|

Herodotus
Kroisos en
Solon
(Uit : Barnsteen. Een bundel verhalen
uit de klassieke oudheid, vertaald (...) door M. A.
Schwartz. MCMLIII. Amsterdam/Brussel, Elsevier.)
Na de dood van
koning Alyattes nam zijn zoon Kroisos op 35-jarige
leeftijd de heerschappij van Lydië over. Hij
onderwierp in de loop van de jaren alle volkeren in
Klein-Azië tot aan de rivier de Halys en maakte
Sardes tot de rijkste stad van de wereld. De wijsgeren
uit Griekenland kwamen de een na de ander tot hem en
zo ook Solon, de vermaarde wetgever van Athene. Nadat
hij wetten had gemaakt voor de Atheners, was hij voor
tien jaar op reis gegaan om - naar hij zeide - iets
van de wereld te zien, maar inderdaad om niet
gedwongen te worden iets aan zijn wetten te
veranderen. Uit eigen beweging konden de Atheners dat
niet doen; want zij hadden zich door een heilige eed
gebonden tien jaar te leven volgens de wetten, die
Solon hun had gegeven.
Zo kwam dan Solon, nadat hij eerst Amasis, de koning
van Egypte had bezocht, in Sardes aan. Kroisos
onthaalde hem gedurende enige dagen gastvrij in zijn
paleis en beval op de derde of vierde dag aan zijn
dienaren Solon rond te leiden door de schatkamers en
hem al zijn rijkdommen te tonen. Toen Solon, voor
zover de tijd het toeliet, alles had bewonderd en
aandachtig bekeken, riep de koning hem bij zich en
zeide: "Mijn waarde gast uit Athene! Een grote faam is
tot ons gekomen van u, van uw wijsheid, van de vele
reizen, die gij hebt gemaakt om uw kennis te
verrijken. Dit alles maakt mij verlangend u een vraag
te stellen, namelijk of ge ergens iemand hebt gezien,
die ge de gelukkigste mens op aarde kunt noemen." Hij
vroeg dit in de hoop zelf die mens te zijn, maar Solon
wars van elke vleierij bleef de waarheid getrouw en
zeide: "Ja, Sire. Tellos de Athener."
Vol verbazing vroeg Kroisos gespannen: "Waarom acht
gij Tellos de gelukkigste mens?" "Tellos," was het
antwoord, "was burger van een bloeiende stad. Hij had
voortreffelijke zoons; van allen zag hij weer kinderen
opgroeien, die allen in leven bleven. Hij leefde in
welstand - voor Griekse begrippen - en behalve dat
alles viel hem een schitterend levenseinde ten deel.
In een veldslag van de Atheners tegen hun naburen bij
Eleusis trok Tellos mede ten strijde; nadat hij de
nederlaag van de vijand had bewerkt, sneuvelde hij als
een held. De Atheners bewezen hem grote eer en
begroeven hem op staatskosten op de plek, waar hij was
gevallen."
Met dit verhaal van Tellos en diens grote geluk had
Solon Kroisos zeer geprikkeld, zodat hij vol ongeduld
vroeg, wie dan na Tellos de gelukkigste mens was, in
de stellige mening, dat hij in elk geval de tweede
prijs zou behalen. Maar Solon zeide: "Kleobis en
Biton. Deze twee jongens woonden in Argos en hadden
voldoende om van te leven. Daarbij bezaten zij grote
lichaamskracht; beiden hadden kampprijzen gewonnen in
de Nemeïsche spelen. Bovendien wordt het volgende
van hen verteld: Een groot feest werd gevierd door de
bewoners van Argos ter ere van hun godin Hera.
Kydippe, de moeder van Kleobis en Biton, priesteres
van Hera, moest volgens oud gebruik met een wagen,
door een span ossen getrokken, naar de tempel worden
gebracht. Maar zie, de ossen waren niet op tijd terug
uit het veld en de tijd drong. De beide jongens
spanden zich zelf in het juk en trokken de wagen,
waarop hun moeder reed. Zo legden zij de tien
kilometer lange weg af naar de hoog op de rots gelegen
tempel, ten aanschouwen van de hele menigte, die was
samengekomen om de godin te aanbidden.
Schoon en verheven was het einde van beider leven,
waardoor de godheid aantoonde, dat de dood voor een
mens beter is dan het leven. Want terwijl de mannen
van Argos zich om de jongelingen verdrongen om hun
lichaamskracht te roemen en de vrouwen hun moeder
gelukwensten met het bezit van zulke zoons, trad de
priesteres, verblijd over hun daad en hun roem, voor
het beeld van Hera en bad, dat de godin aan Kleobis en
Biton, haar kinderen, die haar zo grote eer hadden
bewezen, mocht schenken wat het beste is voor de mens.
Zo was haar gebed. Nadat de offers en de feestmaaktijd
tot een einde waren gekomen, legden de beide jongens
zich te ruste in het tempeldomein. Zij stonden niet
meer op uit hun slaap, die voor hen werd de slaap van
de dood. De burgers van Argos lieten om hun deugd te
eren standbeelden van hen maken, die zij als
wijgeschenk gaven in Delphi."
Toen Solon de tweede plaats toewees aan deze jonge
mannen, viel Kroisos toornig uit: "Is dan, o Athener,
mijn rijkdom niets waard in uw ogen, dat ge mij niet
eens gelijk stelt aan gewone burgers?"
Toen sprak Solon: "Koning Kroisos, gij vraagt mij naar
het menselijk lot. Ik ken de naijver der goden en ik
weet, dat zij verwarring stichten in ons leven. De
mens moet in de lange loop van zijn leven veel zien en
veel ondervinden, wat hij niet begeert. Zeventig jaar
reken ik de grens van het menselijk bestaan. Van al
die zeventig jaren - en dat zijn meer dan 25.500 dagen
- is er geen dag, die aan de mens hetzelfde brengt als
de overige dagen. Zo is, o koning, de mens louter
toeval. Ik zie uw grote rijkdom, ik zie, dat gij
koning zijt over een groot volk. Maar dat, wat ge me
vraagt, noem ik u niet, voordat ik weet, dat uw leven
een gelukkig einde heeft gehad. Want de rijkaard is
niet gelukkiger dan hij, die genoeg heeft voor zijn
dagelijks brood, tenzij het geluk hem trouw blijft tot
in de dood. Menig rijk man is ongelukkig, menig man
van weinig middelen is gelukkig. De mens, die gespaard
blijft voor gebreken, ziekte en leed, die
voortreffelijke kinderen heeft en schoon is van
gestalte en zo een gelukkig einde vindt, dat is de
mens, die gij zoekt. Maar voordat hij gestorven is,
moet men van hem niet zeggen "hij is gelukkig", maar
"hij heeft geluk". Dit alles te verenigen is de mens
niet licht gegeven, zoals geen enkel land alles bevat
wat het nodig heeft; het heeft het ene en ontbeert het
andere; het land, dat het meeste heeft, is het beste.
Zo is ook geen enkel menselijk wezen voor zichzelf
toereikend; het ene heeft hij, het andere mist hij.
Wie het meeste heeft en bewaart tot de dag van een
gezegende dood, die verdient in mijn ogen gelukkig te
worden genoemd. Maar wacht steeds het einde af; vaak
toont God ons een glimp van het geluk en brengt ons
later ten val."
Zo sprak Solon, maar zijn woorden brachten hem geen
dank of eer. De koning keurde hem geen antwoord waard
en zond hem heen, overtuigd dat een dwaas alleen hem
kon aanraden om met voorbijzien van zijn rijkdom en
geluk alleen op het einde te letten.
Herodotus
I 30 - 33
|