thalia - derde boek
81 - 160

81. Otanes dan droeg deze meening voor, doch Megabyzus ried de heerschappij aan weinigen op te dragen, het volgende zeggende: "wat Otanes gezegd heeft om de alleenheerschappij te staken, dat moge ook ik gezegd hebben; doch als hij de macht aan de menigte overdragen wil, heeft hij de beste meening gemist, want niets is onverstandiger noch overmoediger dan een onnutte menigte. Ook dat mannen, aan den overmoed eens alleenheerschers ontvlucht, in den overmoed van een teugelloos volk zouden vallen, is niet te dulden. Want gene, als hij iets doet, doet het met weten, doch dezen hebben zelfs het weten niet; want hoe zou hij weten, die nooit iets schoons leerde, noch zag door zijn eigen geest, en zonder verstand zich met geweld op de staatszaken werpt, gelijk aan een winterstroom? Een volksregeering derhalve, laten zij die hebben, die den Perzen slecht gezind zijn; ons echter, laat ons een vergadering van de voortreflijkste mannen uitkiezen en aan dezen het gezag opdragen; want onder dezen zullen ook wij zelven zijn, en van de voortreflijkste mannen is het natuurlijk, dat de beste besluiten komen."

82. Megabyzus nu bracht deze meening bij; in de derde plaats echter openbaarde darius zijn meening, zeggende: " mij nu schijnt Megabyzus, wat hij over de menigte zeide, goed gezegd te hebben, wat echter over de regeering van weinigen, niet goed. Want als drie regeeringswijzen vóór ons liggen, aangenomen dat zij allen op hun best zijn, het volk op zijn best en de weinigen en de alleenheerscher, dan is deze laatste verreweg de beste, beweer ik. Want niets kan gevonden worden beter, dan de voortreflijkste alleenheerscher. Want met de beste gezindheid begiftigd, zal hij onberispelijk over de menigte heerschen en de plannen tegen vijandige mannen zullen zóó het best geheim blijven. Bij de regeering van weinigen komen al spoedig heftige bijzondere vijandschappen onder de velen, die hun deugd willen toonen voor het algemeene wel; want daar ieder zelf de eerste wil zijn en met zijn plannen overwinnen, geraken zij tot groote vijandigheden onderling, waaruit oproeren ontstaan, en uit die oproeren doodslag, en uit den doodslag komt men tot de alleenheerschappij, en dan wordt duidelijk, hoezeer deze de beste is. Als het volk heerscht, kan het niet anders of kwaad wordt geboren. Is het kwade in de openbare zaak gedrongen, dan komen geen vijandigheden onder de slechten, doch sterke vriendschappen; want die kwaad doen aan het gemeene wel, doen dat in samenwerking. Dat gaat zoo verder, totdat een uit het volk opstaat, en de zoodanigen tegenhoudt. En daardoor wordt hij dan bewonderd door het volk, en zoo bewonderd wordt hij dan alleenheerscher. En zoo toont ook deze daarin, dat de alleenheerschappij de beste is. Doch in één woord kan men alles samenvatten en zeggen: vanwaar is onze vrijheid gekomen, en wie gaf ze? Kwam zij van het volk of van weinigen of van een alleenheerscher? Ik ben daarom van meening, dat wij, vrijgemaakt door één man, daaraan ons houden moeten, en bovendien niet de zeden onzer vaderen breken, die goed zijn; want dat bekwame ons slecht."

83. Deze drie meeningen dan werden voorgedragen, doch de vier andere der zeven mannen voegden zich bij de laatste. Toen Otanes, die allen Perzen gelijke macht wilde geven, in zijn meening overwonnen was, sprak hij in hun midden het volgende: "mannen saamgezworenen, duidelijk is, dat één van ons koning moet worden, hetzij door het lot gekozen, hetzij doordat wij het aan het Perzische volk overlaten, wien dit kiezen wil, hetzij door eenig ander middel. Ik nu zal niet met u dingen; want ik wil noch heerschen noch beheerscht worden; op diè voorwaarde nu zie ik van de regeering af, dat ik door geen van u beheerscht zal worden, noch ik zelf noch ooit de uit mij nagekomenen." Toen hij dit gezegd had en de zes hem dat op die voorwaarde hadden toegestaan, dong gene niet meer mede, doch trad uit hun kring, en nu nog is dat geslacht het eenige vrije in Perzië en heerscht zooveel hetzelf wil, zonder de wetten der Perzen te overschrijden.

84. De anderen van de zeven overlegden, hoe zij het rechtvaardigst een koning zouden aanstellen: en zij besloten, dat, zoo het koninkrijk aan een ander van de zeven zou komen, aan Otanes en het nageslacht van Otanes ieder jaar als onderscheiding een Medisch gewaad zou gegeven worden en het gansche geschenk, dat bij de Perzen het meest in eere is. Dit besloten zij hem daarom te geven, omdat hij het eerst de zaak overlegd had en hen bijeengebracht. Dat dan werd aan Otanes als onderscheiding gegeven; doch voor elkander besloten zij het volgende: dat ieder die wilde van de zeven zonder zich aan te melden in het paleis kon komen, behalve als de koning met een vrouw geviel te slapen; en dat het den koning niet zou vrij staan zijn vrouwen anders te nemen, dan uit de gezinnen der mede-saamgezworenen. En over de heerschappij besloten zij het volgende: wiens paard bij den opgang der zon het eerst zou hinniken in de voorstad, daar zij te paard zaten, die zou de heerschappij krijgen.

85. Darius nu had een slimmen stalmeester, wiens naam Oebares was. Tot dezen man, toen zij uit elkander waren gegaan, zeide Darius het volgende: "Oebares, wij hebben besloten aangaande de heerschappij het volgende te doen: wiens paard het eerst hinnikt bij den zonsopgang, terwijl wij te paard zitten, die zal de heerschappij hebben. Nu dan, indien gij eenig slim middel hebt, maak het zoo, dat wij die waardigheid bekomen en geen ander." Oebares antwoordt met het volgende: "o heer, indien het daarin gelegen is, of gij koning zult zijn of niet, wees dan zonder vrees daarover en met goeden moed, daar geen ander koning zal wezen dan gij; want ik heb toovermiddelen van die kracht." Darius zeide: "indien ge dan zulk een slim middel hebt, dan is het tijd het te gebruiken en niet uit te stellen, daar met den komenden dag onze strijd geschieden zal." Oebares hoorde dit en deed het volgende. Toen de nacht gekomen was, nam hij van de merries de eene, die de hengst van Darius het meest liefhad, en die bracht hij naar de voorstad en bond haar vast en hij bracht den hengst van Darius er bij, en eerst leidde hij hem dikwijls dicht bij de merrie om haar heen, dan nader bij haar, en eindelijk liet hij hem de merrie bespringen.

86. Zoodra de dag was aangebroken, waren de zes, volgens hun afspraak, op hun paarden aanwezig; en toen zij verder reden door de voorstad, en zij bij de plaats kwamen, waar in de verstreken nacht de merrie was vastgebonden, toen liep het paard van Darius naar voren en hinnikte: en tegelijk dat het paard dat deed, kwam uit den hemel bliksem en donder. Deze zaken gaven aan Darius een wijding, alsof zij volgens een afspraak der goden geschiedden, en de anderen sprongen van hun paarden en knielden voor Darius.

87. Sommigen nu zeggen, dat Oebares dit uitgedacht heeft, anderen echter het volgende (want tweeërlei wordt de zaak door de Perzen verhaald), dat hij de schaamdeelen van de merrie met de hand aanraakte en toen die hand in zijn broek verborg; toen nu de paarden met zonsopgang zouden weggaan, toen nam die Oebares zijn hand te voorschijn en hield ze aan de neusgaten van Darius´ hengst, en deze bemerkte dat, snoof heftig en hinnikte.

88. Darius, de zoon van Hystaspes, werd dus zoo als koning aangesteld, en in Azië waren, behalve de Arabieren, allen zijn onderdanen, daar Cyrus hen onderworpen had en later weder Cambyses. De Arabieren waren geenszins aan de Perzen onderworpen, doch zij waren gastvrienden, daar zij Cambyses tegen Egypte hadden laten doortrekken; want tegen den wil der Arabieren zouden de Perzen nooit in Egypte gevallen zijn. Darius huwde de voornaamste vrouwen onder de Perzen, vooreerst twee dochters van Cyrus, Atossa en Artystone, van welken Atossa vroeger gehuwd was met haar broeder Cambyses en later met den Magiër, doch de andere, Artystone, maagd. Dan huwde hij ook de dochter van Smerdis, Cyrus´ zoon, wier naam Parmys was, en hij kreeg ook de dochter van Otanes, die den Magiër verraden had; en alles was vol van zijn macht. Eerst nu liet hij een steenen beeld maken; daarop was als figuur een ruiter, en hij schreef er woorden bij, die het volgende zeiden: "Darius, zoon van Hystaspes, heeft door de voortreflijkheid van zijn paard" - en hij noemde den naam - "en van Oebares, zijn stalmeester, de heerschappij over de Perzen verworven."

89. Hierna stelde hij twintig landschappen in Perzië in, die zij zelf satrapiën noemen; hij stelde die in en benoemde bestuurders, en regelde de schattingen, die hem door ieder volk opgebracht moesten worden, en hij voegde bij die volkeren ook de nabijwonenden; ook scheidde hij naburen en voegde verafgelegenen ieder bij een ander volk. De landschappen en de jaarlijksche opbrengst der belastingen regelde hij op de volgende wijze. Hun, die zilver opbrachten, werd gezegd het talent volgens het babylonische gewicht op te brengen; hun die goud opbrachten, volgens het eubeesche gewicht. Het babylonische talent geldt achtenzeventig eubeesche minen. Want onder de regeering van Cyrus en later van Cambyses, was niets bepaald over een schatting, doch de volken gaven geschenken. Om deze regeling van de belasting en andere diergelijke dingen zeggen de Perzen, dat Darius een kramer was, Cambyses een gebieder en Cyrus een vader; de eerste wijl hij alle zaken als een koopman behandelde, de ander wijl hij hard was en om niets gaf, de laatste daar hij zachtaardig was en alles goeds voor hen uitdacht.

90. Van de Ioniërs en de in Azië wonende Magneters, en de Aeoliërs, de Cariërs, de Lyciërs, de Milyers en de Pamphyliërs (want dezen te samen was één belasting opgelegd) kwamen vierhonderd talenten zilver in. Dit nu was het eerste gewest; van de Mysiërs en de Lydiërs en de Lasoniërs en de Cabyliërs en Hytenniërs vijfhonderd talenten; dit was het tweede gewest. Van de Hellespontiërs aan de rechterhand bij het invaren, en de Phrygiërs en de Thraciërs, die in Azië, en de Paphlagoniërs en de Mariandyniërs en de Syriërs was de schatting driehonderd en zestig talenten; dit was het derde gewest. Van de Ciliciërs driehonderd-en-zestig witte paarden, voor iederen dag één, en vijfhonderd talenten zilver; daarvan werden honderd en veertig besteed voor de ruiterij, die in Cilicië geplaatst was, de andere driehonderd en zestig kwamen aan Darius; dit was het vierde gewest.

91. Van de stad Posideüm, die Amphilochus, de zoon van Amphiaraüs, stichtte aan de grenzen van Cilicië en Syrië, daarbij beginnend tot Egypte, behalve een streek van de Arabieren, die belastingvrij was, was de schatting driehonderd en vijftig talenten; in dit gewest ligt gansch Phenicië en het dusgeheeten palaestinische Syrië en Cyprus; dit was het vijfde gewest. Van Egypte en de aan Egypte grenzende Libyers en Cyrene en Barce (want deze waren bij het Egyptische gewest gevoegd) kwamen zevenhonderd talenten in, behalve nog het geld, dat door het meer Moeris werd opgebracht, en van de vischvangst kwam; buiten dat geld dan en buiten de daarbij nog geleverde spijs, kwamen zevenhonderd talenten in; want zij meten aan de Perzen, die in de Witte Burcht te Memphis liggen, en aan hun hulptroepen twaalf tienduizenden schepels graan af; dit was het zesde gewest. De Sattagydiërs en de Gandariërs en de Dadiciërs en de Aparytiërs, tot één geheel gebracht, leverden honderd en zeventig talenten. Dit was het zevende gewest. Van Susa en het overige land der Cissiërs driehonderd; dit was het achtste gewest.

92. Van Babylon en van het overige Assyrië kwamen duizend talenten zilvers en vijfhonderd gesneden knapen; dit was het negende gewest. Van Agbatana en het overige Medië en de Paricaniërs en de Orthocorybantiërs vierhonderd en vijftig talenten; dit was het tiende gewest. De Caspiërs en de Pausicers en de Pantimathen en de Dariters droegen hun schatting bijeen en brachten tweehonderd talenten op; dit was het elfde gewest. Van de Bactrianers tot aan de Aeglers was de schatting driehonderd en zestig talenten; dit was het twaalfde gewest.

93. Van Pactyïca en de Armeniërs en de naburige volkeren tot de zee Euxinus vierhonderd talenten; dit was het dertiende gewest. Van de Sagartiërs en de Sarangers en de Thamanaeërs en de Utiërs en de Myciërs en de bewoners der eilanden in de Roode Zee, waarheen de koning de dusgeheetene losgerukten zendt, van die allen kwamen zeshonderd talenten schatting; dit was het veertiende gewest. De Sacers en de Caspiërs brachten tweehonderd en vijftig talenten; dit was het vijftiende gewest. De Parthen en de Chorasmiërs en de Sogden en de Areërs driehonderd talenten; dit was het zestiende gewest.

94. De Paricaniërs en de aziatische Ethiopiërs brachten vierhonderd talenten op; dit was het zeventiende gewest. Den Matiëners en den Saspiren en den Alarodiërs werden tweehonderd talenten opgelegd; dit was het achttiende gewest. Den Moschen en den Tibareners en den Mossynoecen en den Marden werden driehonderd talenten voorgeschreven; dit was het negentiende gewest. De menigte der Indiërs is verreweg de grootste van alle menschen, van wie wij weten, en zij brachten in vergelijking met alle anderen de grootste schatting op, driehonderd en zestig talenten goudstof; dit was het twintigste gewest.

95. Het babylonische zilver met het eubeesche talent gemeten komt op negenduizend en achthonderd en tachtig talenten; rekent men het goud dertienmaal meer waard, dan vindt men het goudstof op vierduizend en zeshonderd en tachtig eubeesche talenten. Wordt dit alles te samengesteld, dan bedroeg de geheele jaarlijksche schatting voor Darius in eubeesche talenten veertienduizend en vijfhonderd en zestig; wat minder is dan die laatste zestig ga ik voorbij zonder het te noemen.

96. Deze schatting gewerd Darius uit Azië en een klein deel van Libye. Na verloop van tijd kwam ook van de eilanden een andere schatting, en van die in Europa woonden tot aan Thessalië. Deze schatting bewaart de koning op de volgende wijze. Hij laat alles smelten en in aarden vaten gieten, en als de pot vol is, neemt hij het aardewerk weg; indien hij geld noodig heeft, slaat hij zooveel af, als hij telkens noodig heeft.

97. Deze nu waren de landschappen en de opgelegde schattingen. Het Perzische land alleen is door mij niet genoemd als schatplichtig, want de Perzen bewonen hun land belastingvrij. Ook de volgende volken behoefden geen enkele schatting op te brengen, doch gaven geschenken. De Ethiopiërs, buren van de Egyptenaars, die Cambyses op zijn tocht tegen de langlevende Ethiopiërs onderworpen had, en die bij de heilige stad Nysa wonen en voor Dionysus de feesten vieren, - deze Ethiopiërs en hun naburen hebben hetzelfde zaad als ook de Callantische Indiërs, en wonen in huizen onder de aarde, - deze beiden brachten alle drie jaar een geschenk, en brachten nog tot in mijn tijd twee choenicen ongelouterd goud op, en tweehonderd stammen ebbenhout en vijf Ethiopische knapen en twintig groote olifantstanden. De Colchiërs moesten ten geschenke opbrengen met hun naburen tot aan het Caucasische gebergte (want tot dat gebergte gaat de heerschappij der Perzen, doch aan de noordewindzijde van den Caucasus worden de Perzen niet geteld), - dezen dan brachten de geschenken, die hun opgelegd waren, nog in mijn tijd iedere vijf jaar op: honderd knapen en honderd maagden. De Arabieren schonken ieder jaar duizend talenten wierook. Deze geschenken zonden zij nog aan den koning behalve de schatting.

98. Dat goud, die groote menigte, waarvan de Indiërs het genoemde goudstof aan den koning brengen, verwerven zij op de volgende wijze. Alle land van Indië, dat zich naar de opgaande zon uitstrekt, is woestijn. Want van de menschen, die wij weten, en over wie iets bepaalds gezegd wordt, wonen de Indiërs het eerst van alle menschen in Azië bij den dageraad en den zonsopgang. Want wat achter de Indiërs naar den dageraad ligt is een woestijn door het zand. Er zijn vele volken van de Indiërs en niet van dezelfde taal, en sommige zijn zwervend, andere niet, andere weer wonen in de moerassen der rivier en leven van rauwe visschen, die zij vangen, in rieten vaartuigen ze jagende. Eén lid van dit riet maakt een boot. Deze Indiërs nu dragen een gewaad van biezen; wanneer zij biezen uit de rivier getrokken en geklopt hebben, dan vlechten zij ze samen als een mat en trekken dien aan als een pantser.

99. De andere Indiërs, die verder naar den dageraad wonen dan genen, zijn zwervend, en eten rauw vleesch. Zij heeten Padaeërs, en hebben, naar men zegt, de volgende zeden. Als iemand van hun medeburgers ziek wordt, ´t zij het een vrouw is, ´t zij een man, dien man dooden de mannen, die het meest met hem verkeeren, bewerende dat, terwijl de ziekte hem verteert, zijn vleesch voor hen verloren gaat; en hij ontkent wel ziek te wezen, doch de anderen geven dat niet toe, en dooden hem en eten hem feestelijk op. Is het een vrouw, die ziek wordt, dan doen evenzoo de meest bevriende vrouwen het zelfde als de mannen. Wie oud geworden is, dien offeren zij en feesten van hem. Doch zoover komen niet velen van hen, want vóór dien tijd dooden zij een ieder, die in een ziekte geraakt.

100. De volgende is de andere aard van andere Indiërs. Zij dooden niets levends, noch zaaien zij iets, noch plegen zij huizen te bewonen, doch kruiden eten zij, en er groeit bij hen iets, in grootte zooals gierst, in een peul, en dat komt van zelf uit de aarde; dit verzamelen zij en koken het met de peul en eten het. Wie van hen in een ziekte geraakt, die gaat naar de woestijn en legt zich neer. En niemand bekommert zich om hem of hij sterft of ziek is.

101. De paring geschiedt bij al die Indiërs, die ik genoemd heb, openlijk evenals bij de schapen, en zij hebben allen dezelfde kleur en bijna als de Ethiopiërs. Hun zaad, dat zij in de vrouwen werpen, is niet wit, zooals van de andere menschen, doch zwart evenals hun huid; een diergelijk zaad werpen ook de Ethiopiërs. Deze Indiërs wonen nog verder van de Perzen en naar den zuidewind, en gehoorzamen geenszins aan koning Darius.

102. Anderen der Indiërs leven in de nabijheid van de stad Caspatyrus en het land Pactyica; zij wonen naar den Arctus en den noordewind boven de andere Indiërs; dezen leven ongeveer zooals de Bactriërs; deze zijn de meest krijgshaftige der Indiërs en zij zijn het, die op het goud worden uitgezonden; want in deze streek is het een woestijn door het zand. In die woestijn nu en in het zand leven mieren, in grootte kleiner dan honden en grooter dan vossen; eenigen toch van hen zijn bij den koning der Perzen, ginds gevangen. Deze mieren nu maken een huis onder de aarde en werpen het zand op, evenals de mieren in Hellas op dezelfde wijze; zij zijn ook in gestalte zeer gelijkend op genen; het opgeworpen zand is goudhoudend. Om dat zand nu worden de Indiërs in de woestijn gestuurd; ieder spant drie kameelen samen, aan weerszijden een mannetje om te trekken als handpaarden, en een wijfje in het midden; op dit dan gaat hij zelf zitten, en draagt zorg er een in te spannen, dat hij van de jongen heeft weggenomen, zoo snel mogelijk na de geboorte. Want hun kameelen zijn niet minder dan de paarden in snelheid, doch daarenboven veel krachtiger om lasten te dragen.

103. Het uiterlijk nu, hoedanig de kameel er een heeft, beschrijf ik niet voor de Hellenen, daar die het weten; doch wat niet van hem geweten wordt, dat zal ik zeggen. De kameel heeft aan de achterpooten vier dijen en vier knieën, en de schaamdeelen zijn tusschen de achterpooten door naar den staart gewend.

104. Op zulk een wijze dan en met zulke spannen toegerust trekken de Indiërs naar het goud, rekening houdende daarmede, dat zij, als de hitte het grootst is, aan het rooven kunnen gaan; want gedurende de hitte verbergen de mieren zich onder de aarde. En voor die menschen is de zon het heetste in den morgen, niet zooals bij de andere menschen des middags, doch van den opgang tot het opbreken van den markt. In dien tijd brandt zij veel heviger dan in Hellas des middags, zóó dat zij dan, naar men zegt, zich om dien tijd baden. Het midden van den dag brandt de andere menschen bijna evenzeer als de Indiërs; neigt zich dan de middagzon, dan wordt de zon evenals voor de anderen de ochtendzon, en na dien tijd weggaande verkoelt zij meer en meer, tot zij bij het ondergaan gekomen eerst recht verkoelt.

105. Wanneer de Indiërs met zakken bij de plaats gekomen zijn, vullen zij die met zand en trekken ten spoedigste weder weg; want de mieren bemerken hen terstond door de reuk, zooals door de Perzen gezegd wordt, en jagen hen na. In snelheid nu zijn zij gelijk aan geen ander dier, zoodat, indien de Indiërs niet een stuk van den weg vóórkomen, terwijl de mieren zich verzamelen, er geen enkel van hen behouden terug zal komen. De mannetjes-kameelen nu, want zij zijn minder in het loopen dan de wijfjes, worden zelfs losgelaten onder het medetrekken door het wijfje, de een na den ander; doch de wijfjes, denkend aan de kinderen, die zij achterlieten, verslappen in het geheel niet. Het grootste deel van het goud krijgen de Indiërs zóó, naar de Perzen beweren, het overige, geringere deel wordt in het land opgedolven.

106. De uiterste deelen der bewoonde aarde hebben de schoonste zaken ontvangen, zooals ook Hellas verreweg de schoonst gemengde luchtgesteldheid ontving. Want vooreerst ligt Indië het verst van de bewoonde landen naar den dageraad, zooals ik een weinig vroeger gezegd heb; in dat land zijn zoowel dieren, viervoetigen en gevleugelden, veel grooter dan in andere streken, met uitzondering van de paarden (deze doen onder voor de Medische, de dusgeheeten Nesaesche paarden), ook is daar onmetelijk veel goud, ten deele opgedolven, ten deele door rivieren naar beneden gevoerd, ten deele, zooals ik aangaf, geroofd. Ook de wilde boomen dragen daar wol als vrucht, die in schoonheid en deugdelijkheid de wol der schapen overtreft; en de Indiërs maken kleederen van deze boomen.

107. Naar den middag wederom is Arabië het uiterste van de bewoonde landen, en daarin alleen van alle landen groeit de wierook en de myrrhe en de casia en het cinamomum en het ledanum; dit alles, uitgenomen de myrrhe, winnen de Arabieren met moeite. Den wierook verzamelen zij, daar zij de styrax verbranden, die de Pheniciërs naar de Hellenen aanvoeren; deze verbrandende winnen zij den wierook; want die boomen, de wierookdragenden, worden bewaakt door gevleugelde slangen, klein van afmeting, bont van uiterlijk, velen in getal bij iederen boom; deze zijn het ook, die naar Egypte trekken. En zij worden door niets anders van de boomen verjaagd, dan door den rook der styrax.

108. De Arabieren zeggen ook dit, dat de gansche aarde van die slangen vol zou wezen, indien niet met hen geschiedde, wat ik wist, dat ook met de adders gebeurt. Voorzeker, de zorg van het godlijke, - zooals ook natuurlijk is, daar zij wijs is, - maakte, zoovele dieren laf van ziel zijn en eetbaar, die allen rijk aan kroost, opdat zij niet verdwijnen door opgegeten te worden; doch zoovelen vreeslijk zijn van kracht en schadelijk, weinig vruchtbaar. Aan ééne zijde nu, daar de haas door ieder wild dier gejaagd wordt en vogel en mensch, is hij dan zóó vruchtbaar: als het eenige onder alle dieren draagt het meer dan één dracht tegelijk; en zoo is het eene jong in den buik behaard, het andere naakt, het derde juist in de baarmoeder gevormd, het vierde eerst ontvangen. Aan die zijde is nu het zoo; doch de leeuwin, die zeer sterk en dapper is, baart slechts eenmaal in haar leven één jong, want barende werpt zij met het jong ook de baarmoeder uit. De oorzaak daarvan is deze: wanneer de welp, in de baarmoeder zijnde, begint zich te bewegen, verscheurt hij met de nagels, veel scherper dan van andere dieren, de baarmoeder; en naarmate hij groeit, gaat hij steeds meer met krabbelen voort; eindelijk is de geboorte nabij, en er is in ´t geheel niets meer gezond van de baarmoeder overgebleven.

109. Zoo ook de adders en de gevleugelde slangen in Arabië, indien deze volgens hun natuur geteeld werden, dan was het voor de menschen niet mogelijk om te leven. Nu echter, wanneer zij samen paren en het mannetje met de teling zelf bezig is, grijpt het wijfje hem in den nek, daar hij het zaad loslaat, en hem bijtende, laat zij hem niet los, voor zij hem doorgevreten heeft. Het mannetje nu sterft op de gezegde wijze, doch het wijfje geeft de volgende boete voor het mannetje. Om den vader te wreken, vreten de jongen nog in den buik zijnde door de moeder heen, en haar lijf doorvretende maken zij zoo den uitweg. De andere slangen, die niet schadelijk voor de menschen zijn, leggen eieren en broeden een groot getal van jongen uit. De adders nu zijn over de gansche aarde, doch die andere, de gevleugelde, zijn talrijk in Arabië en nergens anders, en daarom schijnen zij zoo groot in getal te zijn.

110. Dien wierook dan winnen de Arabieren aldus, doch de casia zóó. Nadat zij zich met runderhuiden en andere vellen geheel het lichaam bedekt hebben, en het gelaat behalve de oogen, gaan zij naar de casia; deze groeit in een ondiep moeras, en om haar en in haar houden zich gevleugelde dieren op, die zeer op de vleermuizen gelijken en vreeselijk schreeuwen en zich sterk te weer stellen; dezen moeten zij van de oogen afhouden en zoo snijden zij de casia af.

111. Het cinamomum verzamelen zij op nog veel zonderlinger wijze dan gene zaken. Want waar het groeit en welk land het is, dat het voortbrengt, kunnen zij niet zeggen, behalve dat sommigen met waarschijnlijkheid beweren, dat het in dezelfde streken groeit, waar Dionysus opgevoed werd. Zij verhalen, dat groote vogels die schorsrollen aandragen, die wij, naar wij van de Pheniciërs geleerd hebben, cinamomum noemen; en die vogels dragen ze naar nesten, uit leem gekneed op steile bergen, waar geen enkele toegang is voor een mensch. Daarom dan verzinnen de Arabieren de volgende list. Van doode ossen en ezels en andere lastdieren snijden zij zeer groote stukken af en brengen ze naar die plaatsen, en als zij ze dicht bij de nesten gelegd hebben, verwijderen zij zich ver daarvan. De vogels nu vliegen naar beneden en nemen de stukken van de lastdieren en brengen ze naar de nesten; dezen echter kunnen dat niet dragen en breken naar beneden op de aarde; dan komen genen aan en verzamelen. Het cinamomum wordt dan zoo verzameld en komt van daar naar de andere landen.

112. Maar het ledanum, dat de Arabieren ladanon noemen, ontstaat op nog wonderbaarlijker wijze dan dat andere; want ontstaan in het meest slecht riekende is het hoogst welriekend; want men vindt het in de baarden van geitebokken, ontstaan evenals harst aan den boom. Het is nuttig voor de meeste zalven, en de Arabieren gebruiken dat het meest voor reukwerk.

113. Zooveel zij gezegd over het reukwerk; en er komt uit het Arabische land een wonderzoete geur. Er zijn bij hen twee soorten van schapen, die bewonderenswaard zijn en nergens anders voorkomen. De eene van hen heeft lange staarten, niet kleiner dan drie ellen; wilde men hen deze laten medeslepen, dan zouden zij wonden krijgen, daar de staarten tegen de aarde schuurden; nu echter verstaat iedere herder zóóveel van de houtbewerking: zij maken toch wagentjes en binden die onder aan de staarten, terwijl zij van ieder dier den staart aan zulk een wagentje binden. De andere soort van schapen draagt breede staarten en ongeveer een el in de breedte.

114. Bij den dalenden middag naar de ondergaande zon strekt zich het Ethiopische land uit als het uiterste van de bewoonde landen; dit brengt veel goud voort en geweldige olifanten en alle wilde boomen en ebbenhout en de grootste en meest langlevende mannen.

115. Deze nu zijn de uiterste landen in Azië en in Libye. Over de uiterste landen in Europa naar den avond kan ik niet met zekerheid verhalen. Want ik neem niet aan, dat een rivier, door de barbaren Eridanus genoemd, in de zee naar den noordewind valt, van welke, naar men zegt, de barnsteen komt; noch weet ik of de eilanden de Cassiteriden werkelijk bestaan, waaruit het tin tot ons komt. Want eensdeels wijst de naam Eridanus zelf aan, dat hij helleensch is en niet barbaarsch, doch door een dichter verzonnen; anderdeels kan ik van geen enkelen ooggetuige vernemen, hoezeer ik moeite deed, dat er een zee is aan die zijde van Europa. Zeker echter komen de barnsteen en het tin van het uiterste deel van Europa.

116. In het naar den Beer gelegen deel van Europa wordt blijkbaar verreweg het meeste goud gevonden; hoe het daar gewonnen wordt, ook dat kan ik niet met zekerheid zeggen, doch er wordt verhaald, dat de Arismaspen, éénoogige mannen, het van onder de grijpvogels wegrooven. Doch ik geloof ook dat niet, dat er éénoogige mannen zijn, die hun overige natuur gelijk aan de andere menschen hebben. De uiterste streken dus, die al het andere land omsluiten en in zich vatten, dezen blijken te hebben, wat ons het schoonste schijnt te wezen en het zeldzaamste.

117. Er is een vlakte in Azië, aan alle kanten omsloten door een gebergte, en er zijn vijf doorsnijdingen in het gebergte. Deze vlakte was vroeger van de Chorasmiërs, daar zij dan ook ligt in het gebied van de Chorasmiërs zelf en de Hyrcaniërs en de Parthen en de Sarangen en de Thamanaeërs, doch sinds de Perzen de macht hebben, is zij van den koning. Uit dat omsluitende gebergte nu stroomt een groote rivier; haar naam is Aces. Deze rivier bewaterde vroeger, in vijven gedeeld, de landen dier genoemde menschen, terwijl zij door iedere doorsnijding naar ieder volk stroomde. Doch sinds zij onder den Pers zijn, is hun het volgende geschied. De koning liet de doorsnijdingen der bergen dichtbouwen en plaatste een toren op iedere doorsnijding; en daar de uitgang van het water afgesloten is, is de vlakte binnen het gebergte een zee geworden, daar de rivier toestroomt, en geen enkelen uitweg heeft. Genen nu, die vroeger het water plachten te gebruiken, kunnen het nier meer gebruiken en leven in grooten nood. Want des winters zendt de god hun regen, evenals aan de andere menschen, en des zomers, als zij gerst en sesam zaaien, hebben zij gebrek aan het water. Wanneer hun nu gansch geen water gegund wordt, gaan zij met hun vrouwen naar de Perzen, plaatsen zich voor het paleis des konings en schreeuwen en huilen. Doch de koning beveelt dan voor hen, die het meest in nood zijn, de poort te openen, welke daar heen gaat. Als hun land het water drinkt en er mede verzadigd is geworden, wordt die poort weder gesloten, en hij beveelt een andere open te maken voor anderen van de overigen, die het meest in nood zijn. Naar ik van hooren weet, opent hij de poorten, veel geld afdwingende behalve de schatting.

118. Deze zaken zijn nu zoo. Van de zeven tegen den Magiër opgestane mannen, overkwam het een van hen, Intaphrenes, terstond na den opstand om de volgende euveldaad te sterven. Hij wilde in de koninklijke burcht gaan en met den koning iets behandelen; want de wet was dan toch zóó, dat voor de opgestanen tegen den Magiër toegang tot den koning was zonder aanmelding, indien de koning niet geviel bij zijn vrouw te liggen. Daarom dan meende Intaphrenes, dat hij geenszins behoefde zich te laten aanmelden, doch daar hij van de zeven was, wilde hij naar binnen gaan. Doch de poortwachter en de boodschapbrenger duldden dit niet, zeggende, dat de koning bij een vrouw lag. En Intaphrenes, meenende dat zij logen, deed het volgende: hij trok zijn zwaard en sneed hun de ooren en de neus af, en ze aan den teugel van zijn paard hangende, bond hij hun dien om den hals en liet hen gaan.

119. Genen echter toonden zich den koning en zeiden de reden, waardoor zij dat geleden hadden. En Darius, in vrees dat de zes in gemeen overleg zoo handelden, ontbood ieder van hen en onderzocht hun gezindheid, of zij het gedane goedkeurden. Toen hij bemerkt had, dat gene niet met hen dat had gedaan, greep hij Intaphrenes zelf en zijn zoons en al zijn aanhoorigen, in de sterke meening dat hij met zijn verwanten een oproer tegen hem beraamde, en hen gegrepen hebbend, wierp hij hen in de gevangenis voor halsmisdadigers. De vrouw echter van Intaphrenes trad voor de poort des konings en weende en jammerde lang, en toen zij dat telkens weder deed, bracht zij Darius tot medelijden, en een bode zendend zeide hij het volgende: "o vrouw, koning Darius gunt het u, een der gevangene verwanten, wien gij ook wilt, van den dood te redden." Zij overwoog en antwoordde dit: "indien dan de koning mij van éénen het leven geeft, kies ik uit allen mijn broeder." Darius vernam dit en verbaasde zich over het woord, en zond en sprak: "o vrouw, de koning vraagt u, door welke overweging gij uw man en uw kinderen achterliet, doch uw broeder koost om te blijven leven, die u toch vreemder is dan uw kinderen en minder lief dan uw man."Zij antwoordde met het volgende: "o koning, een anderen man kan ik wel krijgen, zoo de godheid het wil, en andere kinderen, indien ik dezen verlies; doch nu mijn vader en mijn moeder niet meer leven, zal ik op geen enkele wijze meer een broeder kunnen vinden. Om die overweging nu heb ik dat gezegd." En aan Darius scheen de vrouw goed gesproken te hebben, en hij zond haar hem, dien zij gevraagd had, en nog den oudsten der zoons, uit behagen in haar; de anderen echter doodde hij allen. Van de zeven dan kwam één terstond op de gezegde wijze om het leven.

120. Ongeveer ten tijde van Cambyses´ ziekte geschiedde het volgende. Door Cyrus was als satraap van Sardes Oroetas aangesteld, een persisch man. Deze verlangde naar een goddelooze daad; want terwijl hij geen beleedigend woord van Polycrates van Samos noch ondervonden noch gehoord had, noch hem vroeger gezien, verlangde hij hem te grijpen en te verderven, en, zooals de meesten verhalen, om de volgende reden. Deze Oroetas en een andere Pers, van naam Mitrobates, satraap van het gewest van Dascyleüm, zaten bij de poort des konings, en van woorden vielen zij in getwist, en toen zij kibbelden over hun dapperheid, zeide Mitrobates bitter tot Oroetas: "zijt gij een man, gij, die voor uw koning het eiland Samos, vlak bij uw gewest gelegen, niet veroverd hebt, terwijl het zoo gemakkelijk te bedwingen is, daar een der ingezetenen, met vijftien zwaargewapenden opgestaan, het won en nu het nog beheerscht?" Sommigen nu beweren, dat gene dit hoorende en smart gevoelend over de beschimping, gewenscht heeft, niet zoozeer op den spreker van die woorden zich te wreken, als wel Polycrates op alle wijzen te verderven, om wien hij gescholden was.

121. Anderen, weinigen, verhalen, dat Oroetas een heraut naar Samos zond om een zaak te verzoeken (want toch, wat dat was, wordt niet gezegd), en Polycrates juist in het mannenvertrek neerlag en Anacreon van Teos ook bij hem was; en hetzij hij met opzet de macht van Oroetas gering achtte, hetzij het door toeval zoo geschiedde: de heraut van Oroetas toch trad tot genen en sprak, en Polycrates (want hij lag juist naar de muur gekeerd) wendde zich niet om, noch antwoordde iets.

122. Deze dubbele oorzaak wordt als de oorzaak van Polycrates´ dood verhaald, en men kan aannemen, welke van beiden men wil. Oroetas nu, gevestigd in Magnesia, het boven de rivier de Maeander gelegene, zond Myrsus, zoon van Gyges, een Lydiër, naar Samos met een boodschap, daar hij de bedoeling van Polycrates begreep. Want Polycrates is de eerste der Hellenen, dien wij weten, dat naar de zeeheerschappij streefde, behalve Minos van Cnossus en indien iemand vóór dezen de zee beheerschte; doch van het dus geheeten menschlijke geslacht was Polycrates de eerste, en hij had veel verwachtingen om over Ionië en de eilanden te zullen heerschen. Oroetas nu, inziende dat gene dit in den zin had , zond een boodschap en zeide dit: "Oroetas zegt Polycrates het volgende. Ik verneem, dat gij op groote ondernemingen zint, doch uw middelen niet zoo groot zijn als uw plannen. Doe gij nu zóó en gij zult u zelf verhoogen, en ook mij redden. Want tegen mij zint koning Cambyses op den dood, en daarover heb ik zeker bericht. Breng gij dan daarom mij zelf en mijn schatten weg, en houd die zelf voor een deel, voor een deel laat ze mij behouden: in uw schatten zult ge over gansch Hellas heerschen. Indien ge mij wantrouwt over mijn schatten, stuur dan hem, die u het vertrouwdste is, en ik zal ze hem toonen."

123. Polycrates dit vernemende verheugde zich en wilde gaarne; en daar hij zeer sterk naar schatten begeerde, zond hij eerst Maeandrius, zoon van Maeandrius, een der burgers, die zijn schrijver was, om te bezichtigen. Deze wijdde, niet veel tijd na die dingen, al den tooi uit het mannenvertrek van Polycrates, zéér bezienswaard, in den tempel van Hera. Doch Oroetas vernemende, dat de opzichter verwacht werd, deed het volgende. Acht kisten vulde hij met steenen, behalve zeer weinig onder de randen, en boven op de steenen wierp hij goud, en hij bond de kisten dicht en hield ze gereed. Maeandrius nu kwam en zag en meldde het aan Polycrates.

124. Deze dan, hoewel de waarzeggers het hem dringend ontrieden, dringend ook zijn vrienden, ging op reis daarheen, terwijl bovendien zijn dochter nog het volgende droomgezicht gezien had. Zij meende, dat haar vader in de lucht hing, en dat Zeus hem wiesch en de zon hem zalfde. Na dit gezicht gezien te hebben deed zij alles, dat Polycrates niet naar Oroetas zou reizen, en zelfs toen hij op den vijftigriemer ging, riep zij hem woorden van slechte verwachting na. En hij dreigde haar: als hij behouden terugkwam, zou zij langen tijd jonkvrouw blijven. Zij echter smeekte dat dat geschieden mocht; want liever wilde zij langen tijd jonkvrouw blijven, dan van haar vader beroofd te zijn.

125. En Polycrates, allen raad minachtend, voer naar Oroetas, en hij nam vele andere van zijn vrienden mede, en daaronder ook Democedes, zoon van Calliphon, een Crotoniaat, een geneesheer, en in de beoefening van zijn kunst een der besten van zijn tijdgenooten. Doch in Magnesia gekomen ging Polycrates smadelijk te gronde, op een wijze noch hem zelven noch zijn plannen waardig; want behalve de heerschers van Syracuse, is niet één der andere helleensche alleenheerschers waardig met Polycrates in heerlijkheid te worden vergeleken. Doch Oroetas, hem gedood hebbend op een wijze niet waard om vermeld te worden, kruisigde hem; maar zijn volgelingen, zoovelen er Samiërs waren, die zond hij weg, en ried hen hem dankbaar te wezen voor hun vrijlating; doch allen die vreemdelingen waren en dienaren in het gevolg, die hield hij en behandelde hij als slaven. Doch Polycrates, opgehangen, vervulde het gansche droomgezicht zijner dochter; want gewasschen werd hij door Zeus, wanneer het regende, en gezalfd werd hij door de zon, zelf uit zijn lichaam vocht uitdampend.

126. Polycrates´ voortdurende voorspoed nam dan zulk een einde [zooals Amasis, de koning van Egypte hem voorzegd had], doch niet veel tijd later achterhaalde ook Oroetas de wraak voor Polycrates. Want na Cambyses' dood en de regeering der Magiërs, bleef Oroetas in Sardes zonder eenigszins hulp te brengen aan de Perzen, die door de Meden van de heerschappij beroofd waren, doch in die verwarring doodde hij Mitrobates, den satraap in Dascyleüm, die hem over Polycrates beschimpt had, en hij doodde ook Cranaspes, den zoon van Mitrobates, mannen van aanzien onder de Perzen, en hij bedreef allerlei andere euveldaden, en zelfs een boodschapper van Darius, die tot hem kwam, dezen, daar de tijding hem niet aangenaam was, dezen doodde hij op den terugweg, door hem mannen langs den weg in hinderlaag te leggen; en na dien moord deed hij hem met zijn paard verdwijnen.

127. Toen nu Darius het bewind had, verlangde hij zich te wreken op Oroetas om al zijn misdrijven en vooral om Mitrobates en zijn zoon. Openlijk nu een leger tegen hem te zenden, docht hem niet goed, daar de zaken nog in beroering waren, en hij zelf sinds kort het rijk had, en hij vernam dat Oroetas een groote macht bezat; want duizend Perzen waren lijfwachters van hem, en hij had het phrygische en het lydische en het ionische gewest. Daarom dan verzon Darius het volgende. Hij riep de aanzienlijkste Perzen bijeen en zeide: "o Perzen, wie van u wil mij dat op zich nemen en uitvoeren door list, en niet met geweld en met geraas? Want waar list noodig is, is geweld van geen nut. Wie van u dan zou mij Oroetas òf levend hier kunnen brengen òf dooden? Hem, die de Perzen niets hielp, doch veel kwaad uitrichtte. Eensdeels toch heeft hij twee van u vermoord, Mitrobates en diens zoon, anderdeels doodt hij hen, die hem opriepen en door mij gezonden waren, een ondraaglijken overmoed toonend. Vóór hij dus de Perzen méér kwaad heeft aangedaan, moet hij ons door den dood bedwongen worden."

128. Darius nu vroeg dit, en dertig mannen beloofden het hem, en wilden ieder zelf dat volbrengen. En Darius weerhield hen, die twisten gingen, en beval hen te looten. En zij lootten en van allen kreeg Bagaeus het, zoon van Artontes. En toen Bagaeus het verkregen had, deed hij het volgende. Hij schreef vele brieven en over velerlei zaken en drukte daar den stempel van Darius op, en daarna ging hij met deze brieven naar Sardes. Daar gekomen en voor het aangezicht van Oroetas gegeaan, nam hij de brieven één voor één uit het omhulsel en gaf ze aan den koninklijken schrijver om te lezen; alle satrapen hebben koninklijke schrijvers. Bagaeus gaf de brieven om de lansdragers te onderzoeken, of zij geneigd zouden zijn van Oroetas af te vallen. En ziende, dat zij de brieven grootelijks eerden en het in de brieven gezegde nog meer, gaf hij hem een anderen, waarin de volgende woorden waren: "O Perzen, koning Darius verbiedt u lansdragers van Oroetas te zijn." En zij, toen zij dat hoorden, strekten hun lansen voor hem. Bagaeus ziende, dat zij daarin den brief gehoorzaamden, toen vatte hij moed en gaf den schrijver den laatsten brief, waarin geschreven was: "Koning Darius beveelt de Perzen in Sardes, Oroetas te dooden." Toen de lansdragers dat hoorden, trokken zij hun zwaarden en doodden genen terstond. Zoo dan achterhaalde Oroetas den Pers de wraak voor Polycrates den Samiër.

129. Toen de slaven en de schatten van Oroetas naar Susa gebracht waren, geschiedde het niet veel tijd later, dat koning Darius op de wilde-dieren-jacht van zijn paard sprong, en den voet verzwikte. En zeker was de verzwikking wel zeer erg, want de enkelknokkel was uit het lid gegaan. Daar hij nu ook vroeger Egyptenaars bij zich placht te hebben, die voor de eersten in de geneeskunde golden, gebruikte hij dezen. Doch zij draaiden den voet met geweld in het lid en maakten de kwaal erger. Gedurende wel zeven dagen en zeven nachten kon Darius niet slapen door de kwaal aan zijn liichaam, doch op den achtsten dag, daar hij zeer zwak was, sprak iemand Darius van de kunst van Democedes den Crotoniaat, waarvan hij vroeger nog te Sardes had gehoord; en Darius beval genen terstond tot hem te brengen. Toen zij hem gevonden hadden onder de slaven van Oroetas, geheel en al verwaarloosd, brachten zij hem voor den koning, zijn ketens slepend en in lompen gehuld.

130. En als hij voor Darius stond, vroeg deze hem of hij de kunst verstond; gene echter loochende dat, vreezende dat hij door zichzelf te openbaren, Hellas geheel verliezen zou. Doch aan Darius kwam hij voor te veinzen, hoewel hij de kunst verstond, en hij beval aan die hem gebracht hadden, zweepen en prikkels daar heen te brengen. Toen dan maakte hij zich bekend en zeide, dat hij de kunst niet volkomen verstond, doch door omgang met een geneesheer er een weinig van kende. Daarna, toen Darius hem de zaak toevertrouwde, paste Democedes helleensche middelen toe, en bracht een zachte behandeling na de ruwe aan en deed genen den slaap vinden en maakte hem in korten tijd geheel gezond, terwijl Darius geenszins verwacht had ooit weder recht van voet te zullen zijn. Darius begiftigde hem daarna met twee paar gouden ketenen; doch gene vroeg hem, of hij hem opzettelijk een dubbelen ramp gaf, daar hij hem gezond had gemaakt. En Darius, uit behagen in dat woord, zond hem tot zijn eigen vrouwen; en de gesnedenen leidden hem rond en zeiden tot de vrouwen, dat deze het was, die den koning het leven had wedergegeven. En een ieder van haar met een schaal in de kist van het goud scheppende, begiftigde Democedes met een zoo overvloedige gift, dat de slaaf achter hem, wiens naam Sciton was, de uit de schalen gevallenen staters bijeenraapte en een niet geringe som goud te samen bracht.

131. Deze Democedes was op de volgende wijze uit Croton gegaan en in het gezelschap van Polycrates gekomen. Hij leefde in Croton met zijn vader, een man lastig van toorn; toen hij dezen niet verduren kon, ging hij weg naar Aegina. En daar zich gevestigd hebbend, overtrof hij in het eerste jaar reeds de andere geneesheeren, hoewel hij geen inrichting had en geen der werktuigen, zoovele tot de kunst behooren. En in het tweede jaar huurden hem de Aegineten van staatswege voor een talent, in het derde de Atheners voor honderd minen, in het vierde Polycrates voor twee talenten. Zoo kwam hij dan te Samos, en niet het minst door dezen man kwamen de crotoniatische artsen tot roem; want dat geschiedde toen de Crotoniaten de eerste artsen in Hellas heetten, en de Cyrenaeërs de tweeden. In den zelfden tijd waren de Argiven vermaard als de eersten der Hellenen in de toonkunst.

132. Toen dan had Democedes in Susa Darius genezen en bezat een zeer groot huis en was tafelgenoot des konings geworden, en behalve het ééne, weder naar Hellas te gaan, ontbrak hem niets. En zoowel dan redde hij de Egyptische artsen, die den koning eerst behandeld hadden, en gespietst zouden worden, daar zij door den helleenschen arts overwonnen waren, dezen redde hij, daar hij den koning het vroeg, als ook redde hij den ziener uit Elis, die Polycrates gevolgd was en onder de slaven verwaarloosd daar was. En Democedes was een zeer groot ding bij den koning.

133. Niet veel tijd daarna geviel dit andere te geschieden. Atossa, de dochter van Cyrus en de vrouw van Darius, kreeg een gezwel aan de borst, en dit, later opengebroken, vrat verder om zich. Zoolang dit gezwel nu klein was, verborg zij het uit schaamte en zeide zij het aan niemand; doch toen het erg werd, ontbood zij Democedes en toonde het hem. En hij beloofde haar gezond te maken en dwong haar den eed af, dat zij voorwaar hem de vergelding schenken zou, die hij haar mocht vragen; en niets zou hij vragen van zooveel tot schande strekt.

134. Toen hij haar daarna behandeld had en gezond gemaakt, toen dan, onderricht door Democedes, sprak Atossa in bed tot Darius de volgende rede: "o koning, gij hebt zoo groot een macht en zit neder, noch eenig volk, noch eenige macht voor de Perzen er bij winnende. Doch het betaamt, dat een die een man is en jong en meester van groote schatten, een schitterende daad verricht, opdat ook de Perzen leeren, dat een man hen beheerscht. Een dubbel voordeel dus is het u dat te doen, èn wijl de Perzen zullen inzien dat hun eerste een man is, èn dat zij in den oorlog zullen verkeeren, en niet, rust houdende, u lagen zullen leggen. Want nu nog zoudt ge een daad kunnen verrichten, zoo lang gij jong zijt; want met den groei van het lichaam groeit ook de moed, en oud wordt deze als gene oud wordt en verstompt voor alle ondernemingen." Zij nu sprak dit, wat haar geleerd was, en gene antwoordde het volgende: "o vrouw, alles zooveel ik zelf ook van zins ben te doen hebt gij gezegd; want ik heb het voornemen een brug te leggen van dit vaste land naar het andere en tegen de Scythen op te trekken; en in weinig tijd zal dit volbracht worden." Atossa zeide het volgende: "doch zie toe en laat af het eerst tegen de Scythen op te trekken, want dezen zullen van u zijn, wanneer ge wilt; doch trek om mij tegen de Hellenen op. Want naar wat ik met woorden daarvan vernomen heb, wilde ik gaarne Laconische dienaressen hebben en Argivische en Attische en Corinthische. En gij hebt een man, die van alle mannen het meest geschikt is, om u alles van Hellas te toonen en gids te zijn, hij, die uw voet behandeld heeft." En Darius antwoordde: "o vrouw, daar ge wilt dat wij onze eerste poging met Hellas zullen maken, dunkt het mij beter te zijn, eerst Perzische verspieders met hem, dien gij genoemd hebt, tot genen te zenden, dat zij mogen nagaan en zien en alles over hen aan ons berichten; en dan, als ik alles nauwkeurig weet, zal ik mij tot hen keeren."

135. Dit zeide hij en met het woord deed hij ook de daad. Want zoodra de dag gekomen was, riep hij vijftien aanzienlijke Perzen en beval hen Democedes te volgen en de kustlanden van Hellas te bezoeken, en dat Democedes hun niet ontloopen zoude, doch in allen geval moesten zij hem weer terugbrengen. En toen hij genen dat opgedragen had, liet hij vervolgens Democedes zelven roepen en vroeg hem, dat hij de Perzen door gansch Hellas zou leiden en het hun toonen, en weder terugkomen; hij beval hem ook als geschenken voor zijn vader en zijn broeders al zijn vervoerbare have mede te nemen, beloovende andere dingen, veel meer, hem daarvoor te zullen geven; en bovendien, zeide hij, een vrachtschip, met alle goede zaken gevuld, tot de geschenken bij te zullen dragen, dat met hem varen zou. Darius nu, naar mij schijnt, deed dit aanbod geenszins uit arglistige bedoeling. Doch Democedes, uit vrees dat Darius hem op de proef stelde, nam geenszins gretig al het gegevene aan. doch een deel van het zijne zou hij in het land teruglaten, zeide hij, opdat hij het had bij zijn terugkomst, doch het vrachtschip, dat Darius wilde voegen bij de gift aan zijn broeders, zei hij aan te nemen. En toen Darius nu ook aan dezen dat opgedragen had, zond hij hem naar de zee.

136. Zij nu gingen naar Phenicië en de phenicische stad Sidon en bemanden daar terstond twee triremen, en met dezen vulden zij ook een groot vrachtschip met allerlei geschenken; en alles verzorgd hebbend zeilden zij naar Hellas; zij hielden zich aan de kuststreken en bezagen en schreven op, totdat zij, na het meeste en meest vermaarde er van gezien te hebben, ook te Italië in Tarentum kwamen. Hier liet Aristophilidas, de koning der Tarentijnen, uit welwillendheid voor Democedes, vooreerst de stuurriemen van de Medische schepen wegnemen, en dan ook nam hij de Perzen gevangen onder voorwendsel, dat zij spionnen waren. Terwijl zij dat ondergingen, ging Democedes naar Croton en toen hij reeds in zijn huis gekomen was, liet Aristophilidas de Perzen los, en gaf hun weder, wat hij van de schepen had weggenomen.

137. De Perzen van daar weggezeild, jaagden Democedes na en kwamen in Croton, en zij vonden hem op de markt en grepen hem aan. En van de Crotoniaten vreesden sommigen de perzische macht en wilden hem gaarne uitleveren, anderen echter grepen de Perzen aan en met hun staven sloegen zij hen, die deze woorden gaven: "mannen Crotoniaten, ziet wat gij doet. Gij ontrukt ons een man, een van den koning weggeloopenen. Hoe zal het koning Darius bevallen zóó beleedigd te worden? Hoe zal u uw daad bekomen, indien ge hem ons ontrukt? Tegen welke stad zullen wij eerder dan tegen deze optrekken? Welke zullen wij eerder trachten slaaf te maken?" Zoo sprekende overreedden zij de Crotoniaten niet, doch nadat Democedes hun ontrukt was en het vrachtschip, dat zij mede hadden gevoerd, ontnomen, voeren zij terug naar Azië, en beroofd van hun gids, zochten zij niet verder in Hellas te komen en te leeren. Zoo veel had Democedes hun nog bij hun vertrek opgedragen: hij beval hen aan Darius te zeggen, dat Democedes met de dochter van Milo verloofd was om haar te huwen. Want de naam van Milo, den worstelaar, was groot bij den koning. En mij schijnt Democedes, veel geld betaald en dat huwelijk daarom verhaast te hebben, opdat hij in Darius' oogen als een ook in zijn eigen land gezien man zou schijnen.

138. De Perzen uit Croton weggevaren geraakten met hun schepen in Iapygië, en daar in slavernij gekomen, werden zij door Gillus, een tarentijnschen balling bevrijd, en naar koning Darius gebracht. Deze was bereid ter vergelding daarvoor genen te geven, wat hij zelf wilde. Gillus koos, dat hij weder in Tarentum zou komen, en verhaalde geheel zijn ongeluk; en opdat hij Hellas niet in verwarring mocht brengen, indien om hem een groote tocht tegen Italië voer, zeide hij dat de Cnidiërs genoeg waren om hem terug te brengen, meenende, dat deze, vrienden van de Tarentijnen, het best zijn terugkomst zouden bewerken. Darius beloofde dat en volbracht het; want hij zond een bode naar Cnidus en beval hen Gillus naar Tarentum terug te voeren. En de Cnidiërs, Darius gehoorzamend, overreedden de Tarentijnen echter niet, en waren buiten macht geweld te gebruiken. Deze dingen dan geschiedden zoo. Deze nu waren de eerste Perzen, die van Azië in Hellas kwamen, en om zulk een zaak waren zij verspieders geweest.

139. Daarop veroverde koning Darius Samos, de eerste van alle steden, helleensche en barbaarsche, en om de volgende reden. Toen Cambyses, zoon van Cyrus, naar Egypte trok, waren vele andere Hellenen in Egypte gekomen, - sommigen, zooals begrijpelijk is, om huursoldaat te worden, sommige anderen ook om het land te zien, - en van deze was Syloson, Aeaces' zoon er een, de broeder van Polycrates en balling uit Samos. Dezen Syloson overkwam het volgende gelukkige toeval. Hij had een rooden mantel genomen en dien omgeworpen en liep zoo op de markt in Memphis. Hem zag Darius, die speerdrager was van Cambyses en nog geenszins van groot aanzien, en hij begeerde den mantel, en liep toe en wilde hem koopen. Doch Syloson, ziende dat Darius den mantel hevig begeerde, zeide door goddelijke ingeving: "ik verkoop hem voor geen geld, doch geef hem om niet, indien hij zoo bepaald de uwe moet worden." En Darius prees dat en ontving het gewaad.

140. Syloson nu geloofde, dat hij het door zijn onnoozelheid verloren had. Doch toen na verloop van tijd Cambyses stierf, en de zeven tegen den Magiër opstonden en uit de zeven Darius de heerschappij kreeg, vernam Syloson, dat de heerschappij overgegaan was op dien zelfden man, wien hij zelf eens in Egypte op zijn verzoek het gewaad gegeven had. En naar Susa gereisd zette hij zich in den voorhof van het paleis des konings en beweerde Darius' weldoener te zijn. De poortwachter hoorde dit en meldde het den koning, en deze verbaasde zich en sprak tot hem: "en wie der Hellenen is de weldoener, wien ik dank schuldig ben, ik, die kort eerst het bestuur heb? Zoo goed als niemand toch van hen is nog tot ons gekomen, en ik heb om zoo te zeggen geen enkele schuld aan een helleensch man. Maar toch, brengt hem binnen, dat ik wete, wat hij bedoelt, zoo sprekende." De deurwachter bracht Syloson binnen, en daar hij voor den koning stond, vroegen hem de tolken, wie hij was en om welke daad hij des konings weldoener beweerde te zijn. Syloson dan verhaalde alles wat met den mantel was geschied, en dat hij zelf die gever was. Daarop antwoordde Darius: "o edelste aller mannen, gij zijt het die mij, bezitter nog van geen macht, beschonken hebt, indien ook met iets gerings; maar toch zal mijn dankbaarheid niet geringer wezen, dan als ik thans van iemand iets groots ontving; en daarvoor geef ik u onmeetlijk veel goud en zilver, opdat het u nimmer berouwe, Darius, den zoon van Hystaspes, wel gedaan te hebben." Syloson zegt daarop: "geef mij noch goud, o koning, noch zilver, doch red mijn vaderland Samos voor mij terug, en geef het mij, dat thans, nu mijn broeder Polycrates door Oroetas gedood is, in de macht is van onzen slaaf: geef mij dat, zonder moorden en slaven maken."

141. Darius dit hoorende zond een leger en als aanvoerder Otanes, een van de zeven mannen, en beval hem, wat Syloson verzocht, dat voor hem te volbrengen. En Otanes ging naar zee en bracht den tocht in gereedheid.

142. De macht over Samos had Maeandrius, de zoon van Maeandrius, die van Polycrates de heerschappij ter bewaking ontvangen had; en dezen, die de rechtvaardigste der mannen wilde zijn, viel dat niet ten deel. Want toen hem de dood van Polycrates was gemeld, deed hij het volgende. Eerst richtte hij een altaar op voor Zeus, den Bevrijder, en hij perkte daaromheen het heiligdom af, dat ook nu nog in de voorstad is; daarna, toen dit gereed was, riep hij een vergadering bijeen van alle burgers en zeide het volgende: "mij, zooals ook gij weet, zijn de scepter en de gansche macht van Polycrates toevertrouwd, en van mij nu is het om over u te heerschen. Doch wat ik in mijn naasten berisp, zal ik niet zelf doen als ik het laten kan. Want mij beviel Polycrates niet, heer zijnde over mannen hem zelven gelijk, noch een ander die zulke dingen doet. Polycrates nu heeft zijn noodlot vervuld, doch ik leg de heerschappij in uw midden neder en verkondig u gelijkheid voor allen. Zooveel echter meen ik als geschenk voor mij naar recht te verlangen, dat zes talenten, uit Polycrates' schat genomen, mij geworden, en daarbij kies ik voor mij zelven en mijn nakomelingen voor allen tijd het priesterschap van Zeus den Bevrijder: want voor hem heb ik zelf een tempel gebouwd en daarom dan ook geef ik u de vrijheid." Hij nu verkondigde dit den Samiërs, doch een van dezen stond op en zeide: "doch gij zijt niet waardig over ons te heerschen, gij die laaggeboren zijt en van geen nut; doch veeleer zorg, dat ge rekenschap geeft van de gelden, die gij bestuurd hebt."

143. Dit zeide hij, en hij was een aanzienlijk man onder de burgers, van naam Telesarchus. Doch Maeandrius, overwegende, dat als hij de heerschappij varen liet, een ander in plaats van hem zichzelf alleenheerscher zou maken, besloot haar geenszins te laten varen, maar toen hij naar den burcht was teruggekeerd, ontbood hij ieder afzonderlijk, alsof hij voornemens was rekenschap af te leggen van het geld, en greep hen en sloeg hen in boeien. Zij nu waren in boeien, doch Maeandrius overviel daarna een ziekte. En zijn broeder, wiens naam Lycaretes was, in de verwachting dat gene sterven zou, en opdat hijzelf dan gemaklijker de zaken in Samos zou bedwingen, doodde alle gevangenen; want, naar het schijnt, wilden de Samiërs niet vrij zijn.

144. Toen zij in Samos aankwamen, de Perzen die Syloson terugbrachten, verhief niemand een hand tegen hen, en de aanhangers van Maeandrius en Maeandrius zelf beweerden bereid te zijn een verdrag te sluiten en uit het eiland te wijken. Toen Otanes daaraan zijn goedkeuring had gegeven en het verdrag gesloten, lieten de aanzienlijkste Perzen zetels plaatsen tegenover den burcht en zetten zich daarop.

145. Maeandrius nu, de alleenheerscher, had een half waanzinnigen broeder, wiens naam Charilaüs was; deze had iets misdaan, en was in de onderaardsche gevangenis opgesloten, en toen hij dan het verhandelde vernam en door de gevangenis naar buiten keek, en hij de Perzen vreedzaam zag zitten, riep hij luid, bewerende, dat hij Maeandrius wilde spreken. En Maeandrius dit hoorende, beval genen los te maken en tot hem te brengen. Zoodra hij gebracht was, beschimpte en schold hij hem, en spoorde hem aan de Perzen aan te vallen, het volgende zeggende: "mij, o slechtste der mannen, mij, die uw broeder is en niets den kerker waardigs misdreven heeft, hebt ge geboeid en in een onderaardsch gat geworpen; doch de Perzen ziet ge uzelf verjagen en huisloos maken, en ge durft u niet te wreken, terwijl zij toch zoo licht te bedwingen zijn? Doch zoo ge hen vreest, geef mij de huurlingen, en ik zal hen straffen voor hun komst hierheen, en u zelf ben ik bereid uit het eiland te geleiden."

146. Zoo sprak Charilaüs. En Maeandrius nam den voorslag aan, niet naar ik geloof, wijl hij to zulk een onverstand was gekomen, van te meenen, dat zijn eigen macht die des konings zou kunnen overwinnen, doch eer uit afgunst op Syloson, dat deze zonder moeite de stad ongedeerd ontvangen zou. Hij wilde daarom de Perzen vertoornen en de samische zaken zoo zwak mogelijk maken en zóó ze overgeven, wel wetend, dat de Perzen, indien hun kwaad werd gedaan, verbitterd zouden zijn op de Samiërs, en hij wist ook, dat voor hem zelf een veilige uittocht uit het eiland was, wanneer hij wilde, want er was een verborgen gang gemaakt van den burcht naar de zee loopend. Maeandrius zelf dan voer weg uit Samos, en Charilaüs wapende alle huurlingen, en de poort openwerpend, stortte hij hen op de Perzen, die niets van dien aard verwachtten, meenende dat alles overeengekomen was. Doch de huurlingen vielen aan en doodden de zeteldragende en meest aanzienlijke Perzen. En dezen nu deden zóó, doch het overige perzische leger schoot te hulp; en de huurlingen geraakten in gevaar en werden weder opgesloten in den burcht.

147. Otanes de veldheer, ziende welk groot kwaad den Perzen was aangedaan, vergat de bevelen, die Darius hem bij zijn vertrek had opgedragen, om geen der Samiërs te dooden noch slaaf te maken, doch het eiland ongedeerd aan Syloson over te geven, - deze bevelen vergat hij opzettelijk, en beval aan het leger ieder, dien zij grijpen konden, èn man èn knaap gelijkelijk te dooden. Toen belegerde een deel van het leger den burcht, en de anderen doodden ieder dien zij vonden zonder onderscheid, zoowel in den tempel als buiten den tempel.

148. Maeandrius echter, uit Samos ontloopen, voer naar Lacedaemon; en daar gekomen bracht hij alles naar Sparta over, waarmede hij uitgeweken was, en deed het volgende. Telkens wanneer hij zijn zilveren en gouden bekers voor den dag had gehaald, liet hij zijn dienaren die reinigen, en hij zelf was gedurende dien tijd in gesprek met Cleomenes, den koning van Sparta, en leidde hem naar zijn huis. Wanneer nu Cleomenes de bekers zag, bewonderde hij ze en was verbaasd, en gene beval hem zoo veel er van weg te dragen, als hij wilde. En hoewel Maeandrius dit tweemaal en driemaal zeide, toonde Cleomenes zich als den rechtschapenste der mannen, daar hij het voor onrecht hield het aangebodene aan te nemen; en bemerkende, dat gene door aan andere burgers aanbiedingen te doen hulp tegen de Perzen zou vinden, ging hij tot de ephoren en zeide, dat het beter was voor Sparta, zoo de samische vreemdeling uit den Peloponnesus vertrok, opdat hij niet of hemzelf of een ander der Spartanen overreden zou slecht te worden. En zij luisterden naar hem en zeiden Maeandrius aan te vertrekken.

149. De Perzen echter hadden Samos als met een net leeggesleept en gaven het aan Syloson leeg van menschen; in later tijd evenwel trachtte de veldheer het zelf mede te bevolken, om een droomgezicht en om een ziekte, die hem aan de schaamdeelen was overkomen.

150. Toen de zeemacht naar Samos trok, waren de Babyloniërs opgestaan, en hadden zich zeer goed toegerust. Want in den tijd, dat de Magiërs heerschten en de zeven opstonden, in al dien tijd en die verwarring rustten zij zich toe voor het beleg, en op de een of andere wijze waren zij daarin onopgemerkt gebleven. Doch toen zij openlijk afvielen, deden zij het volgende. De moeders zonderden zij uit, en ieder koos uit zijn eigen huis één vrouw, die hij wilde: de overigen echter brachten zij allen bijeen en verstikten ze; die eene was door een ieder uitgekozen om zijn eten te bereiden; de anderen verstikten zij, opdat die niet hun levensmiddelen zouden opmaken.

151. Darius vernam dit en verzamelde zijn gansche macht en trok tegen hen op; en hij rukte naar Babylon en belegerde hen, die zich niets om het beleg bekommerden. Want de Babyloniërs klommen op de borstweringen van de muur, en dansten en bespotten Darius en zijn leger, en een van hen zeide het volgende woord: "wat zit gij daar, o Perzen, en gaat niet weg? Want dàn zult ge ons veroveren, als de muilezels werpen." Dit zeide een der Babyloniërs, geenszins verwachtend, dat ooit een muilezel baren zou.

152. Toen nu zeven maanden en een jaar reeds waren voorbijgegaan, werd Darius toornig en gansch zijn leger, daar het niet bij machte was de Babyloniërs te nemen. En toch had Darius alle listen en alle middelen tegen hen aangewend, doch ook zóó kon hij de stad niet nemen, hoewel hij andere listen beproefde, en zelfs ook die, waardoor Cyrus haar veroverd had, ook die beproefde hij. Doch de Babyloniërs waren vreeselijk op hun hoede, en hij was niet bij machte hen te veroveren.

153. Toen, in de twintigste maand, overkwam aan Zopyrus, zoon van Megabyzus, van een der zeven mannen die den Magiër hadden omvergeworpen, aan dezen Zopyrus, den zoon van Megabyzus, overkwam het volgende wonder: een van zijn voedseldragende muilezels wierp. Toen hem dit gemeld werd, en Zopyrus uit wantrouwen zelf het jong had gezien, verbood hij hun, die het gezien hadden, aan iemand het gebeurde te vertellen, en hij overlegde. En het scheen hem, dat volgens het woord van den Babyloniër, die in den aanvang gezegd had: dàn zou de vesting genomen worden, indien ooit de muilezels wierpen, - volgens deze uiting scheen aan Zopyrus Babylon neembaar te wezen. Want onder goddelijken invloed had gene gesproken, en bij hèm had de muilezel geworpen.

154. Toen hem nu de inneming van Babylon beschoren leek te zijn, ging hij tot Darius en vroeg dezen of hem er zeer veel aan gelegen was Babylon te nemen. En vernemende, dat gene het zeer verlangde, overwoog hij vervolgens, hoe hij zelf de veroveraar en de daad van hem zou zijn; want zeer worden bij de Perzen de groote verdiensten met verhooging van aanzien geëerd. En hij besloot, dat hij door geen andere daad in staat zou wezen de stad te bemachtigen, dan door zichzelf te verminken en tot genen over te loopen. Daarop telde hij dit niet en verminkte zichzelf met een onheelbare verminking. Want hij sneed zich de neus af en de ooren en hij schoor zich het haar rondom weg op smadelijke wijze en geeselde zich en ging tot Darius.

155. Doch Darius was zeer ontsteld, toen hij een hoog aanzienlijk man verminkt zag. En hij sprong van den zetel en riep luid en vroeg hem, wie hem verminkt had en om welke daad. Gene zeide: "niet leeft de man, buiten u, wien een zoo groote macht is, dat hij mij zóó zou behandelen; en geen vreemde dan ook heeft dat gedaan, o koning, doch ik zelf mij zelven, mij bedroevend, dat de Assyriërs de Perzen bespotten." De andere anywoordde: "o overmoedigste der mannen, aan de schandelijkste daad geeft gij den schoonsten naam, bewerende dat gij om de belegerden uzelf onheelbaar verminkt hebt. Hoe, o dwaas, zullen zich de vijanden om uw verminking spoediger overgeven? Hoe hebt ge niet in verdwazing van zinnen u zelven zoo bedorven?" Gene zeide: "indien ik u had toevertrouwd, wat ik zou doen, ge zoudt het mij niet veroorloofd hebben; daarom heb ik uit eigen besluit zoo gedaan. Want nu, indien er bij u niets ontbreekt, zullen wij Babylon nemen. Want ik, zooals ik ben, zal ik naar de muur overloopen en tot hen zeggen, dat ik van u dit ondervonden heb. En ik meen, indien ik hen overtuig dat het zoo is, de leiding van een leger te zullen krijgen. Doch gij, na den dag, dat ik in de stad gekomen ben, den tienden dag daarna, plaats duizend mannen van dat deel uws legers, welks verlies u onverschillig is, plaats dezen bij de dusgeheeten poort van Semiramis; daarna, op den zevenden dag na dien tienden, breng tweeduizend anderen bij de dusgeheten Ninische poorten; laat na dien zevenden twintig dagen vrij, en breng en plaats dan bij de dusgeheeten Chaldeeuwse poort, anderen, vierduizend in getal. En laten noch de eersten noch de lateren andere verweermiddelen hebben dan dolken; die kunt ge hun laten. Na den twintigsten dag, laat terstond het overige leger zich rondom op de stad werpen, doch de Perzen, plaats die mij bij de dus geheeten Belische en Cissische poorten. Want naar ik meen, als ik groote daden gedaan heb, zullen de Babyloniërs mij de andere zaken toevertrouwen en zelfs ook de sleutels der poorten. Dan echter, zal het mij en den Perzen ter harte gaan, wat wij doen moeten."

156. Dit droeg hij op en ging naar de poort, zich omwendend, als ware hij in werkelijkheid overlooper. En van de torens zagen zij hem, die daarvoor daar geplaatst waren, en zij liepen naar beneden, en den eenen poortvleugel een weinig openzettend, vroegen zij wie hij was, en waarvoor hij kwam. Hij zeide hun, dat hij Zopyrus was en tot hen overliep. De poortwachters, toen zij dat hoorden, brachten hem naar den raad der Babyloniërs. En toen hij daar stond, jammerde hij, zeggende door Darius geleden te hebben wat hij door zichzelf geleden had, en hij had dat geleden, wijl hij genen geraden had zijn leger terug te trekken, daar er geen middel was de stad te nemen. "En nu, ging hij voort, kom ik voor u, o Babyloniërs, als een zeer groot goed, doch voor Darius en zijn leger en de Perzen een groot kwaad; want niet voor niet zal hij mij zoo verminkt hebben; en ik ken alle slingerwegen van zijn plannen."

157. Zooveel zeide hij. En de Babyloniërs een bij de Perzen hoog aanzienlijk man beroofd ziende van neus en ooren, bevlekt met geeselslagen en bloed, geloofden geheel dat hij de waarheid sprak, en als helper tot hen kwam; en zij waren bereid hem toe te vertrouwen, wat hij vroeg, en hij vroeg een leger. Toen hij dit van hen gekregen had, deed hij wat hij met Darius had afgesproken. Want op den tienden dag voerde hij het leger der Babyloniërs naar buiten en sloot de duizend in, die hij aan Darius had opgedragen het eerst daar te plaatsen, en doodde dezen. En de Babyloniërs ziende, dat hij daden schonk aan zijn woorden gelijk, waren zeer verheugd en bereid hem in alles te volgen. Hij echter liet de afgesproken dagen vrij, en wederom voerde hij gekozenen der Babyloniërs naar buiten en doodde de tweeduizend van Darius' soldaten. En toen de Babyloniërs ook deze daad vernamen, hadden allen Zopyrus in den mind en prezen hem. En wederom liet hij de afgesproken dagen vrij en voerde genen uit naar de vooruit bepaalde plaats, en hij omsloot en doodde de vierduizend. Toen voorwaar was Zopyrus alles bij de Babyloniërs en hij werd door hen tot legerhoofd en muurbewaker aangesteld.

158. Doch toen Darius volgens de afspraak den aanval deed rondom de muur, toen dan openbaarde Zopyrus den geheelen aanslag. Want de Babyloniërs, op de muur geklommen, weerden den aanval van Darius' leger af, doch Zopyrus wierp de dusgeheeten Cissische en Belische poorten open en liet de Perzen in de stad. Die van de Babyloniërs, die het gebeurde zagen, dezen vluchtten naar den tempel van Zeus Belus; die het niet zagen, bleven ieder op hun plaats, totdat ook zij bemerkten verraden te zijn.

159. Babylon werd dan zoo ten tweeden male veroverd. En toen Darius de Babyloniërs bedwongen had, liet hij zoowel de muur omverhalen en alle poorten afbreken - want toen Cyrus Babylon vroeger nam, had hij geen van beide gedaan, - als ook liet Darius ongeveer drieduizend van de aanzienlijkste mannen spietsen; en aan de overige Babyloniërs gaf hij de stad weder om ze te bewonen. Opdat de Babyloniërs vrouwen zouden hebben, en nakomelingen krijgen, daarvoor zorgde Darius met de volgende daad; want hun eigene, zooals in den aanvang is aangegeven, hadden de Babyloniërs verstikt uit zorg voor hun levensmiddelen. Hij beval aan de omwonende volkeren vrouwen naar Babylon te zenden, aan een ieder opdragende hoeveel, zoodat het gansche aantal van vijf tienduizenden vrouwen bijeenkwam; van die vrouwen stammen de huidige Babyloniërs af.

160. Niemand der Perzen, naar Darius' meening, heeft Zopyrus in een groote daad overtroffen, noch van de lateren, noch van de vroegeren, behalve Cyrus alleen: want met dezen waagde geen der Perzen ooit zichzelven te vergelijken. En dikwijls heeft Darius, naar men zegt, deze meening uitgesproken, dat hij liever Zopyrus geheeld van zijn verminking wilde hebben, dan dat twintig Babylons bij het eene hem gewerden. Hij eerde hem grootelijks, en ieder jaar gaf hij hem geschenken, die bij de Perzen het meest geëerd zijn, en hij gaf hem Babylon zonder schatting te besturen tot aan zijn dood. Van dezen Zopyrus stamt Megabyzus, die in Egypte tegen de Atheners en hun bondgenooten streed; en van dien Megabyzus stamt Zopyrus, die uit Perzië naar Athene overliep.