|
[startpagina]
[livius]
Muiterij
in het leger bij Sucro
Livius
AUC XXVIII, 24 - 29
(Uit:
Latijnse geschiedschrijvers. Bloemlezing ... in nieuwe vertaling ...
door Dr. Jan van Gelder. Haarlem, 1952. N.V. Drukkerij de Spaarnestad.
Serie: Klassieke Bibliotheek.)
Van
211 - 206 bestreed Scipio de Carthagers in Spanje; in 206 waren zij
volledig verdreven en werd Spanje tot Romeinse provincie gemaakt. Dan
wordt Scipio ziek.
24
Scipio zelf was ernstig ziek en het gerucht sprak al van erger dingen,
daar ieder aan datgene wat hij hoorde nog iets van zichzelf toevoegde
uit die neiging om alles overdreven voor te stellen, die den mensen
wel schijnt aangeboren; dit verwekte onrust in de hele provincie en
vooral in de ver afgelegen delen daarvan: en het bleek duidelijk, wat
een ontzaglijke moeilijkheden een werkelijk noodlottig verloop der ziekte
zou hebben veroorzaakt, daar een ongecontroleerd gerucht al zo´n
opschudding bracht. De bondgenoten bleven niet trouw, het leger werd
opstandig. Mandonius
en Indibilis hadden zichzelf de heerschappij over Spanje toegedacht
toen de Carthagers daaruit verdreven waren; omdat zij zich in die verwachting
volkomen bedrogen zagen, ruiden zij nu hun landgenoten op, de Lacetaniërs
en Ilergeten, lokten de weerbare mannen der Celiberiërs tot zich
en plunderden onmeedogend het gebied der Suessetaniërs en Sedetaniërs,
bondgenoten van het Romeinse volk.
Een andere opstandige beweging en wel van Romeinen zelf ontstond in
de legerplaats bij Sucro. Daar lagen achtduizend man; zij vormden het
bezettingsleger van het gebied bezuiden de Ebro. Hun ontevredenheid
dateerde niet van het moment dat er vage geruchten gingen over den dood
van hun opperbevelhebber, maar was al eerder opgewekt door een verslapping
van de discipline, zoals dat gaat wanneer er in langen tijd niet gevochten
is, en ook enigszins omdat zij, die gewend waren geweest in vijandig
gebied royaal van roof en plundering te leven, het nu, in vredesomstandigheden,
armoediger hadden.
Het begon met verholen kritiek: "Als er nog gevochten werd in de
provincie, waarom moesten zij dan voor bezettingstroepen spelen? En
als de oorlog uit was en de provincie officieel was ingelijfd, waarom
gingen zij dan niet naar Italië terug?" Ook eiste men brutaler
dan de militaire stijl en discipline toestaan, dat de achterstallige
soldij werd uitbetaald en ´s nachts kregen de controlerende officieren
van de wachtposten scheldwoorden naar het hoofd, en sommigen waren al
eens op roof uitgegaan in het bevriende land rondom; tenslotte bleven
zij overdag en openlijk zonder verlof van het appèl weg. Alles
begon toen af te hangen van de willekeur der soldaten en niets verliep
meer volgens de voorschriften van den dienst of op bevel van een meerdere.
Toch bleef de uiterlijke vorm van een Romeins legerkamp nog bewaard
en wel uitsluitend hierdoor, dat zij den stafofficieren toestonden recht
te blijven spreken in het hoofdkwartier: men verwachtte namelijk dat
dezen zodoende op den duur aan de muiterij zouden gaan deelnemen; ook
vroegen zij aan hen nog het wachtwoord en gingen regelmatig overdag
en ´s nachts op post; ofschoon zij dus het gezag volkomen hadden
ondermijnd, hielden zij den schijn van gehoorzaamheid op, terwijl zij
zelf het bevel voerden.
De muiterij brak vervolgens werkelijk uit, nadat zij bemerkt hadden,
dat de stafofficieren hun daden afkeurden, probeerden er tegen in te
gaan en openlijk weigerden zich bij hun dolzinnige onderneming aan te
sluiten. Derhalve werden de stafofficieren uit het hoofdkwartier en
kort daarna uit het kamp verdreven en met aller instemming kregen de
leiders van den opstand, twee gewone soldaten, Gajus Albius uit Cales
en de Umbriër Gajus Atrius, het opperbevel. En dezen, geenszins
tevreden met den rang van officier, hebben het gewaagd zich zelfs de
onderscheidingstekenen van het hoogste gezag, de roedenbundels met de
bijlen, aan te matigen; maar het kwam niet in hun hoofd op, dat die
roeden en bijlen, die zij om anderen ontzag in te boezemen voor zich
lieten uitdragen, hun eigen rug en nek bedreigden. Hun lichtzinnig geloof
in den dood van Scipio maakte hen geestelijk blind: "Zodra deze
algemeen bekend geworden was, zou in heel Spanje de oorlog weer opvlammen."
En zij twijfelden er niet aan, dat dit weldra moest gebeuren: "In
die verwarring kon men den bondgenoten geld afpersen en de naburige
steden plunderen; als alles overhoop lag en iedereen alles durfde, zouden
hún daden niet opvallen."
25
Toen zij nu elk ogenblik nader bericht verwachtten niet alleen van Scipio´s
dood, maar ook van zijn begrafenis, maar zo´n bericht helemaal
niet kwam en het loze gerucht ook weer verliep, toen pas ging men eens
informeren, wie er eigenlijk het eerst mee voor den dag was gekomen.
Daar echter iedereen liever het slachtoffer dan de zegsman van zo´n
enorm verzinsel wilde schijnen, schoven allen de verantwoording van
zich af en de vereenzaamde leiders begonnen reeds te gruwen van hun
eigen onderscheidingstekenen en zagen achter de maskerade van hun schijngezag
het ware en wettige gezag al opdoemen, dat zich weldra tegen hen zou
keren.
Zo trad er een periode van besluiteloosheid in, terwijl zij betrouwbare
berichten kregen, eerst dat Scipio nog leefde, toen dat hij weer hersteld
was; daarna verschenen zeven stafofficieren door Scipio persoonlijk
gezonden. Bij hun eerste aankomst betoonden de mannen zich nog onwilliger,
maar weldra werden zij meer volgzaam, toen de officieren de hun bekende
soldaten, die zij ontmoetten, met vriendelijke woorden geruststelden.
Want al rondgaande, eerst langs de barakken en vervolgens in het hoofdkwartier
en de kantoren van den staf, mengden zij zich in het gesprek als zij
groepjes soldaten met elkaar zagen praten; zij informeerden daarbij
meer naar de oorzaak van hun plotselinge woede en opstandigheid, dan
dat zij zich over het gebeurde afkeurend uitlieten.
Algemeen was de klacht over de achterstallige soldij; en "dat destijds
wel op hetzelfde tijdstip van den misdadigen opstand der Iliturgitanen,
na den dood van twee generaals en de vernietiging van twee legers, de
Romeinse naam verdedigd was en de provincie behouden bleef door hun
dapperheid, maar dat thans de Iliturgitanen hun gerechte straf al lang
en breed te pakken hadden, terwijl er nog steeds niemand scheen te zijn
om hén rechtvaardig te belonen." Zij kregen ten antwoord,
dat deze klachten billijk waren en aan den opperbevelhebber zouden worden
overgebracht: "Gelukkig was het niets ergers en kon er iets aan
gedaan worden; zowel Publius Scipio - den goden zij dank - als de staat
waren er nog om hun te geven wat hun toekwam."
Wat Scipio nu betreft, hij verkeerde in onzekerheid; in den oorlog had
hij ervaring genoeg, maar tegenover deze muiterij stond hij volkomen
vreemd: hoe moest hij voorkomen dat het leger te ver ging of dat hij
zelf te streng zou straffen? Voorlopig besloot hij met de soepelheid
te blijven optreden, waarmee hij begonnen was; belastinggaarders werden
uitgezonden naar de schatplichtige steden om zodoende de verwachting
te wekken van een spoedige uitbetaling der soldij; en onmiddellijk daarop
vaardigde hij een edict uit, dat zij om deze in ontvangst te nemen naar
Carthago
moesten komen, hetzij in losse groepen, hetzij, als zij dat liever wilden,
in legerverband.
Het feit, dat de rebellerende Spanjaarden plotseling de wapens neerlegden,
maakte volkomen een eind aan de muiterij, die toch al vanzelf aan het
verlopen was. Op het bericht namelijk van Scipio´s herstel hadden
Mandonius en Indibilis hun onderneming gestaakt en zich weer onderworpen;
dientengevolge was er nu geen Romein of geen Spanjaard meer om aan hun
dolzinnige plannen deel te nemen. Hun restte dus niets dan op hun foute
speculatie terug te komen - een riskante zaak - en zich toe te vertrouwen
aan hun bevelhebber, om diens gerechtvaardigden toorn over zich te laten
losbarsten of zijn clementie te ondervinden. Hieraan wanhoopte men niet:
"Zelfs vijanden, met wie hij bloedig gevochten had, waren genadig
door hem behandeld; hun opstand was zonder verwondingen en bloedvergieten
verlopen: geen onherstelbare daad, die ook geen onherstelbare straf
verdiende" - zo redeneerden zij met die bekende al te grote vlotheid
van mensen, die zichzelf excuseren. Alleen daarover aarzelde men nog,
of de cohorten stuk voor stuk zouden gaan of zij allen tezamen; men
besloot tot dit laatste, daar het veiliger leek.
26
In dezelfde dagen, dat zij daarover delibereerden, vormden zij het onderwerp
van een stafbespreking te Carthago; men was het er niet over eens of
alleen de raddraaiers van de muiterij geëxecuteerd moesten worden
- dit waren er niet meer dan vijfendertig - of dat zo´n ergerlijk
defaitisme - want zo kon men het beter noemen dan muiterij - met meer
doodvonnissen gestraft diende te worden, om te voorkomen dat het een
gevaarlijk precedent schiep. Het zachtaardigste voorstel, beperking
van de straf tot de aanstokers, behaalde de meerderheid: "Voor
den troep was een strenge berisping voldoende." Na afloop van de
bespreking werd aan het leger dat zich te Carthago bevond, een expeditie
tegen Mandonius en Indibilis in het vooruitzicht gesteld, om den indruk
te wekken, dat men daarover had geconfereerd; de soldaten kregen het
bevel proviand voor verscheidene dagen klaar te maken. De zeven stafofficieren,
die daarvóór ook al in Sucro geweest waren om de oproerige
stemming te kalmeren, gingen het leger tegemoet; aan elk van hen werden
vijf namen van raddraaiers meegedeeld: zij moesten er voor zorgen dat
die mannen door geschikte personen met een vriendelijk gezicht en mooie
praatjes in huis gehaald en dronken gevoerd werden en ze vervolgens
in de boeien slaan.
De oproerlingen waren niet ver meer van Carthago af, toen ze van lieden
die hen tegemoet kwamen hoorden, dat "den volgenden dag het hele
leger onder bevel van Marcus Silanus naar Lacetanië zou vertrekken";
dit bevrijdde hen niet alleen van elke ongerustheid, die zij nog onbewust
gevoelden, maar maakte hen ook bijzonder opgewekt, omdat zij het idee
hadden nu met zijn allen tegenover dien énen persoon van hun
opperbevelhebber te zullen staan in plaats van dat zij aan hem waren
overgeleverd. Omstreeks zonsondergang kwamen zij de stad binnen en zagen,
hoe het andere leger zich marsvaardig maakte. Opzettelijk werden zij
verwelkomd met de mededeling, dat "zij voor den opperbevelhebber
juist van pas arriveerden, omdat het andere leger op het punt stond
te vertrekken"; daarna liet men hen eten. Zonder enige opschudding
zijn de aanstokers, nadat handige medewerkers hen in huis hadden gehaald,
door de stafofficieren gearresteerd en geboeid.
In de vierde nachtwake begon de tros van het leger, dat zogenaamd op
expeditie zou gaan, zich in beweging te zetten; kort voor de dag aanbrak
marcheerden de mannen zelf op en werden bij de poort vastgehouden; ook
aan alle andere poorten werden schildwachten geplaatst om te voorkomen
dat iemand de stad verliet. Vervolgens zijn zij, die den vorigen dag
waren aangekomen, opgeroepen om een verklaring van hun bevelhebber aan
te horen; zelfverzekerd stormden zij naar het forum tot voor de estrade
waarop Scipio zich bevond, vol vertrouwen hem door hun interrupties
te zullen intimideren. Toen zakte al die opgeblazen moed hun in de schoenen,
en, zoals zij later bekenden, niets deed hen meer ontstellen dan de
onverhoopte krachtige houding en gezonde kleur van hun commandant, terwijl
zij hadden gedacht een zieke te zullen zien; en hij kéék,
zeiden zij, op een manier ... zelfs midden in het gevecht hadden zij
hem nog nooit zó zien kijken! Zwijgend bleef hij een poosje zitten,
tot hem gemeld werd, dat de raddraaiers op het forum waren gebracht
en alles klaar was.
27
Toen, nadat een heraut om stilte had geroepen, begon hij als volgt:
"Nooit zou ik geloofd hebben geen woorden te kunnen vinden om mijn
leger toe te spreken, niet omdat ik mij meer op de studie van het woord
dan op het praktische leven heb toegelegd, maar omdat ik meende den
soldaat te begrijpen, daar ik bijna sinds mijn jongensjaren onder soldaten
heb verkeerd; hoe ik jullie echter moet toespreken, weet ik niet en
ik kan er ook de woorden niet voor vinden: immers - om te beginnen al
- hoe zal ik jullie noemen? Medeburgers? Maar jullie hebben het vaderland
den rug toegekeerd. Soldaten? Maar jullie zijn in opstand gekomen tegen
het hoogste gezag, jullie hebben je heiligen eed gebroken. Vijanden
dan? Maar ik zie lichamen, gezichten, de kleding, de houding van Romeinen:
wier daden vijandig zijn, dat is waar; en hun woorden, plannen, gezindheid.
Hebben jullie niet precies hetzelfde gewild en gehoopt als de Ilergeten
en Lacetaniërs? En die lieten zich dan tenminste bij hun dolzinnige
onderneming nog leiden door Mandonius en Indibilis, mannen van koninklijken
bloede. Jullie hebben het gezag, het heilige oppergezag, overgedragen
aan een Umbriër, Atrius, en aan Albius uit Cales.
Soldaten! Ik hoor het al zeggen: "Wij hebben het niet allemaal
gedaan of gewild; het was de waanzinnige toeleg van een paar mannen."
Heel graag zal ik jullie geloven; want waarachtig, als het hele leger
bij deze wanordelijkheden betrokken was geweest, dan zouden er enorme
zoenoffers nodig zijn om het van elke smet te zuiveren. Aarzelend leg
ik er den vinger op, als op een wond; maar zonder behandeling geen genezing!
Ik voor mij geloofde niet, dat er, na de verdrijving der Carthagers
uit Spanje, nog één plaats was in de hele provincie, waar
mensen leefden, die mij persoonlijk een kwaad hart toedroegen: mijn
gedrag tegenover onze bondgenoten en ook tegenover onze vijanden was
daar niet naar geweest. En ziet, onder mijn eigen troepen - hoezeer
had ik mij vergist - verwekte het bericht van mijn dood niet alleen
geen droefheid, maar men zag er zelfs reikhalzend naar uit. Nu wil ik
niet beweren, dat allen er zo over dachten - want werkelijk, als ik
ook maar een ogenblik moest menen, dat het hele leger mij den dood had
toegewenst, zou ik onmiddellijk hier voor uw ogen willen sterven: waardeloos
zou mij een leven zijn, dat mij niet werd gegund door mijn medeburgers
en soldaten. Maar de grote massa is als de zee: krachtens haar eigen
natuur onbewogen en rustig; zoals de winden waaien, zo heerst er onder
jullie stilte of storm; en terwijl de eerste oorzaak van dit hele dolzinnige
bedrijf bij de aanstokers gezocht moet worden, zijn jullie toch door
de besmetting ook verdwaasd. Want het lijkt mij toe, dat jullie zelfs
nú nog niet inziet, hoever jullie zijn gegaan, wát jullie
eigenlijk misdaan hebt tegen mij, tegen het vaderland, ouders en kinderen,
tegen de goden, getuigen van den soldateneed, tegen hun hoge bescherming
waaronder wij te velde staan, tegen het hele wezen van den dienst en
de traditionele discipline, tegen de majesteit van het opperbevel.
Over mijzelf zwijg ik - goed, jullie zult een ander wel meer klakkeloos
dan met graagte geloofd hebben; en misschien is het heel begrijpelijk,
dat het leger genoeg heeft van mijn gezagvoering; ik kan tenslotte best
een man zijn, die dat verdient ... Maar het vaderland, dat jullie wilden
verraden door gemene zaak te maken met Mandonius en Indibilis, wat had
dat vaderland misdaan? Wat had het Romeinse volk misdaan, toen jullie
het gezag ontnamen aan de officieren van zíjn keuze om het over
te dragen aan mannen, die door dat volk met geen enkele functie waren
bekleed? En toen jullie den rang van stafofficier voor hen nog te min
achtten en de roedenbundels van jullie opperbevelhebber - o Romeinse
soldaten! - ter beschikking stelden van kerels, die nog nooit een slááf
hadden gehad om te commanderen? In het hoofdkwartier woonden Albius
en Atrius, de signalen werden bij hen geblazen, zij gaven het wachtwoord,
zij zaten op de estrade van Publius Scipio; een lictor meldde zich,
terwijl hij het volk deed wijken, schreden zij voort, de roedenbundels
met de bijlen werden hun vooruitgedragen. Stenenregens, blikseminslag,
misgeboorten zien jullie aan voor onheilspellende voortekens; maar ík
zeg: dít is het voorteken van een onheil, dat door geen offers
en geen smeekbeden kan worden afgewend zonder het bloed van degenen
die zo´n ontzettende daad hebben gewaagd.
28
Ofschoon nu elke misdaad in den grond redeloos is, zou ik toch wel eens
willen weten, wat nu eigenlijk jullie bedoelingen en plannen waren,
in zoverre daarvan dan sprake kan zijn bij zo´n goddelozen opzet.
Ik bedoel dit. Eens heeft een legioen, dat naar Regium in garnizoen
gezonden was, het stadsbestuur misdadig omgebracht en die rijke stad
tien jaar lang beheerst; tot straf is later dat hele legioen, vierduizend
man, te Rome op het forum met de bijl geëxecuteerd. Maar om te
beginnen volgden zij niet een Umbriër Atrius, een leider wiens
naam al ongeluk voorspelt, maar den stafofficier Decimus Vibellius;
en zij verbonden zich niet met Pyrrhus en ook niet met de Samnieten
of de Lucaniërs, vijanden van het Romeinse volk. Zij hadden verder
een plan: zoals de Campaniërs in Capua, nadat dit ontnomen was
aan de vroegere Etrurische bewoners, en de Mamertijnen in Messana op
Sicilië, zo hadden zij zich blijvend willen vestigen in Regium,
zonder het Romeinse volk of zijn bondgenoten kwaad te doen. En waren
jullie nu van plan in Sucro te blijven wonen? Stelt eens dat ik, als
opperbevelhebber, nadat de provincie was ingelijfd, jullie bij mijn
vertrek in dat gat achterliet - moesten jullie dan niet goden en mensen
te hulp roepen, om te kunnen terugkeren naar vrouw en kinderen?
Maar ook aan die hebben jullie niet gedacht, net zomin als aan het vaderland
en aan mij. Goed! Ik vervolg dan mijn onderzoek naar jullie overwegingen,
steeds uitgaande van de veronderstelling, dat jullie wel uiterst misdadig,
maar toch niet volkomen krankzinnig waren. Hadden jullie dan werkelijk
een soort idee, om met achtduizend man - en allemaal minder waard dan
Albius en Atrius, voor wie jullie den nek bogen - de provincie Spanje
te ontnemen aan het Romeinse volk, terwijl ik nog leefde en de rest
van het leger intact bleef, waarmee ik in één dag Carthago
nam, waarmee ik vier Carthaagse bevelhebbers en hun legers versloeg,
verjoeg, uit Spanje wierp? Ik denk nu waarlijk niet meer aan mijzelf:
het kan best zijn, dat jullie mij geen kwaad toewensten en alleen maar
al te lichtvaardig aan het bericht van mijn dood geloofden. Maar wat
hebben jullie je dan bij dien dood voorgesteld? Dat nu ook de staat
zou sterven, dat het oppergezag van het Romeinse volk nu ook, tezamen
met mij, zou vallen? Dat verhoede toch Jupiter Optimus Maximus, dat
een stad, met instemming en op gezag der goden gebouwd voor de eeuwigheid,
zou staan en vallen met dit broze lichaam. Flaminius, Paulus, Gracchus,
Postumius Albinus, Marcus Marcellus, Titus Quinctius Crispinus, Gnaeus
Fulvius, mijn eigen Scipionen, zovele, zó beroemde bevelhebbers
sneuvelden in dezen énen oorlog; maar het Romeinse volk leeft
en zal leven, hoeveel anderen er ook nog komen te sterven door het zwaard
of door ziekte: en zou dan juist op mijn begrafenis het gemenebest van
het Romeinse volk zijn uitgedragen? Jullie zelf hebt toch hier in Spanje,
toen mijn vader en mijn oom, de twee hoogste commandanten, gesneuveld
waren, Septimus Marcius als bevelhebber gekozen om den strijd voort
te zetten tegen de Carthagers, die nog juichten over hun recente overwinning.
En nu spreek ik, of Spanje zonder leiding geweest zou zijn; maar zouden
Marcus Silanus, met denzelfden rang als ik naar de provincie gezonden,
zouden mijn broer Lucius Scipio en Gajus Laelius, die onmiddellijk onder
mij staan, hebben nagelaten de majesteit van het oppergezag te handhaven
en te wreken? En had men dan de legers, de bevelhebbers, of hun waardigheid
en hun zaak ook maar kunnen vergelijken? Gesteld echter dat jullie dit
alles te boven waren gekomen, zouden jullie dan opgerukt zijn tegen
het vaderland en zijn burgers? Hadden jullie gewild, dat Afrika over
Italië heerste, Carthago over Rome? Wat heeft die stad jullie dan
toch misdaan?
29
Coriolanus is er eens door een onrechtvaardig vonnis en door de miserie
en den smaad van zijn verbanning toe gebracht om zijn eigen Rome te
gaan bestrijden; de liefde voor zijn lijfelijke moeder echter weerhield
hem van den definitieven moordaanslag op zijn moeder in den hoogsten
zin van het woord. Maar jullie! Wat was de oorzaak van jullie wrok,
van jullie woede? Dat de uitbetaling van de soldij, tijdens de ziekte
van jullie opperbevelhebber, een paar dagen was achtergeraakt ...? Waarachtig,
soldaten, jullie waren krankzinnig en geestelijk niet minder ziek dan
ik het lichamelijk was. Ik deins er voor terug in te gaan op al wat
men heeft geloofd, gehoopt, gewenst; de vergetelheid moge dit alles
uitwissen, als het mogelijk is; laat in elk geval een diep stilzwijgen
het bedekken.
Ik zie wel, dat mijn woorden jullie hard toeklinken en liefdeloos: maar
waren jullie daden niet heel wat liefdelozer dan mijn woorden? En ik
moet dat zeker maar verdragen, terwijl jullie het niet eens kunt hebben,
dat ik onomwonden alles zeg? Toch zal ik ook mijn berisping hierbij
laten en ik hoop dat jullie het gebeurde even makkelijk zult vergeten
als ik! Derhalve ben ik, wat den troep betreft, tevreden met berouw;
Albius uit Cales en de Umbriër Atrius en ook de andere aanstokers
van jullie goddeloze muiterij zullen hun misdaad met den dood boeten.
Als jullie weer tot je normale zelf bent teruggekeerd, zal hun executie
geen reden tot verbittering, maar een opluchting zijn: hun plannen immers
waren voor niemand gevaarlijker dan juist voor jullie."
Nauwelijks had hij uitgesproken, of, volgens het programma, werden zij
door wat ze te zien en te horen kregen aan alle mogelijke verschrikkingen
tegelijkertijd blootgesteld. De soldaten, die in een kring achter hen
waren gaan staan, sloegen met hun zwaarden op hun schilden; daar bovenuit
hoorde men de stem van den heraut, die de namen der ter dood veroordeelden
opnoemde; in hun hemd werden dezen midden op de markt gesleurd en meteen
zag men ook al het hele apparaat voor hun terechtstelling; zij stonden
reeds aan hun palen gebonden, waren reeds gegeseld en onthoofd, terwijl
de aanwezigen nog zo ontzet waren van angst, dat er niet alleen geen
kreet van protest, maar zelfs geen uitroep van medelijden werd gehoord.
Daarop zijn de lijken opgeruimd en is het plein gereinigd; de soldaten
werden toen bij name opgeroepen om in handen der stafofficieren een
eed van trouw aan Publius Scipio af te leggen; tegelijkertijd kregen
zij stuk voor stuk hun soldij uitbetaald. En dit was dan het verloop
en het eind van de muiterij bij Sucro.
[terug
naar livius]
|