clio - eerste boek
95 - 216

 

95. Van nu af behandelt mijn verhaal Cyrus, wie hij was die het rijk van Cresus omver wierp, en de Perzen, op welke wijze zij meesters van Azië werden. Zooals nu eenige der Perzen berichten, die de geschiedenis van Cyrus niet willen verfraaien, maar volgens de waarheid berichten, volgens die mededeelingen zal ik schrijven, wetende dat er over Cyrus nog wel drie andere vertellingswijzen zijn. Toen de Assyriërs vijfhonderd en twintig jaren over Hoog Azië geheerscht hadden, begonnen de Meden het eerst van hen af te vallen, en vermoedelijk betoonden zij zich in den strijd om de vrijheid tegen de Assyriërs dappere mannen, wierpen de slavernij van zich en werden vrij. Na hen deden ook de andere volken hetzelfde als de Meden.

96. Toen zij nu allen op het vaste land onafhankelijk waren geworden, kwamen zij op de volgende wijze weder onder alleenheerschers. Er was onder de Meden een schrander man, van naam Deioces, en die een zoon was van Phraortes. Deze Deioces, begeerig naar de heerschappij, deed het volgende. De Meden woonden verspreid in dorpen, en terwijl hij in zijn dorp reeds vroeger gezien was, legde hij zich met nog meer ijver op de rechtvaardigheid toe, en dat deed hij terwijl er over geheel Medië veel wetteloosheid was, wetende, dat onrecht aan recht vijandig is. De Meden uit hetzelfde dorp zijn gedrag ziende, kozen hem tot rechter. En hij nu, daar hij naar de heerschappij streefde, was oprecht en billijk. En zoo handelend kreeg hij geen geringen lof van zijn medeburgers, zóózeer, dat de bewoners van de andere dorpen, vernemend, dat Deioces de eenige man was, die volgens billijkheid rechtsprak, terwijl zij vroeger door onrechtvaardige uitspraken getroffen werden, toen, nadat zij het gehoord hadden, gaarne tot Deioces gingen als zij geschil hadden, en zich eindelijk tot niemand anders wendden.

97. Toen er altijd meer tot hem kwamen, daar zij toch vernamen, dat de beslissingen volgens billijkheid vielen, en Deioces zag, dat alles op hem neerkwam, wilde hij niet meer gaan zitten, waar hij vroeger zat om recht te spreken, en weigerde langer uitspraak te doen; want het was voor hem geen voordeel om zijn eigen zaken te verwaarloozen en den ganschen dag voor anderen recht te spreken. Toen dan veel meer rooverij en wetteloosheid over de dorpen kwam dan er vroeger was, kwamen de Meden bijeen en overlegden, sprekende over den toestand. En naar ik vermoed, waren het vooral de vrienden van Deioces, die zeiden: "niet immers op de tegenwoordige wijze kunnen wij het land bewonen, welaan, laat ons een koning over ons aanstellen, en zoo zal het land tot goede wetten geraken en wij zullen ons tot onze werken wenden, en niet door wetteloosheid uitgedreven worden." Zoo ongeveer sprekende overreedden zij de anderen een koning over zich te kiezen.

98. Toen zij nu terstond de vraag stelden, wien zij koning zouden maken, werd Deioces door een ieder met aandrang voorgesteld en geprezen, totdat zij eindelijk besloten, dat hij hun koning zou zijn. Hij beval hen toen hem een woning te bouwen het koningschap waardig, en hem te beschermen met een lijfwacht van speerdragers. De Meden nu deden dit, want zij bouwden voor hem een groote en versterkte woning, daar waar hij het zelf had aangewezen, en stonden hem toe uit alle Meden speerdragers te kiezen. Toen hij nu de heerschappij had, dwong hij de Meden één stad te bouwen, en deze te versieren, doch op de andere minder te letten. De Meden gehoorzaamden ook hierin, en hij bouwde een groote en sterke vesting, dezelfde die nu Agbatana heet, met ringmuren, staande de een in de ander. Deze sterkte is zoo ingericht, dat de eene ringmuur alleen met de borstwering hooger is dan de andere. En nu helpt ook wel de plaats, die een heuvel is, mede, dat de vesting zoo is, doch nog meer werd zij opzettelijk zoo gemaakt; en terwijl er in het geheel zeven ringmuren zijn, zijn binnen de laatste het paleis en de schatkamer. De grootste dier muren is in grootte zoo ongeveer als de omtrek van Athene. Van den eersten ring zijn de borstweringen wit, van den tweeden zwart, van den derden purperrood, van den vierden blauw, van den vijfden helrood. Zoo zijn de borstweringen van alle muren met kleuren geverfd; doch de laatsten zijn, de eene met verzilverde, de andere met vergulde borstweringen.

99. Deze sterkte dan bouwde Deioces voor zich en om zijn woning, doch het overige volk beval hij rondom de vesting te wonen. Toen nu alles gebouwd was, was Deioces de eerste, die de volgende regeling invoerde: dat niemand bij den koning komen mocht, doch iedereen zou door middel van boden tot hem spreken en dat de koning door niemand gezien zou worden; bovendien nog dat lachen en spuwen in zijn tegenwoordigheid en voor allen onbetamelijk zou zijn. Met deze dingen verhief hij zich zelven daarom, opdat niet zijn genooten, die met hem opgegroeid waren en van een niet geringer geslacht noch minder in dapperheid waren, als zij hem zagen zich ergeren zouden en hem lagen leggen, doch hij hun een gansch ander mensch zou schijnen te wezen, als zij hem niet zagen.

100. Toen hij die zaken geregeld en zich in de alleenheerschappij bevestigd had, was hij streng in de bewaking van het recht. Men schreef de aanklachten op en zond ze naar binnen tot hem, en hij beoordeelde de ingebrachte klachten en zond ze naar buiten. Zoo deed hij met geschillen, en hij regelde ook nog andere zaken: indien hij vernam, dat iemand onrecht gedaan had, liet hij dezen terstond halen en vonniste hem naar de waarde van ieder misdrijf, en spionnen en luisteraars had hij over het geheele land, waarover hij heerschte.

101. Deioces nu vereenigde alleen het volk der Meden tot één geheel, en heerschte daarover. Er zijn echter zóóvele stammen van Meden: de Busen, de Paretaceniërs, de Struchaters, de Arizantiërs, de Budiërs en de Magiërs. Zoovele zijn dan de stammen der Meden.

102. Deioces' zoon was Phraortes, die toen Deioces stierf na drie en vijftig jaar geregeerd te hebben, de regeering overnam. En ze overgenomen hebbend was hij niet tevreden over de Meden alleen te heerschen, doch hij trok op tegen de Perzen en greep dezen aan en maakte hen het eerst aan de Meden onderworpen. Daarna, deze twee volken hebbend en die beiden krachtig, onderwierp hij Azië, van het eene naar het andere volk gaande, totdat hij, opgetrokken tegen de Assyriërs en die van de Assyriërs, die Ninus in bezit hadden en vroeger over allen heerschten, doch toen ontbloot waren van bondgenooten (daar die afgevallen waren), hoewel overigens in goeden toestand, tegen dezen dan opgetrokken, hij, Phraortes zelf, omkwam, na een regeering van twee en twintig jaren, en het grootste deel van zijn leger.

103. Na den dood van Phraortes kreeg Cyaxares, zoon van Phraortes, Deioces' zoon, het rijk. Deze wordt gezegd nog veel krijgszuchtiger geweest te zijn, dan zijn voorouders. Hij was de eerste, die zijn volkeren in Azië in scharen verdeelde, en de eerste, die hen ordende afgescheiden van elkander: de lansdragers, de boogschutters en de ruiters; want vóór dien tijd was alles zonder onderscheid dooreen gemengd. Deze is het die met de Lydiërs vocht, toen nacht de dag werd bij hun strijd, en die geheel Azië boven de rivier Halys aan zich onderwierp. En alle door hem beheerschten verzamelend trok hij op tegen Ninus, om zijn vader te wreken en uit verlangen die stad te veroveren. En toen hij, na in een treffen de Assyriërs overwonnen te hebben, Ninus belegerde, rukte een groot leger van Scythen tegen hem op, en hen voerde Madyes aan, de koning der scythen, de zoon van Protothyes; deze scythen waren in Azië gevallen, nadat zij de Cimmeriërs uit Europa verdreven hadden, en dezen op hun vlucht volgende, waren zij zoo in Medië gekomen.

104. Van het Maeotische meer naar de rivier Phasis en de Colchiërs is de weg dertig dagen voor een onbelasten man, doch om van Colchis naar Medië te komen is niet veel, doch één volk slechts is er tusschen hen, de Saspiren, en is men dezen voorbij, dan is men in Medië. De Scythen evenwel waren langs dien weg niet ingevallen, doch hadden den hoogeren veel langeren weg genomen, het caucasische gebergte aan de rechterhand hebbend. En de Meden, daar met de Scythen samengetroffen en overwonnen in den strijd, verloren de opperheerschappij, terwijl de Scythen geheel Azië overmeesterden.

105. Van daar trokken zij naar Egypte. En toen zij in het palaestinische Syrië waren gekomen, kwam hun Psammetichus, de koning van Egypte tegemoet, en bewoog hen met geschenken en smeekingen niet verder te trekken. Zij daarop terugkeerend kwamen in de syrische stad Ascalon, en toen de meeste Scythen zonder schade aan te richten voorbij waren gegaan, plunderden enkele weinige achtergeblevenen van hen den tempel der hemelsche Aphrodite. Deze tempel nu is, gelijk ik na onderzoek bevind, de oudste van alle tempels, zoovelen er van die godin zijn. Want ook de tempel in Cyprus komt daar van daan, zooals de Cypriërs zelf beweren, en Pheniciërs uit dat zelfde deel van Syrië hebben dien in Cythera gebouwd. Op die der Scythen nu, die den tempel in Ascalon geplunderd hadden en op al hun nakomelingschap wierp de godin een vrouwelijke ziekte. Daardoor dan zeggen de Scythen, zoowel dat zij de ziekte hebben, als dat zij die het scythische land bezoeken bij hen zien, in welken toestand diegenen zijn, welke de scythen enarëers noemen.

106. Gedurende achtentwintig jaren nu heerschten de Scythen over Azië, en alles werd door hun ruwheid en zorgeloosheid verwoest. Want van ieder afzonderlijk eischten zij een schatting, die zij aan elk oplegden, en behalve die schatting roofden zij op hun tochten, wat ieder had. En de meesten van hen doodde Cyaxares met de Meden, nadat zij hen op een feest genoodigd hadden en dronken gemaakt, en zoo verkregen de Meden de oppermacht weder en heerschten over dezelfden als vroeger, en zij veroverden Ninus (hoe zij het veroverden, zal ik in een ander verhaal mededeelen) en zij onderwierpen de Assyriërs behalve het babylonische gebied. En daarna stierf Cyaxares, na een regeering van veertig jaren met die er onder, waarin de Scythen heerschten.

107. De zoon van Cyaxares, Astyages neemt het koningschap over. En hij had een dochter, aan wie hij den naam Mandane gaf, van welke Astyages in den droom meende, dat zij zoo veel waterde, dat zij zijn stad vulde, en gansch Azië overstroomde. Toen hij aan de droomuitleggers onder de Magiërs het gezicht had medegedeeld, schrok hij, daar hij de waarheid nauwkeurig van hen vernam. En deze Mandane, toen zij huwbaar was, gaf hij, uit vrees voor het droomgezicht, aan niemand van de Meden, die hem waardig waren, tot vrouw, doch hij gaf haar aan een Pers, wiens naam Cambyses was, dien hij bevond uit een goed geslacht te zijn, en van een kalmen aard, terwijl hij hem verre beneden een Meder van den middelstand achtte.

108. Nadat Mandane met Cambyses gehuwd was, zag Astyages in het eerste jaar een ander gezicht: er scheen hem uit den schoot dier dochter een wijnstok te groeien, en die wijnstok bedekte gansch Azië. Toen hij dit gezien had en medegedeeld aan de droomuitleggers, ontbood hij zijn dochter, die dicht bij haar bevalling was, uit Perzië en na haar komst bewaakte hij haar, voornemens te dooden, wat uit haar geboren zou worden; want uit het droomgezicht hadden de droomuitleggers onder de Magiërs hem aangewezen, dat de spruit van zijn dochter in plaats van hem koning zou zijn. Om dit nu te voorkomen, liet Astyages, toen Cyrus geboren was, Harpagus roepen, een verwante en de meest vertrouwde der Meden en bestuurder van al zijn zaken, en zeide tot hem het volgende: "Harpagus, de zaak, die ik u opdraag, moogt ge geenszins zorgeloos behandelen, noch mij bedriegen, en wil niet, anderen boven mij kiezende, u zelf later in het ongeluk storten. Neem het kind, dat Mandane baarde, breng het naar uw huis en dood het; daarna, begraaf het op welke wijze gij zelf wilt." Hij antwoordde: "O koning, nimmer nog zaagt ge in dezen man iets verkeerds, en wij dragen zorg ook in de toekomst tegenover u niets te misdrijven. Maar indien dan het u lief is dat dit zoo geschiedt, behoor ik mijn dienst met ijver te bewijzen."

109. Toen Harpagus met deze woorden geantwoord had, en hem het knaapje gegeven was, gehuld in doodsgewaad, ging hij weenend naar zijn woning, en daar gekomen, verhaalde hij aan zijn vrouw al wat Astyages gezegd had. En zij zeide tot hem: "wat hebt ge nu in den zin te doen? " Hij antwoordde: "niet wat Astyages bevolen heeft, niet indien hij van zinnen zal raken en erger razen dan hij nu raast, niet zal ik zijn wensch vervullen, noch in zulk een moord hem helpen. Om vele redenen zal ik het niet dooden, èn omdat het kind mij zelf verwant is, èn omdat Astyages oud is en kinderloos in manlijk kroost; en indien na zijn dood de heerschappij op die dochter overgaat, wier zoon hij nu doodt door mij, wat blijft dan voor mij over dan het grootste van alle gevaren? Doch voor mijn veiligheid moet het kind sterven, doch dan moet een der Meden van Astyages de moordenaar wezen, en niet een der mijnen."

110. Zoo sprak hij, en terstond zond hij een bode naar dien van Astyages' herders, die, naar hij wist, zijn kudden liet weiden op de meest geschikte weiden en bergen vol wilde dieren, wiens naam Mitradates was. Deze was gehuwd met zijn medeslavin, en de vrouw, met welke hij gehuwd was, heette volgens de Helleensche taal Kyno, volgens de medische Spako, want een teef noemen de Meden spako. De voet van het gebergte, waar deze herder de weiden voor zijn runderen had, is ten noorden van Agbatana gelegen en naar den Pontus Euxinus heen. Want daar is het land der Meden naar het land der Saspiren heen zeer bergachtig en hooggelegen en met bosschen bedekt, het overige Medië is daarentegen geheel vlak. Toen nu de herder met veel spoed geroepen was en kwam, zeide Harpagus dit: "Astyages beveelt u dit knaapje te nemen en neer te leggen op de meest verlaten plek van het gebergte, opdat het zoo spoedig mogelijk sterve. En hij heeft mij bevolen ook dit te zeggen: indien ge het niet doodt, doch op eenige wijze in het leven laat, dan zal hij u met den zwaarsten dood ombrengen en mij is opgedragen toe te zien, dat het kind neergelegd is."

111. De herder hoorde deze woorden, nam het kind aan, en ging denzelfden weg terug en kwam in zijn hut. En zijn eigen vrouw, die iederen dag op 't bevallen was, baarde door goddelijke beschikking toen juist, toen de herder naar de stad was gegaan. En beiden waren in zorg over elkander: hij uit vrees over de bevalling van zijn vrouw, de vrouw echter, daar tegen zijn gewoonte Harpagus hem ontboden had. Toen hij, teruggekeerd, tot haar trad, en zij hem onverhoopt zag, vroeg de vrouw het eerst, waarom Harpagus hem zoo haastig had laten halen. En hij zeide: "in de stad gekomen zag en hoorde ik, wat ik nooit had wenschen te zien, en wat nooit onze meesters mocht overkomen zijn. Gansch het huis van Harpagus was in gejammer, en ik ging verschrikt naar binnen. Zoodra ik binnen gekomen was, zie ik een knaapje liggen, hijgend en schreeuwend, en versierd met goud en een bont kleed. En Harpagus, toen hij mij zag, beval mij ten spoedigste het knaapje op te nemen en er mede weg te gaan en het neer te leggen, in het gebergte waar de meeste wilde dieren zijn; Astyages, zei hij, was het, die mij dit beval, en hij dreigde veel, indien ik het niet zou doen. En ik nam het mede, meenende dat het van een der dienaren was; want ik had geen vermoeden, van waar het kwam. Wel verbaasde ik mij, ziende hoe het met goud en gewaad getooid was, bovendien ook over de droefheid, die klaarblijkelijk in Harpagus' huis heerschte. En spoedig daarna op den weg verneem ik de gansche zaak van den dienaar, die mij uit de stad geleidde en mij het kind in handen gaf, dat het de zoon was van Mandane, Astyages' dochter, en van Cambyses, zoon van Cyrus, en dat Astyages beveelt het te dooden: en nu dan, hier is het."

112. En met dat hij dit zeide, nam de herder het kleed weg en toonde het kind. En zij, toen zij het kind zoo groot en schoon zag, weende, en omvatte de knieën van haar man, smeekend, dat hij het op geen enkele wijze daar neer zou leggen. Doch hij zeide niet in staat te zijn anders te doen, want er zouden lieden komen van Harpagus om toe te zien, en hij zou op het ergst omkomen, indien hij het niet deed. Toen zij haar man dan niet kon overreden, sprak zij vervolgens dit: "daar ik u dus niet kan overreden het kind niet neer te leggen, doe gij dan zóó, indien er alle noodzaak is, dat het daar neergelegd en gezien wordt; want ook ik heb gebaard, doch een dood kind baarde ik: neem dat en leg het neer, doch den zoon van Astyages' dochter, laat ons dien opvoeden als onzen eigenen; en zoo zult gij niet betrapt worden op misdrijf tegen uw meesters, nog zal dat slecht voor ons zelf overlegd zijn. Want het gestorven kind zal een koninklijke begrafenis krijgen, en het levende zijn leven niet verliezen."

113. En den herder scheen zijn vrouw zeer goed naar het geval te spreken en terstond deed hij zoo. Den knaap, dien hij medegebracht had om te dooden, dien gaf hij over aan zijn vrouw, en zijn eigen dood kind nam hij en legde het in den mand, waarin hij het andere gedragen had; en hij tooide het met al den tooi van den anderen knaap, bracht het naar de meest verlaten plek van het gebergte en legde het neer. Toen de derde dag gekomen was na het neerleggen van den knaap, ging de herder naar de stad, een van zijn knechten als wachter daar achterlatend, en naar Harpagus' woning gegaan, zeide hij bereid te zijn het lijk van het knaapje te toonen. Toen zond Harpagus de trouwsten van zijn speerdragers, en door middel van hen zag hij en begroef hij het kind van den herder. En dit kind nu was begraven, doch dat later Cyrus genoemd werd, dat nam de vrouw van den herder tot zich en zij voedde het op, en gaf het een anderen naam en niet dien van Cyrus.

114. En toen de knaap tien jaren oud was, gebeurde de volgende zaak met hem, die hem bekend maakte. Hij speelde in dat dorp, waarin ook de runderstallen waren, en speelde met andere genooten op den weg. En in hun spel kozen de knapen dien zoogenaamden zoon van den herder tot hun koning. Hij nu beval sommigen van hen huizen te bouwen, anderen speerdragers te zijn, een van hen maakte hij het oog van den koning, aan een ander gaf hij den taak om boodschappen rond te brengen, en zoo droeg hij ieder zijn werk op. Een van die knapen, die mede speelde, een zoon van Artembares, een aanzienlijk man bij de Meden, deze nu had het door Cyrus bevolene niet gedaan, en gene beval aan de andere knapen hem te grijpen, en toen de knapen gehoorzaamden, behandelde Cyrus hem zeer ruw met zweepslagen. Doch zoodra hij losgelaten was, liep hij, daar hij boos was en meer nog, wijl hij wat onwaardigs had ondergaan, liep hij naar de stad en klaagde bij zijn vader over wat hij van Cyrus ondervonden had, niet Cyrus zeggende (want hij had nog niet dien naam), doch van den zoon des herders van Astyages. En Artembares ging terstond naar Astyages en den knaap met zich nemend, verklaarde hij, onbillijke dingen ondervonden te hebben, zeggende: "O koning, door uw slaaf, den zoon van den herder, zijn wij zóó mishandeld," en hij liet de schouders van den knaap zien.

115. Astyages dit hoorende en ziende, wilde om het aanzien van Artembares den knaap voldoening geven, en ontbood den herder en zijn zoon. Toen zij beiden gekomen waren, zag Astyages naar Cyrus en zeide : "Gij, de zoon van zulk een man, hebt het gewaagd den zoon van hem, die bij mij de eerste is, met zulk een smaad te behandelen?" En hij antwoordde aldus: "O heer, naar billijkheid heb ik hem dat aangedaan; want de knapen uit het dorp, waarvan hij er ook een is, hebben mij bij het spel tot hun koning aangesteld; want ik scheen hun daarvoor de meest geschikte te zijn. De andere knapen nu deden wat hun bevolen werd, doch deze was ongehoorzaam, en lette er niets op, totdat hij zijn straf kreeg. Indien ik daarom nu straf verdien, welnu, hier ben ik."

116. Toen de knaap zoo sprak, herkende Astyages hem plotseling; de uitdrukking van het gelaat scheen hem te gelijken op het zijne en het antwoord te vrijmoedig, en ook het tijdstip van het te vondeling leggen kwam hem voor overeen te komen met den leeftijd van den knaap. Verschrokken door deze dingen, was hij een tijd lang zonder geluid; en met moeite eindelijk weder tot zichzelven gekomen, sprak hij, daar hij Artembares wilde wegzenden, om den herder alleen in gehoor te nemen en te onderzoeken: "Artembares, ik zal deze zaak zoo maken, dat gij en uw zoon niets te klagen hebt." Artembares dan zendt hij weg, en Cyrus brachten dienaren op bevel van Astyages binnen in het paleis. Toen de herder alleen was overgebleven, vroeg Astyages hem buiten gehoor van anderen, van waar hij den knaap had gekregen, en wie de gever was. Hij zeide dat de knaap uit hem zelven was gesproten en dat de moeder nog bij hem leefde. Astyages zeide hem, dat hij niet verstandig deed, verlangende tot folteringen te geraken, en met dat hij dit zeide, gaf hij aan zijn speerdragers bevel hem te grijpen. En gene naar den pijnbank gebracht, openbaarde op die wijze dan de geheele zaak. Begonnen bij het begin verhaalde hij alles, naar waarheid sprekend, en kwam eindelijk tot smeekingen en bad Astyages hem vergiffenis te schenken.

117. Doch toen de herder de waarheid geopenbaard had, sloeg Astyages reeds minder acht op hem, doch zeer verbitterd op Harpagus beval hij zijn speerdragers dien te ontbieden. Toen Harpagus bij hem gekomen was, vroeg Astyages hem: "Harpagus, op welke wijze dan hebt ge het kind gedood, dat ik als spruit van mijn dochter u gegeven heb?" En Harpagus, toen hij den herder in het vertrek zag, begaf zich niet op den weg des bedrogs, dat hij niet bij onderzoek op onwaarheid betrapt zou worden, maar zeide het volgende: O koning, toen ik het knaapje ontvangen had, overwoog ik, hoe ik het u naar den zin zou maken, en, zonder tegen u te misdrijven, noch in de oogen van uw dochter noch ook van u zelf een moordenaar zou zijn. Ik deed daarom aldus: ik roep dien herder en geef hem het knaapje, zeggende dat gij het waart, die bevaalt het te dooden. En zoo sprekend loog ik niet: want gij zelf hadt aldus bevolen. Ik gaf hem dus het kind over, met bevel het op een verlaten berg neer te leggen en het te blijven bewaken, tot het gestorven zou zijn, vele dingen dreigend, als hij dit bevel niet volbrengen zou. Toen hij nu het bevolene verricht had en het knaapje gestorven was, zond ik de trouwsten van mijn gesnedenen en zag het na door middel van hen en begroef het kind. Zoo, o koning, ging het met die zaak, en op zulk een wijze kwam het kind om."

118. Harpagus dan verhaalde de waarheid, en Astyages den toorn verbergend, dien hij om het gebeurde in zich had, verhaalde eerst aan Harpagus, zooals hij de zaak van den herder gehoord had, en daarna, toen hij het dan oververteld had, eindigde hij te zeggen, dat de knaap nog leefde en dat het zoo zeer goed was. "Want ik had veel verdriet over wat dien knaap was aangedaan," zeide hij, "en ik telde het niet gering, twist met mijn dochter te hebben. Daar nu de zaak zich ten goede heeft gekeerd, stuur dan uw eigen zoon naar den terug gevondene en bovendien, - want ik wil een dankoffer voor de redding van den knaap aan de goden brengen, wien die eer toekomt -, kom zelf bij mij aan het maal."

119. Harpagus toen hij dit hoorde, knielde neder en achtte zich gelukkig, dat zijn misdrijf zoo goed een afloop genomen had en dat hij onder zulke gunstige omstandigheden op het feest genoodigd werd, en ging naar huis. En zoodra hij daar gekomen was, - want hij had een eenigen zoon, ongeveer dertien jaar oud -, zond hij dezen weg en beval hem naar Astyages te gaan, en te doen, wat deze mocht bevelen. En zelf zeer verheugd verhaalde hij aan zijn vrouw, wat geschied was. Maar Astyages liet, toen Harpagus' zoon bij hem gekomen was, hem slachten en in stukken snijden, en dan het vleesch voor een deel braden, voor een ander deel koken, en goed toebereid hield hij de stukken gereed. Toen het uur van den maaltijd gekomen was, kwamen de andere gasten en ook Harpagus, en voor de anderen en ook voor Astyages werden tafels voorgezet vol van schapenvleesch, doch voor Harpagus, behalve het hoofd en de handen en de voeten, al het andere van zijn eigen zoon; doch die lagen afzonderlijk bedekt in een korf. Toen Harpagus oordeelde genoeg gegeten te hebben, vroeg Astyages hem, of hij genoegen had in het maal. En toen Harpagus zeide zich zeer te verheugen, brachten zij, wien het bevolen was, het hoofd van zijn zoon, toegedekt, en de handen en de voeten, en bij Harpagus staande bevalen zij hem de korf te ontblooten, en er uit te nemen, wat hij wilde. En Harpagus gehoorzaamt en neemt de bedekking weg en ziet de overblijfselen van zijn zoon; doch ze ziende raakte hij niet ontsteld, en bleef zich zelven meester. Doch Astyages vroeg hem, of hij wist, van welk dier hij vleesch had gegeten. En hij zeide het te weten, en dat alles hem aangenaam was, wat de koning deed. Dit geantwoord hebbend, nam hij de overblijfselen van het vleesch op en ging naar huis. En daar wilde hij, naar ik meen, alles bijeen zamelen en begraven.

120. Aan Harpagus nu legde Astyages dien straf op, doch na nadenken over Cyrus ontbood hij de zelfden van de Magiërs, die zijn droomgezicht op zulk een wijze hadden uitgelegd. Toen zij gekomen waren, vroeg Astyages, hoe zij zijn droom hadden verklaard. En zij antwoordden op de zelfde wijze, zeggende dat de knaap koning moest wezen, indien hij in 't leven gebleven was en niet te voren gestorven. Hij antwoordde hun met het volgende. "de knaap is er en leeft nog en terwijl hij op het land woonde hebben de kinderen uit het dorp hem tot koning benoemd. En alles, wat werkelijke koningen doen, heeft hij gedaan, want speerdragers en deurwachters, en boodschappers en al het andere had hij onder zich. En waarheen schijnt u dat nu te gaan?" De Magiërs zeiden: "indien de knaap nog leeft en koning is geweest zonder eenig opzet, wees dan daarom onbevreesd te zijnen opzichte en heb goeden moed; want niet meer zal hij voor de tweede maal heerschen. Want op kleine dingen zijn sommige van onze uitspraken uitgeloopen, en somtijds gaan gansche droomen geheel naar het onbeduidende." Astyages antwoordde met deze woorden: "Ook ik, o Magiërs, ben sterk van meening, dat, nu de knaap koning genoemd is, de droom vervuld is geworden en die knaap mij geenszins meer gevaarlijk is. Maar toch geeft mij raad, en overweegt wel, wat het veiligste zijn zal en voor mijn huis en voor u." Daarop zeiden de Magiërs: "O koning, ook ons zelven is het veel waard, dat uw heerschappij stand houde; in het andere geval toch, als zij op dien knaap overgaat, die een Pers is, komt zij aan vreemden, en wij Meden zijn in slavernij en van geen belang bij de Perzen, daar wij vreemden zijn; doch als gij koning blijft, gij onze medeburger, heerschen wij naar ons deel en hebben groot aanzien bij u. Zoo dan moeten wij op alle wijzen zorgen voor u en voor uw heerschappij. En nu, indien wij iets angstigs zagen, zouden wij het u vooruit zeggen. Nu de droom thans echter op iets nietigs is uitgeloopen, zijn wij goedsmoeds en raden u het zelfde; zend dien knaap uit uw oogen naar de Perzen en zijn ouders."

121. Astyages verheugde zich dit hoorende, en liet Cyrus roepen en zeide tot hem dit: "O knaap, om een ijdel droomgezicht toch wilde ik u onrecht doen, doch door uw lot leeft gij; ga dan nu ongedeerd naar de Perzen, en geleiders zal ik met u zenden. En daar gekomen zult ge een vader en een moeder vinden gansch anders dan Mitradates en zijn vrouw."

122. Zoo gesproken hebbend zond Astyages Cyrus weg, en bij zijn aankomst in Cambyses' huis ontvingen zijn ouders hem, en toen zij dan vernamen, wie hij was en van waar, begroetten zij hem vreugdevol, daar zij toch meenden, dat hij toen terstond was omgekomen, en zij vroegen, op welke wijze hij gered was. En hij verhaalde hun, zeggende vroeger het niet geweten, doch gansch gedwaald te hebben, doch onderweg had hij geheel zijn ongeval vernomen. Want hij meende, dat hij van Astyages' herder de zoon was, doch op den weg van daar had hij de gansche zaak van zijn geleiders vernomen. En hij was opgevoed, zeide hij, door de vrouw van den herder, en hij prees deze zeer veel, en in zijn verhaal was Kyno alles. Zijn ouders namen dien naam op, en, opdat de redding van hun zoon den Perzen meer wonderbaarlijk zou schijnen, verbreidden zij het gerucht, dat een hond Cyrus, die daar verlaten lag, had opgevoed. En vandaar is dat verhaal gekomen.

123. Toen Cyrus man was geworden en de dapperste en meest beminde van zijn tijdgenooten, zocht Harpagus hem, en zond geschenken, begeerig zich op Astyages te wreken. Want hij zag geen kans dat van hem zelf, een burger, wraak over Astyages zou komen, doch Cyrus ziende opgroeien, maakte hij hem tot bondgenoot, daar hij Cyrus' behandeling met de zijne gelijk stelde. Vóór dien tijd had hij ook reeds dit verricht: daar Astyages streng was tegen de Meden, sprak Harpagus met ieder afzonderlijk van de voornaamste Meden, en overreedde hen, dat zij Cyrus aan het hoofd moesten plaatsen en Astyages uit de regeering stooten.Toen dit hem gelukt was en in gereedheid gebracht en hij aan Cyrus dan zoo, die onder de Perzen leefde, zijn plan wilde mededeelen, wist hij niets anders, daar de wegen bewaakt werden, doch verzon het volgende: hij bereidde een haas toe, en sneed haar buik open en trok gansch geen haar uit, doch liet haar zoo, en zoo stak hij er een brief in, waarin hij had beschreven wat hij besloten had; dan naaide hij de buik van den haas weder dicht, en gaf ze in een net aan den trouwste van zijn dienaars, als jager uitgerust, en zond hem naar de Perzen, hem opdragend, als hij de haas aan Cyrus gaf, met eigen mond te zeggen, dat hij met eigen hand de haas zou open snijden en niemand mocht er bij zijn, als hij dat deed.

124. Dit nu werd zoo volbracht, en Cyrus nam de haas aan en sneed ze open. En hij vond den brief, die er in was, en nam hem en las. Het geschrift zeide het volgende:"O zoon van Cambyses, daar toch de goden over u waken, - want niet zoudt ge anders tot zulk geluk gekomen zijn, - wreek u dan op Astyages uw moordenaar. Want naar zijn wens zijt ge reeds dood, door de goden en door mij echter leeft ge. Reeds lang zult ge weten, denk ik, wat met u zelf geschiedde, en wat ik van Astyages ondervonden heb, daar ik u niet had gedood, doch aan den herder gegeven. Gij dus, indien ge mij volgen wilt, - waar Astyages over heerscht, over dat gansche land zult gij heerschen. Want overreed de Perzen tot afval en trek op tegen de Meden. En indien ik door Astyages tot veldheer word gekozen tegenover u, dan geschiedt wat gij wilt, en ook, indien een ander van de voorname Meden. Want terstond zullen zij van hem afvallen en op uw hand komen, en trachten Astyages ten val te brengen. Daar nu de zaak hier gereed is, doe het, en doe het snel."

125. Cyrus dit vernomen hebbend overwoog, op welke wijze hij het slimst de Perzen tot afval zou brengen, en bij overweging bevond hij dit het meest geschikte te wezen, en hij deed het dan. Hij schreef in een brief, wat hij nuttig vond, en riep de Perzen bijeen; toen vouwde hij den brief open, las hem en zeide, dat Astyages hem tot veldheer van de Perzen benoemd had. "En nu," zeide hij verder, "beveel ik u op te komen ieder met een sikkel". Cyrus beval dan dit. Er zijn veel stammen van de Perzen, en een deel van hen bracht Cyrus bijeen en overreedde hen van de Meden af te vallen; deze zijn, - en van hen hangen alle andere Perzen af -, de Pasargaden, de Marafiërs, de Maspiërs; van dezen zijn de Pasargaden de aanzienlijksten, waartoe ook het geslacht der Achaemeniden behoort, van hetwelk de perzische koningen afstammen. Andere Perzen zijn dezen: de Panthialaeërs, de derusiaeërs, de Germaniërs; deze allen zijn landbouwers, doch de anderen zwervend: de Daiërs, de Marden, de Dropiciërs, en de Sagartiërs.

126. Toen nu allen met het bevolene gekomen waren, toen beval Cyrus hen - want er was een doornachtige streek in Perzië, ongeveer achttien of twintig stadiën naar iederen kant - dezen streek in één dag effen te maken. En toen de Perzen den opgelegden taak volbracht hadden, beval hij hen wederom den volgenden dag op te komen, nadat zij zich eerst gewasschen hadden. Intusschentijd bracht Cyrus alle kudden van geiten, schapen en runderen van zijn vader bijeen, slachtte ze en bereidde ze toe, om het Perzische leger te onthalen; bovendien wijn en brood in overvloed. Toen de Perzen den volgenden dag gekomen waren, liet hij hen op het gras nederliggen en feest vieren. Nadat zij gegeten hadden, vroeg Cyrus hen, of wat zij den vorigen dag gehad hadden of wat heden hun het aangenaamste was. Zij zeiden, dat het verschil groot was; want den vorigen dag was alles slecht geweest, op dezen dag echter alles goed. Dit woord nam Cyrus op en ontblootte de gansche zaak, zeggende: "Mannen Perzen, zóó staat het met u; wilt ge mij gehoorzamen, dan hebt ge deze en nog tallooze andere goede dingen, en geen enkel slaafsch werk; wilt ge mij niet volgen, dan zult ge ontelbare lasten hebben, zooals die van gisteren. Doch volgt mij, en weest vrij. Want ik zelf meen door goddelijke beschikking geboren te zijn om dit werk te ondernemen, en ik meen dat gij geen mindere mannen zijt dan de Meden, noch in andere dingen, noch in den oorlog. Daar nu zoo het geval is, staat zoo spoedig mogelijk tegen Astyages op."

127. De Perzen nu hadden een aanvoerder en wilden zich gaarne bevrijden, want reeds lang verfoeiden zij het door de Meden beheerscht te worden. Toen Astyages vernam, dat Cyrus zoo deed, zond hij een bode om hem te ontbieden. Cyrus beval den bode terug te melden, dat hij eerder bij Astyages zou komen, dan deze zelf wenschte. Op die woorden wapende Astyages al de Meden en, door de goden geslagen, stelde hij Harpagus als veldheer aan, geheel vergetend, wat hij hem had aangedaan. Toen nu de Meden waren opgetrokken en met de Perzen samentroffen, streden sommigen van hen, die geen deelgenoot waren van de samenzwering, anderen liepen naar de Perzen over; de meesten echter gedroegen zich als lafaards en gingen op de vlucht.

128. Toen het leger der Meden schandelijk verspreid was geworden, zeide Astyages, zoodrahij dat vernomen had, met bedreiging tegen Cyrus: "maar ook zóó zal Cyrus niet zonder straf blijven!" Zoo sprak hij en hij liet eerst de droomuitleggers onder de Magiërs, die hem geraden hadden Cyrus te laten gaan, spietsen, daarna wapende hij de Meden, die in de stad waren overgebleven, de jonge en oude mannen. Hij voerde hen naar buiten en trof samen met de Perzen, doch werd overwonnen, en Astyages zelf werd levend gevangen genomen, en hij verloor de Meden, die hij naar buiten had gevoerd.

129. En Harpagus ging voor den gevangenen Astyages staan en lachte om zijn leed en beschimpte hem, en zeide andere hartbijtende woorden tot hem, en vroeg hem ook hoe het loon voor zijn eigen maal, waarop gene hem met het vleesch van zijn zoon onthaald had, hoe hem dan nu de slavernij was in plaats van zijn koningschap. Gene zag hem aan en vroeg, of hij Cyrus' werk het zijne noemde. En Harpagus stemde toe, want hij zelf had geschreven, en met recht was dus de daad van hem. Doch Astyages bewees hem met redenen, dat hij de onnoozelste en de onrechtvaardigste van alle menschen was; de onnoozelste, indien hij zelf koning had kunnen worden, zoo althans werkelijk door hem het gebeurde geschied was, en hij aan een ander de macht had geschonken; de onrechtvaardigste, daar hij om dat maal de Meden slaven had gemaakt; want indien het noodzakelijk was het koningschap aan een ander over te dragen en niet het zelf te behouden, dan was het billijker geweest aan een der Meden dat geluk te gunnen, dan aan een Pers. Want nu waren de Meden, die gansch geen schuld daaraan hadden, slaven geworden in plaats van heerschers; de Perzen daarentegen, voorheen slaven van de Meden, thans meesters.

130. Astyages dan hield zoo op te regeeren, na een koningschap van vijf en twintig jaren, doch de Meden moesten door zijn strengheid voor de Perzen bukken, nadat zij over het boven de Halys gelegene Azië honderd en dertig jaren op twee na geregeerd hadden, behalve zooveel de Scythen heerschten. Naderhand berouwde hun hun daad, en zij stonden op onder Darius; doch bij dien opstand werden zij weder onderworpen, overwonnen in den strijd. Doch toen in den tijd van Astyages opgestaan tegen de Meden, heerschten de Perzen en Cyrus sinds dien tijd over Azië. Aan Astyages deed Cyrus verder geen leed en hij hield hem bij zich, tot hij stierf. Cyrus dan, zóó geboren en opgevoed, werd koning, en naderhand onderwierp hij Cresus, die den strijd begonnen was, zooals ik vroeger verhaald heb. En toen hij dezen onderworpen had, heerschte hij zoo over geheel Azië.

131. De Perzen leven naar mijn weten onder de volgende gebruiken. Godenbeelden, tempels en altaren op te richten is geen zede bij hen; ja zelfs die dat doen, noemen zij dwaas, omdat, naar ik gis, zij niet zooals de Hellenen de goden van menschelijke gestalte achtten. Zij hebben de gewoonte om, op de hoogste bergen geklommen, aan Zeus offers te brengen, den ganschen kring des hemels Zeus noemend. Zij offeren aan de zon en de maan, aan de aarde en het vuur en het water en de winden. Aan dezen alleen offeren zij van oudsher, doch zij hebben bovendien nog geleerd aan Urania te offeren, en van de Assyriërs leerden zij dit en van de Arabieren. De Assyriërs noemen Aphrodite Mylitta, de Arabieren Alilat, de Perzen Mitra.

132. De offering voor de gezegde goden geschiedt bij de Perzen op de volgende wijze. Altaren richten zij niet op, noch ontsteken zij vuur als zij offeren willen. Zij hebben er geen plenging bij, noch fluitspel, noch banden, noch gerooste gerst. Als iemand aan een van de goden wil offeren, voert hij het vee naar een reine plaats en roept den god aan, den tiara gewoonlijk omkransd met mirtetakken. En als hij dan offert, is het hem niet geoorloofd voor zich alleen goeds af te smeeken, doch voor alle Perzen bidt hij om voorspoed en voor den koning, want onder al die Perzen is hij zelf ook begrepen. Daarna snijdt hij het offerdier in stukken en kookt het vleesch, en dan spreidt hij er het meest frissche gras onder, en vooral klaverblad, en legt daarop dan het vleesch neder. Heeft hij alles goed ingericht, dan treedt een Magiër naderbij en zingt de godenwording, zooals zij dan dit gezang noemen, want het is bij hen geen zede zonder Magiër een offering te verrichten. Na korten tijd draagt de offeraar het vleesch weg, en gebruikt het, zooals hij lust heeft.

133. Van alle dagen pleegt ieder het meest dien te eeren, waarop hij geboren werd. Op dien dag vinden zij het betamelijk een rijker maal dan anders op te disschen. De rijken onder hen laten een os, een paard, een kameel of een ezel geheel braden in den haard en opdisschen; de armen daarentegen disschen klein vee op. Ze hebben weinig hoofdgerechten, doch veel toegerechten, en die niet tegelijk doch na elkaar, en daarom zeggen de Perzen, dat de Hellenen hongerig met eten ophouden, daar bij hen na den maaltijd niets stevigs meer wordt voorgezet, maar als wat werd voorgezet, zouden zij niet ophouden met eten. Aan den wijn zijn zij sterk overgegeven, en het staat hun niet vrij te braken, noch te wateren in iemands tegenwoordigheid. Dit wordt nu zoo in acht genomen, doch zij plegen in dronkenschap over de belangrijkste zaken te beraadslagen; wat zij dan besloten hebben, dat legt hun den volgenden dag, als zij nuchter zijn, de gastheer weder voor, in wiens huis zij beraadslagen, en indien het hun ook in nuchterheid goed dunkt, nemen zij het aan; indien het niet goed lijkt, laten zij het varen. En wat zij eerst in nuchterheid hebben overlegd, daarover beslissen zij nog eens als zij dronken zijn.

134. Als zij elkander op den weg tegenkomen, kan men hieruit opmaken, of zij gelijk van stand zijn: want in plaats van elkander te begroeten kussen zij elkaar op den mond, en is een van beiden een weinig geringer, dan kussen zij op de wangen, maar indien de een veel minder van geboorte is, dan valt hij neer voor den ander en knielt. Zij eeren die, welke het dichtst bij hen wonen, na zichzelven boven allen; dan, die verder wonen, en zoo gaan zij verder en eeren naar verhouding. Het minst houden zij, die het verst van hen wonen, in eere, meenende, dat zij zelf verreweg in alles de voortreffelijkste menschen zijn, en dat de anderen in de gezegde verhouding aan die voortreflijkheid deel hebben, en dat die het verst van hen wonen de slechtste zijn. Toen de Meden heerschten, heerschte ook het eene volk over het andere, doch de Meden over allen te samen en vooral over hun naaste naburen, dezen weder over hun grensgenooten, en die weder over de hunne.. En volgens die verhouding bewijzen de Perzen eer; want ook in die zelfde verhouding had het volk der Meden macht en toezicht.

135. Vreemde zeden nemen de Perzen het spoedigst van alle menschen aan; zelfs het gewaad van de Meden dragen zij, dit schooner vindend dan hun eigen dracht, en in den oorlog de egyptische pantsers. En ook alle genietingen, als zij ze kennen leeren, beoefenen zij, en zoo dan ook gebruiken zij knapen, van de Hellenen dit geleerd hebbend. Zij huwen ieder van hen vele wettige vrouwen en hebben ook nog veel meer bijwijven.

136. Voor manlijkheid geldt het, na de dapperheid in den strijd, als iemand veel kinderen kan aanwijzen; die er het meeste aanwijst, aan dien zendt de koning ieder jaar geschenken. Want menigte wordt als kracht beschouwd. Zij voeden hun kinderen, van hun vijfde tot hun twintigste jaar, in drie dingen slechts op: paardrijden en boogschieten en waarheid spreken. Voor hij vijf jaar oud is geworden, komt hij zijn vader niet onder de oogen, doch leeft hij geheel bij de vrouwen. Dit wordt daarom zoo gedaan, opdat indien de knaap als klein kind sterft, hij geen verdriet aan zijn vader zal veroorzaken.

137. Ik nu prijs deze zede, en ik prijs ook deze, dat noch om een enkel misdrijf de koning zelf iemand doodt, noch iemand van de andere Perzen om een enkel misdrijf een van zijn slaven onheelbaar kwaad toebrengt; doch hij overweegt, en indien hij bevindt dat de misdrijven meer en grooter zijn dan de diensten, dan volgt hij zijn toorn. Niemand nog heeft, naar zij zeggen, zijn eigen vader of moeder gedood, maar zooveel gevallen van dien aard geschied heeten te zijn, die zouden noodzakelijker wijze bij onderzoek gebleken zijn, zeggen zij, of door ondergeschoven kinderen verricht te wezen of door kinderen van overspel; want het is niet mogelijk, beweren zij, dat een werkelijke vader door zijn eigen zoon zou omkomen.

138. Wat zij niet doen mogen, dat mogen zij ook niet zeggen. Voor de grootste schande geldt bij hen het liegen, en daarna schulden te hebben, om vele andere redenen, maar vooral, omdat, naar zij beweren, die schulden heeft noodwendig ook liegen zal. Als een van de burgers lepra of uitslag heeft, komt hij niet in de stad, noch gaat hij om met de andere Perzen. Want zij zeggen, dat hij uit eenige zonde tegen de zon die kwaal heeft. En alle vreemdelingen door die kwalen gegrepen jagen zij uit het land (en ook de witte duiven, en wel om dezelfde reden). Zij wateren niet in de rivieren, noch spuwen noch wasschen zij de handen er in, noch veroorloven zij een ander dat, doch eeren de rivieren zooveel mogelijk.

139. En ook dit andere is eigenaardig bij hen, wat den Perzen zelven verborgen is, ons evenwel niet. De namen, die in hun beteekenis met de menschen en hun waardigheid overeenkomen, eindigen allen op dezelfde letter, die de Doriërs San noemen, en de Ioniërs Sigma. Op deze letter zult gij bij onderzoek vinden, dat alle namen der Perzen uitgaan, niet sommige wel, andere niet, doch alle gelijkelijk.

140. Dit nu heb ik naar eigen weten met zekerheid over hen hooren zeggen. Het volgende evenwel wordt als iets geheims gezegd en niet openlijk, over de gestorvenen namelijk, dat het lijk van een Pers niet eerder begraven wordt, voor hij door een vogel of een hond verscheurd is. Van de Magiërs weet ik toch bepaald, dat zij dit doen; want zij doen het openlijk. Maar de Perzen dan overtrekken het lijk met was en verbergen het in de aarde. De Magiërs verschillen veel van de andere menschen en van de priesters in Egypte; want dezen houden zich rein van den moord van eenig levend wezen, behalve wat zij offeren, doch de Magiërs dooden met eigen hand alles, behalve honden en menschen, en zij beijveren zich zelfs zeer daarin, en dooden zonder onderscheid mieren en slangen en wat verder kruipt en vliegt. En met deze zede moge het blijven zooals het van oudsher gebruik was, ik echter keer terug tot het vroegere verhaal.

141. De Ioniërs en de Aeoliërs zonden, zoodra de Lydiërs door de Perzen onderworpen waren, boden naar Sardes tot Cyrus, bereidwillig, om op dezelfde voorwaarden als zij het van Cresus waren ook van hem onderdaan te zijn. Hij hoorde eerst wat zij voorstelden, en vertelde hun toen een verhaal van een fluitspeler, die visschen in de zee ziende, fluiten ging, in de meening, dat zij aan land zouden komen; doch hij bedroog zich in deze verwachting, en nam toen een net en ving een groote menigte van de visschen en trok ze op; en ziende dat zij op en neer sprongen, sprak hij tot de visschen: "houd nu op met dansen, daar ge op mijn fluitspel niet uit de zee wildet komen en dansen." Cyrus nu zeide dit verhaal daarom tot de Ioniërs en de Aeoliërs, omdat de Ioniërs vroeger, toen Cyrus hen door boden had verzocht van Cresus af te vallen, niet naar hem geluisterd hadden, doch nu, nu de zaak verricht was, bereid waren Cyrus te gehoorzamen. Hij nu zeide hun dit door toorn bevangen, doch de Ioniërs, toen zij deze boodschap in de steden vernamen, versterkten zich op iedere plaats met muren en vereenigden zich bij het Panionion, en wel alle andere Ioniërs behalve de Milesiërs: want met dezen alleen had Cyrus een verbond gesloten op dezelfde voorwaarden, als de Lydiër gedaan had. Doch de andere Ioniërs besloten eenparig boden naar Sparta te zenden, met de bede de Ioniërs te helpen.

142. Deze Ioniërs, van wie ook het Panionion is, hebben van alle menschen, die wij kennen onder de schoonste luchtstreek hun steden gebouwd. Want noch is de boven haar gelegen streek zooveel waard als Ionië noch de lager gelegene, noch het land naar den ochtend noch dat naar den avond, want deels wordt dat door koude en natheid geplaagd, deeld ook door hitte en droogte. De Ioniërs spreken niet dezelfde taal, doch vier verschillende tongvallen. Onder deze steden is Miletus de eerste naar het zuiden, dan Myus en Priëne; deze steden liggen in Carië en spreken dezelfde taal, de volgenden echter in Lydië: Ephesus, Colophon, Lebedos, Teos, Clazomenae, en Phocaea. Deze steden nu komen in taal geenszins met de vroeger genoemde overeen, doch wel onderling. Er zijn nu nog drie ionische steden overgebleven, waarvan er twee op eilanden liggen, Samos en Chios, en een op het vaste land, Erythrae. De menschen van Chios nu en van Erythrae spreken op dezelfde wijze, doch de Samiërs hebben hun eigen taal. Deze zijn de vier soorten van taal.

143. Van deze Ioniërs dan waren de Milesiërs beschut tegen gevaar, daar zij een verbond hadden gesloten, en ook voor de eilanders onder hen was niets te vreezen; want noch waren de Pheniciërs den Perzen onderworpen, noch de Perzen zelf zeevaarders. De Ioniërs in Azië nu hadden zich van de anderen in Europa om geen andere reden afgescheiden, dan omdat het helleensche volk zwak was, en verreweg de zwakste van alle stammen de ionische en van de minste beteekenis; want behalve Athene was er geen stad van belang. De andere Ioniërs nu en de Atheners vermeden den naam, niet verlangend Ioniërs genoemd te worden, en ook nu nog schijnen mij de meesten van hen zich voor dien naam te schamen; die twaalf steden in Azië daarentegen waren trotsch op dien naam en hadden voor zich zelf een heiligdom opgericht, dat zij het Panionion noemden en zij besloten geen van de andere Ioniërs daaraan deel te laten nemen (en niemand verzocht dan ook om aandeel te hebben behalve de Smyrnaeërs),

144. evenals de Doriërs uit het tegenwoordige Pentapolis, dat vroeger Hexapolis heette, zorg dragen om geen van de naburige Doriërs in den triopischen tempel toe te laten, doch zelfs die onder hen zelven van de deelneming uitsloten, die tegen het heiligdom iets misdreven hadden. Want voor den wedstrijd ter eere van den tripischen Apollon hadden zij van oudsher ijzeren drievoeten voor de overwinnaars uitgeloofd, en dezen mochten de ontvangenden niet uit den tempel wegdragen, doch zij moesten ze daar aan den god wijden. Een man uit Halicarnassus nu, met name Agasicles, overtrad na zijn overwinning die wet, daar hij den drievoet naar zijn eigen huis bracht en daar aan den wand bevestigde. Om die reden sloten de vijf steden Lindus en Ialysus en Camirus en Cos en Cnidus, de zesde stad Halicarnassus van de deelneming uit. Zij dan legden aan genen deze straf op.

145. De Ioniërs hebben, naar ik geloof, twaalf steden gesticht en er niet meer willen opnemen, daarom, omdat ook toen zij in den Peloponnesus woonden, er twaalf afdeelingen van hen bestonden, evenals er ook nu van de Achaeërs, die de Ioniërs verdreven, twaalf afdeelingen zijn: vooreerst Pellene in de richting van Sicyon, dan Aegira en Aegae, waar de nimmer drooge rivier de Crathis is, naar welke ook die rivier in Italië zijn naam ontving, en Bura en Helice, waarheen de Ioniërs vluchtten toen zij door de Achaeërs in den strijd overwonnen waren, en Aegion en Rupes en Patreës en Phareës en Olenus, waar de groote rivier Pirus is, en Dyme en Tritaeës, die de eenigen van allen in het binnenland liggen.

146. Deze twaalf afdeelingen zijn er nu van de Achaeërs en waren toen van de Ioniërs. Daarom dan stichtten ook de Ioniërs twaalf steden, daar het toch groote dwaasheid is te zeggen, dat zij meer Ioniërs zijn dan de andere Ioniërs of van edeler geslacht, terwijl niet het geringste deel van hen Abanten zijn uit Euboea, die niet eenmaal in naam iets met Ionië gemeen hebben, en Minyers uit Orchomenus met hen vermengd zijn en Cadmeërs en Dryopen en uitgeweken Phociërs en Molossiërs en arcadische Pelasgen en dorische Epidauriërs, en vele andere volken met hen vermengd zijn; en die onder hen van het prytaneum in Athene uitgingen en zich voor de edelste Ioniërs houden, dezen brachten geen vrouwen mede voor de nederzetting, maar namen Carische vrouwen, wier ouders zij gedood hadden. Om dezen moord legden de vrouwen zichzelven de wet en een eed op, en leverden die aan haar dochters over, dat zij nooit met hun mannen zouden eten noch hun man bij den naam noemen, dáárom, wijl zij hun vaders en mannen en zonen vermoord hadden en na die daad toch met hen samen waren gaan wonen. Dat geschiedde in Miletus.

147. Sommigen van hen kozen zich Lyciërs tot koningen, die van Glaucus, Hippolochus' zoon afstamden; andere pylische Cauconen, afstammelingen van Codrus, Melanthus' zoon, andere uit beide geslachten. Doch, - want zij zijn op dien naam meer gesteld dan de andere Ioniërs, - laten zij dan van zuivere afkomst zijn; maar dan zijn ook allen Ioniërs, die van Athene afstammen en het feest der Apaturia vieren, en dit vieren allen, behalve de Ephesiërs en de Colophoniërs, want dezen alleen onder de Ioniërs vieren de Apaturia niet, en dezen dan nog onder voorwendsel van een moord.

148. Het Panionion is een heilige plaats in Mycale, op het noorden gelegen, en door de Ioniërs gemeenschappelijk opgericht voor den heliconischen Poseidon; Mycale is een voorgebergte van het vaste land naar den westewind zich naar Samos uitstrekkend, en daar komen de Ioniërs uit de steden bijeen en vieren een feest, dat zij den naam Panionia gegeven hebben. (Niet alleen de ionische feesten zijn zoo, doch ook alle feesten van alle Hellenen gaan op de zelfde letter uit, evenals de namen van de Perzen).

149. Deze dan zijn de ionische steden, doch de aeolische de volgenden: Cyme, ook Phriconis genaamd, Larissae, Neonteichos, Temnus, Cilla, Notion, Aegiroessa, Pitane, Aegaeae, Myrina, Gryneia; deze zijn de elf oude steden van de Aeoliërs; want één werd hun ontnomen door de Ioniërs, Smyrna; want ook deze steden waren twaalf in getal op het vaste land. Deze Aeoliërs hadden zich in een vruchtbaarder land nedergezet dan de Ioniërs, doch van luchtgesteldheid niet zoo gunstig.

150. Smyrna nu verloren de Aeoliërs op de volgende wijze: Colophoniërs namen zij op, die bij een oproer overwonnen en uit hun vaderland verdreven waren. Later echter namen deze colophonische ballingen de gelegenheid waar, dat de Smyrnaeërs buiten de muren een feest voor Dionysus vierden, zij sloten de poorten en bezetten de stad. Toen alle Aeoliërs den Smyrnaeërs te hulp schoten, kwamen zij tot een vergelijk, dat de Ioniërs alle roerende have zouden afgeven en de Aeoliërs Smyrna zouden verlaten. Toen de Smyrnaeërs dit gedaan hadden, verdeelden de elf steden hen onder elkander en maakten hen burgers bij zich.

151. Deze nu zijn de aeolische steden op het vaste land, behalve die bij den berg Ida gelegen zijn, want deze zijn een afzonderlijk geheel. Doch van die op de eilanden zijn, liggen er vijf op Lesbos; want de zesde, die op Lesbos lag, Arisba, brachten de Methymnaeërs tot slavernij, ofschoon verwnt van bloed; op Tenedus ligt één stad, en op de zoogenaamde Hecatonnesi nog een. Voor de Lesbiërs en de Tenediërs, evenals voor de eilandbewoners onder de Ioniërs, was er geen gevaar. Doch de andere steden besloten eenparig de Ioniërs te volgen, waarheen dezen zouden willen voeren.

152. Toen de boden van de Ioniërs en de Aeoliërs in Sparta kwamen, - want dit geschiedde met spoed, - kozen zij tot spreker voor allen den Phocaëer, die Pythermus tot naam had. En deze wierp een purperen gewaad om, opdat de Spartanen, dit vernemend, in zoo groot mogelijk aantal zouden opkomen, en trad op en sprak lang, smeekende hun te helpen. Doch de Lacedaemoniërs luisterden geenszins naar hem, doch besloten de Ioniërs niet te helpen. Genen dan gingen weg, doch de Lacedaemoniërs, toen zij de boden der Ioniërs afgewezen hadden, zonden toch mannen in een vijftigriemer af, als bespieders, naar ik denk, van Cyrus' zaken en van Ionië. Dezen te Phocaea gekomen, zonden den aanzienlijksten van hen, wiens naam Lacrines was, naar Sardes, om aan Cyrus als woord van de Lacedaemoniërs te zeggen, dat hij geen stad van het land Hellas schade zou aandoen, daar zij dat niet zouden dulden.

153. Toen de heraut dit gesproken had, vroeg Cyrus, zegt men, aan de aanwezige Hellenen, wat voor menschen de Lacedaemoniërs waren en hoe groot in getal, dat zij zulk een bevel zonden. En na de inlichting antwoordde hij aan den Spartaanschen gezant: "nog nooit heb ik zulke menschen gevreesd, bij wie midden in hun stad een plaats afgezonderd is, waar zij te zamen komen en met eeden elkander bedriegen. En hun, indien ik gezond blijf, zullen niet de rampen der Ioniërs in den mond zijn, doch hun eigene." Dit woord wierp Cyrus naar alle Hellenen, daar zij markten hebben en koopen en verkoopen; want de Perzen zelf zijn niet gewoon markten te gebruiken en hebben in 't geheel geen markt. Daarop vertrouwde hij Sardes aan Tabalus, een Pers toe, doch het goud èn dat van Cresus en dat van de andere Lydiërs aan den Lydiër Pactyes om te bewaren, en trok zelf naar Agbatana, terwijl hij Cresus medenam en op de Ioniërs voorlopig geen acht sloeg. Want Babylon stond hem in den weg en het volk der Bactriërs en de Sacen en de Egyptenaars, en tegen dezen besloot hij zelf op te trekken, tegen de Ioniërs evenwel een ander als veldheer te sturen.

154. Toen Cyrus uit Sardes weggetrokken was, bracht Pactyes de Lydiërs tot afval van Tabalus en van Cyrus, en naar de kust gaande met al het geld van Sardes in zijn bezit, wierf hij huurtroepen en overreedde de kustbewoners met hem op te trekken. Dan rukte hij naar Sardes en belegerde Tabalus, die opgesloten was in de burcht.

155. Toen Cyrus dit op zijn tocht vernam sprak hij tot Cresus het volgende: "Cresus, wat zal het einde van die dingen nog wezen? De Lydiërs, naar het schijnt, zullen niet ophouden mij last aan te doen en ook zichzelven. Ik vrees, het zal het best zijn hen slaven te maken. Want nu kom ik mij voor gedaan te hebben, evenals iemand, die den vader doodt en de kinderen spaart. Want zoo heb ik u, nog wat meer dan een vader, van de Lydiërs weggevoerd, en aan de Lydiërs zelf de stad gegeven, en daarna sta ik verbaasd, dat zij tegen mij opstaan." Hij nu zeide, wat hij ook in den zin had, doch de ander, vreezende dat hij Sardes geheel verwoesten zou, antwoordde het volgende: "O koning, gij zegt dat met reden, doch geef niet geheel toe aan uw toorn, en verwoest niet een oude stad die onschuldig is èn aan wat vroeger geschiedde èn aan de gebeurtenis van thans; want het vroegere heb ik verricht en draag ik op mijn hoofd, en in de laatste zaak, daarin toch is Pactyes de misdadiger, wien gij Sardes hebt toevertrouwd: laat hem dan boeten. Doch vergeef den Lydiërs en beveel hen dit, opdat zij niet meer opstaan, noch u gevaarlijk zijn zullen; zend een bevel tot hen dat zij geen krijgswapenen meer bezitten mogen; beveel hen lijfrokken onder de mantels te dragen, en hooge schoenen aan de voeten te binden; beveel hen ook hun zonen op te voeden in spel van cither en harp en kramerijen. En zoo, o koning, zult ge hen spoedig als vrouwen in plaats van mannen zien, zoodat zij u geenszins meer vrees zullen geven voor een opstand."

156. Cresus wierp dit plan op, oordeelende dat dit toch verkieslijker was voor de Lydiërs dan als slaven verkocht te worden; want wel wist hij, dat hij Cyrus niet zou overreden zijn plan te veranderen, indien hij geen bruikbaren voorslag aanbood, en hij vreesde dat de Lydiërs, ook later weder, ook als zij thans vrij liepen, tegen de Perzen zouden opstaan en vernietigd worden. En Cyrus verheugde zich in den voorslag en zijn toorn onderdrukkend zeide hij Cresus te zullen volgen. Hij riep Mazares, een Meed, en droeg hem op aan de Lydiërs te bevelen, wat Cresus voorgeslagen had, en bovendien alle anderen slaaf te maken, die met de Lydiërs tegen Sardes waren opgetrokken, doch Pactyes zelf in allen geval levend naar hem te brengen.

157. Hij dan dit op zijn tocht bevolen hebbend, rukte naar het land der Perzen, doch Pactyes, die vernam dat een leger tegen hem optrok en nabij was, werd bevreesd en vluchtte ijlings naar Cyme. En Mazares de Meed trok naar Sardes met een deel van Cyrus' leger, (zoo groot dat deel dan wezen mocht), en toen hij Pactyes en zijn macht niet meer in Sardes aantrof, dwong hij eerst de Lydiërs de bevelen van Cyrus te volgen, en naar diens wil veranderden de Lydiërs hun gansche wijze van leven. Mazares zond daarna boden naar Cyme, bevelende Pactyes uit te leveren. De Cymaeërs besloten ter beslissing zich tot den God in Branchidae te wenden. Want daar stond van oudsher een orakel, dat alle Ioniërs en Aeoliërs plachten te raadplegen; die plaats ligt in Milesië boven den haven van Panormus.

158. De Cymaeërs dan zonden boden naar het orakel en vroegen hoe zij zouden doen met Pactyes en den goden welgevallig zijn; en op hun vraag gewerd hun het antwoord Pactyes aan de Perzen uit te leveren. Toen de Cymaeërs dat antwoord vernamen, wilden zij hem uitleveren, en toen de meesten dat wilden, hield Aristodicus, Heraclides' zoon, een man van aanzien bij de burgers, de Cymaeërs van deze daad af, uit wantrouwen in het godsbevel en meenende, dat de gezanten niet naar waarheid bericht hadden; totdat voor de tweede maal andere gezanten gingen om over Pactyes te vragen, van welke ook Aristodicus er een was.

159. Toen zij in Branchidae gekomen waren, sprak Aristodicus uit aller naam tot het orakel, vragende aldus: "O heerscher, tot ons kwam Pactyes de Lydiër als smeekeling, om een gewelddadigen dood door de hand der Perzen te ontvluchten; en zij vragen hem op, de Cymaeërs bevelend hem prijs te geven. Doch wij, alhoewel de macht der Perzen vreezende, waagden niet tot dusver den smeekeling uit te leveren, vóór ons door u duidelijk verklaard is, wat wij doen moeten." Hij nu vroeg dit, en de god verstrekte wederom hetzelfde antwoord, bevelende Pactyes aan de Perzen uit te leveren. Daarop deed Aristodicus met opzet het volgende: hij liep rondom den tempel en joeg de musschen weg en alle andere soorten van vogels, die in den tempel hun nest hadden gebouwd. En toen hij dit deed, kwam een stem, zeggen zij, uit het heiligdom gericht naar Aristodicus en zeide: "goddeloosste der menschen, hoe durft gij dat doen? Mijn smeekelingen rooft ge uit mijn tempel?" En Aristodicus was niet verlegen doch zeide daartegen: "O heerscher, komt gij zelf zoo uw smeekelingen te hulp, en beveelt gij de Cymaeërs hun smeekeling uit te leveren?" En hij antwoordde wederom aldus: "ja, dat beveel ik, opdat ge om uw snoodheid sneller moogt te gronde gaan en niet meer tot het orakel komt om te vragen over de uitlevering van smeekelingen!"

160. Toen de Cymaeërs dit antwoord vernamen, wilden zij noch hem uitleveren en omkomen, noch hem bij zich houden en belegerd worden, en daarom zonden zij hem naar Mytilene. De Mytileners, toen Mazares een gezantschap stuurde om Pactyes uit te leveren, besloten dat te doen tegen een zeker loon; want ik kan dat niet nauwkeurig aangeven, want de zaak kwam niet tot stand. Want de Cymaeërs, toen zij vernamen, dat dit bij de Mytileners gedaan werd, zonden een schip naar Lesbos en brachten hem naar Chios. En van daar werd hij door de Chiërs uit het heiligdom van Athena de Stadbeschermster, weggerukt en uitgeleverd. De Chiërs leverden hem uit voor den prijs van Atarneus; dit Atarneus is een plaats van Mysië, tegenover Lesbos. De Perzen kregen dan zoo Pactyes in hun macht en hielden hem gevangen, om hem voor Cyrus te brengen. En het duurde niet weinig tijd dat geen Chiër, noch gerstkorrels uit dat Atarneus gebruikte om ze voor een der goden te strooien, noch koeken maakte van de vrucht uit die plaats, doch van alle tempels werd alles wat door die plaats werd voortgebracht, verre gehouden.

161. De Chiërs dan leverden Pactyes uit, doch Mazares trok daarna tegen hen op, die Tabalus mede belegerd hadden, en in de eerste plaats maakte hij de Priëners tot slaven; daarna liep hij de gansche vlakte van den Maeander af en gaf ze ter plundering aan zijn leger, en Magnesia verwoestte hij eveneens. Daarop stierf hij terstond door een ziekte.

162. Na zijn dood werd Harpagus zijn opvolger in de aanvoering van het leger, die, van geboorte zelf een Meed, door Astyages den koning der Meden op den goddeloozen maaltijd onthaald was, en die Cyrus gesteund had in het verkrijgen van de heerschappij. Toen deze man dan, door Cyrus tot veldheer benoemd, in Ionië gekomen was, trachtte hij de stad door aarden werken te nemen; nadat hij de menschen in de vesting gedreven had, legde hij dan aarden werken aan tegen de muren en belegerde. En het eerst in Ionië greep hij Phocaea aan.

163. Deze Phocaeërs waren de Hellenen, die het eerst groote zeetochten maakten, en zij zijn het, die de Adriatische zee en Tyrsenië en Iberië en Tartessus ontdekten. Zij maakten hun tochten met vijftigriemers en niet met ronde schepen. En in Tartessus gekomen, werden zij bevriend met den koning der Tartessiërs, wiens naam Arganthonius was, die tachtig jaren over Tartessus heerschte, en in 't geheel honderd en twintig jaar leefde. Met dezen man werden de Phocaeërs dan zoo bevriend, dat hij hen eerst noodigde om Ionië te verlaten en in zijn land te wonen, waar zij wilden, en daarna, toen hij daarin de Phocaeërs niet overreed had, en hij vernam dat de Meden bij hen machtig waren geworden, gaf hij hun geld om een muur om de stad te leggen. En hij gaf rijkelijk, want niet weinig stadiën is de omtrek van den muur, en geheel van groote steenen, en die goed aaneengesloten, is hij gemaakt.

164. Op die wijze dan werd de muur door de Phocaeërs gebouwd, en toen Harpagus zijn leger tegen hen aanvoerde, belegerde hij hen, en verklaarde, dat het hem genoeg zou zijn, als de Phocaeërs slechts één borstwering van den muur wilden omver halen en één enkel huis den koning wijden. De Phocaeërs in onwil tegen de slavernij, zeiden één dag te willen overwegen en dan te zullen antwoorden. En zoolang zij beraadslaagden, verzochten zij hem zijn leger van den muur weg te voeren. En Harpagus zeide wel te weten, wat zij doen wilden, maar toch hun de beraadslaging toe te staan. En toen dan Harpagus met zijn leger van den muur was weggetrokken, in dien tijd brachten de Phocaeërs de vijftigriemers in zee, en plaatsten daarin kinderen en vrouwen en al hun vervoerbare have, bovendien ook de godenbeelden uit de tempels en de andere wijgeschenken, behalve wat koper was of steen of geschilderd; en alle andere dingen er in brengend en er zelf instijgend voeren zij naar Chios; en het menschen verlatene Phocaea bezetten de Perzen.

165. Doch de Phocaeërs, toen de Chiërs hun de Oenussae geheetene eilanden niet voor geld wilden verkoopen, uit vrees, dat dezen een handelsplaats zouden worden, en hun eigen eiland daardoor van den handel uitgesloten, daarop dan trokken de Phocaeërs naar Cyrnus [Corsica]. Want op Cyrnus hadden zij twintig jaren vroeger om een godspraak een stad opgericht, wier naam Alalia was. Arganthonius was nu reeds dood. Op dezen tocht naar Cyrnus keerden zij eerst naar Phocaea terug en doodden de perzische bezetting, die van Harpagus de stad ter bewaking had ontvangen, en daarna, toen zij dit verricht hadden, zwoeren zij verschrikkelijke verwenschingen voor hem, die van den tocht zou wegblijven. Bovendien lieten zij een grooten klomp ijzer in de zee zinken, en zwoeren niet eerder naar Phocaea te gaan, vóór die klomp weder te voorschijn gekomen was. Maar toen zij naar Cyrnus voeren, werd de helft der burgers door verlangen en smart over de stad en hun woonplaatsen in het land aangegrepen, zij schonden hun eed en voeren weder terug naar Phocaea. De anderen echter hielden hun eed, braken op van de Oenussae en stevenden verder.

166. Toen zij in Cyrnus waren gekomen, woonden zij vijf jaren lang met de vroeger aangekomenen, en bouwden tempels. En zij roofden en plunderden dan toch al hun buren, daarom trokken in gemeenschaplijk overleg de Tyrseniërs en de Carthagers ieder met zestig schepen tegen hen op. De Phocaeërs bemanden ook zelf hun schepen, zestig in getal, en voeren genen in de Sardonische zee te gemoet. En toen zij in zeeslag geraakt waren, gewerd den Phocaeërs een cadmeïsche overwinning. Want veertig van hun schepen werden vernietigd, en de twintig overgeblevenen waren onbruikbaar; want de snavels werden afgebroken. Zij voeren toen terug naar Alalia, namen hun kinderen en vrouwen en hun andere bezitting op, zooveel als hun schepen dragen konden, en daarop Cyrnus verlatende stevenden zij naar Rhegium.

167. De bemanning van de vernietigde schepen viel grootendeels in handen van de Carthagers en de Tyrseniërs, en dezen voerden hen weg en steenigden hen. Hierop werden bij de Agyllaeërs alle wezens, die de plaats voorbijgingen, waar de gesteenigde Phocaeërs lagen, verrekt, verminkt en kreupel, gelijkelijk de schapen, de lastdieren en de menschen. De Agyllaeërs zonden boden naar Delphi in het verlangen van de zonde vrij te komen. De Pythia beval hen te doen, wat de Agyllaeërs nu nog volbrengen; want zij bewijzen dien dooden groote eer en houden kampspelen en wedrennen te paard. En dezen nu van de Phocaeërs viel zulk een lot ten deel, doch de anderen, naar Rhegium gevlucht, gingen van daar verder en stichten in het oenotrische land de stad, die nu Hyela heet. Zij stichtten die, van een man uit Posidonia vernomen hebbend, dat de Pythia hun geantwoord had voor Cyrnus den heros een stad te stichten, doch niet op het eiland van dien naam. Zoo ging het dan met Phocaea in Ionië.

168. Bijna hetzelfde als dezen deden ook de Teiërs; want toen Harpagus door zijn aarden werken hun vesting genomen had, bestegen zij hun schepen en stevenden weg naar Thracië; en daar stichtten zij de stad Abdera, die vóór hen Timasius de Clazomeniër stichtte zonder voordeel, want de Thraciërs verdreven hem en nu wordt hij door de Teiërs in Abdera als een heros vereerd.

169. Dezen nu alleen onder de Ioniërs, wijl zij de slavernij niet verdragen wilden, verlieten hun vaderland, doch de andere Ioniërs, behalve de Milesiërs, geraakten met Harpagus in strijd, evenals de uitgewekenen, en gedroegen zich als dappere mannen ieder voor zijn eigen land strijdende; doch zij werden overwonnen en onderworpen, en bleven ieder in hun eigen streek en volbrachten, wat hun opgelegd werd. De Milesiërs evenwel, zooals ik reeds vroeger gezegd heb, hadden met Cyrus zelf een verbond gesloten en bleven in rust. Zóó dan werd Ionië voor de tweede maal tot slavernij gebracht. Toen Harpagus de Ioniërs op het vaste land onderworpen had, vreesden de Ioniërs op de eilanden hetzelfde lot en gaven zich aan Cyrus.

170. Toen de Ioniërs onderdrukt werden doch niet minder in het Panionion bijeenkwamen, verneem ik dat Bias, een man uit Priëne, aan de Ioniërs een allerheilzaamsten raad heeft gegeven, door welken, als zij hem hadden opgevolgd, zij de gelukkigsten van alle Hellenen hadden kunnen worden; daar hij toch de Ioniërs ried gemeenschaplijk op te breken en naar Sardo [Sardinië] te stevenen, en dan één stad voor alle Ioniërs te stichten, en zoo zouden zij, van de slavernij bevrijd, gelukkig zijn in bezit van het grootste aller eilanden en heerschen over de andere bewoners van het eiland; doch bleven zij in Ionië, dan zag hij niet, zei hij, hoe zij ooit vrij zouden worden. Dit was de raad van Bias den Priëniër aan de Ioniërs, toen zij reeds in het ongeluk waren; goed was ook vóór de vernietiging van Ionië de raad van Thales, den Milesiër, van afkomst een Phoeniciër, die de Ioniërs aanried een bondsvergadering in te voeren, en dat die in Teos zou zijn, want Teos was het midden van Ionië. En dat de andere steden niet minder als zelfstandige gemeenten zouden beschouwd worden, even alsof zij Demen waren.

171. Dezen dan hadden zulke voorslagen gedaan, doch Harpagus, Ionië onderworpen hebbend trok op tegen de Cariërs en de Cauniërs en de Lyciërs, en voerde de Ioniërs en de Aeoliërs met zich. Van deze volken zijn de Cariërs uit de eilanden op het vaste land gekomen, want, oudtijds onderdanen van Minos en Lelegers geheeten, bezaten zij de eilanden, doch brachten geen schatting op voor zoover ik in staat ben door de overlevering in het verledene te dringen: wanneer evenwel Minos het eischte bemanden zij zijn schepen. En wijl Minos veel land onderworpen had en voorspoedig geweest was in den strijd, was het carische volk in dien zelfden tijd verreweg het belangrijkste van alle volkeren. En er werden door hen drie uitvindingen gedaan, die de Hellenen overnamen; want de Cariërs zijn het die verzonnen hebben vederbossen op de helmen te zetten en op de schilden teekens te maken, en zij ook hebben het eerst handvatsels aan de schilden gemaakt; vóór dien tijd toch droegen allen, die gewoon waren schilden te gebruiken, de schilden zonder handvatsel, terwijl zij ze met lederen riemen bestuurden, die zij om den nek en den linker schouder sloegen. Daarna, in veel lateren tijd, verdreven de Doriërs en de Ioniërs de Cariërs uit de eilanden, en zoo kwamen zij op het vaste land. Zoo dan zeggen de Creters dat het met de Cariërs gegaan is; de Cariërs zelven echter vallen hen geenszins bij, doch achten zich zelven oorspronkelijke bewoners van het vaste land, en beweren dat zij altijd den zelfden naam als nu gehad hebben. En als bewijs toonen zij in het gebied der Mylasiërs een ouden tempel van den Carischen Zeus, waaraan ook de Mysiërs en de Lydiërs als broeders van de Cariërs aandeel hebben: want zij beweren dat Lydus en Mysus vroeders van Car waren. Dezen dus hebben aandeel aan den tempel, doch allen die van een ander volk zijn, ofschoon van de zelfde taal als de Cariërs, hebben geen aandeel.

172. De Cauniërs zijn, naar mij voorkomt, oorspronkelijke bewoners, zelf echter beweren zij Creters te zijn. Doch in hun taal hebben zij zich bij de Cariërs aangesloten, of de Cariërs bij de Cauniërs (want dat kan ik niet met zekerheid uitmaken); zij leven evenwel onder zeden die sterk afwijken van die der andere menschen en ook van de Cariërs. Want bij hen geldt het voor zeer betamelijk om in menigte, volgens leeftijd en vriendschap, tot drinkgelag bijeen te komen, zoowel voor mannen als vrouwen en kinderen. Eerst hadden zij tempels opgericht voor buitenlandsche goden; later evenwel, toen zij van meening veranderden ( zij besloten alleen de vaderlandsche goden te dienen), toen grepen alle weerbare Cauniërs de wapenen, en de lucht met hun speeren slaande trokken zij door tot het calyndische gebied, en beweerden de vreemde goden uit te drijven.

173. En zij nu hebben zulke gebruiken, doch de Lyciërs stamden oorspronkelijk uit Creta (want oudtijds was Creta geheel bevolkt door barbaren); doch toen de zonen van Europa, Sarpedon en Minos, in Creta over de heerschappij streden en Minos in den strijd overwonnen had, verdreef hij Sarpedon zelf met zijn aanhangers, en dezen, uit hun land verstooten, kwamen naar het land Milyas in Azië; want waar nu de Lyciërs wonen, was vroeger Milyas, en de Milyers heetten toen Solymers. Zoolang dan Sarpedon over hen heerschte, heetten de Lyciërs naar den naam, dien zij medegebracht hadden en volgens welken zij nu nog door hun naburen genoemd worden, Termilers. Maar toen Lycus, de zoon van Pandion, eveneens door zijn broeder, Aigeus, verdreven, uit Athene naar de Termilers bij Sarpedon kwam, werden zij dan zoo naar den naam van Lycus in verloop van tijd Lyciërs genoemd. Hun zeden zijn deels cretisch, deels carisch. Dit ééne gebruik echter is bij hen eigenaardig en wordt met geen enkel ander volk gedeeld: zij noemen zich naar hun moeder en niet naar hun vader; zoodat, als iemand een ander vraagt, wie hij is, dan zal hij den naam van zijn moeder zeggen en de moeders van zijn moeder opgeven. En indien een vrijgeborene vrouw met een slaaf huwt, worden de kinderen als vrijgeborenen beschouwd; doch indien een burger, al ware hij ook de eerste onder hen, een vreemdelinge huwt of tot bijzit neemt, dan zijn de kinderen onwettig.

174. De Cariërs nu werden door Harpagus onderworpen, zonder een enkele luisterrijke daad verricht te hebben, noch zij zelven, noch de Hellenen, die dat land bewonen. Er zijn daar ook anderen gevestigd en ook Cnidiërs, een nederzetting van de Lacedaemoniërs, wier land aan de zee ligt en Triopion genoemd wordt; het gebied van de Cnidiërs begint bij het bybassische schiereiland en is geheel door de zee omgeven op een klein gedeelte na (want het deel naar den noordenwind gelegen begrenst de cerameïsche golf; wat naar den zuidewind ligt, de zee bij Syme en Rhodos), en dit kleine gedeelte, dat ongeveer vijf stadiën uitgestrekt is, besloten de Cnidiërs door te graven, terwijl Harpagus Ionië onderwierp, met het voornemen hun gebied tot een eiland te maken. Vóór de landengte was gansch hun land gelegen; want waar het cnidisch gebied in het vaste land uitloopt, daar is de landengte, die zij wilden doorgraven. Toen dus de Cnidiërs met alle kracht arbeidden, bleken de arbeiders op meer dan gewone wijze en als door goddelijke bedoeling verwondingen te krijgen, zoowel aan andere deelen des lichaams, als vooral aan de oogen, bij het stukhakken van de rotsen; zij zonden dan boden naar Delphi om te vragen, wat hen belemmerde. En de Pythia, zooals de Cnidiërs zelf zeggen, antwoordde in trimetrische verzen:
Doch bouwt geen toren daar op de engt', noch graaft ze door:
Zeus zelf toch maakte een eiland daar, had hij 't gewild
.
De Cnidiërs nu, toen de Pythia dit geantwoord had, staakten de doorgraving, en toen Harpagus met zijn leger aanrukte, gaven zij zich zonder te strijden aan hem over.

175. Boven Halicarnassus in het binnenland woonden de Pedaseërs, en zoo dikwijls hen een onheil zal treffen, henzelf zoowel als hun naburen, krijgt de priesteres van Athenaia een grooten baard. Dit is hun driemaal overkomen. Deze waren de eenige mannen in Carië, die Harpagus een tijdlang weerstand boden, en met zeer veel inspanning, terwijl zij een berg versterkten, wiens naam Lida is.

176. De Pedaseërs nu werden na eenigen tijd overwonnen, en de Lyciërs, toen Harpagus zijn leger in de xanthische vlakte voerde, trokken tegen hem op en, weinigen tegen velen strijdend, verrichtten zij dappere daden; doch overwonnen en in de stad teruggeworpen brachten zij in den burcht hun vrouwen en kinderen bijeen en hun goed en hun slaven, en daarna staken zij den burcht in brand en hij brandde geheel af. Dit deden zij dan, en zij zwoeren schrikkelijke eeden, en alle Xanthiërs trokken uit en vielen in den strijd. Van de nu levende Lyciërs, die zich Xanthiërs noemen, zijn de meesten vreemdelingen, op tachtig geslachten na; deze tachtig geslachten waren op dien tijd buiten de stad en bleven zoo behouden. Zoo geraakte Harpagus in bezit van Xanthus en bijna op de zelfde wijze veroverde hij Caunos; want de Cauniërs volgden de Lyciërs grootendeels na.

177. Het benedengedeelte van Azië onderwierp Harpagus dan, doch het hooge Cyrus zelf, terwijl hij volk voor volk onderwierp en geen enkel oversloeg. De meesten van hen zullen wij voorbijgaan, doch die hem de meeste moeite gaven en het merkwaardigste zijn, die zal ik vermelden.

178. Toen Cyrus het gansche vaste land onderworpen had, viel hij de Babyloniërs aan. In Assyrië zijn vele andere groote steden, doch de meest vermaarde en sterkste, en waar na de verwoesting van Ninus [Niniveh] de regeering gevestigd was, was Babylon, zijnde een stad van ongeveer deze geaardheid. Zij ligt in een groote vlakte, en is aan iedere zijde honderd en twintig stadiën groot, terwijl zij een vierkant vormt; deze stadiën van den omtrek der stad zijn te samen vierhonderd en tachtig. De grootte van de stad Babylon is nu zoo, en zij was versierd als geen andere stad, die wij kennen. Vooreerst omloopt haar een gracht, breed en diep en vol water; vervolgens is er een muur, vijftig koninklijke ellen in breedte en in hoogte tweehonderd ellen. De koninklijke el is drie vingers grooter dan de gewone.

179. Ik moet nu daarbij verhalen, waartoe de aarde uit de gracht gebruikt werd, en op welke wijze de muur gebouwd was. Terwijl zij de gracht groeven, maakten zij tegelijk tegels van de aarde, die uit de gracht gedragen werd, en toen zij genoeg tegels gekneed hadden, bakten zij ze in ovens. Daarna namen zij heeten aardpek als cement en stopten tusschen iedere dertig rijen van baksteenen rieten horden en trokken zoo eerst de randen van de gracht op, en daarna den muur zelf op de zelfde wijze. Boven op den muur aan beide randen bouwden zij huisjes van één vertrek, op elkander uitziende; en tusschen die gebouwtjes door lieten zij een rijweg voor een vierspan. Er waren honderd poorten in den muur, allen van metaal, en zoo ook de posten en de sluitbalken. Er is een andere stad, een achtdaagsche reis van Babylon verwijderd, Is geheeten. Daar is een niet groote rivier, en die rivier heet eveneens Is. Deze werpt haar water in de rivier Euphrates. Deze rivier Is nu levert tegelijk met haar water veel klompen aardpek, vanwaar de aardpek naar de muur van Babylon gebracht werd.

180. Babylon werd dan op zulk een wijze ommuurd, doch er zijn twee deelen van de stad. Want midden door haar heen loopt een stroom, wiens naam Euphrates is; hij stroomt uit Armenië, en is groot en diep en snel, en hij loopt uit in de Roode Zee [Indische zee]. De muur dus strekt aan weerszijden ellebogen naar den stroom uit; van dat punt buigen zij zich rechthoekig naar binnen en gaan langs iederen oever van de rivier als een dam van gebakken steenen. De stad, vol met huizen van drie en vier verdiepingen, is met rechte wegen doorsneden, zoowel de andere als de dwarsche die naar de rivier gaan. Aan iederen weg nu zijn in den dam daar langs de rivier poortjes, en zooveel straten er zijn, zooveel zijn ook die poortjes in getal. Deze waren ook van metaal, en strekten zich ook naar de rivier uit.

181. Deze muur dan is een pantser, en een andere muur loopt daar binnen, niet veel zwakker dan de eerste muur, maar smaller. In ieder van beide deelen der stad is in het midden opgericht, in het eene de koninklijke burcht met een groote en sterke ommuring, in het andere het metalenpoortige heiligdom van Zeus Belos, en dit bestond nog tot in mijn tijd, twee stadiën groot aan iedere zijde en vierkant. In het midden van het heiligdom is een stevige toren gebouwd, een stadium in lengte en in breedte, en op dien toren staat een andere toren, en daarop weder een andere, tot acht torens toe. En aan de buitenzijde is een trap gemaakt, die in een kring om alle torens gaat. In het midden van den trap is een rustplaats en zijn zetels om uit te rusten, waar de opstijgenden op gaan zitten om te rusten. In den laatsten toren is een groote tempel; in dezen tempel staat een groot, wel voorzien rustbed. Doch geen enkel godenbeeld is daar binnen opgericht, en geen der menschen brengt daar den nacht door, behalve alleen een vrouw van het land, welke de God uit allen kiest, zooals de Chaldeërs zeggen, die priesters van dien god zijn.

182. Want dezen beweren, voor mij niet geloofwaardig sprekende, dat de god zelf in den tempel komt en op het bed uitrust, evenals in Thebae in Egypte geschiedt, naar de Egyptenaars zeggen, (want ook daar slaapt een vrouw in den tempel van den thebaanschen god, en beiden worden gezegd met geen enkelen man zich te vereenigen) en evenals in Patara in Lycië de priesteres van den god, wanneer zij er is; want niet altijd is daar een orakel, doch indien het er is, dan wordt zij des nachts binnen in den tempel opgesloten.

183. In het babylonische heiligdom is beneden nog een andere tempel, waar een groot beeld is van den god, zittend en geheel van goud, en een groote gouden tafel staat daar bij, en zijn voetbank en zijn zetel zijn ook van goud. En naar de Chaldaeërs zeiden, is dit alles van achthonderd talenten goud gemaakt. Buiten den tempel is een gouden altaar. Er is nog een ander groot altaar, waar volwassen schapen worden geofferd; want op het gouden altaar mag niets geofferd worden behalve nog zuigende dieren alleen, maar op het grootere altaar verbranden de Chaldaeërs ieder jaar duizend talenten wierrook, wanneer zij het feest voor den god vieren. Er was in de heilige plaats ook in dien tijd nog een beeld van twaalf ellen, geheel van gedegen goud. Ik zag het zelf niet, maar wat door de Chaldaeërs gezegd wordt, dat zeg ik. Dit beeld had Darius, zoon van Hystaspes, in den zin weg te nemen doch hij durfde niet; Xerxes echter, de zoon van Darius, nam het weg, en doodde den priester, die hem verbood het beeld van zijn plaats te brengen. Zoo dan is de tempel versierd, en er zijn ook vele bijzondere wijgeschenken in.

184. Over dit Babylon waren vele en andere koningen, van welke ik in de Assyrische verhalen melding zal maken, die de muren versierden en de heiligdommen, en dan ook nog twee vrouwen. Zij die het eerste regeerde was vijf geslachten vóór de latere, en van naam Semiramis; zij liet dammen in de vlakte opwerpen, die bezienswaard zijn; want vroeger placht de rivier de gansche vlakte tot zee te maken.

185. De tweede dan, die na haar koningin was, en Nitocris heette, deze nu, verstandiger dan de vroegere heerscheres, liet vooreerst gedenkteekenen na, die ik vermelden zal, en dan, ziende dat het rijk der Meden groot was en niet rustte, doch dat verscheiden steden door hen veroverd werden, waaronder ook Ninus, nam zij voorzorgen zooveel zij kon. Want vooreerst maakte zij de rivier Euphrates, die eerst recht liep en midden door haar stad stroomt, door bovenaan kanalen te graven, zoo krom van loop, dat zij driemaal in haar loop langs een van de dorpen in Assyrië komt. Het dorp, waar de Euphrates langs komt, heet Ardericca. Ook nu nog komen zij die van deze zee naar Babylon gaan en de Euphrates afvaren, driemaal in drie dagen bij hetzelfde dorp. Dit dan maakte zij zoo, en zij liet een dam opwerpen langs iederen oever van den stroom, waardig om gezien te worden, hoe groot en hoe hoog hij is. Ver boven Babylon groef zij een kom voor een meer uit, op geringen afstand van den stroom, en in diepte overal gravende tot aan het water, en zij maakte den omtrek vierhonderd en twintig stadiën, en de uitgegraven aarde liet zij langs de oevers van de rivier ophoopen; toen de uitgraving geeindigd was, liet zij steenen aanvoeren en een muur rondom het meer optrekken. Zij deed beide die dingen, de kromming der rivier en dat geheele uitgegravene meer, opdat de rivier in vele krommingen gebroken, langzamer zou stroomen, en de vaart naar Babylon eveneens gekromd zou zijn, en na de vaart een lange tocht om het meer te wachten stond. Zij bracht die werken aan op dat punt van het land, waar de toegangen waren en waar de kortste weg uit het land der Meden is, opdat de Meden geen gemeenschap met haar volk zouden houden en niet met haar aangelegenheden bekend worden.

186. Met zulke dingen dan omgaf zij de stad door graven, en zij gebruikte ze nog tot het volgende tweede werk. Daar de stad uit twee deelen bestond, die de rivier midden tusschen zich hadden, moest iemand onder de vroegere koningen, wanneer hij wilde oversteken van het eene deel naar het andere, met een schip oversteken. En dat was, naar ik gis, lastig. Doch zij zorgde ook daarvoor, want toen zij het bekken voor het meer gegraven had, maakte zij van dat zelfde werk nog een tweede gedenkteeken, dat zij achterliet. Zij liet groote blokken steen houwen, en toen zij de steenen gereed had, en de plaats uitgegraven was, leidde zij den ganschen stroom van de rivier in de plaats, die zij uitgegraven had, en terwijl deze vol raakte, en in tusschentijd de oude bedding droog liep, richtte zij zoowel op de oevers van de rivier langs de rivier en de uitgangen van de poortjes, die naar den stroom leidden, met gebakken steenen een wal op, op dezelfde wijze als de stadsmuur, als bouwde zij ook ongeveer in het midden van de stad met de steenen, die zij uitgegraven had, een brug, de steenen met ijzer en lood verbindende. Zij legde op de brug, zoodra het dag werd, vierkante balken, waarop de Babyloniërs den overtocht maakten, doch des nachts namen zij die balken weder weg, daarom, opdat zij niet des nachts zouden oversteken en elkander bestelen. Toen het gegraven meer vol was geloopen door de rivier en de werken van de brug voltooid waren, leidde zij de rivier Euphrates weder uit het meer naar de oude bedding. En zoo bleek de uitgegraven kom, toen hij er was, van pas gemaakt te zijn, en was voor de burgers een brug gebouwd.

187. Deze zelfde koningin dacht ook de volgende list uit. Boven de meest betreden poort van de stad liet zij haar graf in gereedheid brengen, hoog boven op de poort, en op dit graf woorden inbeitelen, die het volgende zeiden: "Mocht een van de na mij komende koningen van Babylon gebrek aan geld hebben, hij opene dit graf en neme zooveel geld hij wil. Niet evenwel opene hij zonder gebrek; want dat ware hem schade."
Dit graf bleef onaangeroerd, tot het koningschap aan Darius kwam. Darius achtte het hard die poort niet te gebruiken, en terwijl er geld lag en het geld zelf er toe uitnoodigde, het niet te nemen. Hij maakte van die poort in 't geheel geen gebruik, wijl hij bij het doortrekken het lijk boven zijn hoofd had. Hij maakte het graf open, en vond geen geld, doch wel het lijk, en woorden die dit zeiden: "Indien ge niet onverzadelijk waart van geld en schraapzuchtig, niet zoudt ge de kamers van de dooden geopend hebben."
Deze koningin is dan, naar gezegd wordt, een zoodanige geweest.

188. Cyrus dan trok op tegen den zoon van deze vrouw, die zijn vaders naam Labynetus had en het rijk der Assyriërs. De groote koning nu trekt uit huis, wel voorzien van levensmiddelen en vee, en ook wordt water medegevoerd uit de rivier Choaspes, die langs Susa stroomt, en daarvan slechts drinkt de koning en niet van eenige andere rivier. En als dit water van de Choaspes gekookt is, voeren talrijke vierwielige muildierwagens het in zilveren vaten mede en volgen den koning, waarheen hij ook trekt.

189. Toen Cyrus op zijn tocht naar Babylon gekomen was bij de rivier Gyndes, wier bronnen in het Matiënische gebergte zijn, en die door de Dardaniërs heen stroomende in de rivier de Tigris valt, en deze weder langs de stad Opis vloeiende stort zich in de Roode Zee -, toen Cyrus de Gyndes, die men in schepen moet overvaren, wilde overtrekken, toen sprong een van de heilige witte paarden uit driestheid in den stroom en trachtte over te zwemmen, doch de stroom deed het verdwijnen in de diepte en sleurde het weg. Hevig was Cyrus vertoornd op den stroom, die dit misdreven had, en hij dreigde hem zoo zwak te maken, dat voortaan ook vrouwen hem gemakkelijk, zonder de knieën nat te maken, zouden doorwaden. En na die bedreiging liet hij af van den tocht tegen Babylon en verdeelde zijn leger in tweeën, en na deze verdeeling liet hij richtsnoeren spannen en honderdtachtig kanalen afpalen op iederen oever van de Gyndes, die in alle richtingen liepen; dan schaarde hij zijn leger en beval het te graven. Daar nu een groote menigte arbeidde, kwam het werk tot een eind, maar toch brachten zij den ganschen zomer daar met werken door.

190. Toen Cyrus zich op de Gyndes had gewroken en haar in driehonderd en zestig kanalen had gesplitst, en wederom de lente aanbrak, trok hij zoo naar Babylon. En de Babyloniërs trokken uit en wachtten hem op. Toen hij nu op zijn tocht dicht bij de stad was gekomen, geraakten zij met hem in gevecht en, overwonnen in den strijd, werden zij in de stad opgesloten. Daar zij echter reeds vroeger wisten, dat Cyrus niet stil zat, doch hem alle volken zagen aanvallen, hadden zij voor vele jaren levensmiddelen in de stad gebracht. Daarom bekommerden zij zich gansch niet om het beleg, en Cyrus geraakte in verlegenheid, daar veel tijd voorbijging en de zaken geenszins verder kwamen.

191. Hetzij nu een ander het hem in zijn verlegenheid voorsloeg, hetzij hij zelf begreep wat hij doen moest, hij deed het volgende. Hij schaarde zijn gansche leger, het eene deel daar waar de rivier in de stad komt, en het andere deel achter de stad, waar de rivier uit de stad treedt, en beval aan het leger, wanneer zij den stroom doorwaadbaar zouden zien, dan er door heen in de stad te vallen. Zoo nu ze geplaatst en dat bevolen hebbend, trok hij zelf weg met het niet strijdbare deel van het leger. En bij het meer gekomen, deed Cyrus wat de babylonische koningin had gedaan met de rivier en het meer, dat zelfde deed hij nog eens. Want door een kanaal voerde hij de rivier in het meer, dat een poel was, en maakte de oude bedding doorwaadbaar, daar het water was gezakt. Toen dit geschied was, drongen de Perzen, juist voor dat doel geplaatst bij de bedding van de Euphrates, die zoover gedaald was, dat zij een man ongeveer midden aan de heup kwam, zoo drongen zij daardoor in de stad. Indien nu de Babyloniërs vernomen hadden of gezien wat door Cyrus gedaan werd, zouden zij de Perzen rustig in de stad hebben laten komen, en hen op 't slechtst vernietigd hebben; want alle poorten sluitende die op de rivier uitkomen, en zelf op de muren geklommen, die langs de oever liepen, zouden zij genen als in een net gevangen hebben. Doch nu overvielen hen de Perzen gansch onverhoeds. Door de grootte van de stad, zoo zeggen de menschen die daar wonen, waren de buitenwijken der stad reeds genomen en wisten de in het midden wonende Babyloniërs niets van de verovering, maar (want het was juist feest voor hen) zij dansten dien tijd en verkeerden in vroolijkheid, tot zij het zeer duidelijk vernamen. En Babylon werd zóó voor de eerste maal genomen.

192. De macht van de Babyloniërs kan ik met vele andere dingen bewijzen, hoe groot zij is, en vooral door het volgende. Den grooten koning is tot onderhoud van zich zelf en van zijn leger het gansche land, waarover hij heerscht, buiten de schatting, toegedeeld. Terwijl er nu twaalf maanden in een jaar zijn, onderhoudt hem het babylonische gebied vier maanden, en acht maanden het gansche overige Azië. Zoo dus is het assyrische land in macht het derde deel van het overige Azië. En het bestuur over dat gebied, dat de Perzen een satrapie noemen, is van alle besturen het belangrijkste, zooals het dan ook aan Tritantaechmes, den zoon van Artabazus, die van den koning dit gewest heeft, iederen dag een artabe vol zilver opbrengt: de artabe is een perzische maat en bevat drie attische choenicen meer dan een attische medimne. [1 medimne = 48 choenicen = 52,5 liter.] Hij had voor zich, behalve de oorlogspaarden, achthonderd dekhengsten, en zestienduizend merries, want ieder van die hengsten dekt twintig merries. En er werd zulk een menigte van indische honden gehouden, dat vier groote dorpen in de vlakte in andere opzichten belastingvrij zijn, doch verplicht den honden voedsel te verschaffen. Zoo zijn de zaken voor den satraap van Babylon.

193. In het land der Assyriërs valt weinig regen, en wat den wortel van het graan voedt is het volgende. Door drenking uit de rivier wordt het zaad rijp en groeit het graan, niet, zooals in Egypte, doordat de rivier zelf op de akkers treedt, doch door bevochtiging met handen en schepwerktuigen. Want het gansche babylonische land, is evenals het egyptische, van kanalen doorsneden, en het grootste dier kanalen is bevaarbaar en loopt in de richting van de winterzon; het gaat van de Euphrates naar een andere rivier, naar de Tgris, waaraan de stad Ninus gebouwd was. Deze streek is van alle, die wij kennen, de beste om de vrucht van Demeter voort te brengen. Want andere boomen tracht zij niet eenmaal te dragen, noch den vijgeboom, noch den wijnstok, noch den olijfboom. Doch om Demeters vrucht voort te brengen is zij zoo voortreffelijk, dat zij in 't gemeen tweehonderdvoudig geeft, doch als zij op het best voortbrengt, driehonderdvoudig opbrengt. De bladeren van de tarwe en de gerst worden daar licht vier vingers breed. Doch tot welke grootte de boom van de gierst en de sesam groeit, dat weet ik wel, maar zal het niet vermelden, wel wetende, dat voor hen, die niet in het babylonische land geweest zijn, ook wat over de vruchten gezegd is, ongelooflijk zal schijnen. Olie hebben zij niet, doch maken zoo iets uit de sesams. Er groeien over het gansche veld palmboomen bij hen, de meesten van dezen geven vruchten, waaruit zij spijs en wijn en honig bereiden; zij behandelen ze overigens even als de vijgeboomen, en van de palmen, die de Hellenen manlijk noemen, van dezen binden zij de vruchten aan de dadelsdragende palmen, opdat de galwesp ze rijp make als hij in de dadel kruipt, en de vrucht van den palm niet afvalle; want de manlijke palmen hebben galwespen in de vrucht evenals de wilde vijgen.

194. Wat van alle dingen daar het meest bewonderenswaard is na de stad zelf, zal ik nu gaan verhalen. De vaartuigen, die zij hebben om langs de rivier naar Babylon te trekken, zijn rond van vorm en geheel van leder. Want nadat zij bij de Armeniërs, die boven de Assyriërs wonen, ribben van wilgenhout hebben doen snijden, spannen zij daarover van buiten huiden tot bedekking, bij wijze van een bodem, zonder een achtersteven af te scheiden, of ze in een voorsteven samen te buigen, doch zij maken het vaartuig als een schild rond van vorm, vullen het geheel met biezen, en laten het dan met waren beladen den stroom afgaan; zij voeren vooral palmhouten vaten naar beneden vol wijn. Het vaartuig wordt gestuurd met twee riemen en door twee mannen, die rechtop staan, en de een trekt zijn riem naar binnen, de ander duwt hem naar buiten. Deze vaartuigen worden zeer groot gemaakt, doch ook kleiner; de grootste van hen dragen een last van zelfs vijfduizend talenten. In ieder vaartuig is een levende ezel, maar in de grootere zijn er meer. Wanneer zij nu naar Babylon gevaren zijn en hun vracht uitgestald hebben, dan verkoopen zij terstond de ribben van het vaartuig en al het riet, laden de huiden op de ezels en trekken zoo naar de Armeniërs. Want den stroom op te varen is op geen wijze mogelijk door de snelheid van de rivier; want daarom ook maken zij de vaartuigen niet van hout, maar van huiden. Wanneer zij hun ezels weder naar de Armeniërs gedreven hebben, maken zij op de zelfde wijze andere vaartuigen. Zoo dan zijn hun vaartuigen.

195. Zij gebruiken de volgende kleedij: een linnen lijfrok die tot de voeten reikt, en boven dezen trekken zij een anderen lijfrok van wol aan en werpen er een kleinen witten mantel om; zij hebben een eigenaardige voetbekleeding, veel gelijkend op het boeotische schoeisel. Zij laten het hoofdhaar groeien en binden er doeken om heen; ook zalven zij zich over het gansche lichaam. Een ieder heeft een zegelring en een met de hand bewerkten staf: op iederen staf is een appel gemaakt, of een roos, of een lelie of een adelaar, of iets anders; want het is bij hen geen zede een staf zonder zulk een teeken te hebben. Zoo dan is hun wijze van lichaamsversiering.

196. Hun gebruiken zijn de volgende; en het verstandigste volgens onze meening, dat ook de Veneters onder de Illyriërs hebben, naar ik verneem, was dit. In alle dorpen werd eenmaal in ieder jaar het volgende gedaan. Wanneer de maagden huwbaar geworden waren, brachten zij ze, om ze te verzamelen, op één plaats bij elkander, en om haar heen stond een schaar van mannen. Een heraut liet ze een voor een opstaan en bood ze te koop aan, eerst de schoonste van allen, daarna, als gene bij haar verkoop veel goud gewonnen had, riep hij een ander op, die na gene de schoonste was. Doch zij werden verkocht om te huwen. Zoovelen nu welgesteld waren van de babylonische trouwlustigen, dezen joegen elkander op en kochten de schoonsten, doch die trouwlustig waren onder het lagere volk, dezen verlangden geenszins een fraai uiterlijk, doch ontvingen het geld met de leelijke maagden. Want als de heraut ten einde was met het verkoopen van de schoonste maagden, dan liet hij de leelijkste opstaan, of een die gebrekkig was, en die riep hij rond, wie voor het minste goud met haar wilde huwen, tot zij werd toegewezen aan hem die het minste verklaarde te willen ontvangen. Het goud kwam van de schoone maagden, en zoo dan huwlijkten de schoonen de leelijken en gebrekkigen uit. Het was niemand geoorloofd, zijn eigen dochter, aan wien hij wilde, uit te huwelijken, noch mocht hij die een maagd gekocht had, zonder borgstelling haar wegvoeren, doch hij moest borgen stellen en zweren haar te zullen huwen, en dan eerst haar medenemen; indien zij niet pasten bij elkander, dan was het wet om het goud terug te geven. Het stond een ieder vrij, als hij uit een ander dorp komen wilde en koopen. Dit nu was hun schoonste gebruik, doch het is niet tot nu blijven bestaan, doch iets anders hebben zij kort geleden uitgedacht, opdat hun dochters geen leed zou worden aangedaan en zij niet naar een andere stad zouden worden gebracht. Want sinds zij na de verovering van Babylon tot gebrek vervielen en alle have verloren, laat een elk van het volk, bij gebrek aan levensonderhoud, zijn dochters hoereeren.

197. Het tweede in verstandigheid is het volgende gebruik. Zij dragen de zieken naar den markt, want geneesheeren hebben zij niet. Zij gaan dan naar de zieken toe en geven raad over zijn ziekte, indien een van hen dezelfde kwaal heeft gehad als de zieke, of iemand zag, die ze had. Zij komen dan dàt als raad geven en aanbevelen, waardoor zij zelf een dergelijke ziekte ontkomen zijn, of een ander hebben zien ontkomen. En zwijgend een zieke voorbijgaan mogen zij niet, vóór hem gevraagd is, welke ziekte hij heeft.

198. Zij balsemen de dooden met honig; de rouw is ongeveer als bij de Egyptenaars. Zoo dikwijls een Babyloniër met zijn vrouw zich vereenigd heeft, ontbrandt hij wierook en gaat daarbij zitten, en aan de andere zijde doet de vrouw hetzelfde; als het ochtend geworden is baden zij zich beiden, want zij raken geen vaatwerk aan voor zij zich gewasschen hebben. Dat zelfde doen ook de Arabieren.

199. De schandelijkste zede is bij de Babyloniërs de volgende. Iedere inlandsche vrouw moet eenmaal in haar leven in den tempel van Aphrodite gaan zitten en zich met een vreemdeling vereenigen. Vele vrouwen nu, die niet dulden zich onder de anderen te mengen, uit trots op haar rijkdom, rijden in overdekte wagens naar den tempel, en blijven daar, en vele slavinnen volgen haar. Doch de meesten doen zóó: vele vrouwen zitten in den tempel van Aphrodite en hebben een krans van strikken om het hoofd: want sommigen komen aan, anderen gaan weg. En in alle richtingen gaan paden door de vrouwen heen, waardoor de bezoekers loopen als zij uitkiezen. Wanneer een vrouw daar eenmaal zit, wordt zij niet eerder naar huis gezonden, voordat een der vreemdelingen haar zilver in den schoot heeft geworpen en zich met haar vereenigd heeft buiten den tempel. En als hij het er in werpt, moet hij zeggen: "ik roep de godin Mylitta tegen u op". Mylitta heet Aphrodite bij de Assyriërs. Het zilver zij groot of klein, zij zal het niet afwijzen, want dat is haar niet geoorloofd, want dat zilver is heilig. Zij volgt hem, die het eerst zilver toewerpt, en versmaadt niemand. Wanneer zij zich vereenigd heeft en haar heilige plicht jegens de godin vervuld, gaat zij naar huis, en van dien tijd, zult ge haar niet zoo iets groots geven, dat ge haar krijgen zult. De vrouwen nu, die uitnemend zijn door schoonheid en in gestalte, dezen gaan spoedig heen, doch die leelijk zijn, wachten langen tijd zonder de plicht te kunnen vervullen. Want verscheidene wachten drie of vier jaren lang. Op eenige plaatsen van Cyprus is een dergelijk gebruik.

200. Deze zeden dan bestaan bij de Babyloniërs. En er zijn drie stammen onder hen, die niets anders eten dan alleen visschen, die ze eerst vangen en in de zon droogen, en dan doen ze het volgende: zij werpen ze in een vijzel, vermalen ze met stampers en zeven door linnen; en die wil van hen, kneedt het tot een deeg, of bakt het als brood.

201. Toen ook dit volk door Cyrus onderworpen was, begeerde hij de Massageten onder zijn macht te brengen. Dit volk is, naar men zegt, groot en krijgshaftig, en woont naar den dageraad en den zonsopgang, over de rivier de Araxes, en tegenover de Issodonen. Er zijn er die zeggen, dat dit volk Scythisch is.

202. De Araxes is volgens de berichten grooter en dan weer kleiner dan de Ister. Men zegt, dat er vele eilanden in zijn, ongeveer zoo groot als Lesbos, en dat daarop menschen leven, die des zomers zich met allerlei opgegraven wortels voeden, doch de rijpe boomvruchten die zij vinden bewaren zij, en die eten zij des winters; er worden nog andere boomen bij hen gevonden, die zoodanige vruchten dragen, dat, wanneer zij in troepen bijeengekomen zijn en een vuur hebben aangestoken, en zij er om heen zitten in een kring en die vruchten in het vuur werpen, dan ruiken zij de brandende ingeworpen vrucht en worden dronken van de geur, evenals de Hellenen van den wijn, en als er meer vrucht opgeworpen wordt, worden zij sterker dronken, tot zij zich verheffen om te dansen en aan het zingen gaan. Zoo is hun leefwijze, naar men zegt. De rivier de Araxes komt uit het land der Matiënen, waaruit ook de Gyndes komt, die Cyrus in de driehonderd en zestig kanalen splitste; en zij stroomt uit met veertig monden, die allen op één na in moerassen en poelen uitkomen, waarin menschen heeten te wonen, die rauwe visch eten en voor kleeding zeehondenvellen plegen te dragen. Die eene mond van de Araxes loopt door zuiver land naar de Caspische zee. De Caspische zee bestaat op zichzelf, zonder verbinding met de andere zee. Want de gansche zee, die de Hellenen bevaren, en de zee buiten de zuilen van Heracles, de Atlantische genaamd, en de Roode Zee zijn één enkele zee.

203. Doch de Caspische zee is een andere en staat op zichzelf; in lengte is zij voor iemand, die een roeischip gebruikt, een vaart van vijftien dagen lang, en in de breedte, waar zij op haar breedst is, een van acht dagen. En aan de avondzijde strekt zich de Caucasus uit, die in omvang het grootste en in grootte het hoogste is der gebergten. Vele volken en van vele soorten heeft de Caucasus in zich, die bijna geheel van wilde boomen leven. Daar zijn ook boomen, naar men zegt, met bladeren van zulk een aard, dat men, ze fijnwrijvende en met water mengend, er figuren mede op het gewaad kan schilderen; deze figuren wasschen niet weg, doch worden oud met de andere wol zelf, alsof zij er van den aanvang ingeweven waren. De paring van deze menschen geschiedt in het openbaar, evenals bij het vee.

204. De avondzijde van deze dusgenoemde Caspische zee sluit de Caucasus af, maar aan de zijde van den zonsopgang sluit zich een vlakte aan in uitgestrektheid onbegrensd en onafzienbaar. En van die groote vlakte is niet het kleinste deel in bezit van de Massageten, tegen welke Cyrus in den zin had op te trekken; want vele en groote dingen waren er die hem aanspoorden en prikkelden; vooreerst zijn geboorte, waardoor hij meer dan een mensch meende te zijn; daarna de voorspoed, dien hij bij zijn oorlogen gehad had; want waarheen ook Cyrus zijn tocht richtte, was het dat volk onmogelijk te ontkomen.

205. Een vrouw was, na den dood van haar man, koningin van de Massageten; Tomyris was haar naam. Naar deze vrouw zond Cyrus boden en wierf om haar in schijn, doch Tomyris, begrijpende dat hij niet naar haar dong, doch naar de heerschappij over de Massageten, wees zijn aanzoek af. Daarop rukte Cyrus, toen het hem met list niet gelukt was, naar de Araxes en ving openlijk den veldtocht tegen de Massageten aan, bruggen leggende over de rivier voor den overtocht van zijn leger, en torens bouwende op de schepen, die de rivier overstaken.

206. Terwijl hij met dit werk bezig was zond Tomyris hem een heraut en zeide het volgende: "O koning der Meden, houd op te jagen, wat gij jaagt; want gij kunt niet weten, of de volbrenging u van voordeel zal wezen. Houd op en heersch over het uwe, en verdraag het, ons ziende beheerschen wat wij beheerschen. Daar gij niet dezen raad zult willen volgen, doch alles liever doen dan in rust blijven, indien gij dan zoo hevig begeert met de Massageten te kampen, wel aan, laat af van de moeite, die gij hebt, de rivier overbruggend; wij zullen een weg van drie dagen van de rivier terugwijken en gij trekt over naar ons land. Indien gij liever ons in het uwe wilt ontvangen, doe gij dan dat zelfde." Na die boodschap riep Cyrus de eersten der Perzen bijeen, en toen hij hen verzameld had, legde hij hun de zaak voor, om met hen te beraadslagen, wat hij doen zou. En hun meeningen liepen uit op het zelfde, daar zij rieden Tomyris en haar leger in zijn land af te wachten.

207. Cresus de Lydiër echter was er bij, en die meening afkeurend, openbaarde hij een meening tegenovergesteld aan de aangebodene, zeggende: "O koning, vroeger reeds heb ik gezegd, dat, nu Zeus mij aan u gegeven heeft, waar ik een onheil voor uw huis zie, ik het naar mijn kracht zal afwenden. Mij is mijn ramp een smartelijke leering geweest. Indien gij onsterflijk waant te wezen en ook over een zoodanig leger te heerschen, dan zou het van geen nut zijn u mijn meening te openbaren; doch als ge inziet, dat ook gij een mensch zijt en heerscher over andere menschen, begrijp dan eerst dit, dat er een kringloop is in de menschlijke zaken, die in zijn ommegang niet altijd dezelfden toelaat voorspoedig te wezen. Ik dan heb over de vóórgebrachte zaak de tegenovergestelde meening van genen. Want indien wij de vijanden in het land willen ontvangen, is daar dit gevaar in voor u: bij een nederlaag zult ge uw gansche rijk tevens verliezen; duidelijk toch is, dat de Massageten als overwinnaars niet naar achteren zullen vlieden, doch naar uw landen trekken. Overwint gij, niet overwint gij dan zóózeer, als indien ge naar hun land overtrekkende, de Massageten overwint en hen op hun vlucht najaagt. Want dat zelfde wil ik tegenover dat van straks stellen, dat gij uw tegenstanders overwonnen hebbend terstond naar het rijk van Tomyris rukt. Doch ook buiten het aangevoerde is het schandelijk en niet te dulden, dat Cyrus, de zoon van Cambyses, voor een vrouw zou wijken en uit het land terugtrekken. Nu daarom raad ik u over te trekken en voort te rukken, zoover als genen teruggaan, en dan op de volgende wijze te trachten hen te overmeesteren. Want zooals ik verneem, zijn de Massageten onbekend met de goede dingen der Perzen en onervaren in groote heerlijkheden. Laat dan voor die mannen ruimelijk vele schapen neerhouwen en toebereiden en disch ze op als maaltijd in ons kamp, daarbij ook rijkelijk kruiken met ongemengden wijn en ook velerlei spijzen. Als wij dat gedaan hebben, dan moeten wij het slechtste deel van het leger daar achterlaten, en de overigen weder terugwijken naar den stroom. Want indien ik niet faal in mijn meening, dan zullen genen, die vele goede dingen ziende, er zich aan begeven en ons dan blijft de verrichting van groote daden."

208. Deze meeningen dan stonden tegenover elkander, en Cyrus liet de eerste meening varen, koos die van Cresus, en zeide Tomyris aan terug te trekken, daar hij tot haar zou oversteken. Zij dan week terug, zooals zij vroeger beloofd had. En Cyrus plaatste Cresus in de handen van zijn zoon Cambyses, wien hij het koninkrijk zou geven, en hem met drang bevelende genen te eeren en goed te behandelen, indien de overtocht naar de Massageten niet goed afliep, dit nu bevelend en hen naar Perzië zendend trok hij zelf den stroom over en zijn leger met hem.

209. Toen hij de Araxes was overgegaan en de nacht was aangebroken, zag hij, slapende in het land van de Massageten, een droom, den volgenden: Cyrus waande in den slaap den oudsten van Hystaspes' zonen te zien met vleugels aan de schouders, en met den eenen daarvan Azië, met den anderen Europa beschaduwen. Onder de zonen van Hystaspes, den zoon van Arsames, uit het geslacht der Achaemeniden, was Darius de oudste, toen hoogstens een twintig jaar in leeftijd, en deze was in Perzië achtergelaten, want nog niet had hij den leeftijd om mede te trekken. Toen Cyrus nu ontwaakt was, overwoog hij den droom bij zichzelf, en daar hem het gezicht zeer belangrijk scheen te wezen, liet hij Hystaspes roepen en nam hem alleen en zeide: "Hystaspes, uw zoon is betrapt, dat hij mij en mijn heerschappij belaagt: dat ik dit zeker weet, zal ik bewijzen. Over mij waken de goden en toonen mij van te voren al wat dreigt. En in den voorbijgeganen nacht slapende zag ik den oudste van uw zonen, vleugels aan de schouders hebbend, en met eenen daarvan Azië, met den anderen Europa beschaduwen. Niet derhalve is het naar dat gezicht anders mogelijk, dan dat hij mij belaagt. Ga gij daarom zoo snel mogelijk terug naar Perzië, en zorg, wanneer ik, dit volk overwonnen hebbend, dààr gekomen ben, dat ge uw zoon voor onderzoek tot mij brengt."

210. Cyrus nu meenende dat Darius hem belaagde, zeide dit; hem echter had de godheid geopenbaard, dat hij op die plaats zou sterven, doch het koninkrijk op Darius overgaan. Hystaspes echter antwoordde met het volgende: "O koning, mocht er geen perzisch man geboren zijn, die u belagen wil! Indien echter er een is, dat hij ten snelste sterve. U, die de Perzen van slaven vrij hebt gemaakt, en in plaats van beheerscht te worden hen over alle andere hebt doen heerschen! Doch indien u het droomgezicht verkondigt, dat mijn zoon op onheil zint over u, ik zal hem u overgeven, dat ge met hem doet, wat ge wilt." Na deze woorden trok Hystaspes de Araxes over en ging naar Perzië om voor Cyrus zijn zoon Darius te bewaken. Doch Cyrus een dagreis van de Araxes voortgetrokken zijnde, deed wat Cresus had voorgeslagen. Toen vervolgens Cyrus en het strijdvaardige deel van het leger naar de Araxes waren teruggeweken en het onbruikbare was achtergelaten, trok het derde deel van het leger der Massageten aan en doodde de achtergeblevenen van Cyrus' leger niet zonder tegenweer, en het voorhandene maal ziende, legden zij zich neder na de overwinning op de tegenstanders en spijsden; en verzadigd van spijs en drank sliepen zij. En de Perzen rukten aan en doodden velen van hen, veel meer nog namen zij levend gevangen, èn anderen èn den zoon der koningin Tomyris, den veldheer der Massageten, wiens naam Spargapises was.

212. Toen zij vernomen had, wat met het leger en haar zoon was geschied, zond zij een heraut aan Cyrus en zeide dit: "van bloed onverzadelijke Cyrus, verhef u niet te zeer op wat geschied is, indien gij met de vrucht des wijnstoks, van welke vol zijnde gij zóó raast, dat terwijl de wijn in het lichaam omlaag stroomt, booze woorden bij u opstijgen, indien gij met zulk een gif mijn zoon bedrogen hebt en overmeesterd, doch niet met kracht in den strijd. Neem dan nu het woord aan van mij, die u goed raad, geef mij mijn zoon terug en ga ongestraft weg uit dit land, nadat gij het derde deel van het leger der Massageten onteerd hebt. Indien gij dit niet doen zult, bezweer ik u bij de zon, den heer der Massageten, voorwaar, ik zal u, den onleschbaren, van bloed verzaden."

213. Cyrus echter sloeg geenszins acht op deze boodschap, doch Spargapises, de zoon der koningin Tomyris, toen de wijn hem verlaten had en hij inzag in welken ramp hij was, toen smeekte hij Cyrus uit zijn boeien bevrijd te worden en verkreeg dit, doch zoodra hij bevrijd was en meester was van zijn handen, bracht hij zich om.

214. En hij dan stierf op zulk een wijze, doch Tomyris, toen Cyrus niet naar haar luisterde, verzamelde haar gansche macht en trof met Cyrus samen. Dezen slag acht ik den heftigste van alle die tusschen barbaren geleverd zijn, en naar ik verneem heeft hij zich aldus toegedragen. Eerst stonden zij op een afstand van elkander, naar gezegd wordt, en schoten met pijlen; daarna echter, toen de pijlen verschoten waren, vielen zij aan op elkander en grepen elkander aan met speeren en zwaarden. Langen tijd nu bleven zij in strijd gewikkeld en geen van beiden wilde vluchten; eindelijk echter overwonnen de Massageten. Het grootste deel van het perzische leger kwam op die plaats zelf om, en ook Cyrus zelf sneuvelde, en zijn regeering had in het geheel negen en twintig jaren geduurd. Tomyris vulde een zak met menschenbloed en zocht onder de dooden het lijk van Cyrus; toen zij het gevonden had, duwde zij zijn hoofd in den zak, en het lijk schendende, zeide zij het volgende: "gij hebt mij, die leef en u in den strijd overwonnen heb, te gronde gericht mijn zoon door list vangende, doch ik zal u, zooals ik gedreigd heb, van bloed verzadigen." Van de vele verhalen, die over het einde van Cyrus' leven gezegd worden, wordt dit als het geloofwaardigste door mij bericht.

215. De Massageten gelijken in kleederdracht en in levenswijze op de Scythen; zij strijden zoowel te voet als te paard, want beiden doen zij; zij hebben bogen en speeren, en dragen gewoonlijk strijdaksten. Zij gebruiken voor alles goud en koper, want alles wat tot speeren en pijlen en bijlen behoort, daarvoor gebruiken zij altijd koper, maar voor het hoofd en gordels en borststukken, nemen zij goud als versiering. Evenzoo omgeven zij de borst van de paarden met koperen pantsers; doch de teugels en de gebitten versieren zij met goud. IJzer en zilver gebruiken zij in 't geheel niet; want die zijn niet in hun land, goud daarentegen en koper overvloedig.

216. Zij hebben de volgende zeden: iedere man huwt wel een vrouw, doch zij hebben de vrouwen in gemeenschap. Want wat de Hellenen zeggen dat de Scythen doen, dat doen de Scythen niet, doch de Massageten. Want als een Massageet een vrouw begeert, dan hangt hij zijn pijlkoker voor haar wagen op en vereenigt zich met haar zonder schroom. Er is bij hen geen andere grens voor den leeftijd bepaald, doch wanneer een man zeer oud is geworden, dan komen zijn verwanten bijeen en slachten hem, en ander vee met hem, en zij koken het vleesch en houden er feest van. Dit achten zij het gelukkigste einde, doch die door een ziekte sterft, dien eten zij niet op, doch zij begraven hem in de aarde, en jammeren er over dat hij niet tot het slachten is gekomen. Zij zaaien niets, doch leven van vee en visschen, en deze geworden hun overvloedig uit de rivier de Araxes. Zij zijn melkdrinkers. Van de goden vereeren zij alleen de zon, aan wie zij paarden offeren. De zin van dit offer is deze: aan den snelsten der goden wijzen zij het snelste van al wat sterfelijk is toe.

 

----------------------------------------------------------