|

thalia - derde boek
1 - 80
1. Tegen dezen Amasis dan trok
Cambyses, zoon van Cyrus, op, ook de anderen, over
welke hij heerschte met zich voerende, en van de
Hellenen de Ioniërs en de Aeoliërs, om de
volgende reden: Cambyses had een heraut naar Egypte
gestuurd en Amasis zijn dochter gevraagd; hij vroeg
deze op aanraden van een Egyptisch man, die dat uit
wrok tegen Amasis zoo deed, daar deze hèm
juist onder alle artsen in Egypte van zijn vrouw en
kinderen losgescheurd en ten geschenke naar de
Perzen had gezonden, toen Cyrus tot Amasis had
gezonden en hem een arts voor de oogen had gevraagd,
die de beste was in Egypte. Uit wrok daarover dan
drong de Egyptenaar aan met zijn raad, Cambyses
aanzettende Amasis zijn dochter te vragen, opdat hij
òf haar geven zou en smart hebben, òf
haar niet geven zou en aan Cambyses gehaat worden.
En Amasis, bezorgd en in vrees voor de macht der
Perzen wist niet of hij geven zou of weigeren: want
wel wist hij, dat Cambyses haar niet als vrouw zou
houden, doch als bijzit. Na overleg over die dingen
dan deed hij het volgende: er was van Apriës,
den vorigen koning, een dochter, zeer groot van
gestalte en schoon, de eenige overgeblevene van zijn
geslacht, en haar naam was Nitetis. Dit meisje dan
tooide Amasis met gewaad en goud en zond haar naar
de Perzen, als zijn eigen dochter. Na eenigen tijd,
toen Cambyses haar begroette, haar toesprekend naar
haar afkomst, zeide het meisje tot hem: "o koning,
ziet ge niet in, dat ge bedrogen zijt door Amasis,
die mij met tooi sierde en wegzond, alsof hij zijn
eigene gaf, mij, die in waarheid de dochter was van
Apriës, welken gene, zijn eigenen heer, doodde,
in opstand met de Egyptenaars." Dit woord dan en die
reden dreven Cambyses, Cyrus´ zoon, in grooten
toorn naar Egypte. Zóó nu zeggen de
Perzen.
2. De Egyptenaars echter eigenen
zich Cambyses toe, bewerend, dat hij uit diezelfde
dochter van Apriës zou geboren zijn; want dat
Cyrus het was, die tot Amasis zond om zijn dochter
en niet Cambyses. Doch dat zeggende, zeggen zij niet
goed. Want niet voorwaar is het hun verborgen (want
indien ook anderen, kennen ook de Egyptenaars de
perzische zeden goed), dat, vooreerst, de zede bij
de Perzen geen bastaard koning laat zijn, als
er een echte zoon is, en ten tweede, dat Cambyses de
zoon was van Cassandane, dochter van Pharnaspes, uit
het huis der Achaemeniden, maar niet van de
egyptische. Doch zij verdraaien de zaak, daar zij
voorgeven aan het geslacht van Cyrus verwant te
zijn. En dit nu is zoo.
3. En ook dit verhaal wordt verhaald
(mij geenszins geloofelijk), dat een perzische vrouw
de vrouwen van Cyrus bezocht, en toen zij schoone en
groote kinderen bij Cassandane staan zag, was zij in
bewondering en gaf veel lof; doch Cassandane, die de
gemalin was van Cyrus, zeide het volgende: "mij, de
moeder van zulke kinderen, houdt Cyrus in
minachting, doch die hij uit Egypte er bij gekregen
heeft, die eert hij." Dat zeide zij, in wrok tegen
Nitetis, en de oudste van haar zoons, Cambyses,
zeide: "daarom dan, o moeder, zal ik, als ik man ben
geworden, in Egypte wat boven is onder keeren, en
wat onder is boven." Dat zeide hij, tien jaren oud
ongeveer, en de vrouwen verbaasden zich; doch hij
onthield het, en daarom dan, toen hij man was
geworden en de heerschappij had verkregen, maakte
hij den veldtocht tegen Egypte.
4. En tevens geviel ook nog iets
anders te geschieden in betrekking tot dien
veldtocht: onder de hulptroepen van Amasis was een
man, van afkomst een Halicarnassiër, zijn naam
was Phanes, flink in verstand en in oorlogszaken
moedig. Deze Phanes nu, uit eenigen wrok tegen
Amasis, vluchtte op een schip weg uit Egypte,
verlangend een onderhoud met Cambyses te hebben.
Daar hij nu onder de hulptroepen van niet geringe
beteekenis was en alles over Egypte op het
nauwkeurigst wist, vervolgde Amasis hem met grooten
ijver om hem te vangen, en hij vervolgde hem, daar
hij met een trireem den getrouwsten van zijn
gesnedenen hem nazond, die hem in Lycië greep,
doch na het grijpen niet naar Egypte bracht: want
Phanes bedroog hem door slimheid. Want hij maakte de
wacht dronken en ontkwam naar de Perzen. En tot
Cambyses gegaan, die zich gereed maakte tegen Egypte
op te trekken, doch verlegen was over den tocht, hoe
hij de woestijn zou doorkomen, verhaalde Phanes
genen ook andere zaken van Amasis, en ook den
doortocht legde hij uit, dezen raad gevend, dat Cambyses
tot den koning der Arabieren zou zenden en vragen
den doortocht veilig voor hem te maken.
5. Want daardoor alleen is een
bekende toegang tot Egypte. Want van Phenicië
tot de grenzen der stad Cadytis behoort het land
aan de Syriërs, die de Palaestiners heeten. Van
de stad Cadytis, die, naar mij dunkt, niet veel
kleiner is dan Sardis, van deze stad af zijn
de handelsplaatsen aan de zee tot aan de stad
Iënysus van den arabischen koning; doch
van Iënysus af is het land wederom van
de Syriërs tot aan het Serbonische meer,
waarlangs zich het Casische gebergte naar de zee
uitstrekt; en van het serbonische meer, waarin
volgens het verhaal dan Typhon verborgen ligt, van
daar eerst is het Egypte. Maar wat nu gelegen is
tusschen de stad Iënysus en het Casische
gebergte en het Serbonische meer, en dat is geen
geringe streek lands, doch ongeveer drie dagen lang,
dat is vreeselijk waterloos.
6. Wat nu weinigen van de op Egypte
varenden hebben opgemerkt, dat zal ik gaan verhalen.
Uit gansch Hellas en bovendien uit Phenicië
wordt aarden vaatwerk naar Egypte ingevoerd vol
wijn, tweemaal in ieder jaar, en geen enkel ledig
wijnvat, om zoo te zeggen, kan men daar zien liggen.
Waarvoor dan, zal iemand vragen, worden die
gebruikt? Ook dat zal ik verhalen. Iedere
overheidspersoon moet uit zijn eigen stad alle
vaatwerk verzamelen en naar Memphis sturen: die in
Memphis dan sturen het vandaar vol water naar de
woestijn van Syrië. Zoo wordt het aardewerk,
dat in Egypte komt en geledigd wordt, naar het oude
in Syrië gezonden.
7. Zoo dan hebben nu de Perzen den
toegang naar Egypte ingericht, op de gezegde wijze die
streek met water voorziende, zoodra zij Egypte
veroverd hadden. Maar toen, daar er geen water
voorhanden was, zond Cambyses, na inlichting van den
halicarnassischen vreemdeling, boden naar den
Arabier en verkreeg op zijn verzoek veiligheid voor
den doortocht, trouw gevende en van genen
ontvangend.
8. De trouw nu eeren de Arabieren
onder menschen zoozeer als die ze het meeste eeren.
En zij sluiten ze op de volgende wijze: als twee een
bond willen sluiten, gaat een ander man midden
tusschen hen in staan, en snijdt met een scherpen
steen de binnenzijde van de handen naast de duimen
open bij hen, die de trouw willen sluiten; daarna
neemt hij van ieders mantel een vlok en besmeert met
het bloed zeven voor hen liggende steenen, en dat
doende roept hij Dionysos aan en Urania. Als hij dit
volbracht heeft, dan stelt de sluiter van de trouw
aan zijn vrienden den vreemdeling voor, of den
stamgenoot, indien zij met een stamgenoot gesloten
is, en dan achten de vrienden ook zelf de trouw te
moeten eeren. Van de goden erkennen zij alleen
Dionysos en Urania, en zij beweren het haar op de
zelfde wijze te scheren, zooals ook Dionysos zelf
geschoren is: zij scheren het in een kring om het
hoofd weg, terwijl zij rondom de slapen de haren
wegnemen. Zij noemen Dionysos Orotalt, en Urania
Alilat.
9. Toen nu de Arabier met de van
Cambyses gekomen boden trouw had gesloten, verzon
hij het volgende: hij vulde kameelhuiden met water
en belastte daarmede al zijn levende kameelen, en
daarna trok hij naar de woestijn, en wachtte daar
het leger van Cambyses op. Dit nu is het meest
geloofwaardige verhaal, dat verteld wordt, doch ook
het minder geloofwaardige, daar men het toch
verhaalt, moet gezegd worden. Er is een groote
stroom in Arabië, wiens naam Corys is; hij
stroomt uit in de dusgenaamde Roode Zee. Uit dezen
stroom nu zou de koning der Arabieren, uit
ossenhuiden en andere vellen een leiding
samennaaiende, die in lengte naar de woestijn
reikte, door deze leiding dan het water
gevoerd hebben, doch in de woestijn groef hij groote
vergaarputten, die het water zouden opnemen en
bewaren. Van de rivier naar de woestijn is de weg
twaalf dagen lang. En naar drie verschillende
plaatsen zou hij door drie leidingen het water
gebracht hebben.
10. Bij den dusgeheeten pelusischen
mond van de Nijl sloeg Psammenitus, de zoon van
Amasis, zijn kamp op, en wachtte Cambyses af. Want
Amasis zelven vond Cambyses niet levend,
toen hij naar Egypte trok, doch Amasis stierf, vier
en veertig jaren koning, in welke hem geen enkel
groot onheil overkomen was. Na zijn sterven en zijn
balseming werd hij begraven in het graf in den
tempel, dat hij zelf had gebouwd. Doch terwijl
Psammenitus, zoon van Amasis, over Egypte regeerde,
geschiedde den Egyptenaars een overgroot wonder
voorwaar: het Egyptische Thebae werd beregend,
terwijl het vroeger nooit beregend werd, noch later
tot op mijn tijd, zooals de Thebanen zelf zeggen.
Want Boven-Egypte wordt in ´t geheel niet
beregend: doch ook toen werd Thebae slechts met
droppen beregend.
11. Toen de Perzen de woestijn waren
doorgetrokken, legerden zij zich dicht bij de
Egyptenaars om met hen samen te treffen.
Toen verzonnen de hulptroepen van de Egyptenaars,
Hellenen zijnde en Cariërs, uit toorn tegen
Phanes, dat hij een vreemd leger naar Egypte had
gevoerd, de volgende daad: Phanes had knapen in
Egypte achtergelaten; dezen brachten zij naar het
kamp, en in het gezicht des vaders plaatsten zij een
mengvat midden tusschen beide kampen in, en voerden
daarna de knapen één voor
één naar buiten en slachtten
hen in het mengvat. Toen zij alle knapen hadden
geslacht, goten zij wijn en water in hetzelfde vat,
en alle hulpkrijgers dronken van het bloed, en zoo
dan troffen zij samen. Na een heftig gevecht, waarin
velen in getal van beide legers vielen, wendden zich
de Egyptenaars op de vlucht.
12. Een groot wonder zag ik daar,
dat ik eerst van de menschen des land vernam: want
terwijl de beenderen van de aan beide zijden in dien
strijd gevallenen gescheiden van elkander
opgestapeld zijn, - want de beenderen van de Perzen
liggen afgezonderd, zooals zij terstond afgezonderd
werden, en op een andere plaats die der Egyptenaars
-, zijn de schedels van de Perzen zóó
zwak, dat, als ge ze met één steentje
treft, ge ze doorboren zult, doch die van de
Egyptenaars zoo sterk, dat met een grooten steen ze
beukend gij ze met moeite verbrijzelen zult. De
reden daarvan is, zeiden zij, en zij overtuigden mij
licht, dat de Egyptenaars terstond van kind af zich
het hoofd scheren, en het been in de zon hard wordt.
Datzelfde is ook de oorzaak van het niet kaal
worden: want van alle menschen zal men bij de
Egyptenaars de minste kaalhoofdigen vinden. Dat nu
is voor hen de oorzaak, dat zij zulke sterke
schedels hebben, doch voor de Perzen, dat zij zwakke
schedels hebben, is de oorzaak deze: zij verweeken het
hoofd, daar zij van jongs af vilten
tiara´s dragen. Dit nu zag ik zoo. En ik zag
ook andere gelijke dingen in Papremis, bij hen die
met Achaemenes, den zoon van Darius, door Inarus,
den Libyer, verslagen werden.
13. Toen de Egyptenaars zich uit den
strijd omwendden, vluchtten zij zonder eenige orde.
En als zij in Memphis opgesloten waren, zond
Cambyses een mytilenaeïsch schip den stroom op,
met een perzisch man als heraut, die de Egyptenaars
tot een vergelijk uitnoodigen zou. Doch dezen, toen
zij het schip in Memphis komen zagen, stortten zich
in grooten getale uit de vesting, hieuwen de
bemanning als slachters aan stukken en brachten ze
in de vesting. Daarop werden de Egyptenaars belegerd
en zij gaven zich na eenigen tijd over, doch de
naburige Libyers, uit vrees voor wat in Egypte
geschied was, gaven zich zelven over zonder strijd,
en zij lieten zich een schatting opleggen en zonden
gezanten. Zoo ook deden de Cyrenaeërs en de
Barcaeërs, het zelfde vreezende als de Libyers,
van hun kant hetzelfde. Cambyses nu nam de
geschenken van de Libyers gekomen welwillend aan,
doch die van de Cyrenaeërs kwamen, minachtte
hij, daar, naar het mij schijnt, zij onaanzienlijk
waren (want de Cyrenaeërs hadden vijfhonderd
minen zilver gezonden), en hij nam ze en verstrooide
ze met eigen hand onder zijn leger.
14. Op den tienden dag, sinds hij de
vesting van Memphis veroverd had, liet Cambyses ter
beschimping van den koning der Egyptenaars,
Psammenitus, die zes maanden geregeerd had, liet hij
dezen met andere Egyptenaars in de voorstad
neerzitten, en stelde zijn zielskracht op den proef,
het volgende doende: hij kleedde zijn dochter in
slavinnegewaad en zond haar met een waterkruik naar
buiten om water te halen, en mèt haar
zond hij ook andere maagden, kiezende deze uit
de dochters der eerste mannen en ze kleedende
evenals die des konings. Toen de maagden met klagen
en geween langs hun vaders voorbij gingen, riepen de
andere vaders luid en klaagden, daar zij hun
kinderen in mishandeling zagen, Psammenitus echter
zag toe en vernam en boog zijn gelaat ter
aarde. Toen de waterdraagsters waren voorbij gegaan,
zond Cambyses den zoon van genen met
tweeduizend egyptische jongelingen van den zelfden
leeftijd, den nek met een touw ombonden, den mond
dichtgesnoerd. Zij werden weggevoerd om boete te
betalen voor de Mytilenaeërs, die in Memphis
met het schip waren omgekomen: want dit hadden des
konings rechters als vonnis gegeven, dat voor
iederen man tien van de eerste Egyptenaars zouden
sterven. En gene zag hen voorbijgaan en aanschouwde
zijn zoon ter dood gevoerd wordende, en terwijl de
andere bij hem gezeten Egyptenaars weenden en luid
jammerden, deed hij hetzelfde als bij zijn dochter.
Toen ook dezen waren voorbijgetrokken, geviel het
dat een van zijn drinkgenooten, een oud man, die al
zijn vermogen verloren had en niets meer bezat, dan
wat een bedelaar heeft, de soldaten om een gift
smeekte en langs Psammenitus, den zoon van Amasis,
kwam en de Egyptenaars, die in de voorstad zaten.
Toen Psammenitus dit zag, klaagde hij luid, en zijn
vriend bij den naam noemende, sloeg hij zich het
hoofd. Doch er waren verspieders bij hem, die alles
wat hij deed bij iederen voorbijgang aan Cambyses
meldden. En Cambyses, in verbazing over het
gebeurde, zond een bode en vroeg hem, zeggende: "Uw
meester Cambyses, Psammenitus, vraagt u, waarom gij
uw dochter gesmaad en uw zoon ter dood schrijdende
zaagt, en niet jammerdet, noch weendet, doch den
bedelaar, die u niets aangaat, naar hij van anderen
verneemt, zoo geëerd hebt?" Hij nu vroeg deze
dingen, doch gene antwoordde: "O zoon van Cyrus,
mijn eigen rampen waren te groot om ze te beweenen,
doch het ongeluk van mijn vriend is tranen waard,
daar hij toch vallende uit vele en groote schatten
tot bedelen gekomen is op den drempel der
grijsheid." En toen dit door den bode overgebracht
was, scheen het Cambyses schoon gezegd te zijn; en
zooals de Egyptenaars verhalen, weende Cresus (want
ook deze had Cambyses naar Egypte gevolgd) en de
aanwezige Perzen weenden, en ook Cambyses zelven
beving eenig medelijden, en terstond beval hij den
zoon van genen uit de veroordeelden te redden en
genen zelven uit de voorstad te halen en tot hem te
brengen.
15. Den zoon evenwel vonden de
uitgezondenen niet meer in leven, doch hij was het
eerst neergehouwen, doch Psammenitus zelven haalden
zij en brachten hem tot Cambyses: daar leefde hij
verder zonder eenig leed te lijden. En indien hij
het ook verstaan had zich rustig te houden, zou hij
ook Egypte gekregen hebben om er landvoogd over te
zijn, daar de Perzen gewoon zijn de zoons der
koningen te eeren, en ook als dezen tegen hen
opgestaan zijn, geven zij toch het bestuur aan hun
zoons. Uit vele andere gevallen nu kan men
bewijzen, dat zij dit zoo plegen te doen, en
daaronder ook uit dat van Thannyras, den zoon van
Inarus, die het bestuur kreeg, dat zijn vader had
gehad, en ook uit dat van Pausiris, den zoon van
Amyrtaeus, want ook deze kreeg het bestuur van zijn
vader: en toch had niemand den Perzen meer kwaad
aangedaan dan Inarus en Amyrtaeus. Doch nu brouwde
Psammenitus kwaad en ontving zijn loon. Want hij
wilde de Egyptenaars tot opstand brengen en werd
betrapt; en toen werd hij overtuigd door Cambyses,
en dronk stierenbloed en stierf terstond. Zoo dan
kwam deze aan zijn einde.
16. Cambyses ging van Memphis naar
de stad Saïs, in den zin hebbende te doen, wat
hij dan ook deed. Want toen hij in het huis van
Amasis was gekomen, beval hij terstond het lijk van
Amasis uit het graf naar buiten te halen. En toen
dit op zijn bevel geschied was, beval hij het
lijk te geeselen en de haren uit te trekken en
het met prikkels te slaan en op alle andere wijzen
te schenden. En toen zij zich ook daarin afgemat
hadden (want daar het lijk gebalsemd was, bood het
weerstand en ging gansch niet in stukken) beval
Cambyses het te verbranden, bevelende, wat niet
vroom was: want de Perzen achten het vuur een god.
Het verbranden van lijken is dus voor geen van
beiden in de zede; voor de Perzen om wat reeds
gezegd is, daar zij zeggen dat het niet goed is aan
een god het lijk van een mensch toe te deelen, en
bij de Egyptenaars wordt het vuur beschouwd als een
levend dier, dat alles opvreet wat het ook
aangrijpt, en van voedsel vol met het gevretene mede
sterft. En nu is het bij hen geenszins zede een lijk
aan de dieren te geven, en daarom balsemen zij het,
opdat het niet neerliggend door de wormen verteerd
worde. Zoo dan beval Cambyses te doen, wat voor geen
van beide volken in de zede was. Naar echter
de Egyptenaars beweren, was het Amasis niet, die dat
leed, doch een ander van de Egyptenaars, van den
zelfden leeftijd als Amasis, en dezen schendende
meenden de Perzen Amasis te schenden. Want zij
zeggen, dat Amasis, uit een orakelspreuk leerende,
wat na zijn dood met hem gebeuren zou,
zóó dan, om het naderende onheil
te voorkomen, dien mensch nu, die door de Perzen
gegeeseld werd, na diens dood bij de deur in zijn
eigen graf begroef, en aan zijn zoon beval, hem
zelven zooveel mogelijk in den binnensten hoek van
het graf neer te leggen. Doch die bevelen van Amasis
over zijn begraving en over dien mensch, schijnen
mij geenszins werkelijk geschied te zijn, doch de
Egyptenaars verzinnen dat uit pralerij zonder grond.
17. Daarna overwoog Cambyses drie
veldtochten, tegen de Carthagers, tegen de
Ammoniërs, en tegen de langlevende
Ethiopiërs, die in Libye bij de zuidelijke zee
wonen. En na overweging besloot hij tegen de
Carthagers zijn zeemacht te zenden, tegen de
Ammoniërs een keur van zijn voetvolk, doch naar
de Ethiopiërs eerst verspieders, welke bij die
Ethiopiërs de volgens de berichten aanwezige
zonnetafel zouden zien, of die werkelijk daar is, en
daarbij ook het andere bespieden zouden, in naam
geschenken aan den koning brengend.
18. De zonnetafel nu wordt gezegd
zóó te zijn: in de voorstad is een
weide vol gekookt vleesch van alle viervoeters,
waarop des nachts de dan regeerende overheden der
stad, het vleesch zorgvuldig neerleggen, terwijl
over dag ieder, die wil, komen kan en spijzen: de
menschen van het land zeggen, dat de aarde dat
telkens voortbrengt. Die dusgeheeten zonnetafel zou
dus zoo zijn.
19. Toen Cambyses nu besloten had de
verspieders te zenden, liet hij terstond uit de stad
Elephantine Ichthyophagische mannen komen, die de
ethiopische taal verstonden. Terwijl men dezen
haalde, in dien tijd beval hij zijn zeemacht
naar Carthago te varen. Doch de Pheniciërs
weigerden dat te doen; want door groote eeden waren
zij gebonden, en zij zouden doen, wat onvroom is,
tegen hun eigen zonen optrekkende. En toen de
Pheniciërs niet wilden, waren de anderen niet
sterk genoeg voor den strijd. De Carthagers dan
ontgingen zoo de slavernij door de Perzen. Want
Cambyses achtte het niet goed den Phoeniciërs
geweld aan te doen, daar zij zich aan de Perzen
gegeven hadden en geheel de zeemacht van de
Phoeniciërs afhing. Ook de Cypriërs hadden
zich aan de Perzen gegeven en waren tegen Egypte
opgetrokken.
20. Toen de Ichthyophagen uit
Elephantine bij Cambyses gekomen waren, zond hij hen
naar de Ethiopiërs, en beval hen, wat zij
moesten zeggen, als geschenken medenemende een
purperen gewaad en een gouden halsketen, en
armbanden, en een albasten vat met zalf en een vat
palmwijn. Deze Ethiopiërs, tot welken Cambyses
boden zond, worden gezegd de grootste en de
schoonste van alle menschen te wezen. Zij leven ook
in de andere wetten, zegt men, gansch anders dan de
andere menschap, en dan ook in het koningschap onder
de volgende: wien zij van de burgers den grootsten
achten, en in kracht naar die grootte, dien kiezen
zij tot koning.
21. Toen de Ichthyophagen dan tot
deze mannen waren gekomen, gaven zij hun geschenken
aan den koning en zeiden het volgende: "de koning
der Perzen, Cambyses, vriend en gast van u willende
worden, heeft ons gezonden, bevelend tot u te
spreken, en hij schenkt u deze geschenken, in wier
bezit ook hij zelf zich het meest verheugt." Doch de
Ethiopiër, begrijpende, dat zij als verspieders
kwamen, zeide tot hen het volgende: "Noch heeft de
koning der Perzen u als dragers van geschenken
gezonden, uit groot verlangen mijn gast te worden,
noch spreekt gij de waarheid (want als verspieders
van mijn rijk komt gij), noch is hij een
rechtvaardig man: want ware hij rechtvaardig, niet
zou hij een ander land begeeren dan het zijne, noch
menschen tot slavernij willen brengen, door
wien hem niets kwaads is aangedaan. Nu echter, geeft
hem dezen boog en zegt hem het volgende: de koning
der Ethiopiërs raadt den koning der Perzen,
wanneer de Perzen zóó gemaklijk bogen
spannen van zulke grootte, dan met overmacht van
volk tegen de langlevende Ethiopiërs op te
trekken; doch tot zoolang den goden dank te weten,
die het den zonen der Ethiopiërs niet in den
geest brengen ander land bij het hunne te willen
verwerven."
22. Dit zeggende en den boog
spannende, gaf hij hem aan de gekomenen over. En hij
nam het gewaad, het purperen, en vroeg wat het was,
en hoe gemaakt. En toen de Ichthyophagen de waarheid
hadden gezegd over het purper en de verwing, zeide
hij, dat bedrieglijk de menschen waren, en
bedrieglijk ook hun gewaden. Vervolgens vroeg hij
over den gouden keten, het halssieraad, en over de
armbanden; en toen de Ichthyophagen hem hun kunstige
vervaardiging verklaard hadden, lachte de koning, en
van meening dat het boeien waren, zeide hij, dat
zijzelven boeien hadden sterker dan deze. In de
derde plaats vroeg hij over de zalf; en toen zij
verhaald hadden van de bereiding en de zalving,
zeide hij hetzelfde woord als over het gewaad. Doch
toen hij aan den wijn was gekomen en zijn bereiding
had gehoord, verheugde hij zich zeer over den drank
en vroeg, wat de koning at, en hoeveel tijd een Pers
op het langst leefde. Zij zeiden, dat hij brood at,
en verklaarden de groeiing van het graan, en dat
tachtig jaar levens als verste doelwit den mensch
gegund was. Daarop zeide de Ethiopiër zich
geenszins te verbazen, indien zij mest etende,
weinige jaren leefden; want zij zouden niet eenmaal
zoolang kunnen leven, indien zij zich niet
ververschten door den drank, en hij wees de
Ichthyophagen op den wijn: want daarin waren zij zelven
minder dan de Perzen.
23. Toen de Ichthyophagen van hun
kant den koning over den duur en zijn wijze van
leven vroegen, zeide hij, dat de meesten van hen tot
honderd en twintig jaren kwamen, en sommigen dit nog
overtroffen, en dat hun spijs gekookt vleesch was en
hun drank melk. De verspieders toonden groote
verbazing over de jaren, en toen bracht gene hen, naar
de verspieders verhaalden, bij een bron, met
het water van welke zij zich wieschen en
glanzend werden, alsof de bron er een van
olie was, en een geur stroomde er van als van
viooltjes. En het water van die bron was zoo teer,
naar de verspieders dan verhaalden, dat niets er op
kon drijven, noch hout, noch wat lichter is dan
hout, maar alles zakt naar de diepte. En indien dat
water inderdaad zoo bij hen is, als gezegd wordt,
daardoor dan, dat water steeds gebruikende,
zouden zij langlevend zijn. En toen zij van de bron
kwamen, bracht hij hen naar een gevangenis van
mannen, waarin allen in gouden boeien geboeid waren.
Bij deze Ethiopiërs is van alles het koper het
zeldzaamst en het meest geëerd. En toen zij de
gevangenis gezien hadden, zagen zij ook de
dusgeheeten zonnetafel.
24. En daarna zagen zij ten slotte
ook hun graven, die gezegd worden uit glas op de
volgende wijze bereid te worden. Wanneer zij het
lijk uitgedroogd hebben, hetzij dan evenals de
Egyptenaars, hetzij op een andere wijze, bestrijken
zij het geheel met gyps en versieren het met
beschildering, waarbij zij de gestalte zooveel
mogelijk nabootsen; daarna omgeven zij het met een
holle zuil, uit glas gemaakt (deze stof wordt in
menigte bij hen opgegraven en is goed te bewerken),
en, midden in de zuil zijnde schijnt het lijk door,
zonder eenige onaangename geur te geven, noch iets
anders leelijks; en alles toont het even duidelijk,
als het lijk zelf. Een jaar lang nu houden de naaste
verwanten de zuil in hun huis, en deelen haar van
alles mede en brengen offers aan haar; daarna
brengen zij ze weg, en plaatsen ze bij de stad.
25. De verspieders, na alles gezien
te hebben, keerden terug. En toen zij dat hadden
overgebracht, ontstak Cambyses in toorn en trok
terstond op tegen de Ethiopiërs, zonder eenigen
inslag van levensmiddelen te bevelen, zonder
zichzelf te zeggen, dat hij naar het uiterste der
aarde zou trekken; doch als ware hij razend en niet
bij zinnen, toen hij de Ichthyophagen gehoord had,
trok hij op, de Hellenen van zijn leger bevelende
daar te blijven, doch al zijn landmacht
medevoerende. Toen hij op zijn tocht in Thebae was
gekomen, zonderde hij ongeveer vijftienduizenden van
zijn leger af, en aan dezen beval hij de
Ammoniërs slaaf te maken en het orakel van Zeus
te verbranden, en zelf ging hij met het overige
leger verder tegen de Ethiopiërs. Doch voor het
heer het vijfde deel van den weg had afgelegd, was
reeds alles, wat zij van spijs bij zich hadden,
opgeraakt, en na de spijs raakten ook de lastdieren,
die gegeten werden, ten einde. Indien nu Cambyses,
dit ziende zich bezonnen had en zijn leger
teruggevoerd, dan ware hij, ook na zijn eersten
misslag, nog een verstandig man geweest; doch nu
lette hij er gansch niet op en ging altijd verder.
En de soldaten, zoolang zij iets uit de aarde konden
krijgen, leefden van kruiden, doch toen zij in de
woestijn waren gekomen, deden sommigen van hen een
gruwlijke daad. Want door het lot kozen zij
één van hen uit ieder tiental en aten
hem op. Cambyses vernam dit, en uit vrees voor de
onderlinge slachting, liet hij den tocht tegen de
Ethiopiërs varen, keerde terug, en kwam in
Thebae, velen van zijn leger verloren hebbend. Van
Thebae daalde hij af naar Memphis, waar hij de
Hellenen naar huis liet varen.
26. De tocht tegen de
Ethiopiërs dan had zulk een afloop; doch die
van hen, die uitgezonden waren om tegen de
Ammoniërs te trekken, braken op uit Thebae en
gingen met gidsen, en kwamen, dat weet men, in de
stad Oasis, bewoond door Samiërs, die van den
Aeschrionischen stam zouden zijn, en een
zevendaagschen weg door de woestijn van Thebe af
wonen; deze streek heet in de Helleensche taal
Makaroon Nêsos (d.i. het eiland der
gelukzaligen). In deze streek moet, naar gezegd
wordt, het leger gekomen zijn, doch daarna weet
niemand, behalve de Ammoniërs zelven en die het
van dezen hoorden, iets over hen te zeggen: want
noch bereikten zij de Ammoniërs, noch keerden
zij terug. Het volgende echter wordt ook door de
Ammoniërs zelf gezegd: nadat genen uit dat
Oasis door de woestijn tegen hen opgetrokken waren,
kwamen zij ergens ongeveer midden in tusschen de
Ammoniërs en Oasis, en daar zij aan het
ontbijt waren, woei een groote en ongewone zuidewind
tegen hen aan, aandragend golven van zand, en bedolf
hen, en op zulk een wijze verdwenen zij. Zoo nu
zeggen de Ammoniërs, dat het met dat leger is
gegaan.
27. Toen Cambyses in Memphis was
gekomen, verscheen Apis aan de Egyptenaars, dien de
Hellenen Epaphus noemen, en bij zijn verschijning
droegen de Egyptenaars terstond de schoonste
kleederen en leefden in feesten. Cambyses zag de
Egyptenaars dat doen, en in de vaste meening dat zij
dit feest vierden over zijn onheil, riep hij de
overheid van Memphis, en toen zij voor zijn
aangezicht waren gekomen, vroeg hij, waarom vroeger,
toen hij in Memphis was, de Egyptenaars niets van
dien aard deden, en nu wel, daar hij er was na
verlies van een groot deel van zijn leger. Zij
antwoordden, dat de god hun verschenen was, zooals
hij hun na een lang tijdsverloop placht te
verschijnen, en wanneer hij kwam, dan verheugden
zich alle Egyptenaars en vierden feest. Cambyses dit
hoorende, zeide dat zij logen, en als leugenaars
strafte hij hen met den dood.
28. Toen hij dezen gedood had, riep
hij vervolgens de priesters voor zijn aangezicht, en
toen de priesters het zelfde zeiden, antwoordde hij,
dat hij spoedig zou weten of er een tamme god tot de
Egyptenaars was gekomen. Dat zeggende beval hij de
priesters den Apis tot hem te brengen. En zij gingen
om genen te brengen. De Apis, deze Epaphus, komt ter
wereld als het kalf van een koe, die niet meer in
staat is een andere vrucht in het lijf te ontvangen.
De Egyptenaars zeggen, dat een straal uit den hemel
de koe treft, en zij daardoor Apis baart. Dit kalf
nu, het Apis geheetene, heeft de volgende teekenen:
het is zwart, en op het voorhoofd heeft het een
witten driehoekigen vlek, doch op den rug het beeld
van een adelaar; aan den staart heeft het dubbele
haren en op de tong een kever.
29. Toen de priesters den Apis
gebracht hadden, trok Cambyses, daar hij toch reeds
eenigszins dol was, zijn dolk, en den Apis in den
buik willende treffen, trof hij hem in de heup. En
lachend sprak hij tot de priesters: "o ellendige
schepsels, zijn de goden dan zóó, van
bloed en van vleesch, en luisterend naar het ijzer?
Voorwaar, deze god is de Egyptenaars waardig. Doch
gij zult mij niet ongestraft bespotten." En na deze
woorden beval hij de daarmee belasten de priesters
te geeselen, en wien van de andere Egyptenaars zij
aan het feestvieren zouden vinden, dien te
dooden. Het feest der Egyptenaars werd dan zoo
afgebroken, de priesters ondergingen den straf, en
de Apis, in de heup getroffen, stierf weg, liggende
in den tempel. En toen hij aan de wond gestorven
was, begroeven de priesters hem buiten weten van
Cambyses.
30. Doch Cambyses, naar de
Egyptenaars zeggen, verviel terstond door die
misdaad tot razernij, ook tevoren reeds niet
wel bij zinnen zijnde. En het eerst nu doodde hij
Smerdis, zijn broeder, die van den zelfden vader en
de zelfde moeder was, en dien hij uit Egypte
naar Perzië had gezonden uit nijd, dat hij, de
eenige der Perzen, met twee vingers den boog had
gespannen, dien de Ichthyophagen van den
Ethiopiër hadden medegebracht; van de andere
Perzen was geen daartoe in staat. Toen Smerdis nu
naar Perzië was gegaan, zag Cambyses in den
slaap het volgende gezicht: hij meende, een bode uit
Perzië kwam hem melden, dat Smerdis op den
koninklijken troon zich gezet had, en met het hoofd
den hemel aanraakte. Daardoor voor zich zelf
vreezend, dat zijn broeder hem zou dooden en
heerschen, zond hij Prexaspes tot de Perzen, die de
getrouwste der Perzen was, om genen te dooden. En
deze naar Susa getogen doodde Smerdis, naar sommigen
zeggen, toen hij hem op de jacht had medegenomen,
doch naar anderen beweren, bracht hij hem
naar de Roode zee en verdronk hem daar.
31. Met deze misdaad nu, zeggen zij,
is Cambyses het eerste begonnen; daarna verdierf hij
zijn zuster, die hem naar Egypte gevolgd was, welke
hij ook gehuwd had, en die van beide zijden zijn
zuster was. Hij had haar op de volgende wijze
getrouwd, want geenszins pleegden de Perzen vroeger
hun zusters te huwen. Cambyses was verliefd op een
van zijn zusters, en daarna, wijl hij, van zins haar
te huwen, iets ongebruikelijks voornemens was te
doen, riep hij de koninklijke rechters en vroeg, of
er een wet was, welke hem, die dat wilde, toestond
met zijn zuster te trouwen. De koninklijke rechters
zijn uitgekozene mannen van de Perzen, die rechters
blijven tot zij sterven, of van eenige
onrechtvaardige daad overtuigd worden, tot zoolang;
dezen geven recht aan de Perzen en zijn uitleggers
van de overgeleverde gebruiken, en alles wordt voor
hen gebracht. Toen nu Cambyses dat vroeg,
antwoordden zij hem naar billijkheid en veiligheid,
zeggende dat zij geen wet vonden, die een broeder
veroorloofde zijn zuster te huwen, doch dat zij een
andere wet hadden gevonden: den koning der Perzen
stond het vrij te doen wat hij wilde. Zoo dan hieven
zij niet uit vrees voor Cambyses de wet op, en opdat
zij zelven niet door handhaving van de wet zouden
omkomen, vonden zij een andere wet tot zijn steun,
als hij zijn zuster huwen wilde. Toen dan trouwde
Cambyses, die hij beminde, doch niet veel tijd later
nam hij een andere zuster. De jongste van dezen dan,
die hem naar Egypte gevolgd was, die doodde
hij.
32. Omtrent haar dood, wordt evenals
over Smerdis, een dubbel verhaal verteld. De
Hellenen zeggen, dat Cambyses een leeuwenwelp met
een jongen hond liet vechten en ook die vrouw dat
aanzag, en dat, toen de hond overwonnen werd, zijn
broeder, een andere jonge hond, zijn keten verbrak
en genen te hulp kwam: en mer hun beiden zoo dan
bedwongen de honden den welp. En Cmabyses zag het en
verheugde zich, doch zij, naast hem gezeten, weende.
Cambyses bemerkte dat, en vroeg haar, waarom
zij weende, en zij antwoordde, dat zij, den hond
zijn broeder ziende wreken, geweend had, in gedachte
aan Smerdis en wetende, dat gene door niemand
gewroken was. De Hellenen nu zeggen, dat om dit
woord Cambyses haar gedood heeft, doch volgens de
Egyptenaars zou de vrouw, toen men aan tafel was,
een latuw genomen, dien de bladeren afgeplukt en toen
haar man gevraagd hebben, of de kale dan wel de
volle latuw schooner was; hij antwoordde: "de
volle", en zij zeide: "en toch hebt gij dezen latuw
nagebootst, het huis van Cyrus ontbladerend." Toen
toornde hij en trapte haar, terwijl zij in den buik
droeg, en zij baarde ontijdig en stierf.
33. Zoo woedde Cambyses in razernij
tegen de zijnen, hetzij dan door Apis, hetzij door
andere redenen, daar toch vele rampen de menschen
plegen te overvallen, want van zijn geboorte af had
Cambyses, naar verhaald wordt, de ziekte, die
sommigen de heilige noemen. En het was dan ook
geenszins onbegrijpelijk, dat bij zoo groote ziekte
des lichaams, ook de geest niet gezond was.
34. Het volgende nu bedreef hij in
razernij tegen de andere Perzen. Want hij zeide,
naar verhaald wordt, tot Prexaspes, dien hij het
meeste eerde, - en deze bracht zijn boodschappen
over, en zijn zoon was wijnschenker van Cambyses, en
ook deze eer was niet gering -, hij zeide dan, naar
men zegt, het volgende: "Prexaspes, voor wat voor
een man houden de Perzen mij, en welke verhalen doen
zij over mij?" En gene antwoordde: "o heer, in alle
andere zaken wordt gij grootelijks geprezen, doch
aan het wijngenot, zeggen zij, zijt ge al te zeer
overgegeven." Hij dan zeide dit over de Perzen, doch
gene toornde en antwoordde: "nù dan zeggen de
Perzen dat ik, aan den wijn overgegeven, raas en van
zinnen ben, - niet dus waren hun vroegere woorden
waar." Want vroeger eens, toen de Perzen en Cresus
bij hem zaten, vroeg Cambyses, welk een man hij
scheen, vergeleken met zijn vader, en genen
antwoordden, dat hij beter was dan zijn vader; want
hij had alles van genen en bezat bovendien Egypte en
de zee. De Perzen nu zeiden dit, doch Cresus, die er
bij was en niet tevreden met dat antwoord, zeide tot
Cambyses het volgende: "mij echter, o zoon van
Cyrus, schijnt gij niet aan uw vader gelijk te
wezen, want nog hebt gij geen zoon, zulk eenen als
hij in u naliet." Cambyses verheugde zich
dit hoorende, en prees het antwoord van Cresus.
35. Daaraan nu dacht hij, en hij
zeide in toorn tot Prexaspes: "gij dan, leer of de
Perzen waarheid spreken, of dat zij ook zelf zoo
sprekende niet bij zinnen zijn. Want als ik uw zoon,
die daar in den voorhof staat, midden in het hart
tref, dan zeggen de Perzen blijkbaar niets; mis ik
hem echter, zeg dan, dat de Perzen waarheid spreken
en ik niet bij verstand ben." Dit zeide hij en zijn
boog spannend trof hij den knaap, en toen de knaap
viel, beval hij hem open te snijden en de wond te
onderzoeken, en toen de pijl in het hart werd
gevonden, sprak hij tot den vader van den knaap, met
gelach en vol vreugde: "Prexaspes, dat ik niet raas
en de Perzen van zinnen zijn, is u gebleken; zeg mij
nu, wien van alle menschen zaagt ge wel zoo goed het
doel treffen met de pijl?" En Prexaspes, een man
voor zich ziende niet bij zinnen, vreesde voor zich
zelf en antwoordde: "heer, zelfs de god, meen ik,
zou zoo schoon niet treffen." Dat dan volbracht hij
toen, doch een andermaal liet hij twaalf Perzen, met
de eersten gelijk, om geen reden van eenig belang
grijpen en levend begraven, het hoofd naar onder.
36. Toen hij deze dingen deed,
achtte Cresus de Lydiër het goed hem te raden
met de volgende woorden: "o koning, geef niet in
alles aan uw jeugd en uw toorn toe, doch houd u in
en beheersch u zelf: schoon is de bedachtzaamheid,
en verstandig de voorzorg. Gij nu doodt uw eigen
burgers, om geen enkele reden van eenig belang ze
grijpend; gij doodt ook hun zoons. Als gij vele
zulke dingen doet, zie toe, dat de Perzen niet van u
afvallen. Mij heeft uw vader Cyrus opgedragen, met
vele woorden bevelende u te raden en aan te duiden,
wat ik goed mocht bevinden." Hij nu toonde zijn
genegenheid, daar hij dit aanraadde, doch gene
antwoordde aldus: "gij ook durft mij raad geven, die
zoo goed voor uw eigen land gezorgd hebt, zoo schoon
ook mijn vader geraden, hem aansporend de rivier de
Araxes over te trekken en tegen de Massageten te
gaan, terwijl zij naar ons land wilden overtrekken;
en uw eigen vaderland hebt ge als een slecht
heerscher verdorven, verdorven ook hebt gij Cyrus,
die u volgde. Doch niet tot uw welzijn, daar ik toch
reeds lang een voorwendsel tegen u vinden wilde."
Dit zeggende nam hij zijn boog om genen neer te
schieten, doch Cresus vluchtte weg en liep naar
buiten; en de ander, toen hij hem niet raken kon,
beval zijn dienaren hem te grijpen en te dooden.
Doch de dienaren, zijn aard kennende, verborgen
Cresus om deze overweging, dat, als Cambyses berouw
kreeg en naar Cresus zocht, zij hem voor den dag
zouden halen en geschenken zouden ontvangen als
reddingsprijs voor Cresus; doch indien hij geen
berouw had, noch genen miste, dan zouden zij hem
ombrengen. En Cambyses nu miste Cresus niet langen
tijd daarna, en de dienaren bemerkten dit, en
berichtten hem, dat Cresus in leven was. En
Cambyses zeide zich te verheugen, dat Cresus nog
leefde; genen echter, die hem redden, die zouden dat
niet om hem gedaan hebben, doch dooden zou hij hen.
En hij deed dat.
37. Met vele zulke dingen dan raasde
hij tegen de Perzen en hun bondgenooten, en in
Memphis blijvende brak hij ook oude graven open en
bezag de lijken. Zoo dan ging hij ook naar den
tempel van Hephaestus en dreef veel spot met het
godenbeeld. Want het beeld van Hephaestus gelijkt
zeer veel op de phenicische Pataecen, die de
Pheniciërs aan den voorsteven van hun triremen
met zich voeren. Wie ze niet gezien heeft, dien zal
ik ze verklaren: het is de nabootsing van een
pygmee. En hij ging ook in den tempel van de
Cabiren, waarin het niemand dan den priester
geoorloofd is te komen, en die beelden bespotte hij
veel en verbrandde ze zelfs. Ook deze beelden
zijn evenals die van Hephaestus, en men zegt, dat
zij diens kinderen zijn.
38. Op alle wijzen nu is het mij
duidelijk, dat Cambyses grootelijks waanzinnig was:
want niet zou hij anders getracht hebben heilige
dingen en oude gebruiken te bespotten. Want indien
iemand alle menschen gebood, hen bevelende zeden te
kiezen, de schoonste uit alle zeden, zou een ieder
na overweging zijn eigene kiezen: zoo zeer meenen
alle menschen, dat hun eigen zeden verreweg de
schoonste zijn. Niet dus is het natuurlijk, dat een
ander dan een waanzinnige met zulke dingen den spot
drijft. Dat alle menschen zoo meenen over de zeden,
kan men met vele andere bewijzen aantoonen, en
daaronder ook met het volgende. Darius riep onder
zijn regeering de aanwezige Hellenen tot zich en
vroeg hen, voor welken prijs zij hun vaders
na hun dood zouden opeten: zij antwoordden, voor
geen prijs zouden zij dat doen. Daarna
ontbood Darius Indiërs, de dusgeheeten
Callatiërs, die hun ouders opeten, en vroeg hen,
terwijl de Hellenen er bij waren en door een tolk
het gesprokene verstonden, voor welke belooning zij
hun gestorven vaders met vuur zouden willen
verbranden, en genen riepen luid en smeekten hem
niet goddeloos te zijn. Zoo dan is de zede, en
terecht schijnt Pindarus mij toe gedicht te hebben,
zeggende dat Nomos de koning van allen is.
39. Terwijl Cambyses tegen Egypte
optrok, maakten ook de Lacedaemoniërs een tocht
tegen Samos en Polycrates, zoon van Aeaces, die bij
een opstand Samos gewonnen had, en eerst de stad in
drie deelen deelde en ze met zijn broeders
Pantagnotus en Syloson bestuurde, doch daarna den
eenen van hen doodde, en den jongsten, Syloson,
verdreef, en toen gansch Samos in zijn macht had, en
dit hebbende sloot hij een gastverbond met Amasis,
den koning van Egypte, geschenken tot hem zendend en
andere van hem ontvangend. In korten tijd werden de
zaken van Polycrates terstond zeer groot en zijn
macht weerklonk door Ionië en het overige
Hellas; want waarheen hij zich met een krijgstocht
richtte, daar liep alles gelukkig voor hem af. Hij
had honderd vijftigriemers en duizend boogschutters,
en hij plunderde en verwoestte bij allen zonder
onderscheid, want hij beweerde aangenamer aan een
vriend te zijn, door terug te geven wat hij genomen
had, dan als hij in 't geheel niets nam. Vele der
eilanden dan veroverde hij, en ook vele steden op
het vaste land, en onder meer nam hij ook de
Lesbiërs, die met al hun macht de
Milesiërs waren te hulp gekomen, nadat hij hen
in een zeeslag had overwonnen, en dezen groeven als
gevangenen de gansche gracht om de burcht in Samos.
40. En aan Amasis bleef de voorspoed
van Polycrates zeker niet verborgen, doch hij was er
bezorgd over. En toen die voorspoed nog veel meer
was toegenomen, schreef Amasis den volgenden
brief en zond dien naar Samos: "Amasis zegt
Polycrates deze woorden. Zoet is het te vernemen,
dat een man, vriend en gast, in welvaart is; mij
echter voldoet uw groote voorspoed niet, mij, die
weet dat de godheid wangunstig is. En daarom wensch
ik, èn dat ik zelf èn dat die mij ter
harte gaan, deels slagen in hun zaken, deels
tegenspoed ondervinden, en dat zij liever zoo in
wisseling hun leven doorbrengen, dan in alles geluk
hebben. Want van niemand hoorde ik verhalen, die
niet gansch en al slecht eindigde, zoo alles hem
goed ging. Gij daarom, gehoorzaam mij en doe het
volgende tegen uw voorspoed: overleg, en wat gij
bevindt u het meeste waard te zijn en door welks
verlies gij het zeerst uw ziel bedroeven zult, werp
dat weg, zóó, dat het nooit meer onder
de menschen komt. En indien daarna uw voorspoed en
uw ongevallen niet in wisseling geschieden, genees u
wederom op de door mij aangegevene wijze."
41. Polycrates, dit gelezen hebbend,
overtuigde zich, dat Amasis hem goed ried, en hij
zocht door het verlies van welke zijner
kostbaarheden hij zijn ziel het meest bedroeven zou,
en bij zoeken vond hij het volgende. Hij had een in
goud gevatten zegelsteen, dien hij droeg; van
smaragd was deze en bewerkt door Theodorus,
Telecles´ zoon, den Samiër. Toen hij nu
besloten had dezen weg te werpen, deed hij het
volgende. Hij bemande een vijftigriemer en steeg er
in, en daarna beval hij hem in de zee te voeren.
Toen hij ver van het eiland gekomen was, nam hij ten
aanschouwen van alle medevarenden den zegelsteen van
den vinger en wierp hem in de zee. Na deze daad voer
hij weg, en in zijn huis weder gekomen, was hij zeer
ongelukkig.
42. Den vijfden of zesden dag daarna
geviel hem het volgende te geschieden. Een visscher,
die een groote en schoone visch ving, besloot die
aan Polycrates ten geschenke te geven, en hij droeg
ze naar het paleis, en zeide voor Polycrates´
aangezicht te willen komen, en toen hem dit was
gelukt, gaf hij de visch, en zeide: "o koning, ik
ving deze visch en wilde hem niet naar de
markt brengen, hoewel ik leef van mijn handen; doch
zij scheen mij u en uw heerschappij waardig te zijn;
aan u daarom breng ik en geef ik ze." En gene in
blijdschap over het gezegde antwoordde aldus:
"zéér goed hebt gij gedaan en dubbel
is mijn dank èn voor uw woorden èn
voor uw geschenk; en wij noodigen u ten maaltijd."
De visscher nu schatte dit hoog en ging naar huis,
doch de dienaren de visch opensnijdende, vonden in
haar buik den zegelsteen van Polycrates. Zoodra zij
dien gezien en genomen hadden, brachten zij hem vol
vreugde naar Polycrates, en gaven hem den
zegelsteen, en verhaalden op welke wijze hij
gevonden was. En daar hem de zaak als een
goddelijke beschikking voorkwam, schreef hij
in een brief alles wat hij gedaan had en wat hem
overkomen was, en na het schrijven zond hij den
brief naar Egypte.
43. Amasis nu las den brief, die van
Polycrates kwam, en zag in, dat het een mensch
onmogelijk is een mensch van het komende lot te
redden, en dat Polycrates niet goed ten einde zou
komen, daar hij in alles voorspoed had, en zelfs
terugvond, wat hij had weggeworpen. En hij zond een
heraut naar Samos en zeide, dat hij de
gastvriendschap verbrak. Dit deed hij daarom, opdat
niet, indien vreeselijk en groot onheil Polycrates
aangreep, hij zelf zijn ziel zou bedroeven over een
gastvriend.
44. Tegen dezen Polycrates dan, den
in alles voorspoedigen, trokken de
Lacedaemoniërs ten strijde, geroepen door de
Samiërs, die naderhand Cydonia op Creta
gesticht hebben. Want Polycrates had buiten weten
der Samiërs een bode gezonden naar Cambyses,
Cyrus´ zoon, toen deze een leger tegen Egypte
bijeenbracht, en hem gevraagd, dat gene ook tot hem
naar Samos zou zenden en om een leger vragen. En
Cambyses dit hoorende, zond gaarne naar Samos en
vroeg Polycrates om zijn zeemacht met hem tegen
Egypte te sturen. En deze koos van de burgers hen
uit, die hij het meest van zucht tot afval
verdacht, zond hen weg met veertig triremen,
en droeg Cambyses op hen niet terug te zenden.
45. Sommigen verhalen nu, dat de
door Polycrates weggezonden Samiërs Egypte niet
bereikt hebben, doch toen zij op hun vaart bij
het eiland Carpathus gekomen waren, overlegden
zij en besloten niet verder te varen; anderen
verhalen, dat zij in Egypte gekomen en bewaakt
wordend, van daar wegvluchtten. Toen zij echter naar
Samos terugvoeren, ging Polycrates hun met schepen
tegemoet en geraakte in gevecht; de terugkeerenden
nu overwonnen en landden op het eiland, doch daar
leden zij in een landgevecht den nederlaag, en
zóó dan voeren zij naar Lacedaemon. Er
zijn er die zeggen, dat de uit Egypte ontwekenen
Polycrates overwonnen hebben, niet juist zeggende,
naar mij voorkomt; niet toch behoefden zij de
Lacedaemoniërs in te roepen, indien zij zelf
krachtig genoeg waren om Polycrates omver te werpen.
Bovendien gedoogt de rede niet, dat hij die
huurlingen tot hulp had en eigen boogschutters,
velen in menigte, dat deze door de teruggekeerde
Samiërs, weinigen in getal, bedwongen zou zijn.
En de kinderen en de vrouwen der onder zijn macht
staande burgers had Polycrates in de scheepsdokken
opgesloten, en hield hen gereed, om, indien genen
met de teruggekeerden verraad pleegden, hen met de
dokken te verbranden.
46. Toen de Samiërs, door
Polycrates verdreven, in Sparta gekomen waren,
traden zij voor de overheden en spraken veel, sterk
smeekende. Dezen antwoordden hun bij hun eerste
optreden, dat zij de eerste woorden vergeten waren,
de laatsten niet begrepen. Daarop, voor de tweede
maal gekomen, zeiden genen anders niets, doch een
broodzak brachten zij mede en verklaarden: "de zak
verlangt meel." En de overheden antwoordden,
dat het aankomen met dien zak slecht gevonden was,
maar toch besloten zij genen te helpen.
47. En daarna rustten de
Lacedaemoniërs zich toe en trokken op tegen
Samos, naar de Samiërs beweren, om de dienst te
vergelden, dat zij zelf genen vroeger met schepen
tegen de Messeniërs gesteund hadden; doch naar
de Lacedaemoniërs zeggen, trokken zij op, niet
zoozeer om de Samiërs op hun verzoek te helpen,
doch om zich te wreken over den roof van het
mengvat, dat zij aan Cresus hadden willen brengen,
en over het pantser, dat Amasis, de koning van
Egypte, hun ten geschenke had gezonden. Want ook dat
pantser hadden de Samiërs een jaar vroeger dan
het mengvat geroofd; van lijnwaad was het, met vele
ingeweven beelden, en met goudenen en boomwollen
inslagen versierd. Doch waarom het waard is
bewonderd te worden, dat maakt iedere draad van het
pantser; want hij is fijn en heeft in zich
driehonderd en zestig draden, en die allen
zichtbaar. Er is nog zulk een pantser, en
dat wijdde Amasis in Lindus aan Athenaia.
48. Aan den tocht tegen Samos,
zoodat hij tot stand kwam, namen ook de
Corinthiërs bereidwillig deel. Want ook aan
dezen was door de Samiërs een beleediging
overkomen in het geslacht vóór dezen
krijgstocht, in denzelfden tijd als de roof van het
mengvat. Want driehonderd zonen van de eerste
cercyreesche mannen had Periander, de zoon van
Cypselus, naar Sardes gestuurd, tot Alyattes, ter
ontmanning. Toen echter de Corinthiërs, die de
knapen wegbrachten, in Samos aanlegden, en de
Samiërs de reden vernamen, waarom zij naar
Sardes werden gevoerd, rieden zij eerst de knapen
aan, den tempel van Artemis aan te grijpen; daarna,
duldden zij niet, dat de smeekelingen uit den tempel
werden gesleept, en toen de Corinthiërs den
knapen alle spijs onthielden, maakten de
Samiërs een feest, dat zij ook nu nog op de
zelfde wijze vieren. Want als de nacht kwam, al den
tijd dat de knapen als smeekelingen daar waren,
stelden zij reidansen van maagden en jongelingen in,
en bij de instelling van de reidansen voerden zij
ook het gebruik in, koeken van sesam en honig te
dragen, opdat de zonen des Cercyraeërs die
rooven zouden en voedsel hebben. En dit geschiedde
tot zoolang, dat de Corinthiërs, de wachters
van de knapen, weggingen, en de Samiërs voerden
de knapen terug naar Cercyra.
49. Indien er nu na den dood van
Periander vriendschap was geweest tusschen de
Corinthiërs en die van Cercyra, dan zouden
genen om die reden niet hebben deelgenomen aan den
tocht tegen Samos. Doch nu, sinds zij op het eiland
een nederzetting gebracht hebben, zijn zij altijd
met elkander in twist, hoewel gelijk van
geslacht. Om die dingen dan wrokten de
Corinthiërs tegen de Samiërs.
50. Periander echter had de zonen
der eerste Cercyraeërs uit wraak uitgekozen, en
ter ontmanning naar Sardes gezonden. Want eerst
waren de Cercyraeërs begonnen een goddelooze
daad tegen hem te doen. Want nadat Periander zijn
eigen vrouw Melissa gedood had, geviel het volgende
onheil hem bij het reeds bestaande te overkomen. Uit
Melissa had hij twee zonen, in leeftijd den een
zeventien, den ander achttien jaren oud. Dezen liet
hun moeders vader Procles, alleenheerscher van
Epidaurus, bij zich komen, en hij behandelde hen
vriendelijk, zooals natuurlijk was, daar zij de
zoons waren van zijn dochter. Toen hij hen weder weg
zond, zeide hij, bij het uitgeleide: "weet gij wel,
knapen, wie uw moeder gedood heeft?" Op dit woord
sloeg de oudste van hen gansch geen acht, doch de
jongste, Lycophron van naam, had zulk een smart dit
hoorende, dat hij in Corinthe gekomen zijn vader,
den moordenaar immers van zijn moeder, noch
toesprak, noch als hij aangesproken werd,
antwoordde, noch op zijn vragen een woord gaf.
Eindelijk dreef Periander, vol toorn, hem zijn huis
uit.
51. En na diens verdrijving, vroeg
hij den oudsten, wat hun moeders vader hun gezegd
had. Gene verhaalde, dat hij hen vriendelijk had
ontvangen; doch dat woord, dat Procles hun bij het
wegzenden gezegd had, daar hij niet had opgelet, dat
herinnerde hij zich niet. Doch Periander beweerde,
het kon niet anders of gene had hun iets ingeblazen,
en hij zette zijn vragen voort; en de ander bracht
het zich te binnen en zeide ook dat. Periander
overwoog het, en geen zwakte willende toonen -, waar
de door hem verdreven zoon zich ophield, tot die menschen
zond hij een bode en beval hen genen niet in hun
huis op te nemen. En gene dan, als hij verdreven was
en naar een ander huis ging, werd ook van daar weder
verjaagd, daar Periander de ontvangenden dreigde en
beval genen uit te sluiten; en hij, verdreven, ging
naar een ander huis van zijn vrienden, want dezen,
daar hij toch de zoon was van Periander, ontvingen
hem toch, hoewel met vreeze.
52. Eindelijk liet Periander
rondroepen, wie genen in zijn huis zou ontvangen of
tot hem spreken zou, deze zou een heilige boete aan
Apollo betalen en hij zeide hoeveel. Om die
verkondiging dan wilde niemand, noch tot hem
spreken, noch hem in huis ontvangen; daarbij achtte
ook gene zelf het onrechtvaardig tegen het verbod zoo
iets te beproeven, doch voortdurend zwierf hij
door de zuilengangen. Op den vierden dag, toen
Periander hem in vuilheid en honger geraakt zag,
gevoelde hij medelijden; hij bedwong zijn toorn,
trad op hem af en zeide: "o knaap, wat van beiden is
u verkieslijker; te zijn als ge nu zijt, of de
heerschappij en de goederen, die ik heb, te
ontvangen, gehoorzaam aan uw vader? Gij, die mijn
zoon zijt en koning van het rijke Corinthe, hebt het
leven van een zwerver gekozen, in opstand en toorn
tegen hem, tegen wien gij geenszins behoordet te
toornen. Want indien er eenig onheil is
geschied, en gij een verdenking tegen mij hebt, dan
is dat onheil ook mij overkomen en ben ik er
des te méér door getroffen, naar mate
ik zelf het bewerkt heb; - gij daarom, inziende,
hoeveel beter het is benijd te worden dan beklaagd,
en ook wat het is tegen zijn ouders en zijn
meerderen te toornen, keer terug in mijn woning."
Periander dan greep hem met die woorden aan, doch
gene antwoordde zijn vader anders niets, doch zeide,
dat deze de heilige boete aan den god schuldig was,
daar hij tot hem gesproken had. En Periander
begreep, dat de kwaal van zijn zoon niet te heelen
was en onverwinbaar, en zond hem weg uit zijn oogen,
een schip naar Cercyra sturend, want ook daarover
heerschte hij. En toen hij hem weggezonden had, trok
Periander op tegen zijn schoonvader Procles, als de
grootste oorzaak van zijn tegenwoordigen toestand,
en hij nam Epidaurus, en hij nam ook Procles, en
greep dien levend.
53. Toen echter bij het
voortschrijden van den tijd Periander oud begon te
worden en gevoelde, dat hij niet meer bij machte was
zijn zaken te overzien en te besturen, zond hij naar
Cercyra en riep Lycophron tot de heerschappij; want
in den oudsten van zijn zoons zag hij dat
niet, doch die scheen hem zwak in verstand. Doch
Lycophron keurde den brenger van de boodschap zelfs
geen antwoord waardig. En Periander, zeer hangend
aan den jongeling, zond wederom tot genen, nu diens
zuster, zijn eigene dochter, meenende dat gene haar
het meest zou volgen. Toen zij gekomen was en zeide:
"o knaap, wilt gij dan dat de heerschappij op
anderen komt en het huis van uw vader uiteenvalt,
liever, dan dat gij terugkeert en ze neemt? Keer
weder naar huis, en houd op u zelf te straffen. Een
ijdel goed is trotschheid. Heel niet het kwaad met
een kwaad. Velen verkiezen het zachtere boven het
strengere recht; velen ook reeds hun moederlijk recht
zoekende verloren hun vaderlijk deel. Een
zwak ding is de heerschappij; velen zijn er, die ze
begeeren, gene is reeds een grijsaard en voorbij de
kracht zijns levens: geef niet aan anderen uw goed."
Zij nu sprak de meest overredende dingen tot hem,
door haar vader onderricht, doch hij zeide tot
antwoord nimmer naar Corinthe te zullen komen,
zoolang hij wist, dat zijn vader nog leefde. Toen
zij dat overgebracht had, zond Periander voor de
derde maal een bode: hij wilde zelf naar Cercyra
gaan, doch gene, verzocht hij, zou naar Corinthe
komen en opvolger in de heerschappij worden. Toen de
jongeling daarin toestemde, rustte Periander zich
uit voor Cercyra, en zijn zoon voor Corinthe. Doch
de Cercyraeërs vernamen dat alles, en opdat
Periander niet in hun land zou komen, doodden zij
den jongeling. En daarom wilde Periander zich op de
Cercyraeërs wreken.
54. Toen de Lacedaemoniërs met
een groote macht gekomen waren, belegerden zij
Samos. Zij grepen de muur aan en beklommen den
toren, die bij de voorstad aan de zee staat; doch
daarna, toen Polycrates zelf met veel volk
toeschoot, werden zij weder verjaagd. Bij den hooger
gelegen toren echter op den rug van den berg deden
de huurlingen en velen der Samiërs zelven een
uitval, doch zij hielden het korten tijd uit tegen
de Lacedaemoniërs en vluchtten terug; en genen
volgden en doodden.
55. Indien nu de Lacedaemoniërs
daar op dien dag gelijk geweest waren aan Archias en
Lycopas, ware Samos genomen geworden. Want Archias
en Lycopas alleen met de vluchtelingen in de stad
gevallen en afgesloten van den weg terug, kwamen om
in de stad der Samiërs. Den in het derde
geslacht uit dezen Archias gesprotenen anderen
Archias, zoon van Samius, Archias´ zoon, dezen
ontmoette ik zelf in Pitane (want hij was van dien
wijk), en hij eerde van alle vreemdelingen de
Samiërs het meest, en hij zeide, dat aan zijn
vader de naam Samius was gegeven, daar diens vader
Archias in Samos als een held was gestorven. De
Samiërs zeide hij te eeren, wijl zijn
grootvader op staatskosten door de Samiërs
begraven was.
56. Doch de Lacedaemoniërs,
toen zij veertig dagen Samos belegerd hadden, zonder
dat de onderneming iets verder kwam, keerden terug
naar den Peloponnesus. En naar een minder
waarschijnlijk verhaal, dat zich verspreid heeft,
had Polycrates een menigte inlandsch geld uit lood
laten slaan en vergulden, en dat hunb gegeven, en
zij hadden het aangenomen en zoo dan waren zij
weggegaan. Dit was de eerste tocht, dien de
Lacedaemonische Doriërs naar Azië maakten.
57. De Samiërs, die tegen
Polycrates waren opgetrokken, voeren, toen de
Lacedaemoniërs hen achterlaten wilden, ook zelf
weg naar Siphnus. Want zij hadden geld noodig en de
zaken der Siphniërs bloeiden in dien tijd, en
zij waren het rijkst van de eilanders, daar zij in
het eiland mijnen van goud en van zilver hadden,
zoodat zij van het tiende der daaruit gekomen gelden
te Delphi een schat wijdden, niet minder dan den
rijkste; de opbrengst van ieder jaar verdeelden zij
onder allen. Toen zij nu dien schat wijdden, vroegen
zij het orakel of hun tegenwoordig geluk volgens den
wil der goden nog veel tijd zou blijven, en de
Pythia antwoordde hun het volgende:
Doch mocht eenmaal in Siphnus gansch wit het
raadhuis toch worden,
Wit van zand ook de markt, voorwaar dan betaamt het
den schrandren
Wakend te zijn voor de houtene schare en den rooden
verkonder.
De Siphniërs namelijk hadden toen de markt en
het raadhuis met parischen steen versierd.
58. Dit antwoord waren zij niet bij
machte te verstaan, noch toen dadelijk, noch toen de
Samiërs waren aangekomen. Want zoodra de
Samiërs bij Siphnus aangelegd hadden, zonden
zij een der schepen met gezanten naar de stad.
Oudtijds nu waren alle schepen met menie bestreken,
en dat was het, dat de Pythia den Samiërs [??
Kox: Siphniërs] had aangezegd, hen bevelende
zich te hoeden voor de houten schare en den rooden
verkonder. De boden nu, aangekomen, vroegen de
Siphniërs hun tien talenten te leenen, en toen
de Siphniërs weigerden hun te leenen,
verwoestten de Samiërs hun velden. De
Siphniërs vernamen dit, schoten terstond toe,
en met genen in gevecht geraakt, werden zij
overwonnen, en velen van hen werden door de
Samiërs van de stad afgesloten, en honderd
talenten dwongen genen hen daarna af.
59. Van de Hermioniërs kregen
zij voor geld het eiland Hydrea bij den Peloponnesus
en stelden dat onder de hoede van de
Troezeniërs; zelf echter grondden zij Cydonia
op Creta, niet daarom juist er heen gevaren,
doch om de Zacynthiërs uit het eiland te
verdrijven. Vijf jaren bleven zij daar en waren in
welstand, zoodat zij het zijn, die de nu in Cydonia
aanwezige tempels bouwden en den tempel van Dictyna.
In het zesde jaar overwonnen hen de Aegineten met de
Creters in een zeeslag en maakten hen tot slaven, en
de snavels der schepen, in den vorm van een zwijn,
die hieuwen zij af en wijdden ze in den tempel van
Athenaia in Aegina. Dit deden de Aegineten uit wrok
tegen de Samiërs. Want vroeger, toen
Amphicrates in Samos koning was, waren de
Samiërs tegen Aegina uitgetrokken en hadden de
Aegineten veel kwaad gedaan en veel ook van hen
geleden. Deze nu was de reden.
60. Ik heb langer over de
Samiërs gesproken, omdat drie van de grootste
werken bij alle Hellenen door hen zijn uitgevoerd. Vooreerst
door een berg heen, honderd en vijftig vademen hoog,
daardoorheen, van onderen beginnende, een koker met
twee monden. De lengte van dien koker is zeven
stadiën, hoogte en breedte ieder acht voeten.
Over zijn geheele lengte is een andere koker er
onder gegraven, twintig ellen diep, en drie
voet in lengte, door welken het water, stroomend
door pijpen, uit een groote bron in de stad komt. De
bouwmeester van dit graafwerk was de Megareër
Eupalinus, zoon van Naustrophus. Dit nu is een van
de drie; het tweede werk is een dam om den
haven bij de zee, wel twintig vademen diep; de
lengte van den dam is meer dan twee stadiën.
Ten derde hebben zij den grootsten tempel gebouwd
van alle tempels, die wij kennen; de eerste
bouwmeester daarvan was Roecus, Philas´ zoon,
een man uit het land. Om die zaken heb ik wat langer
over de Samiërs gesproken.
61. Terwijl Cambyses, Cyrus´
zoon, in Egypte verwijlde en raasde, stonden twee
Magiërs tegen hem op, broeders, van welke
Cambyses den eenen als bestuurder van zijn huis had
achtergelaten. Deze nu was opgestaan, vernemende,
dat de dood van Smerdis verborgen was gehouden, en
er weinigen van de Perzen waren, die er van wisten,
terwijl de meesten hem in leven waanden. Daarop
rekenend maakte hij den volgenden aanslag tegen het
koningschap. Hij had een broeder, die naar ik zeide
met hem opstond, in uiterlijk zeer sterk gelijkend
op Smerdis, Cyrus´ zoon, dien Cambyses, hoewel
zijnen eigenen broeder, gedood had. Hij was in
uiterlijk gelijkend op Smerdis, en zelfs had hij ook
den zelfden naam Smerdis. Dezen man nu overreedde de
Magiër Patizeithes, dat hij zelf alles voor hem
doen zou, en hij plaatste hem op den koninklijken
troon. Daarna zond hij herauten overal elders heen
en ook dan naar Egypte om aan het leger te
verkondigen, dat voortaan aan Smerdis, Cyrus´
zoon, moest gehoorzaamd worden, en niet aan
Cambyses.
62. De andere herauten dan
verkondigden dit; en ook dan de naar Egypte
gezondene - want hij vond Cambyses met zijn leger in
het Syrische Agbatana - trad voor het leger en
verkondigde wat door den Magiër opgedragen was.
Cambyses dit van den heraut hoorende, geloofde dat
gene de waarheid sprak en hij zelf door Prexaspes
verraden was: dat deze namelijk, gezonden om Smerdis
te dooden, dat niet gedaan had; hij zag Prexaspes
aan en sprak: "Prexaspes, hebt ge zóó
den taak volbracht, dien ik u opdroeg?" Gene
antwoordde: "o heer, dat is niet waar, dat uw
broeder Smerdis tegen u is opgestaan, noch dat u uit
dien man eenige strijd zal komen, noch groot noch
klein. Want ik zelf, doende wat gij mij bevaalt, heb
hem met mijn eigen handen begraven. Indien nu de
dooden opstaan kunnen, verwacht dan ook, dat
Astyages, de Meed, weder op zal staan; is het echter
zooals vroeger, dan zal nimmer uit dien man iets
kwaads voor u groeien. Nu echter meen ik, dat wij
den heraut moeten laten achterhalen, en hem
onderzoeken en uitvragen, van wien komende hij ons
beveelt koning Smerdis te gehoorzamen."
63. Dit zeide Prexaspes, en daar het
Cambyses beviel, werd de heraut terstond achterhaald
en hij kwam. En bij zijn komst vroeg Prexaspes hem
het volgende. "o Mensch, gij beweert toch als bode
te komen van Smerdis, zoon van Cyrus; nu dan zeg de
waarheid en ga ongedeerd heen, of Smerdis zelf voor
uw oogen getreden u dat opgedragen heeft, of iemand
van zijn dienstbaren." Gene zeide: "ik heb Smerdis,
den zoon van Cyrus, sinds koning Cambyses naar
Egypte getrokken is, nimmer gezien. Doch de
Magiër, dien Cambyses als bewaker van zijn huis
heeft aangesteld, deze beval mij dit, zeggende dat
het Smerdis, Cyrus´ zoon, was, die opdroeg dit
tot u lieden te zeggen." Hij nu zeide hun dit, en
bedroog niets, doch Cambyses sprak: "Prexaspes, als
een braaf man verrichttet gij het bevolene, en zijt
de schuld ontvlucht; doch welk man der Perzen zou de
opstandeling wezen, die zich den naam van Smerdis
aanmatigt?" En gene antwoordde: "ik meen het
geschiede te begrijpen, o koning; de Magiërs
zijn de opgestanen, Patizeithes, dien ge als
verzorger van uw huis achterliet, en diens broeder
Smerdis."
64. En terstond als Cambyses den
naam van Smerdis hoorde, sloeg hem de waarheid der
woorden en van den droom, daar hij in den droom
gemeend had, dat iemand hem boodschapte, hoe Smerdis
op den koninklijken troon gezeten met het hoofd den
hemel beroerde. En inziend, dat hij om niet zijn
broeder gedood had, beweende hij Smerdis luid. En
toen hij geweend had en gejammerd over het gansche
onheil, sprong hij te paard, van zins ten spoedigste
naar Susa tegen den Magiër op te trekken. En
bij het te paard springen viel de knop der schede
van zijn zwaard af, en het ontbloote zwaard trof de
heup. Gewond op de zelfde plaats, waar hij vroeger
den god der Egyptenaars Apis getroffen had, vroeg
hij, daar hij door een ernstigen stoot
meende gewond te zijn, welke de naam der stad was.
En zij zeiden Agbatana. Doch hem was vroeger uit de
stad Buto voorspeld, dat hij in Agbatana zijn leven
zou eindigen. Hij nu had gemeend als grijzaard in
het Medische Agbatana te zullen sterven, waar al
zijn macht was, doch het orakel bedoelde Agbatana in
Syrië derhalve. En toen hij dan op zijn vragen
den naam der stad vernomen had, getroffen door den
ramp uit den Magiër en zijn wond, kwam hij bij
zinnen, en het orakel begrijpend, zeide hij:
"dáár is het Cambyses, den zoon van
Cyrus, beschoren te sterven."
65. Toen nu zeide hij
slechts zooveel. Doch ongeveer twintig dagen later
ontbood hij de aanzienlijksten der aanwezige Perzen
en sprak tot hen het volgende: "o Perzen, mijn
onheil dwingt mij, wat ik het meest van alle
zaken verborgen heb, dat u te openbaren. Ik toch in
Egypte zijnde, zag een gezicht in den slaap, - dat
ik nimmer gezien mocht hebben! -: want een bode,
docht mij, kwam mij uit huis melden, dat Smerdis op
den koninklijken troon gezeten met het hoofd den
hemel raakte. In vrees nu, dat ik door mijn broeder
het rijk verliezen zou, handelde ik meer snel dan
verstandig: want het was gewis niet in den aard des
menschen het komende af te wenden, doch ik dwaze
zond Prexaspes naar Susa om Smerdis te dooden. Toen
de zware misdaad volbracht was, leefde ik
onbevreesd, geenszins overwegende, dat een ander der
menschen na de verwijdering van Smerdis tegen mij op
zou staan. Doch ganschlijk dwalende in wat
geschieden zou, ben ik broedermoorder, zonder
noodzaak, en toch niets minder van de heerschappij
beroofd; want Smerdis de Magiër was het, dien
de godheid mij in het droomgezicht als opstandeling
toonde. De daad nu is gedaan, en gij, rekent
Smerdis, den zoon van Cyrus, niet meer tot de uwen;
de Magiërs echter zijn u meesters van de
heerschappij, hij, dien ik als verzorger van
mijn huis achter liet en diens broeder Smerdis. Hij
nu, die het eerst mij, den door de Magiërs zoo
schandelijk behandelde, wreken moest, deze is op
goddelooze wijze omgekomen door zijn naaste
verwanten; en nu gene er niet meer is, is het verder
zeer noodzakelijk voor mij, u, o Perzen, op te
dragen, wat ik wil dat na mijn dood zal geschieden.
En dit daarom vermaan ik, de koninklijke goden
aanroepend, èn aan u allen èn vooral
aan de Achaemeniden hier, niet te dulden, dat de
heerschappij weder op de Meden overgaat, doch indien
genen door list haar verworven hebben, vermaan
ik, dat zij door list weder door u ontnomen
wordt; indien zij door eenig geweld haar hebben
veroverd, redt haar dan door geweld met alle kracht
terug. En als gij zóó doet, moge de
aarde u vrucht dragen en uw vrouwen en uw kudden
baren, en voor allen tijd zult gij vrij zijn; redt
gij de heerschappij niet weder, noch beproeft gij
haar te redden, dan wensch ik dat het tegendeel
daarvan u moge geworden, en daarbij nog dat aan
ieder der Perzen het einde moge komen, dat mij
gekomen is." En dit zeggende beklaagde Cambyses
geheel zijn eigen lot.
66. Toen de Perzen den koning zagen
weenen, scheurden zij, wat zij voor kleederen aan
zich hadden, dat scheurden zij stuk, en verhieven
overvloedige klachten. Daarop, toen het been
aangegrepen werd en de heup spoedig ging rotten,
droeg de kwaal Cambyses weg, den zoon van
Cyrus, die in ´t geheel zeven jaren en vijf
maanden geheerscht had, en gansch zonder eenig kind
was van manlijk of vrouwlijk geslacht. Doch bij de
aanwezige Perzen was veel argwaan ingedrongen, dat
de Magiërs de macht niet zouden hebben, doch
zij geloofden, dat Cambyses uit belastering gezegd
had, wat hij over Smerdis´ dood had gezegd,
opdat gansch het Perzische volk vijandig tegen genen
zou wezen. Zij geloofden dan, dat Smerdis,
Cyrus´ zoon, koning was geworden. Want ook
Prexaspes loochende heftig, dat hij Smerdis gedood
had; want niet was het na Cambyses´ dood
veilig voor hem te beweren, dat hij den zoon van
Cyrus met eigen hand had verdorven.
67. De Magiër dan was na
Cambyses´ dood zonder vrees koning, steunende
op zijn naamgenoot Smerdis, den zoon van Cyrus,
gedurende de zeven maanden die nog na Cambyses ter
aanvulling van het achtste jaar overig waren; daarin
bewees hij al zijn onderdanen groote weldaden,
zoodat bij zijn dood allen grooten smart om hem
hadden, behalve de Perzen. Want de Magiër zond
boden naar elk der volken, waarover hij
heerschte, en kondigde voor drie jaren vrijdom van
dienstplichtigheid en belasting aan.
68. Hij nu kondigde dat aan,
terstond bij zijn komst aan het bestuur, doch in de
achtste maand bleek, wie hij was, op de volgende
wijze. Otanes was de zoon van Pharnaspes, in
geslacht en in goederen gelijk aan den eersten der
Perzen. Deze Otanes nu argwaande het eerst, dat de
Magiër niet Smerdis, zoon van Cyrus, was, doch
die hij inderdaad was, daarnaar gissende, dat hij
niet buiten de burcht kwam, en dat hij niemand van
de voorname Perzen voor zijn aangezicht riep; en zoo
argwanend deed hij het volgende. Cambyses had een
dochter van hem tot vrouw, die Phaedyme heette; deze
zelfde had de Magiër toen en hij leefde met
haar en met alle andere vrouwen van Cambyses. Otanes
zond daarom naar die dochter en vroeg bij wien der
menschen zij sliep, hetzij met Smerdis, Cyrus´
zoon, hetzij met een ander. Zij zond antwoord
terug, zeggende het niet te weten: want noch had zij
Smerdis, Cyrus´ zoon, ooit gezien, noch wist
zij, wie het was, die met haar leefde. Ten tweede
maal zond Otanes, zeggende: "indien gij zelf
Smerdis, Cyrus´ zoon niet kent, vraag gij dan
aan Atossa, met wien zij zelf leeft en ook gij; want
zij kent gewis haar eigen broeder." Daarop meldde de
dochter terug: "noch kan ik Atossa spreken, noch
iemand anders van de met mij wonende vrouwen zien.
Want zoodra deze mensch, wie hij dan zij, de
heerschappij overgenomen heeft, heeft hij ons
verspreid en ieder een andere plaats aangewezen."
69. Toen Otanes dat hoorde, werd hem
de zaak reeds meer duidelijk. Hij zond een derde
boodschap tot haar, die het volgende zeide: "O
dochter, gij, van zoo edele geboorte, moet het
gevaar op u nemen, dat uw vader u raadt te wagen.
Want indien hij niet Smerdis, Cyrus´ zoon is,
doch dien ik vermoed, dan moet hij niet, slapende
met u en de macht der Perzen hebbende, ongedeerd
heenkomen, doch zijn straf krijgen. Nu dan, doe het
volgende. Wanneer hij bij u ligt, en gij hem in
slaap ziet, betast zijn ooren; en indien hij ooren
blijkt te hebben, weet dan, dat ge met Smerdis, den
zoon van Cyrus leeft; doch heeft hij ze niet, dan
met den Magiër Smerdis." Phaedyme antwoordde
daarop, zeggende dat zij groot gevaar zou loopen,
indien zij dat deed; want indien hij geen ooren had,
en zij betrapt zou worden, daar ze hem betastte,
dan, wist ze wel, zou hij haar dooden. Maar toch zou
ze het doen. Zij dan beloofde dit voor haar vader te
zullen doen; van dien Magiër echter, Smerdis,
had Cyrus, Cambyses´ zoon, de ooren afgesneden
om een niet geringe reden. Deze Phaedyme nu, de
dochter van Otanes, volbracht alles, wat zij haar
vader beloofd had, en nadat haar beurt gekomen was
om tot den Magiër te gaan, - want bij de Perzen
gaan de vrouwen in volgorde tot hun man -,
kwam zij tot hem en sliep, en toen de Magiër
diep in rust was, tastte zij naar zijn ooren. Toen
zij niet met moeite, doch gemaklijk bevonden had,
dat de man de ooren miste, zond zij, zoodra het dag
was geworden, en meldde haar vader de waarheid.
70. Doch Otanes nam Aspathines en
Gobryas tot zich, de eersten der Perzen en hem
geheel toegedaan in trouw, en deelde hun de gansche
zaak mede. En zij hadden ook zelf reeds vermoed, dat
het zoo was, en toen Otanes hun de zaak had
verhaald, namen zij zijn voorslagen aan. En zij
besloten, dat ieder van hen een der Perzen
als deelgenoot zou kiezen, dien hij het meest
vertrouwde. En Otanes nu bracht Intaphrenes aan,
Gobryas Megabyzus, Aspathines Hydarnes. En toen
dezen zes in getal waren, kwam in Susa
Darius, zoon van Hystaspes, uit Perzië
reizende; want daarover toch was zijn vader
onderkoning. Toen deze gekomen was, ebsloten die zes
Perzen ook Darius deelgenoot te maken.
71. Dezen nu kwamen te samen, zeven
in getal, en gaven elkander trouw en redenen. En
toen het aan Darius gekomen was zijn meening te
openbaren, zeide hij hun het volgende: "ik nu meende
zelf alleen dit te weten, èn dat de
regeerende de Magiër is, èn Smerdis,
Cyrus´ zoon, gestorven. En juist daarom kom ik
met haast hier, om den Magiër den dood te
bereiden. Doch nu het treft, dat ook gij het weet en
niet ik alleen, moeten wij, naar mijn meening,
terstond handelen en niet uitstellen; dat bekwame
ons slecht." Hierop antwoordde Otanes: "o zoon van
Hystaspes, gij zijt van een goeden vader en betoont
uzelven als geen mindere te zijn dan uw vader; doch
dezen aanslag, verhaast hem zoo niet onberaden, doch
grijp hem met meer bezonnenheid aan, want wij moeten
méér in aantal zij en dan de daad
doen." Darius zeide daarop: "gij mannen hier, indien
gij volgens de door Otanes gezegde wijze handelt,
weet dan, dat gij op het slechtst omkomt; want
iemand zal het aan den Magiër overbrengen, voor
zich zelven alleen een winst beoogend. Doch gij
behoordet op eigen hand dat verricht te hebben; doch
daar gij besloten hebt de zaak aan meer anderen te
vertellen en gij ook mij ze vertrouwd hebt,
òf laat ons heden handelen, òf weet
wel: indien de dag van heden verstreken is, dan zal
geen ander mij vóór zijn als mij
beschuldiger, doch ik zelf zal u aanklagen bij den
Magiër!"
72. Hierop zeide Otanes, toen hij
Darius zoo driftig zag: "daar ge ons dwingt te
haasten en niet toelaat uit te stellen, welaan leg
ons uit, gij zelf, op welke wijze wij in het paleis
zullen dringen en hen, de Magiërs, aanvallen
zullen. Want dat overal wachten geplaatst zijn, weet
ook gij zelf, indien niet van zien, dan van hooren,
en die, hoe zullen wij hen voorbijkomen?" Darius
antwoordde met het volgende: "Otanes, waarlijk, veel
is er, dat men met het woord niet kan verklaren,
doch door de daad, en andere dingen zijn er, die men
door het woord kan bewijzen, doch geen
enkele luisterrijke daad komt uit hen. Doch gij
lieden weet, dat het geenszins moeilijk is de
geplaatste wachters voorbij te gaan. Want vooreerst,
daar wij van zulk een aanzien zijn, is er niemand,
die ons niet voorbij zal laten, deels uit eerbied
voor ons, deels ook uit vrees; ten tweede heb ik
zelf het schoonste voorwendsel, waaronder wij
voorbij kunnen gaan, bewerende, dat ik zooeven van
Perzië kom en een woord van mijn vader aan den
koning wil overbrengen. Want waar een leugen moet
gezegd worden, men zegge ze. Want naar hetzelfde
streven wij, zij die liegen en zij die de waarheid
spreken. Want de eersten liegen dan, als zij door
hun bedrog kunnende overtuigen winst zullen hebben;
genen spreken waarheid, opdat zij door de waarheid
winst verwerven en men hun meer vertrouwen schenkt.
Zoo dan, niet het zelfde betrachtende, streven wij
naar het zelfde. Indien zij geen voordeel zouden
hebben, even goed zou dan de waarheidspreker
leugenaar zijn, en de leugenaar waarheidspreker. Wie
nu van de poortwachters ons vrijwillig voorbij laat,
dien zal het in de toekomst wel gaan; doch die
tracht ons tegen te treden, die worde ook daar als
vijand beschouwd, en dan naar binnen gedrongen komen
wij tot de daad."
73. Hierop zeide Gobryas: "mannen
vrienden, wanneer zal ons een schoonere gelegenheid
komen om de heerschappij terug te redden, of, indien
wij haar niet zullen kunnen winnen, te sterven? Daar
wij toch, Perzen zijnde, beheerscht worden door een
Meed, een Magiër, en dien nog zonder ooren.
Zoovelen van u bij Cambyses´ ziekte waren,
herinnert u toch goed wat hij, op het einde van zijn
leven over de Perzen vloekte, als zij de
heerschappij niet weder trachtten te verwerven; wat
wij toen niet aannamen, daar wij meenden dat
Cambyses tot belastering zoo sprak. Nu dus geef ik
mijn stem om Darius te volgen en niet uit deze
samenkomst te scheiden om ergens anders heen te
gaan, dan terstond tot den Magiër." Dit zeide
Gobryas en allen prezen hem daarin.
74. Terwijl zij dit beraadslaagden,
gebeurde door toeval het volgende. De Magiërs
hadden beraadslaagd en besloten Prexaspes als vriend
aan zich te verbinden, daar hij van Cambyses
smadelijke dingen ondervonden had, die hem zijn zoon
met den boog had doodgeschoten, en omdat hij alleen
den dood van Smerdis, Cyrus´ zoon, wist, met
eigen hand hem doodend, en bovendien Prexaspes in
het grootste aanzien bij de Perzen was. Daarom dan
riepen zij hem en maakten hem vriend, met trouw en
eeden hem bindend, dat hij hun bedrog van de Perzen
bij zich zou houden en aan niemand mededeelen, en
zij beloofden hem alle ontelbare dingen te zullen
geven. Toen Prexaspes beloofd had dat te zullen
doen, en de Magiërs hem eerst daartoe
overreed hadden, droegen zij hem daarna op, (zelf
bewerende alle Perzen bijeen te zullen roepen voor
de koningsburcht) dat hij, bevalen zij, op een toren
geklommen zeggen zou, dat genen door Smerdis,
Cyrus´ zoon, beheerscht werden en door geen
ander. Dit droegen zij hem zoo op, daar hij het
meeste vertrouwen had bij de Perzen, en dikwijls
verklaard had, dat Smerdis, Cyrus´ zoon,
leefde, en zijn vermoording ontkend had.
75. Toen Prexaspes zeide bereid te
zijn ook dat te doen, riepen de Magiërs de
Perzen bijeen en plaatsten genen op een toren, en
bevalen hem te spreken. Hij nu, wat zij hem hadden
verzocht, dat vergat hij opzettelijk, doch bij
Achaemenes beginnende haalde hij het geslacht van
Cyrus op; daarna, toen hij ten slotte bij dezen
gekomen was, verhaalde hij hoeveel goeds Cyrus de
Perzen had aangedaan, en dat verhaald hebbende
openbaarde hij de waarheid, zeggende ze vroeger
verborgen te hebben (want hij kon niet in veiligheid
het ware zeggen), doch dat thans de noodzakelijkheid
hem drong ze te openbaren. En hij zeide ook, dat hij
zelf, door Cambyses gedwongen, Smerdis, Cyrus´
zoon, gedood had, en dat de Magiërs heerschten.
En de Perzen veel verwenschende, indien zij de
heerschappij niet zouden terugwinnen en op de
Magiërs zich wreken, wierp hij zich zelf, het
hoofd omlaag, van den toren naar beneden. Prexaspes
nu, al den tijd zijns levens een
achtenswaardig man, kwam zoo aan zijn einde.
76. De zeven Perzen nu, toen zij
besloten hadden terstond de Magiërs aan te
vallen en niet uit te stellen, gingen, na gebed tot
de goden, niets wetende van wat met Prexaspes was
geschied. En zij waren in hun gang halverwege
gekomen en vernamen wat met Prexaspes gebeurd was.
Toen gingen zij van den weg en spraken wederom met
elkander, en de aanhangers van Otanes
drongen sterk aan uit te stellen, doch Darius en de
zijnen drongen om terstond te gaan en het beslotene
zonder uitstel te volvoeren. Terwijl zij twistten
verschenen zeven paren havikken, die twee paar
gieren najoegen en plukten en verscheurden. En de
zeven dit ziende keurden allen de meening van Darius
goed en in vertrouwen op de vogels trokken zij naar
het paleis. En bij de poort gekomen, geschiedde hun
wat Darius verwacht had; want de wachters, in
eerbied voor de eerste mannen der Perzen en niet
verwachtend, dat zoo iets door hen gebeuren zou,
lieten hen voorbij door goddelijke beschikking, noch
vroeg iemand iets. Toen zij ook in den
voorhof waren gekomen, stieten zij op de gesnedenen,
die boodschappen brengen; dezen vroegen wat zij
kwamen doen, en tevens, daar zij dit vroegen,
dreigden zij de poortwachters, wijl zij genen hadden
doorgelaten, en zij weerhielden de zeven, die verder
wilden doorgaan. En dezen spoorden elkander aan, en
de dolken trekkend stieten zij de tegenhoudenden
daar zelf neder, en gingen zelf op een draf naar het
mannenvertrek.
78. De beide Magiërs waren toen
juist binnen en beraadslaagden over de daad van
Prexaspes. Toen zij nu de gesnedenen in verwarring
zagen en schreeuwende, liepen zij beiden weder terug
en daar zij begrepen, wat geschied was, stelden zij
zich te weer. De een nu van hen nam spoedig boog en
pijl van den wand, de ander greep naar den speer.
Toen dan werden zij handgemeen met elkander. Hem nu
van hen, die boog en pijlen genomen had, waren zij
van geen nut, daar de vijanden dichtbij waren en
aandrongen; doch de ander weerde zich met den speer
en trof eerst Aspathines in de heup, daarna
Intaphrenes in het oog; en Intaphrenes verloor zijn
oog door die verwonding, hij stierf echter niet. De
eene der Magiërs dan wondde dezen; de ander
echter, daar zijn boog en pijlen hem van geen nut
waren, - de slaapkamer toch was naast het
mannenvertrek -, daarheen vluchtte hij, en wilde de
deur er van sluiten. Doch met hem vielen twee van de
zeven binnen, Darius en Gobryas. En daar Gobryas met
den Magiër worstelde, stond Darius er bij in
verlegenheid door de duisternis, daar hij vreesde
Gobryas te zullen treffen. En Gobryas hem werkeloos
er bij ziende staan, vroeg waarom hij zijn hand niet
gebruikte, en gene antwoordde: "uit vrees voor u,
dat ik u treffe." Gobryas antwoordde: "stoot uw
zwaard door ons beiden, als het moet." En Darius
gehoorzaamde en stiet en trof door toeval den
Magiër.
79. Toen zij de Magiërs gedood
hadden en hun hoofden afgehouwen, lieten zij hun
gewonden daar achter èn om hun zwakte
èn tot bewaking van de burcht; doch de vijf
van hen, de hoofden der Magiërs dragend, liepen
met geschreeuw en geraas rond en riepen de andere
Perzen er bij, en verklaarden de zaak en toonden de
hoofden, en tevens doodden zij iederen Magiër,
die hun in den weg kwam. De Perzen, vernemend wat
door de zeven geschied was en het bedrog van de
Magiërs, besloten ook zelf hetzelfde te doen:
zij trokken hun dolken en doodden, waar zij een
Magiër vonden. En indien de nacht niet was
gevallen en hen weerhouden had, zouden zij geen
enkelen Magiër overgelaten hebben. Dien dag
vieren de Perzen onder elkander het meest der dagen,
en zij vieren daarop een groot feest, dat door de
Perzen de Magiër-moord genoemd wordt; daarbij
mag geen enkele Magiër aan den dag komen, doch
de Magiërs houden zich dien dag in hun huis.
80. Toen de verwarring was bedaard
en vijf dagen waren voorbijgegaan, beraadslaagden de
tegen de Magiërs opgestanen over den ganschen
toestand, en redenen werden gesproken,
ongeloofwaardig voor sommige der Hellenen, maar toch
werden zij gesproken. Otanes nu ried de heerschappij
aan het perzische volk te geven, het volgende
zeggende: "mij schijnt het, dat geen van ons
alleenheerscher moet worden; want noch is dat
aangenaam, noch goed. Want gij weet, hoe ver de
overmoed van Cambyses is gegaan, en gij ondervondt
ook den overmoed van den Magiër. En hoe zou de
alleenheerschappij een wel ingerichte zaak zijn,
waarin men zonder verantwoording doen kan, wat men
wil? Want zelfs den besten man, die tot zulk een
heerschappij geraakt, zou zij tot andere dan de
gewone opvattingen brengen. Want overmoed wordt in
hem geboren door zijn macht over zoo veel goederen,
de nijd echter is reeds van den aanvang den mensch
ingeplant. Door die beide heeft hij tevens alle
slechtheid; want vele en goddelooze daden verricht
hij in zatheid door overmoed, andere weder uit nijd.
Zeker moest een alleenheerschend man zonder nijd
zijn, daar hij al het goede heeft, doch het
tegendeel daarvan pleegt hij tegen zijn medeburgers
te wezen: want hij benijdt de aanzienlijksten daar
zij behouden leven, in de geringsten des volks
verheugt hij zich, en zeer gaarne neemt hij
lasteringen aan. Het onverdraaglijkst is hij van
allen; want als ge hem matig bewondert, toornt hij,
dat hij niet goed gediend wordt; indien iemand hem
sterk dient, toornt hij als op een vleier. En het
grootste zal ik nu zeggen: hij verstoort de
vaderlijke zeden, doet de vrouwen geweld aan, en
doodt zonder recht te doen. Als daarentegen de
menigte heerscht, heeft haar bestuur vooreerst den
schoonsten van alle namen, gelijkheid van rechten;
vervolgens doet zij niets van wat de alleenheerscher
doet; zij deelt de ambten uit door het lot, houdt
ieder ambt onder verantwoording, en brengt alle
besluiten voor het volk. Ik geef dus mijn meening,
dat wij de alleenheerschappij moeten laten varen en
aan de menigte de macht geven: want in het volk is
alles."
81. Otanes dan droeg deze meening
voor, doch Megabyzus ried de heerschappij aan
weinigen op te dragen, het volgende zeggende: ...
[Lees verder op de volgende pagina.]
|