|
polyhymnia - zevende boek... 5. Na den dood van Darius ging het koningschap op zijn zoon Xerxes over. Xerxes nu was aanvankelijk geenszins zeer geneigd tegen Hellas op te trekken, doch tegen Egypte bracht hij een leger bijeen. Doch bij hem was en vermocht het meeste onder de Perzen, Mardonius, zoon van Gobryas, die een neef van Xerxes was, zoon van Darius' zuster, en hij hield zich aan de volgende rede, zeggend: "heer, het betaamt niet, dat de Atheners zeer veel rampen den Perzen aandeden en geen straf hebben voor wat zij deden. Doch volbreng nu dat, wat gij ter hand naamt; maar hebt ge Egypte, het overmoedige, getemd, trek dan tegen Athene op, opdat ge groot van roem zijt bij de menschen en een ieder later zich wachte tegen uw land op te trekken." Deze redeneering was zijn steun, doch hij bracht bij die rede nog het volgende toevoegsel, dat Europa een overschoon land was, en alle tamme boomen droeg, en voortreflijk in vruchtbaarheid, en waard om door den koning alleen onder de stervelingen bezeten te worden. 6. Dit sprak hij, daar hij naar een nieuwe onderneming verlangde en zelf onderkoning van Hellas wilde zijn. Na eenigen tijd maakte hij Xerxes willig en overreedde hij hem om dat te doen; want ook andere dingen waren er, die hem hielpen om Xerxes te overreden. Want zoowel kwamen van de Aleuaden uit Thessalië boden, die den koning tegen Hellas opriepen, hun volkomen toewijding verzekerend - deze Aleuaden waren koningen van Thessalië - als hielden ook de naar Susa getrokken Pisistratiden de zelfde gesprekken als de Aleuaden en brachten daarbij nog iets meer voor hem aan. Want zij waren naar Susa gekomen met Onomacritus, een Athener, een waarzegger en rangschikker der spreuken van Musaeus, nadat zij eerst hun vijandschap bijgelegd hadden. Want Onomacritus was door Hipparchus, den zoon van Pisistratus, uit Athene verdreven, op heeterdaad betrapt door Lasus van Hermione, toen hij in de orakels van Musaeus een spreuk inschoof, dat de bij Lemnus liggende schepen in de zee verdwijnen zouden; daarom verjoeg Hipparchus hem, eerst veel met hem omgegaan. Toen dan trok hij mede naar Susa, en zoo dikwijls hij voor het aangezicht des konings kwam, daar de Pisistratiden groote verhalen over hem zeiden, droeg hij uit die orakelspreuken voor: zoo er nu iets nadeeligs voor de barbaren in was, zeide hij daarvan niets, doch de meest gelukbrengenden koos hij uit en zeide, het was besloten, dat de Hellespont door een Pers overbrugd zou worden en hij verklaarde den ganschen tocht. Deze dan drong aan met orakels en de Pisistratiden en de Aleuaden, wijl zij hun meningen uitbrachten. 7. Toen Xerxes was overgehaald om tegen Hellas op te trekken, maakte hij in het tweede jaar na den dood van Darius eerst een veldtocht tegen de opstandelingen. Dezen nu onderwierp hij en hij bracht gansch Egypte tot veel grooter slavernij dan het onder Darius droeg, en hij vertrouwde het toe aan Achaemenes, broeder van hemzelf en zoon van Darius. Dezen Achaemenes nu, landvoogd van Egypte, doodde eenigen tijd daarna Inarus, zoon van Psammetichus, een Libyer. 8. Doch Xerxes, toen hij na de
verovering van Egypte den veldtocht tegen Athene zou
ondernemen, hield een groote vergadering van de
voornaamste Perzen, opdat hij hun meeningen zou
hooren en zelf voor allen zou zeggen, wat hij wilde.
9. Na hem sprak Mardonius: "O heer,
niet alleen zijt ge de beste der Perzen, die waren,
doch ook van de komenden, daar ge èn het
andere ten zeerste goed en waar zeidet in uw rede,
èn niet de in Europa wonende Ioniërs ons
wilt laten uitlachen, die waarlijk zonder recht
daartoe zijn. Want een vreeselijk ding ware het
toch, zoo wij de Sacen en de Indiërs en de
Ethiopiërs en de Assyriërs en andere
volken, vele en groote, niet wijl zij de Perzen
onrecht hebben aangedaan, doch uit verlangen onze
macht te vergrooten, onderworpen hadden en tot
slaven gemaakt, doch op de Hellenen, die begonnen
met onrecht, ons niet wreken wilden. En uit vrees
waarvoor? Voor welke menigte van mannen? Voor welke
macht van geld? 10. Mardonius nu zeide deze dingen
tot aanbeveling van Xerxes' meening en hield op,
doch toen de andere Perzen zwegen en geen meening
vijandig aan de aangebodene durfden toonen, sprak
Artabanus, zoon van Hystaspes, oom van Xerxes, en
daarop dan ook vertrouwende, en zeide: 11. Dit dan zeide Artabanus, doch Xerxes kwam in toorn en zeide het volgende: "Artabanus, mijn vaders broeder zijt gij. Dat zal u beschermen om niet het loon te krijgen uw ijdele woorden waard. Doch dezen smaad geef ik aan uw lafheid en kleinmoed, dat ge niet met mij optrekt tegen Hellas, doch hier blijft met de vrouwen; en ik zal, ook zonder u, volbrengen, wat ik gezegd heb. Want mocht ik niet de zoon zijn van Darius, dien van Hystaspes, dien van Arsames, van Ariaramnes, van Teïspes, van Cyrus, van Cambyses, van Teïspes, van Achaemenes, zoo ik niet wraak nam op de Atheners, wel wetend, dat zoo wij ook rust zullen houden, zij niet, doch wederom zullen zij optrekken tegen ons land, indien met moet rekenen naar wat zij reeds gedaan hebben, toen zij Sardes verbrandden en tegen Azië optrokken. Voor geen van beiden daarom is het mogelijk te wijken, doch om op of onder gaat de wedkamp, opdat òf dit alles den Hellenen, òf het hunne alles den Perzen in handen komt, want er is geen midden in onze vijandschap. Schoon daarom is het, dat wij die het eerst leden, wraak nemen, opdat ik ook dat vreeselijke leere kennen, dat ik lijden zal, opgetrokken tegen die mannen, welke zelfs Pelops de Phrygiër, een slaaf van mijn vaderen, zóózeer onderwierp, dat nog op dezen dag de menschen zelf en hun land met den naam heeten van hun onderwerper." ..... 15. En Xerxes, in groote vrees gekomen door het droomgezicht sprong uit zijn bed en zond een bode naar Artabanus, en bij zijn komst zeide Xerxes hem dit: "Artabanus, zoo straks was ik niet verstandig en sprak om een goeden raad ijdele woorden tot u; doch niet veel tijd later dacht ik anders, en dacht, ik moest dat doen, wat gij voorsteldet. Doch nu ik het wil, kan ik het niet doen, want daar ik bekeerd was en van anderen zin geworden, kwam een droom en verscheen mij, geenszins die daad in mij goedkeurend, en nu is hij zelfs met bedreigingen weggegaan. Zoo nu een god hem gezonden heeft en het waarlijk zijn lust is, dat de tocht tegen Hellas geschiedt, dan zal dezelfde droom ook tot u vliegen, en hetzelfde als aan mij bevelen. En ik bevind, dat het zoo zou kunnen geschieden, als ge mijn gansche kleeding naamt en ze aantrokt en daarna op mijn troon u zettet en vervolgens in mijn bed gingt slapen." 16. Xerxes nu zeide hem dit, doch
Artabanus gehoorzaamde niet op het eerste bevel,
daar hij zich niet waardig achtte op den
koninklijken troon te zitten, doch eindelijk, toen
hij gedwongen werd, deed hij het gebodene en sprak
het volgende: 17. Deze dingen zeide Artabanus in de hoop Xerxes te toonen, dat hij niets van beteekenis gezegd had, en deed het bevolene. En hij trok het gewaad van Xerxes aan, en zette zich op den koninklijken troon, en toen hij daarna in het bed was gegaan, kwam tot hem in den slaap dezelfde droom, die ook tot Xerxes was gegaan, en plaatste zich boven zijn hoofd en zeide: "zijt gij het dan, die Xerxes ontriedt tegen Hellas op te trekken, als uit zorg voor hem? Doch noch voor het vervolg, noch voor nu dadelijk moet gij ongestraft beproefd hebben, wat geschieden moet, af te wenden. Doch wat Xerxes moet lijden, zoo hij niet luistert, dat is hem zelf aangegeven." 18. Daarmede scheen aan Artabanus de droom toe hem te bedreigen en dat hij hem met heete ijzers de oogen wilde uitbranden. En luid roepende sprong hij op, en zette zich naast Xerxes, en toen hij hem het droomgezicht geheel verhaald had, zeide hij hem vervolgens dit: "ik, o koning, als een man, die vele en groote dingen door kleinere vallen zag, liet u niet toe geheel aan uw jeugd gehoor te geven, wetend, hoe slecht het is om veel te begeeren, gedachtig ook aan Cyrus' tocht tegen de Massageten, hoe die afliep, gedachtig ook aan dien van Cambyses tegen de Ethiopiërs, en zelf ben ik met Darius tegen de Scythen opgetrokken. Dat nu wetend, had ik de meening dat gij rust moest houden en dan door alle menschen gelukkig geprezen zoudt worden. Doch nu een goddelijke aansporing komt en de Hellenen naar het schijnt, een door den god gezonden vernietiging zal treffen, ben ik zelf ook omgekeerd en anders van zin geworden, en meld gij den Perzen, wat de god u zond, en beveel hen naar uw eerste bevelen voor de toerusting te handelen: en doe het zoo, dat nu de god het u in handen geeft, gij gansch niet in gebreke blijft." Dit werd dus gezegd, en toen zij op het droomgezicht steunden, beval Xerxes zoodra het dag was geworden dat aan de Perzen, en Artabanus, die vroeger zich den eenigen tegenstander toonde, ijverde nu openlijk voor de zaak. 19. Aan Xerxes nu, daar hij zich tot
den veldtocht gereed maakte, verscheen daarna een
derde gezicht in den slaap, dat de Magiërs
vernamen en uitlegden, hoe het de gansche aarde gold
en alle menschen zijn slaven zouden worden. Het
gezicht was het volgende: Xerxes meende, met een
olijftak was hij bekranst, en twijgen van den
olijfboom verbreidden zich over de geheele aarde, en
daarna verdween de krans, die om zijn hoofd lag. ------ 53. Na deze woorden, en toen hij Artabanus naar Susa had gezonden, ontbood Xerxes de aanzienlijkste Perzen; toen zij voor hem verschenen waren, zeide hij hun het volgende: "o Perzen, ik heb u geroepen om van u dit te eischen, dat gij dappere mannen zijt en de vroegere daden der Perzen, die groot waren en veel waard, niet te schande maakt; doch laat ons, ieder voor zich en allen te saam, flink zijn: want naar een goed voor ons allen wordt thans gestreefd. Daarom beveel ik u met alle kracht u aan den oorlog te wijden; want naar ik verneem, trekken wij op tegen dappere mannen, en als wij hen overwinnen zullen, zal geen ander leger van menschen ooit ons meer tegentreden. Doch nu, laat ons den overtocht doen, nadat wij tot de goden gebeden hebben, die de Perzen beschermen." 54. Op dien dag nu rustten zij zich tot den overtocht. Den volgenden wachtten zij de zon af, haar willende zien opgaan en zij verbrandden velerlei reukwerk op de bruggen en bestrooiden den weg met myrten. Toen de zon opging, plengde Xerxes uit een gouden beker in de zee en smeekte tot de zon: geen zóó groot ongeval mocht hem treffen, dat hem in de onderwerping van Europa zou weerhouden, voor hij aan de grenzen er van gekomen was. En hij bad en wierp den beker in den Hellespont en een gouden mengvat en een Perzisch zwaard, dat zij akinakes noemen. Dit kan ik niet zeker uitmaken, noch of hij als wijgeschenk voor de zon iets in zee wierp, noch of hij berouw had over de geeseling van den Hellespont en daarvoor de zee begiftigde. 55. Toen hij dat gedaan had, trokken het landleger en de gansche ruiterij over de eene brug, die naar den Pontus gewend was, doch over die naar de Egeesche Zee, de lastdieren en de knechten. Eerst nu gingen de tienduizend Perzen, allen omkransd, daarna het leger uit velerlei volken gemengd. Dien dag dan gingen dezen, doch den volgenden eerst de ruiters en zij, die den lanspunt naar beneden hielden, en ook dezen waren bekransd; daarna de heilige rossen en de heilige wagens, dan Xerxes zelf en de speerdragers en de duizend ruiters en na hen het overige leger. En de schepen voeren tegelijk naar de overzijde. Ik heb ook wel gehoord, dat de koning het laatst van allen overtrok. 56. Toen Xerxes naar Europa was overgetrokken, aanschouwde hij zijn leger, dat overtrok onder zweepslagen; en zijn leger trok over in zeven dagen en zeven nachten, zonder ooit op te houden. Toen, zegt men, als Xerxes den Hellespont reeds overgetrokken was, riep een Hellespontisch man: "O Zeus, waarom komt ge aan een Pers gelijk en in plaats van Zeus den naam Xerxes nemend om Hellas te verderven, alle menschen met u voerend? Want ook zonder hen kondt gij dat doen." .....
|