Medea

Treurspel van Euripides
in de vertaling van Dr. Chr. Deknatel

H.J.Paris * Amsterdam

 

Personen

Medea
Jason
Hun twee kinderen
Voedster
Dienaar, opvoeder van de kinderen
Creon, koning van Corinthe
Aegeus, koning van Athene
Bode
Koor van Corinthische vrouwen

 

De eerste opvoering van het oorspronkelijke treurspel van Euripides vond plaats in het Dionysus-theater te Athene, in het voorjaar van 431 v. Chr. Naar het handschrift van Dr. Deknatel´s vertaling werd het stuk het eerst ten tooneele gebracht in den Stadsschouwburg te Amsterdam, den 21en Maart 1936. De opvoerenden waren leden van de Amsterdamsche Tooneelvereeniging onder directie van A. van Dalsum en A. Defresne.

 

Voor eenige plaatsen, deze vooral in de latere gedeelten, was de vertaling van Dr. Deknatel alleen in voorloopig concept aanwezig. Bedoelde plaatsen zijn overeenkomstig de algemeene opvattingen van den overleden auteur herzien en in den definitieven vorm gebracht door Dr. J.D. Meerwaldt, onder wiens toezicht dit nagelaten werk is uitgegeven.

 

Korte Inhoudsopgave

Dank zij de hulp van de Colchische koningsdochter Medea heeft Jason weleer het gulden vlies veroverd en dank zij alleen haar bereidheid om alles, ook het dierbaarste, voor hem op te offeren, is hij behouden weergekeerd. Na een kortstondig verblijf in het Thessalische Iolcos vandaar uitgeweken, wonen Jason en Medea sedertdien in het gastvrije Corinthe, waar koning Creon den scepter voert. Als deze vorst zijn dochter aan Jason aanbiedt als gemalin, besluit de ijdele held zijn "barbaarsche" (niet-Grieksche) echtgenoote voor de Corinthische prinses te verstooten; uit vrees voor een wraakoefening harerzijds gelast Creon Medea, zoo aanstonds en mèt haar kinderen het land te verlaten. Medea weet echter een dag uitstel te verkrijgen en in dien eenen dag volvoert zij het vreeselijk plan, dat langzaam in haar is gerijpt en dat na een onderhoud met den mooi-prater Jason zijn vasten vorm heeft gekregen. Voorgevend, dat zij zich schikken zal in het onvermijdelijke laat zij door haar beide zoontjes de bruid een huwelijksgeschenk aanbieden, een feestgewaad met bijbehoorend diadeem. Gewaad en diadeem zijn echter met een toover-gif bestreken en als weldra de huwelijksplechtigheid plaats vindt, komen zoowel de jonge bruid als ook Creon, die haar lichaam in de armen neemt, op afschuwelijke wijze om. Hiermede is Medea´s wraakplan ten halve volvoerd; zij zal het voltooien - zij het na een bovenmenschelijken zielestrijd - door eigenhandig haar beide kinderen te dooden. Slechts zoo, zij weet het, is Jason "recht in het hart" te treffen. Wanneer deze dan aanstonds komt toegesneld om zijn kinderen te beschermen voor de woede der Corinthiërs, is Medea´s daad volbracht en zijzelf reeds buiten het bereik van menschenhanden. Hoog op een met draken bespannen wagen, haar toegezonden door den stamvader van het Colchisch koningshuis, den Zonnegod, verdwijnt zij na enkele laatste, hoonende woorden tot Jason voor diens verbijsterde blikken in de lucht, de doode lichamen van hun beider kinderen met zich voerend. Zelf zal zij een wijkplaats vinden bij koning Aegeus in Athene; tevoren, tijdens een bezoek aan Corinthe, heeft deze haar reeds zijn bescherming toegezged.

 

MEDEA

Het stuk speelt te Corinthe, vóór het huis van Medea. De oude voedster komt naar buiten.

Voedster:
Ach, ware de Argo nooit de blauwe poort
der Symplegaden door naar Colchi heen
gevlogen; ware in Pelions dal geen boom
ooit neergevallen, om met riem en roer
de hand te waap´nen van de helden, die
voor Pelias streefden naar d´ algouden vacht.
Dan ware ook nooit Medea, mijn gebiedster,
naar Iolcos´ burchten heengevaren, toen
liefde voor Jason haar van zinnen bracht;
dan waren Pelias´ dochters niet door haar
schuldig geworden aan heur vaders dood,
en zou zij nu ook niet met haar gemaal
en kind´ren in Corinthe hier vertoeven,
in ´t gastvrij ballingsoord welgaarne ontvangen,
en zelve in alles Jasons trouwe bijstand -
want dat is in het leven ´t grootste heil,
als tusschen man en vrouw geen tweespalt is.
Maar nu is ´t haat, en ´t liefste dreigt gevaar.
Jason verraadt haar en zijn eigen kroost;
want bruigom werd hij van een koningskind,
wier vader, Creon, heer is van dit land.
Medea, in haar ziel en eer getroffen,
roept al zijn eeden, roept zijn eerewoord
weer voor den geest en goden tot getuigen,
hoe ´t haar vergaat, hoe Jason ´t haar vergeldt.
Elk voedsel weig´rend ligt zij neer, en kwijnt
van smart, in tranen smeltend al den tijd,
sinds zij zich door haar man verraden weet;
zonder ooit op te zien of van den grond
´t gelaat te beuren; maar een rots gelijk
of als der golven branding blijft zij doof
voor vriendenraad, tenzij ze nu en dan
den hals, d´ alblanken wendt en in zich zelf
om haren vader jammert, om haar land
en huis en zooveel liefs, dat zij verliet,
om hem te volgen, die haar nu verraadt.
Bittre ervaring doet haar ondervinden,
hoe zoet het is, in ´t eigen land te zijn.
Haar kind´ren schuwt ze en ziet ze zonder vreugde;
op booze dingen zint zij, naar ik vrees.
Zwaar is haar geest; zij zal geen smart verdragen;
ik ken Medea, en ik vrees, ik vrees haar:
zij is te duchten; wie haar wraaklust tart,
die zingt zoo spoedig niet zijn zegezang.
Doch zie, het spelen moede met den hoepel
komen haar kind´ren thuis, maar weten, noch
beseffen iets van ´t geen hun moeder lijdt;
een jonge ziel kent ´s werelds zorgen niet.

De twee zoontjes van Medea, gevolgd door den dienaar, komen op.

Dienaar:
Zeg mij, oud huisbezit van mijn gebiedster,
wat staat gij hier zoo eenzaam bij de poort
al booze dingen tot uzelf te spreken?
Hoe wil Medea ´t stellen buiten u?

Voedster:
Ach, grijze volgeling van Jasons kroost,
getrouwe dienaars treft des meesters leed
als eigen leed en grijpt het diep in ´t hart.
´t Werd mij althans zoo droef te moede, dat
ik hier mijn hart ging luchten en voor aarde
en hemel van Medea´s lot getuig.

Dienaar:
Dus is haar jammerklacht nog niet verstomd?

Voedster:
Dacht gij? ´t begint pas; ´t ergste moet nog komen.

Dienaar:
Verdwaasde, als ´k van mijn meesters dat mag zeggen,
nu zij van ´t jongste leed nog niets vermoedt.

Voedster:
Wat is er oude? Spreek! Misgun ´t mij niet.

Dienaar:
Neen niets; ´k herroep mijn woorden; er is niets.

Voedster:
Neen, bij uw grijsheid; houd een lotgenoot
het niet geheim; ´k zal zwijgen als het moet.

Dienaar:
Waar d´ oude mannen zaten aan het spel
der schijven, bij den heil´gen bron Pirene,
daar hoorde ik in ´t voorbijgaan iemand zeggen,
maar ´k veinsde ´t niet te hooren, dat de vorst
van ´t land, dat Creon deze knapen met
hun moeder uit Corinthe wil verbannen.
Maar of die praat berust op waarheid, weet
ik niet; doch ´k wilde, dat het niet zoo was.

Voedster:
Zal Jason, al verstiet hij ook hun moeder,
ooit dulden, dat zijn kind´ren ´t zoo vergaat?

Dienaar:
Nieuwe verwantschap gaat nu boven d´ oude
en Creon is ons huis niet welgezind.

Voedster:
Dan zie ´k geen redding meer, als wij, eer ´t een
verduwd is, nieuw verdriet bij ´t oude voegen.

Dienaar:
Maar luister eens: ´t is beter, dat Medea
het nog niet hoort; stil dus, en zwijg ervan!

Voedster:
Ach, hoort gij, kind´ren, wat uw vader doet?
Vervloeken - neen, dat mag ´k mijn meester niet,
maar wel verraadt zijn daad gebrek aan liefde.

Dienaar:
Zoo zijn de menschen; ziet gij dat eerst nu,
hoe elk zichzelf meer dan zijn naaste mint?

Voedster:
Gaat nu naar binnen, kind´ren; dat is beter.
Houdt gij ze zooveel mogelijk alleen,
ver van hun moeder, tot haar stemming keert.
´k Zag haar al eens hen aanzien met een blik
vol gramschap, of ze op booze dingen zon.
En ´k weet: haar woede zal niet eer bedaren,
voor ze iemand treft; maar als ´t gebeuren moet,
dan treffe zij haar haat, heur liefde niet.

Dienaar met kinderen af. - Medea´s stem klinkt uit het huis naar buiten, zoowel hier als in het volgende.

Medea:
Wee mij, rampzaal´ge in waan vergaan;
Dood, maak een eind aan mijn bestaan.

Voedster:
Ach, kind´renlief, uw moeders smart
jaagt weer haar toorn, jaagt weer heur hart.
Spoedt u van hier, gaat fluks in huis,
en komt uw moeder niet voor oogen;
genaakt haar niet; neemt u in acht,
want huiv´ren doet d´ onstuim´ge aard
van haar trotschen geest.
Een nieuwe wolk van smart komt op
en dreigt in feller klacht dan ooit
zich uit te storten.
Wat daden zal zij nog begaan,
zij zoo hooghartig en toomeloos,
zoo diep in haar eer beleedigd.

Medea:
O smaad, o duldelooze smaad,
die schreit tenhemel. Ach, kind´ren, vloek,
vloek over u en uw vader; zijn huis,
geheel zijn ras ga te gronde.

Voedster:
Ach, waarom deelt uw kroost in de schuld
van hun vader? Waarom haat gij hen? Ai mij,
gij kleinen, ik ben zoo bang voor uw lot.
Hartstocht in een vorst is een vreeselijk iets,
ter nauw zich beheerschend, almachtig in veel,
verkeert hij zijn stemming niet licht.
Wel hem, die in ´t leven het evenwicht houdt;
want duurzame vreê tot het eind mijner dagen
zou liever mij zijn dan in grootheid te leven.
Houd maat: een woord als geen ander zoo goed,
en een kostelijk iets, als de mensch ernaar doet.
Het buitenspoorge houdt geen stand,
en wee, wanneer een godheid toornt;
dan is ´t nog grooter ellende.

Vijftien Corinthische vrouwen zijn de open ruimte vóór het tooneel (de orchestra) binnengetreden. Zij vormen het koor.

Koor:
Ik hoor de stem, ik hoor de klacht
der rampzalige Colchische.
Weet zij nog niet te berusten; o zeg mij:
´k hoorde hier binnen haar jamm´ren:
´t leed van haar huis verschaft mij geen vreugde:
zij was mij lief geworden.

Voedster:
Voorbij is alles, verloren haar huis!
D´ een gaat in zijn vorstelijk huwelijk op
en Medea verdwijnt in haar kamer,
voor alles, wat iemand haar zeggen wil doof
en koud voor elke vertroosting.

Medea:
O dat het vuur van den hemel mij voer door het hoofd;
wat wacht ik nog van het leven:
ik haat het; o kwam nu de dood mij bevrijden.

Koor:
Hoort gij, o Zeus, o Aarde en Licht
het klaaglied dier rampzaal´ge vrouw?
Verdwaasde, zal ´t verlangen
naar ongenaakb´re sponde
u drijven naar het eind des levens?
Neen, smeek dat niet.
Stelt uw gemaal
zijn eer in nieuw een verbond,
Zeus zal hem richten;
verteer niet u zelve
van smart om uw bedgenoot.

Medea:
O Themis, o Artemis, ziet
wat ik lijd, die met duren eed
mij bond aan dien man, dien vervloekte.
O mocht ik hem zelf en zijn bruid
zien vermalen in ´t puin van zijn huis,
die mij durfde te krenken in recht en eer.
O vader, o stad, die ik schand´lijk ontvlood,
na mijn eigen broeder te hebben gedood.

Voedster:
Hoort gij dat? Hoort gij haar roepen om wraak
tot Themis en Zeus, in wien men gelooft
als den wreker van ontrouw en meineed?
Neen, denk niet, dat zij, hoe weinig ook maar
haar toorn zal kunnen beheerschen.

Koor:
Ach wilde zij hier voor ons aangezicht komen,
en hooren den klank van ons levende woord:
licht zal haar zwaarmoedige stemming,
de druk op haar geest zich ontspannen.
Geen blijk van liefde ontbreke mijn vrienden.
Kom, ga en breng haar naar buiten tot ons,
en zeg haar dit liefs van mij.
Maar haast u, voordat ze hun binnen iets kwaads doet;
want zwaar een smart overvalt haar.

Voedster:
Ja dat zal ik doen, maar ´k vrees of ik haar
wel kan overreden.
Doch ter wille van u volbreng ik dien last.
Men deinst nochtans terug voor haar blik;
want als een leeuwin voor haar jongen beducht
gramt ze iedereen af, die haar vriendelijk nadert.
Wie poover zou noemen - geslacht van weleer -
en schamel uw kunnen, zijn woord waar´ het mijne.
Wel vondt gij uw zangen voor blijdschap uit,
bij rijkelijk maal, aan feest´lijken disch,
het oor tot een streeling, tot vreugde des levens;
maar ´t schrijnend menschenleed heeft nooit
één vinder gestild met muziek en met zang
van stem-rijke snaren. - En zóó brengt onheil
en dood gewelddadige huizen verderf.
O, dit, met een lied te genezen
der sterveren smart, hoe waar´ het een zegen!
Maar overdaad is het, bij vollen disch
nog luide zijn zang te verheffen.
De veelheid van al wat de zinnen streelt,
geeft vreugde genoeg uit zich zelve.

Voedster af.

Koor:
Alklaag´lijk een klank van wee-roep hoorde ik;
hel luidende, pijnende smarten krijten,
om echtverrader, om wan-genoot;
lijdend in krenking getuigt zij bij Zeus´
hemelsch Eed-recht; zij, die weleer hem
voerde naar Hellas overzijdsch,
dwarsend den nacht´lijken vloed, over zilte
grendelen eind´loos van de zee.

De deuren openen zich en Medea, gevolgd door de voedster, treedt naar buiten.

Medea:
Ik kom hier tot u, vrouwen van Corinthe,
opdat gij niets onbillijk mij verwijt.
Ik weet, hoe velen reeds door uiterlijk
en blik zich eerbied weten af te dwingen,
of door de wijze van zich voor te doen,
maar menigeen door stil zijn weg te gaan
miskenning vindt en onverschilligheid.
In ´s menschen oog is geen gerechtigheid,
die ´n ander, eer hem door en door te kennen,
bij d´ eersten aanblik zonder reden haat.
En wie zich vreemd bevindt in ´t vreemde land
is alleszins toenadering geboden;
trouwens misprijs ik, wie in eigen stad
zich dom verwaten van zijn stad vervreemdt.
Gij weet, wat onvoorzien mij overviel;
het deed mijn ziel vertwijf´len; heen is al
mijn vreugd, en sterven ware mij verlossing.
Hij, die mij alles was, wiens vrouw ik werd,
hij, mijn vertrouwen, blijkt een hart´loos mensch.
Van al wat adem heeft en rede, wacht
ons, vrouwen, wel de zwaarste strijd in ´t leven.
Eerst moeten wij door overmaat van goed
een man ons koopen en als heer en meester
over ons lichaam hem aanvaarden; want
bij ´t eerste kwaad komt die nog grooter pijn´ging.
Het hoogste staat dan op het spel, of ´t lot ons
een braven man dan wel een slechten geeft;
want scheiden brengt een vrouw in opspraak en
verstooten is haar immers niet vergund.
In vreemde omgeving, onbekende zeden,
behoeft zij zienersgave - want zij bracht
daarvan geen kennis mede uit ´t ouderhuis,
hoe zij de liefde van haar man zal winnen.
Is ´t samenleven dank zij onzen zorgen
voor hem niet slechts een torsen van het juk,
welzalig beiden: maar zoo niet, dan is
voor ons de dood een uitkomst. Wordt een man
het leven thuis ondraag´lijk, hij gaat heen
en zoekt vertroosting elders en verstrooiing,
´t zij bij een vriend of in gezel´gen kring,
terwijl een vrouw alleen blijft met haar ziel.
Maar ons thuis zittend leven, zegt men, is
gevaarloos, waar de man kampt met de lans.
Een dwaling: liever ware ik driemaal voor
des vijands front dan eens in barensnood.
Maar laat ik hier-van zwijgen: want dit gaat
u niet zoozeer als wel mij zelve aan.
Gij zijt hier in uw eigen stad, thuis bij
uw vader, welvaart ziet ge en vrienden om u.
Maar ik, hier eenzaam in den vreemde, moet
den spot verdragen van een man, die als
zijn buit uit verre streken mij ontvoerde,
terwijl geen moeder, broeder of verwant
tot toevlucht mij kan strekken in mijn onspoed.
Nu wil ik deze gunst alleen u vragen:
vind ik een uitweg, die een kans mij geeft
mijn eereschennis op mijn man te wreken,
zoo zwijgt dan. Want vreesachtig mag een vrouw
in and´re dingen zijn, ja weerloos schier,
en bij het zien van wapenen versagend,
maar is haar eer gekrenkt in ´t echt´lijk leven,
dan dorst geen menschenkind als zij naar wraak.

Koor:
´k Zal zwijgen, want uw wraak, Medea, zal
gerecht zijn: uw verdriet bevreemdt mij niet.
Maar zie, daar nadert Creon, onze vorst,
en komt van nieuwen raadslag konde doen.

Op koning Creon, met eenig gevolg.

Creon:
Gij daar, die op uw man zoo grimmig toornt,
´k zeg u, Medea, uit mijn land te gaan;
vertrek en neem uw kind´ren met u meê.
Draal niet; zelf kom ik toezien, dat mijn woord
voltrokken worde en keer niet huiswaarts, eer
ik u, de grenzen over, heb verjaagd.

Medea:
Wee mij, verloren ga ik in ellende;
mijn haters zetten alle zeilen bij
en ongenaakbaar is de weg tot redding.
Het hart vol wanhoop wil ´k u vragen, Creon;
om welke reden bant gij me uit uw land?

Creon:
Ik vrees u: onverholen zij ´t gezegd;
´k vrees, dat ge onheelbaar kwaad mijn kind wilt doen,
en vele gronden zijn er voor die vrees:
want schrander zijt ge, in heel veel slechts ervaren
en om ´t verlies van ´t echtlijk bed verstoord,
en ´k hoor: ge dreigt - naar ´t geen men mij bericht -
hem, die zijn dochter gaf, haarzelve en die
haar huwde, ik weet niet wat voor kwaad te doen.
Eer het te laat is, wil ´k mij dus behoeden;
en liever nu door u gehaat, dan eens
een oogenblik van zwakheid lang berouwd!

Medea:
Niet nu voor ´t eerst, helaas al menigmaal
weervoer mij schade door mijn naam en roep.
Zoo doet geen mensch verstandig, in zijn kroost
een buitenmaat´ge kunde aan tekweeken.
De wereld acht ze nutteloos en staat
uit afgunst er vijandig tegenover.
Want wie bekromp´nen nieuwe wijsheid brengt,
zal hun een zonderling, geen wijsgeer lijken.
En overschaduwt men, wie wonderknap
zich zelven dunken, haat is dan het loon.
Nu moet ik zelf ook deelen in dat lot.
Immers mijn kunde - een kunde waarlijk niet
zoo groot - vindt afgunst hier en afkeer daar.
Nu vreest ge voor een misgreep van mijn kant.
Neen Creon, vrees mij niet; zoo ben ik niet,
dat ik aan vorsten mij vergrijpen zou.
Want wat voor onrecht hebt ge mij gedaan?
Uw dochter gaaft ge aan hem, die u behaagde.
En ook al haat ´k mijn man, toch meen ik, dat
ge daar meê goed gedaan hebt en verstandig.
En uw geluk misgun ´k u niet, o neen!
Viert bruiloft, weest gelukkig, doch laat mij, -
gedoog het, Creon - blijven hier in ´t land.
Het onrecht immers, mij gedaan - daar zal
´k van zwijgen, bukkend voor een hooger macht.

Creon:
Deemoedig is uw taal, maar in mijn hart
is angst, dat gij iets tegen mij beraamt:
´k vertrouw u thans nog minder dan te voren:
het toornen van een vrouw, ook van een man,
is min gevaarlijk dan het zwijgzaam zinnen.
Ga dus onmidd´lijk: spaar me uw redekunst;
zoo is beslist: niets kunt ge er meer aan doen;
ge blijft hier niet; ge zijt mij te gevaarlijk.

Medea:
Neen, ´k bidde u bij uw knieën, Creon, bij
uw jong gehuwde dochter smeek ik u.

Creon:
´t Is woorden spillen; ge overreedt mij nooit.

Medea:
Gij drijft mij heen en acht mijn woorden niet?

Creon:
Zijt gij mij liever dan mijn eigen huis?

Medea:
Land mijner vaad´ren; o hoe min ik u!

Creon:
Ook mij is ´t lief, maar liever nog mijn kind´ren.

Medea:
Ach hoeveel onheil bracht al niet de liefde!

Creon:
Ja, naar gelang het toeval iemand treft.

Medea:
O Zeus, vergeet niet d´ oorzaak van mijn lijden.

Creon:
Verdwaasde, ga, bevrijd mij van dien last.

Medea:
Mij drukt een last, dien ´k ben gedoemd te dragen.

Creon:
Van hier! of met geweld sleurt men u weg.

Medea:
Neen, neen, ik bid u, Creon, o, dat niet.

Creon:
Het schijnt: gij wilt u tegen mij verzetten.

Medea:
Ik zal wel gaan: daar smeek ik u niet om.

Creon:
Ga dan, of waarvoor anders dat verzet.

Medea:
Laat mij nog eenen dag, dees´ dag nog blijven,
dat ik bedenke, waar ik heen zal vluchten,
en steun vind voor mijn kind´ren, nu hun vader
zich niet bekommert om hun lot; o Creon,
ontferm u over hen; ook gij zijt vader;
zoo spreke dan uw goede hart voor hen.
Niet om mij zelf beangstigt mij die vlucht;
o neen, ik schrei om hun verlatenheid.

Creon:
Een dwingeland ben ´k niet in ´t minste; neen,
vaak tot mijn eigen nadeel goedertieren.
Ook nu bega ´k een misslag; ja, ik zie het,
en willig toch uw bede in; doch weet:
als morgen Phoebus´ toorts u en uw kind´ren
binnen de grenzen van mijn land aanschouwt,
breng ´k u ter dood: mijn onherroep´lijk woord.

Creon af met gevolg.

Koor:
Rampzaal´ge vrouw,
ontroerend door wanhoop en smart!
Waar heengegaan? Waar vindt ge een huis,
een gastvrij oord, een land, dat u
voor leed behoedt?
Hoe heeft een god u, Medea, gestort
in een eind´looze zee van ellende.

Medea:
Het gaat mij slecht, zeer slecht; wie zal het looch´nen?
Maar dat het daarmede eindigt, denk dat niet.
Strijd staat de jonggehuwden nog te wachten,
en al hun nabestaanden bitt´re nood.
Zou ´k mij verneed´ren, dacht gij, voor dien man,
zoo niet mijn vleien sluw was en berekend?
´k Had hem noch toegesproken, noch zijn hand
gevat. Nu bracht zijn domheid hem zoo ver,
dat hij de kans, mijn plannen te verijd´len,
door mij te bannen uit zijn land, verspeelde,
en dezen eenen dag mij schonk, waarop
ik van mijn haters drie ten offer breng,
den vader met zijn dochter en haar man.
Nu staan mij naar den dood veel wegen open,
maar ´k weet niet, welken weg ik kiezen zal;
zal ´k in den bruiloftsnacht hun huis doen branden,
of stil´kens binnensluipen naar hun bed
en ´t scherpe zwaard hun steken door de zijde ...
Daar is dit eene tegen: vindt men mij,
bij ´t binnentreden, komt mijn opzet uit,
onder hun hoonlach zal ´k dan moeten sterven.
Het best is hen rechtstreeks - waarin ik ´t meest
bedreven ben - te dooden door vergif.
Welnu:
ze zijn gedood; maar dan: waarheen gevlucht?
Wie stelt een vrijplaats, wie een veilig thuis
mij open in den vreemde en bergt mijn lijf?
Niet een: dus wacht ik nog een luttel tijds,
en doemt voor mij een veil´ge veste op,
dan sluw en stil de daad aan hen volbracht.
Maar stelt het nuttig toeval mij te leur,
ik neem het zwaard, al kost het mij het leven -
en dood hen; van versagen weet ik niet.
Neen, ´k zweer bij Hecate, mijn meesteres,
wier bijstand op mijn smeeken mij gewordt,
die bij het altaar zetelt in mijn huis,
geen hunner pijnigt ongestraft mijn hart.
En bitter smart´lijk zal hun bruiloft zijn,
bitter hun echt als wraak voor mijn verbanning.
Welaan, Medea, spaar uw gaven niet,
geef hun ten volle van uw kunst en list.
Op ten gevare! ´t gaat thans om uw eer.
Beseft ge uw lot? Duldt gij, uit edel bloed,
uit Helius gesproten, zulk een lot?
Gij kent den weg, en bovendien - wij vrouwen,
voor ´t eed´le mogen wij onvatbaar zijn,
in ´t booze zijn we vindingrijk als geen.

Koor:
(strophe 1)
Nu stuwen de stroomen hun golven terug naar den bron,
nu neemt de natuur ook een anderen keer,
de mannen verbreken hun woord, het geloof
aan de goden bindt hen niet meer.
Nu zal ook de faam
mijn roep en mijn naam
ten betere keeren,
en ´t vrouwengeslacht,
nu hooger geacht,
niet langer kleineeren.
(antistrophe 1)
Nu zullen de zangen verstommen, wier eeuwig refrein
de vrouw onoprechtheid en ontrouw verwijt,
en ware de gave van lierzang ook mij
door Phoebus´ genade bereid,
´k zou om ´t geslacht
der mannen mijn klacht
met recht laten hooren,
want zooveel leeds
werd vrouwen reeds
sinds eeuwen beschoren.
(strophe 2)
Gij dan, Medea, uit het huis uws vaders
zijt ge gevlucht in de drift van het hart,
de dubb´le rotsen
braveerend der zee om hier
te wonen, hier in den vreemde;
maar beroofd van uw huw´lijkssponde,
helaas, en als balling wordt gij
nu eerloos verdreven.
(strophe 2)
Zoo is verdwenen al ´t geloof aan eeden;
eerbied bestaat er in Hellas niet meer,
maar vervloog in ´t luchtruim.
Gij arme, geen ouderhuis
zal thans u een toevlucht bieden
in drukkenden nood: een and´re
veroverde zegevierend
uw echt´lijke sponde.

Jason komt op.

Jason:
Niet nu voor ´t eerst, maar ´k zag al menigmaal,
hoe reed´loos felle toorn de menschen maakt.
Het stond u vrij, hier in het land te blijven,
door u te schikken naar des heerschers wil.
Nu wordt gij om uw domme taal verbannen;
o niet ten mijnen aanzien: word nooit moede
te zeggen, welk een snoodaard Jason is.
Maar uw te keer gaan tegen ´t vorst´lijk huis -
ge moogt wel van genade spreken, nu
ge slechts met ballingschap het boeten moet.
Wat mij betreft: ´k was immer uwe voorspraak:
´k deed, wat ik kon, om ´s konings toorn te stillen,
en liever had ´k gezien, dat gij hier bleeft.
Gij echter laat niet van uw dwaasheid af,
den koning te vervloeken en de zijnen;
´t eind is dan ook, dat men u ´t land uit jaagt.
Maar ook desondanks ben ik hier gekomen,
want oude vrienden laat ´k niet in den steek:
uit zorg voor u, Medea, dat ge niet
ontbloot van midd´len met uw kind´ren straks
den vreemde ingaat of iets, wat ook, ontbeert:
er kan in ballingschap zooveel gebeuren.
Want ook al haat ge mij, toch kan ik nooit
booze gedachten hebben jegens u.

Medea:
Ellendeling - ik vind geen ander woord,
dat meer mijn afschuw uitspreekt voor uw lafheid.
Komt gij, zoo doodelijk gehaat als ge u
gemaakt hebt, komt ge toch nog voor mijn oogen?
Dat ´s geen bewijs van onverschrokkenheid,
geen moed, voor ´t aangezicht zich te vertoonen
van haar, die gij verriedt, neen, ´t ergste, waar
een mensch toe kan vervallen: schaamteloosheid.
Maar toch: ge deedt er wel aan hier te komen.
Nu kan ik u de waarheid zeggen, wat
mijn hart verlichten en u pijn´gen zal.
En om met ´t allereerste te beginnen:
ik redde u van den dood - dat weten alle
Grieken, die saam met u op de Argo voeren -
toen gij ´t vuursnuivend stierenspan besturen
en zaaien moest op ´t doodbereidend veld.
De draak, die om de algouden vacht in tal
van kronkels heengewrongen slaap´loos waakte,
door dien te dooden hief ´k een licht op tot
uw redding. Toen verliet ´k mijn huis, mijn vader,
en kwam met u in Pelias´ land, in Iolcos,
mijn hart meer volgend dan ´t gezond verstand.
En Pelias liet ik sterven - d´ ergsten dood -
door zijner kind´ren hand en bande uw vrees.
Dat alles, slechtaard, dankt ge mij, aan mij,
die gij verraadt, om nieuw genot te smaken,
gij, vader van mijn kind´ren; waren u
geen kinderen geboren, te vergeven
ware ´t geweest, dat ge op die vrouw verlieft ...
Gij zwoert mij trouw; waar is uw eed gebleven?
Maar mogelijk gelooft ge, dat de goôn
van toen niet meer bestaan en in dees´ tijd
een nieuwe zedewet de menschen bindt.
Want zijt ge u van uw ontrouw niet bewust?
Zijt ge vergeten, hoe ge vaak mijn hand,
mijn knieën smeekend hieldt omvat? Ai mij,
´t was valsch gevlei en spelen met mijn hart!
Maar kom, ik wil nu rustig met u spreken,
als waart gij mij een vriend; ofschoon - wat kan
ik hopen, dat van u mij goeds gewordt?
Maar toch: geef antwoord, dubbel blijkt uw schande:
waar moet ik heen? Soms naar het huis mijns vaders,
het huis en ´t land, dat ik om u verried?
Naar Pelias´ dochters? de armen! Hart´lijk zullen
ze mij ontvangen, die haar vader doodde!
´t Is immers zoo: wien ´k dierbaar wezen moest,
ben ik gehaat, en die ´k niet krenken mocht,
zijn mij vijandig, daar ik u verkoos.
Maar ruim vergolden hebt ge ´t en vergoed:
in Hellas is geen vrouw zoo ongelukkig!
Ja, ´k heb in u een eed´len trouwen man;
ai mij, verstooten moet ´k als balling vluchten,
beroofd van vrienden, eenzaam met mijn kroost;
een fraai verwijt den jongen bruidegom,
als ik, die u gered heb, met uw kind´ren
al beed´lend zwerven moet. O Zeus, wel gaaft gij
den mensch van ´t onecht goud den zeek´ren toets,
maar waarom niet een trek gegroefd in ´t lichaam
waaraan men boozen onderscheiden kon?

Koor:
Geweldig is de drift en kwaad te stillen,
als liefde ontaardt in wederkeer´gen haat.

Jason:
Nu dien ´k in redekunst geen leek te zijn,
maar als een handig stuurman van een schip
met alle zeilen bij, de felle vlagen
t´ ontloopen, vrouwe, van uw bitt´re taal.
Te uitbundig hemelt ge uw verdiensten op;
maar ik houd Venus voor mijn levenshoedster,
Venus alleen, geen ander, god noch mensch.
Om dat te weten zijt ge scherp genoeg
van geest, maar vreest kleineering als ge erkent,
dat ´t Eros was, die met zijn wisse pijlen
u dwong, mijn lijf en leven te beschermen.
Maar nadruk leggen wil ik daarop niet,
want, hoe dan ook, uw hulp was niet te laken.
Ik dank u ´t leven, maar daartegenover
staat ´t zooveel grooter voordeel aan uw kant:
een voorrecht is ´t, niet meer te moeten leven
te midden van barbaren, maar in Hellas:
hier leert ge erkenning voor uw groote gaven,
en kwaamt ge in eere; woondet gij nog ginds,
aan ´t eind der wereld: niemand sprak van u.
Mij waar´ de grootste rijkdom onverschillig,
ook, of ik schooner zelfs dan Orpheus zong,
als ´k door de wereld niet gehuldigd werd.
Ontschuldig, dat ik uitweid over ´t geen
ik deed, gij zelve lokt het trouwens uit.
En wat ge mij verwijt omtrent mijn huw´lijk,
hoor, hoe verstandig ik daarmede deed,
hoe fijn-gevoelig, hoeveel liefde juist
voor u en voor mijn kind´ren daaruit blijkt.
Blijf kalm: Toen ´k uit Iolcos herwaarts kwam,
met tal van zorgen radeloos beladen,
wat schoon een uitkomst bood mij toen ´t geluk,
als balling met een koningskind te huwen;
niet u, gelijk ge u pijnlijk inbeeldt, moede,
of uit verliefdheid op een and´re vrouw,
ook niet naar rijker kinderzegen strevend,
neen, ´k ben tevreden met degeen, die ´k won,
maar welstand was ´t, wat ik vóór alles zocht,
en ons te hoeden voor gebrek (´k weet immers,
hoe men zijn arme vrienden mijdt en schuwt);
en ´k was er op bedacht, mijn kind´ren groot
te brengen naar mijn stand; als hun nu broeders
geboren worden, zie ik mijn geslacht
te zaam en tot mijn groot geluk vereênd.
U zouden kinderen tot niets dan last zijn,
mij stellen nieuw geboor´nen juist in staat
uw kind´ren voort te helpen. Is dat slecht
bedacht? Gij zoudt mijn overleg erkennen,
als ge u niet zelve kweldet om dien echt.
Maar zoover zijt gij, vrouwen, al gekomen,
dat ge echtelijke trouw als ´t hoogste goed
beschouwt. En bij de minste krenking zijt
gij onverzoenlijk en voor ´t schoonste, ja
voor ´t beste niet gevoelig. ´t Ware beter,
hing ´t voortbestaan van ´t menschelijk geslacht
maar niet van vrouwen af. Dan bleef der wereld
wel veel en menigvuldig kwaad bespaard.

Koor:
Gij weet uw woorden, Jason, wel te sieren,
maar toch, oprecht, zij ´t tot uw spijt gesproken:
uw ontrouw lijkt mij geen gerechte daad.

Medea:
Ik blijk in veel van velen te verschillen.
Mijns dunkens treft een doodelijke schuld,
wie eigen onrecht schoonen glimp verleent.
Géén laagheid schroomt wie op de kunde roemt,
haar te verbloemen; maar die kunde faalt,
ook hiér; tracht u niet mooier voor te doen
door schoone reed´nen: één woord trekt u neer:
gij hadt, was uw bedoeling goed geweest,
mij moeten kennen in uw huw´lijksplan;
nu deedt gij alles stil en in ´t geheim.

Jason:
Natuurlijk hadt ge ´t voorstel toegejuicht,
had ik u van dat huwelijk gesproken ...
gij die ook nu nog van de bitterheid
uws harten niet het minste mij bespaart.

Medea:
Omdat ge veinst; neen, ´t avontuur met mij,
de ongrieksche, werd bedenk´lijk voor uw toekomst.

Jason:
Geloof mij; waarlijk niet om haar persoon
sloot ik dat huw´lijk met die koningsdochter,
maar ´t was, ´k herhaal het nogmaals, slechts om u
te redden en ons beider kind´ren steun
te geven in het leven, door hun bloed-
verwant te maken met een koningshuis.

Medea:
Zoo waar geen smart mij na geluk moog´ treffen,
verwensch ik rijkdom, die mijn ziel zou pijn´gen.

Jason:
´t Is wel zoo wijs, uw wensch aldus te wijz´gen,
dat gij het goede niet voor krenkend houdt,
uw welzijn nooit beschouwen moogt als onheil.

Medea:
Nu kunt ge, in veil´ge haven, vrij mij tergen;
maar ik moet hulpeloos in ballingschap.

Jason:
Uw eigen keuze: wijt het and´ren niet.

Medea:
Wat deed ik dan? Was ik trouwlustig, ik
Ontrouw? -

Jason:
- Gij hebt in goddelooze taal
den vorst vervloekt. -

Medea:
- Dat deed ik hem en zoo
vervloek ik u, vervloek ik heel uw huis!

Jason:
Genoeg; ik ga daar verder niet op in.
Maar wilt ge voor uw kind´ren, voor u zelf
een´ge ondersteuning op uw vlucht: spreek dan!
Geld zal ik gaarne en onbekrompen geven
en ´k geef u gaarne een aanbeveling meê,
dat ge op den steun kunt reek´nen mijner vrienden.
En dat te weig´ren zou een dwaasheid zijn:
verstaat ge uw voordeel, staak uw boosheid dan.

Medea:
Nooit zal ´k de gunst afbeed´len van uw vrienden
of iets van u aanvaarden: houd uw geld.
Geen gift uit ´s haters hand brengt iemand zegen.

Jason:
Welnu: ik roep de goden tot getuigen,
hoe ´k u en de uwen helpen wil in alles;
maar ´t goede stelt ge niet op prijs en wijst
den steun van vrienden eigenzinnig af:
zoo is dan des te grooter eens uw spijt.

Medea:
Ga; het verlangen naar uw jonge vrouw
wordt u te machtig: veel te lang verwijlt
gij hier; ga, vier uw bruiloft; God weet, moog´lijk
viert ge die zoo, dat ´t u geen bruiloft lijkt.

Jason verlaat het tooneel.

Koor:
Daar ging al meen´ge naam en roem verloren
in ´t wilde stormen der begeer´ge zinnen,
maar zalig, wie in luwer zoelte minnen:
mild leert hun Cypris vreugde en zoet bekoren.
Neen, ´k bid godin u, nimmer een dier schichten
in zinnelust gedrenkt op mij te richten.
Mijn innigst wezen moge wijsheid leiden,
den mensch de schoonste gave zijner goden,
en nimmer zij mijn vrede mij ontvloden
door vrees en twijfel, die het liefste scheiden.
Ontzie, godin, de banden, die ons hechten
in ´t saambestaan; ontzie der vrouwen rechten.
Land mijner vaad´ren, huis en hof,
o dat men nimmer mij berooft
van u en doemt tot een bestaan,
met zorgenlast en smart belaân.
O dat de dood, de dood mij treff´,
zij ´t heden al, eer ´k dat beleef.
Want geen gemis zoo´n zielepijn
doet lijden als verbannen zijn.
Wij zien ´t voor oogen, zien het zelf:
´t komt niet alleenlijk als gerucht.
Is wel door u een enkel woord
van troost hier in de stad gehoord?
Wie niemand ooit zijn hart ontsluit,
geen liefde kent of vriendentrouw,
moog´ eenzaam heengaan; hij verdient
geen troost of steun van maag of vriend.

Aegeus van Athene komt op, gekleed in reisgewaad.

Aegeus:
Heil u, Medea; de allerschoonste wensch
om vrienden bij het weerzien te begroeten.

Medea:
Pandions zoon, heil zij ook u, o Aegeus.
Vanwaar gekomen, zijt gij hier in ´t land?

Aegeus:
Ik kom van Phoebus´ oude orakelplaats.

Medea:
Wat bracht u naar dat heilig hart der aarde?

Aegeus:
De vrage, hoe mij kroost geworden kan.

Medea:
Ach, bleeft gij dan tot nog toe kinderloos?

Aegeus:
Helaas; een godheid heeft ons dit beschikt.

Medea:
U en uw gade, of zijt ge ´t huw´lijk vreemd?

Aegeus:
Neen, niet misdeeld van de echtelijke sponde.

Medea:
En Phoebus´ antwoord, spreek, hoe luidde dat?

Aegeus:
Voor menschelijk begrip niet te begrijpen.

Medea:
Is ´t mij geoorloofd, godes woord te kennen?

Aegeus:
Dat moogt ge, een schrand´re geest is juist van noode.

Medea:
Mag ik het hooren, zeg dan, hoe het luidde.

Aegeus:
Het snoer des buidels niet te slaken, eer ...

Medea:
Eer wat te doen of waar te zijn gekomen?

Aegeus:
Eer ´k mijner vaad´ren huis en haard bereik.

Medea:
Maar, waarom komt gij naar dit land gevaren?

Aegeus:
Een zeek´re Pittheus is in Troizen koning.

Medea:
Een zoon van Pelops, zegt men, vroom en goed.

Aegeus:
Hem wil ik spreken over Phoebus´ antwoord.

Medea:
Een schrander man en vaardig in het duiden.

Aegeus:
En mij het liefst van al mijn krijgsgezellen.

Medea:
Het ga u wel en zie uw wensch vervuld.

Aegeus:
Hoe is uw blik zoo droef, zoo bleek uw aanschijn?

Medea:
Ach Aegeus, Jason doet mij bitter leed.

Aegeus:
Wat meent ge; waarom zijt ge zoo mismoedig?

Medea:
Hij doet mij onrecht zonder een´ge reden.

Aegeus:
Wat heeft hij dan gedaan? Verklaar u nader.

Medea:
Mijn plaats in huis geeft hij een and´re vrouwe.

Aegeus:
Hoe? Is hij tot zoo´n schandedaad in staat?

Medea:
Geloof mij; hij versmaadt mij, eens zijn liefde.

Aegeus:
Uit hartstocht of uit afkeer tegen u?

Medea:
Verblind door hartstocht, trouw en eer vergeten.

Aegeus:
Ah, dat hij zulk een laagheid kan begaan.

Medea:
Naar vorst´lijke verwantschap trekt zijn hart.

Aegeus:
En wie verleende die? Ga door tot ´t einde.

Medea:
Creon, de vorst en heer hier in Corinthe.

Aegeus:
Dat dit u griefde, kan ik u vergeven.

Medea:
En om aan wanhoop mij ten prooi te geven,
word ik verdreven, moet het land verlaten.

Aegeus:
Voor wien? Dan ware dubbel uw ellende.

Medea:
´t Is Creon, die mij uit Corinthe bant.

Aegeus:
En Jason duldt het? Dat is onvergeeflijk.

Medea:
Hij zegt van niet, maar wenscht het wel in stilte.
Maar ´k smeek u, Aegeus, bij uw eer als man,
ik smeek u op mijn knieën: hoor mijn bede;
heb deernis, deernis met d´ onzaal´ge vrouw,
laat mij niet eenzaam dwalen; zie ´t niet aan,
maar geef me een toevlucht in uw land, uw huis.
Zoo worde uw bede om kind´ren door de goôn
verhoord, dat gij in vrede sterven kunt.
Gij weet niet, welk een onverwacht geluk
gij vindt; immers dien vloek van kinderloosheid
zal ´k van u nemen door mijn tooverkracht.

Aegeus:
Om vele reed´nen ben ik tot dien dienst
bereid: vooreerst ter wille van de goden,
dan om de kind´ren, die gij mij belooft.
Daar heb ik alles, weet dat wel, voor over,
en ´k zal u helpen, onder dit beding:
dat ´k niet persoonlijk u het land uitbreng,
wijl ik het gastrecht niet wil overtreden.
Maar als gij zelf mocht komen naar mijn huis,
dan kunt ge u veilig op mijn hulp verlaten.

Medea:
Zoo zij het, maar nog grooter zou mijn dank zijn,
indien ge uw woord mij daarvoor wilt verpanden.

Aegeus:
Vertrouwt ge niet, of hindert u iets anders?

Medea:
Ja, ik vertrouw u wel, maar Creons huis
en ´t huis van Pelias is mij vijandig:
wilt ge u bij eede binden, dan zal ´k veilig
voor elken aanslag zijn van hen; bezweert
gij uw beloften niet - licht geeft ge dan
op ´t dreigen van hen toe, om hen te vriend
te houden. Ik ben maar een zwakke vrouw,
zij macht´ge vorsten, groot door macht en rijkdom.

Aegeus:
Voorzichtig zijt ge, te voorzichtig schier:
maar ´k zal u, naar ge wenscht, ter wille zijn.
´t Verleent mij zelf ook veiligheid; want daarop
kan ´k tegen uw belagers mij beroepen
en ´t sterkt ook uw vertrouwen. Zeg den eed.

Medea:
Zweer bij den aardboôm, zweer bij Helius,
mijns vaders vader, zweer bij alle goden,
mij nimmer uit uw land te drijven, of,
als mijn belagers mij ontvoeren willen,
mij bij uw leven goedschiks prijs te geven.

Aegeus:
Ik zweer bij de aarde, ´t heilig licht der zon,
bij alle goôn mijn woord gestand te doen.

Medea:
En als ge ´t breekt, wat leed zal u dan treffen?

Aegeus:
Wat heiligschenners hier op aarde treft.

Medea:
Ik ben u dankbaar, Aegeus, ga in vrede.
Dra ziet gij mij in uwe stad terug,
is eens mijn plan geslaagd en ´t al volbracht.

Koor:
Dat Maja´s Zoon een veil´ge reis
naar huis u verleene, en zie uw wensch,
uws harten verlangen vervuld.
Een edel man,
o Aegeus, bewijst gij te zijn.

Aegeus verlaat het tooneel.

Medea:
O Zeus, gerechte Wraak en blakend Licht,
nu zal ik zegevieren over mijn
belagers, nu zijn we op den goeden weg,
en hebben zij te duchten voor mijn wraak,
nu Aegeus, waar ´k geen uitkomst kon ontwaren,
als veil´ge haven opduikt voor mijn plannen;
ginds op de reede meer ik dra mijn schip,
naar Pallas´ stad en veste heengetogen.
Nu zal ´k u zeggen, wat mijn plannen zijn,
maar geen genieting zal het u bereiden.
Naar Jason stuur ´k een mijner dienaars heen,
en laat hem vragen, eens nog hier te komen.
En komt hij, vriend´lijk spreek ik hem dan toe,
alsof ik alles goed vind, alles prijs,
maar vraag hem voor mijn kinderen de gunst,
te mogen blijven - niet om hier in ´t land
hen bij mijn vijanden te laten, maar
om ´s konings dochter listig om te brengen.
Ik stuur ze met geschenken in de hand,
een fijne wade en gouddoorvlochten krans,
en heeft maar eens die tooi heur huid beroerd,
dood brengt het haar en wie haar mocht genaken;
met zúlke giffen drenk ik mijn geschenk.
Maar dan - nu moet het hooge woord er uit -
het doet het hart mij breken, maar het moet,
het zal geschieden: ´k breng mijn kind´ren om,
en niemand, niemand, die ze mij ontneemt.
En heb ik eenmaal Jasons huis vernietigd,
dan vlucht ik, vlucht ik dit vervloekte land,
waar ik het bloed moet storten mijner kind´ren.
Den spot, den hoonlach aan te hooren van
mijn haters, is onduldbaar; neen dat nooit.
Voort nu! Wat baat het mij te leven; ´k heb
geen vaderland, geen huis, geen toevlucht meer.
Dwaas die ik was, toen ik mijns vaders huis
ontvluchtte, toen ´k geloof sloeg aan het woord
van een Helleen; maar met der goden hulp
zal hij nu boeten; want zijn kind´ren ziet
hij nimmer levend weer; zijn jonge gade
zal er niet één hem baren; want zij is,
de ellend´ge tot ellend´gen dood bestemd.
Van mij zegg´ niemand: zij was maar een vrouw,
zwak, willoos, onderdanig, neen veeleer:
trouw was ze in liefde en heftig in haar haat.
Dat zij mijn roem en eere van mijn leven.

Koor:
Daar gij, wat in u omgaat, ons verraadt,
wil ik u smeeken, om u zelve en ook
uit naam der menschelijkheid: o doe dat niet.

Medea:
Het kan niet anders; maar ´t is te vergeven,
dat gij zoo spreekt, die niet als ik moet lijden.

Koor:
Hoe kunt ge komen tot zoo´n booze daad?

Medea:
Ik zal er Jasons hart het felst meê pijn´gen.

Koor:
Maar ook u zelve in diepsten jammer storten.

Medea:
Voort! overbodig nutteloos gepraat!
Welaan - naar Jason gij en breng hem hier.
Ik stel in u mijn hoop en mijn vertrouwen.
Maar niemand moogt ge iets zeggen van mijn plannen;
daar zijt ge vrouw voor; daaruit blijk´ uw wil.

De voedster, tot wie deze laatste woorden zijn gericht, verlaat het tooneel.

Koor:
(strophe 1)
O Erechthiden, tot geluk verkoren
en edel ras, van zaalge goôn geboren;
o volk, dat in een land van vrede en vroomheid
u laaft aan wijsheid en daar gaat in schoonheid
van immer pure en diep azuren lucht;
o land, waar eens, naar sage luidt, op aarde
Harmonia, de blonde, als blijde vrucht
van hemelvreugd haar negen Muzen baarde.
(antistrophe 1)
Waar Venus zich Cephisus´ klare waat´ren
over heur leden heen laat neder klaat´ren,
en zoele aromen ademt op haar zuchten
en mengelt met der geuren zoete vluchten
van rozen, die zij om heur haren windt;
waar zij, der Wijsheid zetel rond te omstuwen,
Eroten zendt - want ´s levens zegen vindt
alleen, wie Liefde aan Wijsheid huwen.
(strophe 2)
Hoe zal men u, Medea, daar
aan de oevers van de heil´ge stroomen,
wie zal met vriendelijk gebaar,
met liefde u ooit verwellekomen,
wier bijzijn ieder schuwt,
vol gruw voor wie haar kind´ren moordde.
Neen, luister; ´k smeek u knielend bij wat heilig is:
Medea, dood uw kind´ren niet.
(antistrophe 2)
Waar vindt ge moed tot zulk een daad?
Zal niet uw hand, uw hart versagen,
als gij dien gruwel plegen gaat?
Kunt gij hun oog, hun blik verdragen,
zien zij hun moeder aan,
en gaan ze bidden om het leven?
U dan te smetten met hun rein, onschuldig bloed,
dat kunt gij, neen dat zult ge niet.

Jason komt op, gevolgd door de voedster.

Jason:
Ik kom ontboden, want al zijt ge op mij
verstoord, Medea, ´k wil u dit niet weig´ren.
Wat ´s uw verlangen, spreek, ik hoor u aan.

Medea:
Jason, ik bid u, alles wat ik zeide
mij te vergeven; ´k was mijzelf niet meester;
denk, wat ik al uit liefde voor u deed.
Ik kwam tot beter inzicht en verweet
mij zelve: waarom ben ik zoo verblind
en haat ik, wie het goed met mij bedoelt?
Waarom de heerschers van dit land verbitterd,
en mijn gemaal, die zóóveel doet voor mij,
door een vorstin te huwen en zijn kind´ren
broers te verwekken? Is ´t niet beter, uit
mijn hart den toorn te bannen, dankbaar voor
der goden gunst? Vergeet ik, dat wij hier
als balling wonen, ver van ´t oude thuis,
en hoe op niemands hulp ik reek´nen kan?
Dit overwegend zag ´k mijn dwaasheid in,
en hoe onreed´lijk ´t was mij te vertoornen.
En nu erken ik, hoe lofwaardig gij
en fijngevoelig door dien echt ons steunt,
terwijl ´k mij dwaas niet met uw plannen moeide
en zoo onhart´lijk toonde voor uw bruid,
inplaats van ´t feest, uw bruiloft, bij te wonen.
Zoo zijn wij, vrouwen, ´k wil niet zeggen: slecht,
maar - hoe dan ook - gij, Jason, moet geen kwaad
met kwaad vergelden, neen, laat onbeantwoord
wat ´k al voor dwaasheid zeide; ´t zij vergeten.
Ik wil u openhartig schuld belijden:
en voortaan zult ge meer tevreden zijn ...

Medea roept naar binnen; weldra verschijnt dan de oude dienaar met de beide kinderen.

Komt, kind´ren; kind´ren, hoort eens, komt naar buiten.
Vader is hier, komt, zegt hem goeden dag,
en mij te zaam; gij moogt hier niet ontbreken,
nu moeder weer verzoend is met haar vrienden.
Nu is het vrede en vrede ook in mijn hart.
Geeft vriend´lijk hem de hand. Wee mij, die smart,
wanneer ik denk aan wat gebeuren zal.
O kind´ren, zult g´ in ´t leven nog wel vaak
om iemands hals zoo lief uw armen slaan?
Hoe licht ontroerd en angstig is mijn hart.
Pas met uw vader weer in vreê vereenigd
vervoert uw teed´re aanblik mij tot tranen.

Koor:
Ook mij ontwellen tranen van ontroering;
o schrijde uw leed niet verder dan het ging!

Jason:
Dank, hart´lijk dank voor uwe woorden, vrouw;
vergeven zij het voor´ge en vergeten.
Geen wonder immers, dat een vrouwenhart
toornt, als een ander in haar plaats zich dringt.
Gelukkig is uw hartstocht nu bedaard,
en ziet ge ´t voordeel in van mijn gedraging.
Gij, kind´ren, geeft uw vader vele zorgen;
maar, dank den goden, zijn ze nu beloond:
Hier in Corinthe, zult gij, hoop ik eens
saâm met uw broeders onder d´ eersten zijn.
Groeit maar goed op, dan zorgt uw vader wel
met gods genade voor het oov´rige.
´k Hoop u nog eens in kracht en vollen wasdom
over mijn haters te zien zegevieren.
Medea, schreit ge? Uw oogen staan vol tranen?
Wat wendt ge ´t bleek gelaat zoo van mij af
en hoort ge niet met vreugd´ mijn woorden aan?

Medea:
´t Is niets, ik dacht slechts aan die kinderen.

Jason:
Houd moed; ik zal ´t voor hen ten beste schikken.

Medea:
´k Zal mij bedwingen; o, ´k geloof u wel,
maar zwak zijn vrouwen en geneigd tot schreien.

Jason:
Maar zeg toch, waarom weent gij nu om hen?

Medea:
Ik ben hun moeder: toen ge zooveel schoons
in ´t leven hun voorspelde, dacht ´k met deernis,
of dat wel alles zoo gebeuren zou.
Jason, waarvoor ik u verzocht te komen,
hebt gij gehoord, maar ´t was het een´ge niet.
Nu Creon mij ´t verblijf hier heeft ontzegd
en ´t raadzaam is voor mij, dat zie ik wel,
u en Corinthe´s vorsten uit den weg
te gaan - zóó ducht men mij als vijandin -
zal ik als balling dan dit land verlaten;
maar gij, vraag gij aan Creon voor mijn kind´ren
niet mee te moeten gaan in ballingschap,
dat zij door u hier worden groot gebracht.

Jason:
Ik weet niet of ´k hem daartoe kan bewegen.
Maar hoe dan ook, een poging dient gedaan.

Medea:
Vraag anders haar, ja vraag uw vrouw, of zij
mijn voorspraak bij haar vader wezen wil.

Jason:
Dat ´s wèl gezien; zij overreedt hem wel.

Medea:
Zij zou geen vrouw zijn, als haar dat niet lukt.
Ik wil ook zelve daar aan mede helpen,
en zal haar ten geschenke zenden iets
zoo schoon, als men tot heden nimmer zag.
Een fijne wade en gouden diadeem.
Mijn kind´ren brengen ´t haar - een uwer ga
en brenge onverwijld het sieraad hier.
En duizendvoudig zal ´t geluk dier vrouw zijn,
een edel man als u tot bedgenoot
te ontvangen en den tooi om ´t hoofd te dragen,
dien Helios eens schonk aan zijn geslacht.

Een slavin brengt gewaad en diadeem; Medea reikt ze over aan de kinderen.

Vat in uw handen, kind´ren, ´t bruidsgeschenk
en brengt het aan de blijde koningsdochter;
het zijn geen laakb´re gaven, die ze ontvangt.

Jason:
Waarom, verdwaasde, u van dien schat beroofd?
Denkt gij, dat ´s konings huis uw goud behoeft,
of uw gewaden? Houd ze, geef ze niet.
Want als ´k mijn bruid niet onverschillig ben,
stelt zij mijn wensch toch boven alle goud.

Medea:
Gij dwaalt: voor gaven zwichten goden zelfs;
en goud is machtiger dan duizend tongen.
Haar zonne rijst; god is aan hare zijde;
jong is zij en vorstin; meer dan mijn goud,
mijn leven zou ´k haar geven, zoo ´k daarmeê
mijn kroost voor ballingschap bewaren kon.
Kom kind´ren, gaat nu saam naar ´t rijke huis,
naar vaders jonge vrouw, mijn meesteres,
en bidt haar knielend, niet te moeten vluchten,
terwijl ge ´t sieraad geeft, want zorgt vooral,
dat ze eigenhandig uwe gave ontvangt.
Gaat nu: en als men u verhoort, kom dan
bij moeder met die blijde tijding weer.

De kinderen, met Jason en den ouden dienaar, verlaten het tooneel.

Koor:
(strophe 1)
Nu is mijn hoop, mijn laatste hoop geweken,
nu zij daar beiden ten verderve gaan;
dra neemt de bruid, voor ´t blindend schoon bezweken,
dra neemt zij ´t heilloos gouden sieraad aan,
en zet op ´t blonde haar
het helsch bedacht geschenk met blij gebaar.
(antistrophe 1)
Haar zal de glans en gouden gloed verleiden
de wade, wond´re tooverpronk,
te omhangen en ten doode zich te wijden
in tooi, die haar als bruidstooi tegenblonk.
In zulk een valstrik vindt
zij haar verderf, door valschen schijn verblind.
(strophe 2)
En gij, rampzaal´ge,
o, deerniswaard´ge bruigom eener koningsmaagd,
gij voert, u van geen kwaad bewust,
uw eigen kind´ren ten verderve,
en mede uw gade naar een schrikb´ren dood;
wee, dat ge daartoe komen moest.
(antistrophe 2)
Ook u beklaag ik,
o zwaar beproefde, droeve moeder van een kroost,
dat gij het leven nemen wilt,
als wraak omdat ge u ziet verraden
en trouweloos verlaten door een gade,
wiens liefde een ander nu bezit.

De oude dienaar en de beide kinderen komen terug.

Dienaar:
Uw kind´ren, meesteres, zijn begenadigd;
zij mogen blijven, en de hooge bruid
heeft uw geschenk in dankbaarheid aanvaard;
zoo dat het voortaan vrede is voor uw kroost.
Maar waarom doet dit nieuw u zoo ontstellen?

Medea:
Wee mij!

Dienaar:
Uw klagen is een wanklank bij deez´ tijding.

Medea:
Wee, wee mij!

Dienaar:
Heb ik u misschien onwetend
gesmart en valsch gewaand u te verheugen?

Medea:
Vermeld, wat moést gemeld: u treft geen blaam.

Dienaar:
Waarom die somb´re blik, die tranen dan?

Medea:
Het kan niet anders: godenmacht en ik,
ik, die het booze zoek, ben schuld er aan.

Dienaar:
Vat moed: uw heengaan is niet voor altijd.

Medea:
Helaas, eerst zal ik and´ren heen doen gaan.

Dienaar:
Gij zijt niet d´ een´ge, die zijn kinderen
zag gaan - de mensch moet leed geduldig dragen.

Medea:
Dat zal ik: ga nu gij naar binnen, vriend;
wijd aan de kleinen uw getrouwe zorgen.

De dienaar gaat heen; de kinderen blijven achter bij Medea.

O kind´ren, kind´ren, u wacht een tehuis,
waar gij nu voortaan eenzaam wonen zult,
voor immer van uw moeder weggerukt;
en ik moet vluchten naar een ander land,
eer ik mijn zorgen zie beloond in uw
geluk, en eer mijn handen bruid en bed
voor blijde stonde tooien, eer zij hoog
de fakkels heffen voor uw bruiloft. Ah!
Hoe bitter boet ik voor mijn eigenwaan.
Dat ik met liefde u groot bracht, ´t was vergeefs,
vergeefs mijn arbeid, onder pijn verduurd
van weeën, toen ik u ter wereld bracht.
Eens stelde ik juist op u mijn dierste hoop,
dat gij mijn ouden dag vertroosten zoudt,
en als ik stierf - bij menschen àl benijd -
uw hand mijn oogen zachtkens toe zou drukken ...
Verstoord zijn nu die zoete droomen, want
van u beroofd zal ´t leven mij niets zijn
dan bitt´re weedom. Nimmer ziet ge uw moeder
met uwen lieven blik weer aan, als ´t leven
u ver, zoo ver van mij verwijderd heeft.
Ach kind´ren, waarom ziet gij mij zoo aan
en lacht gij mij uw laatsten lach nog toe?
Wee mij, wat zal ik doen; mijn moed is heen,
als ik het stralend oog zie mijner kind´ren.
Ik kan niet, kan niet; weg al die gedachten,
weg al mijn plannen: ´k neem mijn kind´ren meê.
Waarom den vader treffen in zijn kroost,
om twee maal zooveel kwaad mij zelf te doen?
Dat kan en zal niet: weg dat booze plan! -
Maar wat bezielt mij? Wil ´k mij laten hoonen,
mijn haters sparen, afzien van mijn wraak?
Ik moet het durven; o dat ik mij zelf
vergat, zoo laf tot zwakheid mij verlaagde.
Naar binnen kind´ren! - Ieder wete zelf,
of niets verbiedt mijn offer bij te wonen;
anders van hier! geen macht weerhoudt mijn hand!
Ah! neen Medea, neen, o doe dat niet,
rampzaal´ge, laat hen leven; spaar uw kind´ren;
ginds met u levend zullen ze uw geluk zijn ...
Bij alle wraakgodinnen in den Hades,
´t zal niet gebeuren, dat ik hier mijn kroost
aan de overmoed van al mijn haters prijs geef.
Het is hun noodlot, ´t nadert onafwendbaar.
Reeds drukt de band haar lokken, reeds verbrandt
zij in haar wade; ´k zie het voor mijn geest.
O, nu ´k een weg van smart betreden moet,
nu ´k hen nog smart´lijker een weg laat gaan,
wil ´k hen voor ´t laatst omhelzen. - Kind´renlief,
geeft moeder voor de laatste maal uw hand.
O lieve handen; hoofden mij zoo dier,
kind´ren in houding en gelaat zoo edel,
moog´ heil uw deel zijn - maar niet hier; het hiér
ontnam u vader! O die lieve omhelzing,
die zoete kinderaâm, die zachte huid ...
Nu weg, weg nu! Ik kan niet langer u
zoo aanzien; ik bezwijk; mij breekt het hart.
´k Besef het, hoe misdadig ik zal zijn,
maar rede zwijgt, als ´t hart in opstand komt,
oorzaak den menschen van het grootste leed.

De kinderen, die zich ook daareven reeds naar het huis hadden begeven, maar toen weer terug waren geroepen, zijn na de laatste tot hen gerichte woorden van hun moeder naar binnen gegaan. Medea blijft alleen met het steeds aanwezige Koor.

Koor:
Al meer dan eens verdiepte ik mij
in al peinzende gedachten
en zocht ik naar verborgenheên,
waar vrouwen niet naar mogen trachten.
Maar zoo drijft ons ook Denk-godin
en prikkelt onzen drang tot weten,
wel niet bij elk - een enk´le slechts
geeft willig toe, een onder velen.
Ik dacht: wie nimmer kind´ren won,
geen oudersmart kent bij ervaring,
heeft meer, dan wie zich kroost gewon,
kans op geluk in ´t zijn op aarde.
Geen kinderlooze plaagt de vraag,
of kroost een zoet bezit hem zijn zal,
dan wel een zorg, die immer knaagt;
van al die kwelling zal hij vrij zijn.
Maar wie in huis een lieve schaar
van kind´ren heeft, zie ´k al zijn dagen
gekweld door kommer, eerst om goed
en schoon tot wasdom hen te brengen,
en te verzeek´ren hun bestaan.
Maar of ten slotte moeite en zorgen
eens wordt beloond of ijdel blijkt,
blijft diep in toekomst-nacht verborgen.
En wat den mensch het felste treft,
zoo pijnlijk als geen and´re wonde:
tot vollen wasdom groeiden ze op,
zie, hun bestaan is al gevonden,
kloek zijn ze en braaf - maar dan beschikt
een booze god naar zijn behagen,
en uit uw armen weg ontvoert
de dood uw kind´ren onder de aarde.
Waartoe, zoo vroeg ik, ja waartoe
voegt ´s hemels wil bij al ons lijden
dien fellen smart, die ´t harte vlijmt,
van kind´ren zoo te moeten scheiden?

Medea ontwaakt als het ware uit een verdooving; - weldra verschijnt een bode.

Medea:
Reikhalzend zie ´k naar een´ge tijding uit,
en wacht in spanning, hoe het ginds zal gaan ...
Maar heb ik goed gezien? Komt daar niet een
van Jasons dienaars? Ja; zijn driftig hijgen
verraadt den brenger van een booze tijding.

Bode:
O pleegster van een daad, onzegbaar wreed,
vlucht; vlucht, Medea, hoe gij vluchten kunt,
op ´t eerste schip, of voertuig dat gij vindt.

Medea:
Wat reden heb ik op de vlucht te gaan?

Bode:
Dood is des konings dochter, dood haar vader,
vorst Creon, door uw toovergif vermoord.

Medea:
Een schoone tijding; dankbaar zal ik u
voor zulk een weldaad tot mijn vrienden reek´nen.

Bode:
Wat! Zijt ge onzinnig, zijn uw zinnen krank,
dat ge met vreugde hoort, hoe ´s vorsten haard
bezoedeld werd, en baart u dit geen vrees?

Medea:
Vriend, wilde ik spreken, tegen uw verwijt
had ´k veel te zeggen; doch wind u niet op
en zeg mij, hoe zij stierven: ´t zou mijn vreugd
verdubb´len, zoo hun dood ellendig was.

Bode:
Zoodra uw beide kind´ren met hun vader
tezaam bij ´t huis der bruid gekomen waren,
verblijdden we ons, wij dienaars, die oprecht
uw leed betreurden, en de mare ging,
dat gij met Jason weder waart verzoend.
En dan kust de een den kleinen ´t blonde hoofd,
een ander hun de hand; zelf ging ´k vol vreugde
saam met de kind´ren naar de vrouwenwoon.
En zij, die daar in uwe plaats gebood,
zag Jason aan met liefdevollen blik,
tot zij uw kind´ren saâm zag binnen treden.
Dan slaat zij zich de handen voor haar oogen,
en wendt de blanke wang vol afkeer af
bij hunnen aanblik. Uw gemaal beproefde
den toorn der jonge vrouw, dus sprekend, te
bedaren: 'Keer uw hoofd niet af van vrienden;
zie ze weer aan en wil naar rede luist´ren.
Geef vriendschap, wien uw man zijn vriendschap gaf;
aanvaard hun gave en vraag uw vader, hun
om mijnentwil genade te verleenen'.
Zoodra zij ´t sieraad zag, bedaarde zij,
en al wat Jason vraagde, vond zij goed.
Uw kind´ren gingen met hun vader heen
en konden nog niet ver zijn van het huis,
of zij drapeert zich met den kleur´gen tooi
en op het haar den gouden hoofdband zettend,
schikt zij de lokken voor den spiegel op,
al lachend ziende naar heur zielloos beeld.
Dan van haar zetel opgestaan doorschrijdt
zij ´t huis, bevallig op den blanken voet,
stralend van vreugde lang en menigmaal
het fiere hoofd bewond´rend voor den spiegel.
Maar ´n vreeslijk schouwspel was daarna te zien.
Plots voer een rilling door haar leden; bleek
en wank´lend doet ze een schrede achterwaarts,
en ware neergestort, indien zij niet
nog juist was neergezegen op een zetel.
Een oude dienares, vermoedend wel,
dat een der goôn, ´t zij Pan of wie dan ook
haar trof, bezweert hun toorn met luid gegil.
Maar nauw´lijks ziet zij ´t witte schuim haar op
de lippen komen, hoe zij de oogen draait
en ´t bloed wijkt van de huid, of haar gebed
verstomt en luide krijtend roept ze om hulp.
En daad´lijk stormde d´ een naar ´t huis haars vaders,
een ander naar heur echtgenoot om hem
het onheil zijner jonge bruid te melden,
en luid klonk ´t heele huis van haast´ge schreden.
Zij lag daar spraak´loos met gesloten oogen,
als zij opeens ontwaakt met luiden gil.
Dubbel was ´t lijden, dat haar overviel!
Want van den gouden band, die ´t hoofd omving,
stroomde al-verterend een betooverd vuur,
terwijl de wade, uwer kind´ren gift,
het blanke vleesch verscheurde dier rampzaal´ge.
Een tóórts van vlammen vliegt zij op en tracht,
al zwaaiend met de haren en het hoofd,
hetr sieraad af te schudden. Maar onwrikbaar
klemt haar het goud en ´t zwaaien met de haren
doet dubbel fel van ´t vuur de vlammen laaien.
Maar eindelijk bezwijkt ze, en stort ter aarde,
schier onherkenbaar zelfs voor haren vader.
Haar oogen waren niet meer te onderscheiden;
langs ´t edel voorhoofd droop het bloed, dat vuil,
door ´t vuur geblakerd, d´ open wond ontvlood.
Als hars, die van den pijnboom drupt, zoo gleed
het vleesch, geknaagd door tooverkaken, af
van het gebeente, een vrees´lijk schouwspel. Ons
ontbrak de moed het lichaam aan te raken;
zoo was haar lot voor ons een les geweest.
Maar als op eens haar vader binnenstormt,
knielt d´ arme man, voor geen gevaar beducht,
bij ´t doode lichaam neer, kust en omarmt
haar onder luid gejammer en roept uit:
'Rampzalig kind, wie van de goôn bracht u
zoo eerloos om, wie nam u weg van mij,
een wand´lend graf? - mijn kind, ´k wil met u sterven'.
En als hij, ´t weenen en het jamm´ren moe,
het oude lichaam weder op wil richten,
blijft hij, als klimoprank aan een laurier,
klem-vast aan ´t rag der wade. ´t Oog één gruwel,
die worst´ling daar: hij trachtend op te staan,
zij neer hem trekkend. En zoo vaak hij met
geweld zich losreet, scheurde de oude zich
´t vleesch van de beend´ren. Dan, in ´t einde zwichtend,
rampzaal´g en afgetsreên, geeft hij den geest.
Nu liggen daar hun lijken naast elkaar,
dochter en grijze vader; o, een lot,
dat roert tot tranen. - Over u zal ´k zwijgen.
Vind zelf den weg, om uwe straf te ontgaan!
Maar meer dan ooit ervaar ik thans, hoe ons
bestaan onweez´lijk als een schaduw is,
en dat, wie wijs zich dunken in bereek´ning,
vernuft verspillen tot hun eigen schaâ.
Want waar geluk vindt niemand hier op aarde;
Lots toeval mag den een al rijker dan
den ander maken: waar geluk is ´t neit.

Koor:
Veel leed wordt Jason dezen dag beschikt,
tot zijn vergelding door een hooger macht.
Ach dochter Creon´s, welk een deernis wekt
uw lot, ach arme, die naar ´t doodenland
als straf voor Jason´s bruiloft heen moet gaan.

Medea:
Nu wordt de daad onmiddellijk volbracht;
aleer ik vlucht, zal ik mijn kind´ren dooden.
Deed ik het niet, tot gruwelijker dood
moest ik hen in de macht van and´ren laten.
Zij zijn verloren; maar daarom zal ik,
die hun het leven gaf, ´t óók hun benemen.
Welaan, het hart gepantserd, niet gedraald.
Grijp vast het zwaard, rampzaal´ge moederhand,
grijp het en breng uw lijdensweg ten eind.
En niet versagen, niet meer denken, hoe
uw hart vol moederliefde was. Vergeet
voor korte stonde, dat ze uw kind´ren zijn.
Beween hen straks; al doodt ge hen, zij zijn
u lief; ai - geen rampzaal´ger vrouw dan ik.

Medea snelt naar binnen.

Koor:
(strophe)
Aarde, waak! O, al-omstralend Licht,
Gij, Zon-god, houd uw oog gericht
op haar, om te verhoeden,
dat ze in haar waanzin ´t eigen kroost doet bloeden.
Een loot aan Uwen gouden stam ontsproot zij:
maar delgt en doodt zij
nú ´t geen ontbloeide aan godenbloed?
Neen, God, daar stralend aan den hemel,
bedwing en stil haar toorn; bewaar
uw huis voor moord en spaar
´t voor vloekgericht en wrake.
(antistrophe)
Vergeefs voor ´t moederschap de strijd gestreên,
vergeefs gezwoegd; ´t is alles heen.
Kwaamt gij om zulke daden
de donk´re poorten door der Symplegaden?
Kan iets uw hart van woede zoo doen blaken,
dat gij uit wrake
vergelding zoekt in eigen bloed?
Wie daaraan zijne hand bezoedelt,
valt Hades´ zware straf ten deel:
den dader zelf, en heel
zijn huis één lied van jammer.

Uit het huis klinken de angstkreten der kinderen.

Kinderen:
Wee mij, waar vlucht ik; waar ontkom ik moeder´s hand? -
Ik weet niet, liefste broeder; ´t is met ons gedaan!

Koor:
Wee! Hoort van haar kinderen gij dien kreet?
Wee u, vrouw, wee u! O - wreed spel van het lot!
Zal ´k gaan in het huis? Ja, redden zoo wil ´k
haar kroost uit den dood.

Kinderen:
Ja, komt ons helpen, bid ik u; o kom te hulp! -
Zij zal ons dooden, dooden met haar zwaard!

De kreten zijn verstomd; het koor begrijpt, dat iedere poging tot hulp te laat is, en blijft ontzet staan.

Koor:
Wee u, zijt ge dan, o vrouw, zoo van staal
of steen, dat gij eigenhandig
ter dood brengt hen, dien ´t leven gij gaaft?
Slechts ééns, naar ik weet, sloeg een vrouw weleer
de hand even wreed aan ´t eigen kroost.
Zoo deed in waanzin Ino, toen Zeus´ gade fel
haar tot krankzinnig zwerven uit haar woning dreef.
Ontzind zocht zij toen na ´t vloekbare werk
den dood in de zee,
zich werpend van hoogen oever neer,
en met haar kind´ren beide vond zij zoo haar eind.
Kan ooit één daad zoo wreed, zoo gruwbaar zijn?
Wee, hoeveel leed, o vrouwenliefde
en min! hebt den sterveling gij gebracht.

Jason komt aangesneld; hij verkeert in hevige gemoedsbeweging.

Jason:
Zegt mij, gij vrouwen, die hier staat ter poorte,
is zij - Medea - na haar gruweldaad,
is zij nog hier of reeds ter vlucht gegaan?
Zij mag zich diep wel bergen in den grond,
of zich op vleug´len heffen in de lucht,
als zij dien koningsmoord niet boeten wil.
Maar minder vrees ´k voor haar dan voor mijn kind´ren.
Zij moge vallen voor haar gruweldaad,
maar ´t leven mijner kind´ren kom ik redden,
dat ´s konings nabestaanden zich op hen
niet wreken voor hun moeders euveldaad.

Koor:
Rampzaal´ge, uw leed zijt ge u nog niet bewust.
Waart gij dit wel, gij hadt niet zóó gesproken.

Jason:
Wat is er? Wil ze ook mij misschien vermoorden?

Koor:
Dood zijn uw kind´ren - door hun moeders hand.

Jason:
Wat zegt gij daar? Gij moordt mij met uw woord.

Koor:
Wees overtuigd: uw kind´ren zijn niet meer.

Jason:
En dat deed zij! hier in ´t huis? of buiten?

Koor:
Ontsluit de poort en zie het bloedig schouwspel.

Jason:
Doet open, dienaars, doet mij daad´lijk open,
ontsluit de poort, laat mij dien dubb´len jammer,
mijn kind´ren zien, en voor dien moord haar straffen!

Boven het dak van het huis verschijnt een door gevleugelde draken getrokken wagen, waarop Medea; naast haar liggen de doode lichamen der kinderen.

Medea:
Wat rukt en rammelt ge aan de deur? Zoekt gij
de dooden, zoekt gij mij ook, die het deed?
Staak dan uw moeite. Wilt gij iets van mij,
spreek dan; maar nimmer raakt uw hand mij aan.
Geen vijand deert mij: Zon-god, vaders vader,
gaf daarvoor dezen wagen mij ten schuts.

Jason:
O gruw´lijk wezen, met der goden vloek
belaân, den vloek van ´t menschdom, en van mij;
die waagdet in uw eigen kind´ren ´t zwaard
te steken en mij zelf in hen ter dood bracht.
En na zoo goddeloos een wanbedrijf
ziet gij het zonlicht, ziet ge d´ aarde nog?
Vloek over u! - Nu zie ´k mijn dwaasheid in,
toen ´k uit het onbeschaafde land u meê-
nam naar Helleensche woning, u ellend´ge,
verraadster van uw vader en uw land.
O, dat ik blind was voor uw god-gehaatheid!
Uw broeder hadt ge bij den haard gedood,
om d´ Argo, ´t edel vaartuig te bestijgen.
Dat was ´t begin; toen vondt ge in mij uw man,
werdt moeder, en vermoordt nu onze kind´ren -
om ´t echt´lijk bed, uw sponde, en anders niet.
Geen vrouw in Hellas, die zoo´n gruwel ooit
bestond; en toch gaf ´k u de voorkeur, u,
wier liefde haat, wier omgang mijn verderf werd,
u, een leeuwin, geen vrouw; - geen Scylla is
zoo wreed, zoo monsterachtig wreed als gij.
Doch waartoe deez´ verwijten: ´t duizendvoud
zou u niet krenken in uw starren geest.
Ik vloek u; ga, bevlekt met kinderbloed.
Mij blijft mijn smart, mijn treuren om mijn leven.
Heen zijn mijn droomen van een nieuw geluk;
heen zijn mijn kind´ren, die ik groot bracht; nooit,
nooit zie ´k ze weer, nooit hoor ik meer hun stem.

Medea:
Een láng verweer zou ik u tegen-voeren,
wist Zeus, wist hij, der goden vader, niet,
hoe gij met ondank al mijn liefde loondet.
Uw vrouw verstooten, dacht ge een leven van
genot te smaken en u heim´lijk te
vermaken over mij - ´t zou niet gebeuren,
en Creon zou niet straf´loos, noch zijn dochter
mij uit hun land verjagen. Noem dan vrij
naar welbehagen mij leeuwin of Scylla:
zie, ´k trof u récht in ´t hart - mij is ´t genoeg.

Jason:
´t Pijnigt u even zeer; dus wreekt zich ´t booze.

Medea:
Welkom is smart, als maar uw spot verstomt.

Jason:
Kind´ren, hoe boos een moeder was uw deel.

Medea:
Aan vader krank, mijn kind´ren, kwaamt gij om!

Jason:
Maar niet mijn hand was ´t, die hen sterven deed.

Medea:
Neen, maar uw schending en uw trouweloosheid.

Jason:
Zoo bracht g´ om echt-verand´ring hen ter dood?

Medea:
Dunkt u die krenking voor een vrouw gering?

Jason:
Wel, als zij wijs is - gij kent enkel kwaad!

Medea:
Zij zijn niet meer; dat zal aan ´t hart u knagen.

Jason:
Zij zijn ´t, die met hun bitt´re wraak u dreigen.

Medea:
De goden weten, wie het kwaad begon.

Jason:
Zij weten, hoe afschuwelijk gij zijt.

Medea:
Wel, haat mij; maar uw taal is mij een hinder.

Jason:
En d´ uwe mij; zoo valt het scheiden licht.

Medea:
Welnu: dat zij zoo: ik verlang niets liever.

Jason:
Laat mij de dooden, dat ik hen begrave.

Medea:
Neen, eigenhandig breng ik hen ten grave;
naar Acrae draag ik hen in Hera´s tempel,
opdat geen vijands hand hun tombe schendt,
en in hun rust hen stoort. Een heilig feest
en offers zal ´k in ´t land van Sisyphus
hun wijden voor dees goddeloozen dood.
Zelf ga ik naar Erechtheus´ land, om bij
Pandions zoon, vorst Aegeus, woon te vinden.

Jason:
Het heilige Recht vergeld´ u den moord
in wroeging en bloed!

Medea:
Wat god of daemon hoort u nog aan,
die eeden breekt en vrienden bedriegt?

Jason:
Wee u, besmet met het bloed van uw kind´ren.

Medea:
Ga heen naar uw huis en begraaf uw gade.

Jason:
Ik ga - van mijn beide zonen beroofd.

Medea:
Zijt ge eenmaal oud, dan zult gij eerst klagen!

Jason:
O kind´ren, mij lief! -

Medea:
- Dat waren ze mij.

Jason:
Toch dooddet gij hen! -

Medea:
- Uit haat tegen u!

Jason:
Wee mij; o mocht voor ´t laatst ik een kus
hun geven, hen eens nog omhelzen.

Medea:
Nu hebt gij een woord van liefde voor hen,
na hen eens te hebben verstooten.

Jason:
Sta toe, nog ééns hun zachte huid
te beroeren, ik bid u -

Medea:
- Vergeefs, ´t zal niet!

De wagen met Medea verheft zich in de lucht.

Jason:
Zeus, hoort gij, hoe ´k word verjaagd door haar,
wat lijden mij doet die wreede leeuwin,
die moordenares van haar eigen bloed?
Maar, wat ik kan, wat gij niet belet:
mijn smart zal ik klagen en ´s hemels vloek
roep ik af over u, die mijn kind´ren doodt,
enm ´t recht mij ontzegt, eens voor het laatst
hen te streelen, dan grafwaarts te dragen.
Ach - had ik nooit hen verwekt om te zien,
hoe door u zij moesten verderven.

Jason verwijdert zich met langzame schreden.

Koor:
Zoo wisselt staag het levensbeeld,
vaak onverhoopt, naar God beveelt.
Vaak onvervuld blijft, wat men wacht,
en wordt beschikt, wat niemand dacht.
Dat is ook hier gebleken.