|

Herodotus
Adrastos
(Uit : Barnsteen. Een bundel verhalen
uit de klassieke oudheid,
vertaald (...) door M. A. Schwartz. MCMLIII.
Amsterdam/Brussel, Elsevier.)
Nadat Solon was heengegaan, trof
Kroisos een zware straf van God, vermoedelijk, omdat
hij zich had ingebeeld, dat hij zelf de gelukkigste
was van alle mensen. Aanstonds naderde hem in de slaap
een droomgestalte, die hem de vreselijke waarheid
onthulde van het leed, dat hem zou treffen in zijn
zoon. Kroisos had twee zoons; de ene had een
ongeneeslijk lichaamsgebrek - hij was doofstom - de
ander blonk in alles ver uit boven zijn vrienden; zijn
naam was Atys. Over deze Atys nu kondigde het
droombeeld aan Kroisos aan, dat hij hem zou verliezen,
omdat hij zou worden getroffen door een ijzeren
speerpunt.
Zodra hij was ontwaakt en zich rekenschap gaf van zijn
droom, beving hem een hevige angst. Zijn zoon was
gewend de Lydiërs aan te voeren in de oorlog; hij
zond hem voortaan nooit meer ten strijde, maar in
plaats daarvan zocht hij voor hem een vrouw en liet
hij hem trouwen. Bovendien gelastte hij alle speren en
lansen en dergelijk oorlogstuig uit de mannenzalen weg
te halen en in de wapenkamers op te stapelen, uit
vrees, dat een of ander wapen van de wand omlaag zou
vallen en zijn zoon zou treffen.
Reeds was Atys getrouwd, toen een man in Sardes
verscheen, door onheil getroffen, wiens handen door
moord waren bezoedeld. Hij was een Phrygiër van
koninklijk geslacht. Hij trad de paleiszaal binnen,
knielde neer aan de haard en smeekte om reiniging
volgens de zeden van het land. Kroisos voldeed aan
zijn verzoek en door de gebruikelijke ceremoniën
reinigde hij hem van de bloedschuld. Daarna vroeg hij
hem naar zijn herkomst en zeide: "Vriend, wie zijt ge
en uit welk deel van Phrygië zijt ge gekomen om
hier neer te knielen aan mijn haard? Welke man of
vrouw hebt ge vermoord?" Het antwoord was: "Koning, ik
ben een zoon van Gordias en een kleinzoon van Midas;
ik heet Adrastos. Ik heb zonder het te willen mijn
eigen broer gedood; zo sta ik hier voor u, verdreven
door mijn vader en van alles beroofd." Kroisos gaf hem
ten antwoord: "Dan zijt gij een afstammeling van een
bevriend huis en tot vrienden zijt ge gekomen. Blijf
in mijn paleis; het zal u aan niets ontbreken. Draag
uw leed zo licht mogelijk; dat zal u het meest
helpen." Zo dan verbleef Adrastos voortaan aan
Kroisos´ hof.
In diezelfde tijd huisde op de Mysische Olympos een
kolos van een everzwijn. Telkens weer kwam het dier
aanstormen uit het gebergte en vernielde het de akkers
van de Mysiërs. Menig keer waren de Mysiërs
tegen hem ten strijde getrokken, maar in plaats van
hem te overmeesteren leden zij steeds zelf verliezen.
Eindelijk zonden zij boden naar Kroisos, die het
volgende zeiden: "Koning, een monsterachtig everzwijn
is in ons land verschenen, dat onze akkers vernielt.
Hoe wij ook ons best doen, wij kunnen hem niet vangen.
Daarom smeken wij u: Geef ons uw zoon mee en de beste
jagers en honden, opdat wij hem verdelgen en ons land
van hem verlossen." Dit was hun verzoek, maar Kroisos
dacht aan zijn droom en zeide: "Spreekt me niet van
mijn zoon! Hem geef ik u niet mee. Hij is pas getrouwd
en daarvan is zijn hart nu vervuld. Maar Lydische
jagers met mijn hele meute zal ik meezenden en ik zal
hen op het hart drukken hun uiterste best te doen het
dier te verdelgen en uw land daarvan te verlossen."
Met dit antwoord waren de Mysiërs tevreden, maar
Atys, die gehoord had wat zij kwamen vragen, trad
plotseling binnen en omdat Kroisos weigerde hem te
laten meegaan, sprak hij: "Vader, vroeger was er voor
ons prinsen niets heerlijker en eervoller dan ten
oorlog en op jacht te gaan en daar roem te behalen.
Maar nu houdt gij mij van beide af, zonder dat ge ooit
enige lafheid of onwil bij mij hebt opgemerkt. Hoe
moet ik kijken en onder de ogen der mensen komen,
wanneer ik naar de markt ga of vandaar terugkeer? Wat
zullen de burgers van mij denken, wat zal mijn jonge
vrouw van mij denken? Met wat voor man zal zij menen
getrouwd te zijn? Neen vader, òf laat mij mede
ter jacht gaan òf overtuig mij door argumenten,
dat het beter zo is, als nu geschiedt."
Kroisos antwoordde: "Mijn zoon, ik handel zo, niet
omdat ik lafheid of een andere tekortkoming bij je heb
opgemerkt, maar een droombeeld is mij verschenen in de
slaap en heeft mij gezegd, dat je leven kort zal zijn;
want dat je gedood zult worden door een ijzeren
lanspunt. Die droom is de reden, dat ik haast heb
gemaakt met je bruiloft en dat ik je op geen enkele
onderneming meer uitzend. Ik wil over je waken;
misschien kan ik de godheid misleiden en je in leven
houden, althans zolang ik leef. Want jij bent
mijn enige zoon; de ander, doofstom als hij is, reken
ik niet mee."
"Vader," antwoordde de jongeling, "het is u te
vergeven, dat ge over mij waakt, omdat ge zulk een
droom hebt gezien. Maar één ding
begrijpt ge niet, in één opzicht
verstaat ge de droom verkeerd. het is mijn goed recht
u daarop te wijzen. Gij zegt, dat de droom u heeft
meegedeeld, dat ik zou sterven door een ijzeren
lanspunt. Maar een everzwijn - heeft dat handen, heeft
dat een ijzeren lanspunt, waarvoor ge zo bevreesd
zijt? Als de droom had gezegd, dat ik de dood zou
vinden door een tand of iets wat daarop gelijkt, dan
moest ge handelen als ge nu handelt. Maar door een
lanspunt! De strijd gaat nu toch niet tegen mannen en
dus: laat mij gaan!"
Kroisos antwoordde: "Mijn jongen, er is iets in je
opvatting over de droom, dat mij overtuigt. Ik geef
mij dus gewonnen en ik verander van inzicht: je kunt
op jacht gaan." Na dit gesprek ontbood Kroisos
Adrastos, de Phrygiër en zeide tot hem:
"Adrastos, toen gij getroffen waart door een
noodlottig onheil, dat ik u niet verwijt, heb ik u van
schuld gereinigd en opgenomen in mijn huis, waar gij
geheel op mijn kosten leeft. Nu moet gij mij goed met
goed vergelden. Ik wens, dat gij, nu mijn zoon op
jacht gaat, over hem waakt, voor het geval dat
onderweg struikrovers te voorschijn springen en het
gemunt hebben op u aller leven. Bovendien betaamt het
u de gelegenheid aan te grijpen om te schitteren door
uw daden. Dat voorbeeld is u door uw voorouders
gegeven en gij bezit er de kracht toe."
"Sire," zo was het antwoord van Adrastos, "anders zou
ik stellig niet uitgaan op zulk een avontuur. Want
voor mij, die zo door het noodlot werd bezocht, deugt
het niet mij te mengen onder gelukkige medemensen. Ook
ontbreekt mij daartoe alle lust en al was dat niet zo,
veel andere dingen zouden mij weerhouden. Maar nu gij
er op aandringt en ik u ter wille moet zijn - want ik
ben u dank verschuldigd - ben ik hiertoe bereid. Wees
er van verzekerd, dat uw zoon, die ge mij verzoekt te
bewaken, ongedeerd tot u zal terugkeren, voor zover
afhangt van de man, die over hem waakt."
Na dit antwoord ging een uitgelezen schare van jagers
en honden op weg om in het Olymposgebergte het dier op
te sporen. Toen zij de ever hadden gevonden,
omsingelden zij hem en wierpen hun speren vanuit de
kring. Toen dan gebeurde het, dat die man, die van
moord was gezuiverd, Adrastos genaamd, zijn lans
slingerde naar het zwijn; hij miste zijn doel, maar
trof de zoon van Kroisos. Zo vervulde deze, door een
lanspunt getroffen, de uitspraak van de droom. Een
bode snelde heen om aan Kroisos te melden, wat
geschied was. In Sardes aangekomen berichtte hij hem
de toedracht van de strijd en de noodlottige dood van
zijn zoon.
De verbijstering van de koning over de dood van zijn
kind werd nog vermeerderd door de gedachte, dat hij
gedood was door de man, die hijzelf van bloedschuld
had gezuiverd. Geheel buiten zich zelve door dit
onheil riep hij Zeus aan, de reinigende god, om
getuige te zijn van wat zijn gast hem had aangedaan.
Hij riep aan de god van de huiselijke haard en van de
vriendschap, zich wendend tot dezelfde god Zeus; de
god van de haard riep hij aan, omdat hij door de
vreemdeling in zijn huis op te nemen zonder het te
weten de moordenaar van zijn zoon had geherbergd; de
god van de vriendschap riep hij aan, omdat de man, die
hij als beschermer had meegegeven, zijn ergste vijand
was gebleken.
Toen naderden de Lydiërs, die het lijk droegen.
Daarachter ging de moordenaar. Deze ging staan
vóór de dode. Hij strekte zijn handen
uit en gaf zich over aan Kroisos, smekend hem te doden
op het lijk van Atys, hem herinnerend aan zijn
vroegere ramp en zeggend, dat hij nu bovendien de man,
die hem van schuld had gereinigd, in het ongeluk had
gestort; voor hem was in het leven geen plaats.
Toen Kroisos dat hoorde, kreeg hij, hoe groot ook zijn
persoonlijk leed was, medelijden met Adrastos en hij
sprak: "Mijn vriend, nu gij u zelf ter dood
veroordeelt, hebt gij voor uw daad volledig geboet.
Niet gij zijt voor mij schuldig aan dit onheil,
behalve dan dat gij het onvrijwillig hebt bedreven,
maar wellicht een der goden, die mij deze gebeurtenis
reeds eerder had voorspeld." Kroisos begroef zijn zoon
met de eer, die hem toekwam.
Adrastos, de zoon van Gordias, de kleinzoon van Midas,
hij, die de moordenaar was geworden van zijn eigen
broer en een moordenaar voor de man, die hem van
schuld had gereinigd, in het besef, dat hij de
rampzaligste was van alle mensen, die hij kende - toen
het rondom stil was geworden van mensen, doodde zich
op het graf.
Herodotus I 34 - 45
|