[ vorige bladzijde ] [ volgende bladzijde ]

Liber I, 1-2

 



 

[ livius : inhoud ]

Boek I, 1-2

 

 

 

1. Iam primum omnium satis constat Troia capta in ceteros saevitum esse Troianos, duobus, Aeneae Antenorique, et vetusti iure hospitii et quia pacis reddendaeque Helenae semper auctores fuerant, omne ius belli Achivos abstinuisse ;

casibus deinde variis Antenorem cum multitudine Enetum, qui seditione ex Paphlagonia pulsi et sedes et ducem rege Pylaemene ad Troiam amisso quaerebant, venisse in intimum maris Hadriatici sinum, Euganeisque qui inter mare Alpesque incolebant pulsis Enetos Troianosque eas tenuisse terras. Et in quem primum egressi sunt locum Troia vocatur pagoque inde Troiano nomen est : gens universa Veneti appellati.



 

1. Allereerst weten wij met enige zekerheid, dat bij de val van Troje de overige Trojanen het slachtoffer werden van de Griekse woede, maar twee mannen, Aeneas en Antenor, gespaard bleven, wegens het voorrecht van een al lang bestaande gastvriendschap, én omdat zij altijd hadden gepleit voor de vrede en het teruggeven van Helena.
Na allerlei lotgevallen bereikte Antenor, vergezeld van een menigte Eneti, die bij een opstand uit Paphlagonia waren verdreven en na het verlies van hun koning Pylaemenes bij Troje een nieuwe woonplaats en leider zochten, de baai van de Hadriatische Zee. De Euganei, die tussen de zee en de Alpen woonden, werden verdreven, en Eneti en Trojanen namen die streek in bezit. De plek, waar zij het eerst aan land kwamen werd Troje genoemd, het district heet ook naar Troje. Het volk in zijn geheel werd Veneti genoemd.

 

Aenean ab simili clade domo profugus sed ad maiora rerum initia ducentibus fatis, primo in Macedoniam venisse, inde in Siciliam quaerentem sedes delatum, ab Sicilia classe ad Laurentem agrum tenuisse. Troia et huic loco nomen est.



Aeneas was tengevolge van een soortgelijke ramp van huis verdreven, maar het lot leidde hem naar het begin van een grotere toekomst. Eerst kwam hij in Macedonia, daarna bracht zijn zoektocht naar een woonplaats hem naar Sicilia, van Sicilia koerste hij met zijn vloot naar het Laurentische land. Ook deze plek draagt de naam Troje.

 

Ibi egressi Troiani, ut quibus ab immenso prope errore nihil praeter arma et naves superesset, cum praedam ex agris agerent, Latinus rex Aboriginesque qui tum ea tenebant loca ad arcendam vim advenarum armati ex urbe atque agris concurrunt.

Duplex inde fama est. Alii proelio victum Latinum pacem cum Aenea, deinde adfinitatem iunxisse tradunt : alii, cum instructae acies constitissent, priusquam signa canerent processisse Latinum inter primores ducemque advenarum evocasse ad conloquium ; percontatum deinde qui mortales essent, unde aut quo casu profecti domo quidve quaerentes in agrum Laurentem exissent, postquam audierit multitudinem Troianos esse, ducem Aenean filum Anchisae et Veneris, cremata patria domo profugos, sedem condendaeque urbi locum quaerere, et nobilitatem admiratum gentis virique et animum vel bello vel paci paratum, dextra data fidem futurae amicitiae sanxisse.



Toen de Trojanen daar aan land gingen, bezaten zij na hun bijna onmetelijke dwaaltocht niets meer, behalve hun wapens en schepen. Toen zij daarom de akkers aan het plunderen waren, kwamen koning Latinus en de Aborigines, die dat gebied toen bewoonden, uit de stad en van het land aanrennen, om het geweld van de vreemdelingen een halt toe te roepen.
Daarna kent het verhaal twee versies. Volgens de ene versie verloor Latinus het gevecht, sloot vrede met Aeneas, en ging daarna een familieband met hem aan. De andere versie luidt als volgt : de slaglinies stonden al opgesteld en elk moment konden de signalen klinken, toen Latinus tussen de voornaamsten naar voren kwam en de aanvoerder van de vreemdelingen tot een gesprek opriep. Hij vroeg, wie zij waren, waar zij vandaan kwamen, waarom zij hun thuis hadden verlaten en wat zij hadden te zoeken in het Laurentische land. Hij hoorde, dat zij Trojanen waren, dat hun leider Aeneas, de zoon van Anchises en Venus was, en dat zij na de brand van hun vaderstad als ballingen een plek zochten om een nieuwe stad te stichten. Uit ontzag voor de edele afkomst van het volk en hun leider, en omdat hun bereidheid zowel tot oorlog als tot vrede hem imponeerde, sloot Latinus toen vriendschap en bekrachtigde die met een handdruk.

 

Inde foedus ictum inter duces, inter exercitus salutationem factam. Aenean apud Latinum fuisse in hospitio ; ibi Latinum apud penates deos domesticum publico adiunxisse foedus filia Aeneae in matrimonium data. Ea res utique Troianis spem adfirmat tandem stabili certaque sede finiendi erroris. Oppidum condunt ; Aeneas ab nomine uxoris Lavinium appellat. Brevi stirpis quoque virilis ex novo matrimonio fuit, cui Ascanium parentes dixere nomen.



Er werd een verdrag gesloten tussen de leiders, de legers wisselden een formele groet. Latinus ontving Aeneas als gast. Daar, bij de huisgoden, verbond Latinus een huiselijke band aan het publieke verdrag door zijn dochter aan Aeneas ten huwelijk te geven. Dat bevestigde in ieder geval de Trojaanse hoop om eindelijk hun dwaaltocht te besluiten met een vaste en zekere woonplaats.
Zij stichten een stad. Aeneas noemt die Lavinium, naar zijn vrouw. Al gauw was er ook een mannelijke spruit uit het nieuwe huwelijk, aan wie de ouders de naam Ascanius gaven.

 

2. Bello deinde Aborigines Troianique simul petiti. Turnus rex Rutulorum, cui pacta Lavinia ante adventum Aeneae fuerat, praelatum sibi advenam aegre patiens simul Aeneae Latinoque bellum intulerat.

Neutra acies laeta ex eo certamine abiit : victi Rutuli ; victores Aborigines Troianique ducem Latinum amisere.

Inde Turnus Rutulique diffisi rebus ad florentes opes Etruscorum Mezentiumque regem eorum confugiunt, qui Caere opulento tum oppido imperitans, iam inde ab initio minime laetus novae origine urbis et tum nimio plus quam satis tutum esset accolis rem Troianam crescere ratus, haud gravatim socia arma Rutulis iunxit.

Aeneas adversus tanti belli terrorem ut animos Aboriginum sibi conciliaret nec sub eodem iure solum sed etiam nomine omnes essent, Latinos utramque gentem appellavit ;

nec deinde Aborigines Troianis studio ac fide erga regem Aenean cessere. Fretusque his animis coalescentium in dies magis duorum populorum Aeneas, quamquam tanta opibus Etruria erat ut iam non terras solum sed mare etiam per totam Italiae longitudinem ab Alpibus ad fretum Siculum fama nominis sui implesset, tamen cum moenibus bellum propulsare posset in aciem copias eduxit.

Secundum inde proelium Latinis, Aeneae etiam ultimum operum mortalium fuit. Situs est, quemcumque eum dici ius fasque est, super Numicum flumen : Iovem indigetem appellant.

 



2. Aborigines en Trojanen werden daarna tegelijk overvallen door een oorlog. Turnus, koning van de Rutuli, was vóór de komst van Aeneas met Lavinia verloofd geweest, kon niet verkroppen, dat een vreemde de voorkeur kreeg boven hem, en deed Aeneas en Latinus tegelijk de oorlog aan.
De strijd verliep voor géén van de strijdende partijen gelukkig : de Rutuli werden verslagen ; de winnende Aborigines en Trojanen verloren hun leider Latinus.
Turnus en de Rutuli zagen er geen gat meer in en namen hun toevlucht tot de Etrusken, wier macht op een hoogtepunt was, en hun koning Mezentius. Deze heerste over Caere, toen een welvarende stad. Al vanaf het begin helemaal niet blij met het ontstaan van een nieuwe stad, bovendien van mening, dat de Trojaanse macht een bedreiging begon te vormen voor de omwonenden, nam hij de Rutuli graag als bondgenoten in zijn leger op.
Gesteld voor het schrikbeeld van zo'n grote oorlog nam Aeneas een maatregel om zich te verzekeren van de loyaliteit van de Aborigines. Hij gaf allen niet alleen dezelfde rechten, maar ook dezelfde naam, en noemde beide volkeren de Latini;
en in ijver en trouw jegens koning Aeneas deden de Aborigines daarna niet onder voor de Trojanen. Aeneas had zo veel vertrouwen in het dagelijks toenemende saamhorigheidsgevoel van de twee volkeren, dat hij er niet voor koos achter de stadsmuren de oorlog uit te zitten, maar zijn troepen naar het slagveld leidde, en dat terwijl de macht van Etruria zó groot was, dat niet alleen het land, maar ook de zee over de volle lengte van Italia, van de Alpen tot het nauw van Sicilia, vol was van de roem der Etrusken.
Het gevecht liep goed af voor de Latijnen, voor Aeneas was het zijn laatste sterfelijke daad. Met welke naam hij dan ook hoort te worden genoemd, hij ligt begraven boven de rivier de Numicus : men noemt hem de inheemse Juppiter.

 

 

 

[ lees de volgende bladzijde ]