euterpe - tweede boek
92 - 182

92. Deze zijn de gebruiken van de Egyptenaars, die boven de moerassen wonen. De in de moerassen wonenden echter leven onder de zelfde zeden, als waaronder ook de andere Egyptenaars leven, én in andere zaken én ook is ieder van hen met één vrouw gehuwd, gelijk de Hellenen, doch voor het gemakkelijk verkrijgen van spijs hebben zij dit andere uitgedacht: wanneer de rivier vol is en het land en zee geworden, groeien in het water vele leliën, die de Egyptenaars lotus noemen. Deze, wanneer zij ze geplukt hebben, drogen zij in de zon, en daarna stampen zij stuk, wat uit het midden van den lotus uitsteekt en op den slaapbol gelijkt, en maken daarvan brood, dat in 't vuur gebakken wordt. En ook de wortel van dien lotus is eetbaar en smaakt tamelijk zoet, en is rond en in grootte ongeveer als een appel. Er zijn ook nog andere leliën op rozen gelijkend, en dezen ook groeien in de rivier, en daarvan komt de vrucht in een anderen kelk, die naast den anderen uit den wortel schiet, en zij gelijkt het meest in vorm op een wespennest. Daarin zijn vele eetbare korrels, zoo groot als olijvenpitten, en deze worden zoowel versch als gedroogd gegeten. De byblus echter, die in dat jaar gegroeid is, trekken zij eerst uit het moeras, snijden dan het bovenste er van af en gebruiken dat voor andere dingen; doch wat onderaan overgebleven is, ongeveer een el lang, dat eten en verkoopen zij. En zij, die de byblus zeer aangenaam willen gebruiken, roosteren ze in een gloeienden pot en eten ze zoo. Enkelen van hen leven van de visschen alleen, die zij, wanneer zij ze gevangen hebben en de ingewanden weggenomen, in de zon droogen en dan droog opeten.

93. De trekvisschen komen in de rivieren niet zoozeer voor, doch leven meer in de meeren en doen het volgende: wanneer hen de drang tot paren bevangt, zwemmen zij in een school naar de zee. De mannetjes gaan vooruit en laten den hom vallen, en de wijfjes volgen, slikken hem op en worden er door bevrucht. Wanneer zij zwanger zijn geworden in de zee, zwemmen allen terug, ieder naar zijn gewone plaats. Dan echter voeren niet meer dezelfden aan, doch van de wijfjes is dan de aanvoering. En bij die aanvoering van de school doen zij het zelfde wat de mannetjes deden; want zij laten de eitjes vallen, telkens enkele korrels, en de mannetjes die volgen, slikken ze op. Doch deze korrels zijn visschen, en uit de overgeblevene en niet opgeslokte korrels ontstaan de visschen, die opgroeien. Die van hen, welke op den tocht naar zee gevangen worden, blijken aan de linkerzijde van den kop geschaafd te wezen; die echter op den terugtocht, deze zijn aan de rechterzijde geschaafd. Dat hebben zij zoo om de volgende reden: als zij naar zee zwemmen, houden zij zich aan het land aan de linkerzijde van de rivier; en als zij terug zwemmen gaan zij langs de zelfde zijde, zooveel mogelijk daartegen schurend en ze aanrakend, natuurlijk opdat zij den weg niet missen door de strooming. Wanneer de Nijl begint te zwellen, dan beginnen eerst de kuilen van den grond en de moerassen langs de rivier vol te loopen, daar het water uit de rivier doorzakt; en zoodra zij volgeraakt zijn, terstond dan zijn zij ook allen vol van kleine visschen. Vanwaar deze waarschijnlijk komen, meen ik aldus te begrijpen: wanneer de Nijl in het vorige jaar gevallen is, dan leggen de visschen hun eieren in het slijk en trekken eerst met het laatste water weg. Wanneer nu na verloop van den tijd het water terugkomt, dan komen terstond visschen uit die eieren. En met die visschen nu is het aldus.

94. De Egyptenaarst in de moerassen gebruiken olie uit de vrucht van de sillicypriën, die de Egyptenaars kiki noemen, en zij doen het volgende: aan de oevers van de rivieren en de meeren zaaien zij die sillicypriën, die bij de Hellenen van zelf in het wild groeien; deze in Egypte gezaaide sillicypriën dragen veel vrucht, doch slecht riekend; en wanneer zij die geoogst hebben, slaan zij ze fijn en persen ze uit, of wel zij roosten en koken ze, en wat er uitloopt, verzamelen zij. De olie is vet en niet minder bruikbaar voor de lamp dan olijfolie, doch heeft een walgelijke reuk.

96. Tegen de muggen, die overvloedig zijn, hebben zij dit verzonnen. Zij die boven de moerassen wonen, worden door torens geholpen, waarop zij klimmen om te slapen; want de muggen kunnen door de winden niet hoog vliegen. Doch die in de moerassen leven, hebben dit andere verzonnen in plaats van de torens. Iedere man van hen heeft een net, waarmede hij des daags visschen vangt, en des nachts gebruikt hij het op de volgende wijze: het bed, waarin hij rust, daarom heen hangt hij het net, en dan kruipt hij daaronder en slaapt. En de muggen, indien hij in een mantel gewikkeld slaapt of in een laken, bijten daardoor heen, doch door het net heen beproeven zij het niet eenmaal.

96. De vaartuigen waarmede zij lasten vervoeren, worden van de acanthus gemaakt, wier vorm sterk gelijkt op den cyrenaeïschen lotus, en daaruit zweet gom. Van deze acanthus hakken zij planken twee ellen lang, leggen dezen als tegels bijeen en bouwen dan het schip op de volgende wijze: zij verbinden de twee el lange planken met stevige en lange pennen; als zij op die wijze den bodem gebouwd hebben, leggen zij er dwarsbalken over heen. Ribben gebruiken zij gansch niet, en de voegen stoppen zij van binnen met byblus. Zij maken één roer, en dat gaat door den kiel heen. Zij gebruiken een mast van acanthushout, en zeilen van byblus. Deze vaartuigen kunnen niet den stroom op varen, indien er geen felle wind blaast, doch zij worden van het land af getrokken, en stroom af gaan zij aldus: er wordt een uit tamariskenhout vervaardigd raam genomen, dat met riet en vlechtwerk gevuld is, en een doorboorden steen van ongeveer twee talenten gewicht. Van deze beiden laat de schipper het raam aan een touw gebonden voor aan het schip op het water gaan, en den steen aan een ander touw van achteren. Hert raam nu gaat snel door den druk van den stroom, en trekt de bari mede (want dezen naam geven zij aan die vaartuigen), en de steen aan den achterkant medegesleept en in de diepte hangend, richt de beweging. Van deze schepen hebben zij er veel in getal, en sommige dragen vele duizende talenten.

97. Wanneer de Nijl het land overstroomt, ziet men alleen de steden uitsteken, zoo ongeveer op de wijze als de eilanden in de aegaeïsche zee. Want het overige van Egypte wordt zee, doch de steden alleen steken uit. Wanneer dat zoo is, varen de menschen niet meer langs de bedding der rivier, doch midden door de vlakte. Van Naucratis naar Memphis gaat de vaart langs de pyramiden zelf. Dit is niet de gewone weg, doch deze gaat voorbij de spits van het Delta en de stad Cercasorus; vaart ge van de zee en van Canobus uit naar Naucratis, dan zult ge langs de stad Anthylla en de zoogenaamde stad van Archander komen.

98. Van deze beide plaatsen is Anthylla een belangrijke stad, aan de vrouw van den koning, die over Egypte heerscht, voor haar schoeisel aangewezen; dit geschiedt sinds Egypte aan de Perzen onderworpen is. De oudste stad heeft, geloof ik, haar naam naar den schoonzoon van Danaüs, Archander, zoon van Phtius, zoon van Achaeus, want zij heet de stad van Archander. Het kan ook een andere Archander zijn, doch egyptisch is de naam zeker niet.

99. Tot zoover zijn het mijn aanschouwing en mijn oordeel en mijn nasporing, die spreken, doch nu ga ik Egyptische geschiedenissen mededeelen, volgens wat ik hoorde; toch zal daar nog een weinig van mijn eigen aanschouwing bij komen.
Van Menes, die de eerste koning over Egypte was geweest, zeiden de priesters, dat hij vooreerst Memphis omdamd had. Want de rivier liep geheel langs het zandige gebergte naar de zijde van Lybye, en Menes zou hoogerop, ongeveer honderd stadiën van Memphis, den naar den middag loopenden bocht afgedamd, het oude bed uitgedroogd, en de rivier door een kanaal verlegd hebben, zoodat zij midden tusschen de bergen door stroomde. Ook nu nog wordt die bocht van de Nijl, die afgeleid is, zorgvuldig bewaakt en ieder jaar versterkt. Want als de rivier daar zou doorbreken en den oever overschrijden, loopt gansch Memphis gevaar overstroomd te worden. Toen nu Menes, die de eerste koning was, dat afgesneden stuk als vast land gewonnen had, zou hij er dan die stad op gesticht hebben, die thans Memphis heet, - want Membhis ligt nog in het smalle deel van Egypte -, terwijl hij van buiten er een meer om heen uit de rivier groef naar den noordewind en naar den avond (want naar den ochtend is de Nijl zelf de afsluiting); en ook bouwde hij daar den tempel van Hephaestus, die groot is en wel waardig vermeld te worden.

100. Na dezen lazen de priesters uit een boek driehonderd en dertig namen van andere koningen op. Onder zooveel menschengeslachten waren er achttien Aethiopiërs, één vrouw uit het land, en de anderen Egyptische mannen. De vrouw, die koningin was, heette evenals de babylonische, Nitocris. Deze, zeiden zij, wreekte haar broeder, den koning, dien de Egyptenaars gedood hadden, en na zijn dood gaven zij haar de regeering; hem wrekende verdelgde zij vele Egyptenaars door list. Want zij maakte een lang onderaardsch vertrek en wijdde dat in schijn, doch had anders in den zin; zij noodigde de Egyptenaars, die zij het meest mede schuldig aan den moord wist, en onthaalde hen, velen in getal, en daar zij feestten, liet zij de rivier tot hen in door een groot verborgen kanaal. Zooveel verhaalden zij over haar, behalve dat zij zich zelve, toen de daad verricht was, in een vertrek vol asch wierp om de wraak te ontgaan.

101. De andere koningen, - want zij verhaalden geen enkele belangrijke verrichting van hen, - zouden niets groots gedaan hebben, uitgenomen alleen de laatste van hen, Moeris. Deze verrichtte eenige gedenkwaardige werken: de voorhal van den tempel van Hephaestus, die naar den noordewind gericht was, en hij groef een meer, welks omtrek, hoeveel stadiën die bedraagt, ik later zal aangeven, en hij bouwde daar pyramiden in, over wier grootte ik tegelijk met het meer zelf berichten zal. Deze dan verrichtte zoo vele werken, van de anderen niemand iets.

102. Dezen dus voorbijgaand zal ik van den na hen gekomen koning, die Sesostris heette, van dien zal ik melding maken. Deze was, zeiden de priesters, eerst met lange schepen van de Arabische golf uitgetrokken en had de langs de Roode zee wonende volken onderworpen, totdat hij, verder varende, in een door ondiepten niet meer bevaarbare zee gekomen was. Toen hij van daar teruggekeerd was naar Egypte, maakte hij, volgens het bericht der priesters, met een groot leger een veldtocht door het vaste land, en onderwierp ieder volk dat hij ontmoette. Waar hij nu een manhaftig volk vond, dat zich krachtig te weer stelde voor zijn vrijheid, bij dezen richtte hij zuilen op in het land, die met schrift zijn eigen naam aangaven en dien van zijn vaderland, en hoe hij hen door zijn macht onderworpen had; doch bij wie hij zonder strijd en gemakkelijk de steden innam, bij dezen schreef hij op de zuilen het zelfde als bij de dappere volken, en dan nog teekende hij schaamdeelen van een vrouw er bij, duidelijk willende maken, dat zij laf waren geweest.

103. Zoo doende trok hij door het vaste land, totdat hij uit Azië naar Europa overstak en de Scythen onderwierp en de Thraciërs. Doch dit zijn de uitersten, dunkt mij, bij welke het Egyptische leger gekomen is. Want in hun land zijn de opgerichte zuilen te zien, doch verder dan deze niet meer. Daar wendde hij zich om en keerde terug en toen hij bij de rivier Phasis gekomen was, zoo kan ik van daar af niet met zekerheid zeggen of de koning Sesostris zelf een zeker deel van zijn leger afzonderde en als bewoners van dat land achterliet, of dat enkelen van zijn soldaten, ontevreden over den zwerftocht, bij de rivier Phasis achterbleven.

104. Want de Colchiërs zijn klaarblijkelijk Egyptenaars; en ik zeg dit, het zelf hebbende ingezien, vóór ik het van anderen hoorde. Daar ik er belang in stelde, vroeg ik er beiden naar, en de Colchiërs herinnerden zich meer van de Egyptenaars, dan de Egyptenaars van de Colchiërs. Toch beweerden de Egyptenaars, dat de Colchiërs van Sesostris' leger waren, en ik zelf heb het daaruit gegist, en dat zij zwart van huid en dat zij kroesharig zijn. En dit nu zegt niets, want er zijn ook anderen zoo. Doch hieruit heb ik meer afgeleid, dat de Colchiërs en de Egyptenaars en de Ethiopiërs de eenigen onder alle menschen zijn, die zich van oudsher de schaamdeelen besnijden. De Phoeniciërs en de Syriërs in Palestina geven ook zelf toe het van de Egyptenaars geleerd te hebben; doch de Syriërs, die bij de Thermodon en de rivier de Parthenius, en hun buren de Macronen, beweren het kort geleden van de Colchiërs geleerd te hebben. Want dezen zijn de eenigen der menschen, die zich besnijden, en klaarblijkelijk doen zij het den Egyptenaars na. Doch van de Egyptenaars en de Ethiopiërs kan ik niet zeggen, wie van beiden het van de anderen geleerd hebben; want het is zeker iets zeer ouds. Dat de Pheniciërs het door aanraking met de Egyptenaars geleerd hebben, daardoor heb ik dit groote bewijs. Zoo velen der Phoeniciërs met Hellas verkeeren, volgen de Egyptenaars niet meer na in de schaamdeelen, doch zij besnijden de schaamdelen van hun kinderen niet.

105. Welaan, laat ik nu ook iets anders zeggen over de Colchiërs, waarin zij met de Egyptenaars overeenkomen. Zij alleen en de Egyptenaars maken het linnen op de zelfde wijze, en in heel hun leefwijze en in taal gelijken zij veel op elkander. Doch het Colchische linnen wordt door de Hellenen het Sardonische genoemd; wat uit Egypte komt, heet echter het Egyptische.

106. De zuilen, die Sesostris, de koning van Egypte, in de landen oprichtte, bestaan klaarblijkelijk grootendeels niet meer; doch in het Syrische Palestina zag ik er zelf nog en daarop de genoemde opschriften en de schaamdeelen van een vrouw. Er zijn ook in Ionië twee beeltenissen van dien man in rotsen ingehouwen, daar, waar men uit Ephesië naar Phocaea en waar men van Sardes naar Smyrna gaat. Op beide plaatsen is een man in de rots ingehouwen, ter grootte van vijfdehalf el; in de rechterhand houdt hij een speer, in de linker een boog, en met de overige uitrusting is het evenzoo, want zij is deels Egyptisch, deels Ethiopisch. Van den eenen schouder naar den anderen over de borst heen loopen ingegrifte heilige Egyptische letters, zeggende: "ik heb dit land met mijn schouders verworven." Wie hij is, en van waar, geeft hij daar niet te kennen, doch op een andere plaats heeft hij dat aangegeven. Enkelen nu, die deze dingen gezien hebben, gissen dat het een beeltenis van Memnon is, doch ver zijn zij van de waarheid af.

107. Toen de Egyptische Sesostris nu terugtrok, en vele menschen medevoerde van de volkeren, wier land hij onderworpen had, toen hij dan op zijn terugtocht bij het Pelusische Daphnae was gekomen, naar de priesters zeiden, noodigde zijn broeder, aan wien Sesostris Egypte had toevertrouwd, hem op een feest en zijn zoons daarbij, en hoopte buiten om het gebouw hout op, en stak het aan. Toen hij dat merkte, beraadslaagde hij terstond met zijn vrouw, want ook deze had hij medegenomen. En zij ried hem aan twee van zijn zoons, die zes in getal waren, op den stapel te leggen en zoo den brand te overbruggen, en dat zij zelven over genen zouden heen lopen en zich redden. Dit deed Sesostris, en twee van zijn zoons werden op die wijze verbrand, de anderen echter gered met hun vader.

108. Toen Sesostris in Egypte was teruggekeerd en wraak genomen had op zijn broeder, gebruikte hij de schare, die hij uit de onderworpen landen had medegevoerd, voor het volgende: de steenen, die onder dien koning naar den tempel van Hephaestus gebracht werden, geweldig groot, werden door hen aangesleept, en zij waren het, die uit dwang alle kanalen groeven, die nu in Egypte zijn, en zij maakten zonder opzet, dat Egypte, dat vóór dien tijd overal met paarden en met wagens kon bereden worden, dat verloor. Want van dien tijd is Egypte, terwijl het overal vlak is, niet meer berijdbaar voor paarden en voor wagens, en oorzaak daarvan zijn de kanalen, die velen in getal zijn en in alle richtingen loopen. De koning doorsneed het land om de volgende reden: zoovelen onder de Egyptenaren hun steden niet aan de rivier hadden, doch midden in het land, deze moesten, als de rivier weg trok, uit gebrek aan water een tamelijk brakken drank gebruiken, uit putten. Daarom dan werd Egypte doorsneden.

109. Het land had deze koning, zeiden zij, onder alle Egyptenaars verdeeld, terwijl hij aan ieder een gelijk, vierkant stuk gaf, en daaruit trok hij inkomsten, een ieder bevelende jaarlijks een cijns op te brengen. Indien de rivier van iemands stuk iets wegnam, dan ging deze tot hem en vertelde hem het gebeurde; en hij zond menschen om te onderzoeken en op te meten, hoeveel het land kleiner was geworden, opdat gene voortaan naar verhouding van den opgelegden cijns betalen zou. En ik geloof, dat daarbij de landmeetkunde uitgevonden is en naar Hellas gekomen, want wat den zonnewijzer en den schaduwstift en de twaalf deelen van den dag aangaat, die hebben de Hellenen van de Babyloniërs geleerd.

110. Deze koning was ook de eenige van Egypte, die over Ethiopië geheerscht heeft; en als gedenkteekenen liet hij twee steenen standbeelden achter, vóór den tempel van Hephaestus, ter grootte van dertig ellen, zich zelven en zijn vrouw; en zijn zoons, vier in getal, ieder van twintig ellen. En langen tijd daarna wilden de priester van Hephaestus niet veroorlooven, dat Darius de Pers daarvóór zijn beeld plaatste, en zij beweerden, dat door dezen niet zulke werken gedaan waren, als door Sesostris van Egypte. Want Sesostris had ook andere volken onderworpen, niet minder dan gene, en dan ook de Scythen, doch Darius had de Scythen niet kunnen veroveren. En niet dus was het billijk, dat deze zich zelven vóór den wijgeschenken van genen plaatste, terwijl hij hem niet met daden overtroffen had. Darius nu, zeggen zij, had hun deze bewering vergeven.

111. Na Sesostris' dood kwam het koninkrijk aan zijn zoon Phero; deze ondernam geen enkelen veldtocht, en het overkwam hem blind te worden door de volgende zaak. Toen de rivier zeer hoog gestegen was, wel achttien ellen, en de velden overstroomde, toen stak een storm op en de rivier werd in golven bewogen. Deze koning nu, verhalen zij, in overmoed geraakt, nam een speer en wierp die midden in de draaingen der rivier: terstond daarna kreeg hij een ziekte aan de oogen en werd blind. Tien jaren dan was hij blind, en in het elfde jaar kwam tot hem een orakel uit de stad Buto, dat de tijd van zijn straf verstreken was, en hij weder zien zou, als hij de oogen gewasschen had met het water eener vrouw, die alleen bij haar eigen man geweest was, doch andere mannen niet kende. En eerst beproefde hij het met zijn eigen vrouw, daarna, daar hij niet ziend was geworden, achtereenvolgens met alle vrouwen. Toen hij weder zag, bracht hij alle vrouwen, die hij op de proef had gesteld, behalve door wier water hij na wassching ziend was geworden, in één stad bijeen, die nu Erythrobolus heet: daar dan bracht hij ze te zamen en verbrandde allen met de stad zelf. Doch met wier water zich wasschend hij weder ziend was geworden, die hield hij zelf tot vrouw. En nadat hij de kwaal zijner oogen ontkomen was, wijdde hij andere wijgeschenken in alle belangrijke tempels, en wat het meest verdient vermeld te worden, in den tempel van Helios wijdde hij bezienswaarde werken, twee steenen puntzuilen, elk van beiden uit een enkelen steen, en elk honderd ellen lang, en ter breedte van acht ellen.

112. Na dezen kwam het koninkrijk, naar zij zeiden, aan een man uit Memphis, die volgens de Helleensche taal den naam van Proteus had, wiens heiligdom thans in Memphis is, zeer schoon en goed ingericht, en ten opzichte van den tempel van Hephaestus naar den zuidewind gelegen. Om dat heiligdom wonen tyrische Phoeniciërs, en deze plaats wordt in zijn geheel de Tyrische wijk genoemd. In het heiligdom van Proteus is een tempel, genaamd van de vreemde Aphrodite. Ik gis, dat deze de tempel is van Helena, Tyndareus' dochter, én daar ik het verhaal gehoord heb, hoe Helena bij Proteus heefd geleefd, én dan ook wijl hij den bijnaam van de vreemde Aphrodite heeft. Want zoovele andere tempels er van Aphrodite zijn, worden zij geenszins met den naam van de vreemde genoemd.

113. De priesters zeiden mij op mijn vragen, dat het met Helena aldus was gegaan: Alexander had Helena uit Sparta geroofd en was op den terugtocht naar huis. Doch toen hij in de Aegeesche zee was gekomen, dreven tegenwinden hem van zijn weg naar de Egyptische zee, en van daar (want de storm hield niet op) kwam hij in Egypte en wel in den thans den canobischen geheeten mond van de Nijl en in Taricheae. Op het strand stond, evenals ook nu, een tempel van Heracles, en indien een slaaf van wien der menschen ook daarin vlucht en de heilige teekens op zich laat drukken, dan geeft hij zich zelf aan den god, en niemand mag hem aanraken. Dit gebruik bestaat nog altijd op dezelfde wijze van oudsher tot op mijn tijd. Eenige van Alexanders dienaren nu, het gebruik van dien tempel vernomen hebbend, liepen weg, zetten zich als smeekelingen van den god ter neder en beschuldigden Alexander, daar zij hem benadeelen wilden, terwijl zij de gansche zaak verhaalden, hoe het was met Helena en het aan Menelaüs gepleegde onrecht. Zij richtten deze beschuldiging aan de priesters en aan den wachter van dien Nijl-mond, wiens naam Thonis was.

114. Thonis, dit gehoord hebbend, zendt ten spoedigste een boodschap naar Proteus te Memphis, dit zeggende: "een vreemdeling is hier gekomen, een Teucriër van geslacht, die in Hellas een goddelooze daad verricht heeft; want hij heeft de vrouw van zijn gastheer verleid, en is nu hier, haar medevoerend en zeer vele schatten, door de winden naar uw land gedreven. Wat dan? Zullen wij hem ongedeerd laten wegvaren, of hem de schatten afnemen, waarmede hij hier kwam?" Hierop zond Proteus een boodschap dit zeggende: "dien man, wie hij ook is, die goddeloos tegen zijn gastheer gehandeld heeft, grijpt hem en voert hem hier heen tot mij, opdat ik wete, wat hij wel zeggen zal."

115. Toen Thonis dit gehoord had, greep hij Alexander en hield zijn schepen terug, en daarna zond hij hem zelf naar Memphis met Helena en ook de schatten, en bovendien ook nog de smeekelingen. Toen alles overgebracht was, vroeg Proteus aan Alexander, wie hij was en van waar hij voer. Hij nu noemde hem zijn geslacht en zeide den naam van zijn vaderland, en verhaalde hem dan ook zijn tocht, van waar hij was uitgezeild. Daarna vroeg Proteus hem, waar van daan hij Helena had gekregen; en toen Alexander heen en weer sprak in zijn antwoord en de waarheid niet zeide, overtuigden hem zij, die smeekeling waren geworden, en verhaalden de gansche geschiedenis van zijn misdrijf. Ten slotte dan bracht Proteus hun het volgende oordeel uit, zeggende: "Ik zou, als ik het niet hoog stelde geen der vreemdelingen te dooden, zoovelen reeds door de winden afgedreven in mijn land kwamen, ik zou voor den Helleen wraak genomen hebben op u, die, o slechtste der mannen, gastvriendschap hebt genoten en de meest goddelooze daad verricht; want tot uws gastheeren vrouw gingt gij; en ook dat was u niet genoeg, doch met verlokkingen hebt ge haar ontvoerd als een dief. Maar zelfs dat was u niet genoeg, maar als plunderaar van uws gastheeren huis zijt ge hier. Nu daarom, wijl ik het zeer hoog stel geen vreemdeling te dooden, zal ik u die vrouw en de schatten niet toelaten weg te voeren, doch ik zal ze bewaren voor den Helleenschen gastheer, tot hij zelf komt en ze weg wil voeren. U zelf echter en uw tochtgenooten beveel ik binnen drie dagen uit mijn land naar een ander te varen; zoo niet, als vijanden zal ik u behandelen."

116. Zoo zou dan, naar de priesters vertelden, Helena bij Proteus gekomen zijn. En ik gis, dat ook Homerus dat verhaal gehoord heeft; maar het was voor zijn gedicht niet even geschikt als het andere, dat hij gebruikt heeft, daarom liet hij het maar varen, te kennen gevend, dat hij ook dat verhaal kende. En dit is duidelijk uit de wijze, waarop hij in de Ilias (en nergens anders is hij er op terug gekomen) den zwerftocht van Alexander gedicht heeft, dat deze na den roof van Helena door den storm afdreef en ook op andere plaatsen ronddwaalde en hoe hij naar het phoenicische Sidon kwam. Hij maakt daarvan melding in "de heldendaden van Diomedes" , en de woorden zijn aldus:

Waar zij de schoone gewaden bewaarde, den kunstrijken arbeid,
Werk van sidonische vrouwen, door held Alexander uit Sidon
Zelven medegebracht, daar hij voer op 't onmeet'lijke zeevlak
Toen hij Helena, d' edelgeborene, weg naar zijn huis bracht.

[Ook in de Odyssea maakt hij er melding van in deze woorden:

Zulke kruiden bezat, zoo kunstig gevonden, zoo heilzaam
Helena, daar Polydamna, Thon's vrouw, ze haar gaf in Egypte,
Waar ontelbare kruiden de voedende aarde omhoog brengt;
Kruiden, heilzaam vaak, doch vaak ten verderve ook voerend.

En ook dit andere zegt Menelaüs tot Telemachus:

Want in Egypte weerhielden, hoezeer ik naar huis ook verlangde,
Mij de goôn, daar ik niet hekatomben, volmaakt, hun gebracht had, -
]

in deze verzen geeft hij te kennen, dat hij den zwerftocht van Alexander naar Egypte kende; want Syrië grenst aan Egypte, en de Phoeniciërs, van wie Sidon is, wonen in Syrië.

117. Uit deze verzen nu en het volgende is het niet een weinig, maar zeer duidelijk, dat de Cyprische gedichten niet van Homerus zijn, doch van iemand anders; want in de Cyprische gedichten wordt gezegd, dat Alexander op den derden dag van Sparta in Ilion kwam met Helena, geholpen door een gunstigen wind en een gladde zee; in de Ilias daarentegen verhaalt Homerus, dat gene na den roof met haar rondzwierf. Doch Homerus nu en de Cyprische gedichten mogen wel varen.

118. Toen ik echter aan de priesters vroeg, of het ijdele praat is, wat de Hellenen verhalen, dat bij Ilion geschied is, of niet, zeiden zij daarop het volgende, bewerende, dat zij het door hun onderzoek van Menelaüs zelf wisten. Want er was na den roof van Helena een groot leger van Hellenen in het teucrische land gekomen om Menelaüs te helpen, en toen zij aan land waren gestegen en een kamp hadden opgeslagen, zonden zij boden naar Ilion, en met hen was Menelaüs zelf ook medegegaan. Toen zij in de stad waren gekomen, eischten zij Helena en de schatten terug, die Alexander bij zijn vertrek hem ontroofd had, en voldoening voor de aangedane beleedigingen. De Teucriërs zeiden toen het zelfde verhaal als naderhand, én met eeden én zonder eeden, dat zij noch Helena, noch de opgeëischte schatten bezaten, doch dat alles in Egypte was, en dat niet zij naar billijkheid voldoening zouden geven, voor wat de Egyptische koning Proteus bezat. Doch de Hellenen meenden door hen uitgelachen te worden en belegerden zoo dan de stad, tot zij ze veroverden. Toen de stad genomen was en zij Helena niet vonden, doch het zelfde verhaal als zij vroeger vernamen, zoo dan geloofden de Hellenen het eerste verhaal en zonden Menelaüs zelf naar Proteus.

119. Menelaüs in Egypte gekomen, voer naar Memphis, verhaalde de waarheid over de zaak, en werd zeer gastvrij ontvangen en kreeg Helena ongedeerd terug, bovendien ook al zijn schatten. Doch toen hij zoo behandeld was, pleegde hij onrecht tegen de Egyptenaars; want daar hij wilde wegvaren, hielden tegenwinden hem terug, en toen dit langen tijd zoo bleef, verzon hij een goddelooze daad; want hij nam twee kinderen van menschen uit het land en slachtte ze als offers; daarna, toen de daad ruchtbaar was geworden, werd hij gehaat en vervolgd en vluchtte met zijn schepen naar Libye. Waarheen hij van daar zijn weg nam, konden de Egyptenaars niet verder zeggen; doch deze dingen beweerden zij deels door onderzoek te weten, deels, daar zij bij hen zelf gebeurd waren, met zekerheid te kunnen zeggen.

120. Dit nu verhaalden de Egyptische priesters, en ik ben het met het verhaal over Helena zelf eens, en overweeg nog het volgende: indien Helena in Ilion geweest was, zou zij aan de Hellenen teruggegeven zijn met of tegen den wil van Alexander. Want zoo verdwaasd was Priamus toch niet, noch waren de anderen, zijn verwanten dat, dat zij met hun lijf en hun kinderen en hun stad gevaar wilden loopen, opdat Alexander met Helena leven zou. En indien zij ook in de eerste tijden van den oorlog dat meenden, geloof ik dat, daar velen van de andere Trojanen vielen, als zij met de Hellenen samentroffen, en van Priamus zelf telkenmale twee of drie of nog meer zoons stierven, als het tot een gevecht kwam, (indien men op getuige van de dichters iets beweren kan), - als zulke dingen geschiedden, geloof ik voor mij, dat ook als Priamus zelf met Helena leefde, hij haar aan de Achaeërs zou teruggegeven hebben, om van de aanwezige rampen bevrijd te zijn. Ook ging het koningschap geenszins op Alexander over, zoodat hij, daar Priamus oud was, het bevel voerde, doch Hector, die én ouder was én meer een man dan gene, zou het krijgen bij den dood van Priamus, en hem betaamde het gansch niet aan zijn zondigen broeder toe te geven, terwijl toch door diens schuld groote rampen hem zelven en allen anderen Trojanen overkomen waren. Maar zij kónden Helena nu eenmaal niet uitleveren, en terwijl zij waarheid zeiden, geloofden de Hellenen hen niet, daar, opdat ik mijn inzicht meêdeele, de godheid het zoo had ingericht, opdat genen door algeheelen ondergang omkomende dit aan de menschen duidelijk zouden maken, dat voor groote misdaden groot ook de straffen van de goden zijn. En dit dan is gezegd, zooals het mij dunkt.

121. Proteus werd, zeiden de priesters, in de heerschappij opgevolgd door Rhampsinitus, die als gedenkteeken de naar den avond gekeerde voorhal van den tempel van Hephaestus naliet, en tegenover deze voorhal twee beelden plaatste, vijfentwintig el groot, van welke de Egyptenaars het naar den noordewind gerichte Zomer noemen, en het naar den zuidewind gerichte Winter; en het eerste, dat zij Zomer noemen, dat vereeren zij en behandelen het goed, het tweede echter, dat zij Winter noemen, behandelen zij andersom.
§1. Deze koning had, zeiden zij, een grooten rijkdom aan geld, dien geen der later gekomen koningen kon overtreffen noch nabij komen. Daar hij nu zijn schatten in veiligheid bewaren wilde, bouwde hij een steenen vertrek, waarvan een der muren aan de buitenzijde van zijn paleis raakte. De bouwmeester nu verzon met bedriegelijke bedoeling het volgende: hij maakte het zóó, dat een van de steenen gemakkelijk uit de muur kon genomen worden, zoowel door twee mannen als ook door één. Toen het vertrek voltooid was, stapelde de koning er zijn schatten in op, en na verloop van tijd, liet de bouwmeester, bij het einde van zijn leven gekomen, zijn zoons roepen (want hij had er twee), en verhaalde hun, hoe hij uit zorg voor hen, dat zij in overvloed leven zouden, bij het bouwen van des konings schattenhuis een list verzonnen had; en hij legde hun alles duidelijk uit over het uitnemen van den steen en beschreef hun de plaats, zeggende, dat als zij dat alles in acht zouden nemen, zij bewaarders van de koninklijke schatten zouden zijn. En hij nu eindigde zijn leven, zijn zoons echter verschoven hun werk niet langer, doch gingen des nachts naar het huis des konings, vonden den steen in het vertrek en volbrachten het werk met gemak en droegen veel van de schatten weg.
§ 2. Toen de koning toevallig het vertrek opensloot, verbaasde hij zich, de bakken beroofd van schatten ziende, doch wist niet, wien hij beschuldigen zou, daar de zegels ongeschonden waren, en de kamer gesloten. Toen voor de tweede en derde maal bij ontsluiting de schatten geringer bleken te zijn (want de dieven hielden niet op met rooven), deed hij het volgende: hij beval vallen te vervaardigen en deze rondom de bakken, waarin de schatten waren, te plaatsen. Toen nu de dieven evenals in den tijd te voren kwamen en de eene van hen er ingekropen was, was hij nauwelijks bij den bak gekomen, of hij werd door den val gevangen; toen hij bemerkte in welk gevaar hij was, riep hij terstond zijn broeder en zeide hem de zaak en beval hem ten spoedigste binnen te sluipen en hem het hoofd af te houwen, opdat hij niet, gezien en herkend wordende, ook nog genen in het verderf storten zou; genen scheen de ander toe gelijk te hebben; hij volgde daarom zijn raad en deed aldus, en den steen wederom ingevoegd hebbend, ging hij naar huis terug en droeg het hoofd van zijn broeder mede.
§3. Toen de dag gekomen was, ging de koning in het vertrek en schrok, daar hij het lichaam van den dief in den strik zag zonder hoofd, terwijl het vertrek ongedeerd was en geen enkelen toegang noch uitgang had, en in zijn verlegenheid deed hij het volgende. Hij liet het lijk van den dief aan de muur ophangen, plaatste er wachten bij en beval hen hem, dien zij zagen weenen of medelijden betoonen, te grijpen en tot hem te brengen. Toen het lijk nu opgehangen was, was de moeder zeer bedroefd, en zij sprak tot haar overgebleven zoon en beval hem, op welke wijze hij kon, iets te verzinnen, opdat hij het lijk van zijn broeder los zou maken en tot haar brengen: indien hij daar niet voor zorgde, zou zij zelf, zoo dreigde zij, tot den koning gaan en aangeven, dat hij de schatten had.
§4. Toen de moeder den overgebleven zoon hard aangreep, en hij haar met veel woorden niet kon ompraten, bedacht hij het volgende: hij tuigde zijn ezels op, vulde lederen zakken met wijn en legde die op de ezels, en daarna dreef hij deze voort. Toen hij nu bij de bewakers van het opgehangen lijk was gekomen, greep en trok hij aan de punten van twee of drie zakken en maakte de sluiting los; en toen de wijn wegvloot, sloeg hij zich het hoofd en riep luid, dat hij niet wist, tot welken der ezels hij zich het eerst zou wenden. De wachters, toen zij den wijn rijkelijk zagen stroomen, liepen met bakken naar den weg en verzamelden den uitgestroomden wijn, dien zij als winst beschouwden. Hij schold op allen en hield zich toornig, doch toen de wachters hem ter neder zetten, hield hij zich na eenigen tijd alsof hij kalm was geworden en zijn toorn geweken was, en eindelijk dreef hij de ezels van den weg en bracht de zakken weder terecht. Toen er meer gepraat werd en een van de wachters hem zelfs plaagde en hem aan het lachen bracht, gaf hij hun een van de zakken, en zij, zonder dralen, waren er op bedacht daar te gaan liggen en te drinken, en zij namen hem er bij en vroegen hem bij hen te blijven en mede te drinken; en hij liet zich dan ook overhalen en bleef daar. Daar zij zich tegenover hem bij het drinken zeer vriendschaplijk gedroegen, gaf hij hun nog een anderen zak, en de wachters werden door het overvloedige drankgebruik zeer dronken, en overwonnen door den slaap, vielen zij in slaap daar, waar zij gedronken hadden. En gene, daar het ver in den nacht was, maakte het lichaam van zijn broeder los en schoor, ter beschimping van de wachters, van allen de rechterwang kaal, legde het lijk op de ezels en dreef ze naar huis, nadat hij de opdracht van zijn moeder volbracht had.
§5. De koning echter, toen hem de roof van het lijk des diefs gemeld werd, was zeer toornig, en verlangende dat op alle wijzen gevonden werd, wie het toch was, die dat alles verzonnen had, zou hij het volgende gedaan hebben, wat ik niet gelooven kan. Hij plaatste zijn dochter in een bordeel, en beval haar, allen gelijkelijk te ontvangen, en voor hij haar naderde, hem te dwingen, dat hij haar zou zeggen, wat hij in zijn leven als de slimste en meest goddelooze daad verricht had; en die haar dingen zou mededeelen over den dief, dien zou zij aangijpen en niet naar buiten laten gaan.
Toen nu de dochter deed, wat door haar vader bevolen was, en de dief bemerkt had, waarom dat gedaan werd, wilde hij in sluwheid den koning overtreffen en deed het volgende: hij sneed van een versch lijk den arm bij den schouder af, en hem onder den mantel houdend, ging hij tot des konings dochter, en bij haar gekomen werd hij ondervraagd, evenals de anderen; en hij verhaalde als zijn meest goddelooze daad, dat hij zijn broeder, in den schatkamer des konings door een strik gevangen, het hoofd had afgehouwen, en als zijn slimste, dat hij de bewakers had dronken gemaakt en het opgehangen lijk van zijn broeder weggenomen. Zij nu, toen zij dit gehoord had, greep naar hem; de dief strekte in het donker den arm van het lijk naar haar uit en zij greep dien vast, meenende zijn eigen arm te houden, doch de dief liet dien aan haar, en vluchtte ijlings de deur uit.
§6. Toen ook dit aan den koning overgebracht was, stond hij eerst versteld over de vindingrijkheid en de stoutheid van dien mensch, doch ten slotte zond hij boden naar alle steden en liet verkondigen, dat hij genen straffeloosheid schonk en hem veel beloofde, als hij tot hem komen zou. De dief vertrouwde daarop en ging tot hem. Rhampsinitus bewonderde hem grootelijks, en gaf hem zijn dochter ten huwelijk, zijnde gene de slimste der menschen: de Egyptenaars toch stonden boven alle anderen, en gene boven de Egyptenaars.

122. Naderhand, zeiden zij, was deze koning levend afgedaald naar beneden, naar wat de Hellenen den Hades noemen, en daar dobbelde hij met Demeter, en hij won somtijds, doch somtijds verloor hij aan haar, en hij kwam weder terug met een gouden handdoek als geschenk van haar. Sinds de nederdaling van Rhampsinitus, daar hij terugkwam, vieren de Egyptenaars een feest, naar de priesters zeiden, dat zij ook, bij mijn weten, nog tot op mijn tijd vieren; doch of zij het om een andere reden of daarom vieren, kan ik niet zeggen. Op den zelfden dag namelijk weven de priesters een mantel en terstond binden zij één hunner met een band de oogen toe, brengen hem met den mantel omhangen op den weg, die naar den tempel van Demeter gaat, en keeren zelf terug: die geblinddoekte priester wordt dan, naar zij zeggen, door twee wolven gebracht naar den tempel van Demeter, twintig stadiën van de stad gelegen; uit den tempel brengen de wolven hem weder naar de zelfde plaats terug.

123. Wat nu door de Egyptenaars gezegd wordt, moge hij aannemen, wien zulke zaken geloofwaardig zijn; mijn voornemen in mijn gansche verhaal is, dat ik, wat door ieder gezegd wordt, opschrijf zooals ik het hoorde. Als heerschers over de onderaardschen geven de Egyptenaars Demeter en Dionysus aan; ook zijn de Egyptenaars de eersten, die de leer verkondigden, dat des menschen ziel onsterfelijk is, en zij, bij het vergaan des lichaams, in een ander, dan juist ontstaand dier, overgaat; wanneer zij alle landdieren en zeedieren en gevleugelde dieren doorloopen heeft, treedt zij wederom in het juist gewordene lichaam van een mensch, en haar omloop geschiedt in drieduizend jaren. Die leer hebben er onder de Hellenen aangenomen, sommigen vroeger, anderen later, alsof zij van hen zelf was: wier namen ik wel weet, doch niet schrijven zal.

124. Tot koning Rhampsinitus nu heerschte er, zeiden zij, enkel een goed bestuur, en was Egypte in grooten welvaart; doch na hem was Cheops koning en bracht het land tot de uiterste ellende. Want hij sloot alle tempels, en hield hen vooreerst van het offeren af, en daarna beval hij alle Egyptenaars voor hem te arbeiden. Sommigen nu werden aangewezen om uit de steengroeven in het Arabische gebergte, om daaruit steenen naar de Nijl te slepen; en waren de steenen met vaartuigen over de rivier gebracht, dan beval hij anderen ze op te nemen en ze naar het dus geheeten Libysche gebergte, dáárheen ze te sleepen. Met dit werk waren tien tienduizenden van menschen tegelijk bezig, telkens dezelfden drie maanden lang. De tijd, dat het volk zoo gedrukt werd, duurde tien jaren voor den weg, dien zij maakten om de steenen langs te trekken, een werk niet veel geringer dan de pyramide, naar ik meen (want zijn lengte is vijf stadiën, de breedte tien vademen, en de hoogte, waar hij het hoogst is, acht vademen, en hij is van gepolijsten steen en met ingegrifte figuren), en voor dien weg dan verstreken tien jaren en tevens voor de onderaardsche kamers aan den heuvel, waarop de pyramiden staan, welke kamers hij zich als graf liet maken op een eiland, nadat hij een kanaal van de Nijl daarheen geleid had. Voor het bouwen van de pyramide zelf verstreken twintig jaren; ieder van haar zijden, terwijl zij vierhoekig is, is acht plethren lang en even hoog; geen enkele der steenen is kleiner dan dertig voeten.

125. Deze pyramide werd aldus gebouwd: in den vorm van trappen, die sommige crossae, andere bomides noemen; nadat zij haar eerst zoo aangelegd hadden, hieven zij de overige steenen met werktuigen van korte balken vervaardigd omhoog, van den grond af ze naar de eerste rij der treden optillend; wanneer de steen daarop gebracht was, werd hij op een tweede werktuig gelegd, dat op de eerste rij stond, en van daar werd hij naar de tweede rij op een ander werktuig getrokken; want zooveel rijen van trappen er waren, zooveel werktuigen waren er ook; of wel hetzelfde werktuig, dat het eenige was en licht te dragen, droegen zij telkens naar een nieuwe rij, opdat zij den steen wegnemen zouden; want door mij moet het op de beide wijzen verhaald worden, zooals men het verhaalt. Eerst dan werd het bovenste deel van de pyramide afgewerkt; daarna werkten zij af wat daarop volgde, en eindelijk werkten zij het deel aan den bodem en het benedenste af. Met Egyptisch schrift is op de pyramide aangegeven, hoeveel voor radijs en uien en knoflook voor de werklieden wed uitgegeven; en als ik mij wel herinner, wat de tolk, die deze woorden las, mij zeide, werden daarvoor zestienhonderd talenten zilver betaald. En indien dat zoo is, hoeveel moet dan natuurlijk nog niet bovendien uitgegeven zijn voor het ijzer, waarmede zij werkten, en voor het eten en de kleederen van de werklieden? Daar zij toch de werken bouwden in den gezegden tijd, en nog anderen, niet geringen tijd, naar ik gis, besteedden, waarin zij de steenen hakten en vervoerden en het kanaal onder de aarde groeven.

126. En zoover, zeiden zij, ging de slechtheid van Cheops, dat hij, bij gebrek aan geld, zijn eigen dochter in een bordeel liet zitten en haar beval een zekere som geld, - want hoeveel zeiden zij niet -, te verdienen, en dat zij de door haar vader opgelegde som verdiende, en voor zich zelf ook nog een gedenkteeken wist achter te laten, en dat zij van een ieder, die tot haar kwam, eischte, dat hij haar één steen voor die werken zou schenken. Van die steenen, zeiden zij, was de pyramide gebouwd, die in het midden van de drie staat, vóór de groote pyramide, en van welke iedere zijde anderhalve plethrum groot is.

127. Deze Cheops regeerde, naar de Egyptenaars verhaalden, vijftig jaren, en na zijn dood kreeg zijn broeder Chefren de heerschappij, en deze handelde op de zelfde wijze als de ander, zoowel in andere zaken als in het bouwen van een pyramide, die echter niet tot de afmetingen van de eerste ging, want ook deze hebben wij gemeten. Want er zijn daar geen vertrekken in onder de aarde, noch gaat een kanaal van de Nijl naar haar heen, gelijk er een naar de eerste stroomt, want daar gaat het water door een kunstmatige bedding en stroomt van binnen om een eiland, waarin men zegt, dat Cheops zelf ligt. Doch hij maakte den onderbouw van bonten ethiopischen steen, en bouwde haar in grootte veertig voeten beneden de andere, terwijl zij dicht bij de groote staat. Zij staan beiden op den zelfden heuvel, die ongeveer honderd voet hoog is. En Chephren regeerde, zeiden zij, zes en vijftig jaar.

128. Deze jaren dus zijn honderd en zes te samen gerekend, waarin de Egyptenaars de grootste ellende uitstonden en de tempels, even zoolang gesloten, niet geopend werden. Hen beiden willen de Egyptenaars uit haat niet gaarne noemen, doch zelfs de pyramiden heeten zij naar den herder Philitius, die in dien tijd zijn beesten in diezelfde streken wijdde.

129. Na hem was koning van Egypte, verhaalden zij, Mycerinus, de zoon van Cheops, wien de daden van zijn vader niet bevielen, doch die de tempels opende en het tot den uitersten nood gedrukte volk veroorloofde tot zijn bezigheden en de offers te gaan, en hun van alle koningen op de billijkste wijze recht sprak. Om die daad nu prijzen zij hem het meest van allen, zoovelen koningen van de Egyptenaars geweest zijn; want ook overigens oordeelde hij rechtvaardig, doch ook hem, die ontevreden was over een vonnis, gaf hij uit eigen middelen iets anders om zijn onwil te stillen. Terwijl nu Mycerinus zacht was tegen de burgers en zoozeer voor die dingen zorgde, kwam als eerste ramp over hem de dood van zijn dochter, die het eenige kind in zijn huis was. En hij in overgroote smart over het onheil, dat hem getroffen had, en zijn dochter met grooter praal willende begraven dan de anderen, liet een houten koe maken, hol, en daarna verguldde hij die en begroef toen daarin die gestorven dochter.

130. Deze koe nu werd niet in de aarde verborgen, doch was nog in mijn tijd te zien en stond in de stad Saïs, in het koninklijke paleis, in een kunstvol versierd vertrek. Iederen dag verbranden zij velerlei reukwerken bij haar, en iederen nacht brandt den ganschen nacht een toorts er bij. Dicht bij die koe, in een ander vertrek, staan de beelden der bijzitten van Mycerinus, zooals de priesters in de stad Saïs zeiden; daar staan namelijk houten kolossen ten getale van twintig ongeveer, naakt uitgevoerd; wie zij echter zijn, kan ik niet zeggen, behalve wat reeds gezegd is.

131. Doch sommigen verhalen over die koe en die kolossen het volgende verhaal, dat Mycerinus op zijn dochter verliefd was en daarna tegen haar zin haar gebruikte, doch daarna zeggen zij, dat de dochter zich uit verdriet ophing, en dat hij haar begroef in die koe, haar moeder echter den slavinnen, die de dochter aan haar vader overgegeven hadden, de handen liet afhouwen, en dat nu hun beelden het zelfde hebben, wat genen ook bij hun leven hadden. Doch die dat zeggen, bazelen, naar mijn meening, zoowel over het andere als ook over de handen der kolossen; want dit toch hebben wij zelf gezien, dat de handen door den tijd zijn afgevallen, en nog in mijn tijd bij de voeten gezien werden.

132. De koe is over de overige deelen van zijn lijf bedekt met een purperen mantel, doch toont den nek en den kop, die verguld zijn met zeer dik goud; tusschen de hoorns is een gouden nagebootste zonneschijf. De koe staat niet rechtop, doch ligt op de knieën en is in grootte als een groote levende koe. Zij wordt ieder jaar uit het vertrek gedragen, wanneer de Egyptenaars rouw bedrijven over den god, door mij bij zulk een gelegenheid niet genoemd; dan dus brengen zij ook de koe in het licht; want men zegt, dat de dochter zelf bij haar dood haar vader Mycerinus verzocht had eenmaal in het jaar de zon te zien.

133. Na den ramp met zijn dochter geschiedde den koning in de tweede plaats het volgende: een orakel kwam tot hem uit de stad Buto, dat hij nog slechts zes jaren zou leven en in het zevende sterven. Hij toornde daarover en zond tot het orakel een beschimping van den god, hem verwijtende, dat zijn vader en zijn oom de tempels gesloten en om de goden niet gedacht, doch de menschen bovendien te gronde gericht hadden, en toch hadden zij zooveel tijd geleefd, en dat hij, die godvruchtig was, zoo spoedig zou sterven. Doch uit het orakel kwam een tweede woord tot hem, zeggende, dat juist daarom zijn leven zoo snel afloopen moest; want hij had niet gedaan, wat hij had moeten doen; want Egypte had honderdenvijftig jaren in ellende moeten zijn, en de twee koningen vóór hem hadden dat geweten, hij echter niet. Toen Mycerinus dit vernomen had, liet hij, daar het hem nu eenmaal zoo beschoren was, vele toortsen maken, en wanneer het nacht werd, stak hij die aan en dronk en was vroolijk, en hield dag noch nacht op, rondtrekkende naar de moerassen en de bosschen, en overal waar hij vernam, dat aangename plaatsen voor genot te vinden waren. Dit dacht hij uit, om het orakel van bedrog te overtuigen, opdat zijn jaren twaalf in plaats van zes in getal zouden zijn, terwijl de nachten dagen werden.

134. Ook deze liet een pyramide na, een veel kleinere dan die van zijn vader, en die aan iedere zijde twintig voeten kleiner is dan drie plethren; zij is vierkant, en voor de helft van ethiopischen steen. Die pyramide nu, zeggen sommigen van de Hellenen, is van Rhodopis, een lichtekooi, doch ten onrechte zeggen zij dat; ja zelfs schijnen zij mij zoo te spreken, gansch niet wetende, wie Rhodopis was, want niet zouden zij haar dan het bouwen van zulk een pyramide hebben toegeschreven, waarvoor om zoo te zeggen, ontelbare duizendtallen van talenten besteed zijn; bovendien bloeide Rhodopis onder de regeering van Amasis, doch niet onder dezen koning; want Rhodopis leefde zeer vele jaren later dan die koningen, welke die pyramiden nalieten; zij was van afkomst uit Thracië, slavin van Iadmon, den zoon van Hephaestopolis, een Samiër, en medeslavin van Aesopus, den fabeldichter. Want ook deze was van Iadmon, zooals niet het minst hieruit bleek: want toen de Delphiërs volgens een orakel vele malen hadden laten rondroepen, wie het zoengeld voor het leven van Aesopus wilde ontvangen, verscheen niemand anders, doch wel een andere Iadmon, een zoon van den zoon van Iadmon, nam het aan; en zoo was dan ook Aesopus van Iadmon.

135. Rhodopis was in Egypte gekomen, gebracht door Xanthus den Samiër, en daar gekomen om geld te verdienen, werd zij voor veel geld losgekocht door een man uit Mytilene, Charaxus, den zoon van Scamandronymus, en broeder van Sappho de dichteres. Zoo dan werd Rhodopis vrij gemaakt, en zij bleef in Egypte en daar zij ongemeen schoon was, verwierf zij veel geld voor een Rhodopis, doch niet zooveel om voor zulk een pyramide genoeg te zijn. Want daar het tiende deel van haar schatten nog door een ieder, die wil, gezien kan worden, is het geheel onnoodig haar groote schatten toe te schrijven. Want Rhodopis verlangde een gedenkteeken van zich in Hellas na te laten; en wel door een werk, dat nog door niemand anders uitgedacht en in den tempel geplaatst was, door dat in Delphi te wijden als gedenkteeken van zichzelve. Van het tiende deel dan van haar schatten, liet zij vele ijzeren braadspitten voor ossenvleesch maken, voor zoover als dat tiende deel toereikte, en zond die naar Delphi; deze liggen ook nu nog opgestapeld achter het altaar, dat de Chiërs wijdden, tegenover den tempel zelf. De lichtekooien in Naucratis zijn gewoonlijk bekoorlijk; want zoowel deze, van wie dit verhaal verteld wordt, werd zoo zeer beroemd, dat zelfs alle Hellenen den naam van Rhodopis kenden, en ook later dan zij, werd een andere, met name Archidice, in Hellas bezongen, hoewel minder dan de eerste door het gerucht vermeld. Toen Charaxus Rhodopis had losgekocht en naar Mytilene was teruggekeerd, bespotte Sappho hem zeer in een lied. En over Rhodopis nu heb ik gezegd.

136. Na Mycerinus, zeiden de priesters, werd Asuchis koning van Egypte, die de naar den zonsopgang gekeerde voorhal voor den tempel van Hephaestus bouwde, en deze is verreweg de schoonste en verreweg de grootste. Want alle voorhallen bevatten ingehouwen figuren en ontelbare andere dingen aan de bouwwerken om te zien, doch deze verreweg het meest. Onder dezen koning, zeiden zij, was er bij een groot gebrek aan geldverkeer een wet aan de Egyptenaars gegeven, dat men tegen verpanding van zijn vaders lijk zoo schuld mocht maken; bovendien werd bij die wet nog deze andere gevoegd, die den schuldeischer macht gaf over het heele graf van den schuldenaar; en hij, die dit pand gaf, kreeg tot straf, als hij de schuld niet terugbetalen wilde, dat hem zelf ook na zijn dood geen begrafenis ten deel viel, noch in dat vaderlijke graf, noch in een ander, noch mocht hij een der zijnen, die gestorven was, begraven. Deze koning echter, hen die vóór hem koning van Egypte geweest waren, willende overtreffen, liet als gedenkteeken een pyramide van tegels achter; daarin zijn woorden in steen gegrift, dit zeggende: "Veracht mij niet, mij vergelijkend met de pyramiden van gehouwen steen. Want ik overtref hen zooveel, als Zeus de andere goden. Want de menschen staken een stang in het meer, en het slijk bleef kleven aan den stang, dat verzamelden zij, vormden tegels er van, en maakten mij op die wijze." Zulke werken dan verrichtte hij.

137. Na dezen heerschte, zeiden zij, een blinde man uit de stan Anysis, die Anysis heette. Onder diens regeering kwamen met een groote macht de Ethiopiërs in Egypte en Sabacos, de koning der Ethiopiërs. Die blinde nu vluchtte naar de moerassen, en de Ethiopiër heerschte vijftig jaren over Egypte, in welke hij het volgende verrichtte: zoo dikwijls een der Egyptenaars iets misdreef, wilde hij niemand van hen dooden, doch hij veroordeelde een elk naar de grootte van het misdrijf, hem opleggende dammen te bouwen bij de stad zelf, waar van daan de misdadiger was. En zoo werden de steden nog meer verhoogd. Want eerst waren zij opgehoogd door hen, die onder koning Sesostris de kanalen hadden gegraven, en voor de tweede maal onder den Ethiopiër, en zij werden zeer hoog. En terwijl ook andere steden in Egypte hoog liggen, werd de grond in de stad Bubastis, naar mij schijnt, het meest verhoogd, en daarin is ook een allermerkwaardigste tempel van Bubastis; andere tempels toch zijn grooter en rijker, doch geen is meer een lust om te zien dan deze: Bubastis is volgens de Helleensche taal Artemis.

138. Haar tempel is aldus ingericht: behalve den toegang is al het andere een eiland; want van de Nijl gaan twee kanalen, die zich niet vereenigen, doch elk van beiden loopt tot aan de ingang, het eene aan de eene zijde, het andere aan de andere er om heen stroomend, ieder ter breedte van honderd voeten, en door boomen beschaduwd. De voorhal is tien vademen hoog en met beelden versierd van zes ellen, waard om te vermelden. De tempel, daar hij in het midden der stad gelegen is, wordt van alle zijden gezien, als men er om heen loopt, want omdat de stad opgehoogd is, en de tempel niet veranderd sinds hij het eerst gebouwd werd, is hij van alle kanten te zien. Daar om heen loopt een muur met ingegrifte figuren, binnen in echter is een bosch van de grootste boomen om een groot huis, waarin dan het godenbeeld is; in lengte en breedte is de tempel in alle richtingen een stadium. Bij den ingang is een weg met steen belegd, ongeveer drie stadiën lang, en die gaat door den markt heen naar den zonsopgang, en is in breedte ongeveer vier plethren; aan beide zijden van den weg staan hemelhooge boomen, en hij gaat naar den tempel van Hermes. Zoo dus is het met dien tempel.

139. Van den Ethiopier waren zij, verhaalden de priesters, op de volgende wijze bevrijd geworden: hij had in den slaap het volgende droomgezicht gezien en was toen haastig gevlucht: het scheen hem, dat een man tot hem trad en hem ried de priesters in Egypte bijeen te brengen en ze allen door midden te houwen. Toen hij dat gezicht gezien had, zeide hij, dat het hem voorkwam alsof de goden hem dat plan getoond hadden, opdat hij zich aan de tempels vergrijpen zou en zich van de goden of van de menschen een ongeluk berokkenen; dat zou hij dus niet doen, doch daar de tijd toch verloopen was, in welken hij volgens het orakel over Egypte heerschen zou, zou hij het verlaten. Want toen hij in Ethiopië was, had het orakel, dat de Ethiopiërs vragen, hem gezegd, dat hij vijftig jaren koning van Egypte moest wezen. Toen nu die tijd verstreken was en het droomgezicht hem verschrikte, ging Sabacos uit eigen beweging uit Egypte.

140. Toen nu de Ethiopiër ui Egypte was weggegaan, heerschte de blinde weder, uit de moerassen teruggekomen, waar hij vijftig jaren gewoond had op een eiland uit asch en aarde opgehoopt; want zoo dikwijls de Egyptenaars, wien dit was opgedragen buiten weten van den Ethiopiër, hem eten kwamen brengen, verzocht hij hen als geschenk ook asch mede te brengen. Dit eiland kon niemand vinden vóór Amyrtaeus, doch gedurende meer dan zevenhonderd jaren konden zij het niet vinden, zoovelen er koning waren vóór Amyrtaeus. De naam van dat eiland is Elbo, en in grootte is het in alle richtingen tien stadiën.

141. Na dezen werd, zeiden zij, de priester van Hephaestus koning, die Sethon heette. Deze gaf niets om de krijgslieden van Egypte en minachtte hen, alsof hij hen gansch niet noodig had, en hij deed hun anderen smaad aan en ontnam hun ook de akkers, die hun onder de vroegere koningen toegewezen waren, twaalf morgen aan ieder. Later voerde Sanacharibus, de koning der Arabieren en Assyriërs, een groot leger tegen Egypte aan; toen wilden echter de krijgslieden der Egyptenaars hem niet helpen. En de priester, in verlegenheid geraakt, trad in het heiligdom en weende voor het godenbeeld over wat rampen hij lijden zou. En in zijn klagen beving hem de slaap, en het scheen hem in zijn droom, dat de god tot hem kwam en hem moed insprak, dat hij niets kwaads zou lijden als hij tegen het leger der Arabieren optrok: want hij zelf zou hem helpers zenden. Op dit droomgezicht vertrouwend nam hij hen der Egyptenaars, die hem volgen wilden, met zich en sloeg zijn kamp in Pelusium op, want daar is de ingang tot het land. Niemand van de krijgslieden wilden hem volgen, doch enkel kooplieden en arbeiders en kramers. Toen hij daar gekomen was, overvielen des nacht hoopen veldmuizen de vijanden en aten hun pijlkokers op, ook de bogen, bovendien de handvatsels der schilden, zoodat den volgenden dag, toen zij zonder wapens vluchtten, er velen van hen vielen. En nu staat deze koning in steen in den tempel van Hephaestus, in de hand een muis houdend, en door letters dit zeggende: "Zie naar mij en wees godvruchtig."

142. Tot zoover in mijn verhaal gingen de berichten van de Egyptenaars en de priesters, aangevende, dat van den eersten koning tot dien priester van Hephaestus, die het laatst regeerde, er driehonderd en een en veertig menschengeslachten verstreken, en dat er in deze even zooveel koningen en even zooveel hoogepriesters geweest waren. Driehonderd menschengeslachten evenwel gelden tienduizend jaren, want drie geslachten van menschen zijn honderd jaren. Van de eenenveertig nog overige geslachten, die er boven de driehonderd waren, zijn de jaren duizend en driehonderd en veertig. Zoo dan, in tienduizend jaren en duizend en nog driehonderd en veertig, was, zeiden zij, geen enkele god in menschengedaante veschenen; noch vroeger, noch later onder de overige koningen van Egypte, was, zeiden zij, iets van dien aard geschied. In dien tijd nu, zeiden zij, was de zon viermaal uit haar gewone plaats opgegaan: waar zij nu ondergaat, daar was zij tweemaal opgegaan, en van waar zij nu opgaat, daar was zij tweemaal ondergegaan, en niets van de dingen in Egypte was daardoor veranderd, noch wat uit de aarde, noch wat uit de rivier komt, noch in zaken van ziekte, noch in zaken van sterfgevallen.

143. Vroeger deden de priesters van Zeus met Hecataeus den geschiedschrijver, die in Thebae zijn geslacht verhaalde en zijn stam in het zestiende lid aan een god verbond, het zelfde als met mij, hoewel ik mijn geslacht niet verhaalde. Want zij brachten mij in het binnenste van den tempel, dat zeer groot is, en toonden zooveel houten colossen als ik gezegd heb, en telden ze te saam: want iedere hoogepriester plaatst daar bij zijn leven zijn beeld; de priesters dan telden en toonden mij die beelden en verklaarden, dat iedere zoon na zijn vader kwam, en zij gingen van het beeld des laatst gestorvenen ze allen door, totdat zij ze allen aangegeven hadden. Toen echter Hecataeus zijn geslacht opnoemde en het in het zestiende lid tot een god opvoerde, zoo gaven zij ook bij deze narekening hun geslacht aan, doch namen van hem niet aan, dat een mensch van een god afstamde; en zij zeiden hun geslacht op deze wijze, zeggende, dat ieder de kolos een piromis was, zoon van een piromis, totdat zij de driehonderd en vijf en veertig kolossen hadden nagegaan, ieder een piromis uit een piromis geboren; en zij voerden hen niet op, noch tot een god, noch tot een halfgod. Piromis echter is volgens de Helleensche taal een schoon en goed man.

144. En zij verklaarden mij dan ook dat zij, wier beelden dat waren, allen zóó geweest waren, en zeer verschillend van de goden. Vóór die mannen echter hadden er goden in Egypte geheerscht, die met de menschen woonden, en een van hen was altijd de machtigste geweest. Het laatst had Horus over Egypte geheerscht, Osiris' zoon, dien de Hellenen Apollo noemen. Deze had Typhon verdreven en als de laatste der goden over Egypte geregeerd. Osiris is Dionysus volgens de Helleensche taal.

145. Bij de Hellenen nu worden Heracles en Dionysus en Pan als de jongsten der goden beschouwd, bij de Egyptenaars evenwel Pan als de oudste en een van de acht goden, die de eersten genoemd worden; Heracles een van de tweeden, de zoogenaamde twaalf goden, en Dionysus een van de derden, die van de twaalf goden afstammen. Hoeveel jaren het nu, volgens wat de Egyptenaren zelf zeggen, van Heracles tot aan koning Amasis is, heb ik vroeger reeds aangegeven; van Pan af moet het nog veel langer dan dat geleden zijn; van Dionysus af echter het minste van allen, en toch rekenen zij van dezen tot aan koning Amasis vijftienduizend jaren. En de Egyptenaars beweren dat met zekerheid te weten, daar zij de jaren altijd tellen en altijd opteekenen. Van Dionysus nu, die uit Semele, Cadmus' dochter, heet gesproten te zijn, tot op mijn tijd is ongeveer zeshonderd en duizend jaren; van Heracles, den zoon van Alcmene, ongeveer negenhonderd jaren; van Pan, den zoon van Penelope (want uit haar en Hermes heet Pan bij de Hellenen gesproten te zijn), is het korter tijd dan van de Trojaansche zaken af, ongeveer achthonderd jaren tot op mijn tijd.

146. Wat nu deze beiden aangaat, kan een ieder die overlevering volgen, die hem het meest geloofwaardig schijnt, - ik nu heb mijn meening er over te kennen gegeven. Want als ook zij in Hellas beroemd en oud waren geworden, Dionysus namelijk de zoon van Semele, en Pan, die van Penelope, evenals Heracles, de zoon van Ampitryo, dan zou men kunnen beweren, dat ook zij menschen waren geweest en de namen hadden gekregen van die goden, die reeds vóór hen bestaan hadden; doch nu zeggen de Hellenen, dat Zeus Dionysus terstond na diens geboorte in zijn heup genaaid heeft en naar Nysa bracht, dat boven Egypte in Ethiopië ligt, en over Pan weten zij niet te zeggen, waarheen hij ging na zijn geboorte. Mij is het daarom duidelijk, dat de Hellenen de namen van hun beiden later geleerd hebben dan die van de andere goden. En van dien tijd, dat zij ze geleerd hebben, van dien tijd rekenen zij hun geboorte af.

147. Dit nu zeggen de Egyptenaars zelf. Wat echter de andere menschen en de Egyptenaars, met elkander in overeenstemming, beweren, dat in dat land geschied is, zal ik nu verhalen; en daarbij zal ook nog wat van mijn eigen aanschouwing komen. De Egyptenaars, na de regeering des priesters van Hephaestus bevrijd van de Ethiopiers, - want zij waren in geen tijd in staat zonder koning te leven -, stelden twaalf koningen aan, geheel Egypte in twaalf deelen verdeeld hebbend. Dezen, door huwlijken aan elkander verbonden, regeerden onder deze bepalingen: dat zij elkander niet verdrijven zouden, noch zou de een zoeken meer te hebben dan de ander, doch zij zouden zooveel mogelijk vrienden met elkander zijn. Zij stelden die bepalingen dáárom in, en hielden zich er streng aan: het was hun terstond in den aanvang van hun regeering door een orakel voorzegd, dat wie van hen met een koperen schaal in den tempel van Hephaestus plengen zou, die zou over geheel Egypte koning zijn; want zij plachten in alle tempels bijeen te komen.

148. En zij besloten een gemeenschappelijk gedenkteeken achter te laten, en volgens dit besluit bouwden zij het labyrinth, dat een weinig boven het meer Moeris, dicht bij de dus geheeten krokodillenstad ligt: ik zag het en het is grooter dan alle beschrijving. Want indien iemand de gebouwen en alle werken door de Hellenen verricht bij elkander zou willen tellen, dan zouden zij blijken van minder moeite en kosten te zijn dan dit labyrinth, en toch is ook de tempel in Ephesus belangrijk en die in Samos. Ook de pyramiden waren boven beschrijving en ieder van hen opwegend tegen vele en groote Helleensche werken, doch het labyrinth overtreft zelfs ook de pyramiden. Want het heeft twaalf overdekte hallen met tegenoverstaande deuren, zes naar den noordewind en zes naar den zuidewind gericht, aan elkander verbonden, en één zelfde muur omsluit ze van buiten. Er zijn twee soorten van kamers in, de eenen onder den grond, de anderen in de lucht op de eersten, drieduizend in getal, vijftienhonderd van ieder soort. De vertrekken in de lucht hebben wij zelf gezien en doorwandeld en zelf ze aanschouwende spreken wij er over, doch de onderaardsche kennen wij enkel uit berichten. Want de egyptische bewakers wilden ze geenzins laten zien, bewerende, dat daar de graven waren van de koningen, die het eerst dit labyrinth bouwden en van de heilige krokodillen. Zoo dan spreken wij over de vertrekken onder den grond van hooren zeggen er over leerende; die daar boven, grooter dan de werken der menschen, zag ik zelf. Want de wandelingen door de kamers en de drentelingen door de hallen, rijk aan merkwaardigs, boden mij ontelbare wonderen, als ik uit de hallen in de vertrekken ging en uit de kamers in de zuilengangen, en weer naar andere vertrekken uit de zuilengangen en naar andere hallen uit de kamers. Het dak van dit alles is van steen, evenals de muren, doch de muren zijn vol ingehouwen beelden; en iedere hal is met zuilen omgeven van witten, goed aaneensluitenden steen. Bij den hoek, waar het labyrinth eindigt, staat een pyramide van veertig vademen, waarin groote figuren zijn ingehouwen; onder de aarde is een weg daarheen gemaakt.

149. Hoewel het labyrinth zoo groot is, biedt het dusgenaamde meer van Moeris, waarbij het labyrinth gebouwd is, nog grooter wonder aan; de omtrek is drieduizend en zeshonderd stadiën groot, of zestig schoenen, even lang als de kust van Egypte. Het meer strekt zich in de lengte naar den noordewind enden zuidewind uit, en in diepte, waar het op zijn diepst is, is het vijftig vademen. Dat het door handen gemaakt is en gegraven, toont het zelf aan. Want ongeveer in het midden van het meer staan twee pyramiden, die ieder vijftig vademen boven het water uitsteken en even diep zijn zij onder het water gebouwd; op beiden is een steenen kolos op een troon gezeten. Zoo zijn deze pyramiden honderd vademen, en honderd vademen gelden een stadium van zes plethren, terwijl een vadem zes voeten en vier ellen meet, en de voet van vier palmen en de el van zes palmen is. Het water in het meer komt niet daar uit den grond (want deze is daar schriklijk arm aan water), doch wordt uit de Nijl door een kanaal aangevoerd, en zes maanden lang loopt het naar binnen in het meer, zes maanden weder naar buiten in de Nijl. En wanneer het wegstroomt, dan brengt het in die zes maanden iederen dag een talent zilver van de visschen in de koninklijke schatkist; doch wanneer het water er weer instroomt, twintig minen.

150. De menschen van die streek verhaalden, dat dat meer onder de aarde door in de libysche Syrtis uitloopt, terwijl het naar de avondzijde in het binnenland dringt langs het gebergte boven Memphis. Maar wijl ik nergens de aarde van de uitgraving zag, en de zaak mij ter harte ging, vroeg ik hen, die vlak bij het meer woonden, waar dan de uitgegraven aarde was, en ik geloofde hen gaarne; want ik wist van hooren zeggen, dat ook in Ninus, de stad der Assyriërs, iets dergelijks geschied was. Want de schatten van Sardanapalus, den koning van Ninus, die groot waren en bewaard werden in onderaardsche schatkamers, die schatten wilden dieven weghalen; bij hun eigen huis begonnen de dieven toen en groeven onder de aarde een weg, op berekening afgaande, naar het paleis, en de aarde uit de schacht weggedragen, die droegen zij, als de nacht gekomen was, naar de rivier de Tigris, welke langs Ninus stroomt, tot zij volbracht hadden, wat zij wilden. Iets dergelijks hoorde ik, dat geschied was bij het graven van het meer in Egypte, behalve dat het niet 's nachts doch over dag geschiedde; want de Egyptenaars groeven de aarde uit en droegen ze naar de Nijl, en deze nam ze op en verspreidde ze spoedig. Zoo is dan dat meer gegraven, naar men zegt.

151. Terwijl nu de twaalf koningen de rechtvaardigheid betrachtten, gebeurde het na eenigen tijd, toen zij in den tempel van Hephaestus offerden en zij op den laatsten dag van het feest zouden plengen, dat de hoogepriester hun de gouden schalen gebracht had, waarmede zij plachten te plengen, doch zich vergissend in het getal, elf, terwijl zij met hun twaalven waren. Toen nam Psammetichus, die het laatst onder hen stond, daar hij geen schaal had, zijn helm af, die van koper was, stak hem uit en plengde. Helmen echter droegen ook alle andere koningen en ook toen hadden zij ze op. Psammetichus nu stak zijn helm uit zonder eenige kwade bedoeling, doch de anderen overwogen, wat door Psammetichus was gedaan en het orakel, dat hun geworden was, zeggende, dat wie van hen met een koperen schaal zou plengen, dat die alleen koning van Egypte zou zijn; gedachtig dan aan dat orakel wilden zij wel is waar Psammetichus niet dooden, daar zij hem ondervraagden en bevonden, dat hij zonder opzet gehandeld had, doch zij besloten hem naar de moerassen te verbannen, nadat zij hem van zijn meeste macht beroofd hadden, en verboden hem uit de moerassen te komen en met het overige Egypte in verkeer te zijn.

152. Deze Psammetichus was vroeger, toen hij op de vlucht was voor den Ethiopiër Sabacos, die zijn vader Necos gedood had, toen hij voor dezen dan naar Syrië op de vlucht was, was hij, nadat de Ethiopiër om het droomgezicht was weggetrokken, door die der Egyptenaars teruggebracht, die uit het Saïtische gewest zijn. En daarna, toen hij koning was, overkwam het hem voor de tweedemaal, om den helm door de elf koningen verstooten, naar de moerassen te moeten wijken. En wetende, dat hij onbillijk door hen behandeld was, besloot hij zich te wreken op zijn verbanners. Hij zond boden naar het orakel van Leto in de stad Buto, waar het onbedriegelijkste orakel der Egyptenaars is, en kreeg het antwoord, dat de wraak van uit de zee verschenen koperen mannen zou komen. En hem beving groot ongeloof, dat koperen mannen hem als helpers zouden komen, doch niet veel tijd later geviel het, dat ionische en carische mannen, op roof uitgevaren, door stormgeweld naar Egypte gedreven werden; en toen meldde een der Egyptenaars, in de moerassen tot Psammetichus gekomen, daar hij vroeger nooit mannen in koperen rusting gezien had, dat koperen mannen uit de zee gekomen het land afstroopten. En hij, begrijpende dat de voorspelling tot vervulling kwam, sloot vriendschap met de Ioniërs en Cariërs, en overreedde hen met groote beloften in zijn dienst te komen, en toen hij hen overreed had, verjoeg hij de koningen, met de Egyptenaars, die hem waren toegedaan en zijn hulptroepen.

153. En meester over geheel Egypte, bouwde Psammetichus voor Hephaestus in Memphis de voorhal, naar den zuidewind gericht, en hij bouwde een hof voor Apis, waarin Apis onderhouden wordt als hij verschenen is, tegenover de voorhal, geheel met zuilen voorziene en vol beelden; en in plaats van zuilen staan kolossen onder den hof, twaalf ellen lang. Apis echter is in de helleensche taal Epaphus.

154. Aan de Ioniërs en de Cariërs, die hem geholpen hadden, gaf Psammetichus landerijen om in te wonen, tegenover elkander gelegen, aan weerszijde van de Nijl, en hij noemde ze Legerkampen. Hij gaf hun dan die landerijen, en al het overige wat hij beloofd had, gaf hij ook. En hij gaf hun ook Egyptische knapen om de Helleensche taal te leren, en van dezen, die de taal geleerd hadden, stammen de tegenwoordige tolken in Egypte af. De Ioniërs en de Cariërs bewoonden die landerijen geruimen tijd, en die landen liggen dicht bij zee, een weinig beneden de stad Bubastis, bij den dusgeheeten pelusischen mond van de Nijl. Doch in later tijd voerde koning Amasis hen daarvan weg, en bracht hen over naar Memphis, en maakte van hen zijn lijfwacht tegen de Egyptenaars. Sinds zij in Egypte wonen, weten wij Hellenen, daar wij zoo verkeer met hen hebben, nauwkeurig alles wat met Egypte gebeurt is, te beginnen bij koning Psammetichus, en het latere. Want zij waren de eersten van een vreemde taal, die in Egypte woonden. En in de plaatsen, van waar zij door koning Amasis weggevoerd werden, daar waren nog in mijn tijd de groeven, waarin de schepen stonden en de bouwvallen van de woningen.

155. Psammetichus nu kwam dan zoo in bezit van Egypte. Van het orakel in Egypte heb ik reeds dikwijls melding gemaakt, en ik wil er dan nu over verhalen, daar het dat waard is. Want dat Egyptische orakel is een heiligdom van Leto, opgericht in een groote stad bij den dusgeheeten sebennitischen mond van de Nijl, als men van de zee opwaarts vaart. De naam der stad, waar het orakel staat, is Buto, zooals zij reeds vroeger door mij genoemd werd. In dat Buto nu is een heiligdom van Apollo en Artemis. En die tempel van Leto, waarin het orakel staat, is zelf groot en heeft een voorhal ter hoogte van tien vademen. Doch wat mij het meest in verbazing bracht van wat ik daar zien mocht, zal ik zeggen. In dat heiligdom van Leto is een huis èn in de hoogte èn in de lengte uit één stam gemaakt, en alle muren zijn van gelijke hoogte en lengte; ieder van hen is veertig ellen; als bedekking van de zoldering ligt een andere steen boven op en steekt aan alle kanten vier ellen uit.

156. Zoo dan is dit huis het bewonderenswaardigste van wat ik in het heiligdom zien mocht, en daarna een eiland, Chemmis geheeten. Het is in een diep en breed meer, gelegen bij het heiligdom in Buto, en de Egyptenaars beweren, dat dit eiland drijvend is. Ik voor mij zelf heb het niet zien drijven, noch bewegen, en ik was verbaasd, hoorend, dat er werkelijk een drijvend eiland is. Daarop nu is een groot huis van Apollo en drie altaren zijn er in geplaatst, en er groeien ook vele palmboomen op en vele andere boomen, zoowel vruchtdragende als zonder vruchten. Als de Egyptenaars beweren, dat het eiland drijvend is, verhalen zij er het volgende verhaal bij, dat op dit eiland, dat vroeger niet drijvend was, Leto (een der acht eerst ontstane goden, en die in de stad Buto woonde, waar zij dan dat orakel heeft) Apollo zou gered hebben, dien zij van Isis had gekr egen om te bewaken; want zij verborg hem op het eiland, nu het drijvende geheeten, toen Typhon alles kwam doorzoeken om den zoon van Osiris te vinden. Zij zeggen, dat Apollo en Artemis de kinderen zijn van Dionysus en Isis, en Leto zou hun voedster en redster geweest zijn. In het Egyptisch is Apollo Horus, Demeter Isis, Artemis Bubastis. En uit dàt verhaal en geen ander heeft Aeschylus, zoon van Euphorion, gestolen, wat ik zeggen zal; en zelfs is hij daarin de eenige onder de vroegere dichters: hij maakte namelijk Artemis tot de dochter van Demeter. - Daardoor nu zou het eiland drijvend geworden zijn. Zoo dan verhalen zij dat.

157. Psammetichus nu was vier en vijftig jaren koning van Egypte en daarvan lag hij dertig op één na voor Azotus, een groote stad in Syrië, en belegerde ze, tot hij ze innam; dit Azotus heeft het langst een beleg uitgehouden van alle steden, die wij kennen.

158. De zoon van Psammetichus was Necos en deze werd koning over Egypte, en hij begaf zich het eerst aan het kanaal, dat naar de Roode Zee gaat, en dat Darius de Pers verder doorgroef. De lengte daarvan is een vaart van vier dagen, en in breedte is het zóó gegraven, dat twee triremen tegelijk, met de riemen uit, er in varen kunnen. Het water wordt van de Nijl daarheen geleid, en het wordt afgeleid een weinig boven de stad Bubastis bij Patumus, de arabische stad, en loopt uit in de Roode Zee. Het kanaal loopt eerst door het deel van de egyptische vlakte, dat naar Arabië gekeerd is; boven deze vlakte ligt het gebergte nu gaat het kanaal, een groot eind, van den avond naar den ochtend, en vervolgens loopt het in rotsspleeten, gaande van het gebergte naar den middag en den zuidenwind naar de arabische golf. Waar het de kortste en vlugste weg is om van de noordelijke zee naar de zuidelijke te komen, die ook de Roode Zee genoemd wordt, namelijk van het Casische gebergte, dat Egypte en Syrië begrenst, van daar is het juist duizend stadiën naar de Arabische golf. Dit is de kortste weg; doch het kanaal is veel langer, daar het bochtig is. En bij het graven daarvan onder koning Necos kwamen twaalf tienduizenden der Egyptenaars om. En Necos hield nog midden in het graven op, daar een orakel hem tegenhield, zeggende dat hij slechts voor den barbaar werkte. Barbaren echter noemen de Egyptenaars allen, die niet met hen van dezelfde taal zijn.

159. En Necos, met het graven opgehouden, keerde zich tot krijgstochten, en er werden triremen gebouwd, deels in de noordelijke zee, deels in de arabische golf bij de Roode Zee, en de groeven van deze als zij noodig waren, en te land trof hij met de Syriërs bij Magdolus samen en overwon hen, en na den slag veroverde hij Cadytis, dat een groote stad van Syrië was. Het gewaad, waarin hij deze zaken had verricht, dat wijdde hij aan Apollo, het zendende naar Branchidae van de Milesiërs. Hierop stierf hij, na een regeering van zestien jaren te samen, en liet de heerschappij aan zijn zoon Psammis.

160. Onder de regeering van dezen Psammis over Egypte kwamen mannen van de Eleërs aan, zich beroemende, dat zij de kampspelen te Olympia op de rechtvaardigste en schoonste wijze onder alle menschen hadden geregeld, en meenende, dat ook de Egyptenaars, de meest wijzen der menschen, niets rechtvaardigers dat dat uitgedacht hadden. Toen de Eleërs in Egypte gekomen waren en zeiden, waarom zij waren gekomen, toen riep deze koning die der Egyptenaars bijeen, die de meest wijzen heette te zijn. En de Egyptenaars, bijeengekomen, ondervroegen de Eleërs, welke alles zeiden, wat zij moesten doen bij het kampspel, en toen zij dat alles hadden uitgelegd, zeiden zij te komen om te vernemen, of de Egyptenaars wat rechtvaardigers dan dat konden uitdenken. En deze beraadslaagden en vroegen de Eleërs, of hun eigen burgers aan den kamp deelnamen. En zij zeiden, dat het ee n ieder èn van hun eigen stad èn van de andere Hellenen vrij stond mede te kampen. En de Egyptenaars zeiden, dat genen, aldus de zaak regelend, in de rechtvaardigheid geheel gefaald hadden; want er was geen mogelijkheid, dat zij hun eigen medeburger bij den kamp niet zouden voortrekken, tot nadeel van den vreemdeling. Doch als zij werkelijk naar billijkheid den kamp wilden inrichten, en daarvoor naar Egypte waren gekomen, dan gaven zij hun den raad voor vreemde strijders den kamp te houden, doch dat het geen der Eleërs geoorloofd zou zijn mede te strijden. Dezen raad nu gaven de Egyptenaars aan de Eleërs.

161. Toen Psammis slechts zes jaren over Egypte had geregeerd en tegen Ethiopië was opgetrokken en terstond daarop gestorven, volgde Apriës, de zoon van Psammis, hem op, die na zijn grootvader Psammetichus de gelukkigste van de vroegere koningen was, en vijf en twintig jaren regeerde, waarin hij zijn leger tegen Sidon aanvoerde en den Tyriër op zee beoorloogde. Doch daar het hem slecht moest vergaan, geschiedde dat bij een gelegenheid, die ik in mijn libysche geschiedenissen uitvoeriger zal behandelen, doch thans maar in het kort: toen Apriës een groot leger tegen de Cyrenaeëers had gezonden, leed hij een zeer groote nederlaag, en de Egyptenaars, ontevreden daarover, vielen van hem af, meenende dat Apriës met opzet hen had gezonden tot een zekeren ondergang, opdat verderf over hen zou komen, doch hij zelf over de overige Egyptenaars in grooter veilighei d zou heerschen. En daarover ten zeersten verstoord, zoowel de teruggekeerden als de vrienden der omgekomenen, vielen zij terstond van hem af.

162. Apriës vernam dit en zond Amasis tot hen om hen met toespraak tot rust te brengen. Doch toen hij was gekomen en de Egyptenaars trachtte te overreden zulke dingen niet te doen, toen zetten een der Egyptenaars, die achter hem stond hem een helm op het hoofd, en zeide, dat hij hem door dien op te zetten tot koning had uitgeroepen. En hem was die daad niet geheel tegen den zin, zooals hij toonde. Want toen de opstandelingen hem koning hadden gemaakt, maakte hij zich gereed om tegen Apriës op te trekken. Apriës echter, deze dingen vernemend, zond tot Amasis een der aanzienlijke Egyptenaars uit zijn omgeving, met name Patarbemis, en droeg dien op Amasis levend tot hem te brengen. Toen nu Patarbemis gekomen was en Amasis opriep, richtte Amasis zich op, - want hij zat juist te paard-, en liet een wind, en beval hem dàt aan Apriës te brengen. Toch, evenwel, eischte Patarbemis, dat hij op de ontbieding des koning tot dezen gaan zou; en de ander antwoordde hem, dat hij zich reeds lang gereed maakte om dat te doen, en dat Apriës hem niets verwijten zou; want zelf zou hij bij hem komen en anderen medebrengen. Patarbemis miskende uit deze woorden het voornemen niet, en hij zag de toerusting en haastte zich van daar, zoo snel mogelijk aan den koning willende berichten, wat geschiedde. Doch toen hij zonder Amasis bij Apriës kwam, bezon deze zich niet, doch beval in zijn toorn hem de ooren en de neus af te snijden. De andere Egyptenaars echter, die nog zijn zaak waren toegedaan, ziende, dat de aanzienlijkste man onder hen met zoo groote schade behandeld werd, draalden gansch niet, doch vielen naar de anderen af en gaven zich zelf aan Amasis.

163. Toen Apriës ook dit vernam, wapende hij zij hulptroepen en trok tegen de Egyptenaars op. Hij had dertigduizend carische en ionische mannen als hulptroepen bij zich, en zijn paleis was in de stad Saïs, groot en bezienswaard. En zij, die bij Apriës waren, trokken op tegen de Egyptenaars, en zij, die bij Amasis waren, tegen de vreemdelingen. En bij de stad Momemphis ontmoetten zij elkander en zouden zij met elkander worstelen.

164. Er zijn zeven standen van de Egyptenaars, en van dezen heeten: de eene de priesters, de andere de krijgslieden, de runderherders, de zwijnehoeders, de kooplieden, de tolken, en de stuurlieden. Zooveel standen nu zijn er van de Egyptenaars en zij dragen den naam naar hun bedrijf. De krijgslieden heeten de Calasiriërs en de Hermotybiërs, en zijn uit de volgende gewesten; - want het land Egypte is toch in gewesten verdeeld -.

165. Van de Hermotybiërs zijn dezen de gewesten, het gewest van Busiris, van Saïs, van Chemmis, van Papremis, het dus geheeten eiland Prosopitis, en Natho voor de helft. Uit deze gewesten zijn de Hermotybiërs, ten getale, toen zij op het meest waren, van zestien tienduizenden. En van dezen verstaat geen een een handwerk, doch zij wijden zich enkel aan den krijgsdienst.

166. Van de Calasiriërs zijn deze andere gewesten: het gewest van Thebae, Bubastis, Aphtis, Tanis, Mendes, Sebennys, Athribis, Pharbaethis, Thmuïs, Onuphis, Anytis, Myecphoris; dit gewest ligt op een eiland tegenover de stad Bubastis. Dit zijn de gewesten der Calasiriërs, en deze waren in getal, toen zij op hun hoogst waren, vijf en twintig tienduizenden van mannen. En ook dezen is het niet geoorloofd eenig bedrijf te oefenen, doch zij beoefenen alleen de zaken van den krijg, en de zoon volgt zijn vader op.

167. En of de Hellenen nu ook dit van de Egyptenaars geleerd hebben, kan ik niet met zekerheid beoordeelen, ziende, dat ook de Thraciërs en de Scythen, en de Perzen en de Lydiërs en bijna alle barbaren hen die handwerken verstaan en hun kinderen, in geringer achting houden dan de andere burgers, en hen, die geen handenarbeid verrichten, als edel beschouwen, en vooral als zij den krijg beoefenen. Overgenomen hebben alle Hellenen het zeker, en vooral de Lacedaemoniërs. Doch de Corinthiërs verachten de handwerklieden het minst.

168. Aan hen alleen, behalve de priesters, waren de volgende voorrechten toegekend: aan een ieder twaalf uitgekozen morgens cijnsvrij land. De morgen nu is honderd egyptische ellen lang en breed, en de egyptische el is gelijk aan de samische. Dit was nu aan hen allen toegekend, doch het volgende genoten zij na elkander en nooit dezelfden meer dan eens. Duizend van de Calasiriërs en ook van de Hermotybiërs waren ieder jaar lijfwacht van den koning; aan dezen nu werden nog, behalve de morgens, iederen dag deze andere dingen verstrekt: aan ieder een gewicht van vijf minen brood, twee minen rundervleesch, en vier maten wijn. Dat werk telkens aan de lijfwachten verstrekt.

169. Toen nu Apriës met de hulptroepen, en Amasis met alle Egyptenaars, waren samengekomen bij de stad Momemphis, grepen zij elkander aan; en de vreemdelingen streden goed, doch veel geringer in getal zijnde, werden zij daardoor overwonnen. Apriës was, naar men zegt, van meening, dat zelfs geen god hem van de heerschappij zou kunnen berooven; zoo veilig meende hij gevestigd te zijn. Maar toch werd hij toen in den strijd overwonnen, en , levend gevangen, naar de stad Saïs gebracht, naar zijn eigen voormalige woning, die nu reeds het paleis van Amasis was. Daar werd hij een tijd lang in het paleis onderhouden, en Amasis behandelde hem goed; doch toen eindelijk de Egyptenaars Amasis verweten, dat hij niet billijk deed, hem voedende, die hun aller en zij grootste vijand was, gaf hij zoo dan Apriës aan de Egyptenaar s. En dezen verstikten hem en begroeven hem daarna in het vaderlijke graf. Dit is in den tempel van Athenaia, dicht bij het binnenste, aan de linkerhand bij het inkomen. De Saïten begroeven alle koningen, die uit dat gewest waren gekomen, binnen in de tempel. Het grafteeken van Amasis evenwel is wat verder van het binnenste dan dat van Apriës en zijn voorvaders, maar toch is ook dit nog in den hof van den tempel, zijnde een groote gang van steen en versierd met zuilen, die palmboomen nabootsen, en met andere kostbare zaken. Binnen in den gang zijn twee deuren, en tusschen die deuren is de grafkamer.

170. Bij dat meer houden de Egyptenaars des nachts voorstellingen van zijn lijden, en die noemen de Egyptenaars mysteriën. Doch over die zaken, ofschoon ik meer weet, hoe het daarmede is, zwijge ik. Ook over het feest van Demeter, dat de Hellenen de Thesmophoriën noemen, ook daarover moge ik zwijgen, behalve zooveel ik in vroomheid kan verhalen. De dochters van Danaüs waren het, die dat feest uit Egypte aanbrachten en het leerden aan de Pelasgische vrouwen; daarna, toen de bevolking van geheel de Peloponnesus door de Doriërs verjaagd werd, ging het feest verloren, en alleen de overgeblevenen van de Peloponnesiërs en de niet verjaagde Arcadiërs bewaarden het.

172. Toen Apriës zoo gevallen was, was Amasis koning, afkomstig uit het saïtische gewest; doch de stad, waaruit hij was, die heet Siuph. Eerst nu minachtten de Egyptenaars Amasis en telden hem geenszins zeer hoog, daar hij toch vóór dien tijd een man uit het volk was en uit een onaanzienlijk huis, doch later won Amasis hen door sluwheid, niet door overmoed. Hij had ontelbare andere goederen, en daaronder ook een gouden voetbekken, waarin Amasis zelf en al zijn gasten hun voeten plachten te wasschen. Dit nu liet hij stuk slaan, maakte er een godenbeeld van, en plaatste dat op de meest passende plaats van de stad. De Egyptenaars nu gingen naar het beeld en eerden het grootelijks; doch Amasis vernemend wat door de burgers gedaan werd, riet de Egyptenaars bijeen en verhaalde hun, dat het beeld uit een voetbekken gekomen was, waarin de Egyptenaars vroeger ge spuwd en gewaterd en zich de voeten gewasschen hadden, en zij dat nu grootelijks vereerden. En nu was hem, zeide hij, hetzelfde als aan het voetbekken overkomen, want indien hij ook voorheen een man van het volk was, thans toch was hij hun koning. En hij spoorde hen aan hem te eeren en te onzien. Op zulk een wijze won hij de egyptenaars, dat zij het billijk achtten hem te dienen.

173. Hij richtte zijn zaken op de volgende wijze in: in den vroegen ochtend tot aan de volle markt behandelde hij met ijver de inkomende zaken; na dien tijd echter feestte en schertste hij met zijn drinkgenooten en was lichtzinnig en uitgelaten. Zijn vrienden waren ontevreden daarover en vermaanden hem, het volgende te zeggen:"O koning, gij bestuurt u zelven niet goed, daar gij al te zeer in het opgepaste u begeeft. Want gij moest plechtig op een plechtigen zetel zitten en den ganschen dag de zaken behandelen. En zóó zouden de Egyptenaars weten, dat zij door een grooten man beheerscht worden, en meer zoudt ge in aanzien wezen. Doch nu doet ge geenszins als een koning." Hij antwoordde hun aldus: "Zij die een boog hebben, spannen dien, als zij hem moeten gebruiken; want als hij den ganschen tijd gespannen was, zou hij springen, zoodat zij hem op den juist en tijd niet zouden kunnen gebruiken. Zóó dan ook is een mensch ingericht: indien hij altijd ernstig wilde zijn en niet zijn behoorlijk deel aan de vroolijkheid wilde nemen, dan zou hij, buiten zijn weten, krankzinnig worden op verstompt. Dit weet ik en daarom geef ik beiden hun deel."Dit dan antwoordde hij aan zijn vrienden.

174. Men zegt dat Amasis, ook toen hij gewoon burger was, van drinken hield en van de vroolijkheid, en geenszins een man van ernstige zaken was; wanneer hem nu door zijn drinken en goed leven de middelen kwamen te ontbreken, ging hij er op uit en stal. Zij nu die beweerden, dat hij hun dingen had, brachten hem op zijn loochening naar het orakel van de plaats. En dikwijls nu werd hij door de orakels overtuigd, doch dikwijls ook kwam hij vrij. En toen hij nu koning was geworden, deed hij het volgende: alle goden, die hem van diefstal hadden vrijgesproken, op de tempels van dezen sloeg hij geen acht en gaf niets voor hun onderhoud, noch ging hij daar offeren, daar zij niets waard waren en bedrieglijke orakels hadden; doch die hem een dief hadden verklaard, voor dezen droeg hij zorg, als zijnde in waarheid goden en in het bezit van onbedrieglijke orakels.

175. En hij bouwde zoowel in Saïs voor Athenaia een voorhal, verwonderlijk schoon, - waarbij hij verreweg alle anderen overtrof in hoogte en grootte van het gebouw, en in de grootte der steenen en hun hoedanigheid-, en ook wijdde hij groote kolossen en manlijke sphinxen, ongemeen lang, en voor de herstelling liet hij nog andere steenen aanbrengen, geweldig van grootte. Hij voerde deze ten dele uit de steengroeven bij Memphis aan, doch de zeer groote uit de stad Elephantine, die een vaart van wel twintig dagen van Saïs afligt. Wat ik daaronder niet het minste, doch het meeste bewonder, is dit: hij liet een huis uit één steen uit de stad Elephantine komen, en dezen brachten zij in drie jaren over, en die waren allen scheepslieden. Van dit huis is de lengte van buiten eenentwintig ellen, de breedte veertien, de hoogte acht. Dit nu zijn de maten van dit éénsteenige huis aan de buitenzijde, doch van binnen is de lengte achttien ellen en twintig vingers, (de breedte twaalf ellen), de hoogte vijf ellen. Dit huis ligt bij den ingang van het heiligdom. Want binnen in het heiligdom is het daarom niet gesleept, zegt men, omdat de bouwmeester bij het vervoeren van het huis zuchtte, daar er zooveel tijd mede verstreken was, en hij onwillig was over het werk, en dat Amasis dit voor een bedenkelijk teeken houdend, hem niet toeliet het huis nog verder te slepen. Doch sommigen ook zeggen, dat een van de menschen, die er aan hefboomden, er door doodgedrukt werd, en dat het daarom niet verder werd gebracht.

176. Amasis wijdde ook in alle andere belangrijke tempels werken, bezienswaard van grootte, en daaronder ook in Memphis den achteroverliggende kolos voor den tempel van Hephaestus, die vijfenzeventig voet lang is. Op hetzelfde voetstuk staan twee kolossen uit hetzelfde blok gehouwen, ter grootte van twintig voet ieder, de een aan deze, de andere aan gene zijde van het binnenste des tempels. En een andere even groote steenen kolos is in Saïs, evenzoo liggend als die in Memphis. En Amasis is het, die den tempel van Isis in Memphis gebouwd heeft, groot en zeer bezienswaard.

177. Onder de regeering van Amasis is Egypte, naar gezegd wordt, het meest in welvaart geweest, zoowel in wat de rivier aan het land schenkt, als wat uit het land aan de menschen komt, en er zouden toen in het geheel twintig duizend bewoonde steden in het land geweest zijn. Amasis hield van de Hellenen, en betoonde andere gunsten aan verscheidene der Hellenen, en gaf ook aan hen, die in Egypte kwamen, de stad Naucratis om zich in te vestigen, en hun, die daar niet wilden wonen, maar daarheen voeren, gaf hij plaatsen om altaren en heiligdommen voor de goden op te richten. Het grootste van die heiligdommen, dat ook het meest vermaande is en het meest gebruikt wordt, heet het Hellenium, en de volgende zijn de steden, die dit gemeenschappelijk hebben opgericht: van de Ioniërs Chius en Teüs en Phocaea en Clazomenae; van de Doriërs Rhodus en Cnidus en Halicarnassus en Phaselis, en van de Aeoliërs Mytilene alleen. Van dezen dan is het heiligdom, en deze steden zijn het, die opzichters van den handel aanstellen, en alle andere steden, die beweren deel te hebben aan het heiligdom, hebben er in werkelijkheid gansch geen deel aan. De Aegineten echter hebben afzonderlijk op zich zelf een heiligdom voor Zeus gebouwd, en de Samiërs een voor Hera, en de Milesiërs voor Apollo.

179. Oudtijds was Naucratis de eenige handelstad en er was geen andere in Egypte. En indien iemand aan een der andere monden van de Nijl kwam, moest hij zweren niet opzettelijk daar gekomen te zijn, en na den eed moest hij met zijn schip zelf naar den Canobischen mond varen. Of, indien het niet mogelijk was, om de tegenwinden, daarheen te varen, dan moesten de waren op kanen het Delta om gebracht worden, tot zij in Naucratis waren gekomen. Zóó was Naucratis in aanzien.

180. Toen nu de Amphyctionen den tempel, die nu in Delphi is, voor driehonderd talenten zilver wilden laten opbouwen (want die vroeger daar stond, was van zelf verbrand, en de Delphiërs moesten het vierde deel van de som opbrengen), gingen de Delphiërs rond bij de steden en verzamelden giften, en daarbij was het niet Egypte, waaruit zij het minste medebrachten. Want Amasis gaf hun duizend talenten aluin, en de Hellenen, die in Egypte woonden, twintig minen zilver.

181. Ook met de Cyrenaeërs sloot Amasis vriendschap en een verbond. En hij wilde zelfs van daar een vrouw huwen, het zij uit verlangen naar een helleensche vrouw, het zij ook, zonder dat, uit vriendschap voor de Cyrenaeërs. En hij huwde dan, sommige zeggen de dochter van Battus, anderen echter van Arcesilaüs, weer anderen van Critobulus, een aanzienlijk man onder de burgers, en zij heette Ladice. Toen Amasis bij haar lag, was hij niet in staat haar te bekennen, de andere vrouwen echter besliep hij. En toen dit dikwijls geschiedde zeide Amasis tot deze vrouw, die Ladice heette:"o vrouw, geheel hebt ge mij betooverd, en ge zult geen middel vinden, dat ge niet den smadelijksten dood onder alle vrouwen sterft". En Ladice, toen Amasis door haar ontkenning geenszins verzacht werd, beloofde in haar geest aan Aphrodite , indien Amasis in dezen nacht haar bekennen zou, -want dat was voor haar de eenige afwending van den ramp-, dan zou zij een beeld voor haar naar Cyrene zenden. Na die gelofte bekende Amasis haar terstond, en ook sinds dien tijd, zoo dikwijls hij kwam, bekende hij haar, en hij beminde haar daarna zeer. En Ladice kwam haar gelofte aan de godin na; want zij liet een beeld maken en zond dat naar Cyrene, dat nog in mijn tijd ongedeerd daar was, staande buiten de stad der Cyrenaeërs. En deze Ladice zonc Cambyses, toen hij Egypte veroverd had en gehoord had wie zij was. Ongedeerd terug naar Cyrene.

182. Amasis wijdde ook wijgeschenken in Hellas; vooreerst in Cyrene een verguld beeld van Athenaia en zijn eigen beeltenis, in schildering afgebeeld, en dan ook aan de Athenaia in Lindus twee steenen beelden, en een linnen pantser, zeer bezienswaard, en in de derde plaats twee houten beelden van zich zelf, aan Hera te Samos, die nog in mijn tijd in den grooten tempel stonden, achter de deur. In Samos wijdde hij deze geschenken wegens zijn gastvriendschap met Polycrates, zoon van Aeaces; in Lindus echter niet om eenige gastvriendschap, doch omdat het heiligdom van Athenaia in Lindus gebouwd zijn geworden door de dochters van Danaüs, die daar geland waren op hun vlucht voor de zonen van Aegyptus. Deze zaken nu wijdde Amasis. Hij is ook de eerste der menschen geweest, die Cyprus veroverde en het tot opbrengst van een schatting onderwierp.