|

thalia - derde boek
81 - 160
81. Otanes dan droeg deze meening
voor, doch Megabyzus ried de heerschappij aan weinigen
op te dragen, het volgende zeggende: "wat Otanes
gezegd heeft om de alleenheerschappij te staken, dat
moge ook ik gezegd hebben; doch als hij de macht aan
de menigte overdragen wil, heeft hij de beste meening
gemist, want niets is onverstandiger noch overmoediger
dan een onnutte menigte. Ook dat mannen, aan den
overmoed eens alleenheerschers ontvlucht, in den
overmoed van een teugelloos volk zouden vallen, is
niet te dulden. Want gene, als hij iets doet, doet het
met weten, doch dezen hebben zelfs het weten niet;
want hoe zou hij weten, die nooit iets schoons leerde,
noch zag door zijn eigen geest, en zonder verstand
zich met geweld op de staatszaken werpt, gelijk aan
een winterstroom? Een volksregeering derhalve, laten
zij die hebben, die den Perzen slecht gezind zijn; ons
echter, laat ons een vergadering van de
voortreflijkste mannen uitkiezen en aan dezen het
gezag opdragen; want onder dezen zullen ook wij zelven
zijn, en van de voortreflijkste mannen is het
natuurlijk, dat de beste besluiten komen."
82. Megabyzus nu bracht deze meening
bij; in de derde plaats echter openbaarde darius zijn
meening, zeggende: " mij nu schijnt Megabyzus, wat hij
over de menigte zeide, goed gezegd te hebben, wat
echter over de regeering van weinigen, niet goed. Want
als drie regeeringswijzen vóór
ons liggen, aangenomen dat zij allen op hun best zijn,
het volk op zijn best en de weinigen en de
alleenheerscher, dan is deze laatste verreweg
de beste, beweer ik. Want niets kan gevonden worden
beter, dan de voortreflijkste alleenheerscher. Want
met de beste gezindheid begiftigd, zal hij
onberispelijk over de menigte heerschen en de plannen
tegen vijandige mannen zullen zóó het
best geheim blijven. Bij de regeering van weinigen
komen al spoedig heftige bijzondere vijandschappen
onder de velen, die hun deugd willen toonen voor het
algemeene wel; want daar ieder zelf de eerste wil zijn
en met zijn plannen overwinnen, geraken zij tot groote
vijandigheden onderling, waaruit oproeren ontstaan, en
uit die oproeren doodslag, en uit den doodslag komt
men tot de alleenheerschappij, en dan wordt duidelijk,
hoezeer deze de beste is. Als het volk heerscht, kan
het niet anders of kwaad wordt geboren. Is het kwade
in de openbare zaak gedrongen, dan komen geen
vijandigheden onder de slechten, doch sterke
vriendschappen; want die kwaad doen aan het gemeene
wel, doen dat in samenwerking. Dat gaat zoo verder,
totdat een uit het volk opstaat, en de zoodanigen
tegenhoudt. En daardoor wordt hij dan bewonderd door
het volk, en zoo bewonderd wordt hij dan
alleenheerscher. En zoo toont ook deze daarin, dat de
alleenheerschappij de beste is. Doch in
één woord kan men alles samenvatten en
zeggen: vanwaar is onze vrijheid gekomen, en wie gaf
ze? Kwam zij van het volk of van weinigen of van een
alleenheerscher? Ik ben daarom van meening, dat wij,
vrijgemaakt door één man, daaraan ons
houden moeten, en bovendien niet de zeden onzer
vaderen breken, die goed zijn; want dat bekwame ons
slecht."
83. Deze drie meeningen dan werden
voorgedragen, doch de vier andere der zeven
mannen voegden zich bij de laatste. Toen Otanes, die
allen Perzen gelijke macht wilde geven, in zijn
meening overwonnen was, sprak hij in hun midden het
volgende: "mannen saamgezworenen, duidelijk is, dat
één van ons koning moet worden, hetzij
door het lot gekozen, hetzij doordat wij het aan het
Perzische volk overlaten, wien dit kiezen wil, hetzij
door eenig ander middel. Ik nu zal niet met u dingen;
want ik wil noch heerschen noch beheerscht worden; op
diè voorwaarde nu zie ik van de regeering af,
dat ik door geen van u beheerscht zal worden, noch ik
zelf noch ooit de uit mij nagekomenen." Toen hij dit
gezegd had en de zes hem dat op die voorwaarde hadden
toegestaan, dong gene niet meer mede, doch trad uit
hun kring, en nu nog is dat geslacht het eenige vrije
in Perzië en heerscht zooveel hetzelf wil, zonder
de wetten der Perzen te overschrijden.
84. De anderen van de zeven
overlegden, hoe zij het rechtvaardigst een koning
zouden aanstellen: en zij besloten, dat, zoo het
koninkrijk aan een ander van de zeven zou komen, aan
Otanes en het nageslacht van Otanes ieder jaar als
onderscheiding een Medisch gewaad zou gegeven worden
en het gansche geschenk, dat bij de Perzen het meest
in eere is. Dit besloten zij hem daarom te geven,
omdat hij het eerst de zaak overlegd had en hen
bijeengebracht. Dat dan werd aan Otanes als
onderscheiding gegeven; doch voor elkander besloten
zij het volgende: dat ieder die wilde van de zeven
zonder zich aan te melden in het paleis kon komen,
behalve als de koning met een vrouw geviel te slapen;
en dat het den koning niet zou vrij staan zijn vrouwen
anders te nemen, dan uit de gezinnen der
mede-saamgezworenen. En over de heerschappij besloten
zij het volgende: wiens paard bij den opgang der zon
het eerst zou hinniken in de voorstad, daar zij te
paard zaten, die zou de heerschappij krijgen.
85. Darius nu had een slimmen
stalmeester, wiens naam Oebares was. Tot dezen man,
toen zij uit elkander waren gegaan, zeide Darius het
volgende: "Oebares, wij hebben besloten aangaande de
heerschappij het volgende te doen: wiens paard het
eerst hinnikt bij den zonsopgang, terwijl wij te paard
zitten, die zal de heerschappij hebben. Nu dan, indien
gij eenig slim middel hebt, maak het zoo, dat wij die
waardigheid bekomen en geen ander." Oebares antwoordt
met het volgende: "o heer, indien het daarin gelegen
is, of gij koning zult zijn of niet, wees dan zonder
vrees daarover en met goeden moed, daar geen ander
koning zal wezen dan gij; want ik heb toovermiddelen
van die kracht." Darius zeide: "indien ge dan zulk een
slim middel hebt, dan is het tijd het te gebruiken en
niet uit te stellen, daar met den komenden dag onze
strijd geschieden zal." Oebares hoorde dit en deed het
volgende. Toen de nacht gekomen was, nam hij van de
merries de eene, die de hengst van Darius het meest
liefhad, en die bracht hij naar de voorstad en bond
haar vast en hij bracht den hengst van Darius er bij,
en eerst leidde hij hem dikwijls dicht bij de merrie
om haar heen, dan nader bij haar, en eindelijk liet
hij hem de merrie bespringen.
86. Zoodra de dag was aangebroken,
waren de zes, volgens hun afspraak, op hun paarden
aanwezig; en toen zij verder reden door de voorstad,
en zij bij de plaats kwamen, waar in de verstreken
nacht de merrie was vastgebonden, toen liep het paard
van Darius naar voren en hinnikte: en tegelijk dat het
paard dat deed, kwam uit den hemel bliksem en donder.
Deze zaken gaven aan Darius een wijding, alsof zij
volgens een afspraak der goden geschiedden, en
de anderen sprongen van hun paarden en knielden voor
Darius.
87. Sommigen nu zeggen, dat Oebares
dit uitgedacht heeft, anderen echter het volgende
(want tweeërlei wordt de zaak door de
Perzen verhaald), dat hij de schaamdeelen van de
merrie met de hand aanraakte en toen die hand
in zijn broek verborg; toen nu de paarden met
zonsopgang zouden weggaan, toen nam die Oebares zijn
hand te voorschijn en hield ze aan de neusgaten van
Darius´ hengst, en deze bemerkte dat, snoof
heftig en hinnikte.
88. Darius, de zoon van Hystaspes,
werd dus zoo als koning aangesteld, en in Azië
waren, behalve de Arabieren, allen zijn onderdanen,
daar Cyrus hen onderworpen had en later weder
Cambyses. De Arabieren waren geenszins aan de Perzen
onderworpen, doch zij waren gastvrienden, daar zij
Cambyses tegen Egypte hadden laten doortrekken; want
tegen den wil der Arabieren zouden de Perzen nooit in
Egypte gevallen zijn. Darius huwde de voornaamste
vrouwen onder de Perzen, vooreerst twee dochters van
Cyrus, Atossa en Artystone, van welken Atossa vroeger
gehuwd was met haar broeder Cambyses en later met den
Magiër, doch de andere, Artystone, maagd. Dan
huwde hij ook de dochter van Smerdis, Cyrus´
zoon, wier naam Parmys was, en hij kreeg ook de
dochter van Otanes, die den Magiër verraden had;
en alles was vol van zijn macht. Eerst nu liet hij een
steenen beeld maken; daarop was als figuur een ruiter,
en hij schreef er woorden bij, die het volgende
zeiden: "Darius, zoon van Hystaspes, heeft door de
voortreflijkheid van zijn paard" - en hij noemde den
naam - "en van Oebares, zijn stalmeester, de
heerschappij over de Perzen verworven."
89. Hierna stelde hij twintig
landschappen in Perzië in, die zij zelf
satrapiën noemen; hij stelde die in en benoemde
bestuurders, en regelde de schattingen, die hem door
ieder volk opgebracht moesten worden, en hij voegde
bij die volkeren ook de nabijwonenden; ook scheidde
hij naburen en voegde verafgelegenen ieder bij een
ander volk. De landschappen en de jaarlijksche
opbrengst der belastingen regelde hij op de volgende
wijze. Hun, die zilver opbrachten, werd gezegd het
talent volgens het babylonische gewicht op te brengen;
hun die goud opbrachten, volgens het eubeesche
gewicht. Het babylonische talent geldt achtenzeventig
eubeesche minen. Want onder de regeering van Cyrus en
later van Cambyses, was niets bepaald over een
schatting, doch de volken gaven geschenken. Om
deze regeling van de belasting en andere diergelijke
dingen zeggen de Perzen, dat Darius een kramer was,
Cambyses een gebieder en Cyrus een vader; de eerste
wijl hij alle zaken als een koopman behandelde, de
ander wijl hij hard was en om niets gaf, de laatste
daar hij zachtaardig was en alles goeds voor hen
uitdacht.
90. Van de Ioniërs en de in
Azië wonende Magneters, en de Aeoliërs, de
Cariërs, de Lyciërs, de Milyers en de
Pamphyliërs (want dezen te samen was
één belasting opgelegd) kwamen
vierhonderd talenten zilver in. Dit nu was het eerste
gewest; van de Mysiërs en de Lydiërs en de
Lasoniërs en de Cabyliërs en Hytenniërs
vijfhonderd talenten; dit was het tweede gewest. Van
de Hellespontiërs aan de rechterhand bij het
invaren, en de Phrygiërs en de Thraciërs,
die in Azië, en de Paphlagoniërs en de
Mariandyniërs en de Syriërs was de schatting
driehonderd en zestig talenten; dit was het derde
gewest. Van de Ciliciërs driehonderd-en-zestig
witte paarden, voor iederen dag één, en
vijfhonderd talenten zilver; daarvan werden honderd en
veertig besteed voor de ruiterij, die in Cilicië
geplaatst was, de andere driehonderd en zestig kwamen
aan Darius; dit was het vierde gewest.
91. Van de stad Posideüm, die
Amphilochus, de zoon van Amphiaraüs, stichtte aan
de grenzen van Cilicië en Syrië, daarbij
beginnend tot Egypte, behalve een streek van de
Arabieren, die belastingvrij was, was de schatting
driehonderd en vijftig talenten; in dit gewest ligt
gansch Phenicië en het dusgeheeten palaestinische
Syrië en Cyprus; dit was het vijfde gewest. Van
Egypte en de aan Egypte grenzende Libyers en Cyrene en
Barce (want deze waren bij het Egyptische gewest
gevoegd) kwamen zevenhonderd talenten in, behalve nog
het geld, dat door het meer Moeris werd opgebracht, en
van de vischvangst kwam; buiten dat geld dan en buiten
de daarbij nog geleverde spijs, kwamen zevenhonderd
talenten in; want zij meten aan de Perzen, die in de
Witte Burcht te Memphis liggen, en aan hun hulptroepen
twaalf tienduizenden schepels graan af; dit
was het zesde gewest. De Sattagydiërs en de
Gandariërs en de Dadiciërs en de
Aparytiërs, tot één geheel
gebracht, leverden honderd en zeventig talenten. Dit
was het zevende gewest. Van Susa en het overige land
der Cissiërs driehonderd; dit was het achtste
gewest.
92. Van Babylon en van het overige
Assyrië kwamen duizend talenten zilvers en
vijfhonderd gesneden knapen; dit was het negende
gewest. Van Agbatana en het overige Medië en de
Paricaniërs en de Orthocorybantiërs
vierhonderd en vijftig talenten; dit was het tiende
gewest. De Caspiërs en de Pausicers en de
Pantimathen en de Dariters droegen hun schatting
bijeen en brachten tweehonderd talenten op; dit was
het elfde gewest. Van de Bactrianers tot aan de
Aeglers was de schatting driehonderd en zestig
talenten; dit was het twaalfde gewest.
93. Van Pactyïca en de
Armeniërs en de naburige volkeren tot de zee
Euxinus vierhonderd talenten; dit was het dertiende
gewest. Van de Sagartiërs en de Sarangers en de
Thamanaeërs en de Utiërs en de Myciërs
en de bewoners der eilanden in de Roode Zee, waarheen
de koning de dusgeheetene losgerukten zendt, van die
allen kwamen zeshonderd talenten schatting; dit was
het veertiende gewest. De Sacers en de Caspiërs
brachten tweehonderd en vijftig talenten; dit was het
vijftiende gewest. De Parthen en de Chorasmiërs
en de Sogden en de Areërs driehonderd talenten;
dit was het zestiende gewest.
94. De Paricaniërs en de
aziatische Ethiopiërs brachten vierhonderd
talenten op; dit was het zeventiende gewest. Den
Matiëners en den Saspiren en den Alarodiërs
werden tweehonderd talenten opgelegd; dit was het
achttiende gewest. Den Moschen en den Tibareners en
den Mossynoecen en den Marden werden driehonderd
talenten voorgeschreven; dit was het negentiende
gewest. De menigte der Indiërs is verreweg de
grootste van alle menschen, van wie wij weten, en zij
brachten in vergelijking met alle anderen de grootste
schatting op, driehonderd en zestig talenten goudstof;
dit was het twintigste gewest.
95. Het babylonische zilver met het
eubeesche talent gemeten komt op negenduizend en
achthonderd en tachtig talenten; rekent men het goud
dertienmaal meer waard, dan vindt men het goudstof op
vierduizend en zeshonderd en tachtig eubeesche
talenten. Wordt dit alles te samengesteld, dan bedroeg
de geheele jaarlijksche schatting voor Darius in
eubeesche talenten veertienduizend en vijfhonderd en
zestig; wat minder is dan die laatste zestig ga ik
voorbij zonder het te noemen.
96. Deze schatting gewerd Darius uit
Azië en een klein deel van Libye. Na verloop van
tijd kwam ook van de eilanden een andere schatting, en
van die in Europa woonden tot aan Thessalië. Deze
schatting bewaart de koning op de volgende wijze. Hij
laat alles smelten en in aarden vaten gieten,
en als de pot vol is, neemt hij het aardewerk weg;
indien hij geld noodig heeft, slaat hij zooveel af,
als hij telkens noodig heeft.
97. Deze nu waren de landschappen en
de opgelegde schattingen. Het Perzische land alleen is
door mij niet genoemd als schatplichtig, want de
Perzen bewonen hun land belastingvrij. Ook de volgende
volken behoefden geen enkele schatting op te brengen,
doch gaven geschenken. De Ethiopiërs, buren van
de Egyptenaars, die Cambyses op zijn tocht tegen de
langlevende Ethiopiërs onderworpen had, en die
bij de heilige stad Nysa wonen en voor Dionysus de
feesten vieren, - deze Ethiopiërs en hun naburen
hebben hetzelfde zaad als ook de Callantische
Indiërs, en wonen in huizen onder de aarde, -
deze beiden brachten alle drie jaar een geschenk,
en brachten nog tot in mijn tijd twee choenicen
ongelouterd goud op, en tweehonderd stammen ebbenhout
en vijf Ethiopische knapen en twintig groote
olifantstanden. De Colchiërs moesten ten
geschenke opbrengen met hun naburen tot aan het
Caucasische gebergte (want tot dat gebergte gaat de
heerschappij der Perzen, doch aan de noordewindzijde
van den Caucasus worden de Perzen niet geteld), -
dezen dan brachten de geschenken, die hun opgelegd
waren, nog in mijn tijd iedere vijf jaar op: honderd
knapen en honderd maagden. De Arabieren schonken ieder
jaar duizend talenten wierook. Deze geschenken zonden
zij nog aan den koning behalve de schatting.
98. Dat goud, die groote menigte,
waarvan de Indiërs het genoemde goudstof aan den
koning brengen, verwerven zij op de volgende wijze.
Alle land van Indië, dat zich naar de opgaande
zon uitstrekt, is woestijn. Want van de menschen,
die wij weten, en over wie iets bepaalds gezegd wordt,
wonen de Indiërs het eerst van alle
menschen in Azië bij den dageraad en den
zonsopgang. Want wat achter de Indiërs naar den
dageraad ligt is een woestijn door het zand. Er zijn
vele volken van de Indiërs en niet van dezelfde
taal, en sommige zijn zwervend, andere niet, andere
weer wonen in de moerassen der rivier en leven van
rauwe visschen, die zij vangen, in rieten vaartuigen
ze jagende. Eén lid van dit riet maakt een
boot. Deze Indiërs nu dragen een gewaad van
biezen; wanneer zij biezen uit de rivier getrokken en
geklopt hebben, dan vlechten zij ze samen als een mat
en trekken dien aan als een pantser.
99. De andere Indiërs, die verder
naar den dageraad wonen dan genen, zijn zwervend, en
eten rauw vleesch. Zij heeten Padaeërs, en
hebben, naar men zegt, de volgende zeden. Als iemand
van hun medeburgers ziek wordt, ´t zij het een
vrouw is, ´t zij een man, dien man dooden de
mannen, die het meest met hem verkeeren, bewerende
dat, terwijl de ziekte hem verteert, zijn vleesch voor
hen verloren gaat; en hij ontkent wel ziek te wezen,
doch de anderen geven dat niet toe, en dooden hem en
eten hem feestelijk op. Is het een vrouw, die ziek
wordt, dan doen evenzoo de meest bevriende vrouwen het
zelfde als de mannen. Wie oud geworden is, dien
offeren zij en feesten van hem. Doch zoover komen niet
velen van hen, want vóór dien tijd
dooden zij een ieder, die in een ziekte geraakt.
100. De volgende is de andere aard van
andere Indiërs. Zij dooden niets levends, noch
zaaien zij iets, noch plegen zij huizen te bewonen,
doch kruiden eten zij, en er groeit bij hen iets, in
grootte zooals gierst, in een peul, en dat komt van
zelf uit de aarde; dit verzamelen zij en koken het met
de peul en eten het. Wie van hen in een ziekte
geraakt, die gaat naar de woestijn en legt zich neer.
En niemand bekommert zich om hem of hij sterft of ziek
is.
101. De paring geschiedt bij al die
Indiërs, die ik genoemd heb, openlijk evenals bij
de schapen, en zij hebben allen dezelfde kleur en
bijna als de Ethiopiërs. Hun zaad, dat zij in de
vrouwen werpen, is niet wit, zooals van de andere
menschen, doch zwart evenals hun huid; een diergelijk
zaad werpen ook de Ethiopiërs. Deze Indiërs
wonen nog verder van de Perzen en naar den zuidewind,
en gehoorzamen geenszins aan koning Darius.
102. Anderen der Indiërs leven in
de nabijheid van de stad Caspatyrus en het land
Pactyica; zij wonen naar den Arctus en den noordewind
boven de andere Indiërs; dezen leven ongeveer
zooals de Bactriërs; deze zijn de meest
krijgshaftige der Indiërs en zij zijn het, die op
het goud worden uitgezonden; want in deze streek is
het een woestijn door het zand. In die woestijn nu en
in het zand leven mieren, in grootte kleiner dan
honden en grooter dan vossen; eenigen toch van hen
zijn bij den koning der Perzen, ginds gevangen. Deze
mieren nu maken een huis onder de aarde en werpen het
zand op, evenals de mieren in Hellas op dezelfde
wijze; zij zijn ook in gestalte zeer gelijkend op
genen; het opgeworpen zand is goudhoudend. Om
dat zand nu worden de Indiërs in de woestijn
gestuurd; ieder spant drie kameelen samen, aan
weerszijden een mannetje om te trekken als
handpaarden, en een wijfje in het midden; op dit dan
gaat hij zelf zitten, en draagt zorg er een in te
spannen, dat hij van de jongen heeft weggenomen, zoo
snel mogelijk na de geboorte. Want hun kameelen zijn
niet minder dan de paarden in snelheid, doch
daarenboven veel krachtiger om lasten te dragen.
103. Het uiterlijk nu, hoedanig de
kameel er een heeft, beschrijf ik niet voor de
Hellenen, daar die het weten; doch wat niet van hem
geweten wordt, dat zal ik zeggen. De kameel heeft aan
de achterpooten vier dijen en vier knieën, en de
schaamdeelen zijn tusschen de achterpooten door naar
den staart gewend.
104. Op zulk een wijze dan en met
zulke spannen toegerust trekken de Indiërs naar
het goud, rekening houdende daarmede, dat zij, als de
hitte het grootst is, aan het rooven kunnen gaan; want
gedurende de hitte verbergen de mieren zich onder de
aarde. En voor die menschen is de zon het heetste in
den morgen, niet zooals bij de andere menschen
des middags, doch van den opgang tot het opbreken van
den markt. In dien tijd brandt zij veel heviger dan in
Hellas des middags, zóó dat zij dan,
naar men zegt, zich om dien tijd baden. Het midden van
den dag brandt de andere menschen bijna evenzeer als
de Indiërs; neigt zich dan de middagzon, dan
wordt de zon evenals voor de anderen de ochtendzon, en
na dien tijd weggaande verkoelt zij meer en meer, tot
zij bij het ondergaan gekomen eerst recht verkoelt.
105. Wanneer de Indiërs met
zakken bij de plaats gekomen zijn, vullen zij die met
zand en trekken ten spoedigste weder weg; want de
mieren bemerken hen terstond door de reuk, zooals door
de Perzen gezegd wordt, en jagen hen na. In snelheid
nu zijn zij gelijk aan geen ander dier,
zoodat, indien de Indiërs niet een stuk van den
weg vóórkomen, terwijl de mieren zich
verzamelen, er geen enkel van hen behouden terug zal
komen. De mannetjes-kameelen nu, want zij zijn minder
in het loopen dan de wijfjes, worden zelfs losgelaten
onder het medetrekken door het wijfje, de een
na den ander; doch de wijfjes, denkend aan de
kinderen, die zij achterlieten, verslappen in het
geheel niet. Het grootste deel van het goud krijgen de
Indiërs zóó, naar de Perzen
beweren, het overige, geringere deel wordt in
het land opgedolven.
106. De uiterste deelen der
bewoonde aarde hebben de schoonste zaken
ontvangen, zooals ook Hellas verreweg de schoonst
gemengde luchtgesteldheid ontving. Want vooreerst ligt
Indië het verst van de bewoonde landen
naar den dageraad, zooals ik een weinig vroeger gezegd
heb; in dat land zijn zoowel dieren,
viervoetigen en gevleugelden, veel grooter dan in
andere streken, met uitzondering van de paarden (deze
doen onder voor de Medische, de dusgeheeten Nesaesche
paarden), ook is daar onmetelijk veel goud, ten deele
opgedolven, ten deele door rivieren naar beneden
gevoerd, ten deele, zooals ik aangaf, geroofd. Ook de
wilde boomen dragen daar wol als vrucht, die in
schoonheid en deugdelijkheid de wol der schapen
overtreft; en de Indiërs maken kleederen van deze
boomen.
107. Naar den middag wederom is
Arabië het uiterste van de bewoonde landen, en
daarin alleen van alle landen groeit de wierook en de
myrrhe en de casia en het cinamomum en het ledanum;
dit alles, uitgenomen de myrrhe, winnen de Arabieren
met moeite. Den wierook verzamelen zij, daar zij de
styrax verbranden, die de Pheniciërs naar de
Hellenen aanvoeren; deze verbrandende winnen zij den
wierook; want die boomen, de wierookdragenden,
worden bewaakt door gevleugelde slangen, klein van
afmeting, bont van uiterlijk, velen in getal bij
iederen boom; deze zijn het ook, die naar Egypte
trekken. En zij worden door niets anders van de boomen
verjaagd, dan door den rook der styrax.
108. De Arabieren zeggen ook dit, dat
de gansche aarde van die slangen vol zou wezen, indien
niet met hen geschiedde, wat ik wist, dat ook met de
adders gebeurt. Voorzeker, de zorg van het godlijke, -
zooals ook natuurlijk is, daar zij wijs is, - maakte,
zoovele dieren laf van ziel zijn en eetbaar,
die allen rijk aan kroost, opdat zij niet verdwijnen
door opgegeten te worden; doch zoovelen vreeslijk zijn
van kracht en schadelijk, weinig vruchtbaar. Aan
ééne zijde nu, daar de haas door ieder
wild dier gejaagd wordt en vogel en mensch, is hij dan
zóó vruchtbaar: als het eenige onder
alle dieren draagt het meer dan één
dracht tegelijk; en zoo is het eene jong in den buik
behaard, het andere naakt, het derde juist in de
baarmoeder gevormd, het vierde eerst ontvangen. Aan
die zijde is nu het zoo; doch de leeuwin, die zeer
sterk en dapper is, baart slechts eenmaal in haar
leven één jong, want barende
werpt zij met het jong ook de baarmoeder uit. De
oorzaak daarvan is deze: wanneer de welp, in de
baarmoeder zijnde, begint zich te bewegen, verscheurt
hij met de nagels, veel scherper dan van andere
dieren, de baarmoeder; en naarmate hij groeit, gaat
hij steeds meer met krabbelen voort; eindelijk is de
geboorte nabij, en er is in ´t geheel niets meer
gezond van de baarmoeder overgebleven.
109. Zoo ook de adders en de
gevleugelde slangen in Arabië, indien deze
volgens hun natuur geteeld werden, dan was het voor de
menschen niet mogelijk om te leven. Nu echter, wanneer
zij samen paren en het mannetje met de teling zelf
bezig is, grijpt het wijfje hem in den nek,
daar hij het zaad loslaat, en hem bijtende,
laat zij hem niet los, voor zij hem
doorgevreten heeft. Het mannetje nu sterft op de
gezegde wijze, doch het wijfje geeft de volgende boete
voor het mannetje. Om den vader te wreken, vreten de
jongen nog in den buik zijnde door de moeder heen, en
haar lijf doorvretende maken zij zoo den uitweg. De
andere slangen, die niet schadelijk voor de menschen
zijn, leggen eieren en broeden een groot getal van
jongen uit. De adders nu zijn over de gansche aarde,
doch die andere, de gevleugelde, zijn talrijk in
Arabië en nergens anders, en daarom schijnen zij
zoo groot in getal te zijn.
110. Dien wierook dan winnen de
Arabieren aldus, doch de casia zóó.
Nadat zij zich met runderhuiden en andere vellen
geheel het lichaam bedekt hebben, en het gelaat
behalve de oogen, gaan zij naar de casia; deze groeit
in een ondiep moeras, en om haar en in haar houden
zich gevleugelde dieren op, die zeer op de vleermuizen
gelijken en vreeselijk schreeuwen en zich sterk te
weer stellen; dezen moeten zij van de oogen afhouden
en zoo snijden zij de casia af.
111. Het cinamomum verzamelen zij op
nog veel zonderlinger wijze dan gene zaken.
Want waar het groeit en welk land het is, dat het
voortbrengt, kunnen zij niet zeggen, behalve dat
sommigen met waarschijnlijkheid beweren, dat het in
dezelfde streken groeit, waar Dionysus opgevoed werd.
Zij verhalen, dat groote vogels die schorsrollen
aandragen, die wij, naar wij van de Pheniciërs
geleerd hebben, cinamomum noemen; en die vogels dragen
ze naar nesten, uit leem gekneed op steile bergen,
waar geen enkele toegang is voor een mensch. Daarom
dan verzinnen de Arabieren de volgende list. Van doode
ossen en ezels en andere lastdieren snijden zij zeer
groote stukken af en brengen ze naar die plaatsen, en
als zij ze dicht bij de nesten gelegd hebben,
verwijderen zij zich ver daarvan. De vogels nu vliegen
naar beneden en nemen de stukken van de lastdieren en
brengen ze naar de nesten; dezen echter kunnen dat
niet dragen en breken naar beneden op de aarde; dan
komen genen aan en verzamelen. Het cinamomum wordt dan
zoo verzameld en komt van daar naar de andere landen.
112. Maar het ledanum, dat de
Arabieren ladanon noemen, ontstaat op nog
wonderbaarlijker wijze dan dat andere; want ontstaan
in het meest slecht riekende is het hoogst welriekend;
want men vindt het in de baarden van geitebokken,
ontstaan evenals harst aan den boom. Het is nuttig
voor de meeste zalven, en de Arabieren gebruiken dat
het meest voor reukwerk.
113. Zooveel zij gezegd over het
reukwerk; en er komt uit het Arabische land een
wonderzoete geur. Er zijn bij hen twee soorten van
schapen, die bewonderenswaard zijn en nergens anders
voorkomen. De eene van hen heeft lange staarten, niet
kleiner dan drie ellen; wilde men hen deze laten
medeslepen, dan zouden zij wonden krijgen, daar de
staarten tegen de aarde schuurden; nu echter verstaat
iedere herder zóóveel van de
houtbewerking: zij maken toch wagentjes en binden die
onder aan de staarten, terwijl zij van ieder dier den
staart aan zulk een wagentje binden. De andere soort
van schapen draagt breede staarten en ongeveer een el
in de breedte.
114. Bij den dalenden middag naar de
ondergaande zon strekt zich het Ethiopische land uit
als het uiterste van de bewoonde landen; dit brengt
veel goud voort en geweldige olifanten en alle wilde
boomen en ebbenhout en de grootste en meest
langlevende mannen.
115. Deze nu zijn de uiterste landen
in Azië en in Libye. Over de uiterste landen
in Europa naar den avond kan ik niet met zekerheid
verhalen. Want ik neem niet aan, dat een rivier, door
de barbaren Eridanus genoemd, in de zee naar den
noordewind valt, van welke, naar men zegt, de
barnsteen komt; noch weet ik of de eilanden de
Cassiteriden werkelijk bestaan, waaruit het tin tot
ons komt. Want eensdeels wijst de naam Eridanus zelf
aan, dat hij helleensch is en niet barbaarsch, doch
door een dichter verzonnen; anderdeels kan ik van geen
enkelen ooggetuige vernemen, hoezeer ik moeite deed,
dat er een zee is aan die zijde van Europa. Zeker
echter komen de barnsteen en het tin van het uiterste
deel van Europa.
116. In het naar den Beer gelegen
deel van Europa wordt blijkbaar verreweg het
meeste goud gevonden; hoe het daar gewonnen
wordt, ook dat kan ik niet met zekerheid zeggen, doch
er wordt verhaald, dat de Arismaspen,
éénoogige mannen, het van onder de
grijpvogels wegrooven. Doch ik geloof ook dat niet,
dat er éénoogige mannen zijn, die hun
overige natuur gelijk aan de andere menschen hebben.
De uiterste streken dus, die al het andere
land omsluiten en in zich vatten, dezen blijken te
hebben, wat ons het schoonste schijnt te wezen en het
zeldzaamste.
117. Er is een vlakte in Azië,
aan alle kanten omsloten door een gebergte, en er zijn
vijf doorsnijdingen in het gebergte. Deze vlakte was
vroeger van de Chorasmiërs, daar zij dan ook ligt
in het gebied van de Chorasmiërs zelf en de
Hyrcaniërs en de Parthen en de Sarangen en de
Thamanaeërs, doch sinds de Perzen de macht
hebben, is zij van den koning. Uit dat omsluitende
gebergte nu stroomt een groote rivier; haar naam is
Aces. Deze rivier bewaterde vroeger, in vijven
gedeeld, de landen dier genoemde menschen, terwijl zij
door iedere doorsnijding naar ieder volk stroomde.
Doch sinds zij onder den Pers zijn, is hun het
volgende geschied. De koning liet de doorsnijdingen
der bergen dichtbouwen en plaatste een toren op iedere
doorsnijding; en daar de uitgang van het water
afgesloten is, is de vlakte binnen het gebergte een
zee geworden, daar de rivier toestroomt, en geen
enkelen uitweg heeft. Genen nu, die vroeger het water
plachten te gebruiken, kunnen het nier meer gebruiken
en leven in grooten nood. Want des winters zendt de
god hun regen, evenals aan de andere menschen, en des
zomers, als zij gerst en sesam zaaien, hebben zij
gebrek aan het water. Wanneer hun nu gansch geen water
gegund wordt, gaan zij met hun vrouwen naar de Perzen,
plaatsen zich voor het paleis des konings en
schreeuwen en huilen. Doch de koning beveelt dan voor
hen, die het meest in nood zijn, de poort te openen,
welke daar heen gaat. Als hun land het water drinkt en
er mede verzadigd is geworden, wordt die poort weder
gesloten, en hij beveelt een andere open te maken voor
anderen van de overigen, die het meest in nood zijn.
Naar ik van hooren weet, opent hij de poorten,
veel geld afdwingende behalve de schatting.
118. Deze zaken zijn nu zoo. Van de
zeven tegen den Magiër opgestane mannen, overkwam
het een van hen, Intaphrenes, terstond na den opstand
om de volgende euveldaad te sterven. Hij wilde in de
koninklijke burcht gaan en met den koning iets
behandelen; want de wet was dan toch
zóó, dat voor de opgestanen tegen den
Magiër toegang tot den koning was zonder
aanmelding, indien de koning niet geviel bij zijn
vrouw te liggen. Daarom dan meende Intaphrenes, dat
hij geenszins behoefde zich te laten aanmelden, doch
daar hij van de zeven was, wilde hij naar binnen gaan.
Doch de poortwachter en de boodschapbrenger duldden
dit niet, zeggende, dat de koning bij een vrouw lag.
En Intaphrenes, meenende dat zij logen, deed het
volgende: hij trok zijn zwaard en sneed hun de ooren
en de neus af, en ze aan den teugel van zijn paard
hangende, bond hij hun dien om den hals en liet hen
gaan.
119. Genen echter toonden zich den
koning en zeiden de reden, waardoor zij dat
geleden hadden. En Darius, in vrees dat de zes in
gemeen overleg zoo handelden, ontbood ieder van hen en
onderzocht hun gezindheid, of zij het gedane
goedkeurden. Toen hij bemerkt had, dat gene
niet met hen dat had gedaan, greep hij Intaphrenes
zelf en zijn zoons en al zijn aanhoorigen, in de
sterke meening dat hij met zijn verwanten een oproer
tegen hem beraamde, en hen gegrepen hebbend, wierp hij
hen in de gevangenis voor halsmisdadigers. De vrouw
echter van Intaphrenes trad voor de poort des konings
en weende en jammerde lang, en toen zij dat telkens
weder deed, bracht zij Darius tot medelijden, en een
bode zendend zeide hij het volgende: "o vrouw, koning
Darius gunt het u, een der gevangene verwanten, wien
gij ook wilt, van den dood te redden." Zij overwoog en
antwoordde dit: "indien dan de koning mij van
éénen het leven geeft, kies ik uit allen
mijn broeder." Darius vernam dit en verbaasde zich
over het woord, en zond en sprak: "o vrouw, de koning
vraagt u, door welke overweging gij uw man en uw
kinderen achterliet, doch uw broeder koost om te
blijven leven, die u toch vreemder is dan uw kinderen
en minder lief dan uw man."Zij antwoordde met het
volgende: "o koning, een anderen man kan ik wel
krijgen, zoo de godheid het wil, en andere kinderen,
indien ik dezen verlies; doch nu mijn vader en mijn
moeder niet meer leven, zal ik op geen enkele wijze
meer een broeder kunnen vinden. Om die overweging nu
heb ik dat gezegd." En aan Darius scheen de vrouw goed
gesproken te hebben, en hij zond haar hem, dien zij
gevraagd had, en nog den oudsten der zoons, uit
behagen in haar; de anderen echter doodde hij allen.
Van de zeven dan kwam één terstond op de
gezegde wijze om het leven.
120. Ongeveer ten tijde van
Cambyses´ ziekte geschiedde het volgende. Door
Cyrus was als satraap van Sardes Oroetas aangesteld,
een persisch man. Deze verlangde naar een goddelooze
daad; want terwijl hij geen beleedigend woord van
Polycrates van Samos noch ondervonden noch gehoord
had, noch hem vroeger gezien, verlangde hij hem te
grijpen en te verderven, en, zooals de meesten
verhalen, om de volgende reden. Deze Oroetas en een
andere Pers, van naam Mitrobates, satraap van het
gewest van Dascyleüm, zaten bij de poort des
konings, en van woorden vielen zij in getwist, en toen
zij kibbelden over hun dapperheid, zeide Mitrobates
bitter tot Oroetas: "zijt gij een man, gij, die voor
uw koning het eiland Samos, vlak bij uw gewest
gelegen, niet veroverd hebt, terwijl het zoo
gemakkelijk te bedwingen is, daar een der ingezetenen,
met vijftien zwaargewapenden opgestaan, het won en nu
het nog beheerscht?" Sommigen nu beweren, dat gene dit
hoorende en smart gevoelend over de beschimping,
gewenscht heeft, niet zoozeer op den spreker van die woorden
zich te wreken, als wel Polycrates op alle wijzen te
verderven, om wien hij gescholden was.
121. Anderen, weinigen, verhalen, dat
Oroetas een heraut naar Samos zond om een zaak te
verzoeken (want toch, wat dat was, wordt niet gezegd),
en Polycrates juist in het mannenvertrek neerlag en
Anacreon van Teos ook bij hem was; en hetzij hij met
opzet de macht van Oroetas gering achtte, hetzij het
door toeval zoo geschiedde: de heraut van Oroetas toch
trad tot genen en sprak, en Polycrates (want hij lag
juist naar de muur gekeerd) wendde zich niet om, noch
antwoordde iets.
122. Deze dubbele oorzaak wordt als de
oorzaak van Polycrates´ dood verhaald, en men
kan aannemen, welke van beiden men wil. Oroetas nu,
gevestigd in Magnesia, het boven de rivier de Maeander
gelegene, zond Myrsus, zoon van Gyges, een
Lydiër, naar Samos met een boodschap, daar hij de
bedoeling van Polycrates begreep. Want Polycrates is
de eerste der Hellenen, dien wij weten, dat naar de
zeeheerschappij streefde, behalve Minos van Cnossus en
indien iemand vóór dezen de zee
beheerschte; doch van het dus geheeten menschlijke
geslacht was Polycrates de eerste, en hij had veel
verwachtingen om over Ionië en de eilanden te
zullen heerschen. Oroetas nu, inziende dat gene dit in
den zin had , zond een boodschap en zeide dit:
"Oroetas zegt Polycrates het volgende. Ik verneem, dat
gij op groote ondernemingen zint, doch uw middelen
niet zoo groot zijn als uw plannen. Doe gij nu
zóó en gij zult u zelf verhoogen, en ook
mij redden. Want tegen mij zint koning Cambyses op den
dood, en daarover heb ik zeker bericht. Breng gij dan
daarom mij zelf en mijn schatten weg, en houd die zelf
voor een deel, voor een deel laat ze mij behouden: in
uw schatten zult ge over gansch Hellas heerschen.
Indien ge mij wantrouwt over mijn schatten, stuur dan
hem, die u het vertrouwdste is, en ik zal ze hem
toonen."
123. Polycrates dit vernemende
verheugde zich en wilde gaarne; en daar hij zeer sterk
naar schatten begeerde, zond hij eerst Maeandrius,
zoon van Maeandrius, een der burgers, die zijn
schrijver was, om te bezichtigen. Deze wijdde, niet
veel tijd na die dingen, al den tooi uit het
mannenvertrek van Polycrates, zéér
bezienswaard, in den tempel van Hera. Doch Oroetas
vernemende, dat de opzichter verwacht werd, deed het
volgende. Acht kisten vulde hij met steenen, behalve
zeer weinig onder de randen, en boven op de steenen
wierp hij goud, en hij bond de kisten dicht en hield
ze gereed. Maeandrius nu kwam en zag en meldde het aan
Polycrates.
124. Deze dan, hoewel de waarzeggers
het hem dringend ontrieden, dringend ook zijn
vrienden, ging op reis daarheen, terwijl bovendien
zijn dochter nog het volgende droomgezicht gezien had.
Zij meende, dat haar vader in de lucht hing, en dat
Zeus hem wiesch en de zon hem zalfde. Na dit gezicht
gezien te hebben deed zij alles, dat Polycrates niet
naar Oroetas zou reizen, en zelfs toen hij op den
vijftigriemer ging, riep zij hem woorden van slechte
verwachting na. En hij dreigde haar: als hij behouden
terugkwam, zou zij langen tijd jonkvrouw blijven. Zij
echter smeekte dat dat geschieden mocht; want liever
wilde zij langen tijd jonkvrouw blijven, dan van haar
vader beroofd te zijn.
125. En Polycrates, allen raad
minachtend, voer naar Oroetas, en hij nam vele andere
van zijn vrienden mede, en daaronder ook Democedes,
zoon van Calliphon, een Crotoniaat, een geneesheer, en
in de beoefening van zijn kunst een der besten van
zijn tijdgenooten. Doch in Magnesia gekomen ging
Polycrates smadelijk te gronde, op een wijze noch hem
zelven noch zijn plannen waardig; want behalve de
heerschers van Syracuse, is niet één der
andere helleensche alleenheerschers waardig met
Polycrates in heerlijkheid te worden vergeleken. Doch
Oroetas, hem gedood hebbend op een wijze niet waard om
vermeld te worden, kruisigde hem; maar zijn
volgelingen, zoovelen er Samiërs waren, die
zond hij weg, en ried hen hem dankbaar te wezen voor
hun vrijlating; doch allen die vreemdelingen waren en
dienaren in het gevolg, die hield hij en behandelde
hij als slaven. Doch Polycrates, opgehangen, vervulde
het gansche droomgezicht zijner dochter; want
gewasschen werd hij door Zeus, wanneer het regende, en
gezalfd werd hij door de zon, zelf uit zijn lichaam
vocht uitdampend.
126. Polycrates´ voortdurende
voorspoed nam dan zulk een einde [zooals Amasis, de
koning van Egypte hem voorzegd had], doch niet veel
tijd later achterhaalde ook Oroetas de wraak voor
Polycrates. Want na Cambyses' dood en de regeering der
Magiërs, bleef Oroetas in Sardes zonder
eenigszins hulp te brengen aan de Perzen, die door de
Meden van de heerschappij beroofd waren, doch in die
verwarring doodde hij Mitrobates, den satraap in
Dascyleüm, die hem over Polycrates beschimpt had,
en hij doodde ook Cranaspes, den zoon van
Mitrobates, mannen van aanzien onder de Perzen, en hij
bedreef allerlei andere euveldaden, en zelfs een
boodschapper van Darius, die tot hem kwam, dezen, daar
de tijding hem niet aangenaam was, dezen doodde hij op
den terugweg, door hem mannen langs den weg in
hinderlaag te leggen; en na dien moord deed hij hem
met zijn paard verdwijnen.
127. Toen nu Darius het bewind had,
verlangde hij zich te wreken op Oroetas om al zijn
misdrijven en vooral om Mitrobates en zijn zoon.
Openlijk nu een leger tegen hem te zenden, docht hem
niet goed, daar de zaken nog in beroering waren, en
hij zelf sinds kort het rijk had, en hij vernam dat
Oroetas een groote macht bezat; want duizend Perzen
waren lijfwachters van hem, en hij had het phrygische
en het lydische en het ionische gewest. Daarom dan
verzon Darius het volgende. Hij riep de aanzienlijkste
Perzen bijeen en zeide: "o Perzen, wie van u wil mij
dat op zich nemen en uitvoeren door list, en niet met
geweld en met geraas? Want waar list noodig is, is
geweld van geen nut. Wie van u dan zou mij Oroetas
òf levend hier kunnen brengen òf dooden?
Hem, die de Perzen niets hielp, doch veel kwaad
uitrichtte. Eensdeels toch heeft hij twee van u
vermoord, Mitrobates en diens zoon, anderdeels doodt
hij hen, die hem opriepen en door mij gezonden
waren, een ondraaglijken overmoed toonend.
Vóór hij dus de Perzen
méér kwaad heeft aangedaan, moet hij ons
door den dood bedwongen worden."
128. Darius nu vroeg dit, en dertig
mannen beloofden het hem, en wilden ieder zelf dat
volbrengen. En Darius weerhield hen, die twisten
gingen, en beval hen te looten. En zij lootten en van
allen kreeg Bagaeus het, zoon van Artontes. En toen
Bagaeus het verkregen had, deed hij het volgende. Hij
schreef vele brieven en over velerlei zaken en drukte
daar den stempel van Darius op, en daarna ging hij met
deze brieven naar Sardes. Daar gekomen en voor
het aangezicht van Oroetas gegeaan, nam hij de brieven
één voor één uit het
omhulsel en gaf ze aan den koninklijken schrijver om
te lezen; alle satrapen hebben koninklijke schrijvers.
Bagaeus gaf de brieven om de lansdragers te
onderzoeken, of zij geneigd zouden zijn van Oroetas af
te vallen. En ziende, dat zij de brieven grootelijks
eerden en het in de brieven gezegde nog meer, gaf hij
hem een anderen, waarin de volgende woorden
waren: "O Perzen, koning Darius verbiedt u lansdragers
van Oroetas te zijn." En zij, toen zij dat hoorden,
strekten hun lansen voor hem. Bagaeus ziende, dat zij
daarin den brief gehoorzaamden, toen vatte hij moed en
gaf den schrijver den laatsten brief, waarin
geschreven was: "Koning Darius beveelt de Perzen in
Sardes, Oroetas te dooden." Toen de lansdragers dat
hoorden, trokken zij hun zwaarden en doodden genen
terstond. Zoo dan achterhaalde Oroetas den Pers de
wraak voor Polycrates den Samiër.
129. Toen de slaven en de
schatten van Oroetas naar Susa gebracht waren,
geschiedde het niet veel tijd later, dat koning Darius
op de wilde-dieren-jacht van zijn paard sprong, en den
voet verzwikte. En zeker was de verzwikking wel zeer
erg, want de enkelknokkel was uit het lid gegaan. Daar
hij nu ook vroeger Egyptenaars bij zich placht te
hebben, die voor de eersten in de geneeskunde golden,
gebruikte hij dezen. Doch zij draaiden den voet met
geweld in het lid en maakten de kwaal erger.
Gedurende wel zeven dagen en zeven nachten kon Darius
niet slapen door de kwaal aan zijn liichaam, doch op
den achtsten dag, daar hij zeer zwak was, sprak iemand
Darius van de kunst van Democedes den Crotoniaat,
waarvan hij vroeger nog te Sardes had gehoord; en Darius
beval genen terstond tot hem te brengen. Toen zij hem
gevonden hadden onder de slaven van Oroetas, geheel en
al verwaarloosd, brachten zij hem voor den koning,
zijn ketens slepend en in lompen gehuld.
130. En als hij voor Darius stond,
vroeg deze hem of hij de kunst verstond; gene echter
loochende dat, vreezende dat hij door zichzelf te
openbaren, Hellas geheel verliezen zou. Doch aan
Darius kwam hij voor te veinzen, hoewel hij de
kunst verstond, en hij beval aan die hem
gebracht hadden, zweepen en prikkels daar heen te
brengen. Toen dan maakte hij zich bekend en zeide, dat
hij de kunst niet volkomen verstond, doch door omgang
met een geneesheer er een weinig van kende. Daarna,
toen Darius hem de zaak toevertrouwde,
paste Democedes helleensche middelen toe, en
bracht een zachte behandeling na de ruwe aan en deed
genen den slaap vinden en maakte hem in korten tijd
geheel gezond, terwijl Darius geenszins
verwacht had ooit weder recht van voet te zullen zijn.
Darius begiftigde hem daarna met twee paar gouden
ketenen; doch gene vroeg hem, of hij hem opzettelijk
een dubbelen ramp gaf, daar hij hem gezond had
gemaakt. En Darius, uit behagen in dat woord, zond hem
tot zijn eigen vrouwen; en de gesnedenen leidden hem
rond en zeiden tot de vrouwen, dat deze het was, die
den koning het leven had wedergegeven. En een ieder
van haar met een schaal in de kist van het goud
scheppende, begiftigde Democedes met een zoo
overvloedige gift, dat de slaaf achter hem, wiens naam
Sciton was, de uit de schalen gevallenen staters
bijeenraapte en een niet geringe som goud te samen
bracht.
131. Deze Democedes was op de volgende
wijze uit Croton gegaan en in het gezelschap van
Polycrates gekomen. Hij leefde in Croton met zijn
vader, een man lastig van toorn; toen hij
dezen niet verduren kon, ging hij weg naar Aegina. En
daar zich gevestigd hebbend, overtrof hij in het
eerste jaar reeds de andere geneesheeren,
hoewel hij geen inrichting had en geen der werktuigen,
zoovele tot de kunst behooren. En in het tweede jaar
huurden hem de Aegineten van staatswege voor een
talent, in het derde de Atheners voor honderd minen,
in het vierde Polycrates voor twee talenten. Zoo kwam
hij dan te Samos, en niet het minst door dezen man
kwamen de crotoniatische artsen tot roem; want dat
geschiedde toen de Crotoniaten de eerste artsen in
Hellas heetten, en de Cyrenaeërs de tweeden. In
den zelfden tijd waren de Argiven vermaard als de
eersten der Hellenen in de toonkunst.
132. Toen dan had Democedes in Susa
Darius genezen en bezat een zeer groot huis en was
tafelgenoot des konings geworden, en behalve het
ééne, weder naar Hellas te gaan, ontbrak
hem niets. En zoowel dan redde hij de Egyptische
artsen, die den koning eerst behandeld hadden, en
gespietst zouden worden, daar zij door den
helleenschen arts overwonnen waren, dezen redde hij,
daar hij den koning het vroeg, als ook redde hij den
ziener uit Elis, die Polycrates gevolgd was en onder
de slaven verwaarloosd daar was. En Democedes was een
zeer groot ding bij den koning.
133. Niet veel tijd daarna geviel dit
andere te geschieden. Atossa, de dochter van Cyrus en
de vrouw van Darius, kreeg een gezwel aan de borst, en
dit, later opengebroken, vrat verder om zich. Zoolang
dit gezwel nu klein was, verborg zij het uit
schaamte en zeide zij het aan niemand; doch toen het
erg werd, ontbood zij Democedes en toonde het hem. En
hij beloofde haar gezond te maken en dwong haar den
eed af, dat zij voorwaar hem de vergelding schenken
zou, die hij haar mocht vragen; en niets zou hij
vragen van zooveel tot schande strekt.
134. Toen hij haar daarna behandeld
had en gezond gemaakt, toen dan, onderricht door
Democedes, sprak Atossa in bed tot Darius de volgende
rede: "o koning, gij hebt zoo groot een macht en zit
neder, noch eenig volk, noch eenige macht voor de
Perzen er bij winnende. Doch het betaamt, dat een die
een man is en jong en meester van groote schatten, een
schitterende daad verricht, opdat ook de Perzen
leeren, dat een man hen beheerscht. Een dubbel
voordeel dus is het u dat te doen, èn wijl de
Perzen zullen inzien dat hun eerste een man is,
èn dat zij in den oorlog zullen verkeeren, en
niet, rust houdende, u lagen zullen leggen. Want nu
nog zoudt ge een daad kunnen verrichten, zoo lang gij
jong zijt; want met den groei van het lichaam groeit
ook de moed, en oud wordt deze als gene oud wordt en
verstompt voor alle ondernemingen." Zij nu sprak dit,
wat haar geleerd was, en gene antwoordde het volgende:
"o vrouw, alles zooveel ik zelf ook van zins ben te
doen hebt gij gezegd; want ik heb het voornemen een
brug te leggen van dit vaste land naar het andere en
tegen de Scythen op te trekken; en in weinig tijd zal
dit volbracht worden." Atossa zeide het volgende:
"doch zie toe en laat af het eerst tegen de Scythen op
te trekken, want dezen zullen van u zijn, wanneer ge
wilt; doch trek om mij tegen de Hellenen op. Want naar
wat ik met woorden daarvan vernomen heb, wilde ik
gaarne Laconische dienaressen hebben en Argivische en
Attische en Corinthische. En gij hebt een man, die van
alle mannen het meest geschikt is, om u alles van
Hellas te toonen en gids te zijn, hij, die uw voet
behandeld heeft." En Darius antwoordde: "o vrouw, daar
ge wilt dat wij onze eerste poging met Hellas zullen
maken, dunkt het mij beter te zijn, eerst Perzische
verspieders met hem, dien gij genoemd hebt, tot genen
te zenden, dat zij mogen nagaan en zien en alles over
hen aan ons berichten; en dan, als ik alles nauwkeurig
weet, zal ik mij tot hen keeren."
135. Dit zeide hij en met het woord
deed hij ook de daad. Want zoodra de dag gekomen was,
riep hij vijftien aanzienlijke Perzen en beval hen
Democedes te volgen en de kustlanden van Hellas te
bezoeken, en dat Democedes hun niet ontloopen zoude,
doch in allen geval moesten zij hem weer terugbrengen.
En toen hij genen dat opgedragen had, liet hij
vervolgens Democedes zelven roepen en vroeg hem, dat
hij de Perzen door gansch Hellas zou leiden en het hun
toonen, en weder terugkomen; hij beval hem ook als
geschenken voor zijn vader en zijn broeders al zijn
vervoerbare have mede te nemen, beloovende andere
dingen, veel meer, hem daarvoor te zullen geven; en
bovendien, zeide hij, een vrachtschip, met alle goede
zaken gevuld, tot de geschenken bij te zullen dragen,
dat met hem varen zou. Darius nu, naar mij schijnt,
deed dit aanbod geenszins uit arglistige bedoeling.
Doch Democedes, uit vrees dat Darius hem op de proef
stelde, nam geenszins gretig al het gegevene aan. doch
een deel van het zijne zou hij in het land teruglaten,
zeide hij, opdat hij het had bij zijn terugkomst, doch
het vrachtschip, dat Darius wilde voegen bij de gift
aan zijn broeders, zei hij aan te nemen. En toen
Darius nu ook aan dezen dat opgedragen had, zond hij
hem naar de zee.
136. Zij nu gingen naar Phenicië
en de phenicische stad Sidon en bemanden daar terstond
twee triremen, en met dezen vulden zij ook
een groot vrachtschip met allerlei geschenken; en
alles verzorgd hebbend zeilden zij naar Hellas; zij
hielden zich aan de kuststreken en bezagen en schreven
op, totdat zij, na het meeste en meest vermaarde er
van gezien te hebben, ook te Italië in Tarentum
kwamen. Hier liet Aristophilidas, de koning der
Tarentijnen, uit welwillendheid voor Democedes,
vooreerst de stuurriemen van de Medische schepen
wegnemen, en dan ook nam hij de Perzen gevangen onder
voorwendsel, dat zij spionnen waren. Terwijl zij dat
ondergingen, ging Democedes naar Croton en toen hij
reeds in zijn huis gekomen was, liet Aristophilidas de
Perzen los, en gaf hun weder, wat hij van de schepen
had weggenomen.
137. De Perzen van daar weggezeild,
jaagden Democedes na en kwamen in Croton, en zij
vonden hem op de markt en grepen hem aan. En van de
Crotoniaten vreesden sommigen de perzische macht en
wilden hem gaarne uitleveren, anderen echter grepen de
Perzen aan en met hun staven sloegen zij hen, die deze
woorden gaven: "mannen Crotoniaten, ziet wat gij doet.
Gij ontrukt ons een man, een van den koning
weggeloopenen. Hoe zal het koning Darius bevallen
zóó beleedigd te worden? Hoe zal u uw
daad bekomen, indien ge hem ons ontrukt? Tegen welke
stad zullen wij eerder dan tegen deze optrekken? Welke
zullen wij eerder trachten slaaf te maken?" Zoo
sprekende overreedden zij de Crotoniaten niet, doch
nadat Democedes hun ontrukt was en het vrachtschip,
dat zij mede hadden gevoerd, ontnomen, voeren zij
terug naar Azië, en beroofd van hun gids, zochten
zij niet verder in Hellas te komen en te leeren. Zoo
veel had Democedes hun nog bij hun vertrek opgedragen:
hij beval hen aan Darius te zeggen, dat Democedes met
de dochter van Milo verloofd was om haar te huwen.
Want de naam van Milo, den worstelaar, was groot bij
den koning. En mij schijnt Democedes, veel geld
betaald en dat huwelijk daarom verhaast te hebben,
opdat hij in Darius' oogen als een ook in zijn eigen
land gezien man zou schijnen.
138. De Perzen uit Croton weggevaren
geraakten met hun schepen in Iapygië, en daar in
slavernij gekomen, werden zij door Gillus, een
tarentijnschen balling bevrijd, en naar koning Darius
gebracht. Deze was bereid ter vergelding daarvoor
genen te geven, wat hij zelf wilde. Gillus koos, dat
hij weder in Tarentum zou komen, en verhaalde geheel
zijn ongeluk; en opdat hij Hellas niet in verwarring
mocht brengen, indien om hem een groote tocht tegen
Italië voer, zeide hij dat de Cnidiërs
genoeg waren om hem terug te brengen, meenende, dat
deze, vrienden van de Tarentijnen, het best zijn
terugkomst zouden bewerken. Darius beloofde dat
en volbracht het; want hij zond een bode naar
Cnidus en beval hen Gillus naar Tarentum terug te
voeren. En de Cnidiërs, Darius gehoorzamend,
overreedden de Tarentijnen echter niet, en waren
buiten macht geweld te gebruiken. Deze dingen dan
geschiedden zoo. Deze nu waren de eerste Perzen, die
van Azië in Hellas kwamen, en om zulk een zaak
waren zij verspieders geweest.
139. Daarop veroverde koning Darius
Samos, de eerste van alle steden, helleensche en
barbaarsche, en om de volgende reden. Toen Cambyses,
zoon van Cyrus, naar Egypte trok, waren vele andere
Hellenen in Egypte gekomen, - sommigen, zooals
begrijpelijk is, om huursoldaat te worden, sommige
anderen ook om het land te zien, - en van deze was
Syloson, Aeaces' zoon er een, de broeder van
Polycrates en balling uit Samos. Dezen Syloson
overkwam het volgende gelukkige toeval. Hij had een
rooden mantel genomen en dien omgeworpen en liep zoo
op de markt in Memphis. Hem zag Darius, die
speerdrager was van Cambyses en nog geenszins van
groot aanzien, en hij begeerde den mantel, en liep toe
en wilde hem koopen. Doch Syloson, ziende dat Darius
den mantel hevig begeerde, zeide door goddelijke
ingeving: "ik verkoop hem voor geen geld, doch geef
hem om niet, indien hij zoo bepaald de uwe moet
worden." En Darius prees dat en ontving het gewaad.
140. Syloson nu geloofde, dat hij het
door zijn onnoozelheid verloren had. Doch toen na
verloop van tijd Cambyses stierf, en de zeven tegen
den Magiër opstonden en uit de zeven Darius de
heerschappij kreeg, vernam Syloson, dat de
heerschappij overgegaan was op dien zelfden man, wien
hij zelf eens in Egypte op zijn verzoek het gewaad
gegeven had. En naar Susa gereisd zette hij zich in
den voorhof van het paleis des konings en beweerde
Darius' weldoener te zijn. De poortwachter hoorde dit
en meldde het den koning, en deze verbaasde zich en
sprak tot hem: "en wie der Hellenen is de weldoener,
wien ik dank schuldig ben, ik, die kort eerst het
bestuur heb? Zoo goed als niemand toch van hen is nog
tot ons gekomen, en ik heb om zoo te zeggen geen
enkele schuld aan een helleensch man. Maar toch,
brengt hem binnen, dat ik wete, wat hij bedoelt, zoo
sprekende." De deurwachter bracht Syloson binnen, en
daar hij voor den koning stond, vroegen hem de tolken,
wie hij was en om welke daad hij des konings weldoener
beweerde te zijn. Syloson dan verhaalde alles wat met
den mantel was geschied, en dat hij zelf die gever
was. Daarop antwoordde Darius: "o edelste aller
mannen, gij zijt het die mij, bezitter nog van geen
macht, beschonken hebt, indien ook met iets gerings;
maar toch zal mijn dankbaarheid niet geringer wezen,
dan als ik thans van iemand iets groots ontving; en
daarvoor geef ik u onmeetlijk veel goud en zilver,
opdat het u nimmer berouwe, Darius, den zoon van
Hystaspes, wel gedaan te hebben." Syloson zegt daarop:
"geef mij noch goud, o koning, noch zilver, doch red
mijn vaderland Samos voor mij terug, en geef het mij,
dat thans, nu mijn broeder Polycrates door Oroetas
gedood is, in de macht is van onzen slaaf: geef mij
dat, zonder moorden en slaven maken."
141. Darius dit hoorende zond een
leger en als aanvoerder Otanes, een van de zeven
mannen, en beval hem, wat Syloson verzocht, dat voor
hem te volbrengen. En Otanes ging naar zee en bracht
den tocht in gereedheid.
142. De macht over Samos had
Maeandrius, de zoon van Maeandrius, die van Polycrates
de heerschappij ter bewaking ontvangen had; en dezen,
die de rechtvaardigste der mannen wilde zijn, viel dat
niet ten deel. Want toen hem de dood van Polycrates
was gemeld, deed hij het volgende. Eerst richtte hij
een altaar op voor Zeus, den Bevrijder, en hij perkte
daaromheen het heiligdom af, dat ook nu nog in de
voorstad is; daarna, toen dit gereed was, riep hij een
vergadering bijeen van alle burgers en zeide het
volgende: "mij, zooals ook gij weet, zijn de scepter
en de gansche macht van Polycrates toevertrouwd, en
van mij nu is het om over u te heerschen. Doch wat ik
in mijn naasten berisp, zal ik niet zelf doen als ik het
laten kan. Want mij beviel Polycrates niet, heer
zijnde over mannen hem zelven gelijk, noch een ander
die zulke dingen doet. Polycrates nu heeft zijn
noodlot vervuld, doch ik leg de heerschappij in uw
midden neder en verkondig u gelijkheid voor allen.
Zooveel echter meen ik als geschenk voor mij naar
recht te verlangen, dat zes talenten, uit Polycrates'
schat genomen, mij geworden, en daarbij kies ik voor
mij zelven en mijn nakomelingen voor allen tijd het
priesterschap van Zeus den Bevrijder: want voor hem
heb ik zelf een tempel gebouwd en daarom dan ook
geef ik u de vrijheid." Hij nu verkondigde dit den
Samiërs, doch een van dezen stond op en zeide:
"doch gij zijt niet waardig over ons te heerschen, gij
die laaggeboren zijt en van geen nut; doch veeleer
zorg, dat ge rekenschap geeft van de gelden, die gij
bestuurd hebt."
143. Dit zeide hij, en hij was een
aanzienlijk man onder de burgers, van naam
Telesarchus. Doch Maeandrius, overwegende, dat als hij
de heerschappij varen liet, een ander in plaats van
hem zichzelf alleenheerscher zou maken, besloot haar
geenszins te laten varen, maar toen hij naar den
burcht was teruggekeerd, ontbood hij ieder
afzonderlijk, alsof hij voornemens was rekenschap af
te leggen van het geld, en greep hen en sloeg hen in
boeien. Zij nu waren in boeien, doch Maeandrius
overviel daarna een ziekte. En zijn broeder, wiens
naam Lycaretes was, in de verwachting dat gene sterven
zou, en opdat hijzelf dan gemaklijker de zaken in
Samos zou bedwingen, doodde alle gevangenen; want,
naar het schijnt, wilden de Samiërs niet
vrij zijn.
144. Toen zij in Samos aankwamen, de
Perzen die Syloson terugbrachten, verhief niemand een
hand tegen hen, en de aanhangers van Maeandrius en
Maeandrius zelf beweerden bereid te zijn een verdrag
te sluiten en uit het eiland te wijken. Toen Otanes
daaraan zijn goedkeuring had gegeven en het verdrag
gesloten, lieten de aanzienlijkste Perzen zetels
plaatsen tegenover den burcht en zetten zich daarop.
145. Maeandrius nu, de
alleenheerscher, had een half waanzinnigen broeder,
wiens naam Charilaüs was; deze had iets misdaan,
en was in de onderaardsche gevangenis opgesloten, en
toen hij dan het verhandelde vernam en door de
gevangenis naar buiten keek, en hij de Perzen
vreedzaam zag zitten, riep hij luid, bewerende, dat
hij Maeandrius wilde spreken. En Maeandrius dit
hoorende, beval genen los te maken en tot hem te
brengen. Zoodra hij gebracht was, beschimpte en schold
hij hem, en spoorde hem aan de Perzen aan te vallen,
het volgende zeggende: "mij, o slechtste der mannen,
mij, die uw broeder is en niets den kerker waardigs
misdreven heeft, hebt ge geboeid en in een
onderaardsch gat geworpen; doch de Perzen ziet ge
uzelf verjagen en huisloos maken, en ge durft u niet
te wreken, terwijl zij toch zoo licht te bedwingen
zijn? Doch zoo ge hen vreest, geef mij de huurlingen,
en ik zal hen straffen voor hun komst hierheen, en u
zelf ben ik bereid uit het eiland te geleiden."
146. Zoo sprak Charilaüs. En
Maeandrius nam den voorslag aan, niet naar ik geloof,
wijl hij to zulk een onverstand was gekomen, van te
meenen, dat zijn eigen macht die des konings zou
kunnen overwinnen, doch eer uit afgunst op Syloson,
dat deze zonder moeite de stad ongedeerd ontvangen
zou. Hij wilde daarom de Perzen vertoornen en de
samische zaken zoo zwak mogelijk maken en
zóó ze overgeven, wel wetend, dat de
Perzen, indien hun kwaad werd gedaan, verbitterd
zouden zijn op de Samiërs, en hij wist ook, dat
voor hem zelf een veilige uittocht uit het eiland was,
wanneer hij wilde, want er was een verborgen gang
gemaakt van den burcht naar de zee loopend. Maeandrius
zelf dan voer weg uit Samos, en Charilaüs wapende
alle huurlingen, en de poort openwerpend, stortte hij
hen op de Perzen, die niets van dien aard verwachtten,
meenende dat alles overeengekomen was. Doch de
huurlingen vielen aan en doodden de zeteldragende en
meest aanzienlijke Perzen. En dezen nu deden
zóó, doch het overige perzische leger
schoot te hulp; en de huurlingen geraakten in gevaar
en werden weder opgesloten in den burcht.
147. Otanes de veldheer, ziende welk
groot kwaad den Perzen was aangedaan, vergat
de bevelen, die Darius hem bij zijn vertrek had
opgedragen, om geen der Samiërs te dooden noch
slaaf te maken, doch het eiland ongedeerd aan Syloson
over te geven, - deze bevelen vergat hij opzettelijk,
en beval aan het leger ieder, dien zij grijpen konden,
èn man èn knaap gelijkelijk te dooden.
Toen belegerde een deel van het leger den burcht, en
de anderen doodden ieder dien zij vonden zonder
onderscheid, zoowel in den tempel als buiten den
tempel.
148.
Maeandrius echter, uit Samos ontloopen, voer naar
Lacedaemon; en daar gekomen bracht hij alles naar
Sparta over, waarmede hij uitgeweken was, en deed
het volgende. Telkens wanneer hij zijn zilveren en
gouden bekers voor den dag had gehaald, liet hij zijn
dienaren die reinigen, en hij zelf was gedurende dien
tijd in gesprek met Cleomenes, den koning van Sparta, en
leidde hem naar zijn huis. Wanneer nu Cleomenes de
bekers zag, bewonderde hij ze en was verbaasd, en gene
beval hem zoo veel er van weg te dragen, als hij wilde.
En hoewel Maeandrius dit tweemaal en driemaal zeide,
toonde Cleomenes zich als den rechtschapenste der
mannen, daar hij het voor onrecht hield het aangebodene
aan te nemen; en bemerkende, dat gene door aan andere
burgers aanbiedingen te doen hulp tegen de Perzen
zou vinden, ging hij tot de ephoren en zeide, dat het
beter was voor Sparta, zoo de samische vreemdeling uit
den Peloponnesus vertrok, opdat hij niet of hemzelf of
een ander der Spartanen overreden zou slecht te worden.
En zij luisterden naar hem en zeiden Maeandrius aan te
vertrekken.
149. De
Perzen echter hadden Samos als met een net leeggesleept
en gaven het aan Syloson leeg van menschen; in later
tijd evenwel trachtte de veldheer het zelf mede te
bevolken, om een droomgezicht en om een ziekte, die hem
aan de schaamdeelen was overkomen.
150. Toen de
zeemacht naar Samos trok, waren de Babyloniërs
opgestaan, en hadden zich zeer goed toegerust. Want in
den tijd, dat de Magiërs heerschten en de zeven
opstonden, in al dien tijd en die verwarring rustten zij
zich toe voor het beleg, en op de een of andere wijze
waren zij daarin onopgemerkt gebleven. Doch toen zij
openlijk afvielen, deden zij het volgende. De moeders
zonderden zij uit, en ieder koos uit zijn eigen huis
één vrouw, die hij wilde: de overigen
echter brachten zij allen bijeen en verstikten ze; die
eene was door een ieder uitgekozen om zijn eten te
bereiden; de anderen verstikten zij, opdat die niet hun
levensmiddelen zouden opmaken.
151. Darius
vernam dit en verzamelde zijn gansche macht en trok
tegen hen op; en hij rukte naar Babylon en belegerde
hen, die zich niets om het beleg bekommerden. Want de
Babyloniërs klommen op de borstweringen van de
muur, en dansten en bespotten Darius en zijn leger, en
een van hen zeide het volgende woord: "wat zit gij daar,
o Perzen, en gaat niet weg? Want dàn zult ge ons
veroveren, als de muilezels werpen." Dit zeide een der
Babyloniërs, geenszins verwachtend, dat ooit een
muilezel baren zou.
152. Toen nu
zeven maanden en een jaar reeds waren voorbijgegaan,
werd Darius toornig en gansch zijn leger, daar het niet
bij machte was de Babyloniërs te nemen. En toch had
Darius alle listen en alle middelen tegen hen aangewend,
doch ook zóó kon hij de stad niet
nemen, hoewel hij andere listen beproefde, en zelfs ook
die, waardoor Cyrus haar veroverd had, ook die beproefde
hij. Doch de Babyloniërs waren vreeselijk op hun
hoede, en hij was niet bij machte hen te veroveren.
153. Toen,
in de twintigste maand, overkwam aan Zopyrus, zoon van
Megabyzus, van een der zeven mannen die den Magiër
hadden omvergeworpen, aan dezen Zopyrus, den zoon van
Megabyzus, overkwam het volgende wonder: een van zijn
voedseldragende muilezels wierp. Toen hem dit gemeld
werd, en Zopyrus uit wantrouwen zelf het jong had
gezien, verbood hij hun, die het gezien hadden, aan
iemand het gebeurde te vertellen, en hij overlegde. En
het scheen hem, dat volgens het woord van den
Babyloniër, die in den aanvang gezegd had:
dàn zou de vesting genomen worden, indien ooit de
muilezels wierpen, - volgens deze uiting scheen aan
Zopyrus Babylon neembaar te wezen. Want onder
goddelijken invloed had gene gesproken, en bij
hèm had de muilezel geworpen.
154. Toen
hem nu de inneming van Babylon beschoren leek te zijn,
ging hij tot Darius en vroeg dezen of hem er
zeer veel aan gelegen was Babylon te nemen. En
vernemende, dat gene het zeer verlangde, overwoog hij
vervolgens, hoe hij zelf de veroveraar en de daad van
hem zou zijn; want zeer worden bij de Perzen de groote
verdiensten met verhooging van aanzien geëerd. En
hij besloot, dat hij door geen andere daad in staat zou
wezen de stad te bemachtigen, dan door zichzelf
te verminken en tot genen over te loopen. Daarop telde
hij dit niet en verminkte zichzelf met een onheelbare
verminking. Want hij sneed zich de neus af en de ooren
en hij schoor zich het haar rondom weg op smadelijke
wijze en geeselde zich en ging tot Darius.
155. Doch
Darius was zeer ontsteld, toen hij een hoog aanzienlijk
man verminkt zag. En hij sprong van den zetel en riep
luid en vroeg hem, wie hem verminkt had en om welke
daad. Gene zeide: "niet leeft de man, buiten u, wien een
zoo groote macht is, dat hij mij zóó zou
behandelen; en geen vreemde dan ook heeft dat gedaan, o
koning, doch ik zelf mij zelven, mij bedroevend, dat de
Assyriërs de Perzen bespotten." De andere
anywoordde: "o overmoedigste der mannen, aan de
schandelijkste daad geeft gij den schoonsten naam,
bewerende dat gij om de belegerden uzelf onheelbaar
verminkt hebt. Hoe, o dwaas, zullen zich de vijanden om
uw verminking spoediger overgeven? Hoe hebt ge niet in
verdwazing van zinnen u zelven zoo bedorven?" Gene
zeide: "indien ik u had toevertrouwd, wat ik zou doen,
ge zoudt het mij niet veroorloofd hebben; daarom heb ik
uit eigen besluit zoo gedaan. Want nu, indien er bij u
niets ontbreekt, zullen wij Babylon nemen. Want ik,
zooals ik ben, zal ik naar de muur overloopen en tot hen
zeggen, dat ik van u dit ondervonden heb. En ik meen,
indien ik hen overtuig dat het zoo is, de leiding
van een leger te zullen krijgen. Doch gij, na den
dag, dat ik in de stad gekomen ben, den tienden dag
daarna, plaats duizend mannen van dat deel uws
legers, welks verlies u onverschillig is, plaats dezen
bij de dusgeheeten poort van Semiramis; daarna, op den
zevenden dag na dien tienden, breng tweeduizend anderen
bij de dusgeheten Ninische poorten; laat na dien
zevenden twintig dagen vrij, en breng en plaats dan bij
de dusgeheeten Chaldeeuwse poort, anderen, vierduizend
in getal. En laten noch de eersten noch de lateren
andere verweermiddelen hebben dan dolken; die kunt ge
hun laten. Na den twintigsten dag, laat terstond het
overige leger zich rondom op de stad werpen, doch de
Perzen, plaats die mij bij de dus geheeten Belische en
Cissische poorten. Want naar ik meen, als ik groote
daden gedaan heb, zullen de Babyloniërs mij de
andere zaken toevertrouwen en zelfs ook de sleutels der
poorten. Dan echter, zal het mij en den Perzen ter harte
gaan, wat wij doen moeten."
156. Dit
droeg hij op en ging naar de poort, zich omwendend, als
ware hij in werkelijkheid overlooper. En van de torens
zagen zij hem, die daarvoor daar geplaatst waren, en zij
liepen naar beneden, en den eenen poortvleugel een
weinig openzettend, vroegen zij wie hij was, en waarvoor
hij kwam. Hij zeide hun, dat hij Zopyrus was en tot hen
overliep. De poortwachters, toen zij dat hoorden,
brachten hem naar den raad der Babyloniërs. En toen
hij daar stond, jammerde hij, zeggende door Darius
geleden te hebben wat hij door zichzelf geleden had, en
hij had dat geleden, wijl hij genen geraden had zijn
leger terug te trekken, daar er geen middel was de
stad te nemen. "En nu, ging hij voort, kom ik voor
u, o Babyloniërs, als een zeer groot goed, doch
voor Darius en zijn leger en de Perzen een groot kwaad;
want niet voor niet zal hij mij zoo verminkt hebben; en
ik ken alle slingerwegen van zijn plannen."
157. Zooveel
zeide hij. En de Babyloniërs een bij de Perzen hoog
aanzienlijk man beroofd ziende van neus en ooren,
bevlekt met geeselslagen en bloed, geloofden geheel dat
hij de waarheid sprak, en als helper tot hen kwam; en
zij waren bereid hem toe te vertrouwen, wat hij vroeg,
en hij vroeg een leger. Toen hij dit van hen gekregen
had, deed hij wat hij met Darius had afgesproken. Want
op den tienden dag voerde hij het leger der
Babyloniërs naar buiten en sloot de duizend in, die
hij aan Darius had opgedragen het eerst daar te
plaatsen, en doodde dezen. En de Babyloniërs
ziende, dat hij daden schonk aan zijn woorden gelijk,
waren zeer verheugd en bereid hem in alles te volgen.
Hij echter liet de afgesproken dagen vrij, en wederom
voerde hij gekozenen der Babyloniërs naar buiten en
doodde de tweeduizend van Darius' soldaten. En toen de
Babyloniërs ook deze daad vernamen, hadden allen
Zopyrus in den mind en prezen hem. En wederom liet hij
de afgesproken dagen vrij en voerde genen uit
naar de vooruit bepaalde plaats, en hij omsloot
en doodde de vierduizend. Toen voorwaar was Zopyrus
alles bij de Babyloniërs en hij werd door hen tot
legerhoofd en muurbewaker aangesteld.
158. Doch
toen Darius volgens de afspraak den aanval deed rondom
de muur, toen dan openbaarde Zopyrus den geheelen
aanslag. Want de Babyloniërs, op de muur geklommen,
weerden den aanval van Darius' leger af, doch Zopyrus
wierp de dusgeheeten Cissische en Belische poorten open
en liet de Perzen in de stad. Die van de
Babyloniërs, die het gebeurde zagen, dezen
vluchtten naar den tempel van Zeus Belus; die het niet
zagen, bleven ieder op hun plaats, totdat ook zij
bemerkten verraden te zijn.
159. Babylon
werd dan zoo ten tweeden male veroverd. En toen Darius
de Babyloniërs bedwongen had, liet hij zoowel de
muur omverhalen en alle poorten afbreken - want toen
Cyrus Babylon vroeger nam, had hij geen van beide
gedaan, - als ook liet Darius ongeveer drieduizend van
de aanzienlijkste mannen spietsen; en aan de overige
Babyloniërs gaf hij de stad weder om ze te bewonen.
Opdat de Babyloniërs vrouwen zouden hebben, en
nakomelingen krijgen, daarvoor zorgde Darius met de
volgende daad; want hun eigene, zooals in den aanvang is
aangegeven, hadden de Babyloniërs verstikt uit zorg
voor hun levensmiddelen. Hij beval aan de omwonende
volkeren vrouwen naar Babylon te zenden, aan een ieder
opdragende hoeveel, zoodat het gansche aantal van vijf
tienduizenden vrouwen bijeenkwam; van die vrouwen
stammen de huidige Babyloniërs af.
160. Niemand
der Perzen, naar Darius' meening, heeft Zopyrus in een
groote daad overtroffen, noch van de lateren, noch van
de vroegeren, behalve Cyrus alleen: want met dezen
waagde geen der Perzen ooit zichzelven te vergelijken.
En dikwijls heeft Darius, naar men zegt, deze meening
uitgesproken, dat hij liever Zopyrus geheeld van zijn
verminking wilde hebben, dan dat twintig Babylons bij
het eene hem gewerden. Hij eerde hem grootelijks, en
ieder jaar gaf hij hem geschenken, die bij de Perzen het
meest geëerd zijn, en hij gaf hem Babylon zonder
schatting te besturen tot aan zijn dood. Van dezen
Zopyrus stamt Megabyzus, die in Egypte tegen de Atheners
en hun bondgenooten streed; en van dien Megabyzus stamt
Zopyrus, die uit Perzië naar Athene overliep.
|