|
[startpagina]
[livius]
Publius
Cornelius Scipio
Livius
AUC XXVI, 18 - 19
(Uit:
Latijnse geschiedschrijvers. Bloemlezing ... in nieuwe vertaling ...
door Dr. Jan van Gelder. Haarlem, 1952. N.V. Drukkerij de Spaarnestad.
Serie: Klassieke Bibliotheek.)
Na
den slag bij Cannae ging Capua tot Hannibal over. In 215 sloot hij een
bondgenootschap met Hiëronymus van Syracuse, wiens grootvader en
voorganger, Hiëro, den Romeinen altijd trouw was gebleven. Ondanks
deze en andere successen bereikt Hannibal toch niets definitiefs en
wordt zijn positie, ook doordat elke steun uit Carthago uitblijft, steeds
moeilijker. In 212 verovert Marcus Marcellus Syracuse; in 211 wordt
Capua hernomen; na 207 trekt Hannibal zich in Bruttium terug zonder
verder iets te ondernemen. Toch werd hij ook daar niet verslagen: de
eindbeslissing zou worden voorbereid in Spanje.
In die provincie hadden van 218 af de broeders Publius en Gnaeus Cornelius
Scipio succesvol gestreden, tot zij in 212 een noodlottige nederlaag
leden, waarbij zijzelf sneuvelden. In hun plaats zond men in 211 den
zoon van Publius als opperbevelhebber naar Spanje.
18
Inmiddels hadden in Spanje noch de volken, die na de nederlaag waren
afgevallen, zich weer onder de Romeinen gevoegd, noch ook waren er andere
volken afvallig geworden; en te Rome maakten senaat en volk zich, na
de herovering van Capua, reeds niet minder zorgen over dit Spanje dan
over Italië. Men had besloten het leger op grotere sterkte te brengen
en een opperbevelhebber te zenden; wie dat zou zijn, wist men nog niet,
maar wel, dat de opvolger van twee uitnemende commandanten, die binnen
dertig dagen na elkaar waren gesneuveld, met buitengewone zorg moest
worden uitgekozen. Toen de een dezen, de ander dien naam noemde, nam
men tenslotte zijn toevlucht tot het houden van een kiesvergadering
om een proconsul voor Spanje aan te wijzen en de consuls maakten den
dag daarvoor bekend. Eerst zag men er met spanning naar uit, wie zich
voor zo´n belangrijk commando candidaat zouden stellen. Men bemerkte
echter al gauw, dat men daar tevergeefs naar uitzag en opnieuw rouwde
men over de nederlaag en voelde men het gemis der verloren aanvoerders.
Zo was het wel een neerslachtige schare, die zich op den verkiezingsdag,
zij het bijna radeloos, toch maar naar het Marsveld begaf. Naar de magistraten
gekeerd bespiedden zij de gelaatsuitdrukking der vooraanstaande mannen,
die elkaar aankeken en zij mompelden al, dat de situatie blijkbaar zo
slecht was en de staat er blijkbaar zo hopeloos voorstond, dat niemand
het commando voor Spanje op zich durfde te nemen, toen plotseling Publius
Cornelius, de zoon van Publius Cornelius die in Spanje was gevallen,
nauwelijks vierentwintig jaar oud, verklaarde zich candidaat te stellen
en op een verhoging ging staan, waar men hem van alle kanten kon zien.
En onmiddellijk ook al, nadat aller ogen zich op hem hadden gericht,
scheen een unaniem gejuich te voorspellen, dat zijn opperbevel gelukkig
en zegenrijk zou zijn. Toen zij vervolgens het bevel kregen tot stemming
over te gaan, hebben niet alleen alle centuriën, maar ook alle
individuele kiezers zonder uitzondering het commando in Spanje aan hem
opgedragen. Nadat dit gebeurd was echter en het eerste enthousiasme
enigszins was bekoeld, heerste er plotseling een doodse stilte; zwijgend
vroeg men zich af, wat men eigenlijk gedaan had?! Waren zij niet verdwaasd
geweest door een opwelling van sympathie? Vooral den leeftijd voelde
men nu als een bezwaar; sommigen ook huiverden voor het noodlot dat
op zijn familie drukte, voor den naam zelf van den man, die thans uit
den schoot van twee in rouw gedompelde gezinnen vertrok naar die operatiegebieden,
waar hij zou moeten vechten tussen de graven van zijn vader en zijn
oom.
19
Zodra Publius Cornelius de onrust en bezorgdheid bij de mensen ten gevolge
van hun overijlde daad bemerkt had, hield hij een meeting; en daar sprak
hij op zo´n hoog niveau over zijn leeftijd, het hem verleende
opperbevel en den oorlog dien hij moest voeren, dat hij het bekoelde
enthousiasme weer deed oplaaien en bij zijn publiek een groter vertrouwen
in zijn succes wist op te wekken dan de ervaring met menselijke beloften
of de koele overweging van ´s levens wisselvalligheid meestal
gedoogt.
Want Scipio kon men niet alleen bewonderen om werkelijk voortreffelijke
eigenschappen, maar ook was hij er van jongs af aan door een eigenaardige
manier van doen op uit geweest duidelijk te maken, dat hij die eigenschappen
bezat; en in zijn contact met de massa suggereerde hij dikwijls geïnspireerd
te zijn door nachtelijke visioenen of een goddelijke ingeving, hetzij
dat hijzelf enigszins bijgelovig was, hetzij dat hij een prompte volgzaamheid
verwachtte, wanneer zijn bevelen en wenken iets van het gezag hadden,
dat orakelspreuken genieten.
Om deze hele sfeer voor te bereiden, maakte hij het, sinds hij de mannentoga
droeg, tot zijn gewoonte elken dag, alvorens iets als particulier of
magistraat te doen, naar het Capitool te gaan: hij trad den tempel binnen,
zette zich neer en bracht er dan meestal in volkomen afzondering enigen
tijd door. Deze gewoonte, waaraan hij zich gedurende zijn hele leven
hield, was voor sommigen het overtuigende bewijs van een veronderstelling,
die propaganda of toeval had verbreid, namelijk dat Scipio van goddelijke
afkomst zou zijn. Zelf heeft hij dit nimmer tegengesproken; veeleer
stijfde hij de mensen in hun geloof door een zekere handigheid: hij
zei nooit ronduit dat het wél of dat het níet zo was.
En door nog veel meer dergelijke deels ware, deels gefingeerde bijzonderheden
had men voor dien jongeman een bewondering opgevat als voor een bovenmenselijk
wezen; daarop vertrouwend legde toen de burgerij zo´n zware taak
en zo´n hoog gezag in zijn jeugdige handen.
[startpagina]
[livius]
|