|

terpsichore
- vijfde boek
65 - 126
65. ... Zoo werden dan de
Atheners van de alleenheerschers bevrijd; doch zooveel
zij na hun bevrijding meldingswaardigs verrichtten of
leden, vóór dat Ionië tegen Darius
opstond en Aristagoras de Milesiër, in Athene
gekomen, hen drong hem te helpen, dat zal ik eerst
verhalen.
66. Athene, ook
vóór diens tijd reeds groot, werd toen,
van de alleenheerschappij bevrijd, nog grooter. En twee
mannen er in stonden vooraan, Clisthenes, de
Alcmaeonide, die gezegd wordt de Pythia overreed te
hebben, en Isagoras, de zoon van Tisander; uit een
aanzienlijk huis, doch zijn afkomst kan ik niet zeggen;
maar zijn verwanten offeren aan den Carischen Zeus. Deze
mannen twistten over de macht, en Clisthenes werd
overwonnen en hij zocht het volk te winnen. Daarna
bracht hij de Atheners, die in vier stammen waren, in
tien stammen, terwijl hij de namen der zonen van Ion,
Geleon en Aegicoreus en Argades en Hoples afschafte, en
namen van andere, inheemsche heroën uitvond,
behalve van Aiax; dezen echter, als buurman en
landgenoot, voegde hij er bij, hoewel Aiax een
vreemdeling was.
67. In deze zaken, naar
mij schijnt, volgde deze Clisthenes zijn moedersvader
Clisthenes na, den heerscher van Sicyon. Want toen
Clisthenes oorlog voerde tegen de Argiven, verbood hij
vooreerst de rhapsoden in Sicyon hun wedstrijden te
houden, om de Homerische gedichten, wijl daarin
de Argiven en Argos bijna voortdurend bezongen worden;
ten tweede - want er was op de markt der Sicyoniërs
zelf een heiligdom van Adrastus, Talaüs´ zoon
- dezen, daar die een Argiver was, verlangde Clisthenes
uit het land te drijven. En naar Delphi gegaan, vroeg
hij het orakel, of hij Adrastus verdrijven mocht. De
Pythia antwoordde hem, zeggende, dat Adrastus koning der
Sicyoniërs was, doch hij, Clisthenes, hun
steeniger. Daar nu de god hem dat niet toeliet, ging hij
naar huis en zon op een middel, waardoor Adrastus zelf
zou weggaan. Toen hij meende het gevonden te hebben,
zond hij een bode naar het Boeotische Thebae en
zeide den wensch, Melanippus, Astacus' zoon, te halen en
de Thebanen veroorloofden dit. Clisthenes nu haalde
Melanippus en gaf hem een heiligen grond dicht bij het
raadhuis zelve en richtte daar een huis voor hem
op, op de sterkste plaats. Clisthenes nu haalde
Melanippus (want ook dat moet ik verhalen), daar deze de
grootste vijand was van Adrastus, die zijn broeder
Mecisteus gedood had en diens zwager Tydeus. Nadat hij
hem een heiligdom had aangewezen, ontnam hij Adrastus de
offers en de feesten en gaf die aan Melanippus. De
Sicyoniërs nu plachten Adrastus grootelijks te
eeren; want het land zelf was van Polybus geweest,
en Adrastus was de dochterszoon van Polybus, en Polybus
stierf zonder zoons en gaf het bestuur aan Adrastus. Op
andere wijze nu eerden de Sicyoniërs Adrastus en
dan ook verheerlijkten zij zijn lijden met tragische
kooren, waarbij zij Dionysus niet eerden, maar Adrastus.
Clisthenes nu gaf de kooren aan Dionysus terug, en de
overige offerdienst aan Melanippus.
68. Dit dan had hij tegen
Adrastus gedaan, doch de stammen der Doriërs, opdat
zij dan bij de Sicyoniërs en de Argiven niet
dezelfden zouden zijn, veranderde hij in andere namen.
En toen bespotte hij de Sicyoniërs
zéér. Want hij gaf hun den naam van den
zwijn en den ezel, die in den uitgang wijzigend, behalve
bij zijn eigen stam: daaraan gaf hij den naam naar zijn
eigen heerschappij. Zoo dan heette deze stam de
Archelaërs, doch de andere de Hyaten, de derde de
Oneaten, de vierde de Choereaten. Deze namen der stammen
hadden de Sicyoniërs èn onder de regeering
van Clisthenes, èn nog zestig jaren na zijn dood.
Daarna echter overlegden zij onder elkander en
veranderden hun namen in de Hylleërs en
Pamphyliërs en Dymanaten, en als vierden voegden
zij daar bij de Aegialeërs, die zij naar den naam
van Adrastus' zoon Aegialeus noemden.
69. Dit nu had de
Sicyoniër Clisthenes gedaan. En de Athener
Clisthenes dan, een dochterszoon van dien Sicyoniër
en met denzelfden naam, ook deze heeft, naar mij
schijnt, eveneens de Ioniërs minachtende, opdat
niet de echte Atheners en de Ioniërs
dezelfde stammen zouden hebben, zijn naamgenoot
Clisthenes nagevolgd. Daar hij toch het Atheensche volk,
dat vroeger van alles uitgesloten was, toen op zijn
zijde trok, en de stammen anders noemde en ze van minder
méér in getal maakte. Hij maakte namelijk
tien stamhoofden in plaats van vier, en verdeelde ook de
stammen in tien gemeenten; en toen hij het volk gewonnen
had, overtrof hij zijn tegenstanders verreweg in de
macht.
70. En Isagoras, nu van
zijn kant overwonnen, verzon daartegen het volgende. Hij
riep Cleomenes den Lacedaemoniër te hulp, die
sedert het beleg der Pisistratiden zijn gastvriend was;
doch Cleomenes werd verdacht tot de vrouw van Isagoras
te gaan. Eerst nu zond Cleomenes een heraut naar Athene
en eischte de verbanning van Clisthenes en van vele
andere Atheners met hem, hen bloedschuldigen noemend.
Dit zeide hij door den heraut volgens opdracht van
Isagoras. Want de Alcmaeoniden en hun aanhangers hadden
schuld aan den volgenden moord, doch Isagoras
zelf noch zijn vrienden hadden deel daaraan.
Bloedschuldigen onder de Atheners heetten zij om de
volgende reden.
71. Er was onder de
Atheners een Cylo, een overwinnaar te Olympia. Deze trad
met pronk op en dong naar de alleenheerschappij, en toen
hij een vriendschapsverbond van jonge lieden gewonnen
had, trachtte hij den burcht te bezetten, doch hij kon
dien niet bemachtigen en zette zich als smeekeling bij
het beeld der godin. Doch de hoofden der
scheepsuitrustingen, die toen Athene bestuurden, deden hem
en zijn aanhangers opstaan en stonden borg voor
hun leven; doch de Alcmaeoniden worden beschuldigd hen
gedood te hebben. Dit gebeurde vóór den
tijd van Pisistratus.
72. Toen nu Cleomenes
zond en de verbanning van Clisthenes en de
bloedschuldigen eischte, ontweek Clisthenes zelf, doch
daarna kwam Cleomenes niettemin naar Athene met een niet
groote macht, en gekomen, verdreef hij zevenhonderd
gezinnen der Atheners, die Isagoras hem aangewezen had.
En na deze daad, trachtte hij vervolgens den raad te
ontbinden en gaf de regeering aan driehonderd aanhangers
van Isagoras. Doch toen de raad zich verzette en niet
wilde gehoorzamen, bezetten Cleomenes en Isagoras en
zijn aanhangers den burcht. Doch de overige Atheners
vereenigden zich en belegerden genen twee dagen; op den
derden echter kwamen zij tot een verdrag, en zoovelen er
Lacedaemoniërs onder hen waren, trokken uit het
land. En aan Cleomenes was het voorteeken in vervulling
gekomen; want toen hij den burcht besteeg om hem te
bezetten, ging hij in het heiligdom der godin, om haar
te begroeten, doch de priesteres stond op van haar
zetel, voor hij de deur was doorgegaan en zeide: "o
vreemdeling Lacedaemoniër, wijk terug en ga niet in
den tempel, want niet is het den Doriërs
geoorloofd, daar in te treden." En gene zeide: "o vrouw,
maar ik ben geen Doriër, doch een Achaeër."
Hij nu richtte zich niet naar het voorteeken, doch
gebruikte geweld en toen werd hij dan met de
Lacedaemoniërs verjaagd; doch de anderen, die
wierpen de Atheners in de gevangenis voor halsmisdaden,
en onder hen ook Timasitheüs den Delphiër, van
wien ik de grootste daden van kracht en moed zou kunnen
verhalen.
73. Dezen nu werden
gevangen genomen en kwamen om. Doch de Atheners ontboden
daarna Clisthenes en de zeven honderd door Cleomenes
verbannen gezinnen, en zonden boden naar Sardes, daar
zij een bondgenootschap met de Perzen wilden sluiten;
want zij wisten wel, dat zij zelf met Cleomenes en de
Lacedaemoniërs in oorlog waren. Toen de boden in
Sardes waren gekomen en het opgedragene zeiden, vroeg
hen Artaphrenes, zoon van Hystaspes, de onderkoning van
Sardes, wat voor menschen zij waren en waar ter aarde
wonend, nu zij bondgenooten van de Perzen wilden worden,
en toen hij het van de boden vernam, zeide hij hun
kortweg dit: indien de Atheners aan koning Darius aarde
en water gaven, dan beloofde hij het bondgenootschap te
willen sluiten; gaven zij het niet, dan beval hij hen
weg te gaan. En de boden namen de zaak op zich en
zeiden, zij zouden het geven, daar zij het
bondgenootschap sluiten wilden.
74. Zij nu gingen terug
naar hun land en werden zéér beschuldigd.
Doch Cleomenes, meenend dat hij met woorden en daden
door de Atheners gehoond was, bracht uit den ganschen
Peloponnesus een leger bijeen, en verklaarde niet,
waarom hij het verzamelde, doch in verlangen om zich op
het volk der Atheners te wreken en met den wensch om
Isagoras alleenheerscher te maken, want deze was met hem
uit de burcht geweken. En Cleomenes dan viel met een
groot leger in het gebied van Eleusis, en de
Boeotiërs namen volgens afspraak Onoë en
Hysiae, de uiterste gemeenten van Attica, en de
Chalcidiërs drongen aan de andere zijde in en
verwoestten streken van Attica. Doch de Atheners, hoewel
aan meer dan één zijde aangevallen,
stelden het uit om zich met de Boeotiërs en de
Chalcidiërs te bemoeien, en legerden zich tegenover
de Peloponnesiërs, die bij Eleusis waren.
75. Doch toen de legers
elkander zouden aangrijpen, bedachten eerst de
Corinthiërs, dat zij niet rechtvaardig handelden,
zij keerden om en gingen heen, en daarna ook Demaratus,
zoon van Ariston, die ook koning der Spartanen was, en
het leger mede uit Lacedaemon had gevoerd, en in den
vroegeren tijd geen oneenigheid met Cleomenes had gehad.
Om dezen tweespalt werd in Sparta de wet gemaakt, dat
als het leger ten velde trok, niet beide koningen
mochten mede gaan; want tot dien tijd gingen beiden
mede; en als een van beiden van den veldtocht
vrijbleef, moest ook een van de Tyndariden
achterblijven; want vroeger gingen ook deze beiden mede,
als helpers ingeroepen.
76. Doch de andere
bondgenooten in Eleusis, toen zij dan zagen, dat de
koningen der Lacedaemoniërs oneenig waren en de
Corinthiërs hun plaats verlieten, gingen zij ook
zelf heen. Dit was de vierde maal, dat de Doriërs
in Attica kwamen, tweemaal als vijand ingevallen, en
tweemaal als helpers van het Atheensche volk: de eerste
maal, toen zij ook Megara grondden (deze tocht mag wel
gezegd worden onder Codrus' regeering over de Atheners
geschied te zijn); de tweede en derde maal, toen zij ter
verdrijving van de Pisistratiden uit Sparta rukten en in
Attica kwamen; voor de vierde maal thans, toen
Cleomenes de Peloponnesiërs naar Eleusis voerde en
daar inviel; zoo vielen de Doriërs voor de vierde
maal in het gebied van Athene.
77. Toen deze tocht nu
zonder roem afgeloopen was, toen wilden de Atheners zich
wreken en trokken eerst op tegen de Chalcidiërs. En
de Boeotiërs kwamen de Chalcidiërs bij den
Euripus te hulp. En de Atheners, die deze helpers zagen,
besloten eerder de Boeotiërs dan de
Chalcidiërs aan te vallen. En de Atheners dan
troffen met de Boeotiërs samen, en overwonnen hen
zéér, doodden velen en namen zevenhonderd
van hen levend gevangen. Op dien zelfden dag trokken de
Atheners naar Euboea over en troffen ook met de
Chalcidiërs samen, en ook dezen overwonnen zij, en
lieten vierduizend volkplanters in het land van de
rossenkweekers achter: rossenkweekers echter heeten de
rijken onder de Chalcidiërs. En zoovelen zij ook
van dezen levend gevangenen namen, die hielden zij
tegelijk met levend gevangenen Boeotiërs in
bewaking, in boeien. Na eenigen tijd echter lieten zij
hen vrij, voor ieder een losprijs van twee minen
ontvangend. Hun boeien, waarin zij geboeid waren, hingen
zij in den burcht, en nog in mijn tijd waren zij over,
hangend aan de muren, die door den Meed afgebrand werden
tegenover den naar den avond gelegenen tempel. En het
tiende deel van den losprijs wijdden zij, en lieten een
metalen vierspan maken; dat staat aan de linkerhand als
men de voorhallen binnengaat, die op den burcht zijn, en
het volgende is er op geschreven:
Toen we
't Boeotische volk en Chalcidice's mannen bedwongen,
Wij, der Atheners geslacht, voerend de waapnen des
krijgs,
Bluschten wij verder hun trots in een duisteren kerker
en boeien;
Thans is aan Pallas dit span, tiende des buits dan,
gewijd.
78. De Atheners dan waren
machtig geworden, en dit toont niet slechts voor
één geval, doch voor alle, welk een
kostelijke zaak de gelijkheid van rechten is,
daar toch de Atheners, toen zij onder alleenheerschers
leefden, geenszins in den oorlog de meerderen van hun
buren waren, doch bevrijd van de alleenheerschers,
werden zij verreweg de eersten. Dit bewijst dus, dat
zij, beheerscht, onwillig alles deden, daar zij
voor een meester werkten, doch, in vrijheid, was ieder
voor zich er op uit, om voor zich zelf wat te verwerven.
79. Zij nu waren in zulk
een toestand. Doch daarna wilden de Thebanen zich op de
Atheners wreken en zonden naar den god. Maar de Pythia
antwoordde, dat zij door zich zelf geen wraak zouden
vinden, doch beval hen de zaak voor de duizend
stemmen te brengen en hun naasten te hulp te roepen.
Toen de boden nu teruggekeerd waren, hielden de
Thebanen een volksvergadering en deelden het
orakel mede. Toen zij hen hoorden spreken van de naasten
te hulp te roepen, zeiden de Thebanen dit hoorende:
"wonen niet de Tanagranen en de Coronaeërs en de
Thespiërs het naast bij ons? En dezen toch strijden
altijd met ons mede en helpen ons den oorlog voeren;
waarom moeten wij hen te hulp roepen? Doch wellicht is
dat niet de meening van het orakel."
80. Terwijl zij zulke
dingen er over spraken, zeide er dan een, die het
gehoord had: "ik geloof te begrijpen, wat het orakel ons
zeggen wil. Asopus had, naar het verhaal, twee dochters,
Thebe en Aegina; daar deze nu zusters zijn, geloof ik
dat de god ons geantwoord heeft de Aegineten als wrekers
te hulp te roepen." En daar er nu geen betere meening
zich verscheen te vertoonen, zonden zij terstond boden
en vroegen de Aegineten, ze inroepend volgens het
orakel, om hen te helpen, daar zij hun naasten waren; en
genen antwoordden hen op hun verzoek hun als hulp de
Aeaciden mede te zullen zenden.
81. Toen nu de Thebanen
met hulp van de Aeaciden den strijd tegen de Atheners
hadden beproefd en door dezen zeer zwaar geslagen
werden, zonden de Thebanen wederom en gaven hun de
Aeaciden terug, doch verzochten om hun mannen. En de
Aegineten, steunend op hun groote welvaart, en hun oude
vijandschap tegen de Atheners indachtig, vingen, toen de
Thebanen verzochten, zonder aankondiging den strijd
tegen de Atheners aan. Want toen dezen tegen de
Boeotiërs waren uitgetrokken, zeilden de
Aegineten met lange schepen naar Attica en
verwoestten Phalerus en ook vele andere gemeenten aan de
kust, en zoo doende krenkten zij de Atheners zeer.
82. De veete nu, welke de
Aegineten van vroeger reeds tegen de Atheners hadden,
was uit de volgende oorzaak ontstaan. Het land van de
Epidauriërs bracht gansch geen vrucht op. Over dit
onheil vroegen de Epidauriërs raad in Delphi; en de
Pythia beval hen beelden voor Damia en Auxesia op te
richten, en dan zou het beter gaan. De Epidauriërs
nu vroegen verder of zij de beelden van metaal zouden
maken of van steen; doch de Pythia wilde geen van beiden
toelaten, maar hout van den olijfboom. De
Epidauriërs nu vroegen de Atheners hun te
vergunnen, dat zij een olijfboom omhakten, daar zij die
van hen dan voor de heiligsten hielden. Er wordt ook
verhaald, dat er in dien tijd nergens anders op aarde
olijfboomen waren, dan in Athene. Genen zeiden hun dat
te zullen gunnen, op voorwaarde dat zij ieder jaar
offers zouden brengen aan Athene Polias en aan
Erechtheus. Toen de Epidauriërs in deze voorwaarden
toestemden, verkregen zij wat zij verzochten, en zij
maakten beelden van die olijfboomen en plaatsten ze; en
ook droeg het land hun vruchten en zij volbrachten voor
de Atheners het bedongene.
83. In dien tijd nog en
daarvóór gehoorzaamden de Aegineten ook in
andere zaken aan de Epidauriërs en dan ook naar
Epidaurus overgestoken haalden de Aegineten hun recht
voor aanklagers en beklaagden. Doch later bouwden zij
schepen en vielen uit driestheid van de Epidauriërs
af. En als vijanden van genen, benadeelden zij hen,
omdat zij meesters van de zee waren. En zelfs ontroofden
zij hun heimelijk die beelden van Damia en Auxesia, en
brachten ze weg en plaatsten ze in hun eigen land in een
plaats midden in, die Oea heet, en ongeveer twintig
stadiën van de stad afligt. En toen zij ze daar
geplaatst hadden, vereerden zij ze met zoenoffers en
spottende vrouwenkooren, waarbij voor ieder der beide
godheden tien mannen als koor-uitrusters benoemd werden.
Die kooren bespotten geen enkelen man, doch wel de
vrouwen des lands. Ook de Epidauriërs hadden
dezelfde eerediensten; en zij hebben ook nog geheime
eerediensten.
84. Toen deze beelden
ontstolen waren, volbrachten de Epidauriërs voor de
Atheners het bedongene niet meer. En de Atheners zonden
en dreigden den Epidauriërs hun toorn. Doch dezen
toonden door redeneering, dat zij geen onrecht deden;
want zoolang zij de beelden in hun land hadden,
vervulden zij het bedongene, doch nu zij van de
beelden beroofd waren, was het niet billijk dat
nog te vervullen, doch zij rieden hen dat te eischen van
de Aegineten, die ze hadden. Daarop zonden de Atheners
naar de Aegineten en eischten de beelden op; doch de
Aegineten beweerden, dat er niets was tusschen hen en de
Atheners.
85. De Atheners nu
verhalen, dat na deze opeisching met één
trireem die burgers afgezonden werden, welke uit alle
gemeenten uitgestuurd waren, en dezen in Aegina gekomen,
trachtten die beelden, als van hun eigen boomen zijnde,
van de voetstukken los te rukken, om ze weg te brengen.
Maar toen zij ze op die wijze niet bemachtigen konden,
wierpen zij snoeren om de beelden en trokken, en daar
zij trokken overviel hun donder en mèt den donder
een aardbeving, en de trekkende mannen van den trireem
raakten daardoor van zinnen, en in dien toestand doodden
zij elkander als vijanden, totdat één van
allen overgebleven naar Phalerus terugkwam.
86. De Atheners nu
beweren dat het zoo geschied is, volgens de Aegineten
echter waren de Atheners niet met één
schip gekomen, - één schip toch en nog
enkele meer hadden zij maklijk kunnen afweren, ook als
zij zelf geen schepen bezeten hadden -, doch met vele
schepen waren genen naar hun land gevaren, en zij zelf
waren geweken en hadden geen zeeslag geleverd. Maar dit
kunnen zij niet nauwkeurig aangeven: noch of zij inzagen
dat zij te zwak waren voor den zeeslag en daarom weken,
noch of zij vrijwillig deden, wat zij dan werkelijk
deden. De Atheners nu, toen niemand tot een gevecht hun
tegentrad, waren uit de schepen gestegen en naar de
beelden gegaan, doch daar zij ze niet van hun
voetstukken konden rukken, zoo dan hadden zij er snoeren
om geworpen en toen getrokken, totdat de zoo getrokken
beelden beiden hetzelfde ding hadden gedaan, - zij
zeggen, wat ik niet geloof, maar anderen wellicht -,
want zij waren voor genen op de knieën gevallen, en
van dien tijd af in dien toestand gebleven. Dit nu
zouden de Atheners gedaan hebben, doch de Aegineten,
zeggen deze zelf, vernemend dat de Atheners tegen hen
zouden oprukken, hadden den bijstand der Argiven
gewonnen. De Atheners dan waren op Aegina geland, en hun
zelf kwamen de Argiven te hulp en ongemerkt staken zij
van Epidaurus naar het eiland over, en de Atheners, die
niets daarvan vernomen hadden, die hadden zij van hun
schepen afgesneden en waren hen overvallen, en tegelijk
was op dien tijd de donder over hen gekomen en de
aardbeving.
87. Door de Argiven
zoowel als de Aegineten wordt dit nu verhaald, en door
de Atheners toegegeven, dat slechts één
enkele van hen gered werd en in Attica kwam; behalve dat
de Argiven verhalen dat die ééne was
overgebleven, toen zij het Attische leger vernietigden,
de Atheners echter dat de godheid dit vernietigd had;
en dat ook die ééne niet gered was, maar
op de volgende wijze omgekomen. Immers, naar Athene
gegaan meldde hij den ramp, en de vrouwen der naar
Aegina uitgetrokken mannen, toen zij dat vernamen,
werden toornig dat hij alleen van allen behouden was en
zij omringden en grepen dien man en staken hem met de
spangen hunner mantels en vroegen ieder van hen, waar
haar man was. En zoo dan was deze omgekomen, doch den
Atheners was de daad der vrouwen nog erger voorgekomen
dan de ramp. Zij wisten nu niets anders, waarmede zij de
vrouwen straffen zouden, doch zij veranderde hun
kleeding in de Ionische; want vóór dien
tijd toch droegen de vrouwen der Atheners de Dorische
kleeding, die geheel gelijkt op de Corinthische; zij
veranderden die dan in den linnen rok, opdat zij geen
spangen meer zouden gebruiken.
88. Om naar waarheid te
spreken, is die kleeding oorspronkelijk niet Ionisch
doch Carisch, daar oudtijds overal de Helleensche
kleederdracht der vrouwen dezelfde was, die wij nu de
Dorische noemen. De Argiven en de Aegineten besloten
daarop de volgende wet bij hun beiden in te voeren, dat
de vrouwen hun spangen de helft langer zouden maken, dan
de toen bestaande maat was, en in den tempel dier
godinnen moesten zij vooral spangen wijden, doch niets
anders uit Attica mocht in den tempel gebracht worden,
ook geen aardewerk, doch het zou voortaan wet daar zijn
uit inlandsche potten te drinken.
89. De vrouwen der
Argiven en Aegineten droegen dan sinds dien nog tot in
mijn tijd uit haat tegen de Atheners grootere spangen
dan vroeger, de aanvang echter van de vijandschap der
Atheners tegen de Aegineten was op gezegde wijze
gekomen. En als de Thebanen hen toen inriepen, kwamen de
Aegineten, het gebeurde met de beelden indachtig, gaarne
de Boeotiërs te hulp. De Aegineten dan verwoestten
de kusten van Attica, en den Atheners, toen zij tegen de
Aegineten wilden uittrekken, gewerd een orakel uit
Delphi, dat zij zich dertig jaar lang na het onrecht der
Aegineten zouden inhouden, in het een en dertigste
echter moesten zij een heiligdom aanwijzen voor Aeacus,
dan den oorlog tegen de Aegineten beginnen en zij zouden
verkrijgen, wat zij wilden; maar zoo zij terstond
optrokken, zouden zij in dien tusschentijd veel kwaad
lijden en ook doen, ten slotte echter het eiland
onderwerpen. Toen de Atheners dit bericht vernamen,
wezen zij een heiligdom voor Aeacus aan, hetzelfde dat
nu op de markt staat, doch hoorende, dat zij het dertig
jaar verdragen moesten van de Aegineten kwaad
ondervonden te hebben, duldden zij dat niet.
90. Doch daar zij zich
tot de wraak toerustten, kwam hun een onderneming door
de Lacedaemoniërs opgezet in den weg. Want de
Lacedaemoniërs vernemend, wat door de Alcmaeoniden
met de Pythia was gedaan, en door de Pythia tegen hen en
tegen de Pisistratiden, ergerden zich zeer, zoowel dat
zij mannen, hun gastvrienden, uit hun eigen land hadden
verdreven, als dat zij daarvoor gansch geen dank van de
Atheners ontvangen hadden. En bovendien nog daarbij
dreven hun orakelspreuken aan, zeggende, dat veel en
groot kwaad hun van de Atheners geworden zou, en die zij
vroeger niet kenden, doch toen, daar Cleomenes ze naar
Sparta bracht, vernamen. Cleomenes nu had uit den burcht
der Atheners de orakelspreuken genomen, die de
Pisistratiden vroeger bezaten, doch bij hun verdrijving
in den tempel achterlieten, en daar achtergelaten nam
Cleomenes ze weg.
91. Toen dan, als de
Lacedaemoniërs de spreuken hadden weggenomen en zij
de Atheners zagen machtig worden en geenszins geneigd
hun zelven te gehoorzamen, overwogen zij, dat de
Attische stam, tot vrijheid geraakt, tegen hun eigen
macht zou opwegen, doch door alleenheerschappij
bedwongen zwak zijn en gewillig gehoorzamen; dit alles
nu inziende ontboden zij Hippias, den zoon van
Pisistratus, uit Sigeüm bij den Hellespont,
[waarheen de Pisistratiden gevlucht waren]. En toen
Hippias op hun uitnoodiging gekomen was, ontboden de
Spartanen ook van de andere bondgenooten gezanten, en
spraken het volgende tot hen: "mannen bondgenooten, wij
zijn ons zelven bewust van een verkeerde daad; want
steunend op bedriegelijke orakelspreuken hebben wij
mannen, groote gastvrienden van ons, en die op zich
genomen hadden, Athene onderworpen te houden, die mannen
hebben wij uit hun vaderland verjaagd, en na die daad
hebben wij de stad aan een ondankbaar volk overgegeven;
en dit volk, toen het door ons bevrijd zich verheven
had, heeft ons en onzen koning beleedigd en verjaagd, en
nu, in waan opgeblazen, grijpt het om zich, zoodat hun
naburen, de Boeotiërs en de Chalcidiërs, ten
zeerste dat gemerkt hebben, en menig ander zijn dwaling
zal merken. Daar wij nu eenmaal met die daden gedwaald
hebben, zullen wij nu trachten met u daarheen te gaan en
wraak op hen te nemen. Want daarom juist hebben wij
dezen Hippias ontboden en u uit de steden, dat wij,
één van besluit en één van
leger, hem naar Athene terugbrengen en hem weergeven,
wat wij zelf ontnamen."
92. Genen nu zeiden dat,
doch de meerderheid der bondgenooten namen hun redenen
niet aan. De anderen nu bleven stil, doch Socles de
Corinthiër zeide het volgende:
§1. "Voorwaar, de hemel zal onder de aarde zijn en
de aarde boven de hemel zweven, de menschen zullen hun
woonplaats in de zee hebben en de visschen waar vroeger
de menschen, als gij, o Lacedaemoniërs, u toerust
om de gelijkgerechtigheid omver te werpen en de
alleenheerschappij in de steden wilt brengen, slechter
dan welke er geen ding bij de menschen is, noch
bloeddorstiger. Want indien het u werkelijk een goed
ding dunkt, dat de steden onder alleenheerschers zijn,
stelt dan eerst zelf bij u alleenheerschers aan en
tracht dan over anderen hen te plaatsen; nu kent gij
zelf geen alleenheerschers, en u op het zeerst hoedend
dat dit in Sparta geschieden zou, misbruikt gij het voor
uw bondgenooten. Doch wist gij wat het was, gelijk wij,
dan zoudt gij een betere meening daarover bij kunnen
brengen dan thans."
§2. Want in de stad der Corinthiërs was de
volgende inrichting, De heerschappij was van weinigen,
en dezen, Bacchiaden genoemd, bestuurden de stad en zij
gaven en namen onder elkander elkanders dochters ten
huwelijk. Amphion nu, een van die mannen, had een
dochter, die mank was; zij heette Labda. Daar geen der
Bacchiaden deze huwen wilde, bekwam Eëtion, zoon
van Echecrates, haar, die uit de gemeente Petra was,
doch van afkomst een Lapith en een Caenide. Doch uit
deze vrouw, noch uit een andere kreeg hij kinderen. Hij
reisde daarom naar Delphi om nakomelingschap. En zoodra
hij binnen trad sprak de Pythia hem toe met de volgende
woorden:
"O
Eëtion, groot is uw eer, doch geen wil u eeren.
Labda draagt, zij baart u een rolsteen, en storten zal
deze
Neer op de heerschers des lands en tuchtigen zal hij
Corinthus."
Deze spreuk voor
Eëtion werd bij toeval aan de Bacchiaden
overgebracht, wien het orakel, vroeger naar Corinthus
overgebracht, onverstaanbaar was, doch het duidde op
hetzelfde als dat van Eëtion en zeide het volgende:
"D'adlaar
broedt op de rotsen, dra komt een leeuw daar ter
wereld.
Vreeselijk is zijn geweld, en velen ontrooft hij het
leven.
Draagt dat wel in de geest, Corinthiërs, die om
de bronne
Schoone Pirene het land bewoont en den hoogen
Corinthus."
§3. Dit nu, vroeger
aan de Bacchiaden gegeven, was hun onverstaanbaar, doch
thans, na zij het aan Eëtion gegevene vernamen,
begrepen zij terstond, dat het vroegere met dat van
Eëtion in overeenstemming was. En daar zij nu ook
dat verstonden, bleven zij rustig, voornemens den spruit
van Eëtion te verderven. En zoodra zijn vrouw
gebaard had, zonden zij tien van zichzelven naar de
gemeente, waar Eëtion woonde, om het knaapje te
dooden. En dezen in Petra aangekomen en in den hof van
Eëtion getreden, vroegen om het knaapje: Labda nu,
geenszins wetende waarvoor genen gekomen waren en van
meening, dat zij uit vriendschap voor den vader er om
vroegen, bracht het en gaf het een hunner in handen.
Genen nu hadden onderweg besloten: de eerste van hen,
die het knaapje kreeg, zou het op de grond werpen. Toen
nu Labda het gebracht en gegeven had, - de man, die het
aannnam, door goddelijke beschikking lachte het knaapje
hem toe, en hij zag dat en een medelijden weerhield hem
het te doden, en in medelijden gaf hij het aan een
tweeden, deze een derden. En zoo ging het door alle tien
van den een naar den ander, daar niemand het wilde
ombrengen. Zij gaven dan het knaapje aan de moeder terug
en naar buiten gegaan, bleven zij staan bij de deur en
scholden en beschuldigden elkander en vooral hem, die het
kind 't eerst ontvangen had, dat hij niet volgens
het besluit had gehandeld, totdat zij na eenigen tijd
besloten weder naar binnen te gaan en het allen te samen
te dooden.
§4. Doch uit den spruit van Eëtion moesten
rampen voor Corinthus groeien. Want Labda, dicht bij de
deur staande, had dat alles gehoord, en uit vreeze, dat
genen veranderen zouden en het kind wederom nemen en het
dooden, droeg zij het weg en verborg het, waar zij de
meest onvindbare plaats kon bedenken, in een kist,
wetend, dat als genen terugkeerden en tot opsporing
overgingen, zij alles nazoeken zouden: wat dan ook
gebeurde. Want toen zij kwamen en het knaapje
niet te zien was, besloten zij te vertrekken en tegen
hun afzenders te zeggen, dat zij alles gedaan hadden,
wat genen opdroegen.
§5. En genen nu gingen heen en zeiden dat. Doch
Eëtions zoon groeide daarna op, en hem werd, toen
hij dat gevaar ontkomen was, naar den naam der kist de
naam Cypselus gegeven. Toen Cypselus man was geworden en
tot het orakel ging, ontving hij een dubbelgunstige
spreuk in Delphi, in vertrouwen waarop hij Corinthus
aanviel en won. De spreuk was de volgende:
"Zalig
voorwaar is de man, dien ik thans in mijn woning zie
treden;
Cypselus, zoon van Eëtion hij, en heer van
Corinthus;
Hij en zijn zonen ook, doch niet meer de zoons zijner
zonen."
Dit dan was de spreuk,
doch Cypselus, alleenheerscher zijnde, was dan een zulk
man: vele der Corinthiërs verdreef hij, vele
beroofde hij van hun goederen, doch verreweg de meesten
van het leven.
§6. Toen hij nu dertig jaren geheerscht had en zijn
leven in geluk geëindigd, volgde hem zijn zoon
Periander in de heerschappij op. Periander nu was in den
aanvang zachter dan zijn vader, doch toen hij door boden
met Thrasybulus, den alleenheerscher van Miletus,
verkeerd had, werd hij nog veel bloeddorstiger dan
Cypselus. Want hij zond een heraut tot Thrasybulus en
vroeg, welke regeling der zaken hij als de veiligste zou
invoeren om de stad op het schoonst te besturen.
Thrasybulus bracht den van Periander gekomene buiten de
stad en in een bezaaiden akker getreden, en door het
veld gaande, vroeg hij den bode tevens en vroeg hem
weder over zijn komst uit Corinthus, en sneed weg,
telkens wanneer hij een aar zag uitsteken, en hij sneed
die weg en wierp ze voort, totdat hij het schoonste en
dikste deel van het graanveld op die wijze vernietigd
had; en het land doorgegaan en geen enkel woord tot raad
gevend, zond hij den heraut weg. Toen de bode in
Corinthus was teruggekeerd, was Periander begeerig om
den raad te vernemen; doch de bode zei hem, dat
Thrasybulus hem niets geraden had, en hij verbaasde zich
over Periander, tot welk een man deze hem had
gezonden, die toch niet bij zinnen was en zich zelf
benadeelde, en hij verhaalde wat hij van Thrasybulus had
gezien.
§7. Doch Periander verstond het gedane en
begrijpend, dat Thrasybulus hem ried de aanzienlijkste
burgers te dooden, toen dan toonde hij de uiterste
slechtheid tegen de burgers. Want zooveel als Crypselus
met dooden en verbannen had overgelaten, dat ruimde
Periander geheel op, en op één dag liet
hij alle vrouwen der Corinthiërs de kleederen
uittrekken, om zijn vrouw Melissa. Want toen hij boden
had gezonden naar het land der Thesproten aan de
rivier de Acheron tot het doodenorakel over een
onderpand van een gastvriend, toen verscheen Melissa en
zeide hem niet te zullen aanwijzen, noch te zeggen, in
welke plaats het onderpand lag, want zij had het koud en
was naakt, want de kleederen, met haar begraven, hielpen
niets, daar zij niet mede verbrand waren; en het bewijs,
dat zij de waarheid sprak, was dit, dat Periander de
brooden in den kouden oven had geworpen. Toen dit aan
Periander geboodschapt was (want het teeken was te
geloofwaardig, daar hij Melissa als lijk bekend had),
liet hij terstond het bevel rondroepen, dat alle vrouwen
der Corinthiërs naar den Hera-tempel zouden gaan.
Zij nu kwamen als voor een feest in hun schoonsten tooi,
doch hij had heimelijk zijn lansdragers daar geplaatst
en liet toen hen allen gelijkelijk de kleederen
uittrekken, de vrijen zoowel de slavinnen; en alles
bracht hij te samen in een kuil en Melissa aanroepend
verbrandde hij het. Toen hij dit gedaan had en voor de
tweede maal zond, verklaarde hem de schim van Melissa de
plaats, waar zij het onderpand van de gastvriend
neergelegd had. "Zoodanig, weet het, is de
alleenheerschappij, o Lacedaemoniërs, en zulke
daden doet zij. Ons Corinthiërs had reeds
aanstonds groote verbazing bevangen, toen wij vernamen,
dat gij Hippias ontbonden hadt, doch nu verbazen wij ons
nog meer, dat gij zoo spreekt en wij roepen de
Helleensche goden tot getuigen, en bezweeren u, geen
alleenheerschappijen in de steden in te voeren. Doch
daar ge het niet laten zult, en trachten tegen het
billijke in Hippias terug te brengen, weet, dat de
Corinthiërs althans u niet bijvallen."
93. Socles nu, de gezant
uit Corinthus, zeide deze dingen, doch Hippias
antwoordde, dezelfde goden als gene aanroepend:
voorwaar, de Corinthiërs zouden het meest van allen
naar de Pisistratiden verlangen, wanneer de dagen
gekomen waren, hun beschoren om door de Atheners te
lijden. Hippias nu antwoordde met deze woorden, daar hij
het best der menschen de orakelspreuken kende, doch de
overige bondgenooten waren tot zoolang stil gebleven,
doch toen zij Socles vrijmoedig hoorden spreken, brak
ieder van hen zijn stem los en koos de meening van den
Corinthiër, en zij bezwoeren de Lacedaemoniërs
niets kwaads te doen aan een Helleensche stad.
94. Zoo dan ging deze
zaak niet verder. En aan Hippias, toen hij vandaar
wegtrok, wilde Amyntas, de koning der Macedoniërs,
Anthemus geven, en de Thessaliërs wilden hem Iolcos
geven. Hij koos echter geen van beiden, doch week weder
terug naar Sigeüm, dat Pisistratus gewapenderhand
aan de Mytilenaeërs ontnomen had, en na de
verovering had hij daar Hegesistratos als heerscher
aangesteld, zijn onechten zoon, uit een Argivische vrouw
geboren; en deze behield niet zonder strijd wat hij van
Pisistratus had ontvangen, want langen tijd beoorloogden
zij elkander uit de stad Achilleüm en uit
Sigeüm getrokken, de Mytilenaeërs en de
Atheners; de eersten, wijl zij het land terugeischten,
en de Atheners, wijl zij dat niet toegaven, doch met
redeneering toonden, dat de Aeoliërs niet meer
recht hadden op het Ilische land dan zij zelf en alle
anderen, zoovelen der Hellenen Menelaüs den roof
van Helena hielpen wreken.
95. In hun oorlog
geschiedden in de gevechten allerlei andere dingen, en
daaronder ook, dat Alcaeus de dichter, bij een treffen,
waarin de Atheners overwonnen, zelf vluchtte, doch de
Atheners zijn wapens kregen, en zij hingen die op in den
Athene-tempel te Sigeüm. Dit dichtte Alcaeus in een
lied en zond het naar Mytilene, terwijl hij zijn ongeval
aan Melanippus, zijn vriend, mededeelde. Doch de
Mytilenaeërs en de Atheners verzoende Periander, de
zoon van Cypselus, want tot dezen als scheidsrechter
hadden zij zich gewend; en hij verzoende hen aldus, dat
ieder van hen het land zou bezitten, dat hij
had.
96. Zoo dan was
Sigeüm aan de Atheners geraakt. Doch toen Hippias
uit Lacedaemon in Azië was gekomen, bewog hij
gansch het al: hij belasterde de Atheners bij
Artaphrenes en deed alles, opdat Athene in de macht van
hemzelf en van Darius zou komen; Hippias dan deed dit,
en de Atheners vernamen het en zonden boden naar Sardes,
daar zij de Perzen de verbannen Atheners niet wilden
laten gelooven. Doch Artaphrenes beval hen, als zij
veilig wilden zijn, Hippias weder bij zich te ontvangen.
Doch geenszins namen de Atheners de teruggebrachte
woorden aan; en daar zij ze niet aannamen, was het voor
hen een besloten zaak openlijke vijanden van de Perzen
te zijn.
97. Terwijl zij dit
besloten en bij de Perzen belasterd werden, juist op dat
oogenblik kwam de Milesiër Aristagoras, door
Cleomenes, den Lacedaemoniër, uit Sparta verdreven,
in Athene, want deze stad was verreweg de machtigste
onder de overigen. En in de volksvergadering opgetreden
zeide Aristagoras hetzelfde als in Sparta, over de
schatten in Azië en over het oorlogvoeren van de
Perzen, dat zij noch schild noch lans gebruikten en
gemakkelijk te overwinnen zouden zijn. Dit dan zeide hij
en daarbij dit, dat de Milesiërs een nederzetting
van de Atheners waren, en dat het billijk was zoo dezen,
van zulk een macht, hen redden, en niets was er, dat hij
niet beloofde en hij smeekte hevig, tot hij hen
overreedde. Want het scheen gemakkelijker te zijn velen
te bedriegen dan éénen, daar hij toch
Cleomenes, den Lacedaemoniër, die alleen was, niet
kon bedriegen, maar drie tienduizenden van de Atheners
dat wel deed. De Atheners dan lieten zich overreden en
namen het besluit twintig schepen tot hulp aan de
Ioniërs te zenden, en zij benoemden tot aanvoerder
daarvan Melanthius, een alleszins gezien man onder de
burgers; deze schepen nu waren de aanvang van rampen
èn voor de Hellenen èn voor de barbaren.
98. Aristagoras voer
vooruit weg en in Miletus gekomen, dacht hij een plan
uit, waarvan de Ioniërs gansch geen voordeel zouden
hebben, en zelfs deed hij het niet dààrom,
doch om koning Darius te kwellen: hij zond een man naar
Phrygië tot de Paeoniërs, - die van den rivier
de Strymon als krijgsgevangenen door Megabazus weggerukt
waren, en in Phrygië een streek en een dorp onder
elkander bewoonden -, welke bode, toen hij bij
de Paeoniërs gekomen was, het volgende zeide:
"Mannen Paeoniërs, mij zond Aristagoras, de
heerscher van Miletus, om u een middel tot redding aan
te geven, als ge hem volgen wilt. Want nu is
geheel Ionië tegen den koning opgestaan, en u staat
het vrij behouden naar uw eigen land te komen: tot aan
de zee nu moet gij zelf, doch daarna zullen wij er voor
zorgen." De Paeoniërs hoorden dit en hielden het
voor een groot geluk en zij namen hun vrouwen en
kinderen mede en vluchtten naar de zee; sommigen echter
van hen vreesden en bleven daar. En toen de
Paeoniërs bij de zee waren gekomen, staken zij van
daar naar Chius over. En zij waren reeds in Chius en
vlak op den voet kwam een groote menigte ruiters van de
Perzen aanzetten de Paeoniërs achterna. Toen zij
genen niet aantroffen, meldden zij naar Chius aan de
Paeoniërs, dat zij terug zouden komen. Doch de
Paeoniërs namen het bevel niet aan, maar de
Chiërs brachten hen van Chius naar Lesbos, de
Lesbiërs naar Doriscus en van daar begaven zij zich
te voet naar Paeonië.
99. Aristagoras, toen de
Atheners met twintig schepen gekomen waren, en vijf
triremen medebrachten van de Eretriërs, - die niet
ter wille van de Atheners medetrokken, doch van de
Milesiërs, om een ouden schuld aan hen te
betalen: want de Milesiërs hadden vroeger toch de
Eretriërs den krijg tegen de Chalcidiërs
helpen voeren, in den tijd toen de Samiërs de
Chalcidiërs tegen de Eretriëers en de
Milesiërs te hulp kwamen -, toen dezen dan gekomen
en ook de andere bondgenooten op de plaats waren, begon
Aristagoras den tocht naar Sardes. Hij zelf nu trok niet
mede maar bleef in Miletus, en anderen benoemde hij tot
veldheeren over de Miletiërs, zijn eigen broeder
Charopinus en uit de andere burgers Hermophantus.
100. De Ioniërs met
deze vloot in Ephesus gekomen, lieten de schepen in het
Ephesische Coresus, en zelf trokken zij met een groote
macht het land in en namen Ephesiërs tot gidsen.
Zij trokken langs de rivier de Caystrius, en vervolgens,
den Tmolus overgeklommen, kwamen zij in Sardes en namen
het zonder dat iemand hen weerstond, en behalve den
burcht namen zij al het andere; doch den burcht
verdedigde Artaphrenes zelf met een niet geringe macht
van mannen.
101. Dat zij de stad
plunderden na de inneming, daarin weerhield hen het
volgende. In Sardes waren de meeste huizen van riet, en
zooveel er ook van baksteen waren, die hadden toch
daken van riet. Toen nu een daarvan door soldaten in
brand werd gestoken, ging het vuur terstond van huis tot
huis en greep de geheele stad aan. Toen de stad brandde,
liepen de Lydiërs en alle Perzen, die in de stad
waren en aan alle kanten omringd, daar het vuur de
uiterste zijden der stad aangegrepen had en zij
geen uitweg uit de stad hadden, - daarom liepen zij te
samen op de markt en bij de rivier de Pactolus, die, hun
het goudzand van den Tmolus afvoerende, midden door de
markt stroomt en dan in de rivier de Hermus valt, en
deze weder in zee, - bij deze Pactolus dan en op de
markt verzamelden zich de Lydiërs en de Perzen en
waren gedwongen zich te verdedigen. Doch de Ioniërs
ziende, dat het eene deel der vijanden zich te weer
stelde, en een ander in groote menigte aankwam, vreesden
en weken naar den dus geheeten berg Tmolus, en van daar
trokken zij in den nacht naar de schepen terug.
102. Sardes dan brandde
af en daarin ook de tempel van de landsgodin Cybele, en
dit namen de Perzen naderhand tot voorwendsel om de
tempels in Hellas te verbranden. Toen echter de Perzen,
die binnen de rivier de Halys woonden, dit vernamen,
verzamelden zij zich en kwamen de Lydiërs te hulp.
En zij vonden de Ioniërs niet meer in Sardes, doch
zij volgden hun spoor en troffen hen te Ephesus aan. En
de Ioniërs schaarden zich tegenover genen, en
grepen hen aan, doch werden geheel en al verslagen. En
ook vele mannen doodden de Perzen van hen, en ook andere
belangrijken, en daaronder ook Eualcides, den veldheer
der Eretriërs, die in wedkampen kransen gewonnen
had en door Simonides van Ceüs zeer geprezen was;
en die van hen uit den slag ontkwamen, verspreidden zich
over de steden.
103. Toen dan streden zij
zóó. Daarna verlieten de Atheners de
Ioniërs geheel, en hoewel Aristagoras hen door
boden dringend inriep, weigerden zij hem langer
te helpen, en de Ioniërs van de hulp der Atheners
verstoken, nu zij eenmaal zoo ver waren gegaan tegen
Darius, rustten zij zich niet minder dan tot den oorlog
tegen den koning toe. Zij voeren naar den Hellespont en
onderwierpen Byzantium en alle andere steden daar aan
zich, en weder uit den Hellespont gevaren,
wonnen zij het grootste gedeelte van Carië tot
bondgenoot; want ook Caunus, dat vroeger niet mede wilde
strijden, toen Sardes verbrand was, dat kwam nu ook bij
hen.
104. De Cypriërs
kwamen uit eigen beweging bij hen, allen behalve de
Amathusiërs; want ook de Cypriërs
waren tegen de Meden opgestaan en wel aldus: Onesilus
was de jongere broeder van Gorgus, den koning der
Salaminiërs, en de zoon van Chersis, den zoon van
Siromus, den zoon van Euelthon. Deze man had ook
dikwijls vroeger bij Gorgus aangedrongen om van den
koning af te vallen, en thans, nu hij den opstand der
Ioniërs vernam, drong hij zeer sterk aan, doch toen
hij Gorgus niet overreedde, lette Onesilus nauwkeurig
op, dat gene de stad der Salaminiërs uitging, en
met hulp van zijn aanhangers sloot hij hem van de poort
af. Gorgus dan van de stad beroofd, vluchtte naar de
Meden, doch Onesilus heerschte over Salamis en
overreedde alle Cypriërs op te staan; de anderen nu
overreedde hij, maar de Amathusiërs, die hem niet
volgen wilden, voor hun stad sloeg hij het
beleg.
105. Onesilus dan
belegerde Amathus. Toen aan koning Darius bericht werd,
dat Sardes door de Atheners en de Ioniërs veroverd
en verbrand was en dat Aristagoras de Milesiër,
leider der onderneming en de bewerker geweest was, vroeg
hij eerst, naar men zegt, toen hij dat vernam, zonder
zich om de Ioniërs te bekommeren, wel wetend, dat
dezen niet ongestraft zouden zijn opgestaan, - vroeg hij
dan wie de Atheners waren; daarna, toen hij het vernomen
had, verlangde hij zijn boog en hij nam hem en legde een
pijl er op en schoot dien omhoog naar den hemel, en als
hij hem de lucht inzond, zeide hij: "O Zeus, moge ik mij
wreken op de Atheners." En dit zeide hij en beval aan
een van zijn dienaars, als hij den maaltijd nam, telkens
driemaal te roepen: "Heer, gedenk de Atheners."
106. Toen hij dit had
opgedragen, ontbood hij Histiaeus den Milesiër voor
zijn aangezicht, dien Darius reeds geruimen tijd bij
zich had gehouden, en zeide: "Ik verneem, Histiaeus, dat
uw plaatsvervanger, wien gij Miletus hebt toevertrouwd,
erge dingen tegen mij heeft verricht. Want hij heeft
mannen uit het andere vaste land tegen mij hierheen
gevoerd en met hen de Ioniërs, die boeten zullen
voor wat zij deden; dezen heeft hij bepraat genen te
volgen en mij van Sardes beroofd. Nu dan, schijnt u dat
wel wel te zijn als het hoort? En hoe kan zoo iets
geschied wezen zonder uw raad? Zie toe, dat ge niet
naderhand u zelf aan te klagen hebt."
Daarop antwoorde Histiaeus: "koning, welk woord hebt ge
daar geroepen? Zou ik een daad aanraden, waaruit u
eenige last, òf groot òf klein, groeien
zou? Wat zou ik met zulk een handeling beoogen kunnen,
en wat heb ik noodig? Ik heb toch alles, wat ook gij
hebt en al uw plannen word ik waardig gekeurd te
vernemen. Doch als dan mijn plaatsvervanger zoo iets
doet, als gij gezegd hebt, weet dan, dat hij dat op
eigen hand ondernomen heeft. Doch ik neem het bericht
gansch niet aan, dat de Milesiërs en mijn
plaatsvervanger iets ergs tegen uw macht mochten
vóór hebben. Doch als zij zoo iets doen en
gij de waarheid vernomen hebt, o koning, zie dan in, wat
gij gedaan hebt, toen gij mij van de zee wegruktet. Want
de Ioniërs schijnen, toen ik uit hun oogen ben
gegaan, gedaan te hebben wat zij reeds lang begeerden,
doch toen ik in Ionië was, zou geen enkele stad
hebben durven bewegen. Nu daarom, laat mij ten
spoedigste naar Ionië trekken, opdat ik alles weder
in den ouden toestand breng en ik den plaatsvervanger in
Miletus, die dat heeft aangelegd, in uw handen
overlever. Heb ik dat naar uw wensch volbracht, dan
zweer ik bij de koninklijke goden het kleed, waarin ik
naar Ionië ga, niet eerder uit te trekken
vòòr ik Sardo, het grootste eiland, u
schatplichtig heb gemaakt!"
107. Histiaeus zoo
sprekende bedroog genen, doch Darius liet zich
bepraten en zond hem heen en droeg hem op, als hij het
beloofde volbracht had, weder tot hem te Susa te komen.
108. Terwijl het bericht
over Sardes tot den koning kwam en Darius dat met den
boog deed en met Histiaeus sprak en Histiaeus door
Darius gezonden naar de zee trok, in al dien tijd
geschiedde het volgende. Toen Onesilus de
Salaminiër de Amathusiërs belegerde, ontving
hij bericht, dat Artybius, een Pers, een groot leger op
schepen aanvoerde en in Cyprus verwacht werd. Onesilus
vernam dit en zond boden naar alle plaatsen van
Ionië en riep hen op, en de Ioniërs overwogen
niet lang, doch kwamen met een groote vloot. De
Ioniërs dan waren te Cyprus gekomen en de Perzen,
met schepen uit Cilicië overgestoken, trokken te
voet naar Salamis, doch de Pheniciërs voeren met de
schepen het voorgebergte om, dat de Sleutels van Cyprus
heet.
109. Toen dit zoo
geschiedde, riepen de heerschers van Cyprus de
veldheeren der Ioniërs bijeen en zeiden: "Mannen
Ioniërs, wij geven u de keuze, wie van beiden gij
aanvallen wilt, de Perzen of de Pheniciërs. Want
indien gij te land geschaard met de Perzen kampen wilt,
dan is het tijd uit de schepen te gaan en u te land te
scharen, en wij moeten onze schepen bestijgen om tegen
de Pheniciërs te strijden; wilt gij echter u liever
met de Pheniciërs meten -, doch wat van beiden ge
ook kiezen moogt, gij moet maken dat, voor zoover het
van u afhangt, Ionië en Cyprus vrij zullen zijn."
Hierop antwoordden de Ioniërs: "ons heeft de bond
der Ioniërs gezonden om de zee te bewaken, maar
niet om de schepen aan de Cypriërs te laten en zelf
te land de Perzen te bestrijden. Waarvoor wij bevelen
hebben, daarin zullen wij trachten dapper te wezen; doch
gij moet, indachtig wat gij als slaven van de Meden
geleden hebt, flinke mannen zijn."
110. De Ioniërs nu
antwoordden dit; en daarna, toen de Perzen in de vlakte
der Salaminiërs kwamen, schaarden de vorsten der
Cypriërs de andere Cypriërs tegenover de
andere soldaten, doch het beste deel van de
Salaminiërs en de Soliërs kozen zij uit en
plaatsten dat tegenover de Perzen, en tegenover
Artybius, den aanvoerder der Perzen, plaatste Onesilus
uit eigen beweging zich zelf.
111. Artybius bereed een
paard, dat geleerd had tegenover een zwaar gewapende
rechtop te gaan staan. En toen Onesilus dat vernam, en
daar hij als schilddrager een Cariër van afkomst
had, zeer bekwaam in oorlogszaken en verder vol moed,
zeide hij tot hem: "ik verneem dat Artybius' paard
rechtop gaat staan en met pooten en bek ieder aanvalt,
tegen wien het gedreven wordt. Ga gij nu na en zeg mij
terstond, wien van beiden gij beloeren wilt en treffen,
het paard of Artybius zelf." Daarop zeide zijn dienaar:
"o koning, ik ben bereid zoowel beiden als
één van beiden te doen, en alles wat gij
opdraagt. Doch wat mij in uw geval het voordeeligst
schijnt te zijn, zal ik zeggen. Een koning en een
veldheer moet, beweer ik, een koning en een veldheer
aangrijpen. Want als gij den veldheer velt, dan is dat
iets groots, en ten tweede, als hij u velt, wat
niet gebeuren moge, dan is het slechts een half onheil
om zelf te sterven door een waardigen; wij dienaars
moeten met andere dienaren strijden en tegen het paard;
en de kunsten daarvan vrees die niet, want ik beloof u,
dat het nooit meer tegenover een man zal gaan staan."
112. Dit zeide hij en
terstond grepen de legers, te land er ter zee, elkander
aan. Ter zee nu muntten de Ioniërs dien dag uit en
overwonnen de Pheniciërs, en onder hen blonken de
Samiërs uit; en te land, zoodra de legers elkander
genaderd hadden, vielen zij op elkander en streden. Met
de beide veldheeren nu geschiedde dit. Toen Artybius op
zijn paard gezeten Onesilus naderde, sloeg Onesilus
volgens de afspraak met zijn schilddrager, op den
naderende Artybius zelf in; en het paard wierp zijn
pooten op Onesilus' schild, doch toen sloeg de Carier
met een sikkel en hieuw het paard de pooten af.
113. Artybius dan, de
veldheer der Perzen, viel daar op die plaats met zijn
paard. En toen de anderen streden, verliet Stesenor, de
heer van Curium, hen verraderlijk met een niet geringe
macht bij zich, - deze Curiërs worden gezegd een
nederzetting van de Argiven te zijn -, en na het verraad
van de Curiërs deden de strijdwagens van de
Salaminiërs hetzelfde als de Curiërs. Toen dit
geschied was, werden de Perzen sterker dan de
Cypriërs. En het leger wendde zich en vele anderen
vielen en dan ook Onesilus, de zoon van Chersis, die den
opstand der Cypriërs bewerkt had, en de koning der
Soliërs, Aristocyprus, zoon van Philocyprus, van
dien Philocyprus, dien Solon de Athener, in Cyprus
gekomen, in zijn gedichten van alle heerschers het meest
heeft geprezen.
114. Doch de
Amathusiërs, daar Onesilus hen belegerd had,
hieuwen hem het hoofd af en brachten dat naar Amathus en
hingen het boven de poort op. Terwijl het hoofd daar
hing en reeds hol was, drong een bijenzwerm er in en
vulde het met raten. Toen dit geschied was en de
Amathusiërs het orakel er over raadpleegden, werd
hun geantwoord, dat zij het hoofd moesten wegnemen en
begraven, en aan Onesilus als aan een heros ieder jaar
offeren, en deden zij dit, dan zou het hun goed gaan.
115. De Amathusiërs
nu deden dit nog tot in mijn tijd, doch de Ioniërs,
die bij Cyprus te zee gestreden hadden, toen zij
vernamen dat de zaak van Onesilus vernietigd was en de
andere steden der Cypriërs belegerd werden, behalve
Salamis, en de Salaminiërs dit overgegeven hadden
aan Gorgus, den vroegeren koning -, zoodra de
Ioniërs dit vernamen voeren zij terug naar
Ionië. Van de steden in Cyprus hield Soloe het
langste het beleg uit, doch de Perzen, door de muur
rondom te ondergraven, namen het in de vijfde
maand.
116. De Cypriërs
dan, een jaar lang vrij geweest, geraakten op nieuw in
slavernij. En Daurises, gehuwd met Darius' dochter, en
Hymaeus en Otanes, andere Perzische veldheeren, en ook
dezen gehuwd met dochters van Darius, joegen de
Ioniërs na, die naar Sardes waren getrokken, en
dreven hen in hun schepen, en overwinnend in den strijd,
verdeelden zij zich daarop en verwoestten de steden.
117. Daurises begaf zich
naar de steden in den Hellespont en nam Dardanus, nam
Abydus en Percotes en Lampsacus en Paesus. Deze nam hij
op één dag, doch toen hij van Paesus naar
den stad Parium trok, ontving hij de tijding, dat de
Cariërs met de Ioniërs gemeene zaak maakten en
van de Perzen waren afgevallen. Hij keerde zich daarom
uit den Hellespont en voerde zijn leger naar Carië.
118. En zeker werd dit
aan de Cariërs bericht vóór dat
Daurises gekomen was; en de Cariërs, het
vernemende, kwamen te samen bij de dusgeheeten Witte
Zuilen en de rivier de Marsyas, die uit het landschap
Idrias stroomend in de Maeander valt. En toen de
Cariërs daar bijeen waren, werden vele andere
voorslagen gedaan en de schoonste naar mij voorkomt de
Pixodarus, Mausolus' zoon, uit Cindye, die de dochter
van Syennesis, koning der Ciliciërs tot vrouw had;
de meening van dezen man wilde, dat de Cariërs de
Maeander zouden oversteken, en met de rivier in den rug
zóó strijden, opdat de Cariërs niet
naar achteren konden vluchten, en gedwongen daar te
blijven, nog dapperder dan naar hun aard zouden zijn.
Deze meening nu overwon niet, doch deze andere,
dat de Perzen liever de rivier in den rug moesten
hebben, dat zij zelf, klaarblijkelijk, wijl de Perzen op
de vlucht geslagen en in den strijd overwonnen, niet
ontkomen zouden doch in de rivier vallen.
119. Toen vervolgens de
Perzen gekomen waren en de Maeander waren overgestoken,
toen troffen bij de rivier de Marsyas de Cariërs
met de Perzen samen en zij streden een heftigen strijd
en langen tijd, doch werden eindelijk door de overmacht
overwonnen. Van de Perzen nu vielen er ongeveer
tweeduizend, doch van de Cariërs tienduizend. En
die van hen daar ontvlucht waren verzamelden zich te
Labraunda in een heiligdom van Zeus den Krijger, een
groot en heilig bosch van platanen: de Cariërs
alleen, van die wij weten, zijn het, die aan Zeus den
Krijger offers brengen. Dezen nu, daar verzameld,
beraadslaagden over hun redding, of zij door zich aan de
Perzen over te geven, of door Azië geheel te
verlaten, beter zouden doen.
120. En als zij daarover
beraadslaagden, kwamen hun de Milesiërs en hun
bondgenooten te hulp; toen lieten de Cariërs varen
wat zij eerst beraadslaagd hadden, en rustten zich
terstond wederom ten strijde. En zij troffen samen met
de aanrukkende Perzen, en in den strijd werden zij nog
meer dan vroeger overwonnen; en terwijl van allen velen
vielen, werden de Milesiërs het meest getroffen.
121. Daarna echter
maakten de Cariërs die nederlaag weder goed en
herstelden zich door strijd. Want vernemende, dat de
Perzen naar hun steden wilden oprukken, legden zij een
hinderlaag op den weg bij Pedasus, waar de Perzen des
nachts invielen en vernietigd werden èn zij
zelven èn hun aanvoerders, Daurises en Amorges en
Sisamaces; en met hen stierf ook Myrsus, de zoon van
Gyges. De leider van deze hinderlaag was Heraclides,
Ibanolis' zoon, een man uit Mylassa.
122. Dezen dan van de
Perzen werden zoo vernietigd, doch Hymaeus, ook een van
hen, die de naar Sardes getrokkene Ioniërs vervolgd
hadden, keerde zich naar de Propontis en nam het
Mysische Cius; na deze verovering, toen hij vernam, dat
Daurises van den Hellespont gegaan en naar Carië
was getrokken, verliet hij de Propontis en voerde zijn
leger naar den Hellespont, en hij veroverde alle
Aeoliërs zoovelen het landschap Ilias
bewonen, en hij veroverde de Gergithen, het overschot
van de oude Teucriërs, en Hymaeus zelf, na
verovering van die volkeren, stierf in Troas door een
ziekte.
123. Gene stierf dan zoo,
doch Artaphrenes, de onderkoning van Sardes, en Otanes
de derde veldheer werden aangesteld om tegen Ionië
en het aangrenzende Aeolië op te trekken. En zij
namen van Ionië Clazomenae, van de Aeoliërs
Cyme.
124. Toen de steden
genomen waren -, want Aristagoras de Milesiër was,
zooals hij toonde, niet hoog van ziel, daar hij toch
Ionië in verwarring gebracht en veel onrust verwekt
had, en nu op vlucht zon, daar hij dat zag, en bovendien
scheen het hem ook onmogelijk koning Darius te
overwinnen: daarom dan riep hij zijn aanhangers bijeen
en beraadslaagde, bewerende, dat het beter voor hen was
een toevluchtsoord te hebben, in geval zij uit Miletus
verdreven zouden worden, en of hij hen dan uit die
plaats naar Sardo zou voeren om een nederzetting te
stichten, of naar Myrcinus van de Edonen, dat
Histiaeus van Darius ten geschenke ontvangen en ommuurd
had. Dit vroeg Aristagoras.
125. De meening van
Hecataeus, Hegesanders' zoon, den geschiedschrijver,
wilde dat men naar geen van beide plaatsen zou gaan,
doch dat hij op het eiland Lerus een sterkte zou bouwen
en rustig daar blijven, als hij uit Miletus verdreven
werd; later echter kon hij van daaruit naar Miletus
terugkeeren.
126. Dit nu ried
Hecataeus, doch Aristagoras was het sterkst van meening
om naar Myrcinus weg te gaan. Hij vertrouwde daarom
Miletus aan Pythagoras, een gezien man onder de burgers;
en zelf, ieder die wilde medenemend, voer hij naar
Thracië en bezette het land, waarheen hij getrokken
was. Doch van daaruit op een tocht gegaan kwam
Aristagoras zelf om door de Thraciërs en ook zijn
leger, toen hij een stad belegerde en de Thraciërs
volgens verdrag vrijen aftocht zouden hebben.
|