|
euterpe - tweede boek1 - 911. Na Cyrus' dood ging het koningschap over op Cambyses, den zoon van Cyrus en Cassandane, dochter van Phanaspes, over wier dood Cyrus zelf groote rouw bedreef en ook aan allen, die hij beheerschte, beval te rouwen. Van deze en van Cyrus was Cambyses de zoon, die de Ioniërs en de Aeoliërs als geërfde slaven beschouwde, doch tegen Egypte een veldtocht ondernam, waarop hij de andere volken van zijn rijk medenam en ook die Hellenen, over welke hij heerschte. 2. Voor Psammetichus over hen heerschte, meenden de Egyptenaars, dat zij de oudsten van alle menschen waren. Doch nadat Psammetichus koning was geworden en onderzocht had, wie het eerste ontstaan waren, sinds dien tijd beschouwen zij de Phrygiërs als ouder dan zich zelven, doch zich zelf ouder dan de anderen. Want toen Psammetichus bij nasporing geen enkele oplossing vinden kon daarvan, welke menschen de oudsten waren, verzon hij het volgende. Twee pas geboren kinderen van gewone lieden geeft hij aan een herder om ze bij zijn kudden op te voeden op de volgende wijze: hij beval, dat geen mensch ten aanhoore van hen een woord zou uiten, doch zij moesten in een afgezonderd vertrek alleen liggen, en op den goeden tijd moest hij geiten bij hen brengen en had hij hen met melk gevoed, dan moest hij voor het overige zorgen. Dit nu deed en beval Psammetichus, wijl hij hooren wilde, als de kinderen over het onduidelijke gestamel heen waren, welke woorden zij het eerst zouden uiten. En dat geschiedde dan ook. Want toen de herder twee jaren lang zoo gedaan had, en hij de deur openmaakte en binnentrad, sprongen beide kinderen op hem af en riepen "bekos", de handen uitstrekkend. Eerst nu zeide de herder niets toen hij dat hoorde, maar toen dat woord herhaald werd, zoo dikwijls hij kwam en de kinderen verzorgde, zoo dan meldde hij het aan zijn heer en bracht op diens bevel de kinderen tot hem. En Psammetichus hoorde het ook zelf en onderzocht, welke menschen iets bekos noemen, en bij onderzoek bevond hij, dat de Phrygiërs aldus het brood heeten. Zoo dan gaven de Egyptenaars toe, en besloten zij uit deze zaak, dat de Phrygiërs ouder zijn dan zij zelven. 3. Zóó vernam ik deze zaak van de priesters van Hefaestus te Memphis. De Hellenen verhalen vele andere dwaze dingen, en hoe Psammetichus aan vrouwen de tong liet uitsnijden en zoo bij deze vrouwen de kinderen liet opgroeien. Zooveel dan vertelden zij over de opvoeding der kinderen, en ik hoorde nog andere dingen in Memphis in gesprek gekomen met de priesters van Hefaestus, en daarom dan ging ik ook naar Thebae en naar Heliopolis, om te weten, of zij daar in hun berichten met die te Memphis gegeven zouden overeenstemmen; want de Heliopoliten heeten de geleerdsten der Egyptenaars. Wat ik nu over goddelijke zaken vernam, ben ik niet geneigd mede te deelen, behalve hun namen alleen, meenende, dat alle menschen daar even weinig van weten, en wat ik er nog van berichten zal, zal ik vermelden door den dwang van mijn verhaal. 4. Doch wat de menschelijke zaken aangaat, zeiden de priesters in overeenstemming met elkander, dat de Egyptenaars het eerst van alle menschen het jaar uitgevonden, en het in twaalf gelijke deelen verdeeld hadden. Zij hadden, zeiden zij, dit uit de sterren gevonden. En in zoover rekenen zij verstandiger dan de Hellenen, komt mij voor, dat dezen ieder derde jaar een schrikkelmaand invoegen ter wille van de jaargetijden, terwijl de Egyptenaars de twaalf maanden ieder op dertig dagen stellen en nog ieder jaar vijf dagen bij het geheele aantal voegen, en dan komt de kringloop der jaargetijden bij hen weder op hetzelfde punt terug. Zij zeiden ook, dat het eerst bij de Egyptenaars de namen der twaalf goden in gebruik waren gekomen en de Hellenen dit van hen hadden overgenomen; zij zelf ook hadden het eerst altaren en beelden en huizen voor de goden opgericht en figuren in steen gegrift, en dat dit zoo was, bewezen zij grootendeels door feiten. De eerste sterveling, die, volgens hen, over Egypte regeerde, was Menes. En in zijn tijd was, naar zij zeiden, behalve het gewest van Thebae, geheel Egypte een moeras, en was er niets boven water van het land, dat nu gelegen is beneden het meer Moeris, waarheen de vaart van de zee langs de rivier zeven dagen duurt. 5. En zij schenen mij toe naar waarheid over het land te spreken. Want het is toch duidelijk voor ieder, ook die het niet vroeger gehoord heeft, doch ziet, en verstand heeft, dat het Egypte, waarheen de Hellenen komen met hun schepen, een door de Egyptenaars aangewonnen land is en een geschenk van de rivier; en ook het land boven dat meer, tot drie dagen varens verder, waarover de priesters echter niets van dien aard zeiden, is evenzeer iets dergelijks. De aard van het Egyptische land is nu de volgende: vooreerst, indien ge er heenvaart en nog een dagreis van de kust af zijt, en het peillood vallen laat, dan zult ge slijk ophalen en op elf vademen diepte zijn; dit toont dat de ophooping van aarde tot zoover gaat. 6. Verder is de lengte van Egypte zelf langs de zee zestig schoenen, zooals wij Egypte rekenen van de plinthinetische golf tot het serbonische meer, waarbij zich de berg Casius uitstrekt: van dit punt af dan is de lengte zestig schoenen. Want zoovelen als weinig land hebben, meten hun grond met vademen; die minder arm zijn, met stadiën; die veel land hebben, met parasangen; die buitengemeen veel, met schoenen. Een parasang nu geldt dertig stadiën, en iedere schoene, een egyptische maat, zestig stadiën. En zoo zou dan de lengte van Egypte langs de zee zeshonderd en drieduizend stadiën bedragen. 7. Van daar af en tot aan Heliopolis, het land in, is Egypte breed, daarbij geheel vlak, waterrijk en moerassig. De weg naar Heliopolis van de zee, stroom op, is bijna even lang als de weg die uit Athene, van het altaar der twaalf goden, naar Pisa gaat en den tempel van den olympischen Zeus. Ge zult een klein verschil vinden, als ge die wegen nagaat, zoodat zij niet gelijk van grootte zijn, doch niet meer dan vijftien stadiën; want de weg van Athene naar Pisa komt vijftien stadiën te kort om er vijftien honderd te wezen, doch de weg van de zee naar Heliopolis maakt juist dat getal vol. 8. Als men van Heliopolis opwaarts gaat is Egypte smal. Want aan de eene zijde strekt zich het arabische gebergte uit, dat van den Beer naar den middag gaat en den zuidewind, steeds naar boven loopend tot aan de dusgenoemde Roode Zee, en waarin de steengroeven liggen, die voor de pyramiden in Memphis uitgegraven zijn. Daar nu houdt het gebergte op en buigt zich naar de reeds genoemde zijde, en waar zijn lengte het grootst is, is zij, naar ik vernam, van den dageraad tot den avond een weg van twee maanden lang, en het uiteinde naar den dageraad gelegen moet wierook opbrengen. Zoo dan is dat gebergte. Aan de libysche zijde van Egypte strekt zich een ander rotsig gebergte uit, waarin de pyramiden gelegen zijn; het is zeer zandig en strekt zich uit in de zelfde richting, als het naar den middag loopende deel van het arabische gebergte. Zoodat na Heliopolis er geen breed land meer is, voor zoover het tot Egypte behoort, doch over een vaart van vier dagen stroom op is Egypte smal. Tusschen de genoemde bergen is het land vlak, en waar het 't smalst is, scheen mij de afstand van het arabische tot het dusgenaamde Libysche gebergte hoogstens tweehonderd stadiën te wezen. Verder op is Egypte weder breed. Zoo dan is het met dat land. 9. Van Heliopolis naar Thebae is de vaart stroom op negen dagen lang, en de weg bedraagt vierduizend en achthonderd en zestig stadiën, of een en tachtig schoenen. Brengt men de stadiën van Egypte te samen, dan is de weg langs de zee reeds vroeger door mij aangegeven, dat hij drieduizend en zestig stadiën bedraagt, doch hoe groot de afstand is het land in, van de zee tot aan Thebae, zal ik nu zeggen: want die is zesduizend en honderd en twintig stadiën. Van Thebae echter tot aan de stad Elephantine genaamd zijn er achttienhonderd stadiën. 10. Van dit genoemde land nu schijnt het grootste deel, zooals de priesters zeiden, ook mij zelven toe door de Egyptenaren aangewonnen te zijn. Want het land tusschen de genoemde gebergten, die boven de stad Memphis liggen, kwam mij voor eenmaal een zeeboezem geweest te zijn, evenals de streek bij Ilium en Teuthrania en Ephesus en de Maeander-vlakte, zoo men althans zulke kleine zaken met groote kan vergelijken. Want van de stroomen, welke die landstreken hebben aangespoeld, kan er geen enkele met één der monden van de Nijl, die vijfmondig is, in grootte vergeleken worden. Doch er zijn nog andere rivieren, die in grootte niet naast de Nijl komen, doch die groote werken tot stand hebben gebracht, wier namen ik noemen kan, van meer dan een, en niet het minst van de Acheloeus, die door Acarnanië heen stroomt en in zee vallend reeds de helft der Echinadische eilanden tot vast land heeft gemaakt. 11. In het Arabische land, niet ver van Egypte, is een zeeboezem, loopend van de dusgenaamde Roode Zee, zoozeer lang en smal, als ik nu zeggen ga: de lengte van den tocht is, als men begint van het diepste punt land-in en vaart tot aan de breede zee, veertig dagen bij gebruik van een riemschip, en de breedte, waar de golf het breedst is, is een halven dag varens. Eb en vloed geschieden er iederen dag in. Zulk een boezem dan meen ik, dat ook Egypte eenmaal geweest is: de eene golf dus liep van de noordelijke zee naar Ethiopië; de andere, de arabische, die ik beschrijven ga, drong van de zuidelijke zee naar Syrië; en zij boorden bijna in elkanders uiteinden, terwijl zij slechts een kleinen strook land in beloop van elkaar afweken. Indien nu de Nijl zijn loop zou willen ombuigen naar dien arabischen boezem, wat zou dezen dan beletten binnen twintigduizend jaar door den stroom opgevuld te zijn? Ik voor mij geloof, dat hij in tienduizend reeds gevuld zou wezen. Waarom dan zou in den vroeger verstreken tijd, voor ik geboren werd, niet een zeeboezem, ook nog veel grooter dan gene, opgevuld worden door een zoo grooten en zoo krachtigen stroom? 12. Ik geloof daarom hen, die dat over Egypte verhalen, en meen ook zelf zeer sterk dat het zoo is, ziende dat Egypte meer dan het aangrenzende land in zee uitsteekt, dat schelpen op de bergen gevonden worden, en zout aan de oppervlakte komt, zoodat ook de pyramiden verteerd worden, en dat van alle gebergten in Egypte alleen het boven Memphis gelegene zandrijk is; bovendien is Egypte noch gelijkend op het aangrenzende Arabische land noch op het Libysche, noch zelfs op Syrië (want de kuststreek van Arabië wordt door Syriërs bewoond), doch het is zwart van aarde en brokkelig, daar het slijk een aanspoelsel is uit Ethiopië door de rivier naar beneden gebracht. Libye is, naar wij weten, meer rood van grond en wat zandig; Arabië en Syrië zijn rijker aan klei en wat rotsig. 13. Dit ook nog zeiden de priesters mij aangaande dit land als een groot bewijs, dat de rivier, ten tijde van koning Moeris, wanneer hij minstens acht el gestegen was, steeds Egypte beneden Memphis onder water zette. En Moeris was nog niet negenhonderd jaren dood, toen ik dat van de priesters hoorde. En nu, indien de rivier niet minstens zestien of vijftien ellen stijgt, loopt zij niet over het land. En ik geloof, dat de Egyptenaars, die beneden het meer Moeris wonen, zoowel in de andere streken als in de dusgenaamde Delta, indien dat land naar de zelfde verhouding in hoogte toeneemt en gelijkelijk aangroeit, dan zullen de Egyptenaars, daar de Nijl het land niet meer overstroomt, allen verderen tijd hetzelfde ervaren, wat zij nu zelven zeiden, dat de Hellenen eens ondervinden zullen. Want toen zij hoorden, dat het gansche land der Hellenen beregend wordt, maar niet door rivieren bevochtigd gelijk het hunne, zeiden zij dat de Hellenen eenmaal, in hun verwachting bedrogen, grooten honger zouden lijden. Dat woord wil zeggen, dat als de god bij hen niet wil regenen, maar een langdurige droogte zal zenden, dan zullen de Hellenen door honger omkomen; want er is toch voor hen geen andere hulp aan water, dan alleen van Zeus. 14. En dit zeggen de Egyptenaars terecht van de Hellenen. Maar welaan, nu zal ik zeggen, hoe het met de Egyptenaars zelf is. Want indien, zooals ik reeds te voren zeide, het land beneden Memphis (want dat is het aangroeiende land) in denzelfden mate als in den verstreken tijd in hoogte toeneemt, wat zullen de daar wonende Egyptenaars dan anders doen dan honger lijden, indien hun land niet beregend zal worden, noch de rivier bij machte zal zijn op de akkers te loopen? Want nu voorwaar winnen zij de vrucht uit den bodem met de geringste moeite onder alle andere menschen en ook de overige Egyptenaars, daar zij toch geen moeiten hebben om met den ploeg de vorens open te breken, noch te eggen, noch iets anders verrichten van waarmede de andere menschen zich afmatten op het veld; maar wanneer de rivier van zelf gekomen is en de akkers gedrenkt heeft, en na het drenken weer terug wijkt, dan bezaait ieder zijn eigen akker en drijft er zwijnen in, en wanneer het zaad door de zwijnen in den grond is getrapt, dan wacht hij daarna den oogsttijd, en hij laat door de zwijnen het koorn dorschen en verzamelt het. 15. Indien wij nu over Egypte de meening der Ioniërs willen volgen, die zeggen dat alleen het Delta Egypte is, terwijl volgens hen zijn kust loopt van den dusgenaamden toren van Perseus tot de Pelusische Taricheeën, ter lengte van veertig schoenen, en het zich van de zee land-inwaarts uitstrekt tot aan de stad Cercasorus, waar de Nijl zich splitst en naar Pelusium en naar Canobus gaat, zoodat al het andere land van Egypte deels tot Libye deels tot Arabië zou behooren, - indien wij deze meening wilden volgen, zouden wij kunnen toonen dat de Egyptenaren vroeger gansch geen land hadden. Want al dadelijk is het Delta, zooals de Egyptenaren zelf beweren en het ook mij toeschijnt, aangespoeld land en om zoo te zeggen eerst pas voor den dag gekomen. Indien zij nu aanvankelijk gansch geen land hadden, waarom zouden zij zich dan aftobben om de oudste menschen te schijnen? En zij behoefden geenszins de proef met de kinderen te nemen, om te hooren, welke taal zij het eerst zouden uiten. Doch ik geloof niet, dat de Egyptenaars eerst met wat de Ioniërs het Delta noemen, ontstaan zijn, maar dat zij er altijd zijn geweest sinds het menschelijk geslacht ontstaan is, en dat bij het aangroeien van het land velen van hen zijn achtergebleven, doch vele anderen naar beneden getrokken. Oudtijds immers heette Thebae Egypte, waarvan de omvang slechts zes duizend honderd en twintig stadiën is. 16. Indien wij dan de juiste meening hebben, dwalen de Ioniërs over Egypte; doch indien de meening der Ioniërs juist is, bewijs ik, dat de Hellenen en ook de Ioniërs zelf niet weten te rekenen, daar zij zeggen dat de heele aarde uit drie deelen bestaat, Europa, Azië en Libye. Want zij moeten als vierde deel daar het Egyptische Delta bij tellen, indien dit noch tot Azië noch tot Libye behoort; want volgens die bewering is de Nijl niet de grens tusschen Azië en Libye, maar aan den punt van dit Delta valt de Nijl uiteen, zoodat het midden tusschen Azië en Libye zou gelegen zijn. 17. En de meening der Ioniërs laten wij dan varen, doch wij zeggen over die dingen het volgende: Egypte is in zijn geheel het land, dat door de Egyptenaars bewoond wordt, evenals Cilicië het door de Ciliciërs en Assyrië het door de Assyriërs bewoonde land is, en wij kennen geen enkele waarachtige grens tusschen Azië en Libye dan het gebied der Egyptenaars. Doch indien wij willen volgen, wat door de Hellenen wordt aangenomen, zullen wij aannemen, dat Egypte in zijn geheel, dat begint bij de watervallen en de stad Elephantine, in tweeën is gesplitst en aan beide namen deel heeft; want één deel van het land behoort dan tot Libye, het andere tot Azië. Want de Nijl snijdt op haar loop van de watervallen naar de zee Egypte midden door. Tot de stad Cercasorus nu loopt de Nijl als één stroom, maar na die stad splitst zij zich langs drie verschillende wegen. En een daarvan gaat naar den dageraad en heet de Pelusische mond; de tweede weg loopt naar den avond en deze heet de Canobische mond. Met den recht door loopenden arm van de Nijl is het aldus: de rivier stroomt van boven naar den punt van het Delta, en daar vandaan het Delta midden door snijdend valt hij in zee en heeft geenszins het geringste deel van het water noch het minst vermaarde; deze arm heet de Sebennytische mond. Er zijn nog twee andere monden, die zich van den Sebennytischen afsplitsen en naar de zee loopen; deze hebben de volgende namen, de eene van den Saïtischen, de andere van den Mendesischen mond. De Bolbitinische mond en de Bucolische zijn geen natuurlijke monden, maar gegravene. 18. Voor de meening, dat Egypte zoo groot is als ik hier aangeef, daarvoor is ook een orakelspreuk van Ammon een bewijs, die ik vernam nadat ik mijn meening over Egypte reeds had. Want de menschen uit de stad Marea en Apis, die aan de Libye grenzende streken van Egypte bewonen, meenden zelf Libyers te zijn, en geen Egyptenaars, en daar zij ontevreden waren met de instyellingen van den tempel en zich niet van het gebruik van koeien wilden onthouden, zonden zij boden naar Ammon om te zeggen, dat hun en den Egyptenaars niets gemeen was; want zij woonden buiten het Delta en kwamen in niets met genen overeen, en zij wilden dat het hun vrij stond van alles te eten. Doch de god stond hun niet toe dat te doen, zeggende dat Egypte al het land was, dat de Nijl bij zijn overstrooming besproeit, en zij allen Egyptenaars, die beneden de stad Elephantine wonen en water uit dien stroom drinken. Zoo werd hun geantwoord. De Nijl toch overstroomt, als zij zwelt, niet alleen het Delta, maar ook een deel van het dusgeheeten Libysche land en van het Arabische meermalen over een uitgestrektheid van twee dagen gaans aan weerszijden, ook wel meer en minder dan dat. 19. Over de natuur van den stroom kon ik noch van de priesters noch van iemand anders iets vernemen, en toch was ik begeerig van hen te hooren, waarom de Nijl zwelt en overstroomt, bij den zomer-zonnestilstand beginnende, gedurende honderd dagen, en dan, als dit getal van dagen bereikt is, terugwijkt en klein van bedding wordt, zoodat zij den ganschen winter door gering is tot de zomerzonnestilstand er wederom is. Over die zaken kon ik niets vernemen van de Egyptenaars, toen ik hen vroeg, welke kracht de Nijl toch had, dat zij gansch anders geaard is dan de andere rivieren. Die zaken dan wilde ik weten en daarover vroeg ik hen en ook, waarom zij alleen onder alle rivieren geen wind van zich doet waaien. 20. Maar er zijn er van de Hellenen, die wenschende vermaard te worden on hun schranderheid, over dat water op drie verschillende wijzen gesproken hebben, twee van welke ik het de moeite niet waard acht om te vermelden, behalve dat ik ze alleen wil aangeven. De een van die twee wijzen zegt, dat de passaatwinden oorzaak zijn van het zwellen der rivier, daar zij de Nijl verhinderen in zee uit te stroomen. Nu waaien echter dikwijls die winden in ´t geheel niet, en toch doet de Nijl hetzelfde. Bovendien, als de passaatwinden de oorzaak waren, dan moesten ook de andere rivieren, die tegen die winden instroomen, hetzelfde ondervinden en op de zelfde wijze als de Nijl, en met des te grooter kracht, naar mate zij kleiner zijn en dus zwakker van strooming. Doch er zijn vele rivieren in Syrië, vele ook in Libye, die niets van dien aard ondervinden gelijk de Nijl. 21. De andere is nog onverstandiger dan de genoemde verklaring, en wonderbaarlijker om te zeggen, en zij zegt dat de Nijl zoo doet wijl zij uit den Oceaan voortkomt, en de Oceaan om de gansche aarde stroomt. 22. De derde meening, die verreweg het meest aannemelijk schijnt, dwaalt het meest. Want ook zij zegt niets, bewerende dat de Nijl haar water van gesmolten sneeuw heeft; want deze rivier stroomt uit Libye door de Ethiopiërs heen, en valt dan in Egypte: hoe dan zou zij haar water van de sneeuw kunnen hebben, daar zij van warme plaatsen naar koudere stroomt? Want er zijn vele bewijzen voor een man, die in staat is over zulke zaken te oordeelen, dat zij niet door middel van de sneeuw kan stroomen. Het eerste en grootste bewijs geven de winden, welke van die streken waaien en warm zijn; het tweede, dat dat land altijd zonder regen en zonder ijs is; en na het vallen van sneeuw zal het noodzakelijker wijze binnen vijf dagen regenen, zoodat indien het er sneeuwde, er regen zou vallen in die landen; het derde bewijs geven de menschen, die zwart zijn van de zonnewarmte. En de wouwen en de zwaluwen zijn er het gansche jaar zonder weg te gaan, en de kraanvogels ontvluchten den winter, als hij in het Scythische land komt en trekken ter overwintering naar deze streken. Indien er nu ook slechts weinig sneeuw viel in het land, waardoor de Nijl stroomt en waar uit zij ontspringt, zou niets van al deze dingen gebeuren, zooals de noodzakelijkheid bewijst. 23. Doch hij, die van den oceaan heeft gesproken en zoodoende zijn verhaal aan iets onzekers verbonden, die verdient geen wederlegging, want ik althans ken geen werkelijke rivier Oceanus, doch ik vermoed dat Homerus of een van de oudere dichters dien naam hebben uitgedacht en in hun gedicht gebracht. 24. Indien ik, na de vorige meeningen berispt te hebben, zelf mijn meening moet aangeven over deze onduidelijke zaak, zal ik zeggen, waardoor de Nijl mij zomers toeschijnt te zwellen. In het winterjaargetijde wordt de zon door de ruwe winden van zijn ouden baan afgedreven en trekt naar Boven-Libye. Als ik het nu zoo kort mogelijk verklaren wil, is alles daarmede gezegd. Want het land waar deze god het dichtste bij is en waarin hij is, dat land moet het meeste naar water dorsten en daar moeten de rivieren van het land verdroogen. 25. Doch om het met meer woorden uit te leggen, is de zaak aldus. Als de zon Boven-Libye doortrekt, doet zij het volgende. Daar de lucht in al dien tijd daar in die streken helder is en het land heet, terwijl er geen koude winden zijn, doet de zon op haar doortocht hetzelfde wat zij ook bij ons des zomers pleegt te doen, wanneer zij door het midden van den hemel gaat. Want zij trekt het water tot zich en dan jaagt zij het naar de streken van den zuidewind, en de winden nemen het op en smelten en verstrooien het; en zooals dan ook natuurlijk is, zijn de winden die van dat land waaien, de zuidewind en de zuidwestewind, van alle winden verreweg het rijkst aan regen. En ik geloof dat de zon niet al het Nijlwater van een jaar telkens weer loslaat, doch dat een gedeelte bij haar blijft. Als nu de winter zachter wordt, komt de zon weder terug naar het midden van den hemel en dan trekt zij gelijkelijk van alle rivieren water naar boven. Vóór dien tijd zijn de andere stroomen groot door het regenwater, dat bij hen gevloeid is, daar er regen op het land valt en er beeken door heen loopen, maar zomers, als de regens van hen wegblijven en zij door de zon opgezogen worden, zijn zij zwak. Doch de Nijl, die geen regen krijgt, en door de zon opgetrokken wordt, houdt daardoor als de eenige onder alle rivieren in den winter natuurlijkerwijze veel minder water dan des zomers; want dan wordt zij evenzeer opgetrokken als alle andere wateren, maar ´s winters heeft alleen zij te lijden. Zóó geloof ik, dat de zon de oorzaak van die dingen is. 26. En volgens mijn meening is zij evenzeer er de oorzaak van, dat de lucht daar droog is, daar de zon op haar weg alles schroeit; zoo is dan in Boven-Libye altijd zomer. Maar als de stand van de hemelstreken veranderde, en aan die zijde van den hemel, waar nu de noordewind en de winter staan, als daar de plaats van den zuidewind was en van den middag, en waar de zuidewind nu staat, daar de noordewind was, - als dat alles zoo was, dan zou de zon, door den winter en den noordewind uit het midden van den hemel verdreven, over Boven-Europa trekken, evenals zij nu over Boven-Libye trekt, en op dien tocht door gansch Europa zou zij, naar ik meen, met de Ister hetzelfde doen als zij nu met de Nijl doet. 27. Wat nu de koelte betreft, dat de rivier er geen van zich blaast, daarover heb ik deze meening, dat natuurlijkerwijze van warme streken in ´t geheel geen koelte afwaait, doch dat zij veel liever van een koude plaats komt waaien. 28. Deze zaken nu mogen zijn zooals zij zijn en zooals zij van oudsher geweest zijn. Over de bronnen van de Nijl verklaarde niemand van de Egyptenaars, noch van de Libyers, noch van de Hellenen met wie ik in gesprek kwam, iets te weten, behalve in Egypte , in de stad Saïs, de schrijver van den heiligen schat van Athene, doch deze kwam mij voor te schertsen, toen hij beweerde het nauwkeurig te weten. Want hij zeide het volgende, dat er twee bergen zijn met spits toeloopende toppen, gelegen tusschen de thebaeïsche stad Syene en Elephantine, en genaamd, de eene berg Krofi, de andere Mofi. De bronnen van de Nijl nu zouden bodemloos zijn en midden uit deze bergen voortstroomen, en de helft van het water zou naar egypte vloeien en naar den noordewind, de andere helft echter naar Ethiopië en den zuidewind. Dat deze bronnen bodemloos zijn, dat had de egyptische koning Psammetichus bewezen. Want hij had een touw van vele duizende vademen lengte laten vlechten en dat er in afgelaten zonder aan den bodem te komen. Zoo dan bewees de schrijver, als hij werkelijke dingen vertelde, naar mijn inzicht echter, dat daar heftige kolken en terugstroomingen zijn, en zóó dan door het tegen de bergen springende water het ingeworpen peillood niet op den bodem komen kon. 29. Van niemand anders kon ik iets daarover vernemen; doch het volgende kwam ik, zooveel ik kon, nog te weten, terwijl ik zelf als ooggetuige tot aan de stad Elephantine reisde, doch over den verderen loop van hooren zeggen berichten inwon. Gaat men van de stad Elephantine verder, dan is het land steil; daarom moet men daar aan weerszijden van het schip een touw vastbinden, evenals aan een os voor den ploeg, en zoo voortgaan; als het breekt, wordt het vaartuig door het geweld van den stroom medegesleept. Dat gedeelte is een vaart van vier dagen lang, en de Nijl is daar kronkelig evenals de Maeander; twaalf schoenen zijn het, die men op deze wijze moet doorvaren, en dan komt ge aan een zeer vlakke streek, waarin de Nijl een eiland omstroomt; dit heet Tachompso. Het land boven Elephantine wordt reeds door Ethiopiërs bewoond en ook de helft van het eiland, de andere helft door Egyptenaars. Bij dit eiland ligt een groot meer, waarom heen Ethiopische zwerfstammen wonen; als ge dat doorgevaren zijt, zult ge in de bedding van de Nijl komen, die in dit meer uitstroomt, en vervolgens moet ge uit het schip stijgen en langs de rivier een landtocht van veertig dagen maken; want spitse rotsen steken in de Nijl uit en er zijn veel klippen, waar door heen ge niet varen kunt. Als ge deze streek in die veertig dagen zijt doorgetrokken, dan stijgt ge weder in een vaartuig en vaart twaalf dagen en vervolgens zult ge aan een groote stad komen, met name Meroë. Deze stad is, naar men zegt, de moederstad van alle andere Ethiopiërs. De menschen daar eeren van alle goden alleen Zeus en Dionysus, en dezen vereeren zij grootelijks, en zij hebben daar ook een orakel van Zeus. Zij trekken ten oorlog, wanneer deze god hun dat door spreuken gebiedt, en waarheen hij gebiedt, daarheen trekken zij. 30. Vaart ge van die stad weg, dan komt ge bij de Automolen in even veel tijd, als ge van Elephantine naar de moederstad van de Ethiopiërs waart gekomen. Die Automolen heeten Asmach, en dit woord beteekent volgens de helleensche taal "zij die aan de linkerhand des konings staan." Dezen, behoorende tot den egyptischen krijgerstand, waren ten getale van vierentwintig tienduizenden tot die Ethiopiërs overgegaan om de volgende reden. Ten tijde van koning Psammetichus stonden te Elephantine wachten tegen de Ethiopiërs, en in het pelusische Daphnae was een andere post tegen de Arabieren en de Assyriërs, en in Marea een andere tegen Libye. Nog in mijn tijd zijn er van de Perzen op dezelfde plaatsen wachtposten, zooals die ook onder Psammetichus waren; want de Perzen hebben een bezetting in Elephantine en in Daphnae. Die Egyptenaars dan hielden hun post drie jaren bezet en niemand kwam hen aflossen. Toen beraadslaagden zij, en met eenstemmig besluit vielen zij van Psammetichus af en trokken naar de Ethiopiërs. Psammetichus vernam dit en achtervolgde hen; en toen hij hen had achterhaald, smeekte hij hen met veel woorden, en drong hij hen, dat zij toch niet de vaderlandsche goden zouden verlaten en hun vrouwen en hun kinderen. Doch een van hen, naar men zegt, toonde zijn schaamdeel en zeide: waar dàt was, daar zouden ook vrouwen en kinderen voor hen zijn. Nadat zij in Ethiopië waren gekomen, gaven zij zich aan den koning der Ethiopiërs. En deze beloonde hen op de volgende wijze; hij had toen juist geschillen met enkele Ethiopiërs; dezen beval hij hun te verjagen en dan zouden zij het land van genen bewonen. Toen deze menschen onder de Ethiopiërs gevestigd waren, werden de Ethiopiërs zachter van aard, daar zij de zeden van de Egyptenaars leerden. 31. Over een vaart en een weg van vier maanden dus is de Nijl bekend, behalve wat van haar in Egypte stroomt, want zooveel maanden worden gevonden, als ge al de maanden samentelt, die besteed worden door een reiziger gaande van Elephantine naar die Automolen. Doch zij stroomt van den avond en den zonsondergang af. Maar hoe het verder is, weet niemand met zekerheid te zeggen; want het land daar is een woestijn door de hitte. 32. Doch zooveel heb ik gehoord van Cyrenaeïsche mannen, die beweerden naar het orakel van Ammon gegaan te zijn, en daar hadden zij gesproken met Etearchus, den koning der Ammoniërs, en zoo waren zij van andere gesprekken gekomen op een onderhoud over de Nijl, dat niemand haar bronnen weet, en Etearchus beweerde, dat eens Nasamonische mannen bij hem gekomen waren. Dit is een Libysch volk en bewoont de Syrtis en het land, dat niet ver naar de dageraadszijde van de Syrtis ligt. Da Nasamonen nu bij hun komst gevraagd, of zij iets meer van de Libysche woestijnen te zeggen hadden, hadden verhaald, dat er bij hen eens overmoedige zonen van aanzienlijke mannen geweest waren, en deze hadden, toen zij mannen geworden waren, andere dwaze dingen gedaan en zoo dan ook vijf van hen door het lot gekozen om de woestijnen van Libye te bezoeken, of zij nog wat meer zouden zien dan de anderen, die het verste geweest waren. Want een deel van Libye, dat te beginnen bij Egypte langs de noordelijke zee zich uitstrekt tot het voorgebergte Soloeis, dat het einde maakt van Libye, wordt geheel door Libyers en wel in vele volkeren bewoond, behalve wat in bezit is van Hellenen en Phoeniciërs. Verderop, voorbij de zee en de volkeren, die daaraan wonen, daar is Libye vol wilde dieren, en voorbij deze dierenrijke streek is er zand en een land vreeselijk waterloos en zonder iets. Toen nu de jongelingen, zeiden zij, uitgezonden waren door hun genooten, wel voorzien van water en levensmiddelen, trokken zij eerst door een bewoonde streek, en daar heen getrokken kwamen zij in het land der wilde dieren, daarop weer gingen zij door de woestijn, terwijl zij hun weg naar den westenwind namen; en zij trokken veel zand door en vele dagen lang en zagen eensklaps eenige boomen in de vlakte groeien; toen traden zij naderbij en olukten de vruchten aan de boomen, doch onder het plukken kwamen kleine mannen op hen af, kleiner dan middelmatige menschen, en grepen hen en voerden hen mede: en de Nasamonen verstonden niet de taal van genen, noch de roovers die der Nasamonen. Zij voerden hen dan door groote moerassen, en deze doorgetrokken zijnde kwamen zij aan een stad, waarin allen in grootte gelijk waren aan de geleiders, en zwart van kleur. Langs de stad liep een groote rivier, en deze stroomde van den avond naar de opgaande zon, en krokodillen zagen zij er in. 33. Tot zoover dan moge ik het verhaal van Etearchus den Ammoniër meêdeelen, behalve nog dat, naar hij zeide, de Nasamonen teruggekeerd waren, zooals de Cyrenaeërs verzekerden, en dat de menschen waarbij genen geweest waren, allen toovenaars waren. De rivier nu, die langs de stad stroomde, hield ook Etearchus voor de Nijl, en zoo dwingt de rede ook te gelooven. Want de Nijl stroomt uit Libye en midden door Libye heen; en, zooals ik gis uit het duidelijke tot het onbekende besluitende, komt hij van een zelfden afstand als de Ister. Want de rivier de Ister begint bij de Celten en de stad Pyrene en loopt Europa midden door snijdend. De Celten wonen buiten de zuilen van Heracles, en naast de Cynesiërs, die van alle menschen in Europa het verst naar den zonsondergang wonen. De Ister eindigt haar loop door geheel Europa, uitstroomende in de zee van den Pontus Euxinus, waar een Milesische nederzetting Istria bewoont. 34. De Ister nu, immers zij stroomt door een bewoond land, wordt door velen gekend, maar over de bronnen van de Nijl heeft niemand iets te zeggen, want onbewoond en een woestijn is het Libye, waardoor zij stroomt. Over haar loop nu, voor zoo ver mijn onderzoek maar reiken kon, heb ik gezegd. Zij stroomt echter uit in Egypte; Egypte nu ligt vrij wel tegenover steenachtig Cilicië. Van daar tot Sinope aan den Pontus Euxinus is een reis van vijf dagen voor een onbeladen man; Sinope nu ligt tegenover de uitmonding van de Ister in zee. Zóó dan geloof ik, dat de Nijl door Libye stroomt geheel op de zelfde wijze als de Ister door Europa. En over de Nijl moge nu zooveel gezegd zijn. 35. Ik ga nu in den breede mijn verhaal over Egypte aanvangen, daar het meer wonderbaarlijks heeft dan alle andere landen, en werken aanbiedt grooter dan men met woorden zeggen kan; daarom zal er over dat land meer gezegd worden. De Egyptenaars hebben, tegelijk met een hemel die bij hen geheel afwijkend is, en een rivier, die een gansch anderen aard heeft dan de andere rivieren, ook instellingen van zeden en wet, meerendeels geheel tegenovergesteld aan de andere menschen. Bij hen gaan de vrouwen naar de markt en drijven handel, doch de mannen blijven te huis en weven; de andere menschen weven, terwijl zij den inslag naar boven werpen, de Egyptenaars naar beneden. Lasten dragen de mannen op het hoofd, de vrouwen op de schouders. Wateren doen de vrouwen rechtop staand, de mannen zittend. Zij verrichten hun behoefte binnenshuis, doch eten buiten op den weg, en voeren aan, dat wat noodzaaklijk doch onbetamelijk is, in ´t verborgen moet gedaan worden, wat niet onbetamelijk is, in ´t openbaar. Geen vrouw is priesteres, noch van een mannelijken, noch van een vrouwelijke god, doch de mannen zijn priesters van beiden. Niets dwingt de zoons, als zij niet willen, hun ouders te onderhouden; de dochters moeten dit echter met allen dwang doen, ook als zij niet willen. 36. De priesters der goden laten elders het haar groeien, in Egypte scheeren zij het af. Bij de andere menschen is het zede, dat bij een ramp, zij wien het ´t meeste aangaat, zich het hoofd scheeren; de Egyptenaars echter laten bij een sterfgeval het haar op het hoofd en aan de kin groeien, terwijl zij het vroeger afschoren. De andere menschen leven gescheiden van de dieren, de Egyptenaars met de dieren. Van tarwe en gerst leven de anderen, bij de Egyptenaars heeft hij de grootste schande, die daarvan leeft: doch zij bereiden zich brood van olyra, door anderen rea genoemd. Zij kneden het deeg met de voeten, doch het leem met de handen, en zij verzamelen mest. De schaamdeelen laten de andere menschen, zooals ze zijn, behalve die het van genen geleerd hebben, doch de Egyptenaars besnijden zich. Kleederen draagt iedere man er twee, ieder der vrouwen een. De ringen der zeilen en de touwen binden de anderen aan den buitenkant van het schip vast, maar de Egyptenaars aan den binnenkant. Letters schrijven en met steentjes rekenen doen de Hellenen, terwijl zij de hand van links naar rechts bewegen, doch de Egyptenaars van rechts naar links, en zoo doende beweren zij dat zij zelf rechts doen, de Hellenen links. Zij hebben tweeërlei schrift; het eene heet het heilige, het andere het volksschrift. 37. Vroom zijn zij ongemeen, het meest van alle menschen en zij hebben de volgende gebruiken. Zij drinken uit metalen bekers, die zij iedere dag uitspoelen, en dat doet niet de een wel, de ander niet, doch allen. Zij dragen linnen, altijd frisch gewasschen kleederen, en letten daar zeer op. Zij besnijden zich om de reinheid, daar zij liever rein zijn dan fraai. De priesters scheeren zich heel het lichaam iederen derden dag, opdat geen luis noch een ander ongedierte op hen zij, als zij de goden bedienen. De priesters dragen alleen een linnen gewaad, en schoeisel van byblus; zij mogen geen ander kleed gebruiken, noch ander schoeisel. Zij wasschen zich tweemaal daags met koud water, en tweemaal iederen nacht. En nog voor andere dingen moeten zij zorgen, ontelbaar veel, om het met één woord te zeggen. Doch zij hebben geen geringe voordeelen, want zij verteeren niets van hun eigen vermogen noch geven iets uit, doch heilige spijs wordt voor hen gekookt, en een menigte vleesch van runderen en ganzen ontvangt ieder elken dag, en ook wijn van den druif wordt hun verstrekt, doch visch mogen zij niet eten. Boonen zaaien de Egyptenaars in ´t geheel niet in hun land; die er groeien eten zij noch rauw noch gekookt, maar de priesters durven ze niet eenmaal aanzien, meenende dat de peulvrucht onrein is. Iedere god heeft niet één priester doch vele, waarvan er een de opperpriester is; sterft er een, dan komt zijn zoon in zijn plaats. 38. De stieren houden zij voor gewijd aan Epaphus, en daarom onderzoeken zij ze aldus: indien de priester ook maar één zwart haar op hem vindt, keurt hij hem onrein. Dit onderzoekt een der priesters, daartoe aangesteld, zoowel terwijl het dier rechtop staat als achterover ligt; ook trekt hij de tong naar buiten, om te zien of zij rein is in de voorgeschreven teekens, die ik op een andere plaats zal aangeven. Hij beziet ook de haren van den staart, of zij wel zijn zooals de natuur wil. Als het dier in al die dingen rein is, teekent hij het door een stuk byblus, dat hij om de hoorns windt, dan strooit hij daar zegelaarde op en drukt zijn ring daarin af; en zoo brengen zij het dier weg. Op het offeren van een niet zoo geteekende stier is de dood gesteld. Het dier wordt dan op zulk een wijze gekeurd, en de offering geschiedt aldus bij hen: 39. Zij brengen het geteekende dier bij het altaar, waar zij offeren, en ontsteken een vuur; dan sprenkelen zij op die plaats wijn over het offerdier en slachten het, den god aanroepend, en na slachting snijden zij den kop af. Het lichaam nu van het dier villen zij; dien kop echter brengen zij weg onder veel verwenschingen, en wel zij die een markt hebben, waarop helleensche kooplieden komen, brengen het naar dien markt en verkoopen het terstond; doch waar geen Hellenen zijn, werpen zij het in de rivier. Zij vloeken over de koppen, aldus sprekende: "indien den offerenden zelf of geheel Egypte een ramp moet gebeuren, moge hij dan op dat hoofd neerkomen." Wat betreft de koppen van de geofferde dieren en de plenging van wijn hebben alle Egyptenaars dezelfde gebruiken bij alle offers, en om dat gebruik zal geen Egyptenaar van den kop van eenig dier proeven. 40. De uitsnijding van de offerdieren en de verbranding geschiedt bij verschillende offers verschillend. Hoe het gaat bij de godheid, die zij voor het grootste houden en voor wie zij ook het grootste feest vieren, dat zal ik nu gaan zeggen. Wanneer zij den stier gevild hebben, dan nemen zij onder gebeden den geheelen maag eruit, doch de ingewanden laten zij in het lichaam en ook het vet; dan snijden zij de pooten af en het bovenste deel van de heupen en de schoften en ook den nek. Daarna vullen zij het overige van het lichaam des stiers met rein brood, honig, rozijnen, vijgen, wierook, myrrhe en andere reukstoffen, en het daarmede opgestopt hebbend, verbranden zij het, terwijl zij rijkelijk olie er op gieten. Vóór de offering hebben zij gevast en bij de verbranding van de offers weeklagen zij allen; als zij genoeg geklaagd hebben, wordt hun het overschot van het offer als maaltijd voorgezet. 41. Reine stieren nu en kalveren offeren alle Egyptenaars, doch koeien te offeren, is hun niet geoorloofd, doch dezen zijn aan Isis gewijd. Want het beeld van Isis, van vrouwelijke gestalte, is gehoornd, even als de Hellenen Io voorstellen, en de koeien worden door alle Egyptenaars gelijkelijk verreweg het meest van alle dieren geëerd. Daarom zal geen Egyptische man, noch een vrouw, een hellensch man op den mond kussen, noch het mes van een Helleen gebruiken, noch zijn braadspitten, noch zijn ketel, noch proeven van het vleesch van een reinen stier, die met een helleensch mes geslacht is. De van zelf gestorven runderen begraven zij op de volgende wijze: de koeien werpen zij in de rivier, doch de stieren begraven zij ieder in hun voorsteden, terwijl één hoorn of ook beiden boven den grond uitsteken, als herkenningsteeken. Wanneer het lijk verrot is en de vastgestelde tijd gekomen, dan komt in iedere stad een vaartuig uit het eiland, dat Prosopitis heet. Dit ligt in het Delta, en de omtrek er van is negen schoenen. Op dat eiland Prosopitis zijn nog vele andere steden, doch waar de vaartuigen vandaan komen om de stierenbeenderen weg te halen, die stad heet Atarbechis, en daarin is een hoog heilige tempel van Aphrodite. Van deze stad gaan vele menschen naar verschillende steden, graven de beenderen op, en voeren ze mede en al die menschen begraven ze op een zelfde plaats. Evenals de stieren begraven zij ook het andere vee, dat sterft, want zoo is het bij hen wet, want ook deze dieren dooden zij niet. 42. Zoovelen nu een tempel voor den Thebaanschen Zeus bezitten of van het thebaansche gewest zijn, deze allen onthouden zich van schapen en offeren alleen geiten. Want niet eeren alle Egyptenaars dezelfde goden gelijkelijk, behalve Isis en Osiris, die volgens hen Dionysus is; dezen eeren zij allen gelijkelijk. Maar zoovelen een tempel van Mendes hebben of van het Mendesische gewest zijn, dezen onthouden zich van geiten en offeren schapen. De Thebanen nu, en zoovelen naar hun voorbeeld van de schapen zich onthouden, zeggen dat om de volgende reden dit gebruik bij hen ingesteld is: Heracles verlangde eens zeer sterk Zeus te zien en deze wilde niet door hem gezien worden. Toen Heracles volhield, bedacht Zeus er op om een ram te villen, den kop van het ram af te hakken en voor zich te houden en het vel aan te trekken, en zoo vertoonde hij zich aan genen. Daarom maken de Egyptenaars het beeld van Zeus met een ramskop, en naar de Egyptenaars doen zoo ook de Ammoniërs, die een nederzetting zijn van Egyptenaars en Ethiopiërs beiden, en een taal tusschen beiden in spreken. En ik houd het er voor, dat de Ammoniërs ook daarom zich zoo noemen, want Ammon noemen de Egyptenaars Zeus. En de Thebanen offeren geen rammen, doch deze dieren zijn hun heilig om die reden. Slechts op één dag van het jaar, bij het feest van Zeus, slachten zij één ram en villen hem en bekleeden met het vel het beeld van Zeus evenzoo als de god deed, en daarna plaatsen zij een ander beeld, van Heracles, er bij. Daarna weeklagen allen in den tempel over den ram en vervolgens begraven zij hem in een heilig graf. 43. Over Heracles vernam ik dit bericht, dat hij een van de twaalf goden is; doch over den anderen Heracles, dien de Hellenen kennen, kon ik nergens in Egypte iets vernemen. En dat de Egyptenaars niet van de Hellenen den naam van Heracles gekregen hebben, doch de Hellenen veeleer van de Egyptenaars, en wel die Hellenen, die aan den spruit van Amphitryo den naam Heracles gegeven hebben, daarvoor heb ik nog vele andere bewijzen dat het zoo is, en onder dezen ook dit, dat beide de ouders van dien Heracles, Amphitryo en Alcmene, oorspronkelijk uit Egypte stamden, en omdat de Egyptenaars de namen, noch van Poseidon, noch van de Dioscuren beweren te kennen, noch deze goden onder hun andere goden zijn opgenomen. En toch, als zij van de Hellenen den naam van welken god ook hadden ontvangen, dan zouden zij van deze laatsten niet het minst doch het meest de herinnering bewaren, indien zij ook toen zeetochten maakten en er ook onder de Hellenen zeevaarders waren, zooals ik gis en vast geloof. Zoodat van die goden, Poseidon en de Dioscuren, de Egyptenaars nog veeleer den naam zouden geleerd hebben, dan van Heracles, indien zij een der namen van hun goden den Hellenen ontleend hadden. Doch het is een zeer oude god, die egyptische Heracles; naar zij zelven zeggen, is het zeventienduizend jaren vóór de regeering van Amasis, dat er voor de acht goden twaalf goden kwamen, van welke zij Heracles er een achten. 44. En daar ik verlangde over die dingen wat zekers te weten, voor zoover het mogelijk was, voer ik naar Tyrus in Phoenicië, hoorende dat daar een hooggeëerde tempel van Heracles was. En ik zag hem, rijk voorzien met vele andere wijgeschenken, en er waren ook twee zuilen in, de eene van zuiver goud, de ander van smaragdsteen, die des nachts ongemeen schittert; en in gesprek gekomen met de priesters van den god, vroeg ik, hoe veel tijd het was, sinds de tempel was opgericht. En ook hen vond ik niet in overeenstemming met de Hellenen; want naar zij zeiden, was tegelijk met de stichting van Tyrus ook die tempel opgericht, en het was drie-en-twintig honderd jaar geleden sinds Tyrus bewoond werd. Ik zag in Tyrus nog een anderen tempel van Heracles onder den bijnaam van den Thasischen. En ik ging ook naar Thasus, waar ik een tempel van Heracles vond door de Phoeniciërs opgericht, die op hun tocht om Europa te zoeken Thasos gesticht hadden; en dat geschiedde nog vijf menschengeslachten vóór dat Heracles, de zoon van Amphitryo, in Hellas geboren werd. Dit onderzoek nu toont duidelijk, dat Heracles een oude god is. En naar mijn meening doen zij onder de Hellenen het best, die twee soorten van tempels aan Heracles gewijd hebben, en aan den eenen Heracles, als een onsterfelijken, onder den bijnaam van den Olympischen offeren, en den anderen eeren als een heros. 45. En nog vele andere dingen zeggen de Hellenen lichtvaardig hierover; en dwaas is ook dit verhaal van hen, dat zij over Heracles verhalen, dat toen hij in Egypte kwam, de Egyptenaars hem bekransten en onder een optocht medevoerden om hem aan Zeus te offeren; een tijd lang nu zou hij rustig zijn gebleven, doch toen zij hem bij het altaar aan de voorbereiding voor de offering wilden onderwerpen, toen zou hij zich te weer gesteld en hen allen gedood hebben. Mij nu schijnen de Hellenen, die zoo spreken, met den aard der Egyptenaars en hun zeden geheel onbekend te zijn; want nu het hun niet eenmaal geoorloofd is vee te slachten, behalve zwijnen, stieren en kalvers, indien die althans rein zijn, en ganzen, hoe zouden zij een mensch slachten? Bovendien, hoe zou Heracles, die alleen was en een mensch daarbij, zooals zij toch beweren, hoe is het mogelijk, dat hij vele tienduizenden doodde? En ons, die dit nu over deze zaken gezegd hebben, moge de goedgunstigheid en van de goden en van de heroën geworden. 46. De geiten nu en de bokken offeren de genoemden onder de Egyptenaars niet en om de volgende redenen. Pan rekenen de Mendesiërs onder de acht goden, en deze acht goden zijn, naar zij zeggen, vóór de twaalf goden er geweest. De schilders en de beeldhouwers nu schilderen en houwen het beeld van Pan, evenals de Hellenen, met een geitekop en bokkepooten, niet wijl zij gelooven, dat hij zoo, doch dat hij evenals de andere goden is. Waarom zij hem zoo voorstellen, wilde ik liever niet zeggen. De Mendesiërs eeren nu alle geiten, en de mannetjes meer dan de wijfjes (en ook hun herders zijn meer in aanzien), en vooral één van hen, die door zijn dood, grooten rouw over het Mendesische gewest brengt. Zoowel de bok als Pan heeten in het Egyptisch Mendes. In dit gewest gebeurde in mijn tijd het volgende wonder: een bok vereenigde zich openlijk met een vrouw. Dit kwam ter kennis van alle menschen. 47. Het zwijn evenwel houden de Egyptenaars voor een onrein dier; en indien iemand in het voorbijgaan een zwijn aangeraakt heeft, gaat hij naar de rivier en dompelt zich met zijn kleeren in dit water, en de zwijnehoeders, die geboren Egyptenaars zijn, zijn onder allen de eenigen, die geen tempel betreden, noch wil iemand aan hen zijn dochter tot vrouw geven, noch van hen er een ontvangen, doch de zwijnehoeders geven en nemen aan en van elkander hun dochters tot vrouw. Dat aan de andere goden nu een zwijn geofferd wordt, veroorloven de Egyptenaars niet, maar alleen aan Selene en Dionysus offeren zij op denzelfden tijd, bij dezelfde volle maan, zwijnen en eten van het vleesch. Waarom zij nu bij de andere feesten zulk een tegenzin tegen de zwijnen hebben, maar op dat eene feest ze offeren, daarover wordt door de Egyptenaars een verhaal verteld, dat ik wel weet, doch om de betamelijkheid niet zal vermelden. Het offer van de zwijnen aan Selene geschiedt op de volgende wijze: als de priester het dier geslacht heeft, legt hij den punt van den staart en de milt en het net bijeen, omwikkelt ze met al het vet van het dier, dat aan het onderlijf is en werpt ze dan in het vuur; het overige vleesch eten zij in de volle maan, waarin het offer geschiedt, doch op een anderen dag zou niemand er meer van willen eten. De armen onder hen kneeden uit gebrek aan middelen zwijnen uit deeg, bakken ze en offeren ze dan. 48. Voor Dionysus slacht een ieder op den avond van het feest een zwijn voor zijn deur en geeft het dan aan den zwijnehoeder, denzelfden die het hem verkocht heeft, om het weg te dragen. Overigens vieren de Egyptenaars het feest voor Dionysus bijna evenals de Hellenen, behalve de Kooren. In plaats van de phallen hebben zij andere beelden van een el lang uitgedacht, die door koorden bewogen worden, en de vrouwen dragen deze door de dorpen, terwijl het schaamdeel in beweging is, en niet veel kleiner dan het overige des lichaams; voorop gaat een fluitspeler, hem volgen de vrouwen Dionysus bezingend. Waarom het beeld zulk een groot schaamdeel heeft en dat alleen van het lichaam beweegt, daarover wordt een heilig verhaal verhaald. 49. Naar mij voorkomt, was Melampus zoon van Amythaon, niet onbekend met dit offerfeest, doch kende het. Want Melampus is het, die bij de Hellenen den naam van Dionysus en zijn offers heeft ingevoerd en ook den optocht van den phallos. Eigenlijk gezegd heeft hij de zaak niet volledig geopenbaard, doch de wijzen, die na hem kwamen, hebben ze uitvoeriger blootgelegd. Maar den phallos, die voor Dionysus wordt omgedragen, heeft Melampus ingevoerd en van hem dat leerend doen de Hellenen, wat zij doen. Ik nu beweer dat Melampus, die een loos man was, èn zich een waarzeggingskunst had bezorgd, èn vele andere dingen, die hij in Egypte had vernomen, bij de Hellenen heeft ingevoerd en ook de dienst van Dionysus, weinig er van wijzigend. Want ik zal niet beweren, dat door toeval, wat in Egypte voor den god gedaan wordt, met wat bij de Hellenen, samenvalt, want dan zou die dienst volgens den aard der Helleensche zeden zijn en niet eerst kort geleden ingevoerd. Evenmin zal ik beweren, dat de Egyptenaars van de Hellenen dit og eenig ander gebruik hebben overgenomen. Mij schijnt het ´t meest, dat Melampus de dingen over Dionysus geleerd heeft van Cadmus den Tyriër en van hen, die met dezen uit Phoenicië in het land, thans Boeotië genaamd, gekomen waren. 50. Ook bijna alle godennamen zijn uit Egypte in Hellas gekomen. Want dat zij van de barbaren komen, bevond ik bij onderzoek, dat zoo is. Ik geloof nu, dat zij vooral uit Egypte gekomen zijn. Want met uitzondering van Poseidon en de Dioscuren, zooals ik reeds vroeger gezegd heb, en Hera en Hestia en Themis en de Chariten en de Nereïden, bestaan de namen der andere goden van oudsher bij de Egyptenaars in hun land: ik zeg wat de Egyptenaars zelf zeggen. En de goden nu, wier namen zij beweren niet te kennen, dezen zijn geloof ik, door de Pelasgen zoo genoemd, behalve Poseidon, want dien god hebben zij van de Libyers geleerd. Want geen volk heeft van den aanvang den naam van Poseidon bij zich gehad, behalve de Libyers, en dezen vereerden dien god van oudsher. Een dienst voor de heroën hebben de Egyptenaars echter gansch niet. 51. Deze dingen nu en andere nog daarbij, die ik vermelden zal, hebben de Hellenen van de Egyptenaars overgenomen; maar om de beelden van Hermes met rechtopstaand schaamdeel te maken, dat hebben zij niet van de Egyptenaars geleerd, doch van de Pelasgen hebben, het eerst van alle Hellenen, de Atheners dat overgenomen en van hen de anderen. Want met de Atheners, die in dien tijd reeds tot de Hellenen gerekend werden, woonden de Pelasgen in het land, waarom dezen dan ook voortaan als Hellenen beschouwd werden. En hij, die in de mysteriën van de Cabiren is ingewijd, welke de Samothraciërs vieren, van de Pelasgen ze overgenomen hebbend, die man weet, wat ik zeg. Want in Samothracië woonden vroeger die Pelasgen, welke bij de Atheners zijn gaan wonen, en van hen namen de Samothraciërs de mysteriën over. Het eerst onder de Hellenen maakten dus de Atheners de beelden van Hermes met rechtopstaand lid, en leerden dit van de Pelasgen. De Pelasgen verhaalden daarover een heilig verhaal, dat in de mysteriën te Samothracië geopenbaard wordt. 52. Vroeger verrichtten de Pelasgen alle offers onder gebed aan de goden, zooals ik in Dodona vernomen heb, doch hadden geen naam of bijnaam voor geen enkelen van hen, want die hadden zij nog niet gehoord. Goden echter noemden zij hen daarnaar, dat zij alle dingen in orde gebracht en alle toedeeling in hun macht hadden. Na verloop van veel tijd, vernamen zij de uit Egypte gekomen namen van de andere goden, doch dien van Dionysus vernamen zij veel later. En na eenigen tijd vroegen zij in Dodona aan het orakel om raad over de namen; want dat orakel wordt geacht het oudste der Helleensche orakels te zijn en was in dien tijd het eenige. Toen nu de Pelasgen in Dodona het orakel vroegen, of zij de namen zouden overnemen, die van de barbaren kwamen, antwoordde het orakel hun ze te nemen. Van dien tijd nu offerden zij aan de goden onder verschillende namen. En van de Pelasgen hebben de Hellenen het later overgenomen. 53. Doch van waar ieder der goden gekomen is, en of zij allen altijd bestonden, en hoedanig zij zijn van gestalte, dat wisten zij niet tot eergisteren of gisteren om zoo te zeggen. Want Hesiodus en Homerus geloof ik, dat vier honderd jaren ouder waren dan ik, en niet meer; en dezen zijn het, die de afstamming der goden voor de Hellenen gemaakt hebben, en aan de goden hun namen gaven, en eerbewijzen en kunsten onder hen verdeelden en hun gestalten aanduidden. Want de dichters, die ouder dan deze mannen genoemd worden, zijn, naar mij voorkomt, er later geweest. En het eerste van deze dingen zeggen de priesteressen in Dodona, maar het verdere, wat op Hesiodus en Homerus slaat, beweer ik zelf. 54. Over de orakels, dat in Hellas en dat in Libye, zeggen de Egyptenaars het volgende. Twee heilige vrouwen, beweerden de priesters van den thebaanschen Zeus, werden door de Phoeniciërs uit Thebe geroofd en de eene van hen was, naar zij vernomen hadden, in Libye verkocht, doch de andere aan de Hellenen. En deze vrouwen hadden het eerst de orakels bij de gezegde volkeren gesticht. Toen ik vroeg, waar van daan zij dat zoo zeker wisten en zeiden, beweerden zij daarop, dat een groote nasporing door hen naar die vrouwen was ingesteld, en dat zij hen niet hadden kunnen vinden, doch dat zij later over hen hadden vernomen, wat zij dan vertelden. 55. Dit nu hoorde ik van de priesters in Thebe, doch de zieneressen in Dodona zeggen het volgende: Twee zwarte duiven waren uit het Egyptische Thebe weggevlogen, en de eene was naar Libye, de andere naar hen gekomen. En zittend op een eik, had zij met menschelijke stem verkondigd, dat hier een orakel van Zeus moest komen. En zij hadden verstaan, dat dit gebod aan hen van een god kwam en daarnaar gehandeld. De duif, die naar Libye gevlogen was, zeggen zij, dat aan de Libyers bevolen heeft een orakel van Ammon te stichten. Want ook dat is een orakel van Zeus. Dit nu zeiden de priesteressen te Dodona, van welke de oudste Promeneia, de op haar volgende Timarete, en de jongste Nicandre heette, en de andere Dodonaeërs, die om den tempel wonen, zeiden hetzelfde. 56. Ik nu heb over deze zaken de volgende meening. Indien in waarheid de Phoeniciërs de heilige vrouwen roofden, en de een in Libye, de ander in Hellas verkochten, dan werd, naar ik denk, die laatste vrouw verkocht aan de Thesproten in het tegenwoordige Hellas, dat vroeger ook Pelasgië heette; daarna zal zij nog in haar slavernij daar onder een werkelijken eik een heiligdom van Zeus gesticht hebben; zooals het dan ook natuurlijk was dat zij, die te Thebe in den tempel van Zeus dienst deed, waar zij kwam, daar aan dien tempel gedachtig was. Daarop voerde zij een orakel in, nadat zij de helleensche taal had geleerd, en zij zeide, dat haar zuster in Libye verkocht was door de zelfde Phoeniciërs, door welke ook zij was verkocht geworden. 57. Duiven echter werden, naar mijn meening, die vrouwen door de Dodonaeërs daarom genoemd, omdat zij barbaren waren, en hun voorkwamen even als vogels te kakelen. Zij zeggen, dat na eenigen tijd de duif met menschelijke stem sprak, daar de vrouw verstaanbaar tot hen sprak; doch zoolang zij een barbaarsche taal sprak, scheen zij hun als een vogel te kakelen, want op welke wijze zou een duif met menschelijke stem kunnen praten? En met de bewering, dat de duif zwart was gaven zij aan, dat de vrouw uit Egypte kwam. Het orakel in het Egyptische Thebe en dat in Dodona zijn veel op elkander gelijkend. En ook de voorspelling uit offerdieren is uit Egypte gekomen. 58. In ieder geval zijn de Egyptenaars de eersten der menschen geweest, die feestelijke bijeenkomsten en optochten en bedetochten gehouden hebben, en van hen hebben de Hellenen het geleerd. Een bewijs daarvan is mij dit: bij hen zijn zij blijkbaar reeds lang bestaand, doch de Helleensche werden kort geleden ingevoerd. 59. De Egyptenaars komen niet éénmaal ´s jaars bijeen, doch in talrijke bijeenkomsten, en het meest en het drukst in de stad Bubastis ter eere van Artemis, en daarna in de stad Busiris voor Isis. Want in die stad is de grootste tempel van Isis, en deze stad ligt in het midden van het Egyptische Delta; Isis nu is volgens de Helleensche taal Demeter. In de derde plaats komen zij bijeen in de stad Saïs ter eere van Athene, in de vierde in Heliopolis voor Helios, in de vijfde in de stad Buto voor Leto, in de zesde in de stad Papremis voor Ares. 60. Wanneer zij zich nu naar de stad Bubastis begeven, doen zij het volgende: mannen en vrouwen varen te samen, en een groote menigte van beiden in iederen schuit; sommigen van de vrouwen hebben kleppers en klepperen, de mannen fluiten over den ganschen tocht, de andere mannen en vrouwen zingen en klappen in de handen. Wanneer zij op den tocht bij een andere stad komen, stuwen zij den schuit naar het land en doen het volgende: sommige van de vrouwen doen, wat ik gezegd hab, andere plagen de vrouwen in die stad met geschreeuw, andere dansen, andere staan op en trekken de kleederen in de hoogte. Dat doen zij bij iedere stad aan de rivier. En wanneer zij in Bubastis zijn gekomen, vieren zij het feest en offeren groote offers, en meer druivewijn wordt bij dat feest gebruikt dan in het gansche verdere deel van het jaar. En daar komen bijeen aan mannen en vrouwen, behalve de kinderen, wel een zeventig tienduizendtallen, zooals de inboorlingen verzekeren. Dat geschiedt dan daar. 61. En hoe men in de stad Busiris het feest voor Isis viert, heb ik vroeger gezegd. Want na het offer weeklagen alle mannen en alle vrouwen, zeer vele tienduizenden van menschen. Wien zij beklagen, mag ik als vroom man niet zeggen. Alle Cariërs echter, die in Egypte wonen, dezen doen nog veel meer dan dit, daar zij zich het voorhoofd met messen slaan, en daaraan kunt ge zien, dat zij vreemdelingen zijn en geen Egyptenaars. 62. Wanneer zij in de stad Saïs bijeenkomen voor het offerfeest, ontsteken allen des nachts vele lampen in de vrije lucht rondom de huizen. Deze lampen zijn schaaltjes gevuld met zout en olie, en bovenop drijft de pit, en deze brandt den ganschen nacht, en het feest heet het feest van de brandende lampen. Zij der Egyptenaars, die niet naar deze bijeenkomsten trekken, letten den nacht van het offer op, en branden dan ook allen lampen, en zoo worden niet alleen in Saïs lampen gebrand, doch door geheel Egypte. Waarom nu die nacht zoo verlicht is en zulk een eer heeft, daarover wordt een heilig verhaal verhaald. 63. Naar Heliopolis en Buto gaan zij
alleen om offers te brengen, doch in Papremis
brengen zij offers en houden ook godsdienstoefening,
zooals zij ook elders doen. Wanneer namelijk de zon
dalend is, zijn enkele priesters bij het godenbeeld
bezig, doch de meesten van hen staan met houten
knuppels in de handen in den ingang des tempels;
anderen zijn er, die een gelofte volbrengen, meer
dan duizend mannen, allen met knuppels, en dezen
staan opeengedrongen tegenover de vorigen. Daags te
voren nu dragen zij het godenbeeld, dat in een
kleinen houten vergulden tempel geplaatst is, naar
een ander heilig gebouw. De enkelen nu, die bij het
beeld achtergebleven zijn, trekken een vierwieligen
wagen, waarop het tempeltje staat en het beeld in
het tempeltje; de andere priesters echter, die in
den voorhof staan, willen hen niet toelaten, en de
mannen van de gelofte komen den god te hulp en slaan
genen, die zich verweren. Dan ontstaat een heftig
gevecht met knuppels, zij slaan elkaar op het hoofd
en, naar ik vermoed, sterven velen ook aan hun
wonden; evenwel de Egyptenaars beweren, dat niemand
sterft. 64. En ook het gebod om zich niet met een vrouw in den tempel te vereenigen, noch ongewasschen van een vrouw den tempel in te gaan, hebben de Egyptenaars het eerst ingevoerd. Want bijna alle menschen, behalve de Egyptenaars en de Hellenen, vereenigen zich met vrouwen in den tempel, en van de vrouwen opgestaan, gaan zij ongewasschen den tempel in, meenende, dat de menschen even zoo zijn als andere dieren. Want ook de andere dieren, zeggen zij, en de vogelsoorten ziet men paren in de tempels der goden en de heilige gronden. Als dit nu den goden niet gevallig was, dan zouden ook de dieren het niet doen. 65. Dezen dan, zulke gronden aanvoerend, doen wat ik geenszins goedkeur; doch de Egyptenaars zijn zeer vroom aangaande hun godsdienst, zoowel in andere zaken als ook in het volgende. Egypte toch, hoewel grenzend aan Libye, is arm aan wilde dieren, doch die er zijn, worden allen heilig bij hen geacht, en eenige van hen leven met de menschen samen, andere niet. Waarom de dieren voor heilig gelden, als ik dat zeide, zou ik met mijn verhaal in de goddelijkle dingen treden, die ik zooveel mogelijk ontwijk mede te deelen. Waar ik ze aangeraakt heb en besproken, zeide ik dat door den nood gedwongen. Aangaande de dieren bestaat nu de volgende zede. Wachters zijn aangesteld voor het onderhoud van iedere diersoort afzonderlijk, zoowel manlijke als vrouwlijke Egyptenaars, en de zoon neemt het ambt van den vader over. De menschen nu, die in de steden wonen, verrichten allen de volgende gelofte: zij bidden tot een god, aan wien het dier gewijd is, en scheeren het hoofd van hun kinderen geheel, of voor de helft, of voor een derde deel van het hoofd, en wegen het haar in de weegschaal tegen zilver op; wat dit haar opweegt, dat geeft hij aan de opzichteres van de dieren, en deze snijdt daarvoor visschen aan stukken en geeft die als voedsel aan de dieren. Zoo dan is hun voeding ingericht; en indien iemand een der dieren doodt, zoo opzetlijk, dan is de dood de straf, zoo tegen zijn wil, dan betaalt hij een boete, die de priesters vaststellen. Doch wie een ibis of een havik doodt, hetzij met opzet, hetzij bij ongeluk, die moet sterven. 66. Terwijl nu vele dieren met de menschen leven, zouden er nog meer zoo doen, indien niet het volgende met de katten geschiedde. Wanneer de wijfjes geworpen hebben, komen zij niet meer bij de mannetjes, en dezen willen met hen paren, doch kunnen niet. Daarom nu verzinnen zij het volgende: met geweld en met list nemen zij de jongen weg en dooden ze, doch zij eten de gedoode jongen niet op. De wijfjes echter beroofd van hun jongen en naar andere verlangend, komen zoo dan weer bij de amnnetjes, want dit dier houdt van jongen. Bij een brand nu geschieden wonderbaarlijke dingen met de katten. De Egyptenaars staan op afstanden van elkander en letten op de katten, en laten na den brand te blusschen, doch de katten door de menschen heen sluipend of over hen springend, zóó werpen zij zich in het vuur. Als dit gebeurt, bevangt groote rouw de Egyptenaars. En de huizen, waarin een kat van zelf sterft, die daarin wonen, scheeren zich allen de wenkbrauwen alleen; sterft echter een hond, dan gansch het lichaam en het hoofd. 67. De gestorven katten worden naar heilige vertrekken gebracht, waar zij gebalsemd en begraven worden, in Bubastis; doch de teeven begraven zij in hun eigen stad, in heilige plaatsen. Evenzoo als de teeven worden ook de ichneumons begraven, doch de spitsmuizen en de haviken brengen zij naar de stad Buto, en de ibissen naar Hermopolis. De beeren, die zeldzaam zijn, en de wolven, niet veel grooter dan de vossen, begraaft men, waar men ze liggen vindt. 68. De natuur van de krokodillen is de volgende: de vier zomermaanden eet hij niets, en, een viervoetig dier, is hij tegelijk landdier en waterdier. Want hij legt eieren op het land en broedt ze uit, en brengt het grootste deel van den dag op het droge door, doch den ganschen nacht in de rivier, want het water is dan warmer dan de vrije lucht en de dauw. Van alle dieren, die wij kennen, wordt dit van het kleinste het grootste. Want hij legt eieren niet veel grooter dan die van een gans, en het jong komt ter wereld naar verhouding van het ei, doch bij zijn groei komt het wel tot zeventien ellen en nog meer. Hij heeft oogen als van een zwijn, en groote tanden en slagtanden naar verhouding van zijn lichaam. Als het eenige van alle dieren heeft hij geen tong, ook beweegt hij den onderkaak niet, doch, ook daarin het eenige van alle dieren, brengt hij den bovenkaak naar den onderkaak. Hij heeft ook sterke klauwen, en een schubbigen, ondoordringbaren huid op den rug. Hij is blind in het water, doch in de vrije lucht ziet hij zeer scherp, en daar hij nu veelal in het water leeft, is zijn bek van binnen vol met bloedzuigers. Alle andere vogels en dieren vlieden hem, doch de trochilus leeft met hem in vrede, daar hij genen van nut is; want wanneer de krokodil uit het water aan land komt en dan den bek opent (want dat pleegt hij meestal te doen als de westewind waait), dan loopt de trochilus in zijn bek en slokt de bloedzuigers op; en de krokodil nu wordt geholpen en is verheugd en doet den trochilus heel geen leed. 69. Bij eenigen der Egyptenaars zijn de krokodillen heilig, bij anderen niet, maar deze behandelen hen als vijanden. Zij die bij Thebe en het meer Moeris wonen houden hen zelfs voor zeer heilig. Beiden onderhouden zij één der krokodillen, die geleerd heeft zeer tam te zijn, en zij doen glazen en gouden hangers aan hun ooren en armbanden om de voorpooten, en geven hun voorgeschreven spijzen en offerdieren, en behandelen hen op het best bij hun leven, en na hun dood balsemen zij hen en begraven hen op een heilige plaats. Maar zij, die bij Elephantine wonen, eten ze op, en houden ze niet voor heilig. Zij heeten niet krokodillen, maar champsae. Krokodillen noemen de Ioniërs hen, daar zij hun vorm vergelijken met de krokodillen, die bij hen in de hagen leven. 70. Er wordt dikwijls en op vele wijzen op hen gejaagd; de wijze die mij het meest de vermelding waard acht, die schrijf ik nu. De jager hangt een zwijnerug aan een haak en laat dien midden in de rivier neder, en zelf gaat hij aan den oever der rivier staan met een levende big en slaat dat; zoodra de krokodil dat geluid gehoord heeft, komt hij af op het geluid, en bij den rug gekomen, slokt hij hem naar binnen, en genen gaan aan het trekken. Wanneer hij op het land getrokken is, dan smeert de jager hem eerst snel de oogen toe; en heeft hij dat eenmaal gedaan, dan verricht hij gemaklijk het overige; gelukt hem dat niet, dan slechts met moeite. 71. De rivierpaarden zijn heilig in het gewest van Papremis, doch bij de andere Egyptenaars niet heilig. Zij hebben de volgende natuur van uiterlijk: hij is viervoetig, gespleten van hoeven, met runderhoeven, stompneuzig, met de manen van een paard, toont slagtanden, heeft den staart en de stem van een paard, is in grootte zooals de grootste os. Zijn huid is zoo zeer dik, dat, na drooging, men er speerschachten van maakt. 72. Er zijn ook otters in de rivier, die zij voor heilig houden. En onder de visschen achten zij de zoogenaamde schubvisch heilig en de aal. Deze zijn, naar zij beweren, aan de Nijl gewijd, en onder de vogels de vosganzen. 73. Er is nog een andere heilige vogel, die phoenix heet. Ik zag hem niet, behalve in afbeelding, want hij komt slechts zelden tot hen, om de vijfhonderd jaren, naar de Heliopoliten beweren. Hij komt dan, zeggen zij, als zijn vader gestorven is. Hij is, indien hij op de afbeelding gelijkt, van de volgende grootte en gestalte: een deel van zijn vleugels is goudkleurig, het andere rood, en hij gelijkt zeer veel in gestalte en grootte op den adelaar. Van hem vertellen zij, wat ik echter niet gelooven kan, de volgende list: hij komt uit Arabië en brengt zijn vader in myrrhe ingewikkeld naar den tempel van Helios, en begraaft hem in den tempel van Helios, terwijl hij hem overbrengt op de volgende wijze: hij maakt een ei van myrrhe, zoo groot als hij maar dragen kan, en beproeft dan het te dragen; wanneer hij zich geoefend heeft, dan holt hij het ei uit en legt zijn vader er in, en brengt nieuwe myrrhe daar aan, waar hij het ei heeft uitgehold en zijn vader er in gelegd; en als zijn vader er in in ligt, heeft het ei dezelfde zwaarte als te voren en zoo ingewikkeld draagt hij het naar Egypte naar den tempel van Helios. Zoo nu zeggen zij, dat die vogel doet. 74. Bij Thebe zijn heilige slangen, die de menschen in ´t geheel geen kwaad doen, en, terwijl zij klein van lengte zijn, boven op het hoofd twee hoorns dragen; dezen begraven zij na hun dood in den tempel van Zeus; want aan dezen god zijn zij heilig, naar zij beweren. 75. Er is ook een streek van Arabië in de buurt van de stad Buto gelegen, en naar die plaats ging ik heen om bericht te krijgen over de gevleugelde slangen. En daar gekomen zag ik beenderen van slangen en graten niet te zeggen hoeveel: er waren hoopen van graten en groote en geringere en nog kleinere dan deze, en velen waren zij. Deze plaats nu, waar graten opgestapeld zijn, is een zoodanige: zij is een toegang uit nauwe bergen naar een groote vlakte, en die vlakte hangt met de Egyptische vlakte samen. Het verhaal gaat, dat bij de komst van de lente gevleugelde slangen uit Arabië naar Egypte vliegen, doch dat de ibisvogels hen bij den ingang van die streek tegemoet gaan, en de slangen niet toelaten, maar ze dooden. En om die daad, zeggen de Arabieren, wordt de ibis door de Egyptenaars grootelijks geëerd, en de Egyptenaars stemmen toe, dat zij daarom die vogels eeren. 76. Het uiterlijk van de ibis is als volgt. Zij is geheel vreeselijk zwart, heeft de pooten van een kraanvogel, en de bek is zeer sterk gebogen; in grootte is zij zooals de vogel krex. Zoo zien de zwarte er uit, die tegen de slangen strijden. Doch zij, die meer onder de menschen verkeeren, (want er zijn twee soorten van ibissen) hebben den kop en den ganschen hals kaal; de veeren zijn wit, behalve aan den kop en den nek en boven aan de vleugels en onder aan den stuit (want de deelen, die ik daar zeide, zijn allen vreeselijk zwart); pooten en kop zijn evenals bij de andere soort. De vorm van de slang is als van de waterslang. Doch haar vleugels zijn niet bevederd, maar gelijken vrij wel op de vleugels van den vleermuis. Zooveel nu moge over de heilige dieren gezegd zijn. 77. Van de Egyptenaars zelven nu zijn zij, die in het bebouwde deel van Egypte wonen, daar zij het verleden het meest van alle menschen bewaren, verreweg de kundigsten van allen, die ik heb leeren kennen. Zij hebben de volgende levenswijze: drie dagen achtereen in iedere maand nemen zij zuiveringsmiddelen en jagen de gezondheid na met braakmiddelen en klysteeren, van meening, dat van het gebruikte voedsel alle kwalen bij de menschen ontstaan. De Egyptenaars zijn dan ook in andere opzichten na de Libyers de gezondste van alle menschen, van wege de luchtgesteldheid naar ik gis, daar de warmte niet verandert. Want bij de veranderingen ontstaan de ziekten het meest bij de menschen, zoowel bij alle andere als vooral bij die der luchtwarmte. Zij eten brood, dat zij uit olyra maken, en kyllestis noemen. Zij drinken wijn uit gerst gemaakt, want wijnstokken zijn er niet in hun land. Visschen eten zij, de eenen rauw in de zon gedroogd, de anderen met pekel gezouten. Van vogels eten zij kwartels en eenden en kleiner gevogelte rauw ingezouten. Alle andere soorten van vogels en visschen, behalve die heilig geacht worden, eten zij overigens gebraden en gekookt. 78. Op de feesten van hun rijken draagt, als het eten geëindigd is, een man in een kist een uit hout gemaakt lijk rond, zooveel mogelijk nagebootst door beschildering en door snijwerk, en in lengte ongeveer een of twee ellen, en dit toonend aan ieder der drinkgenooten zegt hij: "Zie naar hem en drink en verheug u, want zóó zult ge zijn in den dood." 79. Zij leven onder de zeden hunner vaderen en nemen geen andere er bij. Zij hebben ook andere merkwaardige gebruiken en ook dan één lied, Linos, dat ook in Phoenicië gezongen wordt en in Cyprus en elders, doch bij ieder volk zijn eigen naam heeft; evenwel is het ´t zelfde lied, dat de Hellenen onder den naam Linos zingen, zoodat ik mij over vele andere zaken van Egypte verbaasde, doch daaronder vooral, vanwaar zij het Linoslied hadden gekregen, want klaarblijkelijk zingen zij het van oudsher; Linos heet in het Egyptisch Maneros. De Egyptenaars beweerden, dat hij de eenige zoon was geweest van den eersten koning over Egypte, en toen hij jong stierf, was hij met klaagliederen door de Egyptenaars geëerd, en dat was hun eerste en eenige lied geweest. 80. Ook in dit andere komen de Egyptenaars met de Lacedaemoniërs onder de Hellenen alleen overeen: de jongeren bij hen, als zij de ouderen tegenkomen, gaan uit den weg en treden ter zijde en als de eersten komen, staan zij van hun plaats op. Doch in dit andere komen zij met niemand onder de Hellenen overeen: in plaats van elkander op de wegen te begroeten, buigen zij zich diep en laten de hand tot de knie zakken. 81. Zij dragen linnen rokken, om de beenen met franje te voorzien, die zij Kalasiris noemen, en daarover werpen zij witte wollen mantels. Doch in den tempel wordt het wol niet medegenomen, noch met hen begraven, want dat is niet vroom. Daarin komen zij overeen met de dusgenaamde orphische en bacchische gewoonten, die eigenlijk egyptisch en pythagoreïsch zijn. Want ook hem, die aan deze mysteriën deelneemt, is het niet geoorloofd in wollen gewaden begraven te worden. Daarover wordt een heilig verhaal verteld. 82. En ook dit andere is door de Egyptenaars uitgevonden: iedere maand en iedere dag behoort aan een der goden, en ook hebben zij uitgevonden, wat iemand overkomen zal, al naar hij op zekeren dag geboren is, en hoe hij sterven zal, en hoe hij wezen zal; en daarvan hebben de Hellenen gebruik gemaakt, die de dichtkunst beoefenen. Wonderteekenen zijn meer bij hen gevonden dan bij alle andere menschen. want als er een wonderteeken geschiedt, gaan zij het na en schrijven de gevolgen op, en wanneer later iets dergelijks gebeurt, dan, meenen zij, zal het op dezelfde wijze afloopen. 83. Met de waarzegging is het aldus bij hen gesteld: die kunst komt geen der menschen toe, doch aan enkele goden. Want er is daar een orakel van Apollo en Athene en Artemis en Ares en Zeus, en wat zij het meest van alle orakels in eere houden, is dat van Leto in de stad Buto. Doch de wijze van waarzegging is niet overal hetzelfde bij hen, doch verschillend. 84. De geneeskunde is aldus bij hen verdeeld: iedere geneesheer is dat voor één ziekte, en niet voor meer. En alles is vol geneesheeren, want sommigen zijn geneesheeren voor de oogen, anderen voor het hoofd, anderen voor de tanden, anderen voor het onderlijf, anderen voor de onzichtbare ziekten. 85. De klachten over de gestorvenen en de begrafenis geschieden aldus bij hen: waar in een gezin een mensch sterft, die van eenige beteekenis was, daar bestrijkt zich al wat vrouw is in het gezin het hoofd met slijk of ook het gelaat, en daarna laten zij het lijk in het huis en trekken door de stad, weeklagend, hoog gegord en de borsten ontbloot toonend, en met haar gaan alle vrouwelijke verwanten. En aan den anderen kant weeklagen ook de mannen, ook dezen opgegord. Wanneer zij dat gedaan hebben, brengen zij hem zoo naar de balseming. 86. Er zijn menschen, die daarvoor hun plaats hebben, en dat bedrijf uitoefenen. En dezen, wanneer hun een lijk gebracht wordt, dan toonen zij aan de brengers houten voorbeelden van lijken, met kleuren nagebootst, en drie balsemingen geven zij aan, en de voornaamste daarvan zeggen zij, dat van den god is, wiens naam ik het onvroom acht bij zulk een zaak te noemen, dan toonen zij een tweede, eenvoudiger dan de eerste en goedkooper, en de derde, die de goedkoopste is. En daarna vragen zij aan de anderen, op welke wijze zij het lijk willen behandeld hebben. En dezen dan, de kosten bepaald hebbend, gaan heen, genen echter in het gebouw achtergebleven balsemen aldus voor de duurste behandeling: eerst halen zij met een krom ijzer de hersenen door de neusgaten uit, en wel ten deele op deze wijze, ten deele door het ingieten van scherpe stoffen. Daarna maken zij met een scherpen ethiopischen steen een insnijding langs het onderlijf en nemen er dan alle ingewanden uit, en zij reinigen het en spoelen het uit met palmwijn en dan bestrooien zij het met fijngestooten reukwerk. Vervolgens, als zij den onderbuik met fijngestooten zuivere myrrhe en casia en ander reukwerk, behalve wierook, opgevuld hebben, naaien zij hem weder dicht. Dit gedaan hebbend, zouten zij het in salpeter en laten het zeventig dagen daarin; langer dan dat mogen zij het niet laten duren. Als de zeventig dagen verloopen zijn, wasschen zij het lijk, omwikkelen gansch zijn lijf met gesneden banden van byssuslinnen, en bestrijken het met gummi, dat de Egyptenaars gewoonlijk in plaats van lijm gebruiken. Daarop komen de verwanten het halen en laten een houten, menschvormige kist maken; daarin leggen zij het lijk, en het weggeborgen hebbend, bewaren zij het zoo als een schat in een grafkamer, rechtop tegen de muur. 87. Zoo behandelen zij de lijken op de kostbaarste wijze, doch voor hen die de middelsoort kiezen, en de hooge kosten vermijden, behandelen zij aldus: nadat zij hun spuiten met de olie gevuld hebben, die van de ceder komt, vullen zij de buikholte van het lijk daarmede op, terwijl zij het niet opensnijden, noch de ingewanden wegnemen, doch zij spuiten in door de aarsopening en verhinderen het inspuitsel terug te loopen en zoo zouten zij het gedurende de bepaalde dagen met salpeter, en op den laatsten laten zij uit de buikholte de cederolie loopen, die zij er vroeger in gebracht hadden. Deze olie heeft zooveel kracht, dat zij tegelijk alle ingewanden gesmolten naar buiten brengt. De salpeter verteert het vleesch, en dan blijft van het lijk de huid alleen en de beenderen over. Wanneer zij dat gedaan hebben, dan geven zij het lijk terug en verrichten verder niets. 88. De derde balseming, die bij de armen van middelen aangewend wordt, is dezen. Zij spoelen den buik met zuiverende olie uit en leggen het lijk zeventig dagen in het zout, en dan geven zij het terug om weg te brengen. 89. De vrouwen der aanzienlijke mannen worden, als zij gestorven zijn, niet terstond gebalsemd, en ook niet de vrouwen, die zeer schoon zijn en van meer beteekenis; doch wanneer zij drie dagen of vier dagen dood zijn, dan worden zij aan de balsemers gegeven. Zij doen dat daarom zoo, opdat de balsemers niet met de vrouwen ontucht plegen. Want men zegt, dat een van hen betrapt is geworden, daar hij met het versche lijk van eene vrouw paarde, en dat zijn makker dit heeft aangegeven. 90. Wie van de Egyptenaars zelf of van de vreemdelingen, zonder onderscheid, door een krokodil geroofd, of door de rivier zelf omgekomen gevonden wordt, - bij wier stad hij aan land geworpen is, deze moeten hem balsemen en op het schoonst versieren en begraven in de heilige graven; en niemand anders mag hem aanraken, noch van zijn verwanten, noch van zijn vrienden, doch de priesters zelven van de Nijl, daar het iets meer is dan een menschenlijk, begraven het met eigen hand. 91. Helleensche zeden aan te nemen, vermijden zij, en om in één woord alles te zeggen, ook de zeden van alle andere menschen, welke ook. De andere Egyptenaars nu, die houden zich daaraan, doch er is een groote stad Chemmis in het thebaansche gewest, dicht bij Neapolis. In die stad is een vierhoekige tempel van Perseus, den zoon van Danaë, en daar om heen groeien palmen. De voorhal van den tempel is van steen en zeer groot; daar bij staan twee groote steenen beelden. Binnen de ommuurde ruimte is het huis en daarin staat een beeld van Perseus. Die Chemmiten nu zeggen, dat Perseus dikwijls in hun land verschijnt, dikwijls ook in het heiligdom, en dat de sandaal, dien hij droeg, somtijds gevonden wordt ter lengte van twee ellen, en als deze verschijnt, is er overvloed in gansch Egypte. Dit nu verhalen zij, en het volgende doen zij op helleensche wijze voor Perseus. Zij houden kampspelen, die alle kampen bevatten, en geven als prijzen vee en mantels en huiden. Toen ik vroeg, waarom Perseus alleen bij hen verschijnt en waarom zij alleen onder de Egyptenaars kampspelen houden, zeiden zij, dat Perseus uit hun stad stamde, want dat Danaüs en Lynceus, die naar Hellas gevaren waren, uit Chemmis kwamen. En van dezen leidden zij dan verder het geslacht af en kwamen zoo op Perseus. En toen hij in Egypte was gekomen om dezelfde reden, die ook de Hellenen noemen, om het hoofd van Gorgo uit Libye te halen, was hij, zeiden zij, ook bij hen gekomen, en had al zijn verwanten erkend; in Egypte kwam hij, wijl hij den naam van Chemmis kende, dien van zijn moeder vernomen hebbende; zij hadden op zijn bevel een kampspel voor hem ingesteld. 92. Deze zijn de gebruiken van de Egyptenaars, die boven de moerassen wonen. De in de moerassen wonenden echter ... [lees verder op de volgende bladzijde]
|