Herodotus

Hoe de Alkmeoniden rijk werden

(Uit : Barnsteen. Een bundel verhalen uit de klassieke oudheid, vertaald (...) door M. A. Schwartz. MCMLIII. Amsterdam/Brussel, Elsevier.)

 

Er woonde in Athene een adellijk geslacht, de Alkmeoniden, vanouds aanzienlijk, maar dank zij een van zijn leden, Alkmeon, naar de stamvader genoemd, een zoon van Megakles, verkreeg dit geslacht wel bijzondere luister. Alkmeon nl., wanneer er Lydische gezanten kwamen uit Sardes van koning Kroisos om het orakel in Delphi te raadplegen, was hun steeds behulpzaam en bewees hun veel diensten. Toen Kroisos van zijn gezanten, die geregeld het orakel bezochten, over de weldaden van Alkmeon hoorde, ontbood hij hem naar Sardes. Toen hij was aangekomen, gaf de koning hem ten geschenke zoveel goud, als hij met zijn eigen lichaam in één keer uit de schatkamer naar buiten kon dragen. Om dit geschenk in ontvangst te nemen nam Alkmeon zorgvuldige maatregelen: Hij trok een groot hemd aan, dat hij met een diepe plooi liet hangen uit zijn gordel, hij trok aan zijn voeten de wijdste kaplaarzen, die hij kon vinden en zo ging hij de schatkamer binnen, die men hem aanwees. Hier plofte hij neer in een stapel goudkorrels. Eerst propte hij langs zijn schenen zoveel goud als de laarzen konden bevatten, daarna vulde hij de gehele plooi van zijn hemd. Toen hij nog goudkorrels had gestrooid in zijn haar en zijn mond er mee had volgestopt, kwam hij uit de schatkamer te voorschijn, met moeite zijn laarzen voortslepend en op alles meer lijkend dan op een mens, aan alle kanten gezwollen en met puilende wangen. Toen Kroisos hem zag, barstte hij in lachen uit; hij gaf hem dat alles en nog eens zoveel daarbij. Zo werd dat huis schatrijk en Alkmeon kon er een vierspan op na houden, waarmee hij de prijs won in Olympia.
Een mensenleeftijd later bracht Kleisthenes, de tyran van Sikyon, dit geslacht tot nog groter bloei, zodat het in Griekenland nog veel beroemder werd dan het al was. Want Kleisthenes, de zoon van Aristonymos, een kleinzoon van Myron en een achterkleinzoon van Andreas, had een dochter Agarista. Dat meisje wilde hij uithuwelijken aan de beste van alle Grieken, die hij vinden kon. Toen nu de spelen in Olympia werden gehouden en Kleisthenes daarin met zijn vierspan de overwinning had behaald, liet hij bij die gelegenheid omroepen, dat ieder van de Grieken, die zich waardig achtte de schoonzoon van Kleisthenes te worden over zestig dagen of eerder in Sikyon moest komen: een jaar na die zestigste dag zou Kleisthenes een keuze doen en de bruiloft vaststellen. Toen stroomden alle Grieken, die trots waren op zich zelf of hun vaderland, als vrijers naar Sikyon samen. Om hen bezig te houden had Kleisthenes een renbaan laten aanleggen en een worstelperk.
Zij kwamen uit alle oorden, wie maar rijk was en aanzienlijk, uit Italië, uit Aitolië, uit Thessalië, uit Euboia, uit de Peloponnesos, te veel om op te noemen. Uit Athene kwamen Megakles, een zoon van die Alkmeon, die een bezoek aan Kroisos had gebracht en nog één, Hippokleides, een zoon van Teisandros, de rijkste en schoonste van alle Atheners.
Toen zij verschenen op de afgesproken dag, stelde Kleisthenes zich eerst op de hoogte van de vaderstad en het geslacht van ieder. Daarna hield hij hen een jaar bij zich en onderzocht hij hun dapperheid, hun temperament, beschaving en karakter, nu eens zich onderhoudend met ieder afzonderlijk, dan weer met allen tezamen. De jongeren onder hen nam hij telkens mee naar het sportveld; ook aan de gemeenschappelijke maaltijd - en hieraan hechtte hij grote waarde - stelde hij hen op de proef. Want al die tijd, dat zij bij hem waren, was geen moeite hem te veel en onthaalde hij hen vorstelijk. Het meest van alle candidaten stonden hem de twee Atheners aan en van die twee het meest Hippokleides, de zoon van Teisandros, wegens zijn moed, maar ook omdat zijn voorgeslacht verwant was met het Korinthische koningshuis der Kypseliden.
Toen de grote dag aanbrak van het bruiloftsmaal, waarop Kleisthenes in eigen persoon zou meedelen, wie hij boven alle anderen verkoos, liet de koning honderd runderen slachten en een groot feest aanrichten voor de vrijers en alle inwoners van Sikyon. Toen de maaltijd was geëindigd, hielden de vrijers een wedstrijd in muziek en voordrachtskunst. Terwijl het drinken voortging, riep Hippokleides, die het hoogste woord had van allen, de fluitspeler toe, dat hij een dansje moest blazen en toen de man het deed, begon hij te dansen. Zelf vond hij dat dansen machtig aardig, maar Kleisthenes zag het hele geval aan met argwanend oog. Het duurde niet lang, of Hippokleides liet een tafel binnenbrengen. Hij sprong er op en danste op die tafel eerst een paar Laconische dansen, toen enige Attische en als derde nummer ging hij op zijn hoofd staan bovenop de tafel en zwaaide hij met zijn benen in de lucht. Al bij het eerste en tweede dansnummer verafschuwde Kleisthenes het denkbeeld, dat Hippokleides, die daar zo schaamteloos aan het dansen was, nog zijn schoonzoon zou worden; maar hij bedwong zich; want hij wilde niet tegen hem losbarsten. Maar toen hij hem met zijn benen in de rondte zag zwaaien, kon hij zich niet langer inhouden en riep: "Zoon van Teisandros, je hebt je huwelijk verdanst." En Hippokleides riep terug: "Wat kan dat Hippokleides schelen?" Vandaar dit bekende spreekwoord.
Kleisthenes gebood stilte en sprak tot allen: "Heren, vrijers van mijn dochter, gij verdient allen een woord van lof en als ik kon zou ik u gaarne allen tevreden stellen en niet één van u uitkiezen en de anderen verwerpen. Maar dat is niet mogelijk; ik heb maar één dochter en kan het niet iedereen naar de zin maken. Ik geef nu aan u allen, die van dit huwelijk verstoken blijft, een talent zilver, omdat gij mij de eer hebt aangedaan te willen trouwen met een dochter van mij en ter vergoeding voor uw langdurige afwezigheid uit uw vaderland. Maar aan Megakles, de zoon van Alkmeon, verloof ik mijn dochter Agarista volgens de wetten der Atheners."
Toen Megakles zich bereid verklaarde, kwam het huwelijk tot stand en zo verbreidde zich de roem van de Alkmeoniden over geheel Griekenland.

Herodotus VI 125 - 131