Euripides

Het treurspel Hippolutos

uit het Grieksch in Nederlandsche
verzen overgebracht met
inleiding en toelichtingen

door

Dr. K.H. de Raaf

Zutphen - W.J. Thieme & Cie - MCMXL


INLEIDING

I.

Een beschouwing over het treurspel Hippolutos en de twee voornaamste karakters.

De Hippolutos, een der geniaalste en voor onzen tijd aantrekkelijkste werken van Euripides, in de wereld-literatuur het eerste drama van de liefde, is ook gedurende zijn leven bij uitzondering op volle waarde geschat: het verwierf den eersten prijs, toen het in 428 v. Chr. te Athene werd gespeeld.
De dichter had de geschiedenis reeds eerder dramatisch behandeld. Dit eerste drama, waarvan slechts weinige fragmenten, in het geheel vijftig versregels, tot ons zijn gekomen; werd door den Romein Seneca een vijfhonderd jaar later van dichtbij gevolgd, in zijn treurspel Phaedra, welk Latijnsch werk, samen met den ons overgeleverden Hippolutos, sinds de renaissance weer vele lateren, tot zelfs in onze dagen toe, tot navolging heeft verlokt. Verreweg het belangrijkste hiervan is Phèdre van Racine.
Het Atheensche publiek heeft den eersten, verloren geganen Hippolutos met verontwaardiging afgewezen, wat den dichter aanleiding gaf, zijn stuk grondig te herzien en "het aanstootelijke en laakbare te verbeteren". De vrucht van deze werkzaamheid is het onderhavige treurspel. De Grieken noemden het "de kransdragende Hippolutos", ter onderscheiding van het eerste, dat "de omhulde Hippolutos" werd geheeten, daar de jongeling, uit schaamte over Phaidra´s schandelijke liefde en het voorstel der voedster, zich het gelaat zou hebben omhuld.

De Phaidra-figuur.

Het verschil tusschen Euripides´ twee bewerkingen wordt voor een groot deel bepaald door de teekening van de Phaidra-figuur. Met behulp van Seneca´s drama is het beeld der eerste Phaidra te reconstrueeren. Een schaamteloos beleden liefdes-hartstocht kenmerkt haar waren aard. Haar liefde is geen "amor" maar "libido". Door erfelijkheid is zij, evenals ook de tweede Phaidra, voorbestemd tot een wellust die gemakkelijk de perken te buiten gaat. Deze breekt uit als een woedende brand, zoodra zij haar stiefzoon heeft gezien. "Die Liebe", zegt Nietzsche, "ganz, grosz, voll gedacht, ist Natur und als Natur in alle Ewigkeit etwas "Unmoralisches"". Indien van iemand, dan geldt dit voor deze Phaidra. Willoos, lijdelijk, laat zij zich door haar razernij medesleepen en meent zich te kunnen verontschuldigen door den losbandigen avontuurlust van haar echtgenoot. Zonder eenige terughouding maakt zij onmiddellijk haar vertrouwelinge, de voedster, deelgenoot van haar verlangen en blijft doof voor hare verwijten en goedgemeende waarschuwingen. In het allerlaatst eerst krijgt over den wellust bezinning de overhand en wil ze, in een plotselinge verandering van besluit, zich dooden, maar wacht eerst nog, of de voedster Hippolutos niet kan overtuigen, dat de mensch geschapen is voor de liefde. In haar ongeduld om den uitslag te weten, gaat zij naar de plaats waar de voedster Hippolutos zou ontmoeten, bekent haar liefde, smeekt hem om zijn gunst, omhelst hem zelfs, en ... wordt afgewezen. Als Theseus dan van zijn tocht naar de onderwereld terugkomt, speelt zij de rol van een geraffineerde komediante en Zeus tot getuige aanroepend spreekt ze weenend haar beschuldiging uit: Hippolutos heeft haar verkracht! Van zelfbeheersching, van vrouwelijke fierheid is bij haar geen sprake; zij is de levende waanzin. Later echter, bij het zien van het verminkte lijk, krijgt ze een afschuw van zichzelf, bekent haar schuld en doorsteekt zich met het zwaard, dat Hippolutos na hun ontmoeting heeft achtergelaten.

Hoe anders, hoeveel edeler de Phaidra van het drama in zijn definitieven vorm! In haar werkt een zedelijk verzet. Zij vertoont ons de wanhopige worsteling tusschen twee onvereenigbare affecten: een demonische, verboden liefde, welke stijgt tot bezetenheid en een sterk ontwikkeld eergevoel. Haar schaamte dwingt haar tot geheimhouding, zelfs voor haar vertrouwelinge, een geheimhouding, welke zij eerst op het laatste oogenblik prijsgeeft. Zij beseft haar verantwoordelijkheid, als koningin, als vrouw en moeder en tracht daarom door de rede te onderdrukken wat zich bij haar niet onderdrukken laat. Heeft zij dit eenmaal begrepen, dan overweegt zij als uitredding den zelfmoord, en dit wordt een vast besluit, als zij uit den eigen mond van den verontwaardigden Hippolutos verneemt, hoe hij haar liefde verfoeit. Want de Voedster, steeds bedacht op het geluk van haar meesteres, heeft in onberaden hulpvaardigheid tegen Phaidra´s wil en buiten haar weten tot Hippolutos over haar liefde gesproken, hopende door dit uiterste middel haar leven nog te kunnen redden. Door den geliefde versmaad, ja, vervloekt, brengt Phaidra nu onmiddellijk haar plan ten uitvoer. Maar daar zij geen getuige van haar schande dulden kan en van Hippolutos openbaarmaking van haar geheim meent te moeten vreezen, schrijft ze eerst nog den brief met de bekende beschuldiging.
Voor de Antieken was de Liefde wat zij van den aanvang af en ook tegenwoordig nog, zij het dan dikwijls verzwegen en onbewust, in werkelijkheid is: de sexueele drift die het leven in stand houdt en den man drijft tot de vrouw, de vrouw tot den man. Als zoodanig is zij het tegendeel van verwerpelijk; ja, kan zij de bron zijn van een zalige zoetheid, zegt Euripides. Maar wee, als zij redeloos en toomeloos alle banden breekt! Dan wordt zij de zinnelooze macht die niets dan onheil sticht. Dàt is de woedende, gevaarlijke Aphrodite:
Overal blaast zij verderf en zij vliegt
gelijk een bij allerwegen!

Deze liefde heeft de dichter treurspelsgewijs willen uitbeelden en ´t is mede hierdoor, dat hij zijn Atheners heeft vermogen te roeren en de lastigste kunstrechters gedwongen tot de erkenning van zijn meesterschap.
Voor heiligen is in een treurspel geen plaats. Zoo heeft ook Phaidra haar menschelijke zwakheden, o.a., het valsch beschuldigen van haar stiefzoon. Het is gemeen, het hindert ons. En toch is de daad begrijpelijk. Zij gruwt van haar zonde en wil het geheim daarvan meenemen in het graf. Hippolutos zou alles voor haar bederven als hij spreken ging en zij acht dit waarschijnlijk. Zijn stem moet dus gesmoord en zij grijpt hiertoe het wanhoopsmiddel van de valsche aanklacht, waardoor Theseus aan de woorden van zijn zoon geen geloof zal hechten. Hippolutos heeft wel in haar bijzijn aan de voedster gezegd, dat hij tegenover zijn vader zal zwijgen, omdat hij zich bij eede verplicht heeft de vertrouwelijke mededeeling niet verder te zullen vertellen; maar heeft zij in haar ontsteltenis de verzekering gehoord? Of, zoo ja, kon zij die gelooven? Bovendien moet er iets veranderd zijn in haar verhouding tot den jongen man. Is er voor iemand die onzedelijkheid verfoeit, erger beleediging denkbaar dan van onzedelijkheid verdacht en beschuldigd te worden? Mag men van een zoo gepassioneerde vrouw, die zich door den beminde versmaad, uitgescholden en vervloekt ziet, berusting en vergevingsgezindheid verwachten? Is de ommekeer van het eene uiterste: dolle liefde, in het andere: haat en wraakzucht, niet natuurlijk? De psychologische motiveering is hier inderdaad door den dichter meesterlijk verzorgd. Ja, de Phaidra-figuur is niet alleen eene der nieuwste scheppingen in de Grieksche dramatische literatuur, maar ook een goed volgehouden, groot karakter van een bewonderenswaardige zuiverheid en kracht.

De Hippolutos-figuur.

De persoonlijkheid van Hippolutos is niet te begrijpen, laat staan te waardeeren, wanneer men zich niet kan wegdenken uit onze hedendaagsche wereld en zijn oordeel laat beheerschen door de voorstelling van een jongmensch-in-soortgelijke-situatie van onzen eigen tijd. We zullen dus moeten nagaan, hoe Euripides zelf deze figuur heeft bedoeld, welke gegevens ter bewerking vóór hem lagen en wat hij met zijn bewerking heeft te voorschijn gebracht.
Hoewel hij kritisch stond tegenover het conventioneele godengeloof, een nihilist in de religie was hij allesbehalve; heilige overleveringen, ritueele gebruiken heeft hij ontzien en dikwijls waren hem die aanleiding om ze dramatisch te verklaren. Zoo ook hier. In Troizen was Hippolutos het voorwerp van godsdienstige vereering. Er was een tempel, aan den kuischen prins gewijd, waar een priester, voor zijn leven aangesteld, den offerdienst waarnam. Jonge maagden offerden hem op den dag vóór haar huwelijk een lok van heur haar en zongen daarbij een lied, waarin zijn onverdiende dood werd bejammerd. Ook was er een graf, dat als het zijne werd aangewezen, naast een van Phaidra; een renbaan, waarin hij zou hebben gereden; een plaats, vanwaar Phaidra hem zou hebben bespied bij zijn paardensport, en nog meer andere herinneringen aan hun geschiedenis. Tot de Troizeensche sage moet dan verder hebben behoord, dat Hippolutos om het leven kwam door zijn eigen paarden, op hol geslagen bij het gezicht van een stier in een berghooge vloedgolf, welke Poseidoon had doen oprijzen (symbool van een vullkanische eruptie).
De geschiedenis van Phaidra´s tragische liefde is in Troizen met Hippolutos in verbinding gebracht; zij was in den oudsten tijd, van Homerus tot de vijfde eeuw, nog weinig in Griekenland verbreid, totdat Euripides haar door zijn treurspel algemeene bekendheid verschafte. Wat hij te doen had, was, de voorhanden gegevens op te bouwen tot een bezield en indrukwekkend geheel. Dit heeft hij gedaan en hij schiep een treurspel voor alle tijden.
Tegenover Phaidra´s brandende erotiek staat bij Hippolutos een onaantastbare koelheid. Nog éér er een woord gesproken is, wordt de toeschouwer zich de tegenstelling bewust, want hij ziet aan de ééne zijde vóór het paleis een beeld van Aphrodite en aan de andere een van Artemis, de kuische jachtgodin.
Terecht heeft Euripides zijn drama "Hippolutos" genoemd, want de kuische Hippolutos is niet alleen de titelheld, maar tevens de protagonist, de speler van de hoofdrol, wien door de deuteragonist, Phaidra het conflikt wordt aangedaan. Het is zijn kuischheid die wordt aangevochten en den stoot geeft tot de tragische verwikkeling. Ze weet zich te handhaven, maar ten koste van twee levens, dat van Phaidra en hem zelf. Phaidra is ook kuisch en eerbaar, maar slechts in zooverre, dat zij aan haar verlangens niet toegeeft. Zij zondigt, maar alleen in gedachten. Bij Hippolutos is de kuischheid absoluut; ze is niet een door strijd veroverde karaktereigenschap, maar spruit voort uit een bovenmenschelijke onvatbaarheid voor het sensueele. Hij heeft Aphrodite altijd geminacht. Van de vermaning van den ouden dienaar om ook Aphrodite te eeren, maakt hij zich dan ook af met de opmerking: "Geen god behaagt mij die gevierd wordt in den nacht". Afkeerig van de liefdesgodin leeft hij in een mystieke gemeenschap met de godin der ongerepte kuischheid. Ook zonder zijn voortdurende en krachtige lichaamsoefeningen zou een asexueel leven hem geen moeite hebben gekost. Daar elke man van eer een plotselinge uitnoodiging tot overspel, uitgaande van zijn tweede moeder, als iets gemeens zou verwerpen, is het dus meer dan begrijpelijk, dat iemand van zijn karakter om het voorstel buiten zichzelven geraakt en in onredelijke drift het geheele vrouwengeslacht verwenscht. Trouwens, de dichter had hier behoefte aan een uitermate felle en beleedigende afwijzing, waardoor alle hoop voor Phaidra uitgesloten was en haar zelfmoord begrijpelijk werd. Versmade liefde wekt zucht tot wraak en hieraan valt Hippolutos ten offer. Euripides heeft dit in den proloog reeds aangeduid door Aphrodite´s verbolgenheid te maken tot drijfveer van wraak. Verre van een ziellooze marionet te zijn is de godin een levende godheid en tegelijk de vergelding-zoekende geest van de diep gegriefde koningin, die dan ook in haar val den gewaand-onaantastbare wenscht mede te sleepen.
Door zijn kuischheid, of, zooals Artemis het uitdrukt, door zijn edele inborst, komt de held ten val. Ook door zijn tekort aan erotiek? Met meer begrip van de liefde zou hij zeker minder scherp op het liefdesvoorstel hebben gereageerd en Phaidra niet onherstelbaar hebben gegriefd. Bovendien, zijn miskenning van de liefde mag uit een menschelijk oogpunt gezien zeker geen deugd heeten, omdat ze in strijd is met de natuur, welke zich, alweer in de figuur van Aphrodite, als wreekster gelden doet. De oude dienaar waarschuwt hem dan ook terecht: de mensch ga de grenzen van het menschelijke niet te buiten en eere de goddelijke orde. Maar de goede oude ziet niet in, wat de dichter wel heeft ingezien, n.l. dat in Hippolutos twee wezens verneenigd zijn: een mensch en een god van een zeer bizonder karakter: n.l. een mannelijke tegenhanger van Artemis. Voor het wezen van dit goddelijke heeft de beroemde klassicus Von Wilamowitz Möllendorf een m.i. aannemelijke verklaring gevonden, welke zich baseert op gegevens uit het drama zelf. Zooals hij opmerkt, is een god de exponent van een geloof, een gevoel. Bij de onbedorven bruid moet bij al hare liefde voor den toekomstigen echtgenoot een gevoel van schaamte worden overwonnen, wanneer zij haar maagdelijken staat gaat verwisselen met dien van het huwelijk. In Troizen nu offerden de meisjes een haarlok aan Hippolutos vóór haar huwelijk en herdachten daarbij in een treurzang den onschuldigen dood van den kuischen heros. In dezen cultus ziet de geleerde een religieuze reminiscens, e.w. een oorspronkelijk offer aan de Kuischheid, d.w.z. een kuischheids-demon, welke lijden moet en ten ondergaan, wil het huwelijk tot voltooiing geraken. Die god moet dan later vereenzelvigd zijn geworden met Hippolutos. In het zwevende, tweeslachtige van deze figuur: deels mensch, deels god, ligt zijn tragiek besloten. Hij stelt zich boven en buiten de menschelijke natuur en daardoor wordt hij martelaar.
Het "goddelijke" van zijn held heeft Euripides zeer zeker gevoeld en uitgedrukt ook, maar vooral de te vage reëel-menschelijke trekken der sage bijgewerkt en met warme liefde belicht. In hoofdzaak toch is Hippolutos voor hem een voortreffelijk mensch.
Beken van tranen zullen er ruischen,
want van de grooten sterft nimmer de faam
noch het rouwend herdenken.

Met deze woorden laat hij het stuk eindigen.
Waarin steekt dan die grootheid van Hippolutos? Op de eerste plaats in zijn vlekkelooze vroomheid, zoo echt, zoo diep geworteld, dat zij hem tot het allerzwaarste offer in staat stelt: het offer van zijn goeden naam en zijn jonge leven. Men denke aan den eed, waarmee hij de voedster belooft, haar vertrouwelijke mededeeling geheim te zullen houden, een eed waaraan hij trouw blijft, hoewel hij door dien te breken de verdenking had kunnen weerleggen, den dood had kunnen ontgaan. Hier toont hij een zedelijke heldhaftigheid, waarbij zijn moed bij jacht en paarden-temmen in het niet zinkt. Deze aangeboren vroomheid heeft steun gevonden in zijn opvoeding. Ook de inwijding in de mysteriën van Eleusis moet hier van invloed zijn geweest, wanneer men bedenkt dat mannen als Pindaros, Aischulos, Sophokles e.a. er stichting vonden en er met eerbied over spreken. Er zijn meer bewijzen van zijn vroomheid-met-de-daad. Hij vergeet, als hij zwaar verminkt binnengedragen is, zijn eigen smart en pijn door het diepe medelijden met zijn ongelukkigen vader, vergeeft hem zijn schuld en als Christen-in-belofte troost hij den man, die hem gehaat en vernietigd heeft. Kortom, hij toont een goed en edel mensch te zijn.
Toch, bij al den adel van zijn karakter, heeft ook hij zijn tekortkomingen. In de feilbaarheid van een hartstochtelijke vrouw kan hij zich niet verplaatsen; hij heeft er enkel maar verachting voor. Zelfgenoegzaam, zeker van zichzelf, denkt hij in hooge onaantastbaarheid door het leven te kunnen gaan. Het is het gewone gebrek aan wereld- en menschenkennis van den naïeven idealist en hangt nauw samen met den bovenmenschelijken oorsprong der Hippolutos-figuur. Maar er zijn erger bedenkingen geopperd. Men spreekt van een zekere onaangename verwaandheid, van eigenliefde en zelfvereering. Wanneer men alles goed overweegt, blijkt deze opvatting niet houdbaar. In een der eerste tooneelen hooren we een discussie van Hippolutos en een ouden slaaf. Deze vraagt hem of hij ook niet vindt, dat verwaandheid en ontoegankelijkheid niet geschikt zijn om zich bemind te maken. De oude man neemt het den prins namelijk kwalijk, dat hij geen hulde brengt aan het beeld van Aphrodite en wel aan dat van Artemis; hij ziet daarin onverstand en hooghartigheid. Deze slaaf vertolkt hier de algemeene, gangbare opvatting, volgens het traditioneele geloof: men behoort alle goden te eerbiedigen, ook dus Aphrodite. Hoogstwaarschijnlijk echter staat hier de kritische Euripides, al heeft hij heel goed geweten wat de liefde waard was, aan de zijde van Hippolutos. Men begrijpe dit niet verkeerd en ontdekke hier geen tegenspraak tusschen de erkenning van de liefde als een onvermijdelijke, wetmatige levensmacht en het partij-kiezen voor den de liefde versmadenden Hippolutos. Euripides als breedvoelend, sceptisch aangelegd poëet is vrij van alle eenzijdige starheid; hij ziet altijd meer dan éénen kant van zijn onderwerp, evenals men bij paarlemoer de kleuren ziet wisselen, wanneer men er anders tegenover gaat staan. Hij heeft dus de dubbelheid in zijn held gevoeld en begreep wel degelijk, dat een mensch buiten de natuurlijke orde komt te staan, als hij de liefde miskent en veracht. De oude dienaar heeft dus zeker ook des dichters gevoelens onder woorden gebracht. Maar, van den anderen kant wist Euripides, dat van den kuischheidsgod die koele houding vanzelfsprekend is en gaf, mild en vrij van vooroordeelen, de figuur zooals hij die geven moest. De mogelijkheid tot tegenstrijdige opvattingen maakt de persoonlijkheid van Hippolutos evenzeer tot een boeiend literair probleem als dat zij teekenend is voor den Proteus-achtigen geest van den universeelen, veel-begrijpenden dichter.
Overigens, wat de verwaandheid betreft, die is slechts schijn. Men kan hier alleen spreken van de onverschilligheid en zelfstandigheid van iemand die gewoon is zijn eigen weg te gaan.
Er zijn nog een paar plaatsen, waarop de gewraakte zienswijze moet berusten. Die, waar hij uitvaart tegen het vrouwelijk geslacht? Zij mag hier niet meetellen; Hippolutos´ onverschilligheid voor vrouwen heeft, zooals we zagen, een anderen oorsprong dan hoogmoed. Neen, we hebben het oog op de passage waar Theseus zijn zoon er woedend van beschuldigt, Phaidra onteerd te hebben. Maar wat is natuurlijker dan dat Hippolutos zich bij deze gelegenheid verdedigt door de krachtigste verzekeringen van het tegendeel en wijst op eigen vroomheid en reinen levenswandel? Dat hij tegen de monsterachtige aanklacht in opstand komt en in groote bewogenheid uitroept:
Ziet gij deze aarde en ´t licht? Daar is geen enkle man
die reiner is dan ik, ook al ontkent gij dit!

mag toch zeker geen bewijs van verwaandheid heeten. Evenwel, één regel is er, die de blaam schijnt te wettigen. Hippolutos wordt verward in de leidsels en verminkt voortgesleept door zijn paarden; hij roept dan:
o, die rampzaalge vloek van vader! Is hier geen,
die den voortreffelijksten man verlossen kan?

Edoch, er wordt twijfel geopperd aan de juistheid van deze lezing en gevraagd, of in plaat van "aristos" niet moet worden gelezen "araios", zoodat er zou staan:
..........................................
die zulk een vloek-beladene verlossen kan?
Hoe het ook zij, het schijnt ons niet juist, Hippolutos als een minder sympathieke figuur te zien. De weinig vleiende karakter-interpretatie komt voort, meenen wij, uit oppervlakkig lezen, waarbij men onvoldoende doordringt in het onderwerp. Von Schlegel heeft er zich inderijd reeds berucht door gemaakt. We bedoelen déze oppervlakkigheid, dat men, zooals bij de woorden van den ouden slaaf, subjectieve beschouwingen van dramatis-personae als objectieve waarheden ziet. Laten we daarom ook oppassen (en dit geldt een anderen trek), Hippolutos niet te houden voor een schijnheiligen femelaar, een hoogmoedigen dweper, die zich bedwelmt aan zijn mystiek, enkel omdat Theseus hem als zoodanig uitschildert in zijn sarkastischen, woedenden uitval. Want dit is een karikatuur-beeld van den waren Hippolutos.
Afgezien van het boven-natuurlijke in de figuur heeft Euripides in Hippolutos blijkbaar het type willen teekenen van den idealen jongeling, zooals Plato dit weldra in zijn boek over de Wetten (Nomoi) zou opstellen als een exempel voor de jongelui van zijn tijd: een braaf mensch en aristokraat van den geest, niet behept met den vulgairen zucht naar maatschappelijk aanzien en macht; een blonden athleet, mededinger in de groote wedstrijden, die het wild met speer en boog vervolgt in de bergen, in het stadion aan zee zijn rennende paarden aanvuurt; een minnaar ook van de Muzen, die het huis blij maakte met zijn snarenspel.
Een klassicus van naam heeft dan ook getuigd, dat in Hippolutos een figuur is geschapen die bijna de maat der antieken te boven gaat en wellicht het aantrekkelijste is, wat de Muze van Euripides heeft voortgebracht.

II.

Vergelijking van den Hippolutos met de daaruit voortgekomen drama´s van Seneca en Racine.

Bij Seneca en Racine is niet Hippolutos maar de koningin de hoofdpersoon. Zij blijft leven tot het allerlaatst, totdat zij het verminkte lijk ziet van den onschuldig veroordeelde, haar leugen bekent en, overweldigd door haar berouw, zich laat vallen in zijn zwaard. (Bij Racine gebruikt zij vergif.) Hiermede is de liefdestragedie tot haar einde gekomen.
(...) Beide Phaidra´s, die van Seneca en Euripides, zijn even hartstochtelijk. Maar bij Seneca is de hartstocht louter zinnelijk; bij den Griekschen dichter vindt de zinnelijkheid haar machtig tegenwicht in een sterke zedelijke tendens. Daardoor is Seneca´s Phaedra vulgair luidruchtig en romantisch, juist geschapen voor toeschouwers die behoefte gevoelen aan grove prikkels, terwijl de Phaidra van Euripides ons behalve door haar ongeluk ontroert door een psychische dramatiek, die zich openbaart in een voorname en fiere ingetogenheid.
(...) En nu de Phèdre van Racine. (...) De Phèdre is in zijn soort klassiek. En toch, Racine is geen Euripides. In de verste verte niet. (...)
´t Is alles wel overwogen, met kieschen smaak geordend als een park van Le Nôtre, waar de creaturen van den Zonnekoning elkaar tegemoet treden met correct en zwierig gebaar; maar ... het vanzelfsprekend-natuurlijke, het frisch-naïeve ontbreekt; men voelt het alles als imitatie. De geschetste verschillen berusten hierop, dat in de drie drama´s ons drie verschillende tijdperken tegemoet treden.

III.

Over de wijze van vertalen.

Uit mijn vroegere Euripides-vertalingen mag gebleken zijn, dat ik het origineel zoo getrouw mogelijk pleeg weer te geven en ongaarne torn aan de overgeleverde lezingen. Dit geldt ook voor deze Hippolutos-vertaling. Ik gebruikte hoofdzakelijk de tekst-edities van Wecklein, van Méridier en van Hadley, en heb alleen wanneer het absoluut onvermijdelijk scheen, mij bediend van geopperde conjecturen. K. H. de R.

 

IV.

Inhoud
naar den ouden, Griekschen tekst.

Theseus was de zoon van Aithra en Poseidoon en koning van Athenai; gehuwd met eene der Amazonen, Hippolutè, verwekte hij Hippolutos, die zich onderscheidde door schoonheid en kuischheid. Nadat zijn gade uit het leven gescheiden was, nam hij tot zich een Kretensische, met name Phaidra, dochter van koning Minos van Kreta en Pasiphaë. Wegens een moord op Pallas, een zijner verwanten, week Theseus uit naar troizen, waar het geval wilde, dat Hippolutos bij Pittheus zijn opvoeding genoot. Maar den jongeling gezien hebbende, werd Phaidra door liefde overmeesterd, niet omdat zij losbandig was, maar omdat op die wijze de wrok zou worden bevredigd van Aphrodite, die, voornemens, Hippolutos wegens zijn kuischheid te dooden, hare plannen tot het einde volvoerde. Een tijdlang hield Phaidra haar kwaal geheim, maar ten langen leste was zij gedwongen, die aan haar voedster te openbaren, die eerlijk beloofde haar te zullen helpen, maar tegen de bedoeling van haar meesteres alles aan den jongen man overbracht. Phaidra nu, hoorend dat hij woedend te keer ging, overlaadde de voedster met verwijten, waarna zij zich verhing. Theseus, juist op dat pas verschenen, vond bij haar een brief, waarin zij Hippolutos betichtte van een aanslag op haar eer. Dit geschrift geloof schenkend, gelastte hij Hippolutos het land te verlaten en riep Poseidoon´s vloek over hem af, dien de god verhoorde, waarop hij Hippolutos van het leven beroofde. Artemis bracht Theseus van al het gebeurde op de hoogte. Zij sprak niet smadelijk over Phaidra en troostte den van vrouw en zoon beroofde. En zij verklaarde dat voor Hippolutos in het land een eeredienst zou worden gevestigd.
Het tooneel der handeling is in Troizen. Het stuk werd vertoond onder het archontschap van Epameinoon, in het vierde jaar van de zevenentachtigste Olympiade. Eerste werd Euripides, tweede Iophon, derde Ioon. Dit is de tweede Hippolutos, ook wel bijgenaamd "de kransdragende". Blijkbaar is het later geschreven dan het andere, want in dit drama is het aanstootelijke en laakbare verbeterd. Het drama is er een van den eersten rang.