Epoden II

 'Beatus ille qui procul negotiis,
      ut prisca gens mortalium,
paterna rura bobus exercet suis
      solutus omni faenore
neque excitatur classico miles truci
      neque horret iratum mare
forumque vitat et superba civium
      potentiorum limina.
Ergo aut adulta vitium propagine
      altas maritat populos
aut in reducta valle mugientium
      prospectat errantis greges,
inutilisque falce ramos amputans
      feliciores inserit,
aut pressa puris mella condit amphoris
      aut tondet infirmas ovis;
vel cum decorum mitibus pomis caput
      autumnus agris extulit,
ut gaudet insitiva decerpens pira
      certantem et uvam purpurae,
qua muneretur te, Priape, et te, pater
      Silvane, tutor finium.
Libet iacere modo sub antiqua ilice,
      modo in tenaci gramine:
labuntur altis interim ripis aquae,
      queruntur in silvis aves
fontesque lymphis obstrepunt manantibus,
      somnos quod invitet levis.
At cum tonantis annus hibernus Iovis
      imbris nivisque conparat,
aut trudit acris hinc et hinc multa cane
      apros in obstantis plagas
aut amite levi rara tendit retia,
      turdis edacibus dolos,
pavidumque leporem et advenam laqueo gruem
      iucunda captat praemia.
Quis non malarum, quas amor curas habet,
      haec inter obliviscitur?
Quodsi pudica mulier in partem iuvet
      domum atque dulcis liberos,
Sabina qualis aut perusta solibus
      pernicis uxor Apuli,
sacrum vetustis exstruat lignis focum
      lassi sub adventum viri,
claudensque textis cratibus laetum pecus
      distenta siccet ubera
et horna dulci vina promens dolio
      dapes inemptas adparet:
non me Lucrina iuverint conchylia
      magisve rhombus aut scari,
si quos Eois intonata fluctibus
      hiems ad hoc vertat mare,
non Afra avis descendat in ventrem meum,
      non attagen Ionicus
iucundior quam lecta de pinguissimis
      oliva ramis arborum
aut herba lapathi prata amantis et gravi
      malvae salubres corpori
vel agna festis caesa Terminalibus
      vel haedus ereptus lupo.
Has inter epulas ut iuvat pastas ovis
      videre properantis domum,
videre fessos vomerem inversum boves
      collo trahentis languido
positosque vernas, ditis examen domus,
      circum renidentis Laris.'
Haec ubi locutus faenerator Alfius,
      iam iam futurus rusticus,
omnem redegit idibus pecuniam,
      quaerit kalendis ponere.

vergelijk:

"Welzalig hij, die ver van 't zakenleven,
als 't voorgeslacht,
't gerfde land beploegt met eigen ossen,
geen rente kent,
geen angsten uitstaat voor de krijgstrompet
of storm op zee,
niet op de kronkelpaden van het recht
bedelt om gunst.
Hij paart aan hoogen populierestam
de wingerdrank
of ziet van ver zijn runderkudden grazen
diep in het dal,
hij kapt de wilde loten en hij ent
vruchtdragend hout,
hij bottelt honing in een inmaakpot
of scheert zijn schaap.
En als de herfst met zwaren vruchtentooi
het veld omkranst,
hoe blijde plukt hij dan veredeld fruit
of purpren druif
ten offer voor de goden van Natuur
en Grondbezit!
Het is een lust om in een bosch te liggen
of vette wei,
waar 't beekje kabbelt en het vogelkoor
zijn liedje kweelt,
door 't ruischen van het loover begeleid,
een wiegelied.
Maar als de winter storm en onweer brengt,
regen en sneeuw,
dan jaagt hij met zijn honden 't everzwijn
recht in de val
of spant aan stokjes netten uit voor lijsters,
gulzig maar dom,
en strikt een bangen haas, een wilde gans,
een malschen buit.
Wie is er, die daarbij zijn tobberijen
niet glad vergeet?
Als dan een eerzaam moeder medewerkt
van lieflijk kroost,
bijvoorbeeld een Sabijnsch' of zonverbrande
Abruzzenvrouw,
het haardvuur opstookt voor de avondrust
van vaderlief,
de welgedane geitjes in het hok
behoorlijk melkt,
den zoeten most klaarzet bij 't eten, dat
niks heeft gekost,
dan moog een ander liever oesters smullen
of kampersteur,
door Indiaanschen typhoon voortgezwiept
naar 't Westerstrand:
in mijn maag glijdt geen Libysch parelhoen,
geen goudfazant
zoo lekker als olijven, botervet
en uitgezocht,
of zuring en andijvie, heilzaam voor
hardlijvigheid,
een paaschlam of een bokje, weggerukt
uit wolvemuil.
Hoe prettig dan de schapen te zien draven
van wei naar huis,
de ossen met den omgekeerden ploeg
aan moeden nek,
elk op zijn plaats om 't blinkend huisaltaar
den slavenstoet!"
De beursman, zoo gezegd en zoo gedaan,
zal boeren gaan,
verzilvert fluks zijn kapitaal en koopt ...
een hypotheek.

(Uit: Horatius en zijn Brief over de Dichtkunst, met twintig andere gedichten vertaald door Dr. A. Rutgers van dr Loeff. Boucher - Den Haag. MCMXXXIX.)