Oden I.4

Solvitur acris hiems grata vice veris et Favoni
trahuntque siccas machinae carinas;
ac neque iam stabulis gaudet pecus aut arator igni
nec prata canis albicant pruinis.
Iam Cytherea choros ducit Venus imminente luna
iunctaeque Nymphis Gratiae decentes
alterno terram quatiunt pede, dum gravis Cyclopum
Volcanus ardens visit officinas.
Nunc decet aut viridi nitidum caput impedire myrto
aut flore, terrae quem ferunt solutae;
nunc et in umbrosis Fauno decet immolare lucis,
seu poscat agna sive malit haedo.
Pallida Mors aequo pulsat pede pauperum tabernas
regumque turris. O beate Sesti,
vitae summa brevis spem nos vetat incohare longam;
iam te premet nox fabulaeque Manes
et domus exilis Plutonia: quo simul mearis,
nec regna vini sortiere talis
nec tenerum Lycidan mirabere, quo calet iuventus
nunc omnis et mox virgines tepebunt.  

 

Kox' Variaties op Horatius’ Ode I.4

1.       De barre winter is voorbij, hoera!
De lente komt er aan, de wind voelt zacht.
De eerste bloemen tonen graag hun pracht,
De aarde geurt en zingt van tralala.

De koeien huppelen vrolijk door de wei,
De boeren starten goedgemutst hun trekker.
De ijssalon van Laan gaat open, lekker!
De meisjes dragen rokjes en zijn blij.

Dus nu de straat op, weer naar buiten, hup!
Of pak de fiets en peddel door de duinen.
Of ga door luie stille stadjes struinen,

Of speel een potje tennis op de club.

De dood klopt aan bij ieder, arm of rijk.
Mijn beste vrienden, leven duurt maar even.
Te ver vooruitzien is ons niet gegeven.
Je maakt je mooie plannen voor een lijk.  

Begraven, cremeren of resomeren,
Ziedaar de opties. ’t Is dan gedaan met de pret,
Gedaan met verliefd zijn op tengere Bret,
Die nu alle genders laat fantaseren.

2.       Update

De barre winter is voorbij.
Nu is de beurt aan de lente.
Wat een lekker zuidenwindje!
De buurman gaat zijn zeilboot te water laten.
De koeien willen naar de wei.
De boer is uitgekeken op zijn houtkachel.
Het gras is niet meer wit, maar groen, zoals het hoort.
Dameskoren oefenen in het maanlicht.
Jonge vrouwen pedaleren gracieus op hun Gazelles.
Vulcanus smeedt zomerbliksems, de Etna breekt uit.
Zal ik nu een takje groen in mijn haar steken?
Of een bloemetje, dat ik zelf heb geplukt uit de tuin van de buren?
Ik voel een onweerstaanbare drang om iets te offeren – maar wat, en aan wie?
De bleke dood schopt open deuren in, van smerige krotten waar paupers verkommeren, maar ook van schitterende paleizen waar rijke stinkerds hun geld in torens opstapelen.
Geachte heer Rutte,
het leven is te kort voor lange plannen.
Binnenkort ligt u onder de zoden en voert u discussies met Pim Fortuyn.
Geen persconferenties meer.
Dan hoeft u zich niet meer af te vragen,
waarom toch bijna iedereen een relatie heeft,
met een leuke knappe jongen of een sappige jonge meid.

3.       Associaties

Solvent acryl Gerrit Hiemstra favoriet
Trabantje vin blanc sec machine carillon
Noch stabiel gauwdief veekoe autoverkoper ignition
De Goffert praatjeskanis albino pruimen
Jam kutkoren Duce Venerisch eminente maan
Coniunctivus nimfen gracieus decent
Alteratie terrarium kwatpedaal domme graaf Cycloop
etc

4.       Inversie

H
è bah, al weer lente!
Nou weet ik het wel.
Afscheid van Koning Winter.
De natuur herleeft.
Lammetjes in de wei.
De bomen worden weer groen.
Bloemetjes bloeien blablabla.
Boeie!
Nee, dan de dood.
Die blijft interessant.
Magere Hein, die Jan en alleman, Henk en Ingrid, Fatima en Mohammed, maar ook hoge Piet te grazen neemt.
Het ene moment is ie er niet, en dan opeens wel. En dan ben jij er niet meer.
De dood treft allen. De dood is een democratisch instituut. De dood is een blinde messenwerper.
Hoewel hij de ouderen die het toch al zo goed hebben in onredelijke mate bevoordeelt.
Mij wordt vaak gevraagd: “Wanneer stop je nou eindelijk eens met roken?” Dan antwoord ik: “Na de crematie.”
Wat wil je later worden? Schrijver van necrologie
ën.
Doet u mij maar een zerk. Hoeft niet ingepakt.

5.       Ollekebolleke

Ja, ’t is weer lente, hoi!
Dat is wel lekker, hoor.
Lammetjes dartelen
Speels in de wei.

Sterven blijft opgeld doen.
Toekomstverwachtingen
Hebben geen zin, dus leef
Nu en wees blij. 


Vergelijk 1:

Horatius Lierzangen
In Nederduitsche dichtmaat gevolgd,
door Pieter van Winter, NSZ.
Te Amsterdam, by  Pieter Johannes Uylenbroek. MDCCCIV.

Vierde Ode.

Aan Sextius.

Levenwekster! Zagte lente! Gy ontdooit de scherpe vorst;
’t Zwaare werktuig rolt de schepen, die het uit de dokken torscht;
’t Vee, uit muffen stal geweken, huisman, moe den zwarten haard,
Ziet geen witten ryp meer blinken over de ingekrompem aard’.
Cytherea leid haar chooren, tripplend, trapplend, tot den dans:
’t Schoon van die bevalligheden lokt der maanen zilvren glans;
Maaar terwyl zy luchtig zwieren, hand om hand, en voet by voet,
Gloeit Vulcaan de reusensmitse, die de Cyclops davren doet.
’t Hoofd, met fluks ontloken bloemen of met groene myrth gekroond,
Voegt het ons der gunst van Faunus, die in donkre bosschen woont,
’t Lam ten offer op te dragen, zo geen bokje meer behaagt.
Laat het zoet vermaak niet glippen” ’t naare doodspook, onvertsaagd,
Klopt aan hutten, klopt aan hoven, baart alom geschrei, gezucht,
By boerinnen, by vorstinnen, overal gelyk geducht.
Sextus, ten top verheven, wys, gelukkig in uw’ loop!
’t Korte leven snelt daarhenen, en verbied verlengde hoop.
Haast zal u de nacht omgeeven daar zo veel van word gemeld,
Treed ge in ’t aaklig huis van Pluto, door de schimmen vergezeld:
Daar geen teerling zal beslissen, wie de koning is van ’t feest,
Daar geen drinkschaal rond zal loopen, met de blydschap van den geest;
Daar gy nooit het teder meisje, Lydia, belonkt noch plaagt,
Thans door oud, door jong, geprezen, ras door al de jeugd belaagd. 


Vergelijk 2:

Horatius’ Oden en Epoden, in proza vertaald, … door Dr W.G.van der Weerd.
W.J. Thieme & Cie – Zutphen. 1907?

Vierde Ode.

Aan Sestius.

(Lentelied.)
Inhoud: De Lente is gekomen! (vs. 1-8). Laten wij hare genoegens genieten! (9-12), want het leven is zoo kort! (vs. 13-20).

   Reeds vermindert de strenge winter in kracht, afgewisseld door de welkome Lente met haar (luwe) Westerkoeltjes en trekt men de uitgedroogde schepen op rolhouten weder in zee; reeds vindt ook het vee geen behagen meer in zijn stal noch de landman in het vuur van zijn haard en zien de velden niet meer wit door de zilveren rijp. Reeds voert Venus, de Godin van Cythera, den reidans aan bij ’t licht der hoog aan den hemel staande Luna en huppelen de bevallige Grati
ën, hand in hand met de Nimfen, op de maat met trippelende voeten haar dansen, terwijl ter zelfder tijd Vulcanus, blakend van vurigen ijver, de werkplaats zijner van zwaren arbeid zwoegende Cyclopen in vlammenden gloed zet.
   Nu past het het van zalf glanzende hoofd met groenende mirte te omwinden of met bloemen, welke de van den winterboei ontslagen aarde reeds doet ontspruiten; nu past het in ’t lommerrijk heilig woud een offer te brengen aan Faunus, ’t zij hij een lam verlangt of liever een bokje wil.
   De bleeke Dood (toch) klopt met onpartijdigen voet zoowel aan de hutten der armen als aan de paleizen van aanzienlijken en rijken. O rijk (met aardsche goederen) gezegende Sestius! De korte duur van het leven verbiedt ons voet te geven aan ver in de toekomst reikende verwachtingen en hoop: (want) weldra zal de (eeuwige) nacht u omsluiten en ook het Schimmenrijk, waarvan zooveel verhalen in omloop zijn en het bekrompen verblijf van Pluto; en wanneer ge eenmaal daarheen gegaan zijt, zult ge niet meer door den worp der dobbelsteenen tot president van een drinkgelag worden benoemd, noch zult ge meer den jeugdigen Lycidas kunnen bewonderen, voor wien nu alle jongelingen van liefde gloeien en voor wien weldra de jonge meisjes warme liefde zullen koesteren.

Vergelijk 3:

Vertaling van Peter Verstegen, verschenen in jaargang 7 (1986)
van het tijdschrift De Tweede Ronde:

Winterse starheid wijkt nu de zoelere lentewind gaat waaien,
De vloot die droog stond, wordt in zee getakeld;
't Vee is de stal goed zat en de boer is het zat bij 't vuur te zitten.
De wei is niet meer blinkend wit beijzeld.

Nu leidt de liefdesgodin, de Cytherische, in het hoge maanlicht
De reidans; krachtig stampt de driekwartsmaat van
Nimfen en gratiën; vuurgod Vulcanus is ter inspectie bij zijn
Cyclopen, werkzaam in hun zware smidsen.

Nu is het tijd om je glanzend haar met wat mirtegroen te kransen -
Of bloemen waar 't ontdooide land mee vol staat;
Nu is het tijd voor de offers aan Faunus in schaduwrijke bossen:
Een lam of, als hij liever wil, een bokje.

Overal komt, m'n gezegende Sestius, stampend aan de deur van
Paleis of pover krot, de vale dood langs;
't Leven is kort en verbiedt ons te hopen op iets van langer adem,
Weldra ben jij aan nacht ten prooi en aan de

Mythische schimmen in 't vreugdeloos huis van Pluto; treed daar binnen,
En jij verspeelt je kans op Bacchus' scepter;
Nooit meer bewonder je tedere Lycidas, die nu elke jongen
In vlam zet, maar ook meisjes straks niet koud laat.