor de tempels der goden, en evenmin de altaren
te bespatten met veel bloed van viervoeters, en ook niet gelofte te
verbinden met gelofte, maar veeleer in staat te zijn om dit alles
met vredig gemoed te aanschouwen.
|