|

Herodotus
Smerdis en Pseudosmerdis
(Uit : Barnsteen. Een bundel verhalen
uit de klassieke oudheid,
vertaald (...) door M. A. Schwartz. MCMLIII.
Amsterdam/Brussel, Elsevier.)
Toen Kambyses vier jaar na zijn
troonsbestijging Egypte had veroverd, zond hij vandaar
gezanten met geschenken naar de koning van de
Aithiopen en eiste onderwerping. De koning gaf aan de
Perzische gezanten een boog mee terug met de
boodschap, dat hij Kambyses aanried de strijd slechts
dan tegen hem te beginnen, als de Perzen die boog even
gemakkelijk konden spannen als de Aithiopen. de boog
was zo zwaar, dat het noch Kambyses, noch een van zijn
onderdanen mogelijk was hem te spannen. Alleen Smerdis
gelukte dit; hij spande de boog over een lengte van
twee vingers. Kambyses was hierover zo woedend, dat
hij Smerdis naar Perzië terugzond. Na diens
vertrek droomde de koning, dat een bode hem uit
Perzië het bericht bracht, dat Smerdis op de
koningstroon gezeten met zijn hoofd de hemel
aanraakte. Bevreesd, dat zijn broer hem van het leven
en van zijn troon zou beroven, zond hij Prexaspes,
zijn meest vertrouwde hoveling, naar Perzië met
de opdracht Smerdis te doden. Prexaspes reisde naar
Susa en doodde Smerdis; volgens sommigen op de jacht,
volgens anderen door hem te verdrinken in de Rode Zee.
Kambyses had bij zijn vertrek naar Egypte de zorg over
zijn paleis opgedragen aan een magiër,
Patizeithes genaamd. Deze was een van de weinigen, die
te weten kwam, dat Smerdis heimelijk gedood was; in
Perzië geloofde men algemeen, dat hij nog in
leven was. Nu wilde het toeval, dat Patizeithes een
broer had, die ook Smerdis heette en bovendien
sprekend op Kambyses´ broer leek. Dit bracht hem
op het denkbeeld zich meester te maken van de macht.
Hij overreedde zijn broer plaats te nemen op de troon,
onder belofte alle moeilijkheden voor hem te effenen.
Toen zond hij boden rond naar alle delen van het rijk
en ook naar het leger in Egypte, om aan te kondigen,
dat men voortaan niet meer moest gehoorzamen aan
Kambyses, maar aan diens broer Smerdis, de zoon van
Cyrus, de nieuwe koning.
De naar Egypte gezonden bode trof Kambyses met zijn
leger reeds op de terugweg naar Perzië aan in
Ekbatana, een stad in Syrië. Toen Kambyses de
bode had aangehoord, geloofde hij, dat deze de
waarheid sprak en dat Prexaspes hem had verraden en
het bevel om Smerdis te doden niet had uitgevoerd. Hij
zag hem onderzoekend aan en zeide: "Prexaspes, is dit
de manier, waarop gij hebt volbracht, wat ik u
opdroeg?" Hij antwoordde: "Heer, het is niet waar, dat
uw broeder Smerdis tegen u is opgestaan of dat ge nog
ooit enig onheil van hem te duchten hebt. Want
persoonlijk heb ik uw bevel ten uitvoer gebracht en
met mijn eigen handen heb ik hem begraven. De doden
staan niet op uit hun graf. Ik raad u aan die bode te
achterhalen en hem te vragen, wie hem opdroeg ons aan
te kondigen om gehoorzaam te zijn aan koning Smerdis."
Kambyses volgde die raad op en toen de bode weer voor
hem stond, zeide hij: "Vriend, ge beweert een
boodschap te brengen van Smerdis, de zoon van Cyrus.
Spreek de waarheid; dan kunt ge ongestraft heengaan.
Zeg mij, of Smerdis zelf zich aan u heeft vertoond,
toen hij dit opdroeg of een van zijn dienaren." Hij
antwoordde: "Ik heb Smerdis, Cyrus´ zoon, niet
gezien, sedert Kambyses tegen Egypte ten strijde trok.
De magiër, die koning Kambyses aanstelde tot
opzichter van zijn paleis, heeft mij deze opdracht
gegeven en gezegd, dat Smerdis, de zoon van Cyrus, had
bevolen deze tijding aan u te brengen." De man sprak
de strikte waarheid en Kambyses zeide: "Prexaspes, u
treft geen schuld; ge hebt als een eerlijk man
gehandeld. Wie van de Perzen kan het zijn, die tegen
mij is opgestaan en zich de naam Smerdis heeft
toegeëigend?" Prexaspes antwoordde: "Ik geloof,
koning, dat ik begrijp, wat geschied is. de
magiërs zijn tegen u opgestaan, hij die gij
achterliet als opzichter van uw paleis en zijn broeder
Smerdis."
Bij het horen van die naam werd Kambyses getroffen
door de overeenkomst van deze woorden met de droom,
die hem had voorspeld, dat Smerdis zich zou neerzetten
op de troon en met zijn hoofd de hemel zou aanraken.
Beseffend, dat hij zonder reden zijn broer had gedood,
beweende hij hem. Bedroefd en ontsteld bij de gedachte
aan de noodlottige gebeurtenis sprong hij te paard,
van plan in aller ijl op te rukken naar Susa en de
magiër te verjagen. Maar bij die sprong viel het
beslag van de schede van zijn zwaard en de ontblote
snede drong hem in de dij. Zo werd hij gewond op
dezelfde plek, waar hij vroeger de Apis, de god van de
Egyptenaren, had gestoken. Kambyses kreeg een
voorgevoel, dat de wond dodelijk was en vroeg naar de
naam van de stad, waar hij zich bevond. Het antwoord
was: "Ekbatana". Lang geleden had een orakelspreuk hem
voorspeld, dat hij in Ekbatana zou sterven. Hij had
nooit anders gedacht, dan zijn leven te zullen
eindigen in het Medische Ekbatana, als een oud man,
door zijn rijkdommen omringd. Maar blijkbaar had het
orakel het Syrische Ekbatana op het oog. Toen hij de
naam van de stad hoorde, kwam hij door de dubbele
schok van het verraad van de magiër en van zijn
wond tot bezinning. Hij begreep nu de bedoeling van
het orakel en zeide: "Zo is het dan beschikt, dat
Kambyses, de zoon van Cyrus, hier zijn einde vindt."
Meer zeide hij toen niet, maar twintig dagen later
riep hij de aanzienlijksten van zijn leger bij zich en
hij sprak hen aldus toe: "Perzen, ik moet u vertellen
wat ik u tot nu toe zorgvuldig heb verzwegen. Toen ik
in Egypte was, zag ik in mijn slaap een droom; ach,
had ik die maar nooit gezien! Ik droomde dan, dat een
bode kwam van mijn paleis en mij berichtte, dat
Smerdis had plaatsgenomen op de troon en met zijn
hoofd de hemel aanraakte. Bevreesd, dat ik van mijn
heerschappij zou worden beroofd door mijn broer, heb
ik meer overhaast dan wijs gehandeld. Het is nu
eenmaal de mens niet gegeven het naderend noodlot af
te wenden. Dwaas die ik was zond ik Prexaspes naar
Susa om Smerdis te doden. Toen deze onheilsdaad was
gepleegd, leefde ik zonder vrees en zonder een
ogenblik te veronderstellen, dat, nu Smerdis dood was,
een ander tegen mij zou opstaan. Blind voor wat zou
volgen ben ik zonder noodzaak de moordenaar van mijn
broer geworden en heb ik niettemin mijn kroon
verloren. Want het was Smerdis de magiër, van wie
de godheid mij in de droom voorspelde, dat hij mij van
de troon zou stoten. De daad is gepleegd en Smerdis,
de zoon van Cyrus - weet dat wel - is niet meer. De
magiërs hebben de koninklijke macht, Patizeithes,
die ik achterliet als opzichter van mijn paleis en
diens broeder Smerdis. De enige, die bestemd was het
onrecht, dat de magiërs mij aandoen, te wreken,
is een ellendige dood gestorven door de hand van hem,
die hem het naast stond. Nu blijft mij niet anders
over, dan u, Perzen, op te dragen, wat na mijn dood
dient te geschieden. Ik bezweer u in naam van de goden
van het koningshuis, dat ge niet lijdelijk toeziet,
dat de heerschappij opnieuw overgaat op de Meden, van
wie mijn vader Cyrus haar heeft bevrijd, maar dat ge
haar redt door list of door geweld. Doet dit en moge
dan uw land vrucht dragen in overvloed, mogen uw
vrouwen kinderen baren, mogen uw kudden zich
vermeerderen, moogt gij eeuwig in vrijheid leven! Als
ge niet alles in het werk stelt de heerschappij te
heroveren, moge dan het omgekeerde u treffen, moge een
ieder van de Perzen ten onder gaan door een lot als nu
het mijne is." Bij deze laatste woorden weende
Kambyses over heel zijn ellendig leven.
Toen de Perzen hun koning zagen wenen, scheurden allen
hun kleren en jammerden zij luid. Niet lang daarna
tastte een verterende ontsteking het dijbeen van de
vorst aan en Kambyses, de zoon van Cyrus, stierf na
een regering van zeven jaar en vijf maanden, zonder
één zoon of dochter achter te laten. De
Perzen, die zijn uiteinde hadden bijgewoond, geloofden
niet wat hij hun had gezegd over de troonsbestijging
van de magiër; zij dachten, dat hij zo had
gesproken uit afgunst op zijn broer, opdat het gehele
Perzische volk de wapens tegen hem zou opnemen. Zij
bleven overtuigd, dat zij geregeerd werden door
Smerdis, de zoon van Cyrus. Want ook Prexaspes
ontkende ten stelligste Smerdis te hebben gedood;
immers het was niet veilig voor hem om, nu Kambyses
dood was, te erkennen, dat hij de tweede zoon van
Cyrus eigenhandig had omgebracht.
Na Kambyses´ dood regeerde de magiër zeven
maanden; hij voelde zich veilig, omdat hij zich uitgaf
voor zijn naamgenoot Smerdis, de zoon van Cyrus.
Gedurende zijn bewind bewees hij zijn onderdanen grote
weldaden, zodat alle bewoners van Azië,
uitgezonderd de Perzen zelf, later zijn dood hebben
betreurd. Want, zodra hij de heerschappij had
aanvaard, zond hij boden naar alle volken, waarover
hij regeerde en kondigde hun vrijstelling aan van
krijgsdienst en belasting voor een tijd van drie
jaren. In de achtste maand werd hij ontmaskerd door de
volgende gebeurtenis:
Er was een zekere Otanes, de zoon van Pharnaspes, een
der voornaamsten der Perzen door zijn afkomst en
rijkdom. Deze Otanes was de eerste, die begon te
vermoeden, dat de koning niet Smerdis, de zoon van
Cyrus, was, maar de magiër. Hij leidde dat af uit
het feit, dat de koning nooit de citadel verliet en
nooit een van de aanzienlijke Perzen bij zich riep.
Toen zijn argwaan was gewekt, deed hij het volgende.
Zijn dochter, Phaidymia geheten, was een der vrouwen
van Kambyses geweest. Nu had de magiër ditzelfde
meisje in zijn harem, evenals alle overige vrouwen van
Kambyses. Naar die dochter zond Otanes een boodschap
en hij informeerde, wiens bed zij deelde, dat van
Smerdis, de zoon van Cyrus of van iemand anders. Zij
liet antwoorden, dat zij dat niet kon zeggen; want dat
zij Smerdis, de zoon van Cyrus, nooit gezien had en
niet wist, wie haar echtgenoot was. Ten tweeden male
zond Otanes een boodschap zeggend: "Als je zelf
Smerdis, de zoon van Cyrus niet kent, vraag dan aan
Atossa wie het is, met wie gij beiden leeft. Zij zal
toch haar eigen broer wel kennen." Het antwoord
luidde: "Ik kan spreken noch met Atossa, noch met een
van de andere vrouwen. Want zodra de man, wie hij dan
moge zijn, het koningschap overnam, verspreidde hij
ons over verschillende kamers." Toen Otanes dat
hoorde, werd de toestand hem meer en meer duidelijk.
Hij zond een derde boodschap en liet haar zeggen:
"Mijn dochter, je bent van edele geboorte en je mag
niet terugdeinzen voor welk gevaar ook, dat je vader
je beveelt te ondergaan. Als hij niet de zoon van
Cyrus is, maar degeen, die ik vermoed, dan moet hij
niet ongestraft je tot zijn vrouw nemen en de macht
uitoefenen over de Perzen. Handel dus als volgt:
Wanneer hij je bij zich ontvangt en je bemerkt, dat
hij in diepe slaap ligt, betast hem dan en onderzoek,
of hij oren heeft. Zo ja, weet dan, dat je het bed
deelt van Smerdis, de zoon van Cyrus; zo niet, dan van
Smerdis de magiër. " Cyrus had nl. tijdens zijn
regering de oren van die magiër laten afsnijden
wegens een niet geringe misdaad. Wel antwoordde het
meisje hierop, dat dit haar in groot gevaar zou
brengen. Want als hij bleek geen oren te hebben en zij
er op betrapt werd hem te betasten, zou hij haar zeker
doden. Maar als een ware dochter van Otanes beloofde
zij haar vader te doen, wat hij verlangde. Toen haar
beurt was gekomen om de magiër te bezoeken - de
vrouwen van de harem komen om beurten bij de koning -
en toen zij zijn bed deelde, betastte zij hem tijdens
zijn slaap. Zonder moeite kwam zij tot de ontdekking,
dat de man geen oren had. Zodra het dag was geworden,
berichtte zij dit aan haar vader.
Nu stelde Otanes zich in verbinding met vijf andere
Perzische edelen, die hij kon vertrouwen. Bovendien
kwam in diezelfde dagen Darius, de zoon van Hystaspes,
in Susa uit de landstreek, waarover zijn vader
landvoogd was. De zes samenzweerders besloten ook
Darius in het complot te betrekken. Zo zwoeren deze
zeven mannen elkander trouw en beraadslaagden samen.
Toen het de beurt was van Darius om zijn mening te
zeggen, sprak hij als volgt: "Ik dacht, dat ik de
enige was, die wist, dat de magiër koning is en
dat Smerdis, de zoon van Cyrus, dood is. Daarom kwam
ik in aller ijl hier om de magiër te vermoorden.
Nu het blijkt, dat gij allen op de hoogte zijt en niet
ik alleen, stel ik voor onmiddellijk te handelen en
niet te wachten. Dat is beter van niet." Otanes
antwoordde daarop: "Zoon van Hystaspes, gij zijt de
zoon van een edel vader en gij betoont u even dapper
als hij. Maar maak met deze aanslag geen onbesuisde
haast; ga met bedachtzaamheid te werk; wij moeten niet
toeslaan, voordat wij ons aantal hebben uitgebreid."
"Mannen," antwoordde Darius, "als ge u laat leiden
door dit woord van Otanes, weet dan wel, dat een
ellendige dood u wacht. Want iemand zal uit
persoonlijk winstbejag ons plan aan de magiër
verraden. Eigenlijk hadt ge de daad zelfstandig moeten
volbrengen. Maar nu ge er meer mannen in hebt
betrokken en het mij hebt meegedeeld, moeten wij
vandaag nog handelen. Indien de dag van heden
verstrijkt, zonder dat er iets gebeurt, houdt u dan
voor gezegd, dat geen ander mij vóór zal
zijn en mij zal kunnen beschuldigen, maar dat ik zelf
de eerste zal zijn om naar de magiër te gaan en u
aan te brengen."
Toen Otanes de voortvarendheid van Darius zag, zeide
hij: "Als ge ons dan tot handelen dwingt en alle
uitstel belet, leg ons dan eens uit, hoe wij het
paleis zullen binnenkomen en de magiër aanvallen.
Gij weet toch, zo niet uit aanschouwing, dan van horen
zeggen, dat overal wachtposten staan. Hoe moeten wij
die passeren?" "Otanes," antwoordde Darius, "er zijn
veel dingen, die men duidelijk kan maken niet door een
woord, maar door een daad. Andere, die in woorden mooi
klinken, maar niet leiden tot een roemrijke daad. Om
die wachtposten te passeren, dat is stellig niet
moeilijk. Ten eerste zal geen van hen mannen zoals wij
zijn durven tegenhouden, hetzij uit eerbied, hetzij
uit vrees; ten tweede heb ik zelf een prachtig
voorwendsel om binnen te gaan, wanneer ik zeg, dat ik
zo juist uit mijn provincie kom en dat ik een
boodschap van mijn vader moet overbrengen aan de
koning. Waar een leugen nodig is, moet hij worden
gesproken. Allen streven wij naar hetzelfde, hetzij
wij liegen, hetzij wij de waarheid spreken. Zij, die
liegen, doen dit om door hun leugens een voordeel te
behalen; zij, die de waarheid spreken, doen dat om
door de waarheid hun eigenbelang te dienen en om op
een vertrouwenspost te worden geplaatst. Hun gedrag is
tegengesteld, hun oogmerk is hetzelfde. Als er geen
belang op het spel stond, zou de man, die de waarheid
spreekt evengoed een leugenaar kunnen zijn en zou de
leugenaar evengoed de waarheid kunnen spreken. De
poortwachter, die ons gewillig laat passeren, zal
later worden beloond; wie ons in de weg treedt, moet
zich dan maar een vijand betonen; wij zullen hem op
zij dringen en recht op ons doel afgaan."
Hierop sprak Gobryas, een van de zeven: "Vrienden,
wanneer zullen wij een schoner kans hebben het
koningschap te herwinnen of, als het ons mislukt,
heldhaftig te sterven? Wij, die geregeerd worden door
een van de Meden, door een magiër zonder oren?
Gij, die aan het ziekbed van Kambyses hebt gestaan,
gij herinnert u, wat hij vóór zijn dood
de Perzen toewenste, indien zij niet zouden trachten
de heerschappij terug te krijgen. Toen hechtten wij
daaraan geen geloof, maar wij meenden, dat Kambyses zo
sprak uit afgunst op zijn broer. Nu stel ik voor, dat
wij de raad van Darius opvolgen en rechtstreeks uit
deze vergadering de magiër te lijf gaan." Allen
stemden met het voorstel van Gobryas in.
Terwijl de zeven deze beraadslaging hielden, greep het
volgende voorval plaats. De magiërs nl. hadden
overlegd, dat het in hun belang was zich te verzekeren
van de vriendschap van Prexaspes. Want deze - zo
meenden zij - was de enige, die op de hoogte was van
de dood van Cyrus´ zoon Smerdis, die hij
eigenhandig had omgebracht; bovendien stond Prexaspes
bij de Perzen in hoog aanzien. Zij riepen hem dus bij
zich en probeerden zijn vriendschap te verwerven door
hem een overvloed van geschenken toe te zeggen, indien
hij onder ede beloofde het bedrog, dat zij tegenover
de Perzen pleegden, te verzwijgen en aan geen mens ter
wereld te verraden. Prexaspes stemde er in toe. Toen
de magiërs hem zo ver hadden gekregen, deden zij
een tweede voorstel, nl. dat zij alle Perzen zouden
samenroepen aan de voet van de paleismuur. Prexaspes
moest op een van de torens gaan staan en hen
toespreken en verklaren, dat zij geregeerd werden door
Smerdis, de zoon van Cyrus, en door niemand anders.
Dit wilden ze, omdat Prexaspes groot vertrouwen bij de
Perzen genoot en dikwijls had verkondigd, dat Smerdis,
de zoon van Cyrus, nog in leven was en omdat hij
steeds had ontkend hem te hebben vermoord. Ook hiertoe
verklaarde Prexaspes zich bereid. De magiërs
riepen de Perzen samen, lieten Prexaspes de toren
beklimmen en verzochten hem zijn toespraak te houden.
Hij verzweeg opzettelijk wat hem was opgedragen, maar
te beginnen bij Achaimenes noemde hij de koninklijke
stamboom van Cyrus op. Toen hij aan Cyrus was
toegekomen, vermeldde hij alle weldaden, die deze
vorst aan de Perzen had bewezen. Na deze inleiding
onthulde hij de waarheid, zeggend, dat hij die tot nu
toe verborgen had gehouden terwille van zijn eigen
veiligheid, maar dat hij op dit ogenblik zich
gedrongen voelde er voor uit te komen. Zo deelde hij
dan mee, dat hij door Kambyses genoodzaakt Smerdis, de
zoon van Cyrus, eigenhandig had gedood en dat de
magiërs nu regeerden. Met vele vervloekingen
tegen de Perzen, als zij het koningschap niet zouden
herwinnen en de magiërs straffen, wierp hij zich
hals over kop van de toren naar beneden. Zo eindigde
Prexaspes, die altijd bij de Perzen in hoog aanzien
stond, zijn leven.
De zeven samenzweerders, vast besloten de magiër
terstond aan te vallen zonder verder uitstel, richtten
eerst een gebed tot de goden en gingen op weg.,
volkomen onbekend met hetgeen Prexaspes was overkomen.
Zij waren zowat halverwege, toen de tijding van het
lot van Prexaspes hen bereikte. Zij gingen terzijde
van de weg en overlegden, wat hun te doen stond.
Otanes en zijn aanhang drongen er sterk op aan het
plan uit te stellen en geen aanval te doen op een
ogenblik van zo grote beroering. Maar Darius ried aan
verder te gaan en onverwijld het plan te volvoeren.
Terwijl zij daarover stonden te twisten, vertoonden
zich aan hen zeven koppels haviken, die twee koppels
gieren achtervolgden en hen met klauwen en snavels
verscheurden. Toen zij dat zagen, sloten allen zich
bij de mening van Darius aan en door het vogelteken
bemoedigd gingen zij naar het paleis van de koning.
Aan de poort werden zij ontvangen, zoals Darius had
voorspeld. De wachters, die vol eerbied waren voor de
voornaamsten onder de Perzen en niets kwaads
vermoedden, lieten hen door, als werden zij door de
goden geleid. Niemand vroeg hen iets. Op de
binnenplaats ontmoetten zij een paar eunuchen, die tot
taak hadden de boodschappen over te brengen aan de
koning. Dezen vroegen hun, wat zij wensten en
bedreigden de poortwachters, omdat ze hen hadden
doorgelaten. Zij wilden de zeven tegenhouden; maar
dezen moedigden elkaar aan, trokken hun dolken,
doorstaken hen en renden naar de mannenzaal.
De magiërs waren toevallig beiden binnen,
beraadslagend over hetgeen Prexaspes had gedaan. Toen
zij het rumoer en geschreeuw van de eunuchen hoorden,
sprongen zij op en toen zij begrepen, wat er gaande
was, stelden zij zich te weer. De een greep vlug een
boog van de wand, de ander nam een speer. Zo werden
zij daar handgemeen. De magiër, die de boog had
genomen, had daarvan geen nut; want de vijanden waren
vlak bij en zaten hem op ´t lijf. De ander
verdedigde zich met zijn speer en trof eerst een van
de zeven in de dij en toen een ander in het oog; een
wond, die hem niet doodde, maar hem het oog kostte.
Terwijl de ene magiër zijn vijanden deze wonden
toebracht, zocht de ander, toen zijn boog nutteloos
bleek, een toevlucht in de aangrenzende slaapkamer.
Voordat hij de deur kon sluiten stormden twee van de
zeven, Darius en Gobryas, mee naar binnen. Gobryas
begon een worsteling met de magiër en Darius, die
er bij stond, wist in de duisternis geen raad en was
bevreesd Gobryas te treffen. Toen deze hem werkeloos
zag staan, vroeg hij, waarom hij niet toesloeg. Darius
antwoordde: "Ik ben bang, dat ik u tref." "Stoot toe,"
riep Gobryas, "dan maar door ons beiden!" Darius deed,
zoals hij vroeg en stak toe; door een gelukkig toeval
trof zijn zwaard de magiër.
Zo hadden zij dan de magiërs gedood en de beide
hoofden afsnijdend snelden zij heen, met achterlating
van hun eigen gewonden, die tot niet veel meer in
staat waren en beter het paleis konden bewaken. De
vijf anderen renden naar buiten met de twee hoofden in
de hand en onder luid geschreeuw en tumult riepen zij
de overige Perzen te hulp; zij vertelden wat geschied
was en toonden de hoofden. Bovendien sloegen zij
iedere magiër, die hun in de weg kwam, neer. Toen
de Perzen begrepen wat de zeven hadden gedaan en hoe
de magiërs hen hadden bedrogen, sloten zij zich
aan en hun dolken trekkend doodden zij elke
magiër, die zij konden vinden. Als de nacht niet
was ingevallen, zou er geen magiër zijn
overgebleven. Nog altijd houden de Perzen die dag meer
dan alle andere dagen in ere en vieren zij dan een
gemeenschappelijk feest, de magophonia genaamd, d.w.z.
magiërmoord. Op die dag mag geen enkele
magiër zich in het openbaar vertonen, maar
blijven zij allen thuis.
Na verloop van enige dagen rees de vraag, wie van de
zeven koning zou worden. Toen zij na veel besprekingen
en geharrewar geen keuze konden bepalen, besloten zij
het lot te laten beslissen. Zij spraken af, dat zij de
volgende dag bij zonsopgang in de voorstad te paard
zouden stijgen en dat hij, wiens paard het eerst
hinnikte, het koningschap zou verkrijgen. Nu had
Darius een sluwe stalknecht, Oibares geheten. Na
afloop van de besprekingen zei Darius tot die man:
"Oibares, wij hebben besloten met het koningschap als
volgt te handelen: wiens paard na zonsopgang het eerst
hinnikt, als wij in het zadel zitten, die zal koning
worden. Als je nu een list kunt bedenken, doe dat dan,
opdat ik die eer verkrijg en geen ander." Oibares
antwoordde: "Heer, als het daarvan voor u afhangt
koning te worden of niet, wees dan gerust en heb goede
moed; geen ander dan gij zal koning zijn. Ik weet een
onfeilbaar middel." Darius zeide: "Als je zulk een
list weet, is het de hoogste tijd die voor te bereiden
en niet te wachten; want morgen is de dag van de
beslissing." Toen Oibares dat hoorde, deed hij het
volgende: Bij het vallen van de nacht nam hij een van
de merries, de lieveling van het paard van Darius en
bracht haar naar de voorstad en bond haar daar vast.
Toen bracht hij het paard van Darius daarheen, leide
het vele malen om de merrie rond, steeds dichter bij
en liet haar tenslotte dekken.
Bij het aanbreken van de dag ontmoetten de zeven
elkaar volgens afspraak te paard in de voorstad. Toen
zij voortreden en bij de plek kwamen, waar in de
afgelopen nacht de merrie vastgebonden had gestaan,
draafde het paard van Darius daarheen en hinnikte. Op
hetzelfde ogenblik flitste een bliksemstraal aan de
heldere hemel en weerklonk een donderslag. Het was,
alsof de hemel voor Darius partij trok en hem tot
koning wijdde. De mannen sprongen van hun paard en
vielen voor Darius ter aarde.
Herodotus III 30, 61 - 80, 85 - 87
|