Herodotus

Smerdis en Pseudosmerdis

(Uit : Barnsteen. Een bundel verhalen uit de klassieke oudheid,
vertaald (...) door M. A. Schwartz. MCMLIII. Amsterdam/Brussel, Elsevier.)

 

Toen Kambyses vier jaar na zijn troonsbestijging Egypte had veroverd, zond hij vandaar gezanten met geschenken naar de koning van de Aithiopen en eiste onderwerping. De koning gaf aan de Perzische gezanten een boog mee terug met de boodschap, dat hij Kambyses aanried de strijd slechts dan tegen hem te beginnen, als de Perzen die boog even gemakkelijk konden spannen als de Aithiopen. de boog was zo zwaar, dat het noch Kambyses, noch een van zijn onderdanen mogelijk was hem te spannen. Alleen Smerdis gelukte dit; hij spande de boog over een lengte van twee vingers. Kambyses was hierover zo woedend, dat hij Smerdis naar Perzië terugzond. Na diens vertrek droomde de koning, dat een bode hem uit Perzië het bericht bracht, dat Smerdis op de koningstroon gezeten met zijn hoofd de hemel aanraakte. Bevreesd, dat zijn broer hem van het leven en van zijn troon zou beroven, zond hij Prexaspes, zijn meest vertrouwde hoveling, naar Perzië met de opdracht Smerdis te doden. Prexaspes reisde naar Susa en doodde Smerdis; volgens sommigen op de jacht, volgens anderen door hem te verdrinken in de Rode Zee.
Kambyses had bij zijn vertrek naar Egypte de zorg over zijn paleis opgedragen aan een magiër, Patizeithes genaamd. Deze was een van de weinigen, die te weten kwam, dat Smerdis heimelijk gedood was; in Perzië geloofde men algemeen, dat hij nog in leven was. Nu wilde het toeval, dat Patizeithes een broer had, die ook Smerdis heette en bovendien sprekend op Kambyses´ broer leek. Dit bracht hem op het denkbeeld zich meester te maken van de macht. Hij overreedde zijn broer plaats te nemen op de troon, onder belofte alle moeilijkheden voor hem te effenen. Toen zond hij boden rond naar alle delen van het rijk en ook naar het leger in Egypte, om aan te kondigen, dat men voortaan niet meer moest gehoorzamen aan Kambyses, maar aan diens broer Smerdis, de zoon van Cyrus, de nieuwe koning.
De naar Egypte gezonden bode trof Kambyses met zijn leger reeds op de terugweg naar Perzië aan in Ekbatana, een stad in Syrië. Toen Kambyses de bode had aangehoord, geloofde hij, dat deze de waarheid sprak en dat Prexaspes hem had verraden en het bevel om Smerdis te doden niet had uitgevoerd. Hij zag hem onderzoekend aan en zeide: "Prexaspes, is dit de manier, waarop gij hebt volbracht, wat ik u opdroeg?" Hij antwoordde: "Heer, het is niet waar, dat uw broeder Smerdis tegen u is opgestaan of dat ge nog ooit enig onheil van hem te duchten hebt. Want persoonlijk heb ik uw bevel ten uitvoer gebracht en met mijn eigen handen heb ik hem begraven. De doden staan niet op uit hun graf. Ik raad u aan die bode te achterhalen en hem te vragen, wie hem opdroeg ons aan te kondigen om gehoorzaam te zijn aan koning Smerdis."
Kambyses volgde die raad op en toen de bode weer voor hem stond, zeide hij: "Vriend, ge beweert een boodschap te brengen van Smerdis, de zoon van Cyrus. Spreek de waarheid; dan kunt ge ongestraft heengaan. Zeg mij, of Smerdis zelf zich aan u heeft vertoond, toen hij dit opdroeg of een van zijn dienaren." Hij antwoordde: "Ik heb Smerdis, Cyrus´ zoon, niet gezien, sedert Kambyses tegen Egypte ten strijde trok. De magiër, die koning Kambyses aanstelde tot opzichter van zijn paleis, heeft mij deze opdracht gegeven en gezegd, dat Smerdis, de zoon van Cyrus, had bevolen deze tijding aan u te brengen." De man sprak de strikte waarheid en Kambyses zeide: "Prexaspes, u treft geen schuld; ge hebt als een eerlijk man gehandeld. Wie van de Perzen kan het zijn, die tegen mij is opgestaan en zich de naam Smerdis heeft toegeëigend?" Prexaspes antwoordde: "Ik geloof, koning, dat ik begrijp, wat geschied is. de magiërs zijn tegen u opgestaan, hij die gij achterliet als opzichter van uw paleis en zijn broeder Smerdis."
Bij het horen van die naam werd Kambyses getroffen door de overeenkomst van deze woorden met de droom, die hem had voorspeld, dat Smerdis zich zou neerzetten op de troon en met zijn hoofd de hemel zou aanraken. Beseffend, dat hij zonder reden zijn broer had gedood, beweende hij hem. Bedroefd en ontsteld bij de gedachte aan de noodlottige gebeurtenis sprong hij te paard, van plan in aller ijl op te rukken naar Susa en de magiër te verjagen. Maar bij die sprong viel het beslag van de schede van zijn zwaard en de ontblote snede drong hem in de dij. Zo werd hij gewond op dezelfde plek, waar hij vroeger de Apis, de god van de Egyptenaren, had gestoken. Kambyses kreeg een voorgevoel, dat de wond dodelijk was en vroeg naar de naam van de stad, waar hij zich bevond. Het antwoord was: "Ekbatana". Lang geleden had een orakelspreuk hem voorspeld, dat hij in Ekbatana zou sterven. Hij had nooit anders gedacht, dan zijn leven te zullen eindigen in het Medische Ekbatana, als een oud man, door zijn rijkdommen omringd. Maar blijkbaar had het orakel het Syrische Ekbatana op het oog. Toen hij de naam van de stad hoorde, kwam hij door de dubbele schok van het verraad van de magiër en van zijn wond tot bezinning. Hij begreep nu de bedoeling van het orakel en zeide: "Zo is het dan beschikt, dat Kambyses, de zoon van Cyrus, hier zijn einde vindt."
Meer zeide hij toen niet, maar twintig dagen later riep hij de aanzienlijksten van zijn leger bij zich en hij sprak hen aldus toe: "Perzen, ik moet u vertellen wat ik u tot nu toe zorgvuldig heb verzwegen. Toen ik in Egypte was, zag ik in mijn slaap een droom; ach, had ik die maar nooit gezien! Ik droomde dan, dat een bode kwam van mijn paleis en mij berichtte, dat Smerdis had plaatsgenomen op de troon en met zijn hoofd de hemel aanraakte. Bevreesd, dat ik van mijn heerschappij zou worden beroofd door mijn broer, heb ik meer overhaast dan wijs gehandeld. Het is nu eenmaal de mens niet gegeven het naderend noodlot af te wenden. Dwaas die ik was zond ik Prexaspes naar Susa om Smerdis te doden. Toen deze onheilsdaad was gepleegd, leefde ik zonder vrees en zonder een ogenblik te veronderstellen, dat, nu Smerdis dood was, een ander tegen mij zou opstaan. Blind voor wat zou volgen ben ik zonder noodzaak de moordenaar van mijn broer geworden en heb ik niettemin mijn kroon verloren. Want het was Smerdis de magiër, van wie de godheid mij in de droom voorspelde, dat hij mij van de troon zou stoten. De daad is gepleegd en Smerdis, de zoon van Cyrus - weet dat wel - is niet meer. De magiërs hebben de koninklijke macht, Patizeithes, die ik achterliet als opzichter van mijn paleis en diens broeder Smerdis. De enige, die bestemd was het onrecht, dat de magiërs mij aandoen, te wreken, is een ellendige dood gestorven door de hand van hem, die hem het naast stond. Nu blijft mij niet anders over, dan u, Perzen, op te dragen, wat na mijn dood dient te geschieden. Ik bezweer u in naam van de goden van het koningshuis, dat ge niet lijdelijk toeziet, dat de heerschappij opnieuw overgaat op de Meden, van wie mijn vader Cyrus haar heeft bevrijd, maar dat ge haar redt door list of door geweld. Doet dit en moge dan uw land vrucht dragen in overvloed, mogen uw vrouwen kinderen baren, mogen uw kudden zich vermeerderen, moogt gij eeuwig in vrijheid leven! Als ge niet alles in het werk stelt de heerschappij te heroveren, moge dan het omgekeerde u treffen, moge een ieder van de Perzen ten onder gaan door een lot als nu het mijne is." Bij deze laatste woorden weende Kambyses over heel zijn ellendig leven.
Toen de Perzen hun koning zagen wenen, scheurden allen hun kleren en jammerden zij luid. Niet lang daarna tastte een verterende ontsteking het dijbeen van de vorst aan en Kambyses, de zoon van Cyrus, stierf na een regering van zeven jaar en vijf maanden, zonder één zoon of dochter achter te laten. De Perzen, die zijn uiteinde hadden bijgewoond, geloofden niet wat hij hun had gezegd over de troonsbestijging van de magiër; zij dachten, dat hij zo had gesproken uit afgunst op zijn broer, opdat het gehele Perzische volk de wapens tegen hem zou opnemen. Zij bleven overtuigd, dat zij geregeerd werden door Smerdis, de zoon van Cyrus. Want ook Prexaspes ontkende ten stelligste Smerdis te hebben gedood; immers het was niet veilig voor hem om, nu Kambyses dood was, te erkennen, dat hij de tweede zoon van Cyrus eigenhandig had omgebracht.
Na Kambyses´ dood regeerde de magiër zeven maanden; hij voelde zich veilig, omdat hij zich uitgaf voor zijn naamgenoot Smerdis, de zoon van Cyrus. Gedurende zijn bewind bewees hij zijn onderdanen grote weldaden, zodat alle bewoners van Azië, uitgezonderd de Perzen zelf, later zijn dood hebben betreurd. Want, zodra hij de heerschappij had aanvaard, zond hij boden naar alle volken, waarover hij regeerde en kondigde hun vrijstelling aan van krijgsdienst en belasting voor een tijd van drie jaren. In de achtste maand werd hij ontmaskerd door de volgende gebeurtenis:
Er was een zekere Otanes, de zoon van Pharnaspes, een der voornaamsten der Perzen door zijn afkomst en rijkdom. Deze Otanes was de eerste, die begon te vermoeden, dat de koning niet Smerdis, de zoon van Cyrus, was, maar de magiër. Hij leidde dat af uit het feit, dat de koning nooit de citadel verliet en nooit een van de aanzienlijke Perzen bij zich riep. Toen zijn argwaan was gewekt, deed hij het volgende. Zijn dochter, Phaidymia geheten, was een der vrouwen van Kambyses geweest. Nu had de magiër ditzelfde meisje in zijn harem, evenals alle overige vrouwen van Kambyses. Naar die dochter zond Otanes een boodschap en hij informeerde, wiens bed zij deelde, dat van Smerdis, de zoon van Cyrus of van iemand anders. Zij liet antwoorden, dat zij dat niet kon zeggen; want dat zij Smerdis, de zoon van Cyrus, nooit gezien had en niet wist, wie haar echtgenoot was. Ten tweeden male zond Otanes een boodschap zeggend: "Als je zelf Smerdis, de zoon van Cyrus niet kent, vraag dan aan Atossa wie het is, met wie gij beiden leeft. Zij zal toch haar eigen broer wel kennen." Het antwoord luidde: "Ik kan spreken noch met Atossa, noch met een van de andere vrouwen. Want zodra de man, wie hij dan moge zijn, het koningschap overnam, verspreidde hij ons over verschillende kamers." Toen Otanes dat hoorde, werd de toestand hem meer en meer duidelijk. Hij zond een derde boodschap en liet haar zeggen: "Mijn dochter, je bent van edele geboorte en je mag niet terugdeinzen voor welk gevaar ook, dat je vader je beveelt te ondergaan. Als hij niet de zoon van Cyrus is, maar degeen, die ik vermoed, dan moet hij niet ongestraft je tot zijn vrouw nemen en de macht uitoefenen over de Perzen. Handel dus als volgt: Wanneer hij je bij zich ontvangt en je bemerkt, dat hij in diepe slaap ligt, betast hem dan en onderzoek, of hij oren heeft. Zo ja, weet dan, dat je het bed deelt van Smerdis, de zoon van Cyrus; zo niet, dan van Smerdis de magiër. " Cyrus had nl. tijdens zijn regering de oren van die magiër laten afsnijden wegens een niet geringe misdaad. Wel antwoordde het meisje hierop, dat dit haar in groot gevaar zou brengen. Want als hij bleek geen oren te hebben en zij er op betrapt werd hem te betasten, zou hij haar zeker doden. Maar als een ware dochter van Otanes beloofde zij haar vader te doen, wat hij verlangde. Toen haar beurt was gekomen om de magiër te bezoeken - de vrouwen van de harem komen om beurten bij de koning - en toen zij zijn bed deelde, betastte zij hem tijdens zijn slaap. Zonder moeite kwam zij tot de ontdekking, dat de man geen oren had. Zodra het dag was geworden, berichtte zij dit aan haar vader.
Nu stelde Otanes zich in verbinding met vijf andere Perzische edelen, die hij kon vertrouwen. Bovendien kwam in diezelfde dagen Darius, de zoon van Hystaspes, in Susa uit de landstreek, waarover zijn vader landvoogd was. De zes samenzweerders besloten ook Darius in het complot te betrekken. Zo zwoeren deze zeven mannen elkander trouw en beraadslaagden samen. Toen het de beurt was van Darius om zijn mening te zeggen, sprak hij als volgt: "Ik dacht, dat ik de enige was, die wist, dat de magiër koning is en dat Smerdis, de zoon van Cyrus, dood is. Daarom kwam ik in aller ijl hier om de magiër te vermoorden. Nu het blijkt, dat gij allen op de hoogte zijt en niet ik alleen, stel ik voor onmiddellijk te handelen en niet te wachten. Dat is beter van niet." Otanes antwoordde daarop: "Zoon van Hystaspes, gij zijt de zoon van een edel vader en gij betoont u even dapper als hij. Maar maak met deze aanslag geen onbesuisde haast; ga met bedachtzaamheid te werk; wij moeten niet toeslaan, voordat wij ons aantal hebben uitgebreid." "Mannen," antwoordde Darius, "als ge u laat leiden door dit woord van Otanes, weet dan wel, dat een ellendige dood u wacht. Want iemand zal uit persoonlijk winstbejag ons plan aan de magiër verraden. Eigenlijk hadt ge de daad zelfstandig moeten volbrengen. Maar nu ge er meer mannen in hebt betrokken en het mij hebt meegedeeld, moeten wij vandaag nog handelen. Indien de dag van heden verstrijkt, zonder dat er iets gebeurt, houdt u dan voor gezegd, dat geen ander mij vóór zal zijn en mij zal kunnen beschuldigen, maar dat ik zelf de eerste zal zijn om naar de magiër te gaan en u aan te brengen."
Toen Otanes de voortvarendheid van Darius zag, zeide hij: "Als ge ons dan tot handelen dwingt en alle uitstel belet, leg ons dan eens uit, hoe wij het paleis zullen binnenkomen en de magiër aanvallen. Gij weet toch, zo niet uit aanschouwing, dan van horen zeggen, dat overal wachtposten staan. Hoe moeten wij die passeren?" "Otanes," antwoordde Darius, "er zijn veel dingen, die men duidelijk kan maken niet door een woord, maar door een daad. Andere, die in woorden mooi klinken, maar niet leiden tot een roemrijke daad. Om die wachtposten te passeren, dat is stellig niet moeilijk. Ten eerste zal geen van hen mannen zoals wij zijn durven tegenhouden, hetzij uit eerbied, hetzij uit vrees; ten tweede heb ik zelf een prachtig voorwendsel om binnen te gaan, wanneer ik zeg, dat ik zo juist uit mijn provincie kom en dat ik een boodschap van mijn vader moet overbrengen aan de koning. Waar een leugen nodig is, moet hij worden gesproken. Allen streven wij naar hetzelfde, hetzij wij liegen, hetzij wij de waarheid spreken. Zij, die liegen, doen dit om door hun leugens een voordeel te behalen; zij, die de waarheid spreken, doen dat om door de waarheid hun eigenbelang te dienen en om op een vertrouwenspost te worden geplaatst. Hun gedrag is tegengesteld, hun oogmerk is hetzelfde. Als er geen belang op het spel stond, zou de man, die de waarheid spreekt evengoed een leugenaar kunnen zijn en zou de leugenaar evengoed de waarheid kunnen spreken. De poortwachter, die ons gewillig laat passeren, zal later worden beloond; wie ons in de weg treedt, moet zich dan maar een vijand betonen; wij zullen hem op zij dringen en recht op ons doel afgaan."
Hierop sprak Gobryas, een van de zeven: "Vrienden, wanneer zullen wij een schoner kans hebben het koningschap te herwinnen of, als het ons mislukt, heldhaftig te sterven? Wij, die geregeerd worden door een van de Meden, door een magiër zonder oren? Gij, die aan het ziekbed van Kambyses hebt gestaan, gij herinnert u, wat hij vóór zijn dood de Perzen toewenste, indien zij niet zouden trachten de heerschappij terug te krijgen. Toen hechtten wij daaraan geen geloof, maar wij meenden, dat Kambyses zo sprak uit afgunst op zijn broer. Nu stel ik voor, dat wij de raad van Darius opvolgen en rechtstreeks uit deze vergadering de magiër te lijf gaan." Allen stemden met het voorstel van Gobryas in.
Terwijl de zeven deze beraadslaging hielden, greep het volgende voorval plaats. De magiërs nl. hadden overlegd, dat het in hun belang was zich te verzekeren van de vriendschap van Prexaspes. Want deze - zo meenden zij - was de enige, die op de hoogte was van de dood van Cyrus´ zoon Smerdis, die hij eigenhandig had omgebracht; bovendien stond Prexaspes bij de Perzen in hoog aanzien. Zij riepen hem dus bij zich en probeerden zijn vriendschap te verwerven door hem een overvloed van geschenken toe te zeggen, indien hij onder ede beloofde het bedrog, dat zij tegenover de Perzen pleegden, te verzwijgen en aan geen mens ter wereld te verraden. Prexaspes stemde er in toe. Toen de magiërs hem zo ver hadden gekregen, deden zij een tweede voorstel, nl. dat zij alle Perzen zouden samenroepen aan de voet van de paleismuur. Prexaspes moest op een van de torens gaan staan en hen toespreken en verklaren, dat zij geregeerd werden door Smerdis, de zoon van Cyrus, en door niemand anders. Dit wilden ze, omdat Prexaspes groot vertrouwen bij de Perzen genoot en dikwijls had verkondigd, dat Smerdis, de zoon van Cyrus, nog in leven was en omdat hij steeds had ontkend hem te hebben vermoord. Ook hiertoe verklaarde Prexaspes zich bereid. De magiërs riepen de Perzen samen, lieten Prexaspes de toren beklimmen en verzochten hem zijn toespraak te houden. Hij verzweeg opzettelijk wat hem was opgedragen, maar te beginnen bij Achaimenes noemde hij de koninklijke stamboom van Cyrus op. Toen hij aan Cyrus was toegekomen, vermeldde hij alle weldaden, die deze vorst aan de Perzen had bewezen. Na deze inleiding onthulde hij de waarheid, zeggend, dat hij die tot nu toe verborgen had gehouden terwille van zijn eigen veiligheid, maar dat hij op dit ogenblik zich gedrongen voelde er voor uit te komen. Zo deelde hij dan mee, dat hij door Kambyses genoodzaakt Smerdis, de zoon van Cyrus, eigenhandig had gedood en dat de magiërs nu regeerden. Met vele vervloekingen tegen de Perzen, als zij het koningschap niet zouden herwinnen en de magiërs straffen, wierp hij zich hals over kop van de toren naar beneden. Zo eindigde Prexaspes, die altijd bij de Perzen in hoog aanzien stond, zijn leven.
De zeven samenzweerders, vast besloten de magiër terstond aan te vallen zonder verder uitstel, richtten eerst een gebed tot de goden en gingen op weg., volkomen onbekend met hetgeen Prexaspes was overkomen. Zij waren zowat halverwege, toen de tijding van het lot van Prexaspes hen bereikte. Zij gingen terzijde van de weg en overlegden, wat hun te doen stond. Otanes en zijn aanhang drongen er sterk op aan het plan uit te stellen en geen aanval te doen op een ogenblik van zo grote beroering. Maar Darius ried aan verder te gaan en onverwijld het plan te volvoeren. Terwijl zij daarover stonden te twisten, vertoonden zich aan hen zeven koppels haviken, die twee koppels gieren achtervolgden en hen met klauwen en snavels verscheurden. Toen zij dat zagen, sloten allen zich bij de mening van Darius aan en door het vogelteken bemoedigd gingen zij naar het paleis van de koning. Aan de poort werden zij ontvangen, zoals Darius had voorspeld. De wachters, die vol eerbied waren voor de voornaamsten onder de Perzen en niets kwaads vermoedden, lieten hen door, als werden zij door de goden geleid. Niemand vroeg hen iets. Op de binnenplaats ontmoetten zij een paar eunuchen, die tot taak hadden de boodschappen over te brengen aan de koning. Dezen vroegen hun, wat zij wensten en bedreigden de poortwachters, omdat ze hen hadden doorgelaten. Zij wilden de zeven tegenhouden; maar dezen moedigden elkaar aan, trokken hun dolken, doorstaken hen en renden naar de mannenzaal.
De magiërs waren toevallig beiden binnen, beraadslagend over hetgeen Prexaspes had gedaan. Toen zij het rumoer en geschreeuw van de eunuchen hoorden, sprongen zij op en toen zij begrepen, wat er gaande was, stelden zij zich te weer. De een greep vlug een boog van de wand, de ander nam een speer. Zo werden zij daar handgemeen. De magiër, die de boog had genomen, had daarvan geen nut; want de vijanden waren vlak bij en zaten hem op ´t lijf. De ander verdedigde zich met zijn speer en trof eerst een van de zeven in de dij en toen een ander in het oog; een wond, die hem niet doodde, maar hem het oog kostte. Terwijl de ene magiër zijn vijanden deze wonden toebracht, zocht de ander, toen zijn boog nutteloos bleek, een toevlucht in de aangrenzende slaapkamer. Voordat hij de deur kon sluiten stormden twee van de zeven, Darius en Gobryas, mee naar binnen. Gobryas begon een worsteling met de magiër en Darius, die er bij stond, wist in de duisternis geen raad en was bevreesd Gobryas te treffen. Toen deze hem werkeloos zag staan, vroeg hij, waarom hij niet toesloeg. Darius antwoordde: "Ik ben bang, dat ik u tref." "Stoot toe," riep Gobryas, "dan maar door ons beiden!" Darius deed, zoals hij vroeg en stak toe; door een gelukkig toeval trof zijn zwaard de magiër.
Zo hadden zij dan de magiërs gedood en de beide hoofden afsnijdend snelden zij heen, met achterlating van hun eigen gewonden, die tot niet veel meer in staat waren en beter het paleis konden bewaken. De vijf anderen renden naar buiten met de twee hoofden in de hand en onder luid geschreeuw en tumult riepen zij de overige Perzen te hulp; zij vertelden wat geschied was en toonden de hoofden. Bovendien sloegen zij iedere magiër, die hun in de weg kwam, neer. Toen de Perzen begrepen wat de zeven hadden gedaan en hoe de magiërs hen hadden bedrogen, sloten zij zich aan en hun dolken trekkend doodden zij elke magiër, die zij konden vinden. Als de nacht niet was ingevallen, zou er geen magiër zijn overgebleven. Nog altijd houden de Perzen die dag meer dan alle andere dagen in ere en vieren zij dan een gemeenschappelijk feest, de magophonia genaamd, d.w.z. magiërmoord. Op die dag mag geen enkele magiër zich in het openbaar vertonen, maar blijven zij allen thuis.
Na verloop van enige dagen rees de vraag, wie van de zeven koning zou worden. Toen zij na veel besprekingen en geharrewar geen keuze konden bepalen, besloten zij het lot te laten beslissen. Zij spraken af, dat zij de volgende dag bij zonsopgang in de voorstad te paard zouden stijgen en dat hij, wiens paard het eerst hinnikte, het koningschap zou verkrijgen. Nu had Darius een sluwe stalknecht, Oibares geheten. Na afloop van de besprekingen zei Darius tot die man: "Oibares, wij hebben besloten met het koningschap als volgt te handelen: wiens paard na zonsopgang het eerst hinnikt, als wij in het zadel zitten, die zal koning worden. Als je nu een list kunt bedenken, doe dat dan, opdat ik die eer verkrijg en geen ander." Oibares antwoordde: "Heer, als het daarvan voor u afhangt koning te worden of niet, wees dan gerust en heb goede moed; geen ander dan gij zal koning zijn. Ik weet een onfeilbaar middel." Darius zeide: "Als je zulk een list weet, is het de hoogste tijd die voor te bereiden en niet te wachten; want morgen is de dag van de beslissing." Toen Oibares dat hoorde, deed hij het volgende: Bij het vallen van de nacht nam hij een van de merries, de lieveling van het paard van Darius en bracht haar naar de voorstad en bond haar daar vast. Toen bracht hij het paard van Darius daarheen, leide het vele malen om de merrie rond, steeds dichter bij en liet haar tenslotte dekken.
Bij het aanbreken van de dag ontmoetten de zeven elkaar volgens afspraak te paard in de voorstad. Toen zij voortreden en bij de plek kwamen, waar in de afgelopen nacht de merrie vastgebonden had gestaan, draafde het paard van Darius daarheen en hinnikte. Op hetzelfde ogenblik flitste een bliksemstraal aan de heldere hemel en weerklonk een donderslag. Het was, alsof de hemel voor Darius partij trok en hem tot koning wijdde. De mannen sprongen van hun paard en vielen voor Darius ter aarde.

Herodotus III 30, 61 - 80, 85 - 87