melpomene - vierde boek
1 - 82

1. Na de inneming van Babylon geschiedde de tocht van Darius zelven tegen de Scythen. Want daar Azië bloeide van mannen en veel geld bijeenkwam, verlangde Darius zich op de Scythen te wreken, daar deze het eerst begonnen waren met beleedigen, toen zij in het land der Meden gevallen waren en de tegen hen optrekkenden in een slag overwonnen hadden. Want over Boven-Azië heerschten de Sythen, zooals ik ook vroeger gezegd heb, op twee na dertig jaren. Want de Cimmeriërs najagend vielen zij in Azië en ontnamen den Meden de heerschappij, want vóór de Scythen kwamen, heerschten dezen over Azië. En toen de Scythen acht en twintig jaar uit hun land waren geweest en na zoovel tijd er weder heen gingen, wachtte hun daar een niet geringer last, dan die zij van de Meden ondervonden hadden, want zij zagen een niet gering leger tegen zich optrekken. Want de vrouwen der Scythen, toen hun mannen zoolang wegbleven, waren tot hun slaven gegaan.

2. De Scythen nu maken al hun slaven blind ter wille van de melk, die zij drinken, doende op de volgende wijze. Zij nemen blaaspijpen van been, geheel gelijkend op fluiten, en die in de schaamdeelen der merries stekende, blazen zij met den mond; en terwijl de een blaast, melkt de ander. Zij beweren dit daarom te doen, wijl de aderen der merrie door het blazen opgevuld worden en zij dan de uiers hangen laat. Wanneer zij de melk gemelkt hebben, gieten zij ze in holle houten vaten en plaatsen rondom de vaten de blinde slaven, en laten hen de melk rondschudden. En wat er van boven zich afzet, scheppen zij af en achten dat meer waard, doch wat onder blijft, minder dan het andere. Daarom dan maken de Scythen een ieder, dien zij vangen, blind; want zij zijn geen landbouwers, doch zwervers.

3. Uit deze slaven dan en de vrouwen was een jong geslacht gesproten; en toen dezen hun afkomst geleerd hadden, trokken zij op tegen hen, die uit Medië kwamen. En vooreerst sneden zij hun land af, een diepe gracht gravende, die van het Taurische gebergte naar het Maeotische meer liep, waar dit het grootst is; en daarna schaarden zij zich tegenover de Scythen, die trachtten in te vallen en streden. Toen er meermalen een gevecht geweest was en de Scythen in den strijd niet de meerderen konden worden, zeide een van hen het volgende:,,wat doen wij toch, mannen Scythen? Strijdend tegen onze slaven worden wij zelf gedood en geringer in getal, en genen doodend zullen wij voortaan over een geringer aantal heerschen. Nu daarom moeten wij, dunkt mij, lansen en pijlen laten, doch ieder den paardenzweep nemen en zoo op hen afgaan. Want zoolang zij ons met wapenen zagen, achtten zij zich ons gelijk en van gelijke afkomst; doch wanneer zij ons met zweepen in plaats van met wapenen gezien hebben, zullen zij leeren, dat zij onze slaven zijn, en dat inziende, geen weerstand bieden."

4. De Scythen hoorden dit en deden geheel zoo; en genen, verschrokken door wat geschiedde, vergaten te strijden en vluchtten. Zoo dan heerschten de Scythen zoowel over Azië, als kwamen zij, daaruit weder door de Meden verjaagd, op zulk een wijze in hun land terug. En daarover wilde Darius wraak nemen, en verzamelde hij een leger tegen hen.

5. Naar de Scythen beweren, is hun volk van allen het jongste, en dit op de volgende wijze ontstaan. Het eerst verscheen een man in dat land, dat geheel onbewoond was, die den naam Targitaüs had. De ouders van die Targitaüs zijn, naar zij zeggen, - voor mij niet geloofwaardig sprekend, doch zij zeggen het dan -, Zeus en de dochter van den stroom Borysthenes. Zoo dan was de afkomst van Targitaüs, en van hem stamden drie zonen, Lipoxaïs en Arpoxaïs en de jongste Colaxaïs. In hun regeering kwamen uit den hemel gouden werktuigen, een ploeg, met een juk, een bijl en een schaal, in het Scythische land vallen. En de oudste van hen zag dit het eerst, kwam nader bij en wilde ze grijpen, doch als hij er bij kwam begon het goud te branden; toen hij was weggegaan kwam de tweede aan, en het goud deed wederom het zelfde. Hen dan verstiet het gloeiende goud, doch toen de derde, de jongste aankwam, was het gebluscht, en hij bracht het naar zijn huis, en de oudere broeders, gaven toe daarom, en lieten de gansche heerschappij aan den jongsten.

6. Van Lipoxaïs nu moeten die der Scythen afstammen, die de Auchaten-stam heeten; van den middelsten Arpoxaïs zij, die Catiarers en Traspiërs heeten, en van den jongsten van hen, den koning, zij, die Paralaten heeten; allen te samen heeten zij Scoloten, naar den naam des konings, doch de Hellenen hebben hen Scythen genoemd.

7. Zoo nu zeggen de Scythen, dat zij ontstaan zijn, en naar hun beweren zijn er na hun ontstaan in 't geheel aan jaren geweest, van den eersten koning Targitaüs tot Darius' overtocht tegen hen, niet meer dan duizend, doch slechts zooveel. Dat heilige goud bewaren de koningen zorgvuldig en ieder jaar komen zij er bij, en eeren het dan met groote offers. En wie het heilige goud heeft en bij het feest het onder de blooten hemel bewaakt en inslaapt, die zal, naar de Scythen zeggen, het jaar niet uitkomen, en daarom geven zij hem zooveel als hij zelf met zijn paard op één dag kan omrijden. Daar het land groot is, zou Colaxaïs drie rijken voor zijn zoons gesticht, en een daarvan het grootste gemaakt hebben, waarin het goud bewaard wordt. Wat boven dit land ligt, ten noorden van de hoogste bewoners, daarin, zeggen zij, is het niet mogelijk, noch te zien, noch er door te gaan, door de neervallende vederen; want èn de aarde èn de lucht zouden vol met vederen zijn, en deze zijn het, die het uitzicht afsluiten.

8. Zóó nu verhalen de Scythen over zich zelven en over het boven hen gelegen land, doch de Hellenen, die aan den Pontus Euxinus wonen, het volgende. Heracles, toen hij de runderen van Geryones weg dreef, kwam in dat toenmaals onbevolkte land, dat nu de Scythen bewonen. Geryones woonde buiten den Pontus, en bewoonde het eiland, door de Hellenen Erytheia geheeten, aan den Oceaan gelegen bij Gadira, buiten de zuilen van Heracles. Dat echter de Oceaan beginnende bij den zonsopgang om de gansche aarde stroomt, beweren zij wel met woorden, doch bewijzen het metderdaad niet. Vandaar kwam Heracles naar het thans 't Scythische geheetene land, en, want hem overvielen storm en koude, gewikkeld in zijn leeuwenhuid sliep hij in, en zijn paarden, die weidden, verdwenen in dien tijd door goddelijke beschikking van onder het juk weg.

9. Toen Heracles ontwaakte, zocht hij, en het gansche land doorgeloopen, kwam hij eindelijk in het dusgeheeten land Hylaea. Daar vond hij in een grot een Echidna , een half-jonkvrouwlijk dubbelwezen, wier deelen boven de billen van een vrouw waren, daar beneden van een slang. En hij zag haar met verbazing en vroeg haar, of ze ergens paarden had zien zwerven; zij beweerde zelf ze te hebben en niet ze aan hem te zullen teruggeven, vóór hij haar bekend had; en Heracles bekende haar voor dat loon. En zij nu verschoof de teruggave van de paarden, verlangende zoo lang mogelijk met Heracles te leven, en hij wenschte ze te ontvangen en weg te gaan. Eindelijk gaf zij ze hem terug, zeggende: "deze paarden, hier heen gekomen, heb ik voor u gered en gij gaaft mij reddingsloon; want ik heb drie zonen van u. En dezen, wanneer zij opgegroeid zijn, wat moeten zij doen? Leg mij dat uit: of ik hen hier zal doen wonen (want over dit land het ik zelf de macht) of hen tot u wegzenden." Zij dan vroeg dat, en hij, verhalen zij, antwoordde daarop: "wanneer gij de zoons tot mannen opgegroeid gezien hebt, doe dan het volgende en ge zult goed doen. Wien van hen gij dezen boog zóó spannen ziet en met dezen gordel gegord, maak dien bewoner van dit land; doch wie van hen de werken, die ik opdraag, niet volbrengt, zend dien uit het land. En dat doende zult gij zelf vreugde hebben en het opgedragene volvoeren."

10. En hij dan spande den eenen van zijn bogen (want vóór dien tijd toch droeg Heracles er twee) en den gordel toonende, gaf hij haar den boog en den gordel, die boven aan het gordelslot een gouden drinkschaal had; hij gaf die en ging. En zij, toen de haar geborene zoons mannen waren geworden, gaf hun vooreerst namen, - den eenen van hen Agathyrsus, den volgende Gelonus, den jongsten Scythes -, dan, de opdracht indachtig, deed zij het gebodene. En twee der zonen dan, Agathyrsus en Gelonus, niet bij machte zijnde den opgelegden kamp te volbrengen, gingen uit het land, door hun moeder verdreven, doch de jongste van hen, Scythes, volvoerde hem en bleef in het land. En van Scythes, Heracles' zoon, stamden voortdurend de koningen der Scythen, en naar dien schaal dragen de Scythen nog tot nu schalen aan hun gordels, want dat had de moeder voor Scythes alleen zoo ingericht. Dit verhalen de Hellenen, die aan den Pontus wonen.

11. Er is nog een ander verhaal, dat zóó luidt, en aan welks overlevering ik mij het liefst aansluit. De zwervende Scythen, in Azië woonachtig, werden met oorlog door de Massageten gedrukt en trokken de rievier de Araxes over naar het Cimmerische land (want waar nu de Scythen leven, dat zou eertijds van de Cimmeriërs geweest zijn), en toen de Scythen aanrukten, beraadslaagden de Cimmeriërs, daar een groot leger aanrukte, en hun meeningen dan waren verdeeld, en, beiden ijverig verdedigd, was die der koningen de beste; want immers de meening van het volk wilde daarheen, dat het zaak was zich te verwijderen en niet noodig om ter wille van aardstof te vechten; die der koningen echter tegen de aanrukkenden om het land te strijden. Doch zij wilden niet toegeven, noch het volk aan de koningen, noch de koningen aan het volk; dit immers dacht er aan zonder strijd weg te gaan en het land aan de komenden over te laten; doch de koningen besloten in hun land te sterven en begraven te liggen, en niet met het volk te vluchten, overwegend hoeveel goeds zij ondervonden hadden, en hoeveel kwaads zij verwachten konden te lijden, vluchtend uit hun vaderland. Toen zij dat besloten hadden, verdeelden de koningen zich in tweeën en in gelijk aantal zijnde, streden zij tegen elkander. En allen stierven de koningen door elkanderr's hand en het volk der Cimmeriërs begroef hen bij de rivier de Tyras ( en hun graf is nog te zien), en na de begrafenis maakten zij zoo den uittocht uit het land; en de Scythen, aangekomen, namen het land leeg van menschen in bezit.

12. Thans nog zijn er in het Scythische land de Cimmerische wallen, er zijn de Cimmerische Veeren, er is ook een streek Cimmerië van naam, er is de dusgeheeten Cimmerische Bosporus. En de Cimmeriërs vluchtten, naar men weet, voor de Scythen naar Azië, en vestigden zich op het schiereiland, waar nu de Helleensche stad Sinope gebouwd is. En bekend is ook, dat de Scythen hen najoegen en in het land der Meden vielen, den weg gemist hebbend; want de Cimmeriërs vluchtten steeds langs de zee, doch de Scythen hielden den Caucasus aan de rechterhand en joegen voort tot zij in het land der Meden kwamen, den weg midden door het land ingeslagen. Dit andere verhaal wordt in overeenstemming door Hellenen en barbaren als overlevering verhaald.

13. Doch Aristeas, zoon van Caüstribius, een man uit Proconnesus, die een epos maakte, verhaalt, dat hij door Phoebus bezield, bij de Issedonen is gekomen, en boven de Issedonen woonden de éénoogige Arismaspen, en boven dezen de goudbewakende grijpen, en boven dezen de Hyperboreërs, reikend tot aan de zee. En al dezen, behalve de Hyperboreërs, vielen achter elkander hun naburen aan, terwijl de Arismaspen begonnen, en door de Arismaspen waren de Issedonen uit hun land gestooten, de Scythen door de Issedonen, en de Cimmeriërs, aan de zuidelijke zee wonende, hadden, door de Scythen gedrukt, hun land verlaten. Zoo is deze het over dat land niet eenmaal met de Scythen eens.

14. En van waar Aristeas was, die dat dichtte, heb ik gezegd, doch het verhaal, dat ik in Proconnesus en Cyzicus over hem gehoord heb, zal ik vertellen. Want Aristeas, zeggen zij, in afkomst de mindere van geen zijner medeburgers, gekomen in een vollerswerkplaats, stierf, en de voller sloot de werkplaats en ging heen om het te melden aan de verwanten des dooden. En toen reeds het gerucht zich door de stad had verspreid, dat Aristeas gestorven was, geraakte een man van Cyzicus met de vertellers in tegenspraak, die uit de stad Artace was gekomen, bewerende dat hij hem ontmoet had op den weg naar Cyzicus, en met hem gesproken. En deze twistte met ijver, en de verwanten des dooden begaven zich naar de vollerij, van het noodige voorzien om hem weg te brengen, doch toen het huis geopend was, werd Aristeas noch dood noch levend gezien. Daarna, in het zevende jaar, verscheen hij in Proconnesus en maakte het gedicht, dat nu door de Hellenen het Arismaspeon genoemd wordt, en na het dichten verdween hij ten tweede male.

15. Dat verhalen die steden, doch het volgende, weet ik, is den Metapontiners in Italië overkomen, tweehonderd en veertig jaren na de tweede verdwijning van Aristeas, zooals ik bij narekening in Proconnesus en Metapontium bevond. De Metapontiners beweren, dat Aristeas zelf hun in het land verscheen en beval een altaar voor Apollon op te richten en een standbeeld, den naam hebbend van Aristeas uit Proconnesus, daarbij te plaatsen; want Apollon, zeide hij, was tot hen alleen van alle Italioten in hun land gekomen, en hij, die thans Aristeas was, had hem gevolgd; toen echter, toen hij den god volgde, was hij een raaf geweest. En na deze woorden was hij verdwenen, en de Metapontiners beweren, dat zij naar Delphi gezonden hebben en den god gevraagd, wat de verschijning van dien mensch beduidde. En de Pythia beval hen aan de verschijning te gehoorzamen, want dan zou het hun goed gaan. En zij namen het aan en volbrachten dat volkomen. En nu staat een standbeeld met den naam van Aristeas naast het altaar zelf van Apollon, en er om heen staan laurierboomen, het altaar echter is op de markt opgericht. Over Aristeas zij nu zooveel gezegd.

16. Wat boven het land ligt, waarover dit verhaal zich heeft uitgestrekt, daarover weet niemand nauwkeurig, wat het is; want van niemand toch die beweerde het van eigen zien te kennen, kan ik het vernemen. Want zelfs Aristeas niet, van wien ik kort te voren gewag maakte, ook deze beweert niet, dichtende in zijn gedicht, verder gekomen te zijn dan de Issedonen, doch over het daarboven gelegene verhaalde hij van hooren, zeggende, dat het Issedonen waren, die dat zeiden. Doch zoover mogelijk wij bij machte zijn geweest door hooren door te dringen, zal alles gezegd worden.

17. Van de handelsplaats der Borystheneïten (want dit is de middelste plaats in de kuststreek van gansch Scythië), daar van daan wonen het eerst de Callipiden, die Helleensche Scythen zijn, en boven dezen een ander volk, Alazonen geheeten. Dezen en de Callipiden gedragen zich in de overige dingen evenals de Scythen, doch koorn zaaien en eten zij, en uien en knoflook en linzen en gierst. Boven de Alazonen wonen de akkerbouwende Scythen, die niet om te eten koorn zaaien, doch voor den verkoop. Boven dezen wonen de Neurers. En boven de Neurers naar den noordewind is het land leeg van menschen, zooveel wij weten.

18. Dit nu zijn de volkeren langs de rivier de Hypanis naar de avondzijde van den Borysthenes; doch wie de Borysthenes overgaat, vindt van de zee af eerst de streek Hylaea; daar van daan hooger op wonen landbouwende Scythen, welke de bij de rivier de Hypanis wonende Hellenen Borystheneïten noemen, en zichzelven dan Olbiopoliten. Deze landbouwende Scythen nu bewonen eensdeels het land naar den dageraad over een weg van drie dagen, reikende tot aan een rivier, de Panticapes geheeten, andersdeels naar den noordewind een vaart van elf dagen de Borysthenes op. En boven hen reeds is het land een groot eind onbevolkt. Na de woestenij wonen de Androphagen, een volk op zich zelf en geenszins Scythisch. Boven dezen is het in waarheid een woestenij en geen volk van menschen is daar, zooveel wij weten.

19. Het land naar de dageraadszijde van die landbouwende Scythen, aan de overzijde van de rivier Panticapes, bewonen reeds zwervende Scythen, die noch iets zaaien noch ploegen, en dit is geheel kaal van boomen, behalve Hylaea. Deze zwerfstammen bewonen het land naar den dageraad over een weg van veertien dagen, en het strekt zich uit naar de rivier de Gerrhus.

20. Over de Gerrhus dan ligt dan dat dusgeheeten koninklijke land en wonen de dapperste en talrijkste Scythen, en die ook de andere Scythen hun slaven achten. Deze reiken naar den middag tot het Taurische land, naar den dageraad tot aan de gracht, die immers de zonen der blinden groeven, en tot aan de handelsplaats aan het Maeotische meer, die Cremnoe heet; een ander deel van hen reikt tot aan de Tanaïs. Het land naar den noordewind boven de koninklijke Scythen bewonen de Melanchlaenen, een ander volk en niet Scythisch. Boven de Melanchlaenen is het land poelen en leeg van menschen, voor zooveel wij weten.

21. Over de rivier de Tanaïs heen is het land niet meer Scythisch, doch de eerste der streken is van de Sauromaten, die bij den binnensten hoek van het Maeotische meer beginnende de streek naar den noordewind bewonen, een weg van vijftien dagen, en geheel kaal is die streek èn van wilde èn van tamme boomen; boven dezen wonen de Budiners, de tweede streek hebbend, en land bewonend geheel dicht begroeid met allerlei bosch.

22. Boven de Budiners naar den noordewind is er eerst een woestenij, over een weg van zeven dagen; na die woestijn, als men meer naar den oostewind heen buigt, wonen de Thyssageten, een groot en zelfstandig volk; zij leven van de jacht. Naast dezen in de zelfde gewesten wonen er, wier naar Iyrcen is, en ook deze leven van de jacht op de volgende wijze. De jager klimt en verbergt zich in een boom, en die zijn er veel over het geheele land; een ieder heeft een afgericht paard in gereedheid op den buik bij zich liggen, om laag te zijn, en een hond. Wanneer hij nu van den boom het wild ziet, schiet hij, klimt op zijn paard en jaagt na, en de hond dadelijk achter hem. Boven dezen, als men naar den dageraad afslaat, wonen andere Scythen, van de koninklijke Scythen afgevallen en zoo in dat land gekomen.

23. Tot aan de streek van die Scythen nu al is het beschrevene land vlak en diep van bouwaarde; doch verderop is het steenachtig en ruw. En die ook veel van het ruwe land is doorgegaan, vindt aan den voet van hooge bergen menschen wonen, die allen van hun geboorte af kaalhoofdig heeten te zijn, mannen en vrouwen evenzeer; zij zijn stompneuzig, hebben groote kaken, en spreken een eigen taal; zij gebruiken de Scythische kleedij en leven van boomen; p o n t i k o n is de naam des booms, van welken zij leven, in grootte ongeveer zooals de vijgenboomen; hij draagt een vrucht gelijk aan een boon, doch zij heeft een pit. Wanneer zij rijp is geworden, persen zij ze door doeken, en er stroomt dik en zwart van af; de naam van het afvloeiende is a s c h y; dat lekken zij ook op of mengen het met melk en drinken dan; en van het dikke van den moer kneden zij koeken en die eten zij. Want vee hebben zij niet veel, want de weiden zijn daar geenszins goed. Iedereen woont onder een boom, des winters terwijl hij den boom met een witten vilten doek omspant, des zomers zonder vilt. Dezen doet niemand der menschen kwaad; want zij heeten heilig te zijn; ook hebben zij geen enkel krijgswapen. En zoowel zijn zij het, die de geschillen bij de omwonenden beslechten, als wordt hem, die als balling tot hen vlucht, door niemand kwaad aangedaan. Hun naam is de Agrippaeërs.

24. Tot deze kaalhoofden nu is er veel zekere kennis over het land en de volken vóór genen. Want sommigen der Scythen gaan tot hen, en het is niet moeilijk van hen het te vernemen, en ook enkele Hellenen uit de handelsplaats van de Borysthenes en de andere handelsplaatsen aan den Pontus. De Scythen, die tot genen gaan, verrichten hun bezigheden met zeven tolken en in zeven talen.

25. Tot zoover dan kent men het land, doch wat boven de kaalhoofden is, daarvan weet niemand met zekerheid te verhalen. Want hooge, ontoegankelijke bergen snijden het land af, en niemand klimt ze over. Doch die kaalhoofden verhalen, voor mij niet geloofwaardig sprekende, dat op de bergen mannen met geitenpooten wonen, en wie dezen voorbij klimt, vindt andere menschen, die de zes wintermaanden slapen. Dit geloof ik gansch niet. Doch het land naar de dageraadszijde van de kaalhoofden wordt, zooals bepaald bekend is, door de Issedonen bewoond, doch onbekend is wat naar den noordewind ligt, boven de kaalhoofden zoowel als boven de Issedonen, behalve zooveel zij zelf er van verhalen.

26. De Issedonen leven, naar gezegd wordt, onder de volgende zeden. Indien iemands vader sterft, brengen alle verwanten vee aan, en daarna slachten zij dat als offer en snijden het vleesch aan stukken, en snijden ook den gestorvenen vader des gastheers in stukken, en mengen al het vleesch dooreen en zetten het als maal voor. Doch zijn hoofd scheeren zij en reinigen het en vergulden het, en daarna gebruiken zij het als offerbeeld, en jaarlijks groote offers er aan brengend. De zoon doet dat voor zijn vader, evenals de Hellenen het doodefeest vieren. Overigens heeten ook dezen goedaardig, en de vrouwen van gelijke macht als de mannen.

27. Dezen zijn dan nog bekend, doch daarboven, het zijn de Issedonen, die zeggen dat daar éénoogige menschen en goudbewakende grijpen bestaan; van dezen hebben de Scythen het overgenomen en verhalen het, en van de Scythen hebben wij anderen het aangenomen en noemen hen op scytische wijze Arimaspen; want de Scythen noemen één a r i m a, en oog s p o e.

28. Geheel dit zoo beschrevene land is nu van een zoo strengen winter, dat er gedurende acht maanden een ondraaglijke koude is; in welken tijd ge door water uit te gieten geen modder maken zult, doch een vuur aanleggende zult ge modder maken. De zee is bevroren en geheel de Cimmerische Bosporus, en op het ijs trekken de Scythen, die binnen de gracht wonen, in menigte en drijven hun wagens er over heen tot aan de Sindiërs. Zoo dan houdt de winter acht maanden bij hen aan, en ook de vier overige is het daar koud. Deze winter verschilt in aard van alle winters in andere landen, wijl het daar in den regentijd niet noemenswaard regent, en het des zomers niet ophoudt te regenen. In den tijd, dat er elders donders zijn, zijn zij er daar niet, doch des zomers zeer sterk. Indien er des winters een onweer komt, geldt dat voor een wonderteeken, om zich over te verbazen. Evenals wanneer er een aardbeving geschiedt, hetzij des zomers, hetzij in den winter, geldt dat voor een teeken in Scythië. De paarden nu verdragen dien winter, doch muilezels noch muilezels verduren hem in 't minst. In andere landen daarentegen sterven paarden, die in winterkoude staan, doch de muilezels en ezels houden het uit.

29. En mij schijnt, dat ook het hoornlooze ras van de runderen daardoor geen hoorns krijgt daar. En voor mijn meening getuigt ook een woord van Homerus in de Odyssea , dat zóó is:
"Libyë ook, waar de lamm'ren al spoedig de hoornen doen groeien,"
waarin zeer juist gezegd is, dat in warme gewesten de hoorns snel ontstaan, doch in groote koude krijgt het vee gansch geen hoorns, of als zij groeien, groeien zij met moeite.

30. Dat nu geschiedt daar door de koude. En ik ben verbaasd (want van den aanvang af immers heeft mijn verhaal toevoegsels gezocht), dat er in het gansche land Elis geen muilezels kunnen zijn, terwijl toch de streek noch koud is, noch er een enkele andere duidelijke oorzaak bestaat. De Eleërs zelf zeggen, dat door een vloek bij hen geen muilezels geboren kunnen worden, doch wanneer de springtijd voor de merries gekomen is, drijven zij ze naar hun buren, en dan laten zij in het land van hun buren de ezels op haar gaan, tot de merries drachtig zijn geworden; daarna drijven zij ze weder terug.

31. Over de vederen, waarmede de Scythen beweren, dat de lucht vol is, en door welke zij niet bij machte zijn, noch verder in het land te zien, noch er door te trekken, daarover heb ik de volgende meening. Daar boven dat land sneeuwt het voortdurend, minder in den zomer, dan in den winter, zooals ook natuurlijk is. En hij nu, die wel eens van nabij de sneeuw dicht vallen zag, weet wat ik zeg: de sneeuw toch gelijkt op vederen, en daar nu de winter zóó is, is het deel van dit vaste land naar den noordewind onbewoonbaar. En met de vederen, geloof ik, zeggen de Scythen en de omwonende menschen bij gelijkenis de sneeuw. Deze dingen nu zijn als de verst-reikende berichten verhaald.

32. Over de Hyperboreesche mannen verhalen noch de Scythen iets, noch anderen van de daar wonenden, behalve dan de Issedonen. Doch naar ik vermoed, verhalen ook dezen niets, want dan zouden ook de Scythen het verhalen, gelijk zij ook over de éénogigen vertellen. Maar door Hesiodus wordt over de Hyperboreërs gesproken, en door Homerus in de Epigonen, indien althans inderdaad Homerus dat gedicht heeft gemaakt.

33. Doch verreweg het meeste verhalen de Deliërs van hen, bewerende dat heilige gaven, in koornhalmen gebonden, van de Hyperboreërs naar de Scythen gedragen worden, doch van de Scythen nemen telkens de naburige volkeren ze over en dragen ze zoo ver mogelijk naar den avond tot de Adriatische zee, en van daar worden ze naar den middag gezonden, en het eerst van de Hellenen ontvangen de Dodonaeërs ze en van dezen dalen ze naar de Malische golf en trekken over naar Euboea, en stad stuurt ze naar stad tot aan Carystus, en van daar slaan zij Andrus over, want de Carystiërs voeren ze naar Tenus, en de Teniërs naar Delus. Zoo nu, verhalen zij, komen die heilige gaven naar Delus, en eerst zonden de Hyperboreërs om de gaven te brengen twee maagden, die de Deliërs Hyperoche noemen en Laodice; en met deze zonden de Hyperboreërs voor haar veiligheid vijf burgers als begeleiders, hen, die nu Perphereërs heeten en in groote eer staan te Delus. Doch toen de gezondenen niet tot de Hyperboreërs terugkeerden, hadden dezen het zich zeer aangetrokken, indien hun telkens overkomen zou, dat zij de gezondenen niet weder bekwamen, en zoo dan de gaven, in koornhalmen gebonden, naar de grenzen dragend, hadden zij hun naburen met drang verzocht, vragende ze van hen zelf naar het volgende volk te dragen. En zoo dan verder gezonden komen de gaven, naar verhaald wordt, in Delus. En ik zelf weet het volgende, dat gelijkelijk als met deze gaven geschiedt: de Thracische en Paeonische vrouwen, wanneer zij aan de heerscheres Artemis offeren, hebben de offergaven niet zonder koornhalmen.

34. En dezen nu weet ik dat zoo doen, doch voor die jonkvrouwen van de Hyperboreërs, in Delus gestorven, scheeren de dochters en de zonen der Deliërs zich het haar; de eersten snijden vóór het huwelijk een lok af en wikkelen die om een spoel en leggen ze op het graf (dit graf is binnen in het heiligdom van Artemis aan de linkerhand van den intredenden, en er is een olijfboom op geplant), en zooveel knapen der Deliërs er zijn, ook dezen wikkelen een lok van hun haren om een zeker kruid, en leggen ze op het graf.

35. Dit eerbewijs ontvangen genen dan van de bewoners van Delus. Deze zelfden beweren, dat ook Arge en Opis, twee jonkvrouwen, van de Hyperboreërs langs die zelfde volken getrokken in Delus gekomen zijn, nog vroeger dan Hyperoche en Laodice. Dezen nu waren gekomen om aan Ilithyia de opgelegde schatting te brengen voor een snelle baring der twee goden, en Arge en Opis, verhalen zij, waren tegelijk met de goden zelven gekomen, en daarom werden aan genen andere eerbewijzen door hen gegeven; want de vrouwen verzamelen giften voor genen, en roepen hun namen aan in het gedicht, dat Olen, een Lycisch man, voor hen gemaakt heeft, en van hen dat leerend, zingen ook de eilanders en de Ioniërs het, Opis en Arge aanroepend en giften zamelend (deze Olen, uit Lycië gekomen, dichtte ook de andere oude zangen, die in Delus gezongen worden), en als de dijen verbrand zijn op het altaar, wordt de asch gebruikt ter bestrooing van het graf van Opis en Arge. Hun graf ligt achter het heiligdom van Artemis, naar den dageraad gericht, zeer dicht bij het feesthuis der Ceërs.

36. En dit nu zij over de Hyperboreërs gezegd, want het verhaal over Abaris, die een Hyperboreër zou zijn, verhaal ik niet, dat hij den pijl over de geheele aarde zou rond gedragen hebben, niets etende. Doch indien er hyperboreesche menschen zijn, zijn er ook andere, hypernotische. Maar ik lach, ziende hoevelen beschrijvingen van de aarde geteekend hebben en niemand met eenig inzicht ze uitlegde; menschen, die den Oceaan teekenen als stroomend rondom de aarde, die rond zou zijn als met een passer getrokken, en die Azië even groot als Europa maken. Want in weinig woorden zal ik de grootte van ieder van hen aangeven en hoe ieder te teekenen is.

37. De Perzen bewonen Azië, reikende tot aan de zuidelijke zee, de zoogenaamde Roode. Boven hen naar de noordewind wonen de Meden, boven de Meden de Saspiren, boven de Saspiren de Colchiërs, reikende tot aan de noordelijke zee, waarin de rivier de Phasis uitstroomt. Deze vier volkeren wonen van zee tot zee.

38. Van daar strekken zich twee tongen van Azië uit naar de zee, en die zal ik nu beschrijven. Vooreerst strekt de eene tong, beginnende bij de Phasis, in de richting van den noordenwind in de zee zich uit langs den Pontus en den Hellespontus tot aan het Trojaansche Sigeüm, en aan de zijde van den zuidewind loopt die zelfde tong van de Myriandische golf, die bij Phenicië ligt, in de zee uit, tot aan het Triopische voorgebergte. En in dat schiereiland wonen dertig volken.

39. Dit nu is het eene van de schiereilanden; doch het andere bij Perzië beginnend strekt zich uit in de Roode Zee, namelijk Perzië en het daaraan liggende Assyrië en naast Assyrië Arabië; en het houdt op, (niet ophoudend dan volgens het gewone zeggen), bij de Arabische golf, waarheen Darius uit de Nijl een kanaal voerde. Van Perzië nu tot Phenicië is het land breed en groot, doch van Phenicië gaat die tong tengevolge van deze zee langs het Palaestinische Syrië en Egypte, waarin zij eidigt; en daarin wonen slechts drie volken.

40. Dit nu is het deel van Azië dat van Perzië naar den avond zich strekt, doch wat aangaat het land boven de Perzen en de Meden en de Saspiren en de Colchiërs, dat naar den dageraad en de opgaande zon ligt, daarbij is aan de eene zijde de Roode Zee, naar den noordewind de Caspische zee en de rivier de Araxes, die naar de rijzende zon stroomt. Tot Indië toe is Azië bewoond; doch daar vandaan naar den dageraad is er een woestenij, en niemand kan zeggen, hoe het daar is.

41. Zoodanig en zoo groot dan is Azië; doch Libye ligt in de tweede tong; want dadelijk na Egypte begint Libye. Bij Egypte nu is die tong smal, want van deze zee naar de Roode Zee is het tienduizenden vademen, en dat kan wel ongeveer duizend stadiën zijn. Verder dan dit nauwe gedeelte is de tong, die Libye heet, zeer breed.

42. Ik verbaas mij daarom over hen, die afgrenzen en splitsen: Libye en Azië, en Europa; want niet gering is het verschil tusschen hen. Want in lengte strekt Europa zich langs beide anderen uit, doch in de breedte schijnt het mij niet waard te zijn vergeleken te worden. Want Libye is klaarblijkelijk door water omgeven, behalve voor zoveel er van aan Egypte grenst, wat het eerst, voor zoover wij weten, door Necho, den koning der Egyptenaars, werd aangetoond; want deze, toen hij had opgehouden met den vaart te graven, die van de Nijl naar de arabische golf gaat, zond Phenicische mannen met schepen uit, hun opdragende terug te varen door de zuilen van Heracles tot in de noordelijke zee en zoo naar Egypte te komen. De Pheniciërs dan, uitgezeild van de Roode zee bevoeren de zuidelijke zee; wanneer het herfst was geworden, gingen zij aan de kust en bezaaiden het land, waar zij telkens op hun vaart in Libye gevielen te zijn en wachtten de oogst af; en als zij het graan geoogst hadden voeren zij verder, zoodat zij na verloop van twee jaren in het derde jaar de zuilen van Heracles ombogen en in Egypte kwamen. En zij verhaalden, wat ik niet gelooven kan, doch een ander dan misschien, dat zij bij het omvaren van Libye de zon aan de rechterhand gehad hadden.

43. Zoo werd dit land voor het eerst gekend als omstroomd te zijn, en daarna zijn het de Carthagers, die dat zeggen, daar toch Sataspes, zoon van Teaspis, een Achaemenide, daarop uitgezonden, Libye niet omvoer, doch de lengte van den tocht vreezend en de verlatenheid, terugkeerde en den taak niet volbracht door zijn moeder hem opgelegd. Want een dochter van Zopyrus, zoon van Megabyzus, een jonkvrouw, had hij verkracht; toen hij daarop door koning Xerxes om die oorzaak zou gespietst worden, smeekte de moeder van Sataspes, een zuster van Darius, hem los, zeggende, dat zij hem een grootere straf zou opleggen dan gene; want hij zou gedwongen worden Libye om te varen, tot hij na het omgevaren te zijn, in de Arabische golf terugkwam. Toen Xerxes op die voorwaarde toestemde, ging Sataspes naar Egypte, en ontving schepen en schepelingen van hen en zeilde naar de zuilen van Heracles. Daar doorheen gevaren en het voorgebergte van Libye omgebogen zijnde, dat Soloïs heet, voer hij naar den middag. Toen hij in veel maanden veel zee had doorgetrokken, keerde hij om, daar hij nog altijd meer tijd noodig had, en voer terug naar Egypte. Van daar tot koning Xerxes gekomen verhaalde hij, bewerende, dat hij in het verste deel kleine menschen was langsgevaren, die kleederen van palmbladen hadden, en die, toen zij met het schip bij de kust waren gekomen, naar de bergen gevlucht waren, hun steden verlatende; zelf hadden zij, in dat land gaande, genen geen kwaad gedaan, doch slechts het vee daaruit gevangen. Dat hij Libye niet geheel omgevaren had, daarvan was de oorzaak, zeide hij, dat het schip niet bij machte was verder te gaan, doch weerhouden was. Doch Xerxes geloofde niet, dat hij de waarheid sprak, en daar hij den opgelegden taak niet volbracht had, liet hij hem spietsen, de oude straf uitvoerend. Een gesnedene van dezen Sataspes liep weg naar Samos, zoodra hij het einde van zijn meester vernomen had, met groote schatten, die een man uit Samos in bezit kreeg, wiens naam ik weet doch opzettelijk verberg.

44. Het grootste gedeelte van Azië werd door Darius ontdekt, die verlangde van de rivier de Indus, daar deze als de tweede van alle rivieren krokodillen oplevert, van deze rivier te weten, waar zij in zee valt; en met schepen zond hij dan ook anderen, die hij vertrouwde de waarheid te spreken, en dan ook Scylax, een man uit Caryanda. En dezen, weggereisd uit de stad Caspatyrus en het Pactyïsche land, voeren langs de rivier naar den dageraad en den zonsopgang tot in de zee, en door de zee naar den avond varende, kwamen zij in de dertigste maand aan dezelfde plaats, vanwaar de Egyptische koning de Pheniciërs, die ik vroeger genoemd heb, uitzond om Libye om te varen. Toen dezen dan dit omgevaren hadden, onderwierp Darius de Indiërs en maakte gebruik van deze zee. Zoo is dan ook van Azië, behalve dat wat naar de opgaande zon gaat, het overige bevonden met Libye overeen te komen.

45. Van Europa echter wordt klaarblijkelijk door niemand geweten, noch aan de zijde der rijzende zon, noch aan de noordewindzijde, of het omstroomd is; doch in lengte, dat weet men, strekt het zich langs beide anderen uit. En ik kan niet vermoeden, waarom de aarde, die toch één is, drie namen draagt, genoemd naar vrouwen, en waarom haar tot grenzen de Nijl, de Egyptische rivier, zijn gesteld en de Phasis, de Colchische (sommige ook noemen de Maeotische rivier de Tanaïs en de Cimmerische veeren), noch kan ik de namen vernemen, van die deze grenzen aangaven, en naar wie zij de benamingen genomen hebben. Want wel heet Libye bij de meeste Hellenen naar Libya, een aardontsproten vrouw, den naam te hebben, en Azië naar den naam van Prometheus' vrouw. En dien naam eigenen ook de Lydiërs zich toe, bewerende dat Azië heet naar Asias, zoon van Cotys, zoon van Manes (en niet naar de Asia van Prometheus), naar wien ook de asische stam in Sardes genoemd is. Doch van Europa dan wordt door geen der menschen geweten, noch of het omstroomd wordt, noch van waar het dien naam ontving, noch is bekend wie het was, die dien naam gaf, indien wij niet beweren, dat dat land den naam kreeg naar de tyrische Europa, en vroeger dan zou het zonder naam geweest zijn, evenals beide andere landen. Doch gene was toch, zooals bekend is, uit Azië, en kwam niet naar het land, dat nu door de Hellenen Europa genoemd wordt, doch alleen uit Phenicië naar Creta, en van Creta naar Lycië. Doch zooveel moge nu daarover gezegd wezen; want wat wordt aangenomen, zullen zij gebruiken.

46. De Pontus Euxinus, naar welken Darius in het veld trok, levert van alle landen, met uitzondering van het Scythische, de onbeschaafdste volken. Want geen enkel volk van die, welke aan deze zijde van den Pontus wonen, kunnen wij vermelden om zijn verstand, noch weten wij van een belangrijk man daar geboren, behalve het Scythische volk en Anacharsis. Door het Scythische volk is één zéér groot ding van de zaken der menschen op het verstandigst, van allen die wij weten, uitgevonden, doch de overige dingen bewonder ik niet. Doch dit groote is zóó door hen uitgevonden, dat niemand die tegen hen optrekt hun ontvluchten kan, noch bij machte is hen te grijpen, als zij niet willen. Want bij wie noch steden noch vestingen gebouwd zijn, doch die zwervend zijn en allen boogschutters te paard, en leven, niet van den akkerbouw doch van veeteelt, en wier huizen op de wagens zijn, hoe zouden dezen niet onverwinbaaar zijn en moeilijk tot strijd te naderen?

47. Dit hebben zij uitgevonden, daar het land er voor geschikt is en de rivieren hun bondgenooten zijn, want de grond, die vlak is, deze is grasrijk en welbewaterd, en rivieren srtoomen er door heen, niet veel minder in getal dan de kanalen in Egypte. Zoovelen er belangrijk zijn van hen en bevaarbaar van de zee uit, die zal ik noemen: de Ister met vijf monden, daarna de Tyres en de Hypanis en de Borysthenes en de Panticapes en de Hypacyris en de Gerrhus en de Tanaïs. Deze stroomen op de volgende wijze:

48. De Ister, zijnde de grootste van alle stroomen, die wij kennen, stroomt altijd in grootte gelijk aan zich zelve èn zomers èn winters, en de eerste der Scythische rivieren zijnde, die van het westen komen, is zij om de volgende oorzaak de grootste. Want terwijl andere rivieren in haar vallen, zijn deze het, die haar groot maken, vijf in getal stroomende door het Scythische land; vooreerst die, welke de Scythen Porata noemen, doch de Hellenen Pyretus, en dan nog de Tiarantus, de Ararus en de Naparis en de Ordessus. De eerstgenoemde der rivieren is groot, en naar den dageraad stroomend deelt zij aan de Ister haar water mede; de tweede genoemde, de Tiarantus, stroomt meer naar den avond en is kleiner, doch de Ararus dan en de Naparisen de Ordessus vallen in de Ister, tusschen genen door loopend.

49. Deze inlandsche Scythische rivieren maken te samen gene vol, en van de Agathyrsen stroomt de rivier Maris en vereenigt zich met de Ister, en van de toppen des Haemus' stroomen drie andere groote rivieren naar den noordewind en vallen in haar, de Atlas en de Auras en de Tibisis. En uit Thracië en de thracische Crobuzen stroomen de Athrys en de Noës en de Artanes en vloeien in de Ister, en uit de Paeoniërs van den berg Rhodope snijdt de rivier Cios midden den Haemus door en valt in haar. En de rivier Angrus stroomt uit de Illyriërs naar den noordewind en valt in de Triballische vlakte en in de rivier de Brongus, en de Brongus in de Ister; zoo neemt de Ister beide rivieren op, die beiden groot zijn. Uit het land boven de Ombricers gelegen stroomt de rivier de Carpis en een andere rivier de Alpis naar den noordewind en deze vallen in haar; want de Ister loopt door geheel Europa. Beginnend bij de Celten, die na de Cyneten onder alle volken van Europa het verst naar den zonsondergang wonen, en door geheel Europa stroomend werpt zij zich in de flanken van Scythië.

50. Daar deze genoemde rivieren nu en vele andere hun water samenwerpen, wordt de Ister de grootste der rivieren, daar in eigen water, de een naast de ander geplaatst, de Nijl door menigte overwint. Want in deze valt noch een rivier noch een enkele bron om haar menigte te vergrooten. En om de volgende oorzaak, naar mij toeschijnt, stroomt de Ister zomer en winter met dezelfde grootte. 's Winters is zij zoo groot zij nu eenmaal is, en wordt slechts weinig grooter dan haar natuur is; want dat land wordt 's winters over 't geheel weinig beregend, doch heeft voortdurend sneeuwbuien. De sneeuw echter, die in den winter gevallen was, zeer veel zijnde, smelt 's zomers en stroomt van alle kanten in de Ister. Die sneeuw dan in haar gevloten, doet haar zwellen en vele en volle regens met haar; want het regent sterk in den zomer. Zooveel meer water nu de zon in den zomer dan in den winter tot zich optrekt, zooveel zijn de met de Ister zich mengende wateren des zomers grooter dan in den winter; en daar deze dingen aan elkander tegenovergesteld zijn, ontstaat er evenwicht, zoodat de Ister zich altijd even groot vertoont.

51. Een van de rivieren bij de Scythen is dus de Ister, na deze de Tyres, die van den noordewind aankomt, en begint te stroomen uit een groot meer, dat het Scythische van het Neurische land afgrenst. Aan den mond wonen Hellenen, die Tyriten genoemd worden.

52. De derde rivier, de Hypanis, komt uit Scythië en stroomt uit een groot meer, waaromheen wilde witte paarden weiden; dit meer heet terecht de moeder der Hypanis. Daaruit ontspringend stroomt de rivier Hypanis over een vaart van vijf dagen en is ondiep en zoet; daarvandaan tot aan de zee, een vaart van vier dagen, is zij vreeselijk bitter; want een bittere bron stroomt in haar uit, die wel zéér bitter is, daar zij, klein in grootte zijnde, zich mengt met de Hypanis, een rivier groot als weinige, en haar bitter maakt. Deze bron ligt bij de grenzen van het land der akkerbouwende Scythen en de Alazonen; de naam van de bron en de plaats vanwaar zij komt, is in het Scythisch Exampaeus, doch volgens de Helleensche taal Hirai Hodoi. Bij de Alazonen brengen de Tyres en de Hypanis hun wendingen dicht bijeen, doch verderop wendt ieder zich weg, het tusschenland breed houdende.

53. De vierde rivier is de Borysthenes, die na de Ister de grootste van hen is en naar onze meening de voordeeligste, niet alleen van de Scythische stroomen, doch ook van alle andere, behalve de Egyptische Nijl; want met deze is het niet mogelijk een andere rivier te vergelijken; doch van de overigen is de Borysthenes de voordeeligste, daar zij de schoonste en weelderigste weiden aan het vee verschaft, en de uitnemendste en meest visschen, en zeer aangenaam is om gedronken te worden en zij stroomt helder langs troebele wateren, en krachtig groeit de vrucht bij haar, en waar het land niet bezaaid is, zeer hoog gras. Aan haar mondig stolt van zelve onnoemelijk veel zout, en groote visschen zonder graten, die zij a n t a c a e ë n noemen, verschaft zij ter inzouting, en vele andere zaken, waard te bewonderen. Tot aan het land der Gerrhen nu, waarheen de vaart veertig dagen duurt, weet men dat zij van den noordewind stroomt, doch hoogerop, door welke menschen zij stroomt, weet niemand te zeggen, doch zij komt klaarblijkelijjk door een woestijn stroomend in het land der landbouwende Scythen; want deze Scythen wonen over een vaart van tien dagen langs haar. Van die rivier alleen en van de Nijl kan ik de bronnen niet aangeven, en, geloof ik, niet een enkel der Hellenen. En de Borysthenes komt in haar stroomen dicht bij zee en de Hypanis vermengt zich met haar, in het zelfde moeras vallende. Wat tusschen deze rivieren als een spriet lands ligt, wordt het voorgebergte van Hippolaüs genoemd, en daarop is een tempel van Demeter opgericht; voorbij den tempel bij de Hypanis wonen de Borystheneïten.

54. Dit nu over deze rivieren; na dezen is er een andere, vijfde, rivier, wier naam Panticapes is. Ook deze stroomt van den noordewind en uit een meer, en het land tusschen deze en de Borysthenes bewonen de landbouwende Scythen; dan valt zij in het land Hylaea, en daar doorgetrokken vereenigt zij zich met de Borysthenes.

55. De zesde rivier is de rivier de Hypacyris, die komende uit een meer, midden door de zwervende Scythen stroomend bij de stad Carcinitis in zee valt, Hylaea rechts latend en den dusgeheeten Achillesbaan.

56. De zevende rivier, de Gerrhus, scheidt zich van de Borysthenes op die plaats des lands, tot waar de Borysthenes gekend wordt. Zij scheidt zich dus af op die plaats des lands, en heet, zooals ook de streek zelf, Gerrhus, en naar zee stroomende grenst zij het land der zwervende en dat der koninklijke Scythen af, en valt in de Hypacyris.

57. De achtste is dan de rivier de Tanaïs, die van boven af uit een groot meer gekomen, in een nog grooter meer valt, het Maeotische geheeten, dat de koninklijke Scythen en de Sauromaten afgrenst. In die Tanaïs werpt zich een andere rivier, met name Hyrgis.

58. Zóó dan zijn de Scythen met die belangrijke rivieren toegerust, en het gras dat voor het vee groeit in Scythië is van alle gras, dat wij kennen, het meest galverwekkend; en die de beesten opensnijden, kunnen nagaan, dat het er zoo mede is.

59. In de grootste dingen dan zijn zij wel voorzien, en voorts zijn de gebruiken bij hen ongeveer van den volgenden aard. Zij vereeren alleen de volgende goden: Hestia vooral, bovendien Zeus en Gaea, meenende dat Gaea de vrouw van Zeus is, en na dezen Apollon en Aphrodite Urania en Heracles en Ares. Dezen nu vereeren alle Scythen, doch de dusgenaamde koninklijke Scythen offeren ook aan Poseidon. In het Scythische heeten Hestia Tabiti, en Zeus, zeer terecht naar mijn meening, met den naam Papaios, Gaea Api, Apollon Goitosyros, Aphrodite Urania Argimpasa, en Poseidon Thagimasadas. Beelden en altaren en tempels plegen zij niet te maken behalve voor Ares; voor dien plegen zij het.

60. De offerwijs is bij allen dezelfde, gelijkelijk voor alle offers, en wordt verricht op de volgende wijze. Het offerdier zelf staat met de voorpoten gebonden, en de offeraar achter het dier staande, trekt aan het einde van den strik en werpt het neder; als het offerdier gevallen is, roept gene den god aan, tot wien hij offert, en werpt vervolgens snel een strik om den nek, en een stok daarin stekend, draait hij dien om en worgt het dier, zonder een vuur te ontsteken, noch vóórplechtigheden te doen, noch te plengen, doch hij worgt het dier en vilt het en gaat aan het koken.

61. Daar het Scythische land geweldig houtarm is, hebben zij het volgende verzonnen voor het koken van het vleesch. Nadat zij de offerdieren gevild hebben, ontblooten zij de beenderen van het vleesch; daarna werpen zij dit, als zij ze hebben, in inlandsche ketels, veel op Lesbische mengvaten gelijkend, behalve dat zij veel grooter zijn; daarin werpen zij het vleesch en koken, terwijl zij de beenderen der offerdieren er onder aansteken. Doch als zij geen ketel bij zich hebben, dan brengen zij al het vleesch in den buik van het offerdier, mengen er water bij, en verbranden de beenderen eronder; dezen branden voortreflijk, en de buik bevat gemaklijk het vleesch, dat van de beenderen ontdaan is. En zoo kookt het rund zich zelf gaar en de andere offerbeesten ieder zichzelf. Wanneer het vleesch gekookt is, zondert de offeraar van het vleesch en de ingewanden een eerste deel af en werpt die vóór zich. Zij offeren ook andere beesten en vooral paarden.

62. Aan de andere goden dan offeren zij aldus en deze dieren, doch aan Ares op de volgende wijze. In ieder gewest der drie rijken hebben zij een heiligdom voor Ares opgericht van den volgenden aard. Bossen rijs zijn opgehoopt over ongeveer drie stadiën in lengte en in breedte, doch in hoogte kleiner; daar bovenop is een vierkant vlak gemaakt, en drie der zijden zijn steil, doch aan de eene kan men naar boven stijgen. Ieder jaar stapelen zij honderd en vijftig wagens takkebossen er op, want hij zakt voortdurend in door het ruwe weder. Op deze hoop wordt in ieder gewest een oud ijzeren zwaard geplaatst, en dat is het beeld van Ares. Aan dat zwaard brengen zij jaarlijksche offers van vee en paarden, en zelfs offeren zij hem nog het volgende meer dan aan de andere goden. Zoovelen der vijanden zij levend gevangen nemen, van iedere honderd mannen offeren zij één man, niet op dezelfde wijze als het vee, doch op een andere. Want nadat zij wijn geplengd hebben op de hoofden, slachten zij de mannen boven een vat en daarna brengen zij dit boven op den takkehoop en gieten het bloed over het zwaard. Dit dan dragen zij naar boven, doch beneden bij het heiligdom doen zij het volgende. Van de geslachte mannen houwen zij al de rechter schouders af, met de armen, en werpen die in de lucht; dan, als zij de overige offerplechtigheden verricht hebben, gaan zij heen. De arm ligt, waar zij gevallen is, en het lichaam afzonderlijk.

63. Deze dan zijn hun offeringen. Zwijnen echter gebruiken zij nooit, noch plegen zij ze in hun land te kweeken, gansch niet.

64. De zaken van den krijg zijn aldus bij hen ingericht. Wanneer een Scyth zijn eersten man heeft geveld, drinkt hij van diens bloed. En zoovelen hij doodt in den slag, van dezen brengt hij het hoofd aan den koning, want het hoofd aanbrengende neemt hij deel aan den buit, dien zij maken, doch brengt hij er geen, dan geen deel. En hij vilt het op de volgende wijze. Hij maakt om de ooren heen in een kring een snede, grijpt het hoofd bij de schedelhuid en schudt het er uit; daarna schaaft hij met een runderrib het vleesch weg en maakt ze week met de handen, en ze zacht gemaakt hebbende gebruikt hij ze als handdoek, en aan de teugels van het paard, dat hij rijdt, daaraan bindt hij ze vast, en is er trotsch op; want die de meeste handdoeken van huid heeft, deze geldt voor den dappersten man. Velen van hen maken ook kleeden om aan te trekken van deze huiden, ze samennaaiend evenals geitenvellen. Velen ook villen de rechterhand van vijanden, die gedood zijn, met de nagels er af en maken er overtreksels van voor hun pijlkokers; de huid eens menschen toch is èn dik èn blinkend, en is van nagenoeg alle huiden het glanzigst wit. Velen ook villen geheele mannen en die huiden op houten spannend, dragen zij ze op hun paarden bij zich.

65. Dit nu is zoo gebruik bij hen, doch met de hoofden zelf, niet van allen, doch van de grootste vijanden, doen zij het volgende. Een ieder zaagt alles beneden de wenkbrauwen weg, en reinigt den schedel; en indien hij arm is, zoo spant hij er van buiten enkel rundervel om heen en gebruikt hem zoo, doch als hij rijk is, spant hij er wel ossevel omheen, doch verguldt hem ook van binnen en gebruikt hem zoo als beker. Dit doen zij ook als zij met een hunner verwanten in twist zijn gekomen, en indien de een bij den koning macht over den ander verkregen heeft. Indien vreemden, die hij van gewicht acht, tot hem komen, brengt hij die schedels aan en verhaalt er bij, hoe, die zijn verwanten waren hem krijg aandeden en hijzelf hen overwon, en als een dappere daad beschouwen zij dat.

66. Eenmaal in ieder jaar mengt iedere hoofdman van een gewest in zijn eigen gewest een mengvat wijns, waarvan de Scythen drinken, die vijanden geveld hebben; die dat niet verricht hebben, proeven niet van dien wijn, doch zitten op zijde, ongeëerd, want dat is bij hen de grootste smaad. En zoovelen van hen zeer vele mannen gedood hebben, dezen hebben ieder voor zich twee bekers en drinken daaruit tegelijk.

67. Waarzeggers zijn er velen bij de Scythen, die met vele wilgentakken aldus waarzeggen. Nadat zij groote bossen van takken bijeengebracht hebben, leggen zij ze op de aarde en halen ze ieder uiteen, en den eenen tak na den anderen neerleggend, zeggen zij spreuken, en terwijjl zij die zeggen, verzamelen zij de takken weder en brengen zij weder één voor één bij elkander. Deze waarzeggerij is hun van hun vaderen overgeleverd. Doch de Enareërs, de man-vrouwen, beweren dat Aphrodite hun de waarzegging gegeven heeft; en zij zeggen dan waar uit de bast der linde. Nadat zij de bast in drieën gespleten hebben, windt hij de strooken om zijn vingers, ontwikkelt ze weder en zegt waar.

68. Wanneer de koning der Scythen ziek is geworden, ontbiedt hij drie mannen van de waarzeggers, die het meest in aanzien zijn, en dezen zeggen waar op de gezegde wijze, en gewoonlijk zeggen dezen dit ongeveer, dat die of die bij de haarden des konings meineed heeft gepleegd, noemende wien der burgers zij dan noemen; want bij de koninklijke haarden zoo plechtig mogelijk te zweren is zede bij de Scythen, wanneer zij den grootsten eed willen zweren. Terstond nu wordt hij, dien genen dan van meineed beschuldigen, van weerszijden aangegrepen en voor den koning gebracht; en als hij gekomen is, werpen de waarzeggers hem voor, dat hij in hun waarzegging gebleken is valschlijk bij de koninklijke haarden gezworen te hebben, en dat daardoor de koning ziek is. Gene ontkent, en loochent den valschen eed, en spreekt heftige woorden. En daar hij loochent, ontbiedt de koning andere waarzeggers, tweemaal zooveel, en indien ook dezen, een onderzoek doende in de waarzeggerskunst, genen aan meineed schuldig verklaren, houwt men hem terstond het hoofd af, en zijn have verloten de eerste waarzeggers onder elkander; indien echter de nieuwgekomen waarzeggers hem vrij spreken, komen andere waarzeggers aan en weer andere. Indien nu de meeste den mensch vrij spreken, is bepaald, dat de eerste waarzeggers zelf sterven moeten.

69. Men doodt hen dan op de volgende wijze. Nadat zij een wagen met rijs gevuld hebben en ossen er voor gespannen, binden zij den waarzeggers de voeten en binden hun handen van achteren, stoppen hun den mond toe, duwen hen midden in het rijs, steken dat in brand en maken de ossen bang en jagen ze voort. Vele ossen nu verbranden tegelijk met de waarzeggers, vele ontkomen ook, overal gezengd, wanneer de dissel is afgebrand. Op de gezegde wijze verbranden zij, en ook om andere redenen, de waarzeggers, valsche waarzeggers hen noemend. Doch van hen, die de koning doodt, spaart hij ook de kinderen niet, doch de manlijke doodt hij allen, de vrouwlijke echter doet hij geen kwaad aan.

70. Een verbond sluiten de Scythen aldus met wie zij het dan sluiten. Zij schenken wijn in een grooten aarden beker en mengen daar bloed bij van hen, die het verbond maken, terwijl zij met een priem rijten of met een mes eene kleine snede in het lichaam maken, en daarna doopen zij een zwaard in den beker, en pijlen en een bijl en een werpspiets; nadat zij dat gedaan hebben, spreken zij vele eeden en vloeken, en daarna drinken zij zelf, die het verbond sloten, en de meest aanzienlijken van hun volgelingen.

71. De begrafenis der koningen geschiedt bij de Gerrhen (tot waar de Borysthenes bevaarbaar is); dáár, wanneer hun koning gestorven is, graven zij een grooten vierkanten kuil in de aarde. Hebben zij dezen gereedgemaakt, dan nemen zij het lijk, welks lijf met was is overtrokken, doch aan den buik eerst opengesneden en gereinigd, dan met gestooten cypres en reukwerk, zaad van eppe en anijs gevuld, en weder dichtgenaaid, en brengen het in een wagen naar het andere volk. Zij nu, die het tot hen gebrachte lijk ontvangen, doen het zelfde wat ook de koninklijke Scythen doen; zij snijden wat van hun oor af, scheren de haren rondom weg, kerven zich de armen, krabben het voorhoofd en de neus stuk, en stooten zich pijlen door de linkerhand. Vandaar brengen zij het lijk des konings in den wagen naar een ander volk, waarover zij heerschen, en die, bij welke zij het eerst kwamen, volgen hen. Wanneer zij nu, het lijk geleidende, door allen heen zijn getrokken, zijn zij bij de Gerrhen, die het verst wonen der volken, waarover zij heerschen, en bij de graven. En dan, nadat zij het lijk op stroo in
het graf gelegd hebben, steken zij aan alle kanten van het lijk lansen in den grond, spannen planken daarover en maken daarna een dak van vlechtwerk; in de overgebleven ruimte van het graf begraven zij een der bijwijven, die zij worgden, en den wijnschenker, en den kok en den stalmeester en den kamerdienaar en den boodschapbrenger en de paarden en eerste gaven van alle andere dingen en gouden schalen; doch zilver gebruiken zij gansch niet, noch ijzer. Dit gedaan hebbend, werpen allen een grooten aardhoop op, in wedijver en zij spannen zich in om hem zoo groot mogelijk te maken.

72. Als een jaar verstreken is, doen zij wederom het volgende: van de overgebleven dienaren nemen zij de den koning meest getrouwen (deze zijn geboren Scythen; want zij slechts zijn dienaars, wien de koning het beveelt, en gekochte knechten hebben zij niet); van die knechten dan worgen zij er vijftig en de vijftig schoonste paarden, en zij nemen de ingewanden uit hen weg en reinigen en vullen met stroo en naaien dicht. En een half rad plaatsen zij omgekeerd aan twee palen en de andere helft van het rad aan twee andere palen, en bevestigen vele zulke dingen op dezelfde wijze, dan drijven zij dikke houten in de lengte door de paarden heen tot aan de hals, en plaatsen ze boven de raderen; de voorste raderen nu van dezen ondersteunen de schouders der paarden, en die achteraan vatten den buik bij de dijen; de pooten hangen voor en achter in de lucht. Dan doen zij de paarden teugels en gebitten aan, trekken de teugels vóór de paarden uit en binden ze vervolgens aan knoppen. Van de vijftig geworgde jongelingen plaatsen zij er telkens één op één paard, en plaatsen ze zóó: wanneer zij door ieder lijk heen langs den ruggegraat een paal hebben gedreven tot den hals - van onderen steekt een stuk van dat hout naar buiten, en dat stuk bevestigen zij in het boorgat van het hout, dat door het paard gaat. Zij plaatsen deze ruiters in een kring om het graf en trekken weg.

73. Zoo begraven zij de koningen. Doch de andere Scythen, wanneer die gestorven zijn, dan brengen de naaste verwanten hen op wagens bij hun vrienden, van welke ieder de volgelingen ontvangt en onthaalt, en dicht bij het lijk er van alles aan voorzet, wat hij ook den anderen voorzet. Zoo worden de gewone menschen veertig dagen rondgeleid, en dan begraven. Na de begrafenis echter reinigen de Scythen zich op de volgende wijze. Zij zalven zich het hoofd en wasschen het weder af en doen met hun lichaam het volgende. Nadat zij drie balken tegen elkander leunend hebben opgesteld, spannen zij daarover wollen dekens, stoppen ze zoo goed mogelijk aanéén, en werpen steenen, van vuur gloeiend, in een pot, die middenin tusschen de balken en dekens staat.

74. Er groeit bij hen een hennep in het land, die, behalve in dikte en lengte, veel gelijkt op vlas, doch daarin overtreft de hennep het vlas vele malen. Het groeit zoowel uit zichzelf als door zaaiing, en daaruit maken de Thraciërs ook kleederen zeer gelijkend op de linnenen, en zelfs zou hij, die niet zeer vertrouwd er mede is, niet kunnen onderscheiden of het vlas of van hennep is; die nog nooit een hennepen kleed zag, zal het kleed voor linnen houden.

75. Wanneer de Scythen nu van dien hennep het zaad genomen hebben, kruipen zij in den wollen tent, en dan werpen zij het zaad op de gloeiende steenen; en het zaad er op geworpen gaat rooken en geeft zulk een damp, dat geen enkel Helleensch dampbad het overtreffen zou. En de Scythen verlustigen zich in het dampbad en juichen. Dit dient hun voor bad; want met water toch wasschen zij het lichaam in 't geheel niet. Hun vrouwen wrijven op een ruwen steen stukken hout van cypres- en ceder- en wierookboomen fijn, er water bijgietend, en als dat stukgewreven goed dik is geworden, besmeeren zij zich geheel het lichaam en het gelaat er mede; en tegelijk krijgen zij daar een goeden geur van, tegelijk ook nemen zij den volgenden dag het deeg weg en zijn schoon en blinkend.

76. Ook dezen schuwen het vreeslijk vreemde gebruiken aan te nemen, zoowel die van anderen, als het meest de Helleensche, zooals Anacharsis bewees, en ten tweede male weder Scyles. Want Anacharsis, in de eerste plaats, toen hij veel landen bereisd had en daar veel wijsheid had getoond, ging weder heen naar de streken der Scythen, en door den Hellespont varend, hield hij bij Cyzicus op; en toen, - want hij bevond , dat de Cyzicenen voor de Moeder der Goden zeer schitterend feest vierden, - toen deed Anacharsis de gelofte aan de Moeder: indien hij behouden en gezond in zijn land zou terugkeeren, dan zou hij offeren op dezelfde wijze als hij de Cyzicenen had zien doen, en een nachtlijk feest instellen. Toen hij nu in Scythië gekomen was, begaf hij zich naar de streek Hylaea geheeten, (deze is bij den Achilles-baan, en geheel bezet met allerlei boomen) daarheen dan begaf zich Anacharsis, en voltrok het gansche feest ter eere der godin, een trommel in de hand en behangen met beelden. En een der Scythen, die bemerkt had wat hij deed, meldde het aan den koning Saulius; en deze, toen hij ook zelf gekomen was en Anacharsis dat zag doen, doodde hem met een boogschot. Nog nu, als iemand spreekt over Anacharsis, beweren de Scythen hem niet te kennen, daarom, wijl hij naar Hellas reisde en vreemde zeden aannam. Naar ik echter hoorde van Tymnes, den voogd van Ariapithes, was hij een vadersbroeder van Idanthyrsus, den koning der Scythen, en een zoon van Gnurus, zoon van Lycus, zoon van Spargaphites. Indien Anacharsis nu uit dat huis is, moge hij weten, dat hij door zijn broeder omkwam: want Idanthyrsus was de zoon van Saulius, en Saulius was het die Anacharsis doodde.

77. En ook heb ik wel een ander verhaal door de Peloponnesiërs hooren verhalen, dat Anacharsis door den koning der Scythen uitgezonden was om leerling van Hellas te worden, en teruggekeerd tegen den uitzendende zeide, dat alle Hellenen zich ijverig toelegden op alle kennis behalve de Lacedaemoniërs, doch dat men bij dezen alleen verstandige woorden spreken en hooren kon. Doch dit verhaal schijnt mij zonder ernst door de Hellenen zelf verdicht te zijn; de man echter kwam zeker om, zooals vroeger gezegd werd.

78. Deze dan had zulk een lot om de vreemde gebruiken en den omgang met Hellenen. Doch zeer veel jaren later onderging Scyles, de zoon van Ariapithes, bijna hetzelfde als gene.
Ariapithes, de koning der Scythen, had behalve andere zonen ook Scyles; uit een vrouw van Istria had hij dien zoon en geenszins uit een inlandsche en hem leerde zijn moeder zelve de Helleensche taal en de letters. Geruimen tijd later stierf Ariapithes door verraad van Spargapithes, den koning der Agathyrsen, en Scyles nam het koningschap over en de vrouw van zijn vader, wier naam Opoeë was. Deze Opoeë was een inlandsche, bij welke Ariapithes een zoon, Oricus, had. En toen Scyles over de Scythen heerschte, was hij geenszins bevredigd door de Scythische leefwijze, maar hij was veel meer geneigd naar het Helleensche door de opvoeding, waarin hij opgevoed was en hij deed het volgende: zoo dikwijls hij het Scythische heer naar de stad der Borystheneïten voerde, (deze Borystheneïten beweren dat zij Milesiërs zijn), wanneer Scyles naar hen kwam, liet hij het heer voor de stad achter, en, wanneer hij dan zelf binnen de muur was gegaan en de poort had gesloten, legde hij zijn Scythische kleeding af en trok een Helleensch gewaad aan, en daarin gekleed, bezocht hij de markt zonder gevolg van lansdragers of iemand anders (want dezen bewaakten de poort, dat niemand der Scythen hem in dat gewaad zien zoude) en gedroeg zich ook in andere opzichten volgens de Helleensche leefwijze en offerde aan de goden volgens de Helleensche gebruiken. Wanneer hij een maand of langer daar gebleven was, vertrok hij, het Scythische kleed aangetrokken hebbende. Zoo deed hij meermalen en hij bouwde een woning in Borysthenes en huwde daarin een vrouw uit de stad.

79. Toen het hem slecht moest vergaan, geschiedde het uit deze aanleiding: hij kreeg begeerte ingewijd te worden in de dienst van den bacchischen Dionysus. Doch toen hij de inwijding zou ondernemen, toonde zich hem een groot teeken. Hij had in de stad der Borystheneïten een groot en kostbaar paleis, dat ik ook kort te voren vermeld heb en waarom sfinxen en grypen van witten steen stonden: daarin slingerde de god zijn schicht. En het huis brandde geheel af, doch Scyles volbracht daarom niet minder de inwijding. De Scythen beschimpen de Hellenen om de baccische optochten, want zij zeggen, dat het niet betaamt een god uit te denken, die de menschen tot razernij brengt. Toen Scyles in den bacchischen dienst ingewijd was, liep een der Borystheneïten naar de Scythen en zeide: "Ons nu lacht gij uit, o Scythen, omdat wij Dionysus vieren en de god ons grijpt, nu heeft die god ook uwen koning gegrepen en hij viert mede en raast door den god. Indien ge mij niet gelooft, volgt mij en ik zal hem u toonen." De voornaamsten van de Scythen volgden, en de Borystheneïet bracht hen heimelijk op den toren. En toen Scyles met den feeststoet voorbij ging en de Scythen hem dansen zagen, achtten zij dit een groote ramp en heengegaan deelden zij aan het heer mede, wat zij gezien hadden.

80. Toen daarop Scyles weder naar buiten trok naar zijn verblijfplaats, verkozen de Scythen als hoofd zijn broeder Octamasades, geboren uit de dochter van Teres, en stonden tegen Scyles op. Toen hij vernam wat tegen hem geschiedde en de reden, waarom het voorviel, vluchtte hij naar Thracië. Maar Octamasades dit vernemende, trok op tegen Thracië. Toen hij bij de Ister was gekomen, gingen de Thraciërs hem tegemoet, doch toen zij zouden gaan strijden, zond Sitalces een boodschapper naar Octamasades, zeggende: "Waarom moeten wij elkander bevechten? Gij zijt de zoon van mijn zuster en hebt mijn broeder. Geef mij dien terug en ik lever u Scyles uit. Wil toch den strijd niet wagen, en ik ook niet." Dit boodschapte Sitalces hem, want bij Octamasades was een broeder van Sitalces, die hem ontvlucht was. Octomasades keurde dit goed, en zijn eigen oom aan Sitalces gevende, kreeg hij zijn broeder Scyles. En Sitalces ontving zijn broeder en trok terug, doch Octamasades hieuw Scyles terstond het hoofd af. Zoo dan bewaren de Scythen hun eigen gebruiken, en zulke straffen geven zij hun, die de zeden van vreemde landen aannemen.

81. Het aantal der Scythen heb ik nooit met zekerheid kunnen leeren, doch ik hoorde verschillende berichten over het getal, want zij zouden zeer velen en dan weer zeer weinigen wezen, voor zoover zij Scythen zijn. Doch zooveel toonden zij aan mijn oogen. Tusschen de rivier de Borysthenes en de Hypanis is een streek, en deze heet Exampaeus, waarvan ik wat vóór deze dingen gewag maakte, bewerende, dat daarin een bron van bitter water is, waaruit het water stroomt en de Hypanis bitter maakt. In die streek staat een metalen vat, in grootte wel zesmaal meer dan het mengvat aan den mond van den Pontus, dat Pausanias, de zoon van Cleombrotus, daar wijdde. Wie dat nooit gezien heeft, dien zal ik het aldus beschrijven. Het vat in Scythië houdt licht zeshonderd amphoren in, en in dikte is dat Scythische vat zes duimen. Dit nu, verhaalden de menschen van het land, was van pijlpunten gemaakt. Want toen hun koning, die Ariantas heette, toen deze het aantal der Scythen wilde weten, beval hij dat iedere Scyth een enkelen punt van zijn pijl zou aanbrengen: die niet zou brengen, dien dreigde hij met den dood. En er werd hem dan een groot geweld van pijlpunten gebracht en hij besloot daarvan een gedenkteeken te maken, en achter te laten. Daarvan dan maakte hij dat metalen vat en wijdde het in dat Exampaeus. Dit hoorde ik over het aantal der Scythen.

82. Wonderen heeft dat land niet, behalve dan de rivieren, verreweg de grootsten en in aantal de meesten. Doch wat er nog meer waard is om zich over te verbazen, ook buiten de rivieren en de grootte der vlakte, zal gezegd worden. Zij laten de trede van Heracles in een rots zien, die gelijkt op den voetstap van een man , en in grootte twee ellen is, bij de rivier Tyres. Dat is nu zoo, doch ik zal teruggaan tot het verhaal, dat ik aanvanklijk ging verhalen.