terpsichore - vijfde boek
1 - 65

1. De Perzen in Europa door Darius achtergelaten, over wie Megabazus het bevel had, onderwierpen het eerst van de Hellespontiërs de Perinthiërs, die niet onder Darius wilden komen, en vroeger ook door de Paeoniërs zwaar geslagen waren.
Want de Paeoniërs van de Strymon, toen de god hen bij orakel beval tegen de Perinthiërs op te trekken, en als de Perinthiërs zich tegenover hen legerden en met hun naam hen toeriepen, dan genen aan te vallen , doch als zij hen niet toeriepen, dan niet aan te vallen, toen deden de Paeoniërs dat. Als nu de Perinthiërs zich in de voorstad tegenover hen legerden, toen geschiedde er volgens een uitdaging een drievoudig tweegevecht : want een man streed met een man, een paard met een paard en een hond met een hond. En toen nu de Perinthiërs in twee kampen overwonnen, en in hun vreugde den paean aanhieven, rieden de Paeoniërs dat het orakel dit juist meende en zij zeiden wel tot elkander : "nu zal het orakel vervuld kunnen worden, nu moeten wij handelen." En zoo overvielen de Paeoniërs de Perinthiërs daar zij den paean zongen, en overwonnen hen zéér en lieten weinige over.

2. Wat dan vroeger door de Paeoniërs gebeurde, geschiedde zóó, doch later waren de Perinthiërs dappere mannen voor hun vrijheid, maar de Perzen en Megabazus overwonnen hen door hun menigte. En toen Perinthus onderworpen was, voerde Megabazus zijn leger door Thracië, en bedwong voor den koning iedere stad en ieder volk, dat daar woonde. Want dit was hem door Darius opgedragen: Thracië te onderwerpen.

3. Het volk der Thraciërs is het grootste, na de Indiers althans, van alle menschen. Als het door één man beheerscht werd, of in gemeen overleg handelde, dan was het onoverwinnelijk en verreweg het sterkste van alle volkeren naar mijn meening. Doch daar dit niet kan, en het onmogelijk is, dat het ooit geschieden zal, daarom dan zijn zij zwak. Zij hebben vele namen, in iedere streek telkens een. Zij leven allen volgens ongeveer dezelfde gebruiken in alle zaken, behalve de Geten en de Trausiërs en zij, die boven de Crestonaeërs wonen.

4. En van deze menschen, wat nu de Geten doen, die aan de onsterfelijkheid gelooven, heb ik verhaald; doch de Trausiërs verrichten alle andere zaken evenals de andere Thraciers, doch met wie bij hen geboren wordt en wie sterft, doen zij het volgende. Om den pasgeborenen gaan de verwanten heen zitten en weeklagen, hoeveel rampen, nu hij geboren is, hij lijden moet, en zij tellen alle menschelijk lijden op, doch den gestorvenen begraven zij in de aarde met spel en vreugde, en gaan na van hoeveel rampen bevrijd hij in alle gelukzaligheid hij is.

5. Die boven de Crestonaeërs wonen, doen het volgende. Ieder van hen heeft vele vrouwen; wanneer nu een van hen sterft, ontstaat er een grote strijd onder zijn vrouwen en zijn vrienden gaan met grote ijver na, wie der vrouwen het meest door haar man bemind werd; en wie de voorkeur krijgt en den prijs ontvangt, die wordt geloofd door mannen en door vrouwen, en op het graf door haar naasten verwante geslacht, en na het slachten met haar man begraven. Doch de andere vrouwen trekken zich dit zeer aan, want dit is voor hen de grootste smaad.

6. Bij de andere Thraciërs nu is de volgende zede. Zij verkoopen hun kinderen voor uitvoer; de maagden bewaken zij niet, doch zij laten hen paren met welke mannen zij zelve willen, maar hun vrouwen bewaken zij scherp en zij koopen de vrouwen van hun ouders voor veel geld. En om gestipt te zijn geldt voor edel, ongestipt te zijn voor onedel. Werkeloos te zijn is het schoonst; den grond bewerken het schandelijkst; van krijg en roof leven het schoonst.

7. Deze zijn hun merkwaardigste zeden, doch zij vereeren alleen deze goden: Ares en Dionysus en Artemis. Maar hun koningen vereeren, afgescheiden van de andere burgers, Hermes het meest van alle goden en zweren bij hem alleen en beweren zelf van Hermes af te stammen.

8. De rijken worden op de volgende wijze begraven. Drie dagen stellen zij het lijk ten toon, en slachten allerlei offers en feesten, van te voren eerst hem beweenend. Dan maken zij een grafteeken, nadat zij het lijk verbrand of op een ander wijze ter aarde gebracht hebben, en hoopen een heuvel op en houden allerlei kampspelen, waarbij de grootste prijzen gegeven worden voor de tweegevechten, al naar hun beteekenis. Zoo dan is de begrafenis der Thraciers.

9. Over het land nog verder dan dat naar de noordewind gelegen kan niemand nauwkeurig berichten, welke menschen daar wonen, doch aan de overzijde van de Ister schijnt het land een woestijn te zijn, en zonder einde. Ik kan als de eenige bewoners over de Ister van menschen vernemen, die den naam Sigynners hebben, en Medische kleedij dragen. Hun paarden zouden over het gansche lichaam dichtharig zijn, met haren van vijf vingers lengte; zij zijn klein en stompneuzig en te zwak om mannen te dragen, doch, aan een wagen gespannen, zijn zij zeer snel, en daarom rijden de inboorlingen met den wagen. Hun gebied zoude reiken tot dicht bij de Veneters aan de Adriatische zee. En men zegt, dat zij een nederzetting van de Meden zijn. Hoe zij een nederzetting van de Meden kunnen zijn, kan ik wel niet inzien, doch in den langen loop der tijden kan alles gebeuren. Sigynners nu, dat weet ik, heeten bij de Liguriërs, die boven Massalië wonen, de kramers, en bij de Cypriërs de speeren.

10. Naar de Thraciërs beweren, hebben bijen de overkant van de Ister in bezit, en door dezen zou het niet mogelijk zijn verder door te dringen. Maar als zij dat zeggen, komen zij mij voor geenszins iets waarschijnlijks te zeggen; want die dieren zijn, zoals men weet, bang voor de koude; doch ik houd het land, onder den Beer gelegen, voor onbewoonbaar door de koude. Dat nu wordt over dat land verhaald; Megabazus dan maakt de kuststreken er van aan de Perzen onderworpen.

11. Darius, zoodra hij den Hellespont was overgestoken en in Sardes gekomen, dacht aan den dienst van Histiaeus den Milesiër en den goeden raad van Coës van Mytilene; hij riep hen op naar Sardes en liet hen iets kiezen. Histiaeus nu, reeds alleenheerscher immers van Miletus, verlangde geen heerschappij er meer bij, doch vroeg om Myrcinus in het land van de Edonen, wijl hij daar een stad wilde stichten. Hij dan koos dit, maar Coës, die toch geen heerscher was, maar gewoon burger, vroeg om over Mytilene te heerschen.

12. Toen deze zaken beiden toegestaan waren, begaven genen zich naar wat zij gekozen hadden, doch Darius overkwam het, dat hij de volgende zaak zag en toen verlangde aan Megabazus op te dragen om de Paeoniërs gevangen te nemen en hen uit Europa naar Azië over te plaatsen. Pigres en Mantyes waren Paeonische mannen, die, toen Darius naar Azië was overgetrokken, daar zij zelf over de Paeoniërs wilden heerschen, naar Sardes kwamen, en met zich voerden zij hun zuster, die groot was en schoon van uiterlijk. Zij letten op, als Darius in de voorstad van de Lydiërs was gezeten, en deden toen het volgende. Zij kleedden hun zuster zoo schoon zij konden, en zonden haar om water te halen met een kruik op het hoofd en met den arm een paard leidende en een spoel in de hand. Toen nu deze vrouw voorbijging, werd Darius opmerkzaam, want wat de vrouw deed, was noch Lydische zede, noch naar de wijze van eenig volk uit Azië. Toen hij nu opmerkzaam was geworden, zond hij enkele van zijn speerdragers en beval hen na te gaan, wat die vrouw met het paard doen zou. Dezen dan gingen haar achterna; maar zij, toen zij bij de rivier was gekomen, toen drenkte zij het paard, en na het drenken vulde zij den kruik met water en ging denzelfden weg weder langs, het water op het hoofd dragende en de spinklos draaiend.

13. Doch Darius verbaasde zich èn over wat hij van de verspieders hoorde èn over wat hij zelf zag, en beval de vrouw voor zijn aangezicht te brengen. Toen zij gebracht was, kwamen ook haar broeders aan, die niet ver van daar dat alles bespied hadden. En Darius vroeg van waar zij was, en de jongelingen zeiden, dat zij Paeoniërs waren en gene hun zuster was. Hij antwoordde toen met de vraag, wat voor menschen de Paeoniërs zijn en waar ter wereld zij wonen, en met welk verlangen zij naar Sardes waren gekomen. Genen verklaarden toen, dat zij gekomen waren om zich aan hem te geven, en dat Paeonië bij de rivier de Strymon bewoond werd, de Strymon echter niet ver van den Hellespont gelegen was, en zij zelven een nederzetting van de Teucriërs uit Troja waren. Zij dan zeiden al deze dingen, doch Darius vroeg hen, of ook alle vrouwen daar zoo arbeidzaam waren. En genen antwoordden ook hierover met ijver, dat het zoo was; want daarom juist was het ook door hen gedaan.

14. Toen schreef Darius een brief aan Megabazus, dien hij als veldheer in Thracië had achtergelaten en beval hem de Paeoniërs uit hun woonplaatsen te verdrijven en tot hem te brengen, hen zelven en ook hun kinderen en ook hun vrouwen. En terstond ging een ruiter en bracht de boodschap naar den Hellespont, en hij trok over en gaf het schrijven aan Megabazus. Deze las en nam gidsen uit Thracië en trok op naar Paeonië.

15. Toen de Paeoniërs vernamen, dat de Perzen tegen hen oprukten, verzamelden zij zich en trokken te velde bij zee, in de meening, dat de Perzen aan dien kant den inval beproeven zouden. De Paeoniërs dan waren gereed om het aanrukkende leger van Megabazus af te weren, doch de Perzen vernamen, dat de Paeoniërs zich verzameld hadden en den ingang bij de zee bewaakten, en met de gidsen wendden zij zich naar den hoogeren weg, en buiten weten der Paeoniërs vielen zij in hun steden, die zonder mannen waren. En daar zij de ledige steden aanvielen, veroverden zij ze zonder moeite. Doch toen de Paeoniërs vernamen, dat hun steden genomen waren, gingen zij terstond uiteen en begaven zich ieder naar zijn streek en gaven zichzelf aan de Perzen. Zoo dan werden van de Paeoniërs, de Siriopaeoniërs en de Paeoplers en de tot aan het Prasische meer wonenden uit hun woonplaatsen verdreven en naar Azië overgebracht.

16. Doch de Paeoniërs bij het Pangaesche gebergte [en bij de Doberenen en de Agrianers en de Odomanters] en bij het Prasische meer zelf, werden in 't geheel niet door Megabazus onderworpen. Doch hij had beproefd hen te verdrijven, die op de volgende wijze bij het meer wonen. Planken op hooge palen aan elkander vastgemaakt staan midden in het meer, en hebben een smallen toegang van het land met een enkele brug. De palen nu, die onder de planken staan, plaatsten de burgers oudtijds allen gemeenschappelijk, doch later plaatsten zij ze volgens de volgende zede. Uit een gebergte, van naam Orbelus, haalt ieder die trouwt, voor iedere vrouw, drie palen en heit die in, en ieder huwt verscheidene vrouwen. Zij wonen nu op de volgende wijze: ieder is in bezit van een hut op de planken, waarin hij leeft, en van een valdeur, die door de planken heen omlaag naar het meer gaat. De kleine kindertjes binden zij met een strik om het been vast, uit vrees, dat zij naar beneden zouden vallen. Aan de paarden en lastdieren geven zij visschen als voedsel; het aantal daarvan is zóó groot, dat, wanneer iemand de valdeur open maakt, hij met een snoer een ledigen korf in het meer aflaat, en na niet veel tijd nochtans trekt hij hem weder op met visschen gevuld. Die visschen zijn in twee soorten, die zij papracen en tilonen noemen.

17. De onderworpenen dan der Paeoniërs werden naar Azië gebracht. Doch toen Megabazus de Paeoniërs onderworpen had, zond hij boden naar Macedonië, zeven Perzische mannen, die na hem de aanzienlijksten in het leger waren; dezen werden naar Amyntas gezonden om aarde en water voor koning Darius te vragen. Er is nu van het Prasische meer een zeer korte weg naar Macedonië; want eerst naast het meer ligt de mijn, waaruit later een talent zilvers iederen dag voor Alexander inkwam; en na dezen mijn het dusgeheeten Dysorische gebergte overgestoken kan men in Macedonië zijn.

18. Toen nu deze uitgezonden Perzen bij Amyntas gekomen waren, eischten zij, voor Amyntas' aangezicht getreden, voor koning Darius aarde en water. En hij wilde ze geven en noodigde hen ook tot een gastmaal, en hij liet een prachtig gastmaal aanrichten en ontving de Perzen met oprechte gezindheid. Toen het maal geëindigd was, en de Perzen in het drinken wedijverden, spraken zij het volgende: "gastvriend Macedoniër, bij ons Perzen is het zede, wanneer wij een groot maal geven, dan ook onze bijzitten en wettige vrouwen mede te brengen, dat zij bij ons zitten. Gij nu, daar ge ons bereidwillig ontvangen en luisterrijk onthaald hebt, en aan koning Darius aarde en water wilt geven, volg onze zede." Amyntas zeide daarop: "O Perzen, bij ons is dat geen zede, doch dat mannen en vrouwen gescheiden zijn; doch wijl gij meesters zijt en dat verlangt, zult gij ook dat hebben." Zooveel zeide Amyntas en hij ontbood de vrouwen, en dezen, toen zij geroepen en gekomen waren, zetten zich naast elkander tegenover de Perzen. Toen nu de Perzen de schoon gevormde vrouwen zagen, spraken zij tot Amyntas, en beweerden dat die daad gansch niet verstandig was: want het was beter, dat de vrouwen in 't geheel niet gekomen waren, dan dat zij, gekomen en niet naast, doch tegenover hen gezeten, een smart voor de oogen waren. En Amyntas, zoo gedwongen, beval de vrouwen naast genen zich te zetten. Toen de vrouwen hem gehoorzaamd hadden, grepen de Perzen haar terstond aan de borsten, daar zij reeds te zeer dronken waren, en meer dan een trachtte ook haar te kussen.

19. Amyntas nu zag dit, en bleef kalm, hoezeer ook geërgerd, daar hij zeer bevreesd was voor de Perzen; doch Alexander, de zoon van Amyntas, die er bij zat en het zag, daar hij nu toch jong was en geen rampen ondervonden had, kon zich geenszins langer bedwingen, zoodat hij in zijn onwil tot Amyntas het volgende zeide: "O vader, luister gij naar uw leeftijd en ga heen en rust, en blijf niet bij het drinkgelag; doch ik zal hier op deze plaats blijven en al wat noodig is aan de gasten verschaffen." Amyntas begrijpende, dat Alexander erge dingen wilde doen, zeide daarop: "o knaap - want ik versta, denk ik, de woorden wel in uw hitte door u gesproken, dat gij mij wilt wegzenden en iets ergs doen; daarom smeek ik u niets kwaads tegen deze mannen te bedrijven, opdat ge ons niet te gronde richt, doch verdraag het om te zien wat geschiedt; doch in mijn weggaan zal ik uw wensch volgen."

20. Toen nu Amyntas dit verzocht had en was weggegaan, sprak Alexander tot de Perzen: "o gasten, over deze vrouwen kunt gij vrij beschikken, èn indien gij alle wilt beslapen èn zoo enkele slechts van haar. Daarover zult ge u zelf verklaren. Nu echter, - want het uur van slapen is nabij, en ik zie dat gij in een schoonen dronk zijt -, laat die vrouwen, als het u goed dunkt, gaan om zich te baden, en verwacht haar na het bad weder terug." Dit zeide hij en, - want de Perzen keurden het goed -, hij zond de binnengekomen vrouwen weg naar het vrouwenvertrek, en Alexander zelf kleedde gladwangige mannen, aan de vrouwen in aantal gelijk, met de kleeding der vrouwen en gaf hun dolken en bracht hen naar binnen, en toen hij hen binnen gebracht had, zeide hij tot de Perzen: "o Perzen, klaarblijkelijk wordt ge met een maal van alle gerechten onthaald, want al het andere, zooveel wij hadden en bovendien nog konden vinden en verschaffen, dat alles is vòòr u, en zelfs ook dit nog, het grootste van alles, onze eigen moeders en zusters zetten wij u in overvloed voor, opdat ge inziet, dat ge door ons geheel geëerd wordt, zooals ook behoort, en bovendien aan den koning, die u zond, boodschapt, dat de Helleensche man, de satraap van de Macedoniërs, u goed ontvangen heeft, èn met tafel èn met bed." Zoo sprekende plaatste Alexander naast iederen Perzischen man een Macedonischen man, in schijn een vrouw; en dezen, toen de Perzen hen trachtten aan te raken, brachten hen om.

21. En genen nu werden op deze wijze verdorven, èn zij zelven èn hun dienaren, want veel wagens en dienaars en hun gansche rijke uitrusting volgde hen, en dat alles verdween met hen allen. Niet veel tijd later geschiedde er een groot onderzoek naar die mannen door de Perzen, doch Alexander hield hen tegen door zijn sluwheid, en hij gaf hun veel geld en zijn eigen zuster, die Gygaea heette; hij hield hen tegen, terwijl hij dat aan Bubares, den Pers gaf, den aanvoerder van hen, die de omgekomenen zochten.

22. De moord dier Perzen werd dan zoo door stilzwijgen verborgen. Dat echter genen, die van Perdiccas afstammen, Hellenen zijn, gelijk zij ook zelf beweren, dat weet ik zelf ook en zal in mijn latere geschiedenissen aantoonen, dat zij Hellenen zijn; bovendien hebben ook de Hellenenrechters, die in Olympia den wedstrijd regelen, geoordeeld, dat het zoo is. Want toen Alexander van zins was mede te kampen en daarvoor naar Olympia trok, verlangden de Hellenen, die met hem kampen zouden, zijn uitsluiting, bewerende, dat de strijd niet moest gestreden worden met barbaren, doch met Hellenen; doch toen Alexander toonde, dat hij een Argiver was, werd hij een Helleen geoordeeld te zijn en na den wedloop werd tusschen den eersten en hem over de overwinning gestemd.

23. Die dingen nu geschiedden dan zoo ongeveer. Doch Megabazus nam de Paeoniërs mede en kwam aan den Hellespont, en van daar overgestoken kwam hij in Sardes. Daar nu Histiaeus van Miletus het geschenk reeds ommuurde, dat hij op zijn bede van Darius verkregen had als loon voor het bewaken van de brug, (terwijl die plaats, Myrcinus genaamd, bij de rivier de Strymon ligt), zeide Megabazus, die vernam wat door Histiaeus gedaan werd, zoodra hij met de Paeoniërs in Sardes was aangekomen, tot Darius het volgende: "o koning, wat voor daad hebt gij gedaan, daar gij aan een Helleensch man, bekwaam en slim, gundet een stad te stichten in Thracië, waar overvloed van bosch voor den scheepsbouw is en hout voor riemen en mijnen van zilver, en een talrijke menigte rondom woont èn van Hellenen èn van barbaren, die als zij een aanvoerder genomen hebben, alles zullen doen, waartoe hij hen drijft, èn bij dag èn bij nacht. Gij daarom, weerhoud dien man in dat werk, opdat ge niet in binnenlandschen krijg geraakt. Laat hem op zachte wijze ontbieden en weerhoud hem zoo; dan, als gij hem gevat hebt, maak dat hij nooit meer naar de Hellenen teruggaat."

24. Zoo sprak Megabazus en hij overreedde Darius gemaklijk, daar hij goed vooruit zag, wat geschieden zou. Daarop zond Darius een bode naar Myrcinus en zeide het volgende: "Histiaeus, koning Darius zegt het volgende. Ik heb overwogen en vind geen man meer welgezind aan mij en mijn macht dan zij gijt. En dat weet ik niet door ervaring van woorden, doch van daden. Nu dan, want ik ben van zins groote dingen te verrichten, kom op alle wijzen hier, opdat ik ze u voorlegge." Histiaeus vertrouwde op deze woorden, en daar hij het zeer hoog schatte raadsman van den koning te zijn, ging hij naar Sardes. En toen hij gekomen was, zeide Darius het volgende: "Histiaeus, ik heb u hierom ontboden. Zoodra ik uit Scythië ben teruggekeerd en gij uit mijn oogen zijt geraakt, heb ik geen ander ding in dien korten tijd zoo zeer verlangd, als u te zien en dat gij met mij spreken zoudt; want ik zag in, dat het kostbaarste van alle goederen een vriend is, verstandig en welgezind, wat ik beiden van u weet en voor mijn aangelegenheden getuigen kan. Nu daarom, want ge gebt goed gedaan hier te komen, stel ik u het volgende voor. Laat Miletus varen en de nieuw gestichte stad in Thracië, doch volg gij mij naar Susa en heb, wat ik zelf ook heb, als mijn tafelgenoot en raadsman."

25. Dit zeide Darius, en Artaphrenes, zijn eigen broeder uit den zelfden vader stelde hij tot onderkoning van Sardes aan en trok naar Susa en nam Histiaeus met zich, doch Otanes benoemde hij tot veldheer over de mannen aan de kust; diens vader Sisamnes had koning Cambyses, toen gene een van de koninklijke rechters was, daar hij voor geld een onbillijk vonnis geveld had, geslacht en geheel den huid afgevild, en na het afvillen van den huid sneed hij er riemen uit en vlocht die in de zitting van den zetel, waarop gene zat als hij recht sprak, en zoo, na ze ingevlochten te hebben, benoemde Cambyses tot rechter, in plaats van Sisamnes dien hij gedood had en gevild, den zoon van Sisamnes, en beval hem indachtig te wezen op welken zetel hij zat als hij recht sprak.

26. Deze Otanes dan, die op dien zetel geplaatst was, werd toen opvolger van Megabazus als veldheer, en hij veroverde de Byzantiërs en de Chalcedoniërs, en veroverde Antander in het Trojaansche land, en veroverde Lamponium, en toen hij schepen van de Lesbiërs gekregen had, veroverde hij Lemnus en Imbrus, die beiden toen nog door Pelasgen bewoond werden.

27. De Lemmiërs nu streden goed, doch na langen tijd zich verdedigd te hebben, werden zij vernietigd. Over de overgeblevenen stelden de Perzen als onderkoning Lycaretus aan, den broeder van Maeandrius, die over Samus koning was geweest. Deze Lycaretus heerschte in Lemmus tot hij stierf. De oorzaak daarvan was de vogende. Otanes maakte allen slaaf en onderwierp hen, terwijl hij de eenen beschuldigde terug gebleven te zijn van den tocht tegen de Scythen, de anderen, dat zij het leger van Darius bij zijn terugkomst uit het Scythenland schade hadden toegebracht.

28. Zooveel dan volbracht hij als veldheer. Daarna was er, voor niet veel tijd, een verlichting van rampen; daar begonnen ten tweeden male van Naxus en Miletus uit rampen de Ioniërs te overvallen. Want zowel stak Naxus in welvaart boven de andere eilanden uit, als was ook in dien zelfden tijd Miletus in zijn grootsten bloei en zelfs het sieraad van Ionië, terwijl het vòòr dien tijd, gedurende twee menschengeslachten, ten zeerste door burgertwist geleden had, totdat de Pariërs ze bijlegden; want hen kozen de Milesiërs uit alle Hellenen als beslechters.

29. Doch de Pariërs verzoenden hen aldus. Toen hun aanzienlijkste mannen in Miletus waren gekomen, en natuurlijk zagen, hoezeer daar de bijzondere zaken slecht gingen, zeiden zij, dat zij het land door wilden trekken. En zij deden dat en trokken geheel Milesië door, en waar zij in het verwoeste land een goed onderhouden akker vonden, daar schreven zij den naam van den heer des akkers op. Toen zij nu het gansche land waren doorgetrokken en weinige zulke menschen gevonden hadden, riepen zij, zoodra zij in de stad waren gekomen, een vergadering bijeen, en verklaarden dat genen de stad moesten besturen, wier akker zij goed onderhouden hadden gevonden, want dezen schenen hun toe, beweerden zij, ook voor de openbare zaken zoo goed te zullen zorgen, als voor hun eigene; de overige Milesiërs, die vroeger in twist waren geweest, bevalen zij genen te gehoorzamen.

30. Zoo dan brachten de Pariërs de Milesiërs tot vrede. Doch toen begonnen uit die steden de rampen op de volgende wijze aan Ionië te overvallen. Uit Naxus werden mannen, tot de rijken behoorend, verbannen, en verbannen geworden kwamen zij naar Miletus. De bestuurder van Miletus was toen juist Aristagoras, zoon van Molpagoras, en zwager en neef van Histiaeus, Lysagoras' zoon, dien Darius in Susa terug hield; want Histiaeus was heerscher van Miletus en geviel in Susa te wezen juist in dien tijd, toen de Naxiërs kwamen, die vroeger gastvrienden van Histiaeus waren. De Naxiërs nu, in Miletus gekomen, vroegen Aristagoras, of hij hun niet eenige macht kon verstrekken en zij zoo naar hun eigen stad terugkeeren. En gene overlegden, dat hij, zoo zij door hem in de stad terugkeerden, heer van Naxus zou worden, en gebruikte de gastvriendschap van Histiaeus als voorwendsel en deed hun den volgenden voorslag. "Ik zelf kan u er niet borg voor staan, dat ik u een macht kan verschaffen groot genoeg om u terug te brengen tegen den zin der Naxiërs, die de stad hebben, want ik verneem, dat de Naxiërs achtduizend schilden bezitten en vele lange schepen, doch zal ik met allen ijver een middel uitdenken. En ik denk, dat het zóó zal gaan. Artaphrenes is mijn vriend; deze Artaphrenes, let wel, is de zoon van Hystaspes, broeder van koning Darius, en heer over alle kustbewoners in Azië; hij heeft een groot leger en vele schepen. Deze man nu, geloof ik, zal alles doen, wat wij hem verzoeken." Dit hoorden de Naxiërs en zij droegen aan Aristagoras op te handelen zoo goed hij kon, en zij rieden hem aan geschenken te beloven en uitgaven voor het leger, daar zij die zelf vergoeden zouden, en hadden veel hoop, dat, wanneer zij bij Naxus verschijnen zouden, de Naxiërs alles zouden doen wat de ballingen bevalen, en zoo ook de andere eilanders. Want van die Cycladische was er nog geen enkel in Darius' macht.

31. Doch Aristagoras in Sardes gekomen zeide tot Artaphrenes, dat Naxus een eiland was, niet groot in grootte, doch overigens schoon en goed en dicht bij Ionië, en veel goederen en slaven waren erin. "Trek gij daarom op naar dat land en breng de ballingen er van daarheen terug. En als gij dat doet, is vooreerst veel geld bij mij voorhanden, buiten de onkosten voor het leger (want die moeten wij, de leiders, billijkerwijze verschaffen) en ten tweede zult gij eilanden voor den koning bij het uwe winnen, Naxus zelve en die daar van afhangen, Parus en Andrus, en anderen, de zoogenaamde Cycladen. Rukt ge dan verder, dan kunt ge gemakkelijk Euboea aanvallen, een groot en welvarend eiland en niet kleiner dan Cyprus en zeer licht te nemen. Honderd schepen zij voldoende om die allen te onderwerpen." En gene antwoordde hem het volgende: "Gij zijt een raadgever van goede dingen voor het huis des konings, en dat alles raadt gij naar behooren, behalve het aantal der schepen; want in plaats van honderd schepen zullen er met de lente tweehonderd voor u gereed zijn. Doch ook de koning zelf zal dit alles moeten goedkeuren."

32. Toen nu Aristagoras dit hoorde, was hij zeer verheugd en ging weder naar Miletus. Artaphrenes echter, toen hij naar Susa gezonden had en de woorden van Aristagoras voorgelegd en Darius zelf ze goedkeurde, rustte hij tweehonderd triremen uit, en een zeer groote schare van Perzen en de andere bondgenooten, en stelde als hun aanvoerder Megabates aan, een Perzisch man, behoorende tot de Achaemeniden, neef van hemzelf en van Darius, en met wiens dochter Pausanias, zoon van Cleombrotus, den Lacedaemoniër, indien althans het verhaal waar is, in later tijd zich verloofde, uit begeerte alleenheerscher over Hellas te worden. En nadat hij Megabates tot veldheer benoemd had, zond Artaphrenes het leger naar Aristagoras.

33. En Megabates nam Aristagoras uit Miletus mede en de Ionische vloot en de Naxiërs en voer in schijn naar den Hellespont, en toen hij in Chius gekomen was, hield hij zijn schepen bij Caucasa stil, opdat hij van daar met den noordenwind naar Naxus zou oversteken. En (want de Naxiërs moesten nog niet door deze tocht omkomen) het geviel dat de volgende zaak geschiedde. Toen Megabates de ronde deed bij de scheepswachten, was er op een Myndisch schip niemand op wacht; hij nam dit hoog op en beval zijn speerdragers den meester van dit schip te vinden, wiens naam Scylax was, hem te binden en hem zóó door het onderste riemgat van het schip te steken, dat zij zijn hoofd naar buiten brachten, zijn lichaam naar binnen. Toen nu Scylax gebonden was, meldt iemand aan Aristagoras, dat Megabates zijn Myndischen gastvriend geboeid had en beleedigd. En hij ging en smeekte den Pers, doch hij verkreeg niets van wat hij had verzocht, en ging zelf en maakte genen los. En toen Megabates dit vernam, was hij zeer toornig en voer uit tegen Aristagoras. Doch deze zeide: "wat is er tusschen u en deze zaken? Heeft Artaphrenes u niet gezonden om mij te gehoorzamen en te varen, waarheen ik beveel? Waar bemoeit gij u mede?" Dit zeide Aristagoras, doch de ander toornde daarover, en toen de nacht gekomen was, zond hij mannen in een schip naar Naxus om aan de Naxiërs mede te deelen alles wat hen te wachten stond.

34. De Naxiërs immers hadden in 't geheel niet verwacht, dat deze tocht tegen hen zou optrekken. Toen zij het echter vernamen, brachten zij terstond hun goederen uit de akkers in de vesting, en daar zij belegerd zouden worden, brachten zij spijs en dranken bijeen, en herstelden de muur. En zij nu rustten zich toe, daar zij oorlog zouden hebben, doch genen, toen zij de schepen van Chius naar Naxus hadden overgebracht, vielen welverdedigde mannen aan en belegerden vier maanden lang. Toen nu het geld, dat de Perzen bij hun komst hadden, toen dat verteerd was en Aristagoras zelf veel nog daarbij had uitgegeven, en het beleg nog meer noodig had, toen bouwden zij sterkten voor de ballingen uit Naxus en keerden in slechten toestand naar het vasteland terug.

35. Aristagoras kon dus zijn belofte aan Artaphrenes niet vervullen, en tegelijk drukten hem de onkosten voor den tocht, die teruggeëischt werden, en was hij beangst door den slechten staat van zijn leger en door zijn vijandschap met Megabates, en hij verwachtte ook de heerschappij over Miletus te zullen verliezen. Daar hij nu al die dingen vreesde, beraamde hij een afval; want het gebeurde toen ook, dat de op het hoofd gestipte slaaf uit Susa van Histiaeus kwam, met de aanwijzing, dat Aristagoras tegen den koning zou opstaan. Want Histiaeus, toen hij aan Aristagoras wilde aanduiden om af te vallen, wist dat op geen enkele andere wijze veilig aan te duiden, daar de wegen bewaakt werden, doch hij schoor zijn trouwsten slaaf het hoofd kaal en bestipte het, en liet de haren groeien, en zoodra die aangegroeid waren, zond hij hem naar Miletus, en droeg niets anders op, doch als hij in Miletus gekomen zou zijn, dan Aristagoras te raden, dat hij hem de haren zou afscheeren en op zijn hoofd zou zien; de stippen nu, zooals ik te voren reeds gezegd heb, rieden een opstand aan. Dit deed Histiaeus in grooten onwil over zijn terughouding in Susa; als er een opstand kwam had hij veel hoop naar zee gezonden te worden, doch als Miletus niets kwaads deed, rekende hij er nooit meer te zullen heengaan.

36. Histiaeus nu had dat in den zin en zond den bode, doch voor Aristagoras geschiedden al deze dingen te samen op denzelfden tijd tegelijk. Hij beraadslaagde daarom met zijn aanhangers, en openbaarde zijn eigen mening en wat van Histiaeus gekomen was. De anderen nu gaven allen dezelfde meening te kennen, en rieden hem op te staan, doch Hecataeus de geschiedschrijver wilde ten eerste niet, dat hij een oorlog tegen den koning van Pezië zou ondernemen, en hij noemde al de volkeren op, waarover Darius heerschte, en zijn macht. Doch toen hij genen niet overreedde, ried hij hen in de tweede plaats aan, te maken, dat zij met hun schepen meesters van de zee zouden worden. Op een andere wijze nu, zei hij in zijn rede, zag hij in 't geheel niet in, dat dit zou geschieden, - want hij wist, dat de macht der Milesiërs zwak was, - doch als de schatten uit den tempel van Branchidae werden weggenomen, die Cresus de Lydiër gewijd had, dan had hij veel hoop meester van de zee te worden; en zóó zouden zij zelf de schatten kunnen gebruiken, en de vijanden ze niet plunderen. Die schatten nu waren groot, zooals ik in de eerste van mijn geschiedenissen heb verhaald. Deze meening nu overwon wel niet, maar toch besloten zij op te staan, en dat een van hen naar Myus zou varen, naar het kamp en de vloot, die uit Naxus was teruggekomen en daar lag, en trachten zou de veldheeren op de schepen gevangen te nemen.

37. Toen nu Iatragoras op die zaak uitgezonden werd, en door list Oliatus, zoon van Ibanoolis uit Mylassa, gegrepen had, en Histiaeus, zoon van Tymnes, uit Termera en Coës, zoon van Erxander, wien Darius Mytilene geschonken had, en Aristagoras, zoon van Heraclides, uit Cymea, en vele anderen, toen dan stond Aristagoras openlijk op, en deed alles tegen Darius. En eerst nu legde hij in schijn de alleenheerschappij neder en voerde gelijkheid van rechten in Miletus in, opdat de Milesiërs gaarne met hem zouden opstaan; daarna deed hij hetzelfde in het overige Ionië: deels verjoeg hij de alleenheerschers, doch de alleenheerschers welke hij gegrepen had van de naar Naxus medegevarene schepen, die leverde hij, om zich vriendelijk voor te doen, aan de steden uit, elk aan de stad, waar een ieder vandaan was.

38. Coës nu werd door de Mityleners, zoodra zij hem ontvangen hadden, naar buiten gebracht en gesteenigd, doch de Cymaeërs lieten de hunnen gaan, en evenzoo lieten de meeste anderen de hunnen gaan. Zoo werd dan aan de alleenheerschers in de steden een einde gemaakt. Doch Aristagoras de Milesiër, toen hij de alleenheerschers verjaagd had, beval in ieder der steden een bewindvoerder aan te stellen, en ging vervolgens zelf in een trireem naar Sparta, want er moest voor hem een machtige bondgenoot gevonden worden.

39. In Sparta nu was Anaxandrides, Leon's zoon, niet meer in leven en koning, maar hij was gestorven, doch Cleomenes, zoon van Anaxandrides, had het koningschap, en had dat niet om zijn dapperheid, maar om zijn geboorte. Want Anaxandrides had tot vrouw de dochter van zijn zuster, en hoewel hij haar lief had, kwamen er geen kinderen. Toen dit nu zoo was, lieten de Ephoren hem roepen en zeiden: "Indien gij ook al niet voor u zelf zorgt, zoo mogen wij toch niet dulden, dat het geslacht van Eurysthenes uitsterft. Gij nu, de vrouw die gij hebt, en die immers niet baart, verstoot haar, en huw een ander, en zóó doende zult gij den Spartanen aangenaam zijn." Doch gene antwoordde en beweerde geen van beide te zullen doen, en zij rieden hem niet schoon, daar zij hem aanspoorden de vrouw, die hij had, en die niets tegen hem misdreven had, die te verstooten en een ander te huwen, en hij zou hun niet gehoorzamen.

40. Daarop beraadslaagden de Ephoren en de ouden en deden Anaxandrides den volgenden voorslag: "daar wij u zoo gehecht zien aan de vrouw, die gij hebt, doe gij dan dit, en weerstreef het niet, opdat de Spartanen niet een ander besluit over u nemen. De vrouw, die ge hebt, vragen wij u niet te verstooten: geef haar alles, wat ge haar nu geeft, en neem een andere vruchtbare vrouw er bij." Toen zij dit ongeveer zeiden, gaf Anaxandrides toe, en daarna woonde hij met twee vrouwen en twee haarden, en deed wat geenzins Spartaansch was.

41. Niet veel tijd daarna baarde de laatst gekomen vrouw dien Cleomenes dan. En zij nu schonk een troonerfgenaam aan de Spartanen, en de eerste vrouw, die in den vroegere tijd geen kinderen gekregen had, werd juist toen ook zwanger, terwijl zij dus dat ongeluk daarbij had. Terwijl zij in waarheid droeg en de verwanten van de tweede vrouw dat vernamen, maakten dezen misbaar, en beweerden dat zij veinsde en een kind wilde onderschuiven. Daar zij hevig aangingen, gingen de Ephoren, toen de tijd nabij was, uit wantrouwen om de vrouw heenzitten, daar zij baarde en bespiedde haar. En zij, toen zij Dorieus gebaard had, ontving terstond Leonidas, en na dezen ontving zij terstond Cleombrotus; sommigen beweren ook, dat Cleombrotus en Leonidas tweelingen waren. Doch de vrouw, die Cleomenes gebaard had en het laatst gekomen was, de dochter van Prinetadas, Demarmenus' zoon, baarde niet meer ten tweede male.

42. Cleomenes nu, naar gezegd wordt, was niet recht bij zinnen, en geheel razend, doch Dorieus was de eerste van al zijn tijdgenooten en was er zeker van, dat hij om zijn dapperheid het koningschap hebben zou. Hij nu meende zoo, en toen Anaxandrides gestorven was en de Lacedaemoniërs volgens de wet den oudsten, Cleomenes, tot koning benoemden, trok Dorieus dit zich zéér aan, en daar hij niet door Cleomenes beheerscht wilde worden, vroeg hij om volk aan de Spartanen en bracht dat weg om een nederzetting te stichten, terwijl hij noch aan het orakel in Delphi vroeg naar welk land hij ter nederzetting gaan zou, noch een van de gebruikelijke zaken deed, doch in zijn onwil richtte hij de schepen naar Libye: Theraesche mannen leidden hem. En in Libye gekomen vestigde hij zich bij de rivier, de Cinyps, in de schoonste streek van de Libyers. Doch in het derde jaar door de Macers en de Libyers en de Carthagers van daar verdreven, kwam hij terug in den Peloponnesus.

43. Toen ried Antichares, uit Eleon, volgens de orakelspreuken van Laïus, hem aan, in Heraclea te Sicilië zich neder te zetten, bewerende, dat het gansche land van den Eryx van de Heracliden was, door Heracles zelven veroverd. Hij hoorde dat, en ging naar Delphi om het orakel te vragen, of hij het land nemen zou, waarheen hij trekken wilde, en de Pythia antwoordde hem het te nemen. Toen nam Dorieus de vloot, die hij ook naar Libye gevoerd had, en zeilde naar Italië.

44. In dien tijd, naar de Sybariten beweren, wilden zij zelf en hun koning Telys tegen Croton optrekken, doch de Crotoniaten waren bevreesd en verzochten Dorieus hem te helpen en verkregen, wat zij verzochten; Dorieus dan trok mede op tegen Sybaris en nam Sybaris mede in. Dit nu beweren de Sybariten, dat Dorieus en de zijnen gedaan hebben, doch de Crotaniaten zeggen, dat geen enkele vreemdeling aan den oorlog tegen de Sybariten deel heeft genomen, behalve Callias alleen, een Elische ziener, van het geslacht der Iamiden, en deze op de volgende wijze. Hij was van Telys, den heerscher der Sybariten, weggeloopen en tot hen gekomen, daar de offers voor den tocht tegen Croton niet gunstig waren uitgevallen. Dit nu verhalen dezen.

45. En als getuigenissen voor die zaken voeren beiden de volgende dingen aan: de Sybariten een heiligen grond en een tempel bij de drooge Crathis, welken, naar zij zeggen, Dorieus opgericht heeft voor Athenaia, bijgenaamd de Cratische, toen hij de stad mede had ingenomen; en ook achten zij den dood van Dorieus als een zeer groote getuigenis, wijl hij omkwam door tegen het orakel te handelen; want indien hij toch niets bedreven had buiten datgene, waarvoor hij was uitgetrokken, dan zou hij het Erycinische land veroverd hebben en na de verovering ook behouden, en niet zelf met zijn leger omgekomen zijn. De Crotoniaten daarentegen voeren vele uitgekozen landerijen aan in het Crotoniatische land aan Callias van Elis geschonken, en die nog in mijn tijd in bezit waren van Callias' nakomelingen, terwijl Dorieus en de nakomelingen van Dorieus niets gekregen hadden. En toch, als Dorieus aan den oorlog tegen de Sybariten had deelgenomen, veel meer zou hij ontvangen hebben dan Callias. Deze dingen nu geven ieder van beiden als getuigenissen aan, en men kan, wie van beiden men gelooven wil, die volgen.

46. Met Dorieus voeren ook andere Spartanen ter nederzetting mede, Thessalus en Paraebates en Celes en Euryleon; dezen, toen zij met de geheele vloot in Sicilië waren gekomen, stierven in den strijd verwonnen door de Pheniciërs en de Egestaeërs, en van de uitgetrokkenen overleefde alleen Euryleon dien ramp. En deze verzamelde de overgeblevenen van het leger en bezette Minoa, de nederzetting van de Selinusiërs en bevrijdde de Selinusiërs mede van de alleenheerscher Pithagoras. Daarna, toen hij deze had doen vallen, stond hij zelf naar de alleenheerschappij over Selinus en bestuurde het korten tijd alleen; want de Selinusiërs stonden op en doodden hem, hoewel hij gevlucht was naar het altaar van Zeus op de markt.

47. Tot Dorieus' gevolg behoorde en kwam met hem om, Philippus, de zoon van Butacides, een Crotoniaat, die dingende naar de hand der dochter van Telys den Sybariet, uit Croton gevlucht was, doch in zijn hoop op dat huwelijk bedrogen, voer hij weg naar Cyrenae, en van daar uitgegaan volgde hij genen met een eigen trireem en met een eigene uitrusting van mannen, terwijl hij overwinnaar in Olympia was en de schoonste der Hellenen van zijn tijd. Om zijn schoonheid verkreeg hij van de Egestaeërs, wat geen ander, want op zijn graf richtten zij een heiligdom op en brachten hem zoenoffers.

48. Dorieus nu stierf op zulk een wijze, doch indien hij Cleomenes als koning verdragen had en in Sparta gebleven was, hij zou koning geweest zijn van Lacedaemon; want Cleomenes heerschte niet lang, doch hij stierf zonder zoon, en liet alleen een dochter achter, wier naam Gorgo was.

49. Aristagoras, de heerscher van Miletus,nu kwam in Sparta, toen Cleomenes het bestuur had, en hij kwam met dezen in gesprek, naar de Lacedaemoniërs zeggen, terwijl hij een metalen tafel had, waarin de omtrek van de gansche aarde gesneden was en de gansche zee en alle rivieren. En in gesprek gekomen zeide Aristagoras het volgende tot hem :"Cleomenes, verbaas u niet over den ijver van mijn komst, want de toestand is de volgende. Dat de zonen der Ioniërs slaven zijn in plaats van vrijen is een zeer grote smaad en smart voor ons zelven, en voor u meer dan voor anderen, daar gij de eersten van Hellas zijt. Nu daarom, bij de Helleensche goden, redt de Ionische mannen, uw bloedgenooten, uit de slavernij. Gemakkelijk kan u dat gelukken. Want èn zijn de barbaren niet krijgshaftig, en gij zijt in de zaken des oorlogs tot de hoogste dapperheid gestegen. En hun strijden is zóó: bogen en een korte speer; zij gaan ten oorlog met wijde broeken aan en tulbanden op het hoofd; zóó zijn zij licht te bedwingen. En goederen hebben zij, die het gindsche vaste land bewonen, zooveel als alle anderen tezamen niet hebben: goud, om daarmede te beginnen, zilver en koper en bonte kleeding, en lastdieren en slaven, welke, als gij ze slechts wilt begeeren, gij zelf hebben kunt. Zij wonen nu naast elkander, zooals ik uitleggen zal: naast die Ioniërs deze Lydiërs, die een goed land bewonen en zeer rijk aan zilver zijn."
En dit zeide hij, wijzende naar den omtrek den aarde, dien hij in de tafel gesneden bij zich had. "Naast de Lydiërs, ging Aristogoras verder, wonen de Phrygiërs hier, naar den dageraad, en die zijn van alle menschen die ik weet, het rijkst aan kudden en aan vruchten. Naast de Phrygiërs wonen de Cappadociërs, die wij Syriërs noemen. Aan dezen grenzen de Ciliciërs, en zij reiken tot aan deze zee, waarin hier het eiland Cyprus ligt; deze brengen vijftig talenten als jaarlijksche schatting aan den koning op. Naast dezen ligt dit Cissische land, waarin dan bij de rivier de Choaspes dáár dat Susa gelegen is, waar de groote koning zijn verblijf houdt en daar zijn de schatkamers. Hebt ge die stad veroverd dan kunt ge reeds gerust met Zeus in rijkdom wedijveren. En toch moet ge om een streek, klein en niet zeer goed en van geringe grenzen, den krijg tegen den Messeniërs, die u aankunnen, verschuiven, en tegen de Arcadiërs en de Argiven, terwijl deze allen niets van goud hebben noch van zilver, waarover iemand wel in de verleiding zou komen te strijden en te sterven; en terwijl het u mogelijk is zonder moeite over geheel Azië te heerschen, zult gij dan iets anders kiezen?" Aristagoras nu zeide deze dingen, doch Cleomenes antwoordde het volgende: "O Milesische gast, tot den derden dag zal ik wachten met mijn antwoord."

50. Toen dan kwamen zij zoover; doch toen de dag, voor het antwoord bepaald, gekomen was en zij op de afgesproken plaats gekomen waren, vroeg Cleomenes aan Aristagoras, hoeveel dagen lang, van de zee af, de weg was van de Ioniërs naar den koning. En Aristagoras, die in het andere slim was geweest en genen goed bedrogen had, vergiste zich in deze zaak; want terwijl hij de waarheid niet moest zeggen, daar hij toch de Spartanen naar Azië wilde brengen, zeide hij toch en beweerde, dat de weg het land in drie maanden lang was. En gene brak de verdere rede af, die Aristagoras over den weg wilde zeggen, en sprak: "O gastvriend Milesiër, vertrek uit Sparta vóór zonsondergang, want gij zegt geenzins een zaak, den Lacedaemoniërs aangenaam, nu ge hen een weg van drie maanden van de zee af wilt voeren."

51. Cleomenes dan zeide dit en ging naar zijn huis, doch Aristagoras nam een olijftak en ging naar het huis van Cleomenes, en binnengekomen als een smeekeling bad hij Cleomenes hem aan te hooren en zijn kind weg te zenden; want bij Cleomenes stond zijn dochter, wier naam Gorgo was; want deze was zelfs zijn eenige kind, acht of negen jaren in leeftijd. Doch Cleomenes beval genen te zeggen, wat hij wilde en zich niet in te houden om het kind. Toen dan begon Aristagoras eerst met tien talenten hem te belooven, indien gene hem vervulde, wat hij verzocht. En toen Cleomenes weigerde, ging Aristagoras verder en verhoogde steeds het geld, tot hij vijftig talenten had aangeboden en het kind uitriep: "Vader, de vreemdeling zal u verderven, zoo ge niet van hier gaat." En Cleomenes verheugde zich in den raad van het kind en ging naar een andere vertrek, en Aristagoras verliet Sparta geheel, noch had hij gelegenheid uitvoeriger te berichten over den weg naar den koning.

52. Want met dien weg is het zóó. Er zijn overal koninklijke rustplaatsen en de schoonste herbergen, en de gansche weg gaat door bewoond land en is veilig. Door Lydië en Phrygië nu heen strekken zich twintig rustplaatsen, vier en negentig en een halven parasang. Op Phrygië volgt de rivier de Halys, waarbij passen zijn, die ge met allen noodzaak moet doorgaan en zóó de rivier overtrekken, en een groot wachthuis is bij die rivier. Trekt ge over naar Cappadocië en reist ge daardoor heen tot het gebied der Ciliciërs, dan zijn er op twee na dertig rustplaatsen, honderd en vier parasangen. Bij het gebied van dezen gaat ge twee passen door en twee wachtposten voorbij; voor wie dezen is doorgegaan en den weg naar Cilicië maakt, zijn er drie rustplaatsen, vijftien en een halve parasang. De grens tusschen Cilicië en Armenië is een door schepen over te varen rivier, wier naam Euphrates is. In Armenië zijn er vijftien rustplaatsen met herbergen, en zes en vijftig en een halve parasang, en er is daar een wachtpost in. Uit dit Armenië in het land der Matiënen gaande, hebt ge vier en dertig rustplaatsen, en zeven en dertig en honderd parasangen. Vier rivieren, met een vaartuig over te trekken, stroomen er doorheen, die ge met allen noodzaak overtrekken moet, vooreerst de Tigris, daarna een tweede en een derde, die denzelfden naam Zabatos hebben, terwijl zij noch dezelfde rivier zijn, noch uit dezelfde plaats stroomen; want de eerst genoemde van beiden stroomt uit Armenië, de laatste uit de Matiënen; de vierde der rivieren heet de Gyndes, die Cyrus vroeger in driehonderd en zestig kanalen liet splitsen. Gaat ge uit dat land naar het Cissische, dan zijn er elf rustplaatsen en twee en veertig en een halve parasang, tot aan de rivier de Choaspes, die ook weder met een vaartuig moet worden overgetrokken; daarbij is de stad Susa gebouwd. Die rustplaatsen zijn allen tezamen honderd en elf. Zooveel herbergen zijn er nu voor wie uit Sardes naar Susa schrijdt.

53. Als nu deze koninklijke weg juist gemeten is en de parasang dertig stadiën geldt, wat hij dan ook werkelijk geldt, zijn er van Sardes naar het dusgenoemde Memnonische paleis vijfhonderd en drieduizend en tienduizend stadiën, die vijftig en vierhonderd parasangen bedragen. Gaat ge nu iederen dag honderd en vijftig stadiën, dan worden er juist negentig dagen gebruikt.

54. En dus had Aristagoras de Milesiër, toen hij tot Cleomenes den Lacadaemoniër zeide, dat de weg naar den koning drie maanden lang was, juist gezegd. Zoo iemand het nog nauwkeuriger wil weten, zal ik ook dat aangeven, want men moet den weg van Ephesus naar Sardes er nog bijrekenen. En dan zeg ik, dat alle stadiën te samen van de Helleensche zee tot aan Susa (want dat wordt de Memnonische stad genoemd) veertig en vierduizend en tienduizend zijn: want van Ephesus naar Sardes zijn er veertig en vijfhonderd stadiën, en zoo word de driemaandsche weg met drie dagen vergroot.

55. Aristagoras nu, uit Sparta verdreven, ging naar Athene, dat op de volgende wijze van alleenheerschers bevrijd was geworden. Toen Hipparchus, de zoon van Pisistratus, en broeder van den alleenheerscher Hippias, nadat hij een droomgezicht had gezien, dat zijn onheil duidelijk aangaf, gedood was door Harmonius en Aristogiton, van afkomst Gephyraeërs, na dien tijd leefden de Atheners vier jaren lang niet minder, doch meer dan vóór dien tijd onder een strenge alleenheerschappij.

56. Het droomgezicht nu van Hipparchus was het volgende. In den nacht vóór de Panathenaeën dacht Hipparchus, dat een man bij hem stond, groot en schoon, en deze raadselspreuk zeide:

"Draag het geduldig, o leeuw, want veel toch moest gij reeds dragen;
geen der menschen misdeed, en ontkwam aan de straf voor zijn misdrijf."

Deze woorden, naar bewezen is, legde hij, zoodra het dag geworden was, aan de droomuitleggers voor; daarna liet hij het droomgezicht uit zijn geest, en ging mede met den optocht, waarbij hij dan omkwam.

57. De Gephyraeërs, waartoe de moordenaars van Hipparchus behoorden, stamden, naar zij zelf beweren, oorspronkelijk uit Eretria, doch naar ik bij naar nasporing bevind, waren zij Pheniciërs van de Pheniciërs met Cadmus naar het land gekomen, dat nu Boeotië heet, en zij bewoonden door loting in dat land de Tanagrasche streek. Toen de Cadmaeërs van daar eerst verdreven werden door de Argiven, werden die Gephyraeërs daarna door de Boeotiërs verdreven en zij begaven zich naar Athene. De Atheners namen hen met een verdrag als burgers bij zichzelf op, terwijl zij hen oplegden van verscheidene en niet belangrijke dingen uitgesloten zijn.

58. Deze Pheniciërs, die met Cadmus gekomen waren, en tot welke de Gephyraeërs behoorden, brachten, toen zij dat land bewoonden, veel andere leeringen bij de Hellenen, en dan ook letters, die de Hellenen vroeger niet hadden. Eerst, naar mij dunkt, dezelfde, die ook alle Pheniciërs gebruiken, doch na verloop van tijd veranderden zij met de taal ook den vorm der letters. De meeste plaatsen om hen heen, werden in die tijd onder de Hellenen door Ioniërs bewoond, die door leering van de Pheniciërs de letters overnamen, ze een weinig in vorm veranderden, en ze zóó gebruikten, en ze gebruikende, plachten zij te zeggen, - zooals ook het recht mede bracht -, daar toch de Pheniciërs ze in Hellas hadden ingevoerd, dat zij Phenicische letters heetten. En boeken noemen de Ioniërs van oudsher vellen, omdat zij voorheen, bij gebrek aan egyptische boekenstof, vellen van geiten en schapen gebruikten, en ook nog in mijn tijd schrijven velen der barbaren op zulke vellen.

59. Ik zag ook zelf Cadmaeïsche letters in den tempel van den Ismenischen Apollo in het Boeotische Thebae, op sommige drievoeten ingegrift, en die grootendeels gelijkend waren op de Ionische. Het eene van de drievoeten nu heeft tot opschrift:

"Dit is Ampitryo's gift, ontroofd aan de Teleboaërs."

Dit opschrift zou in ouderdom bij Laïus komen, zoon van Labdacus, dien van Polydorus, dien van Cadmus.

60. Een andere drievoet zegt in zesvoetigen maat:

"Scaeus, die won met den vuist, hij eerde den treffer van verre,
Phoebus Appollon, en wijdde mij hier, dit kostlijke kleinood."

Scaeus is wellicht de zoon van Hippocoön, als ten minste deze Scaeus her wijdde, en niet een ander van denzelfden naam als de zoon van Hippocoön, en in den tijd van Oedipus, Laïus' zoon.

61. Een derde drievoet zegt, eveneens in zesvoetigen maat:

"Door Laodamas zelf, den vorst, werd den godlijken schutter
Phoebus Apollo de drievoet gewijd, als kostelijk kleinood."

Onder de regeering nu van dezen Laodamas, Eteocles' zoon, werden de Cadmaeërs door de Argiven verdreven en begaven zich naar de Encheleërs. Doch de Gephyraeërs bleven achter en trokken later, door de Boeotiërs gedwongen, naar Athene, en zij hebben tempels in Athene opgericht, waaraan geen der overige Atheners deelneemt, èn andere, verschillend van de andere tempels, èn dan vooral een tempel en mysteriën voor de Achaesche Demeter.

62. Het droomgezicht dan van Hipparchus en van waar de Gephyraeërs stamden, tot welke de moordenaars van Hipparchus behoorden, heb ik aangegeven; en ik moet daarbij nu het verhaal weder opnemen, dat ik eerst ging vertellen, hoe de Atheners van de alleenheerschers bevrijd werden. Terwijl Hippias alleenheerscher was en verbitterd op de Atheners om den dood van Hipparchus, toen beproefden de Alcmaeoniden, die van afkomst Atheners waren en door de Pisistratiden verjaagd, daar het hun en tevens den anderen Atheensche ballingen niet gelukte met geweld terug te keeren, doch zij grootelijks faalden, toen zij trachtten terug te keeren en Athene te bevrijden, nadat zij Lipsydrium boven Paeonië verstrekt hadden, - toen beproefden de Alcmaeoniden alles tegen de Pisistratiden, en namen ook van de Amphictyonen het werk aan om den tempel in Delphi, die er nu is maar toen nog niet, om dien op te bouwen. Daar zij goed voorzien waren van middelen en van oudsher reeds aanzienlijke mannen, zoo maakten zij een schooneren tempel dan opgegeven was, zoowel in andere dingen, als ook daarin, dat zij, terwijl hun opgelegd was den tempel van kalksteen te maken, zij het voorste gedeelte van Parisch marmer oprichtten.

63. Naar nu de Atheners beweren, overreedden deze mannen, daar zij in Delphi waren, de Pythia met geld, om, wanneer mannen uit Sparta kwamen om raad te vragen voor een tocht hetzij op eigen gelegenheid, hetzij van staatswege, om hun dan de bevrijding van Athene te gebieden. De Lacedaemoniërs nu, toen hun altijd hetzelfde geboden werd, zonden Anchimolius, den zoon van Aster, die een gezien man onder de burgers was, met een leger om de Pisistratidente verjagen, hoezeer dezen ook als gastvrienden hun nauw verbonden waren, want de dingen der goden achtten zij eerwaardiger dan die der menschen; zij zonden genen dan met schepen over zee. En hij landde in Phalerus en ontscheepte het leger, doch de Pisistratiden, die dit van tevoren vernomen hadden, riepen hulp uit Thessalië in; want daarmede hadden zij een bondgenootschap gesloten. De Thessaliërs zonden op hun verzoek, volgens gemeenschappelijk besluit, duizend ruiters en hun koning Cineas, een Coniaeër; en de Pisistratiden, toen zij dezen als bondgenooten gekregen hadden, verzonnen het volgende. Zij schoren de vlakte der Phalereërs glad, en die streek berijdbaar voor de paarden makend, zonden zij de ruiterij op het kamp der vijanden af. En daarop gevallen doodde deze vele anderen der Lacedaemoniërs en dan ook Anchimolius, en de overgeblevenen drongen zij weg in de schepen. Zoo eindigde de eerste tocht uit Lacedaemon, en het graf van Anchimolius is te Alopecae in Attica, dichtbij het heiligdom van Heracles in Cynosarges.

64. Daarna rustten de Lacedaemoniërs een grooter leger uit en zonden dat naar Athene, terwijl zij als aanvoerder van het leger Cleomenes, zoon van Anaxandridas, aanstelden, en zij zonden hem niet meer over zee doch over land. En toen zij in het Attische land vielen, trof de ruiterij der Thessaliërs het eerst met hen samen en na korten tijd op de vlucht geslagen, en er vielen van hen over de veertig mannen, en de overgeblevenen trokken, zonder oponthoud, terstond naar Thessalië. Doch Cleomenes in de stad gekomen met hen der Atheners, die vrij wilden zijn, belegerde de in de Pelasgische sterkte opgesloten heerschers.

65. En toch zouden de Lacedaemoniërs de Pisistratiden daarom niets méér verdreven hebben; want zij waren niet van zins een goed beleg te ondernemen, en de Pisistratiden waren wel voorzien van spijs en drank; zij zouden weinige dagen belegerd hebben en dan naar Sparta zijn teruggekeerd, - doch nu overkwam een toeval den eenen als onheil, den anderen hetzelfde toeval als helper; want toen de zonen der Pisistratiden heimelijk uit het land zouden gebracht worden, werden zij gevangen genomen. Toen dit geschied was, geraakte hun toestand geheel in de war, en zij gaven zich over, voor den prijs hunner kinderen, op de voorwaarden door den Atheners gesteld, zoodat zij in vijf dagen uit Attica zouden wijken. Daarna vertrokken zij naar Sigeüm bij de Scamander, nadat zij zes en dertig jaar over de Atheners geheerscht hadden; ook zij waren oorspronkelijk Pyliërs en Neliden, uit dezelfden gesproten als het geslacht van Codrus en Melanthus, die vroeger uit den vreemde gekomen, koningen der Atheners werden. Om die reden had Hippocrates zijn zoon ter herinnering ook dien naam Pisistratus gegeven, hem noemend naar Pisistratus, den zoon van Nestor.
Zoo werden dan de Atheners van de alleenheerschers bevrijd; doch zoveel zij na hun bevrijding meldingswaardigs verrichtten of leden, vóór dat Ionië tegen Darius opstond en Aristagoras de Milesiër, in Athene gekomen, hen drong hen te helpen, dat zal ik eerst verhalen.

 

[Lees verder op de volgende pagina.]