|

Herodotus
Kroisos op de brandstapel
(Uit : Barnsteen. Een bundel verhalen
uit de klassieke oudheid,
vertaald (...) door M. A. Schwartz. MCMLIII.
Amsterdam/Brussel, Elsevier.)
Kroisos had een zoon, overigens gezond
van lijf en leden, maar doofstom. In vroeger tijden,
toen Kroisos nog rijk en machtig was, had hij hemel en
aarde bewogen om hem te genezen en zo had hij ook het
Delphisch orakel over hem geraadpleegd. De Pythia had
geantwoord:
"Lydiër, machtige koning, dwaasheid verblindt u,
o Kroisos!
Verlang niet de stem van uw zoon, de vurig begeerde,
te horen
In uw paleis. Het was voor u beter die nooit te
vernemen.
De eerste dag, dat hij spreken zal, is een dag van
ellende."
Toen nu de stad Sardes in handen viel
van de Perzen, stormde een van hen, die niet wist wie
hij voor zich had, op Kroisos toe en wilde hem doden.
De koning was door al zijn leed zo verslagen en
onverschillig geworden voor de dood, dat hij geen
poging deed zich te verweren. Maar toen zijn zoon, de
doofstomme, de Perzische soldaat zag toesnellen, brak
plotseling door angst en nood zijn stem zich baan en
de jongen riep: "Man, dood Kroisos niet!" Dit was de
eerste maal, dat hij een geluid voortbracht; vanaf dat
ogenblik behield hij zijn stem voor de rest van zijn
leven.
Zo viel dan Sardes in handen van de Perzen en werd
Kroisos niet gedood, maar gevangen genomen. Veertien
jaar had hij geregeerd, na een belg van veertien dagen
was zijn stad genomen en had hij, zoals het orakel had
voorspeld, een groot rijk te gronde gericht, zijn
eigen rijk. De Perzen leidden hem voor Cyrus. Deze
liet een grote brandstapel oprichten, hij liet Kroisos
met geboeide voeten daarop brengen en met hem zeven
Lydische knapen en zeven Lydische meisjes; misschien
met de bedoeling hen als eerstelingen van de buit aan
een der goden te offeren of om een gelofte te
vervullen, misschien ook had hij vernomen, dat Kroisos
een godsdienstig man was en bracht hij hem nu op de
brandstapel om te weten, of een van de goden hem zou
redden en beletten, dat hij levend verbrand werd.
Toen Kroisos op de brandstapel stond, kwam te midden
van zijn groot leed de gedachte bij hem op, dat Solon
door goddelijke ingeving dat woord had gesproken:
"niemand der mensen is gelukkig vóór
zijn dood". Toen hij dat bedacht, zuchtte hij diep en
de stilte verbrekend riep hij uit: Solon, Solon Solon!
Toen Cyrus dat hoorde, beval hij zijn tolken Kroisos
te vragen, wie hij aanriep. Zij gingen naar hem toe en
vroegen het. Lange tijd bewaarde Kroisos op die vraag
het stilzwijgen, maar toen ze bleven aandringen, sprak
hij: "Een man, wiens woorden ik voor elke heerser meer
waard acht dan sommen geld." Zij begrepen dit antwoord
niet en vroegen opnieuw naar de bedoeling er van. Zij
hielden net zo lang aan en maakten het hem zo lastig,
dat hij hun eindelijk vertelde, dat Solon de Athener
vroeger eens bij hem was gekomen en dat hij na al zijn
schatten te hebben bezichtigd die had geminacht; dat
al zijn woorden waren uitgekomen, woorden die niet
alleen golden voor hem, maar voor alle mensen en het
allermeest voor hen, die zich zelf voor gelukkig
hielden. Terwijl Kroisos zo sprak, begon de
brandstapel reeds vlam te vatten aan de uiterste rand.
Maar Cyrus, die van de tolken vernam, wat Kroisos
gezegd had, veranderde van gedachten, beseffend dat
hij, die zelf ook maar een mens was, een ander mens,
die hem in geluk had geëvenaard, levend prijsgaf
aan het vuur. De wraak der goden vrezend en vervuld
van het denkbeeld, dat niets menselijks veilig was,
gaf hij bevel de vlammen terstond te blussen en
Kroisos en hen, die met hem waren, van de brandstapel
te halen. Maar zij konden het vuur al niet meer
meester worden. Volgens de overlevering der
Lydiërs riep Kroisos, toen hij zag dat allen
vergeefs het vuur poogden te blussen en hij begreep,
dat Cyrus van gedachten veranderd was, met luider stem
Apollo aan om hem bij te staan en uit het gevaar te
redden, zowaar hij ooit geschenken en offers van hem
had ontvangen. Onder tranen smeekte hij de god om
hulp. Plotseling pakten zich aan de heldere, door geen
wind bewogen hemel wolken samen, een storm barstte
los, een stortbui kletterde neer en de brandstapel
doofde uit.
Zo begreep Cyrus, dat Kroisos een edel mens was en
geliefd aan de goden. Toen hij van de brandstapel was
afgekomen, vroeg Cyrus hem: "Kroisos, wie der mensen
heeft u overreed tegen mijn land op te rukken en mijn
vijand te worden in plaats van mijn vriend?"
"Sire," zo was het antwoord, "ik heb gehandeld tot uw
geluk en tot mijn eigen ongeluk. Schuld hieraan was de
god der Grieken, die mij tot deze veldtocht heeft
aangespoord. Want niemand is zo dwaas, dat hij oorlog
verkiest boven vrede. In vredestijd begraven de zoons
hun vaders, in de oorlog begraven de vaders hun zoons.
De wil der goden heeft dit zo bestierd."
Cyrus bevrijdde hem van zijn boeien en liet hem aan
zijn zijde plaats nemen en behandelde hem voortaan met
grote eerbied. Tot op hoge leeftijd bleef Kroisos de
raadsman van het Perzische hof.
Herodotus I 85 - 88
|