|
Herodotus' Historiën I. 204 -
214
(vertaling van
Deventer)
204. De avondzijde van deze
dusgenoemde Caspische zee sluit de Caucasus af, maar
aan de zijde van den zonsopgang sluit zich een
vlakte aan in uitgestrektheid onbegrensd en
onafzienbaar. En van die groote vlakte is niet het
kleinste deel in bezit van de Massageten, tegen
welke Cyrus in den zin had op te trekken; want vele
en groote dingen waren er die hem aanspoorden en
prikkelden; vooreerst zijn geboorte, waardoor hij
meer dan een mensch meende te zijn; daarna de
voorspoed, dien hij bij zijn oorlogen gehad had;
want waarheen ook Cyrus zijn tocht richtte, was het
dat volk onmogelijk te ontkomen.
205. Een vrouw was, na den dood van
haar man, koningin van de Massageten; Tomyris was
haar naam. Naar deze vrouw zond Cyrus boden en wierf
om haar in schijn, doch Tomyris, begrijpende dat hij
niet naar haar dong, doch naar de heerschappij over
de Massageten, wees zijn aanzoek af. Daarop rukte
Cyrus, toen het hem met list niet gelukt was, naar
de Araxes en ving openlijk den veldtocht tegen de
Massageten aan, bruggen leggende over de rivier voor
den overtocht van zijn leger, en torens bouwende op
de schepen, die de rivier overstaken.
206. Terwijl hij met dit werk bezig
was zond Tomyris hem een heraut en zeide het
volgende: "O koning der Meden, houd op te jagen, wat
gij jaagt; want gij kunt niet weten, of de
volbrenging u van voordeel zal wezen. Houd op en
heersch over het uwe, en verdraag het, ons ziende
beheerschen wat wij beheerschen. Daar gij niet dezen
raad zult willen volgen, doch alles liever doen dan
in rust blijven, indien gij dan zoo hevig begeert
met de Massageten te kampen, wel aan, laat af van de
moeite, die gij hebt, de rivier overbruggend; wij
zullen een weg van drie dagen van de rivier
terugwijken en gij trekt over naar ons land. Indien
gij liever ons in het uwe wilt ontvangen, doe gij
dan dat zelfde." Na die boodschap riep Cyrus de
eersten der Perzen bijeen, en toen hij hen verzameld
had, legde hij hun de zaak voor, om met hen te
beraadslagen, wat hij doen zou. En hun meeningen
liepen uit op het zelfde, daar zij rieden Tomyris en
haar leger in zijn land af te wachten.
207. Cresus de Lydiër echter
was er bij, en die meening afkeurend, openbaarde hij
een meening tegenovergesteld aan de aangebodene,
zeggende: "O koning, vroeger reeds heb ik gezegd,
dat, nu Zeus mij aan u gegeven heeft, waar ik een
onheil voor uw huis zie, ik het naar mijn kracht zal
afwenden. Mij is mijn ramp een smartelijke leering
geweest. Indien gij onsterflijk waant te wezen en
ook over een zoodanig leger te heerschen, dan zou
het van geen nut zijn u mijn meening te openbaren;
doch als ge inziet, dat ook gij een mensch zijt en
heerscher over andere menschen, begrijp dan eerst
dit, dat er een kringloop is in de menschlijke
zaken, die in zijn ommegang niet altijd dezelfden
toelaat voorspoedig te wezen. Ik dan heb over de
vóórgebrachte zaak de
tegenovergestelde meening van genen. Want indien wij
de vijanden in het land willen ontvangen, is daar
dit gevaar in voor u: bij een nederlaag zult ge uw
gansche rijk tevens verliezen; duidelijk toch is,
dat de Massageten als overwinnaars niet naar
achteren zullen vlieden, doch naar uw landen
trekken. Overwint gij, niet overwint gij dan
zóózeer, als indien ge naar hun land
overtrekkende, de Massageten overwint en hen op hun
vlucht najaagt. Want dat zelfde wil ik tegenover dat
van straks stellen, dat gij uw tegenstanders
overwonnen hebbend terstond naar het rijk van
Tomyris rukt. Doch ook buiten het aangevoerde is het
schandelijk en niet te dulden, dat Cyrus, de zoon
van Cambyses, voor een vrouw zou wijken en uit het
land terugtrekken. Nu daarom raad ik u over te
trekken en voort te rukken, zoover als genen
teruggaan, en dan op de volgende wijze te trachten
hen te overmeesteren. Want zooals ik verneem, zijn
de Massageten onbekend met de goede dingen der
Perzen en onervaren in groote heerlijkheden. Laat
dan voor die mannen ruimelijk vele schapen
neerhouwen en toebereiden en disch ze op als
maaltijd in ons kamp, daarbij ook rijkelijk kruiken
met ongemengden wijn en ook velerlei spijzen. Als
wij dat gedaan hebben, dan moeten wij het slechtste
deel van het leger daar achterlaten, en de overigen
weder terugwijken naar den stroom. Want indien ik
niet faal in mijn meening, dan zullen genen, die
vele goede dingen ziende, er zich aan begeven en ons
dan blijft de verrichting van groote daden."
208. Deze meeningen dan stonden
tegenover elkander, en Cyrus liet de eerste meening
varen, koos die van Cresus, en zeide Tomyris aan
terug te trekken, daar hij tot haar zou oversteken.
Zij dan week terug, zooals zij vroeger beloofd had.
En Cyrus plaatste Cresus in de handen van zijn zoon
Cambyses, wien hij het koninkrijk zou geven, en hem
met drang bevelende genen te eeren en goed te
behandelen, indien de overtocht naar de Massageten
niet goed afliep, dit nu bevelend en hen naar
Perzië zendend trok hij zelf den stroom over en
zijn leger met hem.
209. Toen hij de Araxes was
overgegaan en de nacht was aangebroken, zag hij,
slapende in het land van de Massageten, een droom,
den volgenden: Cyrus waande in den slaap den oudsten
van Hystaspes' zonen te zien met vleugels aan de
schouders, en met den eenen daarvan Azië, met
den anderen Europa beschaduwen. Onder de zonen van
Hystaspes, den zoon van Arsames, uit het geslacht
der Achaemeniden, was Darius de oudste, toen
hoogstens een twintig jaar in leeftijd, en deze was
in Perzië achtergelaten, want nog niet had hij
den leeftijd om mede te trekken. Toen Cyrus nu
ontwaakt was, overwoog hij den droom bij zichzelf,
en daar hem het gezicht zeer belangrijk scheen te
wezen, liet hij Hystaspes roepen en nam hem alleen
en zeide: "Hystaspes, uw zoon is betrapt, dat hij
mij en mijn heerschappij belaagt: dat ik dit zeker
weet, zal ik bewijzen. Over mij waken de goden en
toonen mij van te voren al wat dreigt. En in den
voorbijgeganen nacht slapende zag ik den oudste van
uw zonen, vleugels aan de schouders hebbend, en met
eenen daarvan Azië, met den anderen Europa
beschaduwen. Niet derhalve is het naar dat gezicht
anders mogelijk, dan dat hij mij belaagt. Ga gij
daarom zoo snel mogelijk terug naar Perzië, en
zorg, wanneer ik, dit volk overwonnen hebbend,
dààr gekomen ben, dat ge uw zoon voor
onderzoek tot mij brengt."
210. Cyrus nu meenende dat Darius
hem belaagde, zeide dit; hem echter had de godheid
geopenbaard, dat hij op die plaats zou sterven, doch
het koninkrijk op Darius overgaan. Hystaspes echter
antwoordde met het volgende: "O koning, mocht er
geen perzisch man geboren zijn, die u belagen wil!
Indien echter er een is, dat hij ten snelste sterve.
U, die de Perzen van slaven vrij hebt gemaakt, en in
plaats van beheerscht te worden hen over alle andere
hebt doen heerschen! Doch indien u het droomgezicht
verkondigt, dat mijn zoon op onheil zint over u, ik
zal hem u overgeven, dat ge met hem doet, wat ge
wilt." Na deze woorden trok Hystaspes de Araxes over
en ging naar Perzië om voor Cyrus zijn zoon
Darius te bewaken. Doch Cyrus een dagreis van de
Araxes voortgetrokken zijnde, deed wat Cresus had
voorgeslagen. Toen vervolgens Cyrus en het
strijdvaardige deel van het leger naar de Araxes
waren teruggeweken en het onbruikbare was
achtergelaten, trok het derde deel van het leger der
Massageten aan en doodde de achtergeblevenen van
Cyrus' leger niet zonder tegenweer, en het
voorhandene maal ziende, legden zij zich neder na de
overwinning op de tegenstanders en spijsden; en
verzadigd van spijs en drank sliepen zij. En de
Perzen rukten aan en doodden velen van hen, veel
meer nog namen zij levend gevangen, èn
anderen èn den zoon der koningin Tomyris, den
veldheer der Massageten, wiens naam Spargapises was.
212. Toen zij vernomen had, wat met
het leger en haar zoon was geschied, zond zij een
heraut aan Cyrus en zeide dit: "van bloed
onverzadelijke Cyrus, verhef u niet te zeer op wat
geschied is, indien gij met de vrucht des wijnstoks,
van welke vol zijnde gij zóó raast,
dat terwijl de wijn in het lichaam omlaag stroomt,
booze woorden bij u opstijgen, indien gij met zulk
een gif mijn zoon bedrogen hebt en overmeesterd,
doch niet met kracht in den strijd. Neem dan nu het
woord aan van mij, die u goed raad, geef mij mijn
zoon terug en ga ongestraft weg uit dit land, nadat
gij het derde deel van het leger der Massageten
onteerd hebt. Indien gij dit niet doen zult, bezweer
ik u bij de zon, den heer der Massageten, voorwaar,
ik zal u, den onleschbaren, van bloed verzaden."
213. Cyrus echter sloeg geenszins
acht op deze boodschap, doch Spargapises, de zoon
der koningin Tomyris, toen de wijn hem verlaten had
en hij inzag in welken ramp hij was, toen
smeekte hij Cyrus uit zijn boeien bevrijd
te worden en verkreeg dit, doch zoodra hij bevrijd
was en meester was van zijn handen, bracht hij zich
om.
214. En hij dan stierf op zulk een
wijze, doch Tomyris, toen Cyrus niet naar haar
luisterde, verzamelde haar gansche macht en trof met
Cyrus samen. Dezen slag acht ik den heftigste van
alle die tusschen barbaren geleverd zijn, en naar ik
verneem heeft hij zich aldus toegedragen. Eerst
stonden zij op een afstand van elkander, naar gezegd
wordt, en schoten met pijlen; daarna echter, toen de
pijlen verschoten waren, vielen zij aan op elkander
en grepen elkander aan met speeren en zwaarden.
Langen tijd nu bleven zij in strijd gewikkeld en
geen van beiden wilde vluchten; eindelijk echter
overwonnen de Massageten. Het grootste deel van het
perzische leger kwam op die plaats zelf om, en ook
Cyrus zelf sneuvelde, en zijn regeering had in het
geheel negen en twintig jaren geduurd. Tomyris vulde
een zak met menschenbloed en zocht onder de dooden
het lijk van Cyrus; toen zij het gevonden had, duwde
zij zijn hoofd in den zak, en het lijk schendende,
zeide zij het volgende: "gij hebt mij, die leef en u
in den strijd overwonnen heb, te gronde gericht mijn
zoon door list vangende, doch ik zal u, zooals ik
gedreigd heb, van bloed verzadigen." Van de vele
verhalen, die over het einde van Cyrus' leven gezegd
worden, wordt dit als het geloofwaardigste door mij
bericht.
|