|
III.
Het werkwoord - verbum
praesens actief
praesens = onvoltooid tegenwoordige tijd
Medeklinker-stam : vinc-
Het hele werkwoord = infinitivus : vincere = overwinnen
vinco
vincis
vincit
vincimus
vincitis
vincunt
ik overwin
jij overwint
hij overwint
wij overwinnen
jullie overwinnen
zij overwinnen
De uitgangen -o, -s, -t,
-mus, -tis, -nt heb je denk ik wel herkend.
Maar alleen bij vinc-o
staat de uitgang -o onmiddellijk achter de stam vinc-. Bij de overige
vormen zie je een extra klinkertje tussen de stam en
de uitgang. Dit klinkertje heet een bindvocaal
: de klinker verbindt de stam met de uitgang :
vinc-i-s [en dus niet
vincs]
vinc-i-t [en niet
vinct]
vinc-i-mus
vinc-i-tis
vinc-u-nt [de bindvocaal is hier een -u- in
plaats van een -i-]
We spreken van
medeklinker-stammen, omdat de stam eindigt op een
medeklinker.
Leer de volgende
werkwoorden :
cárpere : plukken
cédere : gaan, wijken
claúdere : sluiten
consúlere : raadplegen
deféndere : verdedigen
dícere : zeggen
díscere : leren
divídere : verdelen
dúcere : leiden
lúdere : spelen
scríbere : schrijven
víncere : overwinnen
[Het accentje á, of é, of í etc
geeft de klemtoon aan; de uitspraak van
cédere is dus zoiets als keedurru, van
cárpere iets als karpurru, van dúcere
doekurru; de werkwoorden in les 2 bezaten een lange
e-klank, zodat habêre klinkt als
haabééru en timére als
timééru; de klemtoon ligt op die lange
e; ik denk niet, dat het me aldoor lukt om het
verschil tussen e-stammen en medeklinker-stammen aan
te geven, maar ik zal mijn best doen, want het is
niet onbelangrijk.]
Onthoud de woorden
door ze te verbinden met kennis, die je al hebt :
cárpere > carpe
diem : pluk de dag, geniet van het leven
cédere > céder (frans); antecedent
(wat vooraf gaat); intercedent ( die ertussen gaat)
claúdere > claustrofobie; klooster
consúlere > consult
deféndere > defensie
dícere > dictie; dictée; edict
díscere > discipel; discipline
divídere > divisie; dividend; divide et
impera : verdeel en heers
dúcere> duc (frans); duce (italiaans);
aquaduct (wat water leidt)
lúdere > ludiek
scríbere > scribent; scriptie
víncere > victorie; vincent (hij die
wint); victor (winnaar)
Oefening 1 :
geef de betekenis van de volgende werkwoordsvormen :
(gebruik de muis om te controleren en verbeteren)
1.
defendit
2. ludimus
3. consulunt
4. discis
5. clauditis
6. divido
7. dicunt
8. ducere
9. vincitis
10. dicitis
11. ludis
12. scribimus
13. vincit
14. dividere
15. ducit
16. carpunt
17. consulit
18. claudo
19. discimus
20. defendere
Hier de
antwoorden.
Oefening 2 :
maak zelf de juiste vormen :
voorbeeld : 3e ev carpere ---> carpit
1.
3e mv cedere
2. 1e ev vincere
3. 2e ev ludere
4. 2e mv claudere
5. 1e mv discere
6. 3e ev ducere
Hier de
antwoorden.
Oefening 3 :
Meerkeuzetoets: Kies het correcte antwoord:
1. Wat is
de betekenis van : ducitis
?
2. Wat is
de betekenis van : ludunt
?
3. Wat is
de betekenis van : defendimus
?
4. Wat is
de betekenis van : claudere
?
5. Wat is
de betekenis van : vincis
?
Herhaal les 1. Herhaal les 2.
Herhaal deze les. Ga door met les 4. Houd vol, het
begin is taai, misschien, maar zo ben je snel toe
aan zinnetjes en eenvoudige teksten.
|