|

clio - eerste boek
95 - 216
95. Van nu af behandelt mijn verhaal
Cyrus, wie hij was die het rijk van Cresus omver
wierp, en de Perzen, op welke wijze zij meesters van
Azië werden. Zooals nu eenige der Perzen
berichten, die de geschiedenis van Cyrus niet willen
verfraaien, maar volgens de waarheid berichten,
volgens die mededeelingen zal ik
schrijven, wetende dat er over Cyrus nog wel drie
andere vertellingswijzen zijn. Toen de
Assyriërs vijfhonderd en twintig jaren over
Hoog Azië geheerscht hadden, begonnen de Meden
het eerst van hen af te vallen, en vermoedelijk
betoonden zij zich in den strijd om de vrijheid
tegen de Assyriërs dappere mannen, wierpen de
slavernij van zich en werden vrij. Na hen deden ook
de andere volken hetzelfde als de Meden.
96. Toen zij nu allen op het vaste
land onafhankelijk waren geworden, kwamen zij op de
volgende wijze weder onder alleenheerschers. Er was
onder de Meden een schrander man, van naam Deioces,
en die een zoon was van Phraortes. Deze Deioces,
begeerig naar de heerschappij, deed het volgende. De
Meden woonden verspreid in dorpen, en terwijl hij in
zijn dorp reeds vroeger gezien was, legde hij zich
met nog meer ijver op de rechtvaardigheid toe, en
dat deed hij terwijl er over geheel Medië veel
wetteloosheid was, wetende, dat onrecht aan recht
vijandig is. De Meden uit hetzelfde dorp zijn gedrag
ziende, kozen hem tot rechter. En hij nu, daar hij
naar de heerschappij streefde, was oprecht en
billijk. En zoo handelend kreeg hij geen geringen
lof van zijn medeburgers, zóózeer, dat
de bewoners van de andere dorpen, vernemend, dat
Deioces de eenige man was, die volgens billijkheid
rechtsprak, terwijl zij vroeger door onrechtvaardige
uitspraken getroffen werden, toen, nadat zij het
gehoord hadden, gaarne tot Deioces gingen als zij
geschil hadden, en zich eindelijk tot niemand anders
wendden.
97. Toen er altijd meer tot hem
kwamen, daar zij toch vernamen, dat de beslissingen
volgens billijkheid vielen, en Deioces zag, dat
alles op hem neerkwam, wilde hij niet meer gaan
zitten, waar hij vroeger zat om recht te spreken, en
weigerde langer uitspraak te doen; want het was voor
hem geen voordeel om zijn eigen zaken te
verwaarloozen en den ganschen dag voor anderen recht
te spreken. Toen dan veel meer rooverij en
wetteloosheid over de dorpen kwam dan er vroeger
was, kwamen de Meden bijeen en overlegden, sprekende
over den toestand. En naar ik vermoed, waren het
vooral de vrienden van Deioces, die zeiden: "niet
immers op de tegenwoordige wijze kunnen wij het land
bewonen, welaan, laat ons een koning over ons
aanstellen, en zoo zal het land tot goede wetten
geraken en wij zullen ons tot onze werken wenden, en
niet door wetteloosheid uitgedreven worden." Zoo
ongeveer sprekende overreedden zij de anderen
een koning over zich te kiezen.
98. Toen zij nu terstond de vraag
stelden, wien zij koning zouden maken, werd Deioces
door een ieder met aandrang voorgesteld en geprezen,
totdat zij eindelijk besloten, dat hij hun koning
zou zijn. Hij beval hen toen hem een woning te
bouwen het koningschap waardig, en hem te beschermen
met een lijfwacht van speerdragers. De
Meden nu deden dit, want zij bouwden voor hem een
groote en versterkte woning, daar waar hij het zelf
had aangewezen, en stonden hem toe uit alle Meden
speerdragers te kiezen. Toen hij nu de heerschappij
had, dwong hij de Meden één stad te
bouwen, en deze te versieren, doch op de andere
minder te letten. De Meden gehoorzaamden ook hierin,
en hij bouwde een groote en sterke vesting, dezelfde
die nu Agbatana heet, met ringmuren,
staande de een in de ander. Deze sterkte is zoo
ingericht, dat de eene ringmuur alleen met de
borstwering hooger is dan de andere. En nu helpt ook
wel de plaats, die een heuvel is, mede, dat de
vesting zoo is, doch nog meer werd zij opzettelijk
zoo gemaakt; en terwijl er in het geheel zeven
ringmuren zijn, zijn binnen de laatste het paleis en
de schatkamer. De grootste dier muren is in grootte
zoo ongeveer als de omtrek van Athene. Van den
eersten ring zijn de borstweringen wit, van den
tweeden zwart, van den derden purperrood, van den
vierden blauw, van den vijfden helrood. Zoo zijn de
borstweringen van alle muren met kleuren geverfd;
doch de laatsten zijn, de eene met verzilverde, de
andere met vergulde borstweringen.
99. Deze sterkte dan bouwde Deioces
voor zich en om zijn woning, doch het overige volk
beval hij rondom de vesting te wonen. Toen nu alles
gebouwd was, was Deioces de eerste, die de volgende
regeling invoerde: dat niemand bij den koning komen
mocht, doch iedereen zou door middel van boden tot
hem spreken en dat de koning door niemand
gezien zou worden; bovendien nog dat lachen en
spuwen in zijn tegenwoordigheid en voor allen
onbetamelijk zou zijn. Met deze dingen verhief hij
zich zelven daarom, opdat niet zijn genooten, die
met hem opgegroeid waren en van een niet geringer
geslacht noch minder in dapperheid waren, als zij
hem zagen zich ergeren zouden en hem lagen leggen,
doch hij hun een gansch ander mensch zou schijnen te
wezen, als zij hem niet zagen.
100. Toen hij die zaken geregeld en
zich in de alleenheerschappij bevestigd had, was hij
streng in de bewaking van het recht. Men schreef de
aanklachten op en zond ze naar binnen tot hem, en
hij beoordeelde de ingebrachte klachten en zond ze
naar buiten. Zoo deed hij met geschillen, en hij
regelde ook nog andere zaken: indien hij vernam, dat
iemand onrecht gedaan had, liet hij dezen terstond
halen en vonniste hem naar de waarde van ieder
misdrijf, en spionnen en luisteraars had hij over
het geheele land, waarover hij heerschte.
101. Deioces nu vereenigde alleen
het volk der Meden tot één geheel,
en heerschte daarover. Er zijn echter
zóóvele stammen van Meden: de Busen,
de Paretaceniërs, de Struchaters, de
Arizantiërs, de Budiërs en de
Magiërs. Zoovele zijn dan de stammen der Meden.
102. Deioces' zoon was Phraortes,
die toen Deioces stierf na drie en vijftig jaar
geregeerd te hebben, de regeering overnam. En ze
overgenomen hebbend was hij niet tevreden over de
Meden alleen te heerschen, doch hij trok op tegen de
Perzen en greep dezen aan en maakte hen het eerst
aan de Meden onderworpen. Daarna, deze twee volken
hebbend en die beiden krachtig, onderwierp hij
Azië, van het eene naar het andere volk gaande,
totdat hij, opgetrokken tegen de Assyriërs en
die van de Assyriërs, die Ninus in bezit hadden
en vroeger over allen heerschten, doch toen ontbloot
waren van bondgenooten (daar die afgevallen waren),
hoewel overigens in goeden toestand, tegen dezen dan
opgetrokken, hij, Phraortes zelf, omkwam, na een
regeering van twee en twintig jaren, en het grootste
deel van zijn leger.
103. Na den dood van Phraortes kreeg
Cyaxares, zoon van Phraortes, Deioces' zoon, het
rijk. Deze wordt gezegd nog veel krijgszuchtiger
geweest te zijn, dan zijn voorouders. Hij was de
eerste, die zijn volkeren in Azië in scharen
verdeelde, en de eerste, die hen ordende
afgescheiden van elkander: de lansdragers, de
boogschutters en de ruiters; want vóór
dien tijd was alles zonder onderscheid dooreen
gemengd. Deze is het die met de Lydiërs vocht,
toen nacht de dag werd bij hun strijd, en die geheel
Azië boven de rivier Halys aan zich onderwierp.
En alle door hem beheerschten verzamelend trok hij
op tegen Ninus, om zijn vader te wreken en uit
verlangen die stad te veroveren. En toen hij, na in
een treffen de Assyriërs overwonnen te hebben,
Ninus belegerde, rukte een groot leger van Scythen
tegen hem op, en hen voerde Madyes aan, de koning
der scythen, de zoon van Protothyes; deze scythen
waren in Azië gevallen, nadat zij de
Cimmeriërs uit Europa verdreven hadden, en
dezen op hun vlucht volgende, waren zij zoo in
Medië gekomen.
104. Van het Maeotische meer naar de
rivier Phasis en de Colchiërs is de weg dertig
dagen voor een onbelasten man, doch om van Colchis
naar Medië te komen is niet veel, doch
één volk slechts is er tusschen hen,
de Saspiren, en is men dezen voorbij, dan is men in
Medië. De Scythen evenwel waren langs dien weg
niet ingevallen, doch hadden den hoogeren veel
langeren weg genomen, het caucasische gebergte aan
de rechterhand hebbend. En de Meden, daar met de
Scythen samengetroffen en overwonnen in den strijd,
verloren de opperheerschappij, terwijl de Scythen
geheel Azië overmeesterden.
105. Van daar trokken zij naar
Egypte. En toen zij in het palaestinische Syrië
waren gekomen, kwam hun Psammetichus, de koning van
Egypte tegemoet, en bewoog hen met geschenken en
smeekingen niet verder te trekken. Zij daarop
terugkeerend kwamen in de syrische stad Ascalon, en
toen de meeste Scythen zonder schade aan te richten
voorbij waren gegaan, plunderden enkele weinige
achtergeblevenen van hen den tempel der hemelsche
Aphrodite. Deze tempel nu is, gelijk ik na onderzoek
bevind, de oudste van alle tempels, zoovelen er van
die godin zijn. Want ook de tempel in Cyprus komt
daar van daan, zooals de Cypriërs zelf beweren,
en Pheniciërs uit dat zelfde deel van
Syrië hebben dien in Cythera gebouwd. Op die
der Scythen nu, die den tempel in Ascalon geplunderd
hadden en op al hun nakomelingschap wierp de godin
een vrouwelijke ziekte. Daardoor dan zeggen de
Scythen, zoowel dat zij de ziekte hebben, als dat
zij die het scythische land bezoeken bij hen zien,
in welken toestand diegenen zijn, welke de scythen enarëers
noemen.
106. Gedurende achtentwintig jaren
nu heerschten de Scythen over Azië, en alles
werd door hun ruwheid en zorgeloosheid verwoest.
Want van ieder afzonderlijk eischten zij een
schatting, die zij aan elk oplegden, en behalve die
schatting roofden zij op hun tochten, wat ieder had.
En de meesten van hen doodde Cyaxares met de Meden,
nadat zij hen op een feest genoodigd hadden en
dronken gemaakt, en zoo verkregen de Meden de
oppermacht weder en heerschten over dezelfden als
vroeger, en zij veroverden Ninus (hoe zij het
veroverden, zal ik in een ander verhaal mededeelen)
en zij onderwierpen de Assyriërs behalve het
babylonische gebied. En daarna stierf Cyaxares, na
een regeering van veertig jaren met die er onder,
waarin de Scythen heerschten.
107. De zoon van Cyaxares, Astyages
neemt het koningschap over. En hij had een dochter,
aan wie hij den naam Mandane gaf, van welke Astyages
in den droom meende, dat zij zoo veel waterde, dat
zij zijn stad vulde, en gansch Azië
overstroomde. Toen hij aan de droomuitleggers onder
de Magiërs het gezicht had medegedeeld, schrok
hij, daar hij de waarheid nauwkeurig van hen vernam.
En deze Mandane, toen zij huwbaar was, gaf hij, uit
vrees voor het droomgezicht, aan niemand van de
Meden, die hem waardig waren, tot vrouw, doch hij
gaf haar aan een Pers, wiens naam Cambyses was, dien
hij bevond uit een goed geslacht te zijn, en van een
kalmen aard, terwijl hij hem verre beneden een Meder
van den middelstand achtte.
108. Nadat Mandane met Cambyses
gehuwd was, zag Astyages in het eerste jaar een
ander gezicht: er scheen hem uit den schoot dier
dochter een wijnstok te groeien, en die wijnstok
bedekte gansch Azië. Toen hij dit gezien had en
medegedeeld aan de droomuitleggers, ontbood hij zijn
dochter, die dicht bij haar bevalling was, uit
Perzië en na haar komst bewaakte hij haar,
voornemens te dooden, wat uit haar geboren zou
worden; want uit het droomgezicht hadden de
droomuitleggers onder de Magiërs hem
aangewezen, dat de spruit van zijn dochter in plaats
van hem koning zou zijn. Om dit nu te voorkomen,
liet Astyages, toen Cyrus geboren was, Harpagus
roepen, een verwante en de meest vertrouwde der
Meden en bestuurder van al zijn zaken, en zeide tot
hem het volgende: "Harpagus, de zaak, die ik u
opdraag, moogt ge geenszins zorgeloos behandelen,
noch mij bedriegen, en wil niet, anderen boven
mij kiezende, u zelf later in het ongeluk
storten. Neem het kind, dat Mandane baarde, breng
het naar uw huis en dood het; daarna, begraaf het op
welke wijze gij zelf wilt." Hij antwoordde: "O
koning, nimmer nog zaagt ge in dezen man iets
verkeerds, en wij dragen zorg ook in de toekomst
tegenover u niets te misdrijven. Maar indien dan het
u lief is dat dit zoo geschiedt, behoor ik mijn
dienst met ijver te bewijzen."
109. Toen Harpagus met deze woorden
geantwoord had, en hem het knaapje gegeven was,
gehuld in doodsgewaad, ging hij weenend naar zijn
woning, en daar gekomen, verhaalde hij aan zijn
vrouw al wat Astyages gezegd had. En zij zeide tot
hem: "wat hebt ge nu in den zin te doen? " Hij
antwoordde: "niet wat Astyages bevolen heeft, niet
indien hij van zinnen zal raken en erger razen dan
hij nu raast, niet zal ik zijn wensch vervullen,
noch in zulk een moord hem helpen. Om vele redenen
zal ik het niet dooden, èn omdat het kind mij
zelf verwant is, èn omdat Astyages oud is en
kinderloos in manlijk kroost; en indien na zijn dood
de heerschappij op die dochter overgaat, wier zoon
hij nu doodt door mij, wat blijft dan voor mij over
dan het grootste van alle gevaren? Doch voor mijn
veiligheid moet het kind sterven, doch dan moet een
der Meden van Astyages de moordenaar wezen, en niet
een der mijnen."
110. Zoo sprak hij, en terstond zond
hij een bode naar dien van Astyages' herders, die,
naar hij wist, zijn kudden liet weiden op
de meest geschikte weiden en bergen vol wilde
dieren, wiens naam Mitradates was. Deze was gehuwd
met zijn medeslavin, en de vrouw, met welke hij
gehuwd was, heette volgens de Helleensche taal Kyno,
volgens de medische Spako, want een teef noemen de
Meden spako. De voet van het gebergte,
waar deze herder de weiden voor zijn runderen had,
is ten noorden van Agbatana gelegen en naar den
Pontus Euxinus heen. Want daar is het land der Meden
naar het land der Saspiren heen zeer bergachtig en
hooggelegen en met bosschen bedekt, het overige
Medië is daarentegen geheel vlak. Toen nu de
herder met veel spoed geroepen was en kwam, zeide
Harpagus dit: "Astyages beveelt u dit knaapje te
nemen en neer te leggen op de meest verlaten plek
van het gebergte, opdat het zoo spoedig mogelijk
sterve. En hij heeft mij bevolen ook dit te zeggen:
indien ge het niet doodt, doch op eenige wijze in
het leven laat, dan zal hij u met den zwaarsten dood
ombrengen en mij is opgedragen toe te zien, dat het
kind neergelegd is."
111. De herder hoorde deze woorden,
nam het kind aan, en ging denzelfden weg terug en
kwam in zijn hut. En zijn eigen vrouw, die iederen
dag op 't bevallen was, baarde door goddelijke
beschikking toen juist, toen de herder naar de stad
was gegaan. En beiden waren in zorg over elkander:
hij uit vrees over de bevalling van zijn vrouw, de
vrouw echter, daar tegen zijn gewoonte Harpagus hem
ontboden had. Toen hij, teruggekeerd, tot haar trad,
en zij hem onverhoopt zag, vroeg de vrouw het eerst,
waarom Harpagus hem zoo haastig had laten halen. En
hij zeide: "in de stad gekomen zag en hoorde ik, wat
ik nooit had wenschen te zien, en wat nooit onze
meesters mocht overkomen zijn. Gansch het huis van
Harpagus was in gejammer, en ik ging verschrikt naar
binnen. Zoodra ik binnen gekomen was, zie ik een
knaapje liggen, hijgend en schreeuwend, en versierd
met goud en een bont kleed. En Harpagus, toen hij
mij zag, beval mij ten spoedigste het knaapje op te
nemen en er mede weg te gaan en het neer te leggen,
in het gebergte waar de meeste wilde dieren zijn;
Astyages, zei hij, was het, die mij dit beval, en
hij dreigde veel, indien ik het niet zou doen. En ik
nam het mede, meenende dat het van een der dienaren
was; want ik had geen vermoeden, van waar het kwam.
Wel verbaasde ik mij, ziende hoe het met goud en
gewaad getooid was, bovendien ook over de droefheid,
die klaarblijkelijk in Harpagus' huis heerschte. En
spoedig daarna op den weg verneem ik de gansche zaak
van den dienaar, die mij uit de stad geleidde en mij
het kind in handen gaf, dat het de zoon was van
Mandane, Astyages' dochter, en van Cambyses, zoon
van Cyrus, en dat Astyages beveelt het te dooden: en
nu dan, hier is het."
112. En met dat hij dit zeide, nam
de herder het kleed weg en toonde het kind.
En zij, toen zij het kind zoo groot en schoon zag,
weende, en omvatte de knieën van haar man,
smeekend, dat hij het op geen enkele wijze daar neer
zou leggen. Doch hij zeide niet in staat te zijn
anders te doen, want er zouden lieden komen van
Harpagus om toe te zien, en hij zou op het ergst
omkomen, indien hij het niet deed. Toen zij haar man
dan niet kon overreden, sprak zij vervolgens dit:
"daar ik u dus niet kan overreden het kind
niet neer te leggen, doe gij dan zóó,
indien er alle noodzaak is, dat het daar neergelegd
en gezien wordt; want ook ik heb gebaard, doch een
dood kind baarde ik: neem dat en leg het neer, doch
den zoon van Astyages' dochter, laat ons dien
opvoeden als onzen eigenen; en zoo zult gij niet
betrapt worden op misdrijf tegen uw meesters, nog
zal dat slecht voor ons zelf overlegd zijn. Want het
gestorven kind zal een koninklijke begrafenis
krijgen, en het levende zijn leven niet verliezen."
113. En den herder scheen zijn vrouw
zeer goed naar het geval te spreken en terstond deed
hij zoo. Den knaap, dien hij medegebracht had om te
dooden, dien gaf hij over aan zijn vrouw, en zijn
eigen dood kind nam hij en legde het in den mand,
waarin hij het andere gedragen had; en hij tooide
het met al den tooi van den anderen knaap, bracht
het naar de meest verlaten plek van het gebergte en
legde het neer. Toen de derde dag gekomen was na het
neerleggen van den knaap, ging de herder naar de
stad, een van zijn knechten als wachter daar
achterlatend, en naar Harpagus' woning gegaan, zeide
hij bereid te zijn het lijk van het knaapje te
toonen. Toen zond Harpagus de trouwsten van zijn
speerdragers, en door middel van hen zag hij en
begroef hij het kind van den herder. En dit kind
nu was begraven, doch dat later Cyrus genoemd werd,
dat nam de vrouw van den herder tot zich en zij
voedde het op, en gaf het een anderen naam en niet
dien van Cyrus.
114. En toen de knaap tien jaren oud
was, gebeurde de volgende zaak met hem, die hem
bekend maakte. Hij speelde in dat dorp, waarin ook
de runderstallen waren, en speelde met andere
genooten op den weg. En in hun spel kozen de knapen
dien zoogenaamden zoon van den herder tot hun
koning. Hij nu beval sommigen van hen huizen te
bouwen, anderen speerdragers te zijn, een van hen
maakte hij het oog van den koning, aan een ander gaf
hij den taak om boodschappen rond te brengen, en zoo
droeg hij ieder zijn werk op. Een van die knapen,
die mede speelde, een zoon van Artembares, een
aanzienlijk man bij de Meden, deze nu had het door
Cyrus bevolene niet gedaan, en gene beval aan de
andere knapen hem te grijpen, en toen de knapen
gehoorzaamden, behandelde Cyrus hem zeer ruw met
zweepslagen. Doch zoodra hij losgelaten was, liep
hij, daar hij boos was en meer nog, wijl hij wat
onwaardigs had ondergaan, liep hij naar de stad en
klaagde bij zijn vader over wat hij van Cyrus
ondervonden had, niet Cyrus zeggende (want hij had
nog niet dien naam), doch van den zoon des herders
van Astyages. En Artembares ging terstond naar
Astyages en den knaap met zich nemend, verklaarde
hij, onbillijke dingen ondervonden te hebben,
zeggende: "O koning, door uw slaaf, den zoon van den
herder, zijn wij zóó mishandeld," en
hij liet de schouders van den knaap zien.
115. Astyages dit hoorende en
ziende, wilde om het aanzien van Artembares den
knaap voldoening geven, en ontbood den herder en
zijn zoon. Toen zij beiden gekomen waren, zag
Astyages naar Cyrus en zeide : "Gij, de zoon van
zulk een man, hebt het gewaagd den zoon van hem, die
bij mij de eerste is, met zulk een smaad te
behandelen?" En hij antwoordde aldus: "O heer, naar
billijkheid heb ik hem dat aangedaan; want de knapen
uit het dorp, waarvan hij er ook een is, hebben mij
bij het spel tot hun koning aangesteld; want ik
scheen hun daarvoor de meest geschikte te zijn. De
andere knapen nu deden wat hun bevolen werd, doch
deze was ongehoorzaam, en lette er niets op, totdat
hij zijn straf kreeg. Indien ik daarom nu straf
verdien, welnu, hier ben ik."
116. Toen de knaap zoo sprak,
herkende Astyages hem plotseling; de uitdrukking van
het gelaat scheen hem te gelijken op het zijne en
het antwoord te vrijmoedig, en ook het tijdstip van
het te vondeling leggen kwam hem voor overeen te
komen met den leeftijd van den knaap. Verschrokken
door deze dingen, was hij een tijd lang zonder
geluid; en met moeite eindelijk weder tot zichzelven
gekomen, sprak hij, daar hij Artembares wilde
wegzenden, om den herder alleen in gehoor te nemen
en te onderzoeken: "Artembares, ik zal deze zaak zoo
maken, dat gij en uw zoon niets te klagen hebt."
Artembares dan zendt hij weg, en Cyrus brachten
dienaren op bevel van Astyages binnen in het paleis.
Toen de herder alleen was overgebleven, vroeg
Astyages hem buiten gehoor van anderen, van waar hij
den knaap had gekregen, en wie de gever was. Hij
zeide dat de knaap uit hem zelven was
gesproten en dat de moeder nog bij hem leefde.
Astyages zeide hem, dat hij niet verstandig deed,
verlangende tot folteringen te geraken, en met dat
hij dit zeide, gaf hij aan zijn speerdragers bevel
hem te grijpen. En gene naar den pijnbank gebracht,
openbaarde op die wijze dan de geheele zaak.
Begonnen bij het begin verhaalde hij alles, naar
waarheid sprekend, en kwam eindelijk tot smeekingen
en bad Astyages hem vergiffenis te schenken.
117. Doch toen de herder de waarheid
geopenbaard had, sloeg Astyages reeds minder acht op
hem, doch zeer verbitterd op Harpagus beval hij zijn
speerdragers dien te ontbieden. Toen Harpagus bij
hem gekomen was, vroeg Astyages hem: "Harpagus, op
welke wijze dan hebt ge het kind gedood, dat ik als
spruit van mijn dochter u gegeven heb?" En Harpagus,
toen hij den herder in het vertrek zag, begaf zich
niet op den weg des bedrogs, dat hij niet bij
onderzoek op onwaarheid betrapt zou worden, maar
zeide het volgende: O koning, toen ik het knaapje
ontvangen had, overwoog ik, hoe ik het u naar den
zin zou maken, en, zonder tegen u te misdrijven,
noch in de oogen van uw dochter noch ook van u zelf
een moordenaar zou zijn. Ik deed daarom aldus: ik
roep dien herder en geef hem het knaapje, zeggende
dat gij het waart, die bevaalt het te dooden. En zoo
sprekend loog ik niet: want gij zelf hadt aldus
bevolen. Ik gaf hem dus het kind over, met bevel het
op een verlaten berg neer te leggen en het te
blijven bewaken, tot het gestorven zou zijn, vele
dingen dreigend, als hij dit bevel niet volbrengen
zou. Toen hij nu het bevolene verricht had en het
knaapje gestorven was, zond ik de trouwsten van mijn
gesnedenen en zag het na door middel van hen en
begroef het kind. Zoo, o koning, ging het met die
zaak, en op zulk een wijze kwam het kind om."
118. Harpagus dan verhaalde de
waarheid, en Astyages den toorn verbergend, dien hij
om het gebeurde in zich had, verhaalde eerst aan
Harpagus, zooals hij de zaak van den herder gehoord
had, en daarna, toen hij het dan oververteld had,
eindigde hij te zeggen, dat de knaap nog leefde en
dat het zoo zeer goed was. "Want ik had veel
verdriet over wat dien knaap was aangedaan," zeide
hij, "en ik telde het niet gering, twist met mijn
dochter te hebben. Daar nu de zaak zich ten goede
heeft gekeerd, stuur dan uw eigen zoon naar den
terug gevondene en bovendien, - want ik wil een
dankoffer voor de redding van den knaap aan de goden
brengen, wien die eer toekomt -, kom zelf bij mij
aan het maal."
119. Harpagus toen hij dit hoorde,
knielde neder en achtte zich gelukkig, dat zijn
misdrijf zoo goed een afloop genomen had en dat hij
onder zulke gunstige omstandigheden op het feest
genoodigd werd, en ging naar huis. En zoodra hij
daar gekomen was, - want hij had een eenigen zoon,
ongeveer dertien jaar oud -, zond hij dezen weg en
beval hem naar Astyages te gaan, en te doen, wat
deze mocht bevelen. En zelf zeer verheugd verhaalde
hij aan zijn vrouw, wat geschied was. Maar Astyages
liet, toen Harpagus' zoon bij hem gekomen was, hem
slachten en in stukken snijden, en dan het vleesch
voor een deel braden, voor een ander deel koken, en
goed toebereid hield hij de stukken
gereed. Toen het uur van den maaltijd gekomen was,
kwamen de andere gasten en ook Harpagus, en voor de
anderen en ook voor Astyages werden tafels voorgezet
vol van schapenvleesch, doch voor Harpagus, behalve
het hoofd en de handen en de voeten, al het andere
van zijn eigen zoon; doch die lagen afzonderlijk
bedekt in een korf. Toen Harpagus oordeelde genoeg
gegeten te hebben, vroeg Astyages hem, of hij
genoegen had in het maal. En toen Harpagus zeide
zich zeer te verheugen, brachten zij, wien het
bevolen was, het hoofd van zijn zoon, toegedekt, en
de handen en de voeten, en bij Harpagus staande
bevalen zij hem de korf te ontblooten, en er uit te
nemen, wat hij wilde. En Harpagus gehoorzaamt en
neemt de bedekking weg en ziet de overblijfselen van
zijn zoon; doch ze ziende raakte hij niet ontsteld,
en bleef zich zelven meester. Doch Astyages vroeg
hem, of hij wist, van welk dier hij vleesch had
gegeten. En hij zeide het te weten, en dat alles hem
aangenaam was, wat de koning deed. Dit geantwoord
hebbend, nam hij de overblijfselen van het vleesch
op en ging naar huis. En daar wilde hij, naar ik
meen, alles bijeen zamelen en begraven.
120. Aan Harpagus nu legde Astyages
dien straf op, doch na nadenken over Cyrus ontbood
hij de zelfden van de Magiërs, die zijn
droomgezicht op zulk een wijze hadden uitgelegd.
Toen zij gekomen waren, vroeg Astyages, hoe zij zijn
droom hadden verklaard. En zij antwoordden op de
zelfde wijze, zeggende dat de knaap koning moest
wezen, indien hij in 't leven gebleven was en niet
te voren gestorven. Hij antwoordde hun met het
volgende. "de knaap is er en leeft nog en terwijl
hij op het land woonde hebben de kinderen uit het
dorp hem tot koning benoemd. En alles, wat
werkelijke koningen doen, heeft hij
gedaan, want speerdragers en deurwachters, en
boodschappers en al het andere had hij onder zich.
En waarheen schijnt u dat nu te gaan?" De
Magiërs zeiden: "indien de knaap nog leeft en
koning is geweest zonder eenig opzet, wees dan
daarom onbevreesd te zijnen opzichte en heb goeden
moed; want niet meer zal hij voor de tweede maal
heerschen. Want op kleine dingen zijn sommige van
onze uitspraken uitgeloopen, en somtijds
gaan gansche droomen geheel naar het onbeduidende."
Astyages antwoordde met deze woorden: "Ook ik, o
Magiërs, ben sterk van meening, dat, nu de
knaap koning genoemd is, de droom vervuld is
geworden en die knaap mij geenszins meer gevaarlijk
is. Maar toch geeft mij raad, en overweegt wel, wat
het veiligste zijn zal en voor mijn huis en voor u."
Daarop zeiden de Magiërs: "O koning, ook ons
zelven is het veel waard, dat uw heerschappij stand
houde; in het andere geval toch, als zij op dien
knaap overgaat, die een Pers is, komt zij aan
vreemden, en wij Meden zijn in slavernij en van geen
belang bij de Perzen, daar wij vreemden zijn; doch
als gij koning blijft, gij onze medeburger,
heerschen wij naar ons deel en hebben groot aanzien
bij u. Zoo dan moeten wij op alle wijzen zorgen voor
u en voor uw heerschappij. En nu, indien wij iets
angstigs zagen, zouden wij het u vooruit zeggen. Nu
de droom thans echter op iets nietigs is
uitgeloopen, zijn wij goedsmoeds en raden u het
zelfde; zend dien knaap uit uw oogen naar de Perzen
en zijn ouders."
121. Astyages verheugde zich dit
hoorende, en liet Cyrus roepen en zeide tot hem dit:
"O knaap, om een ijdel droomgezicht toch wilde ik u
onrecht doen, doch door uw lot leeft gij; ga dan nu
ongedeerd naar de Perzen, en geleiders zal ik met u
zenden. En daar gekomen zult ge een vader en een
moeder vinden gansch anders dan Mitradates en zijn
vrouw."
122. Zoo gesproken hebbend zond
Astyages Cyrus weg, en bij zijn aankomst in
Cambyses' huis ontvingen zijn ouders hem, en toen
zij dan vernamen, wie hij was en van waar,
begroetten zij hem vreugdevol, daar zij toch
meenden, dat hij toen terstond was omgekomen, en zij
vroegen, op welke wijze hij gered was. En hij
verhaalde hun, zeggende vroeger het niet geweten,
doch gansch gedwaald te hebben, doch onderweg had
hij geheel zijn ongeval vernomen. Want hij meende,
dat hij van Astyages' herder de zoon was, doch op
den weg van daar had hij de gansche zaak van zijn
geleiders vernomen. En hij was opgevoed, zeide hij,
door de vrouw van den herder, en hij prees deze zeer
veel, en in zijn verhaal was Kyno alles. Zijn ouders
namen dien naam op, en, opdat de redding van hun
zoon den Perzen meer wonderbaarlijk zou schijnen,
verbreidden zij het gerucht, dat een hond Cyrus, die
daar verlaten lag, had opgevoed. En vandaar is dat
verhaal gekomen.
123. Toen Cyrus man was geworden en
de dapperste en meest beminde van zijn tijdgenooten,
zocht Harpagus hem, en zond geschenken, begeerig
zich op Astyages te wreken. Want hij zag geen kans
dat van hem zelf, een burger, wraak over Astyages
zou komen, doch Cyrus ziende opgroeien, maakte hij
hem tot bondgenoot, daar hij Cyrus' behandeling met
de zijne gelijk stelde. Vóór dien tijd
had hij ook reeds dit verricht: daar Astyages streng
was tegen de Meden, sprak Harpagus met ieder
afzonderlijk van de voornaamste Meden, en overreedde
hen, dat zij Cyrus aan het hoofd moesten plaatsen en
Astyages uit de regeering stooten.Toen dit hem
gelukt was en in gereedheid gebracht en hij aan
Cyrus dan zoo, die onder de Perzen leefde, zijn plan
wilde mededeelen, wist hij niets anders, daar de
wegen bewaakt werden, doch verzon het volgende: hij
bereidde een haas toe, en sneed haar buik open en
trok gansch geen haar uit, doch liet haar zoo, en
zoo stak hij er een brief in, waarin hij had
beschreven wat hij besloten had; dan naaide hij de
buik van den haas weder dicht, en gaf ze in een net
aan den trouwste van zijn dienaars, als jager
uitgerust, en zond hem naar de Perzen, hem
opdragend, als hij de haas aan Cyrus gaf, met eigen
mond te zeggen, dat hij met eigen hand de haas
zou open snijden en niemand mocht er bij zijn, als
hij dat deed.
124. Dit nu werd zoo volbracht, en
Cyrus nam de haas aan en sneed ze open. En hij vond
den brief, die er in was, en nam hem en las. Het
geschrift zeide het volgende:"O zoon van Cambyses,
daar toch de goden over u waken, - want niet zoudt
ge anders tot zulk geluk gekomen zijn, - wreek u dan
op Astyages uw moordenaar. Want naar zijn wens zijt
ge reeds dood, door de goden en door mij echter
leeft ge. Reeds lang zult ge weten, denk ik, wat met
u zelf geschiedde, en wat ik van Astyages
ondervonden heb, daar ik u niet had gedood, doch aan
den herder gegeven. Gij dus, indien ge mij volgen
wilt, - waar Astyages over heerscht, over dat
gansche land zult gij heerschen. Want overreed de
Perzen tot afval en trek op tegen de Meden. En
indien ik door Astyages tot veldheer word gekozen
tegenover u, dan geschiedt wat gij wilt, en ook,
indien een ander van de voorname Meden. Want
terstond zullen zij van hem afvallen en op uw hand
komen, en trachten Astyages ten val te brengen. Daar
nu de zaak hier gereed is, doe het, en doe het
snel."
125. Cyrus dit vernomen hebbend
overwoog, op welke wijze hij het slimst de Perzen
tot afval zou brengen, en bij overweging bevond hij
dit het meest geschikte te wezen, en hij deed het
dan. Hij schreef in een brief, wat hij nuttig vond,
en riep de Perzen bijeen; toen vouwde hij den brief
open, las hem en zeide, dat Astyages hem tot
veldheer van de Perzen benoemd had. "En nu," zeide
hij verder, "beveel ik u op te komen ieder met een
sikkel". Cyrus beval dan dit. Er zijn veel stammen
van de Perzen, en een deel van hen bracht Cyrus
bijeen en overreedde hen van de Meden af te vallen;
deze zijn, - en van hen hangen alle andere Perzen af
-, de Pasargaden, de Marafiërs, de
Maspiërs; van dezen zijn de Pasargaden de
aanzienlijksten, waartoe ook het geslacht der
Achaemeniden behoort, van hetwelk de perzische
koningen afstammen. Andere Perzen zijn dezen: de
Panthialaeërs, de derusiaeërs, de
Germaniërs; deze allen zijn landbouwers, doch
de anderen zwervend: de Daiërs, de Marden, de
Dropiciërs, en de Sagartiërs.
126. Toen nu allen met het bevolene
gekomen waren, toen beval Cyrus hen - want er was
een doornachtige streek in Perzië, ongeveer
achttien of twintig stadiën naar iederen kant -
dezen streek in één dag effen te
maken. En toen de Perzen den opgelegden taak
volbracht hadden, beval hij hen wederom den
volgenden dag op te komen, nadat zij zich eerst
gewasschen hadden. Intusschentijd bracht Cyrus alle
kudden van geiten, schapen en runderen van zijn
vader bijeen, slachtte ze en bereidde ze toe, om het
Perzische leger te onthalen; bovendien wijn en brood
in overvloed. Toen de Perzen den volgenden dag
gekomen waren, liet hij hen op het gras nederliggen
en feest vieren. Nadat zij gegeten hadden, vroeg
Cyrus hen, of wat zij den vorigen dag gehad hadden
of wat heden hun het aangenaamste was. Zij zeiden,
dat het verschil groot was; want den vorigen dag was
alles slecht geweest, op dezen dag echter alles
goed. Dit woord nam Cyrus op en ontblootte de
gansche zaak, zeggende: "Mannen Perzen,
zóó staat het met u; wilt ge mij
gehoorzamen, dan hebt ge deze en nog tallooze andere
goede dingen, en geen enkel slaafsch werk; wilt ge
mij niet volgen, dan zult ge ontelbare lasten
hebben, zooals die van gisteren. Doch volgt mij, en
weest vrij. Want ik zelf meen door goddelijke
beschikking geboren te zijn om dit werk te
ondernemen, en ik meen dat gij geen mindere mannen
zijt dan de Meden, noch in andere dingen, noch in
den oorlog. Daar nu zoo het geval is, staat zoo
spoedig mogelijk tegen Astyages op."
127. De Perzen nu hadden een
aanvoerder en wilden zich gaarne bevrijden, want
reeds lang verfoeiden zij het door de Meden
beheerscht te worden. Toen Astyages vernam, dat
Cyrus zoo deed, zond hij een bode om hem te
ontbieden. Cyrus beval den bode terug te melden, dat
hij eerder bij Astyages zou komen, dan deze zelf
wenschte. Op die woorden wapende Astyages al de
Meden en, door de goden geslagen, stelde hij
Harpagus als veldheer aan, geheel vergetend, wat hij
hem had aangedaan. Toen nu de Meden waren
opgetrokken en met de Perzen samentroffen, streden
sommigen van hen, die geen deelgenoot waren van de
samenzwering, anderen liepen naar de Perzen over; de
meesten echter gedroegen zich als lafaards en gingen
op de vlucht.
128. Toen het leger der Meden
schandelijk verspreid was geworden, zeide Astyages,
zoodrahij dat vernomen had, met bedreiging tegen
Cyrus: "maar ook zóó zal Cyrus niet
zonder straf blijven!" Zoo sprak hij en hij liet
eerst de droomuitleggers onder de Magiërs, die
hem geraden hadden Cyrus te laten gaan, spietsen,
daarna wapende hij de Meden, die in de stad waren
overgebleven, de jonge en oude mannen. Hij voerde
hen naar buiten en trof samen met de Perzen, doch
werd overwonnen, en Astyages zelf werd levend
gevangen genomen, en hij verloor de Meden, die hij
naar buiten had gevoerd.
129. En Harpagus ging voor den
gevangenen Astyages staan en lachte om zijn leed en
beschimpte hem, en zeide andere hartbijtende woorden
tot hem, en vroeg hem ook hoe het loon voor zijn
eigen maal, waarop gene hem met het vleesch van zijn
zoon onthaald had, hoe hem dan nu de slavernij was
in plaats van zijn koningschap. Gene zag hem aan en
vroeg, of hij Cyrus' werk het zijne noemde. En
Harpagus stemde toe, want hij zelf had geschreven,
en met recht was dus de daad van hem. Doch Astyages
bewees hem met redenen, dat hij de onnoozelste en de
onrechtvaardigste van alle menschen was; de
onnoozelste, indien hij zelf koning had kunnen
worden, zoo althans werkelijk door hem het gebeurde
geschied was, en hij aan een ander de macht had
geschonken; de onrechtvaardigste, daar hij om dat
maal de Meden slaven had gemaakt; want indien het
noodzakelijk was het koningschap aan een ander over
te dragen en niet het zelf te behouden, dan was het
billijker geweest aan een der Meden dat geluk te
gunnen, dan aan een Pers. Want nu waren de Meden,
die gansch geen schuld daaraan hadden, slaven
geworden in plaats van heerschers; de Perzen
daarentegen, voorheen slaven van de Meden, thans
meesters.
130. Astyages dan hield zoo op te
regeeren, na een koningschap van vijf en twintig
jaren, doch de Meden moesten door zijn strengheid
voor de Perzen bukken, nadat zij over het boven de
Halys gelegene Azië honderd en dertig jaren op
twee na geregeerd hadden, behalve zooveel de Scythen
heerschten. Naderhand berouwde hun hun daad, en zij
stonden op onder Darius; doch bij dien opstand
werden zij weder onderworpen, overwonnen in den
strijd. Doch toen in den tijd van Astyages opgestaan
tegen de Meden, heerschten de Perzen en Cyrus sinds
dien tijd over Azië. Aan Astyages deed Cyrus
verder geen leed en hij hield hem bij zich, tot hij
stierf. Cyrus dan, zóó geboren en
opgevoed, werd koning, en naderhand onderwierp hij
Cresus, die den strijd begonnen was, zooals ik
vroeger verhaald heb. En toen hij dezen onderworpen
had, heerschte hij zoo over geheel Azië.
131. De Perzen leven naar mijn weten
onder de volgende gebruiken. Godenbeelden, tempels
en altaren op te richten is geen zede bij hen; ja
zelfs die dat doen, noemen zij dwaas, omdat, naar ik
gis, zij niet zooals de Hellenen de goden van
menschelijke gestalte achtten. Zij hebben de
gewoonte om, op de hoogste bergen geklommen, aan
Zeus offers te brengen, den ganschen kring des
hemels Zeus noemend. Zij offeren aan de zon en de
maan, aan de aarde en het vuur en het water en de
winden. Aan dezen alleen offeren zij van oudsher,
doch zij hebben bovendien nog geleerd aan Urania te
offeren, en van de Assyriërs leerden zij dit en
van de Arabieren. De Assyriërs noemen Aphrodite
Mylitta, de Arabieren Alilat, de Perzen Mitra.
132. De offering voor de gezegde
goden geschiedt bij de Perzen op de volgende wijze.
Altaren richten zij niet op, noch ontsteken zij vuur
als zij offeren willen. Zij hebben er geen plenging
bij, noch fluitspel, noch banden, noch gerooste
gerst. Als iemand aan een van de goden wil
offeren, voert hij het vee naar een reine plaats en
roept den god aan, den tiara gewoonlijk omkransd met
mirtetakken. En als hij dan offert, is het hem niet
geoorloofd voor zich alleen goeds af te smeeken,
doch voor alle Perzen bidt hij om voorspoed en voor
den koning, want onder al die Perzen is hij zelf ook
begrepen. Daarna snijdt hij het offerdier in stukken
en kookt het vleesch, en dan spreidt hij er het
meest frissche gras onder, en vooral klaverblad, en
legt daarop dan het vleesch neder. Heeft hij alles
goed ingericht, dan treedt een Magiër naderbij
en zingt de godenwording, zooals zij dan dit gezang
noemen, want het is bij hen geen zede zonder
Magiër een offering te verrichten. Na korten
tijd draagt de offeraar het vleesch weg, en gebruikt
het, zooals hij lust heeft.
133. Van alle dagen pleegt ieder het
meest dien te eeren, waarop hij geboren werd. Op
dien dag vinden zij het betamelijk een rijker maal
dan anders op te disschen. De rijken onder hen laten
een os, een paard, een kameel of een ezel geheel
braden in den haard en opdisschen; de armen
daarentegen disschen klein vee op. Ze hebben weinig
hoofdgerechten, doch veel toegerechten, en die niet
tegelijk doch na elkaar, en daarom zeggen de Perzen,
dat de Hellenen hongerig met eten ophouden, daar bij
hen na den maaltijd niets stevigs meer wordt
voorgezet, maar als wat werd voorgezet, zouden zij
niet ophouden met eten. Aan den wijn zijn zij sterk
overgegeven, en het staat hun niet vrij te braken,
noch te wateren in iemands tegenwoordigheid. Dit
wordt nu zoo in acht genomen, doch zij plegen in
dronkenschap over de belangrijkste zaken te
beraadslagen; wat zij dan besloten hebben, dat legt
hun den volgenden dag, als zij nuchter zijn, de
gastheer weder voor, in wiens huis zij beraadslagen,
en indien het hun ook in nuchterheid goed dunkt,
nemen zij het aan; indien het niet goed lijkt, laten
zij het varen. En wat zij eerst in nuchterheid
hebben overlegd, daarover beslissen zij nog eens als
zij dronken zijn.
134. Als zij elkander op den weg
tegenkomen, kan men hieruit opmaken, of zij gelijk
van stand zijn: want in plaats van elkander te
begroeten kussen zij elkaar op den mond, en is een
van beiden een weinig geringer, dan kussen zij op de
wangen, maar indien de een veel minder van geboorte
is, dan valt hij neer voor den ander en knielt. Zij
eeren die, welke het dichtst bij hen wonen, na
zichzelven boven allen; dan, die verder wonen, en
zoo gaan zij verder en eeren naar verhouding. Het
minst houden zij, die het verst van hen wonen, in
eere, meenende, dat zij zelf verreweg in alles de
voortreffelijkste menschen zijn, en dat de anderen
in de gezegde verhouding aan die voortreflijkheid
deel hebben, en dat die het verst van hen wonen de
slechtste zijn. Toen de Meden heerschten, heerschte
ook het eene volk over het andere, doch de Meden
over allen te samen en vooral over hun
naaste naburen, dezen weder over hun grensgenooten,
en die weder over de hunne.. En volgens die
verhouding bewijzen de Perzen eer; want ook in
die zelfde verhouding had het volk der
Meden macht en toezicht.
135. Vreemde zeden nemen de Perzen
het spoedigst van alle menschen aan; zelfs het
gewaad van de Meden dragen zij, dit schooner vindend
dan hun eigen dracht, en in den oorlog de egyptische
pantsers. En ook alle genietingen, als zij ze kennen
leeren, beoefenen zij, en zoo dan ook gebruiken zij
knapen, van de Hellenen dit geleerd hebbend. Zij
huwen ieder van hen vele wettige vrouwen en hebben
ook nog veel meer bijwijven.
136. Voor manlijkheid geldt het, na
de dapperheid in den strijd, als iemand veel
kinderen kan aanwijzen; die er het meeste aanwijst,
aan dien zendt de koning ieder jaar geschenken. Want
menigte wordt als kracht beschouwd. Zij voeden hun
kinderen, van hun vijfde tot hun twintigste jaar, in
drie dingen slechts op: paardrijden en boogschieten
en waarheid spreken. Voor hij vijf jaar oud is
geworden, komt hij zijn vader niet onder de oogen,
doch leeft hij geheel bij de vrouwen. Dit wordt
daarom zoo gedaan, opdat indien de knaap
als klein kind sterft, hij geen verdriet aan zijn
vader zal veroorzaken.
137. Ik nu prijs deze zede, en ik
prijs ook deze, dat noch om een enkel misdrijf de
koning zelf iemand doodt, noch iemand van de andere
Perzen om een enkel misdrijf een van zijn slaven
onheelbaar kwaad toebrengt; doch hij overweegt, en
indien hij bevindt dat de misdrijven meer en grooter
zijn dan de diensten, dan volgt hij zijn toorn.
Niemand nog heeft, naar zij zeggen, zijn eigen vader
of moeder gedood, maar zooveel gevallen van dien
aard geschied heeten te zijn, die zouden
noodzakelijker wijze bij onderzoek gebleken zijn,
zeggen zij, of door ondergeschoven kinderen verricht
te wezen of door kinderen van overspel; want het is
niet mogelijk, beweren zij, dat een werkelijke vader
door zijn eigen zoon zou omkomen.
138. Wat zij niet doen mogen, dat
mogen zij ook niet zeggen. Voor de grootste schande
geldt bij hen het liegen, en daarna schulden te
hebben, om vele andere redenen, maar vooral, omdat,
naar zij beweren, die schulden heeft noodwendig ook
liegen zal. Als een van de burgers lepra of uitslag
heeft, komt hij niet in de stad, noch gaat hij om
met de andere Perzen. Want zij zeggen, dat hij uit
eenige zonde tegen de zon die kwaal heeft.
En alle vreemdelingen door die kwalen gegrepen jagen
zij uit het land (en ook de witte duiven, en wel om
dezelfde reden). Zij wateren niet in de rivieren,
noch spuwen noch wasschen zij de handen er in, noch
veroorloven zij een ander dat, doch eeren de
rivieren zooveel mogelijk.
139. En ook dit andere is
eigenaardig bij hen, wat den Perzen zelven verborgen
is, ons evenwel niet. De namen, die in hun
beteekenis met de menschen en hun waardigheid
overeenkomen, eindigen allen op dezelfde letter, die
de Doriërs San noemen, en de Ioniërs
Sigma. Op deze letter zult gij bij onderzoek vinden,
dat alle namen der Perzen uitgaan, niet sommige wel,
andere niet, doch alle gelijkelijk.
140. Dit nu heb ik naar eigen weten
met zekerheid over hen hooren zeggen. Het volgende
evenwel wordt als iets geheims gezegd en niet
openlijk, over de gestorvenen namelijk,
dat het lijk van een Pers niet eerder begraven
wordt, voor hij door een vogel of een hond
verscheurd is. Van de Magiërs weet ik toch
bepaald, dat zij dit doen; want zij doen het
openlijk. Maar de Perzen dan overtrekken het lijk
met was en verbergen het in de aarde. De
Magiërs verschillen veel van de andere menschen
en van de priesters in Egypte; want dezen houden
zich rein van den moord van eenig levend wezen,
behalve wat zij offeren, doch de Magiërs dooden
met eigen hand alles, behalve honden en menschen, en
zij beijveren zich zelfs zeer daarin, en dooden
zonder onderscheid mieren en slangen en wat verder
kruipt en vliegt. En met deze zede moge het blijven
zooals het van oudsher gebruik was, ik echter keer
terug tot het vroegere verhaal.
141. De Ioniërs en de
Aeoliërs zonden, zoodra de Lydiërs door de
Perzen onderworpen waren, boden naar Sardes tot
Cyrus, bereidwillig, om op dezelfde voorwaarden als
zij het van Cresus waren ook van hem onderdaan te
zijn. Hij hoorde eerst wat zij voorstelden, en
vertelde hun toen een verhaal van een fluitspeler,
die visschen in de zee ziende, fluiten ging, in de
meening, dat zij aan land zouden komen; doch hij
bedroog zich in deze verwachting, en nam toen een
net en ving een groote menigte van de visschen en
trok ze op; en ziende dat zij op en neer sprongen,
sprak hij tot de visschen: "houd nu op met dansen,
daar ge op mijn fluitspel niet uit de zee wildet
komen en dansen." Cyrus nu zeide dit verhaal daarom
tot de Ioniërs en de Aeoliërs, omdat de
Ioniërs vroeger, toen Cyrus hen door boden had
verzocht van Cresus af te vallen, niet naar hem
geluisterd hadden, doch nu, nu de zaak verricht was,
bereid waren Cyrus te gehoorzamen. Hij nu zeide hun
dit door toorn bevangen, doch de Ioniërs, toen
zij deze boodschap in de steden vernamen,
versterkten zich op iedere plaats met muren en
vereenigden zich bij het Panionion, en wel
alle andere Ioniërs behalve de Milesiërs:
want met dezen alleen had Cyrus een verbond gesloten
op dezelfde voorwaarden, als de Lydiër gedaan
had. Doch de andere Ioniërs besloten eenparig
boden naar Sparta te zenden, met de bede de
Ioniërs te helpen.
142. Deze Ioniërs, van wie ook
het Panionion is, hebben van alle menschen, die wij
kennen onder de schoonste luchtstreek hun steden
gebouwd. Want noch is de boven haar gelegen streek
zooveel waard als Ionië noch de lager gelegene,
noch het land naar den ochtend noch dat naar den
avond, want deels wordt dat door koude en natheid
geplaagd, deeld ook door hitte en droogte. De
Ioniërs spreken niet dezelfde taal, doch vier
verschillende tongvallen. Onder deze steden is
Miletus de eerste naar het zuiden, dan Myus en
Priëne; deze steden liggen in
Carië en spreken dezelfde taal, de volgenden
echter in Lydië: Ephesus, Colophon, Lebedos,
Teos, Clazomenae, en Phocaea. Deze steden nu komen
in taal geenszins met de vroeger genoemde overeen,
doch wel onderling. Er zijn nu nog drie ionische
steden overgebleven, waarvan er twee op eilanden
liggen, Samos en Chios, en een op het vaste land,
Erythrae. De menschen van Chios nu en van Erythrae
spreken op dezelfde wijze, doch de Samiërs
hebben hun eigen taal. Deze zijn de vier soorten van
taal.
143. Van deze Ioniërs dan waren
de Milesiërs beschut tegen gevaar, daar zij een
verbond hadden gesloten, en ook voor de eilanders
onder hen was niets te vreezen; want noch waren de
Pheniciërs den Perzen onderworpen, noch de
Perzen zelf zeevaarders. De Ioniërs in Azië
nu hadden zich van de anderen in Europa om
geen andere reden afgescheiden, dan omdat het
helleensche volk zwak was, en verreweg de zwakste
van alle stammen de ionische en van de minste
beteekenis; want behalve Athene was er geen stad van
belang. De andere Ioniërs nu en de Atheners
vermeden den naam, niet verlangend Ioniërs
genoemd te worden, en ook nu nog schijnen mij de
meesten van hen zich voor dien naam te schamen; die
twaalf steden in Azië daarentegen
waren trotsch op dien naam en hadden voor zich zelf
een heiligdom opgericht, dat zij het Panionion
noemden en zij besloten geen van de andere
Ioniërs daaraan deel te laten nemen (en niemand
verzocht dan ook om aandeel te hebben behalve de
Smyrnaeërs),
144. evenals de Doriërs uit het
tegenwoordige Pentapolis, dat vroeger Hexapolis
heette, zorg dragen om geen van de naburige
Doriërs in den triopischen tempel toe te laten,
doch zelfs die onder hen zelven van de deelneming
uitsloten, die tegen het heiligdom iets misdreven
hadden. Want voor den wedstrijd ter eere van den
tripischen Apollon hadden zij van oudsher ijzeren
drievoeten voor de overwinnaars uitgeloofd, en dezen
mochten de ontvangenden niet uit den tempel
wegdragen, doch zij moesten ze daar aan den god
wijden. Een man uit Halicarnassus nu, met name
Agasicles, overtrad na zijn overwinning die wet,
daar hij den drievoet naar zijn eigen huis bracht en
daar aan den wand bevestigde. Om die reden sloten de
vijf steden Lindus en Ialysus en Camirus en Cos en
Cnidus, de zesde stad Halicarnassus van de
deelneming uit. Zij dan legden aan genen deze straf
op.
145. De Ioniërs hebben, naar ik
geloof, twaalf steden gesticht en er niet meer
willen opnemen, daarom, omdat ook toen zij in den
Peloponnesus woonden, er twaalf afdeelingen van hen
bestonden, evenals er ook nu van de Achaeërs,
die de Ioniërs verdreven, twaalf afdeelingen
zijn: vooreerst Pellene in de richting van Sicyon,
dan Aegira en Aegae, waar de nimmer drooge rivier de
Crathis is, naar welke ook die rivier in Italië
zijn naam ontving, en Bura en Helice, waarheen de
Ioniërs vluchtten toen zij door de
Achaeërs in den strijd overwonnen waren, en
Aegion en Rupes en Patreës en Phareës en
Olenus, waar de groote rivier Pirus is, en Dyme en
Tritaeës, die de eenigen van allen in het
binnenland liggen.
146. Deze twaalf afdeelingen zijn er
nu van de Achaeërs en waren toen van de
Ioniërs. Daarom dan stichtten ook de
Ioniërs twaalf steden, daar het toch groote
dwaasheid is te zeggen, dat zij meer Ioniërs
zijn dan de andere Ioniërs of van edeler
geslacht, terwijl niet het geringste deel van hen
Abanten zijn uit Euboea, die niet eenmaal in naam
iets met Ionië gemeen hebben, en Minyers uit
Orchomenus met hen vermengd zijn en Cadmeërs en
Dryopen en uitgeweken Phociërs en
Molossiërs en arcadische Pelasgen en dorische
Epidauriërs, en vele andere volken met hen
vermengd zijn; en die onder hen van het prytaneum in
Athene uitgingen en zich voor de edelste
Ioniërs houden, dezen brachten geen vrouwen
mede voor de nederzetting, maar namen Carische
vrouwen, wier ouders zij gedood hadden. Om dezen
moord legden de vrouwen zichzelven de wet en een eed
op, en leverden die aan haar dochters over, dat zij
nooit met hun mannen zouden eten noch hun man bij
den naam noemen, dáárom, wijl zij hun
vaders en mannen en zonen vermoord hadden en na die
daad toch met hen samen waren gaan wonen. Dat
geschiedde in Miletus.
147. Sommigen van hen kozen zich
Lyciërs tot koningen, die van Glaucus,
Hippolochus' zoon afstamden; andere pylische
Cauconen, afstammelingen van Codrus, Melanthus'
zoon, andere uit beide geslachten. Doch, - want zij
zijn op dien naam meer gesteld dan de andere
Ioniërs, - laten zij dan van zuivere afkomst
zijn; maar dan zijn ook allen Ioniërs, die van
Athene afstammen en het feest der Apaturia vieren,
en dit vieren allen, behalve de Ephesiërs en de
Colophoniërs, want dezen alleen onder de
Ioniërs vieren de Apaturia niet, en dezen dan
nog onder voorwendsel van een moord.
148. Het Panionion is een heilige
plaats in Mycale, op het noorden gelegen, en door de
Ioniërs gemeenschappelijk opgericht voor den
heliconischen Poseidon; Mycale is een voorgebergte
van het vaste land naar den westewind zich naar
Samos uitstrekkend, en daar komen de Ioniërs
uit de steden bijeen en vieren een feest, dat zij
den naam Panionia gegeven hebben. (Niet alleen de
ionische feesten zijn zoo, doch ook alle feesten van
alle Hellenen gaan op de zelfde letter uit, evenals
de namen van de Perzen).
149. Deze dan zijn de ionische
steden, doch de aeolische de volgenden: Cyme, ook
Phriconis genaamd, Larissae, Neonteichos, Temnus,
Cilla, Notion, Aegiroessa, Pitane, Aegaeae, Myrina,
Gryneia; deze zijn de elf oude steden van de
Aeoliërs; want één werd hun
ontnomen door de Ioniërs, Smyrna; want ook deze
steden waren twaalf in getal op het vaste land. Deze
Aeoliërs hadden zich in een vruchtbaarder land
nedergezet dan de Ioniërs, doch van
luchtgesteldheid niet zoo gunstig.
150. Smyrna nu verloren de
Aeoliërs op de volgende wijze:
Colophoniërs namen zij op, die bij een oproer
overwonnen en uit hun vaderland verdreven waren.
Later echter namen deze colophonische ballingen de
gelegenheid waar, dat de Smyrnaeërs buiten de
muren een feest voor Dionysus vierden, zij sloten de
poorten en bezetten de stad. Toen alle Aeoliërs
den Smyrnaeërs te hulp schoten, kwamen
zij tot een vergelijk, dat de Ioniërs alle
roerende have zouden afgeven en de Aeoliërs
Smyrna zouden verlaten. Toen de Smyrnaeërs dit
gedaan hadden, verdeelden de elf steden hen onder
elkander en maakten hen burgers bij zich.
151. Deze nu zijn de aeolische
steden op het vaste land, behalve die bij den berg
Ida gelegen zijn, want deze zijn een afzonderlijk
geheel. Doch van die op de eilanden zijn, liggen er
vijf op Lesbos; want de zesde, die op Lesbos lag,
Arisba, brachten de Methymnaeërs tot slavernij,
ofschoon verwnt van bloed; op Tenedus ligt
één stad, en op de zoogenaamde
Hecatonnesi nog een. Voor de Lesbiërs en de
Tenediërs, evenals voor de eilandbewoners onder
de Ioniërs, was er geen gevaar. Doch de andere
steden besloten eenparig de Ioniërs te volgen,
waarheen dezen zouden willen voeren.
152. Toen de boden van de
Ioniërs en de Aeoliërs in Sparta kwamen, -
want dit geschiedde met spoed, - kozen zij tot
spreker voor allen den Phocaëer, die Pythermus
tot naam had. En deze wierp een purperen gewaad om,
opdat de Spartanen, dit vernemend, in zoo groot
mogelijk aantal zouden opkomen, en trad op en sprak
lang, smeekende hun te helpen. Doch de
Lacedaemoniërs luisterden geenszins naar hem,
doch besloten de Ioniërs niet te helpen. Genen
dan gingen weg, doch de Lacedaemoniërs, toen
zij de boden der Ioniërs afgewezen hadden,
zonden toch mannen in een vijftigriemer af, als
bespieders, naar ik denk, van Cyrus' zaken en van
Ionië. Dezen te Phocaea gekomen, zonden den
aanzienlijksten van hen, wiens naam Lacrines was,
naar Sardes, om aan Cyrus als woord van de
Lacedaemoniërs te zeggen, dat hij geen stad van
het land Hellas schade zou aandoen, daar zij dat
niet zouden dulden.
153. Toen de heraut dit gesproken
had, vroeg Cyrus, zegt men, aan de aanwezige
Hellenen, wat voor menschen de Lacedaemoniërs
waren en hoe groot in getal, dat zij zulk een bevel
zonden. En na de inlichting antwoordde hij aan den
Spartaanschen gezant: "nog nooit heb ik zulke
menschen gevreesd, bij wie midden in hun stad een
plaats afgezonderd is, waar zij te zamen komen en
met eeden elkander bedriegen. En hun, indien ik
gezond blijf, zullen niet de rampen der Ioniërs
in den mond zijn, doch hun eigene." Dit woord wierp
Cyrus naar alle Hellenen, daar zij markten hebben en
koopen en verkoopen; want de Perzen zelf zijn niet
gewoon markten te gebruiken en hebben in 't geheel
geen markt. Daarop vertrouwde hij Sardes aan
Tabalus, een Pers toe, doch het goud èn dat
van Cresus en dat van de andere Lydiërs aan den
Lydiër Pactyes om te bewaren, en trok zelf naar
Agbatana, terwijl hij Cresus medenam en op de
Ioniërs voorlopig geen acht sloeg. Want Babylon
stond hem in den weg en het volk der Bactriërs
en de Sacen en de Egyptenaars, en tegen dezen
besloot hij zelf op te trekken, tegen de
Ioniërs evenwel een ander als veldheer te
sturen.
154. Toen Cyrus uit Sardes
weggetrokken was, bracht Pactyes de Lydiërs tot
afval van Tabalus en van Cyrus, en naar de kust
gaande met al het geld van Sardes in zijn bezit,
wierf hij huurtroepen en overreedde de kustbewoners
met hem op te trekken. Dan rukte hij naar Sardes en
belegerde Tabalus, die opgesloten was in de burcht.
155. Toen Cyrus dit op zijn tocht
vernam sprak hij tot Cresus het volgende: "Cresus,
wat zal het einde van die dingen nog wezen? De
Lydiërs, naar het schijnt, zullen niet ophouden
mij last aan te doen en ook zichzelven. Ik vrees,
het zal het best zijn hen slaven te maken. Want nu
kom ik mij voor gedaan te hebben, evenals iemand,
die den vader doodt en de kinderen spaart. Want zoo
heb ik u, nog wat meer dan een vader, van de
Lydiërs weggevoerd, en aan de Lydiërs zelf
de stad gegeven, en daarna sta ik verbaasd, dat zij
tegen mij opstaan." Hij nu zeide, wat hij ook in den
zin had, doch de ander, vreezende dat hij Sardes
geheel verwoesten zou, antwoordde het volgende: "O
koning, gij zegt dat met reden, doch geef niet
geheel toe aan uw toorn, en verwoest niet een oude
stad die onschuldig is èn aan wat vroeger
geschiedde èn aan de gebeurtenis van thans;
want het vroegere heb ik verricht en draag ik op
mijn hoofd, en in de laatste zaak, daarin toch is
Pactyes de misdadiger, wien gij Sardes hebt
toevertrouwd: laat hem dan boeten. Doch vergeef den
Lydiërs en beveel hen dit, opdat zij niet meer
opstaan, noch u gevaarlijk zijn zullen; zend een
bevel tot hen dat zij geen krijgswapenen meer
bezitten mogen; beveel hen lijfrokken onder de
mantels te dragen, en hooge schoenen aan de voeten
te binden; beveel hen ook hun zonen op te voeden in
spel van cither en harp en kramerijen. En zoo, o
koning, zult ge hen spoedig als vrouwen in plaats
van mannen zien, zoodat zij u geenszins meer vrees
zullen geven voor een opstand."
156. Cresus wierp dit plan op,
oordeelende dat dit toch verkieslijker was voor de
Lydiërs dan als slaven verkocht te worden; want
wel wist hij, dat hij Cyrus niet zou
overreden zijn plan te veranderen, indien hij geen
bruikbaren voorslag aanbood, en hij vreesde dat de
Lydiërs, ook later weder, ook als zij thans
vrij liepen, tegen de Perzen zouden opstaan en
vernietigd worden. En Cyrus verheugde zich in den
voorslag en zijn toorn onderdrukkend zeide hij
Cresus te zullen volgen. Hij riep Mazares, een Meed,
en droeg hem op aan de Lydiërs te bevelen, wat
Cresus voorgeslagen had, en bovendien alle anderen
slaaf te maken, die met de Lydiërs tegen Sardes
waren opgetrokken, doch Pactyes zelf in allen geval
levend naar hem te brengen.
157. Hij dan dit op zijn tocht
bevolen hebbend, rukte naar het land der Perzen,
doch Pactyes, die vernam dat een leger tegen hem
optrok en nabij was, werd bevreesd en vluchtte
ijlings naar Cyme. En Mazares de Meed trok naar
Sardes met een deel van Cyrus' leger, (zoo groot dat
deel dan wezen mocht), en toen hij Pactyes en zijn
macht niet meer in Sardes aantrof, dwong hij eerst
de Lydiërs de bevelen van Cyrus te volgen, en
naar diens wil veranderden de Lydiërs hun
gansche wijze van leven. Mazares zond daarna boden
naar Cyme, bevelende Pactyes uit te leveren. De
Cymaeërs besloten ter beslissing zich tot den
God in Branchidae te wenden. Want daar stond van
oudsher een orakel, dat alle Ioniërs en
Aeoliërs plachten te raadplegen; die plaats
ligt in Milesië boven den haven van Panormus.
158. De Cymaeërs dan zonden
boden naar het orakel en vroegen hoe zij zouden doen
met Pactyes en den goden welgevallig zijn; en op hun
vraag gewerd hun het antwoord Pactyes aan de Perzen
uit te leveren. Toen de Cymaeërs dat antwoord
vernamen, wilden zij hem uitleveren, en
toen de meesten dat wilden, hield Aristodicus,
Heraclides' zoon, een man van aanzien bij de
burgers, de Cymaeërs van deze daad af, uit
wantrouwen in het godsbevel en meenende, dat de
gezanten niet naar waarheid bericht hadden; totdat
voor de tweede maal andere gezanten gingen om over
Pactyes te vragen, van welke ook Aristodicus er een
was.
159. Toen zij in Branchidae gekomen
waren, sprak Aristodicus uit aller naam tot het
orakel, vragende aldus: "O heerscher, tot ons kwam
Pactyes de Lydiër als smeekeling, om een
gewelddadigen dood door de hand der Perzen te
ontvluchten; en zij vragen hem op, de Cymaeërs
bevelend hem prijs te geven. Doch wij, alhoewel de
macht der Perzen vreezende, waagden niet tot dusver
den smeekeling uit te leveren, vóór
ons door u duidelijk verklaard is, wat wij doen
moeten." Hij nu vroeg dit, en de god
verstrekte wederom hetzelfde antwoord, bevelende
Pactyes aan de Perzen uit te leveren. Daarop deed
Aristodicus met opzet het volgende: hij liep rondom
den tempel en joeg de musschen weg en alle andere
soorten van vogels, die in den tempel hun nest
hadden gebouwd. En toen hij dit deed, kwam een stem,
zeggen zij, uit het heiligdom gericht naar
Aristodicus en zeide: "goddeloosste der menschen,
hoe durft gij dat doen? Mijn smeekelingen rooft ge
uit mijn tempel?" En Aristodicus was niet verlegen
doch zeide daartegen: "O heerscher, komt gij zelf
zoo uw smeekelingen te hulp, en beveelt gij de
Cymaeërs hun smeekeling uit te leveren?" En hij
antwoordde wederom aldus: "ja, dat beveel ik, opdat
ge om uw snoodheid sneller moogt te gronde gaan en
niet meer tot het orakel komt om te vragen over de
uitlevering van smeekelingen!"
160. Toen de Cymaeërs dit
antwoord vernamen, wilden zij noch hem
uitleveren en omkomen, noch hem bij zich
houden en belegerd worden, en daarom zonden zij hem
naar Mytilene. De Mytileners, toen Mazares een
gezantschap stuurde om Pactyes uit te leveren,
besloten dat te doen tegen een zeker loon; want ik
kan dat niet nauwkeurig aangeven, want de zaak kwam
niet tot stand. Want de Cymaeërs, toen zij
vernamen, dat dit bij de Mytileners gedaan werd,
zonden een schip naar Lesbos en brachten hem naar
Chios. En van daar werd hij door de Chiërs uit
het heiligdom van Athena de Stadbeschermster,
weggerukt en uitgeleverd. De Chiërs leverden
hem uit voor den prijs van Atarneus; dit Atarneus is
een plaats van Mysië, tegenover Lesbos. De
Perzen kregen dan zoo Pactyes in hun macht en
hielden hem gevangen, om hem voor Cyrus te brengen.
En het duurde niet weinig tijd dat geen Chiër,
noch gerstkorrels uit dat Atarneus gebruikte om ze
voor een der goden te strooien, noch koeken maakte
van de vrucht uit die plaats, doch van alle tempels
werd alles wat door die plaats werd voortgebracht,
verre gehouden.
161. De Chiërs dan leverden
Pactyes uit, doch Mazares trok daarna tegen hen op,
die Tabalus mede belegerd hadden, en in de eerste
plaats maakte hij de Priëners tot slaven;
daarna liep hij de gansche vlakte van den Maeander
af en gaf ze ter plundering aan zijn leger, en
Magnesia verwoestte hij eveneens. Daarop
stierf hij terstond door een ziekte.
162. Na zijn dood werd Harpagus zijn
opvolger in de aanvoering van het leger, die, van
geboorte zelf een Meed, door Astyages den koning der
Meden op den goddeloozen maaltijd onthaald was, en
die Cyrus gesteund had in het verkrijgen van de
heerschappij. Toen deze man dan, door Cyrus tot
veldheer benoemd, in Ionië gekomen was,
trachtte hij de stad door aarden werken te nemen;
nadat hij de menschen in de vesting gedreven had,
legde hij dan aarden werken aan tegen de muren en
belegerde. En het eerst in Ionië greep hij
Phocaea aan.
163. Deze Phocaeërs waren de
Hellenen, die het eerst groote zeetochten maakten,
en zij zijn het, die de Adriatische zee en
Tyrsenië en Iberië en Tartessus ontdekten.
Zij maakten hun tochten met vijftigriemers en niet
met ronde schepen. En in Tartessus gekomen, werden
zij bevriend met den koning der Tartessiërs,
wiens naam Arganthonius was, die tachtig jaren over
Tartessus heerschte, en in 't geheel honderd en
twintig jaar leefde. Met dezen man werden de
Phocaeërs dan zoo bevriend, dat hij hen eerst
noodigde om Ionië te verlaten en in zijn land
te wonen, waar zij wilden, en daarna, toen hij
daarin de Phocaeërs niet overreed had, en hij
vernam dat de Meden bij hen machtig waren geworden,
gaf hij hun geld om een muur om de stad te leggen.
En hij gaf rijkelijk, want niet weinig stadiën
is de omtrek van den muur, en geheel van groote
steenen, en die goed aaneengesloten, is hij gemaakt.
164. Op die wijze dan werd de muur
door de Phocaeërs gebouwd, en toen Harpagus
zijn leger tegen hen aanvoerde, belegerde
hij hen, en verklaarde, dat het hem genoeg zou zijn,
als de Phocaeërs slechts één
borstwering van den muur wilden omver halen en
één enkel huis den koning
wijden. De Phocaeërs in onwil tegen de
slavernij, zeiden één dag te willen
overwegen en dan te zullen antwoorden. En zoolang
zij beraadslaagden, verzochten zij hem zijn leger
van den muur weg te voeren. En Harpagus zeide wel te
weten, wat zij doen wilden, maar toch hun de
beraadslaging toe te staan. En toen dan Harpagus met
zijn leger van den muur was weggetrokken, in dien
tijd brachten de Phocaeërs de vijftigriemers in
zee, en plaatsten daarin kinderen en vrouwen en al
hun vervoerbare have, bovendien ook de godenbeelden
uit de tempels en de andere wijgeschenken, behalve
wat koper was of steen of geschilderd; en alle
andere dingen er in brengend en er zelf instijgend
voeren zij naar Chios; en het menschen verlatene
Phocaea bezetten de Perzen.
165. Doch de Phocaeërs, toen de
Chiërs hun de Oenussae geheetene eilanden niet
voor geld wilden verkoopen, uit vrees, dat dezen een
handelsplaats zouden worden, en hun eigen eiland
daardoor van den handel uitgesloten,
daarop dan trokken de Phocaeërs naar Cyrnus [Corsica].
Want op Cyrnus hadden zij twintig jaren vroeger om
een godspraak een stad opgericht, wier naam Alalia
was. Arganthonius was nu reeds dood. Op dezen tocht
naar Cyrnus keerden zij eerst naar Phocaea terug en
doodden de perzische bezetting, die van Harpagus de
stad ter bewaking had ontvangen, en daarna, toen zij
dit verricht hadden, zwoeren zij verschrikkelijke
verwenschingen voor hem, die van den tocht zou
wegblijven. Bovendien lieten zij een grooten klomp
ijzer in de zee zinken, en zwoeren niet eerder naar
Phocaea te gaan, vóór die klomp weder
te voorschijn gekomen was. Maar toen zij naar Cyrnus
voeren, werd de helft der burgers door verlangen en
smart over de stad en hun woonplaatsen in het land
aangegrepen, zij schonden hun eed en voeren weder
terug naar Phocaea. De anderen echter hielden hun
eed, braken op van de Oenussae en stevenden verder.
166. Toen zij in Cyrnus waren
gekomen, woonden zij vijf jaren lang met de vroeger
aangekomenen, en bouwden tempels. En zij roofden en
plunderden dan toch al hun buren, daarom trokken in
gemeenschaplijk overleg de Tyrseniërs en de
Carthagers ieder met zestig schepen tegen hen op. De
Phocaeërs bemanden ook zelf hun schepen, zestig
in getal, en voeren genen in de Sardonische zee te
gemoet. En toen zij in zeeslag geraakt waren, gewerd
den Phocaeërs een cadmeïsche overwinning.
Want veertig van hun schepen werden vernietigd, en
de twintig overgeblevenen waren onbruikbaar; want de
snavels werden afgebroken. Zij voeren toen terug
naar Alalia, namen hun kinderen en vrouwen en hun
andere bezitting op, zooveel als hun schepen dragen
konden, en daarop Cyrnus verlatende stevenden zij
naar Rhegium.
167. De bemanning van de vernietigde
schepen viel grootendeels in handen van de
Carthagers en de Tyrseniërs, en dezen voerden
hen weg en steenigden hen. Hierop werden bij de
Agyllaeërs alle wezens, die de plaats
voorbijgingen, waar de gesteenigde Phocaeërs
lagen, verrekt, verminkt en kreupel, gelijkelijk de
schapen, de lastdieren en de menschen. De
Agyllaeërs zonden boden naar Delphi
in het verlangen van de zonde vrij te komen. De
Pythia beval hen te doen, wat de Agyllaeërs nu
nog volbrengen; want zij bewijzen dien dooden groote
eer en houden kampspelen en wedrennen te paard. En
dezen nu van de Phocaeërs viel zulk een lot ten
deel, doch de anderen, naar Rhegium gevlucht, gingen
van daar verder en stichten in het oenotrische land
de stad, die nu Hyela heet. Zij stichtten die, van
een man uit Posidonia vernomen hebbend, dat de
Pythia hun geantwoord had voor Cyrnus den heros een
stad te stichten, doch niet op het eiland van
dien naam. Zoo ging het dan met Phocaea in
Ionië.
168. Bijna hetzelfde als dezen deden
ook de Teiërs; want toen Harpagus door zijn
aarden werken hun vesting genomen had, bestegen zij
hun schepen en stevenden weg naar Thracië; en
daar stichtten zij de stad Abdera, die
vóór hen Timasius de Clazomeniër
stichtte zonder voordeel, want de Thraciërs
verdreven hem en nu wordt hij door de Teiërs in
Abdera als een heros vereerd.
169. Dezen nu alleen onder de
Ioniërs, wijl zij de slavernij niet verdragen
wilden, verlieten hun vaderland, doch de andere
Ioniërs, behalve de Milesiërs, geraakten
met Harpagus in strijd, evenals de uitgewekenen, en
gedroegen zich als dappere mannen ieder voor zijn
eigen land strijdende; doch zij werden overwonnen en
onderworpen, en bleven ieder in hun eigen streek en
volbrachten, wat hun opgelegd werd. De
Milesiërs evenwel, zooals ik reeds vroeger
gezegd heb, hadden met Cyrus zelf een verbond
gesloten en bleven in rust. Zóó dan
werd Ionië voor de tweede maal tot slavernij
gebracht. Toen Harpagus de Ioniërs op het vaste
land onderworpen had, vreesden de Ioniërs op de
eilanden hetzelfde lot en gaven zich aan Cyrus.
170. Toen de Ioniërs onderdrukt
werden doch niet minder in het Panionion
bijeenkwamen, verneem ik dat Bias, een man uit
Priëne, aan de Ioniërs een
allerheilzaamsten raad heeft gegeven, door welken,
als zij hem hadden opgevolgd, zij de gelukkigsten
van alle Hellenen hadden kunnen worden; daar hij
toch de Ioniërs ried gemeenschaplijk op te
breken en naar Sardo [Sardinië] te stevenen, en
dan één stad voor alle Ioniërs te
stichten, en zoo zouden zij, van de slavernij
bevrijd, gelukkig zijn in bezit van het grootste
aller eilanden en heerschen over de andere bewoners
van het eiland; doch bleven zij in
Ionië, dan zag hij niet, zei hij, hoe zij ooit
vrij zouden worden. Dit was de raad van Bias den
Priëniër aan de Ioniërs, toen zij
reeds in het ongeluk waren; goed was ook
vóór de vernietiging van Ionië de
raad van Thales, den Milesiër, van
afkomst een Phoeniciër, die de Ioniërs
aanried een bondsvergadering in te voeren, en dat
die in Teos zou zijn, want Teos was het midden van
Ionië. En dat de andere steden niet minder als
zelfstandige gemeenten zouden beschouwd worden, even
alsof zij Demen waren.
171. Dezen dan hadden zulke
voorslagen gedaan, doch Harpagus, Ionië
onderworpen hebbend trok op tegen de Cariërs en
de Cauniërs en de Lyciërs, en voerde de
Ioniërs en de Aeoliërs met zich. Van deze
volken zijn de Cariërs uit de eilanden op het
vaste land gekomen, want, oudtijds onderdanen van
Minos en Lelegers geheeten, bezaten zij de eilanden,
doch brachten geen schatting op voor zoover ik in
staat ben door de overlevering in het verledene te
dringen: wanneer evenwel Minos het eischte bemanden
zij zijn schepen. En wijl Minos veel land
onderworpen had en voorspoedig geweest was in den
strijd, was het carische volk in dien zelfden tijd
verreweg het belangrijkste van alle volkeren. En er
werden door hen drie uitvindingen gedaan, die de
Hellenen overnamen; want de Cariërs zijn het
die verzonnen hebben vederbossen op de helmen te
zetten en op de schilden teekens te maken, en zij
ook hebben het eerst handvatsels aan de schilden
gemaakt; vóór dien tijd toch droegen
allen, die gewoon waren schilden te gebruiken, de
schilden zonder handvatsel, terwijl zij ze met
lederen riemen bestuurden, die zij om den nek en den
linker schouder sloegen. Daarna, in veel lateren
tijd, verdreven de Doriërs en de Ioniërs
de Cariërs uit de eilanden, en zoo kwamen zij
op het vaste land. Zoo dan zeggen de Creters dat het
met de Cariërs gegaan is; de Cariërs
zelven echter vallen hen geenszins bij, doch achten
zich zelven oorspronkelijke bewoners van het vaste
land, en beweren dat zij altijd den
zelfden naam als nu gehad hebben. En als bewijs
toonen zij in het gebied der Mylasiërs een
ouden tempel van den Carischen Zeus, waaraan ook de
Mysiërs en de Lydiërs als broeders van de
Cariërs aandeel hebben: want zij beweren dat
Lydus en Mysus vroeders van Car waren. Dezen dus
hebben aandeel aan den tempel, doch allen
die van een ander volk zijn, ofschoon van de zelfde
taal als de Cariërs, hebben geen aandeel.
172. De Cauniërs zijn, naar mij
voorkomt, oorspronkelijke bewoners, zelf echter
beweren zij Creters te zijn. Doch in hun taal hebben
zij zich bij de Cariërs aangesloten, of de
Cariërs bij de Cauniërs (want dat kan ik
niet met zekerheid uitmaken); zij leven evenwel
onder zeden die sterk afwijken van die der andere
menschen en ook van de Cariërs. Want bij hen
geldt het voor zeer betamelijk om in menigte,
volgens leeftijd en vriendschap, tot drinkgelag
bijeen te komen, zoowel voor mannen als vrouwen en
kinderen. Eerst hadden zij tempels opgericht voor
buitenlandsche goden; later evenwel, toen zij van
meening veranderden ( zij besloten alleen de
vaderlandsche goden te dienen), toen grepen alle
weerbare Cauniërs de wapenen, en de lucht met
hun speeren slaande trokken zij door tot het
calyndische gebied, en beweerden de vreemde goden
uit te drijven.
173. En zij nu hebben zulke
gebruiken, doch de Lyciërs stamden
oorspronkelijk uit Creta (want oudtijds was Creta
geheel bevolkt door barbaren); doch toen de zonen
van Europa, Sarpedon en Minos, in Creta over de
heerschappij streden en Minos in den strijd
overwonnen had, verdreef hij Sarpedon zelf met zijn
aanhangers, en dezen, uit hun land verstooten,
kwamen naar het land Milyas in Azië; want waar
nu de Lyciërs wonen, was vroeger Milyas, en de
Milyers heetten toen Solymers. Zoolang dan Sarpedon
over hen heerschte, heetten de Lyciërs naar den
naam, dien zij medegebracht hadden en volgens welken
zij nu nog door hun naburen genoemd worden,
Termilers. Maar toen Lycus, de zoon van Pandion,
eveneens door zijn broeder, Aigeus, verdreven, uit
Athene naar de Termilers bij Sarpedon kwam, werden
zij dan zoo naar den naam van Lycus in verloop van
tijd Lyciërs genoemd. Hun zeden zijn deels
cretisch, deels carisch. Dit ééne
gebruik echter is bij hen eigenaardig en wordt met
geen enkel ander volk gedeeld: zij noemen zich naar
hun moeder en niet naar hun vader; zoodat, als
iemand een ander vraagt, wie hij is, dan zal hij den
naam van zijn moeder zeggen en de moeders van zijn
moeder opgeven. En indien een vrijgeborene vrouw met
een slaaf huwt, worden de kinderen als vrijgeborenen
beschouwd; doch indien een burger, al ware hij ook
de eerste onder hen, een vreemdelinge huwt of tot
bijzit neemt, dan zijn de kinderen onwettig.
174. De Cariërs nu werden door
Harpagus onderworpen, zonder een enkele luisterrijke
daad verricht te hebben, noch zij zelven, noch de
Hellenen, die dat land bewonen. Er zijn daar ook
anderen gevestigd en ook Cnidiërs, een
nederzetting van de Lacedaemoniërs, wier land
aan de zee ligt en Triopion genoemd wordt; het
gebied van de Cnidiërs begint bij het
bybassische schiereiland en is geheel door de zee
omgeven op een klein gedeelte na (want het deel naar
den noordenwind gelegen begrenst de cerameïsche
golf; wat naar den zuidewind ligt, de zee bij Syme
en Rhodos), en dit kleine gedeelte, dat ongeveer
vijf stadiën uitgestrekt is, besloten de
Cnidiërs door te graven, terwijl Harpagus
Ionië onderwierp, met het voornemen hun gebied
tot een eiland te maken. Vóór de
landengte was gansch hun land gelegen; want waar het
cnidisch gebied in het vaste land uitloopt, daar is
de landengte, die zij wilden doorgraven. Toen dus de
Cnidiërs met alle kracht arbeidden, bleken de
arbeiders op meer dan gewone wijze en als door
goddelijke bedoeling verwondingen te krijgen, zoowel
aan andere deelen des lichaams, als vooral aan de
oogen, bij het stukhakken van de rotsen; zij zonden
dan boden naar Delphi om te vragen, wat hen
belemmerde. En de Pythia, zooals de Cnidiërs
zelf zeggen, antwoordde in trimetrische verzen:
Doch bouwt geen toren daar op de engt', noch
graaft ze door:
Zeus zelf toch maakte een eiland daar, had hij 't
gewild.
De Cnidiërs nu, toen de Pythia dit geantwoord
had, staakten de doorgraving, en toen Harpagus met
zijn leger aanrukte, gaven zij zich zonder te
strijden aan hem over.
175. Boven Halicarnassus in het
binnenland woonden de Pedaseërs, en zoo
dikwijls hen een onheil zal treffen, henzelf zoowel
als hun naburen, krijgt de priesteres van Athenaia
een grooten baard. Dit is hun driemaal overkomen.
Deze waren de eenige mannen in Carië, die
Harpagus een tijdlang weerstand boden, en met zeer
veel inspanning, terwijl zij een berg versterkten,
wiens naam Lida is.
176. De Pedaseërs nu werden na
eenigen tijd overwonnen, en de Lyciërs, toen
Harpagus zijn leger in de xanthische vlakte voerde,
trokken tegen hem op en, weinigen tegen velen
strijdend, verrichtten zij dappere daden; doch
overwonnen en in de stad teruggeworpen brachten zij
in den burcht hun vrouwen en kinderen bijeen en hun
goed en hun slaven, en daarna staken zij den burcht
in brand en hij brandde geheel af. Dit deden zij
dan, en zij zwoeren schrikkelijke eeden, en alle
Xanthiërs trokken uit en vielen in den strijd.
Van de nu levende Lyciërs, die zich
Xanthiërs noemen, zijn de meesten
vreemdelingen, op tachtig geslachten na; deze
tachtig geslachten waren op dien tijd buiten de stad
en bleven zoo behouden. Zoo geraakte Harpagus in
bezit van Xanthus en bijna op de zelfde wijze
veroverde hij Caunos; want de Cauniërs volgden
de Lyciërs grootendeels na.
177. Het benedengedeelte van
Azië onderwierp Harpagus dan, doch het hooge
Cyrus zelf, terwijl hij volk voor volk onderwierp en
geen enkel oversloeg. De meesten van hen zullen wij
voorbijgaan, doch die hem de meeste moeite gaven en
het merkwaardigste zijn, die zal ik vermelden.
178. Toen Cyrus het gansche vaste
land onderworpen had, viel hij de Babyloniërs
aan. In Assyrië zijn vele andere groote steden,
doch de meest vermaarde en sterkste, en waar na de
verwoesting van Ninus [Niniveh] de
regeering gevestigd was, was Babylon, zijnde een
stad van ongeveer deze geaardheid. Zij ligt in een
groote vlakte, en is aan iedere zijde honderd en
twintig stadiën groot, terwijl zij een vierkant
vormt; deze stadiën van den omtrek der stad
zijn te samen vierhonderd en tachtig. De grootte van
de stad Babylon is nu zoo, en zij was versierd als
geen andere stad, die wij kennen. Vooreerst omloopt
haar een gracht, breed en diep en vol water;
vervolgens is er een muur, vijftig koninklijke ellen
in breedte en in hoogte tweehonderd ellen. De
koninklijke el is drie vingers grooter dan de
gewone.
179. Ik moet nu daarbij verhalen,
waartoe de aarde uit de gracht gebruikt werd, en op
welke wijze de muur gebouwd was. Terwijl zij de
gracht groeven, maakten zij tegelijk tegels van de
aarde, die uit de gracht gedragen werd, en toen zij
genoeg tegels gekneed hadden, bakten zij ze in
ovens. Daarna namen zij heeten aardpek als cement en
stopten tusschen iedere dertig rijen van baksteenen
rieten horden en trokken zoo eerst de randen van de
gracht op, en daarna den muur zelf op de zelfde
wijze. Boven op den muur aan beide randen bouwden
zij huisjes van één vertrek, op
elkander uitziende; en tusschen die gebouwtjes door
lieten zij een rijweg voor een vierspan. Er waren
honderd poorten in den muur, allen van metaal, en
zoo ook de posten en de sluitbalken. Er is een
andere stad, een achtdaagsche reis van Babylon
verwijderd, Is geheeten. Daar is een niet groote
rivier, en die rivier heet eveneens Is. Deze werpt
haar water in de rivier Euphrates. Deze rivier Is nu
levert tegelijk met haar water veel klompen aardpek,
vanwaar de aardpek naar de muur van Babylon gebracht
werd.
180. Babylon werd dan op zulk een
wijze ommuurd, doch er zijn twee deelen van de stad.
Want midden door haar heen loopt een stroom, wiens
naam Euphrates is; hij stroomt uit Armenië, en
is groot en diep en snel, en hij loopt uit in de
Roode Zee [Indische zee]. De muur dus
strekt aan weerszijden ellebogen naar den stroom
uit; van dat punt buigen zij zich rechthoekig naar
binnen en gaan langs iederen oever van de
rivier als een dam van gebakken steenen. De stad,
vol met huizen van drie en vier verdiepingen, is met
rechte wegen doorsneden, zoowel de andere als de
dwarsche die naar de rivier gaan. Aan iederen weg nu
zijn in den dam daar langs de rivier poortjes, en
zooveel straten er zijn, zooveel zijn ook die
poortjes in getal. Deze waren ook van metaal,
en strekten zich ook naar de rivier uit.
181. Deze muur dan is een pantser,
en een andere muur loopt daar binnen, niet veel
zwakker dan de eerste muur, maar smaller. In ieder
van beide deelen der stad is in het midden
opgericht, in het eene de koninklijke burcht met een
groote en sterke ommuring, in het andere het
metalenpoortige heiligdom van Zeus Belos, en dit
bestond nog tot in mijn tijd, twee stadiën
groot aan iedere zijde en vierkant. In het midden
van het heiligdom is een stevige toren gebouwd, een
stadium in lengte en in breedte, en op dien toren
staat een andere toren, en daarop weder een andere,
tot acht torens toe. En aan de buitenzijde is een
trap gemaakt, die in een kring om alle torens gaat.
In het midden van den trap is een rustplaats en zijn
zetels om uit te rusten, waar de opstijgenden op
gaan zitten om te rusten. In den laatsten toren is
een groote tempel; in dezen tempel staat een groot,
wel voorzien rustbed. Doch geen enkel godenbeeld is
daar binnen opgericht, en geen der menschen brengt
daar den nacht door, behalve alleen een vrouw van
het land, welke de God uit allen kiest, zooals de
Chaldeërs zeggen, die priesters van dien god
zijn.
182. Want dezen beweren, voor mij
niet geloofwaardig sprekende, dat de god zelf in den
tempel komt en op het bed uitrust, evenals in Thebae
in Egypte geschiedt, naar de Egyptenaars zeggen,
(want ook daar slaapt een vrouw in den tempel van
den thebaanschen god, en beiden worden gezegd met
geen enkelen man zich te vereenigen) en evenals in
Patara in Lycië de priesteres van den god,
wanneer zij er is; want niet altijd is daar een
orakel, doch indien het er is, dan wordt zij des
nachts binnen in den tempel opgesloten.
183. In het babylonische heiligdom
is beneden nog een andere tempel, waar een groot
beeld is van den god, zittend en geheel van goud, en
een groote gouden tafel staat daar bij, en zijn
voetbank en zijn zetel zijn ook van goud. En naar de
Chaldaeërs zeiden, is dit alles van achthonderd
talenten goud gemaakt. Buiten den tempel is een
gouden altaar. Er is nog een ander groot altaar,
waar volwassen schapen worden geofferd; want op het
gouden altaar mag niets geofferd worden behalve nog
zuigende dieren alleen, maar op het grootere altaar
verbranden de Chaldaeërs ieder jaar duizend
talenten wierrook, wanneer zij het feest voor den
god vieren. Er was in de heilige plaats ook in dien
tijd nog een beeld van twaalf ellen, geheel van
gedegen goud. Ik zag het zelf niet, maar wat door de
Chaldaeërs gezegd wordt, dat zeg ik. Dit beeld
had Darius, zoon van Hystaspes, in den zin weg te
nemen doch hij durfde niet; Xerxes echter, de zoon
van Darius, nam het weg, en doodde den priester, die
hem verbood het beeld van zijn plaats te brengen.
Zoo dan is de tempel versierd, en er zijn ook vele
bijzondere wijgeschenken in.
184. Over dit Babylon waren vele en
andere koningen, van welke ik in de Assyrische
verhalen melding zal maken, die de muren versierden
en de heiligdommen, en dan ook nog twee vrouwen. Zij
die het eerste regeerde was vijf geslachten
vóór de latere, en van naam Semiramis;
zij liet dammen in de vlakte opwerpen, die
bezienswaard zijn; want vroeger placht de rivier de
gansche vlakte tot zee te maken.
185. De tweede dan, die na haar
koningin was, en Nitocris heette, deze nu,
verstandiger dan de vroegere heerscheres, liet
vooreerst gedenkteekenen na, die ik vermelden zal,
en dan, ziende dat het rijk der Meden groot was en
niet rustte, doch dat verscheiden steden door hen
veroverd werden, waaronder ook Ninus, nam zij
voorzorgen zooveel zij kon. Want vooreerst maakte
zij de rivier Euphrates, die eerst recht liep en
midden door haar stad stroomt, door bovenaan kanalen
te graven, zoo krom van loop, dat zij driemaal in
haar loop langs een van de dorpen in Assyrië
komt. Het dorp, waar de Euphrates langs komt, heet
Ardericca. Ook nu nog komen zij die van deze zee
naar Babylon gaan en de Euphrates afvaren, driemaal
in drie dagen bij hetzelfde dorp. Dit dan maakte zij
zoo, en zij liet een dam opwerpen langs iederen
oever van den stroom, waardig om gezien te worden,
hoe groot en hoe hoog hij is. Ver boven Babylon
groef zij een kom voor een meer uit, op geringen
afstand van den stroom, en in diepte overal gravende
tot aan het water, en zij maakte den omtrek
vierhonderd en twintig stadiën, en de
uitgegraven aarde liet zij langs de oevers van de
rivier ophoopen; toen de uitgraving geeindigd was,
liet zij steenen aanvoeren en een muur rondom het
meer optrekken. Zij deed beide die dingen, de
kromming der rivier en dat geheele uitgegravene
meer, opdat de rivier in vele krommingen gebroken,
langzamer zou stroomen, en de vaart naar Babylon
eveneens gekromd zou zijn, en na de vaart een lange
tocht om het meer te wachten stond. Zij bracht die
werken aan op dat punt van het land, waar de
toegangen waren en waar de kortste weg uit het land
der Meden is, opdat de Meden geen gemeenschap met
haar volk zouden houden en niet met haar
aangelegenheden bekend worden.
186. Met zulke dingen dan omgaf zij
de stad door graven, en zij gebruikte ze nog tot het
volgende tweede werk. Daar de stad uit twee deelen
bestond, die de rivier midden tusschen zich hadden,
moest iemand onder de vroegere koningen, wanneer hij
wilde oversteken van het eene deel naar het andere,
met een schip oversteken. En dat was, naar ik gis,
lastig. Doch zij zorgde ook daarvoor, want toen zij
het bekken voor het meer gegraven had, maakte zij
van dat zelfde werk nog een tweede gedenkteeken, dat
zij achterliet. Zij liet groote blokken steen
houwen, en toen zij de steenen gereed had, en de
plaats uitgegraven was, leidde zij den ganschen
stroom van de rivier in de plaats, die zij
uitgegraven had, en terwijl deze vol raakte, en in
tusschentijd de oude bedding droog liep, richtte zij
zoowel op de oevers van de rivier langs de rivier en
de uitgangen van de poortjes, die naar den stroom
leidden, met gebakken steenen een wal op, op
dezelfde wijze als de stadsmuur, als bouwde zij ook
ongeveer in het midden van de stad met de steenen,
die zij uitgegraven had, een brug, de steenen met
ijzer en lood verbindende. Zij legde op de brug,
zoodra het dag werd, vierkante balken, waarop de
Babyloniërs den overtocht maakten, doch des
nachts namen zij die balken weder weg, daarom, opdat
zij niet des nachts zouden oversteken en elkander
bestelen. Toen het gegraven meer vol was geloopen
door de rivier en de werken van de brug voltooid
waren, leidde zij de rivier Euphrates weder uit het
meer naar de oude bedding. En zoo bleek de
uitgegraven kom, toen hij er was, van pas gemaakt te
zijn, en was voor de burgers een brug gebouwd.
187. Deze zelfde koningin dacht ook
de volgende list uit. Boven de meest betreden poort
van de stad liet zij haar graf in gereedheid
brengen, hoog boven op de poort, en op dit graf
woorden inbeitelen, die het volgende zeiden: "Mocht
een van de na mij komende koningen van Babylon
gebrek aan geld hebben, hij opene dit graf en neme
zooveel geld hij wil. Niet evenwel opene hij zonder
gebrek; want dat ware hem schade."
Dit graf bleef onaangeroerd, tot het koningschap aan
Darius kwam. Darius achtte het hard die poort niet
te gebruiken, en terwijl er geld lag en het geld
zelf er toe uitnoodigde, het niet te nemen. Hij
maakte van die poort in 't geheel geen gebruik, wijl
hij bij het doortrekken het lijk boven zijn hoofd
had. Hij maakte het graf open, en vond geen geld,
doch wel het lijk, en woorden die dit zeiden:
"Indien ge niet onverzadelijk waart van geld en
schraapzuchtig, niet zoudt ge de kamers van de
dooden geopend hebben."
Deze koningin is dan, naar gezegd wordt, een
zoodanige geweest.
188. Cyrus dan trok op tegen den
zoon van deze vrouw, die zijn vaders naam Labynetus
had en het rijk der Assyriërs. De groote koning
nu trekt uit huis, wel voorzien van levensmiddelen
en vee, en ook wordt water medegevoerd uit de rivier
Choaspes, die langs Susa stroomt, en daarvan slechts
drinkt de koning en niet van eenige andere rivier.
En als dit water van de Choaspes gekookt is, voeren
talrijke vierwielige muildierwagens het in zilveren
vaten mede en volgen den koning, waarheen
hij ook trekt.
189. Toen Cyrus op zijn tocht naar
Babylon gekomen was bij de rivier Gyndes, wier
bronnen in het Matiënische gebergte zijn, en
die door de Dardaniërs heen stroomende in de
rivier de Tigris valt, en deze weder langs de stad
Opis vloeiende stort zich in de Roode Zee -, toen
Cyrus de Gyndes, die men in schepen moet overvaren,
wilde overtrekken, toen sprong een van de heilige
witte paarden uit driestheid in den stroom en
trachtte over te zwemmen, doch de stroom deed het
verdwijnen in de diepte en sleurde het weg. Hevig
was Cyrus vertoornd op den stroom, die dit misdreven
had, en hij dreigde hem zoo zwak te maken, dat
voortaan ook vrouwen hem gemakkelijk, zonder de
knieën nat te maken, zouden doorwaden. En na
die bedreiging liet hij af van den tocht tegen
Babylon en verdeelde zijn leger in tweeën, en
na deze verdeeling liet hij richtsnoeren spannen en
honderdtachtig kanalen afpalen op iederen oever van
de Gyndes, die in alle richtingen liepen; dan
schaarde hij zijn leger en beval het te graven. Daar
nu een groote menigte arbeidde, kwam het werk tot
een eind, maar toch brachten zij den ganschen zomer
daar met werken door.
190. Toen Cyrus zich op de Gyndes
had gewroken en haar in driehonderd en zestig
kanalen had gesplitst, en wederom de lente aanbrak,
trok hij zoo naar Babylon. En de Babyloniërs
trokken uit en wachtten hem op. Toen hij nu op zijn
tocht dicht bij de stad was gekomen, geraakten zij
met hem in gevecht en, overwonnen in den strijd,
werden zij in de stad opgesloten. Daar zij echter
reeds vroeger wisten, dat Cyrus niet stil zat, doch
hem alle volken zagen aanvallen, hadden zij voor
vele jaren levensmiddelen in de stad gebracht.
Daarom bekommerden zij zich gansch niet om het
beleg, en Cyrus geraakte in verlegenheid, daar veel
tijd voorbijging en de zaken geenszins verder
kwamen.
191. Hetzij nu een ander het hem in
zijn verlegenheid voorsloeg, hetzij hij zelf begreep
wat hij doen moest, hij deed het volgende. Hij
schaarde zijn gansche leger, het eene deel daar waar
de rivier in de stad komt, en het andere deel achter
de stad, waar de rivier uit de stad treedt, en beval
aan het leger, wanneer zij den stroom doorwaadbaar
zouden zien, dan er door heen in de stad te vallen.
Zoo nu ze geplaatst en dat bevolen hebbend, trok hij
zelf weg met het niet strijdbare deel van het leger.
En bij het meer gekomen, deed Cyrus wat de
babylonische koningin had gedaan met de rivier en
het meer, dat zelfde deed hij nog eens. Want door
een kanaal voerde hij de rivier in het meer, dat een
poel was, en maakte de oude bedding doorwaadbaar,
daar het water was gezakt. Toen dit geschied was,
drongen de Perzen, juist voor dat doel geplaatst bij
de bedding van de Euphrates, die zoover gedaald was,
dat zij een man ongeveer midden aan de heup kwam,
zoo drongen zij daardoor in de stad. Indien nu de
Babyloniërs vernomen hadden of gezien wat door
Cyrus gedaan werd, zouden zij de Perzen rustig in de
stad hebben laten komen, en hen op 't slechtst
vernietigd hebben; want alle poorten sluitende die
op de rivier uitkomen, en zelf op de muren
geklommen, die langs de oever liepen, zouden zij
genen als in een net gevangen hebben. Doch nu
overvielen hen de Perzen gansch onverhoeds. Door de
grootte van de stad, zoo zeggen de menschen die daar
wonen, waren de buitenwijken der stad reeds genomen
en wisten de in het midden wonende Babyloniërs
niets van de verovering, maar (want het was juist
feest voor hen) zij dansten dien tijd en verkeerden
in vroolijkheid, tot zij het zeer duidelijk
vernamen. En Babylon werd zóó voor de
eerste maal genomen.
192. De macht van de
Babyloniërs kan ik met vele andere dingen
bewijzen, hoe groot zij is, en vooral door het
volgende. Den grooten koning is tot onderhoud van
zich zelf en van zijn leger het gansche land,
waarover hij heerscht, buiten de schatting,
toegedeeld. Terwijl er nu twaalf maanden in een jaar
zijn, onderhoudt hem het babylonische gebied vier
maanden, en acht maanden het gansche overige
Azië. Zoo dus is het assyrische land in macht
het derde deel van het overige Azië. En het
bestuur over dat gebied, dat de Perzen een satrapie
noemen, is van alle besturen het belangrijkste,
zooals het dan ook aan Tritantaechmes, den zoon van
Artabazus, die van den koning dit gewest heeft,
iederen dag een artabe vol zilver opbrengt: de
artabe is een perzische maat en bevat drie attische
choenicen meer dan een attische medimne. [1
medimne = 48 choenicen = 52,5 liter.] Hij had
voor zich, behalve de oorlogspaarden, achthonderd
dekhengsten, en zestienduizend merries, want ieder
van die hengsten dekt twintig merries. En er werd
zulk een menigte van indische honden gehouden, dat
vier groote dorpen in de vlakte in andere opzichten
belastingvrij zijn, doch verplicht den honden
voedsel te verschaffen. Zoo zijn de zaken voor den
satraap van Babylon.
193. In het land der Assyriërs
valt weinig regen, en wat den wortel van het graan
voedt is het volgende. Door drenking uit de rivier
wordt het zaad rijp en groeit het graan, niet,
zooals in Egypte, doordat de rivier zelf op de
akkers treedt, doch door bevochtiging met handen en
schepwerktuigen. Want het gansche babylonische land,
is evenals het egyptische, van kanalen doorsneden,
en het grootste dier kanalen is bevaarbaar en loopt
in de richting van de winterzon; het gaat van de
Euphrates naar een andere rivier, naar de Tgris,
waaraan de stad Ninus gebouwd was. Deze streek is
van alle, die wij kennen, de beste om de vrucht van
Demeter voort te brengen. Want andere boomen tracht
zij niet eenmaal te dragen, noch den vijgeboom, noch
den wijnstok, noch den olijfboom. Doch om Demeters
vrucht voort te brengen is zij zoo voortreffelijk,
dat zij in 't gemeen tweehonderdvoudig geeft, doch
als zij op het best voortbrengt, driehonderdvoudig
opbrengt. De bladeren van de tarwe en de gerst
worden daar licht vier vingers breed. Doch tot welke
grootte de boom van de gierst en de sesam groeit,
dat weet ik wel, maar zal het niet vermelden, wel
wetende, dat voor hen, die niet in het babylonische
land geweest zijn, ook wat over de vruchten gezegd
is, ongelooflijk zal schijnen. Olie hebben zij niet,
doch maken zoo iets uit de sesams. Er
groeien over het gansche veld palmboomen bij hen, de
meesten van dezen geven vruchten, waaruit zij spijs
en wijn en honig bereiden; zij behandelen ze
overigens even als de vijgeboomen, en van de palmen,
die de Hellenen manlijk noemen, van dezen binden zij
de vruchten aan de dadelsdragende palmen, opdat de
galwesp ze rijp make als hij in de dadel kruipt, en
de vrucht van den palm niet afvalle; want de
manlijke palmen hebben galwespen in de vrucht
evenals de wilde vijgen.
194. Wat van alle dingen daar het
meest bewonderenswaard is na de stad zelf, zal ik nu
gaan verhalen. De vaartuigen, die zij hebben om
langs de rivier naar Babylon te trekken, zijn rond
van vorm en geheel van leder. Want nadat zij bij de
Armeniërs, die boven de Assyriërs wonen,
ribben van wilgenhout hebben doen snijden, spannen
zij daarover van buiten huiden tot bedekking, bij
wijze van een bodem, zonder een achtersteven af te
scheiden, of ze in een voorsteven samen te buigen,
doch zij maken het vaartuig als een schild rond van
vorm, vullen het geheel met biezen, en laten het dan
met waren beladen den stroom afgaan; zij voeren
vooral palmhouten vaten naar beneden vol wijn. Het
vaartuig wordt gestuurd met twee riemen en
door twee mannen, die rechtop staan, en de een trekt
zijn riem naar binnen, de ander duwt hem naar
buiten. Deze vaartuigen worden zeer groot gemaakt,
doch ook kleiner; de grootste van hen dragen een
last van zelfs vijfduizend talenten. In ieder
vaartuig is een levende ezel, maar in de grootere
zijn er meer. Wanneer zij nu naar Babylon gevaren
zijn en hun vracht uitgestald hebben, dan verkoopen
zij terstond de ribben van het vaartuig en al het
riet, laden de huiden op de ezels en trekken zoo
naar de Armeniërs. Want den stroom op te varen
is op geen wijze mogelijk door de snelheid van de
rivier; want daarom ook maken zij de vaartuigen niet
van hout, maar van huiden. Wanneer zij hun ezels
weder naar de Armeniërs gedreven hebben, maken
zij op de zelfde wijze andere vaartuigen. Zoo dan
zijn hun vaartuigen.
195. Zij gebruiken de volgende
kleedij: een linnen lijfrok die tot de voeten reikt,
en boven dezen trekken zij een anderen lijfrok van
wol aan en werpen er een kleinen witten mantel om;
zij hebben een eigenaardige voetbekleeding, veel
gelijkend op het boeotische schoeisel. Zij laten het
hoofdhaar groeien en binden er doeken om heen; ook
zalven zij zich over het gansche lichaam. Een ieder
heeft een zegelring en een met de hand bewerkten
staf: op iederen staf is een appel gemaakt, of een
roos, of een lelie of een adelaar, of iets anders;
want het is bij hen geen zede een staf zonder zulk
een teeken te hebben. Zoo dan is hun wijze van
lichaamsversiering.
196. Hun gebruiken zijn de volgende;
en het verstandigste volgens onze meening, dat ook
de Veneters onder de Illyriërs hebben, naar ik
verneem, was dit. In alle dorpen werd
eenmaal in ieder jaar het volgende gedaan. Wanneer
de maagden huwbaar geworden waren, brachten zij ze,
om ze te verzamelen, op één plaats bij
elkander, en om haar heen stond een schaar van
mannen. Een heraut liet ze een voor een opstaan en
bood ze te koop aan, eerst de schoonste van allen,
daarna, als gene bij haar verkoop veel goud gewonnen
had, riep hij een ander op, die na gene de schoonste
was. Doch zij werden verkocht om te huwen. Zoovelen
nu welgesteld waren van de babylonische
trouwlustigen, dezen joegen elkander op en kochten
de schoonsten, doch die trouwlustig waren onder het
lagere volk, dezen verlangden geenszins een fraai
uiterlijk, doch ontvingen het geld met de leelijke
maagden. Want als de heraut ten einde was met het
verkoopen van de schoonste maagden, dan liet hij de
leelijkste opstaan, of een die gebrekkig was, en die
riep hij rond, wie voor het minste goud met haar
wilde huwen, tot zij werd toegewezen aan hem die het
minste verklaarde te willen ontvangen. Het
goud kwam van de schoone maagden, en zoo dan
huwlijkten de schoonen de leelijken en gebrekkigen
uit. Het was niemand geoorloofd, zijn
eigen dochter, aan wien hij wilde, uit te
huwelijken, noch mocht hij die een maagd gekocht
had, zonder borgstelling haar wegvoeren, doch hij
moest borgen stellen en zweren haar te zullen huwen,
en dan eerst haar medenemen; indien zij niet pasten
bij elkander, dan was het wet om het goud terug te
geven. Het stond een ieder vrij, als hij uit een
ander dorp komen wilde en koopen. Dit nu was hun
schoonste gebruik, doch het is niet tot nu blijven
bestaan, doch iets anders hebben zij kort geleden
uitgedacht, opdat hun dochters geen leed zou worden
aangedaan en zij niet naar een andere stad zouden
worden gebracht. Want sinds zij na de verovering van
Babylon tot gebrek vervielen en alle have verloren,
laat een elk van het volk, bij gebrek aan
levensonderhoud, zijn dochters hoereeren.
197. Het tweede in verstandigheid is
het volgende gebruik. Zij dragen de zieken naar den
markt, want geneesheeren hebben zij niet. Zij gaan
dan naar de zieken toe en geven raad over zijn
ziekte, indien een van hen dezelfde kwaal heeft
gehad als de zieke, of iemand zag, die ze had. Zij
komen dan dàt als raad geven en aanbevelen,
waardoor zij zelf een dergelijke ziekte ontkomen
zijn, of een ander hebben zien ontkomen. En zwijgend
een zieke voorbijgaan mogen zij niet,
vóór hem gevraagd is, welke ziekte hij
heeft.
198. Zij balsemen de dooden met
honig; de rouw is ongeveer als bij de Egyptenaars.
Zoo dikwijls een Babyloniër met zijn vrouw zich
vereenigd heeft, ontbrandt hij wierook en gaat
daarbij zitten, en aan de andere zijde doet de vrouw
hetzelfde; als het ochtend geworden is baden zij
zich beiden, want zij raken geen vaatwerk aan voor
zij zich gewasschen hebben. Dat zelfde doen ook de
Arabieren.
199. De schandelijkste zede is bij
de Babyloniërs de volgende. Iedere inlandsche
vrouw moet eenmaal in haar leven in den tempel van
Aphrodite gaan zitten en zich met een vreemdeling
vereenigen. Vele vrouwen nu, die niet dulden zich
onder de anderen te mengen, uit trots op haar
rijkdom, rijden in overdekte wagens naar den tempel,
en blijven daar, en vele slavinnen volgen haar. Doch
de meesten doen zóó: vele vrouwen
zitten in den tempel van Aphrodite en hebben een
krans van strikken om het hoofd: want sommigen komen
aan, anderen gaan weg. En in alle richtingen gaan
paden door de vrouwen heen, waardoor de bezoekers
loopen als zij uitkiezen. Wanneer een vrouw daar
eenmaal zit, wordt zij niet eerder naar huis
gezonden, voordat een der vreemdelingen haar zilver
in den schoot heeft geworpen en zich met haar
vereenigd heeft buiten den tempel. En als hij het er
in werpt, moet hij zeggen: "ik roep de godin Mylitta
tegen u op". Mylitta heet Aphrodite bij de
Assyriërs. Het zilver zij groot of klein, zij
zal het niet afwijzen, want dat is haar niet
geoorloofd, want dat zilver is heilig. Zij volgt
hem, die het eerst zilver toewerpt, en versmaadt
niemand. Wanneer zij zich vereenigd heeft en haar
heilige plicht jegens de godin vervuld, gaat zij
naar huis, en van dien tijd, zult ge haar niet zoo
iets groots geven, dat ge haar krijgen zult. De
vrouwen nu, die uitnemend zijn door schoonheid en in
gestalte, dezen gaan spoedig heen, doch die leelijk
zijn, wachten langen tijd zonder de plicht te kunnen
vervullen. Want verscheidene wachten drie of vier
jaren lang. Op eenige plaatsen van Cyprus is een
dergelijk gebruik.
200. Deze zeden dan bestaan bij de
Babyloniërs. En er zijn drie stammen onder hen,
die niets anders eten dan alleen visschen, die ze
eerst vangen en in de zon droogen, en dan doen ze
het volgende: zij werpen ze in een vijzel, vermalen
ze met stampers en zeven door linnen; en die wil van
hen, kneedt het tot een deeg, of bakt het als brood.
201. Toen ook dit volk door Cyrus
onderworpen was, begeerde hij de Massageten onder
zijn macht te brengen. Dit volk is, naar men zegt,
groot en krijgshaftig, en woont naar den dageraad en
den zonsopgang, over de rivier de Araxes, en
tegenover de Issodonen. Er zijn er die zeggen, dat
dit volk Scythisch is.
202. De Araxes is volgens de
berichten grooter en dan weer kleiner dan de Ister.
Men zegt, dat er vele eilanden in zijn, ongeveer zoo
groot als Lesbos, en dat daarop menschen leven, die
des zomers zich met allerlei opgegraven wortels
voeden, doch de rijpe boomvruchten die zij vinden
bewaren zij, en die eten zij des winters; er worden
nog andere boomen bij hen gevonden, die zoodanige
vruchten dragen, dat, wanneer zij in troepen
bijeengekomen zijn en een vuur hebben aangestoken,
en zij er om heen zitten in een kring en die
vruchten in het vuur werpen, dan ruiken zij de
brandende ingeworpen vrucht en worden dronken van de
geur, evenals de Hellenen van den wijn, en als er
meer vrucht opgeworpen wordt, worden zij sterker
dronken, tot zij zich verheffen om te dansen en aan
het zingen gaan. Zoo is hun leefwijze, naar men
zegt. De rivier de Araxes komt uit het land der
Matiënen, waaruit ook de Gyndes komt, die Cyrus
in de driehonderd en zestig kanalen splitste; en zij
stroomt uit met veertig monden, die allen op
één na in moerassen en poelen
uitkomen, waarin menschen heeten te wonen, die rauwe
visch eten en voor kleeding zeehondenvellen plegen
te dragen. Die eene mond van de Araxes loopt door
zuiver land naar de Caspische zee. De Caspische zee
bestaat op zichzelf, zonder verbinding met de andere
zee. Want de gansche zee, die de Hellenen bevaren,
en de zee buiten de zuilen van Heracles,
de Atlantische genaamd, en de Roode Zee zijn
één enkele zee.
203. Doch de Caspische zee is een
andere en staat op zichzelf; in lengte is zij voor
iemand, die een roeischip gebruikt, een vaart van
vijftien dagen lang, en in de breedte, waar zij op
haar breedst is, een van acht dagen. En aan de
avondzijde strekt zich de Caucasus uit, die in
omvang het grootste en in grootte het hoogste is der
gebergten. Vele volken en van vele soorten heeft de
Caucasus in zich, die bijna geheel van wilde boomen
leven. Daar zijn ook boomen, naar men zegt, met
bladeren van zulk een aard, dat men, ze
fijnwrijvende en met water mengend, er figuren mede
op het gewaad kan schilderen; deze figuren wasschen
niet weg, doch worden oud met de andere wol zelf,
alsof zij er van den aanvang ingeweven waren. De
paring van deze menschen geschiedt in het openbaar,
evenals bij het vee.
204. De avondzijde van deze
dusgenoemde Caspische zee sluit de Caucasus af, maar
aan de zijde van den zonsopgang sluit zich een
vlakte aan in uitgestrektheid onbegrensd en
onafzienbaar. En van die groote vlakte is niet het
kleinste deel in bezit van de Massageten, tegen
welke Cyrus in den zin had op te trekken; want vele
en groote dingen waren er die hem aanspoorden en
prikkelden; vooreerst zijn geboorte, waardoor hij
meer dan een mensch meende te zijn; daarna de
voorspoed, dien hij bij zijn oorlogen gehad had;
want waarheen ook Cyrus zijn tocht richtte, was het
dat volk onmogelijk te ontkomen.
205. Een vrouw was, na den dood van
haar man, koningin van de Massageten; Tomyris was
haar naam. Naar deze vrouw zond Cyrus boden en wierf
om haar in schijn, doch Tomyris, begrijpende dat hij
niet naar haar dong, doch naar de heerschappij over
de Massageten, wees zijn aanzoek af. Daarop rukte
Cyrus, toen het hem met list niet gelukt was, naar
de Araxes en ving openlijk den veldtocht tegen de
Massageten aan, bruggen leggende over de rivier voor
den overtocht van zijn leger, en torens bouwende op
de schepen, die de rivier overstaken.
206. Terwijl hij met dit werk bezig
was zond Tomyris hem een heraut en zeide het
volgende: "O koning der Meden, houd op te jagen, wat
gij jaagt; want gij kunt niet weten, of de
volbrenging u van voordeel zal wezen. Houd op en
heersch over het uwe, en verdraag het, ons ziende
beheerschen wat wij beheerschen. Daar gij niet dezen
raad zult willen volgen, doch alles liever doen dan
in rust blijven, indien gij dan zoo hevig begeert
met de Massageten te kampen, wel aan, laat af van de
moeite, die gij hebt, de rivier overbruggend; wij
zullen een weg van drie dagen van de rivier
terugwijken en gij trekt over naar ons land. Indien
gij liever ons in het uwe wilt ontvangen, doe gij
dan dat zelfde." Na die boodschap riep Cyrus de
eersten der Perzen bijeen, en toen hij hen verzameld
had, legde hij hun de zaak voor, om met hen te
beraadslagen, wat hij doen zou. En hun meeningen
liepen uit op het zelfde, daar zij rieden Tomyris en
haar leger in zijn land af te wachten.
207. Cresus de Lydiër echter
was er bij, en die meening afkeurend, openbaarde hij
een meening tegenovergesteld aan de aangebodene,
zeggende: "O koning, vroeger reeds heb ik gezegd,
dat, nu Zeus mij aan u gegeven heeft, waar ik een
onheil voor uw huis zie, ik het naar mijn kracht zal
afwenden. Mij is mijn ramp een smartelijke leering
geweest. Indien gij onsterflijk waant te wezen en
ook over een zoodanig leger te heerschen, dan zou
het van geen nut zijn u mijn meening te openbaren;
doch als ge inziet, dat ook gij een mensch zijt en
heerscher over andere menschen, begrijp dan eerst
dit, dat er een kringloop is in de menschlijke
zaken, die in zijn ommegang niet altijd dezelfden
toelaat voorspoedig te wezen. Ik dan heb over de
vóórgebrachte zaak de
tegenovergestelde meening van genen. Want indien wij
de vijanden in het land willen ontvangen, is daar
dit gevaar in voor u: bij een nederlaag zult ge uw
gansche rijk tevens verliezen; duidelijk toch is,
dat de Massageten als overwinnaars niet naar
achteren zullen vlieden, doch naar uw landen
trekken. Overwint gij, niet overwint gij dan
zóózeer, als indien ge naar hun land
overtrekkende, de Massageten overwint en hen op hun
vlucht najaagt. Want dat zelfde wil ik tegenover dat
van straks stellen, dat gij uw tegenstanders
overwonnen hebbend terstond naar het rijk van
Tomyris rukt. Doch ook buiten het aangevoerde is het
schandelijk en niet te dulden, dat Cyrus, de zoon
van Cambyses, voor een vrouw zou wijken en uit het
land terugtrekken. Nu daarom raad ik u over te
trekken en voort te rukken, zoover als genen
teruggaan, en dan op de volgende wijze te trachten
hen te overmeesteren. Want zooals ik verneem, zijn
de Massageten onbekend met de goede dingen der
Perzen en onervaren in groote heerlijkheden. Laat
dan voor die mannen ruimelijk vele schapen
neerhouwen en toebereiden en disch ze op als
maaltijd in ons kamp, daarbij ook rijkelijk kruiken
met ongemengden wijn en ook velerlei spijzen. Als
wij dat gedaan hebben, dan moeten wij het slechtste
deel van het leger daar achterlaten, en de overigen
weder terugwijken naar den stroom. Want indien ik
niet faal in mijn meening, dan zullen genen, die
vele goede dingen ziende, er zich aan begeven en ons
dan blijft de verrichting van groote daden."
208. Deze meeningen dan stonden
tegenover elkander, en Cyrus liet de eerste meening
varen, koos die van Cresus, en zeide Tomyris aan
terug te trekken, daar hij tot haar zou oversteken.
Zij dan week terug, zooals zij vroeger beloofd had.
En Cyrus plaatste Cresus in de handen van zijn zoon
Cambyses, wien hij het koninkrijk zou geven, en hem
met drang bevelende genen te eeren en goed te
behandelen, indien de overtocht naar de Massageten
niet goed afliep, dit nu bevelend en hen naar
Perzië zendend trok hij zelf den stroom over en
zijn leger met hem.
209. Toen hij de Araxes was
overgegaan en de nacht was aangebroken, zag hij,
slapende in het land van de Massageten, een droom,
den volgenden: Cyrus waande in den slaap den oudsten
van Hystaspes' zonen te zien met vleugels aan de
schouders, en met den eenen daarvan Azië, met
den anderen Europa beschaduwen. Onder de zonen van
Hystaspes, den zoon van Arsames, uit het geslacht
der Achaemeniden, was Darius de oudste, toen
hoogstens een twintig jaar in leeftijd, en deze was
in Perzië achtergelaten, want nog niet had hij
den leeftijd om mede te trekken. Toen Cyrus nu
ontwaakt was, overwoog hij den droom bij zichzelf,
en daar hem het gezicht zeer belangrijk scheen te
wezen, liet hij Hystaspes roepen en nam hem alleen
en zeide: "Hystaspes, uw zoon is betrapt, dat hij
mij en mijn heerschappij belaagt: dat ik dit zeker
weet, zal ik bewijzen. Over mij waken de goden en
toonen mij van te voren al wat dreigt. En in den
voorbijgeganen nacht slapende zag ik den oudste van
uw zonen, vleugels aan de schouders hebbend, en met
eenen daarvan Azië, met den anderen Europa
beschaduwen. Niet derhalve is het naar dat gezicht
anders mogelijk, dan dat hij mij belaagt. Ga gij
daarom zoo snel mogelijk terug naar Perzië, en
zorg, wanneer ik, dit volk overwonnen hebbend,
dààr gekomen ben, dat ge uw zoon voor
onderzoek tot mij brengt."
210. Cyrus nu meenende dat Darius
hem belaagde, zeide dit; hem echter had de godheid
geopenbaard, dat hij op die plaats zou sterven, doch
het koninkrijk op Darius overgaan. Hystaspes echter
antwoordde met het volgende: "O koning, mocht er
geen perzisch man geboren zijn, die u belagen wil!
Indien echter er een is, dat hij ten snelste sterve.
U, die de Perzen van slaven vrij hebt gemaakt, en in
plaats van beheerscht te worden hen over alle andere
hebt doen heerschen! Doch indien u het droomgezicht
verkondigt, dat mijn zoon op onheil zint over u, ik
zal hem u overgeven, dat ge met hem doet, wat ge
wilt." Na deze woorden trok Hystaspes de Araxes over
en ging naar Perzië om voor Cyrus zijn zoon
Darius te bewaken. Doch Cyrus een dagreis van de
Araxes voortgetrokken zijnde, deed wat Cresus had
voorgeslagen. Toen vervolgens Cyrus en het
strijdvaardige deel van het leger naar de Araxes
waren teruggeweken en het onbruikbare was
achtergelaten, trok het derde deel van het leger der
Massageten aan en doodde de achtergeblevenen van
Cyrus' leger niet zonder tegenweer, en het
voorhandene maal ziende, legden zij zich neder na de
overwinning op de tegenstanders en spijsden; en
verzadigd van spijs en drank sliepen zij. En de
Perzen rukten aan en doodden velen van hen, veel
meer nog namen zij levend gevangen, èn
anderen èn den zoon der koningin Tomyris, den
veldheer der Massageten, wiens naam Spargapises was.
212. Toen zij vernomen had, wat met
het leger en haar zoon was geschied, zond zij een
heraut aan Cyrus en zeide dit: "van bloed
onverzadelijke Cyrus, verhef u niet te zeer op wat
geschied is, indien gij met de vrucht des wijnstoks,
van welke vol zijnde gij zóó raast,
dat terwijl de wijn in het lichaam omlaag stroomt,
booze woorden bij u opstijgen, indien gij met zulk
een gif mijn zoon bedrogen hebt en overmeesterd,
doch niet met kracht in den strijd. Neem dan nu het
woord aan van mij, die u goed raad, geef mij mijn
zoon terug en ga ongestraft weg uit dit land, nadat
gij het derde deel van het leger der Massageten
onteerd hebt. Indien gij dit niet doen zult, bezweer
ik u bij de zon, den heer der Massageten, voorwaar,
ik zal u, den onleschbaren, van bloed verzaden."
213. Cyrus echter sloeg geenszins
acht op deze boodschap, doch Spargapises, de zoon
der koningin Tomyris, toen de wijn hem verlaten had
en hij inzag in welken ramp hij was, toen
smeekte hij Cyrus uit zijn boeien bevrijd
te worden en verkreeg dit, doch zoodra hij bevrijd
was en meester was van zijn handen, bracht hij zich
om.
214. En hij dan stierf op zulk een
wijze, doch Tomyris, toen Cyrus niet naar haar
luisterde, verzamelde haar gansche macht en trof met
Cyrus samen. Dezen slag acht ik den heftigste van
alle die tusschen barbaren geleverd zijn, en naar ik
verneem heeft hij zich aldus toegedragen. Eerst
stonden zij op een afstand van elkander, naar gezegd
wordt, en schoten met pijlen; daarna echter, toen de
pijlen verschoten waren, vielen zij aan op elkander
en grepen elkander aan met speeren en zwaarden.
Langen tijd nu bleven zij in strijd gewikkeld en
geen van beiden wilde vluchten; eindelijk echter
overwonnen de Massageten. Het grootste deel van het
perzische leger kwam op die plaats zelf om, en ook
Cyrus zelf sneuvelde, en zijn regeering had in het
geheel negen en twintig jaren geduurd. Tomyris vulde
een zak met menschenbloed en zocht onder de dooden
het lijk van Cyrus; toen zij het gevonden had, duwde
zij zijn hoofd in den zak, en het lijk schendende,
zeide zij het volgende: "gij hebt mij, die leef en u
in den strijd overwonnen heb, te gronde gericht mijn
zoon door list vangende, doch ik zal u, zooals ik
gedreigd heb, van bloed verzadigen." Van de vele
verhalen, die over het einde van Cyrus' leven gezegd
worden, wordt dit als het geloofwaardigste door mij
bericht.
215. De Massageten gelijken in
kleederdracht en in levenswijze op de Scythen; zij
strijden zoowel te voet als te paard, want beiden
doen zij; zij hebben bogen en speeren, en dragen
gewoonlijk strijdaksten. Zij gebruiken voor alles
goud en koper, want alles wat tot speeren en pijlen
en bijlen behoort, daarvoor gebruiken zij altijd
koper, maar voor het hoofd en gordels en
borststukken, nemen zij goud als versiering. Evenzoo
omgeven zij de borst van de paarden met koperen
pantsers; doch de teugels en de gebitten versieren
zij met goud. IJzer en zilver gebruiken zij
in 't geheel niet; want die zijn niet in hun land,
goud daarentegen en koper overvloedig.
216. Zij hebben de volgende zeden:
iedere man huwt wel een vrouw, doch zij hebben de
vrouwen in gemeenschap. Want wat de Hellenen zeggen
dat de Scythen doen, dat doen de Scythen niet, doch
de Massageten. Want als een Massageet een vrouw
begeert, dan hangt hij zijn pijlkoker voor haar
wagen op en vereenigt zich met haar zonder schroom.
Er is bij hen geen andere grens voor den leeftijd
bepaald, doch wanneer een man zeer oud is geworden,
dan komen zijn verwanten bijeen en slachten hem, en
ander vee met hem, en zij koken het vleesch en
houden er feest van. Dit achten zij het gelukkigste
einde, doch die door een ziekte sterft, dien eten
zij niet op, doch zij begraven hem in de aarde, en
jammeren er over dat hij niet tot het slachten is
gekomen. Zij zaaien niets, doch leven van vee en
visschen, en deze geworden hun overvloedig uit de
rivier de Araxes. Zij zijn melkdrinkers. Van de
goden vereeren zij alleen de zon, aan wie zij
paarden offeren. De zin van dit offer is deze: aan
den snelsten der goden wijzen zij het snelste van al
wat sterfelijk is toe.
----------------------------------------------------------
|