Cicero
CE
2004
Tussen domus en Forum
Cicero over individu en samenleving
Werkvertaling
De
officiis I.68 - 69
En
het is niet logisch dat wie niet door vrees wordt gebroken, dat die
gebroken wordt door begeerte, noch dat hij die zich als niet te overwinnen
door pijn heeft betoond, overwonnen wordt door genot. Daarom moeten
en deze dingen vermeden worden, en moet de begeerte naar geld gemeden
worden; want niets is zozeer een kenmerk van een beperkte en zozeer
van een kleine geest als het beminnen van rijkdom, niets is eervoller
en verhevener dan geld te verachten, als je het niet hebt, [en] als
je het [wel] hebt, het te besteden aan liefdadigheid en vrijgevigheid.
Ook moet worden opgepast voor de begeerte naar roem, zoals ik boven
heb gezegd; want die ontneemt [je] de vrijheid, waarop (waarvoor) bij
edele mannen alle inspanning [gericht] moet zijn. Ook moeten zeker geen
opperbevelhebberschappen worden nagestreefd, en liever moeten ze soms
niet worden aanvaard of soms worden neergelegd. En men moet vrij zijn
van iedere opwinding van de geest, zowel van begeerte en vrees, als
ook van verdriet en te groot genot en boosheid, opdat rust van het gemoed
en kalmte aanwezig is, die zowel standvastigheid brengt als ook waardigheid.
Velen zijn er echter en zijn er geweest, die, terwijl ze die gemoedsrust
die ik bedoel nastreefden, zich hebben verwijderd van de staatszaken
en hun toevlucht hebben genomen tot een leven zonder publieke functies;
onder hen zijn zowel zeer edele filosofen en veruit de belangrijkste,
als enkele serieuze en ernstige mannen geweest, die noch de gewoontes
van het volk noch die van de leiders konden verdragen, en sommigen hebben
op hun landerijen geleefd zich verheugend over hun familiebezit.
De
officiis I. 72 - 73
Maar
zij die van nature de talenten bezitten om zich met staatszaken bezig
te houden, moeten, na alle aarzeling te hebeen afgeworpen (nadat elke
aarzeling is afgeworpen) ambten verwerven en de staat besturen; want
niet kan op een andere manier of de staat bestuurd worden of grootheid
van geest duidelijk worden. Degenen die een politieke loopbaan beginnen
moeten echter niets minder dan de filosofen, misschien zelfs wel meer,
zowel verhevenheid aan de dag leggen als verachting van menselijke aangelegenheden,
waarover ik dikwijls spreek, als gemoedsrust en kalmte, als ze tenminste
niet angstig willen (zullen) zijn en met ernst en standvastigheid willen
leven. Deze dingen zijn gemakkelijker voor de filosofen, naarmate er
minder dingen openstaan in hun leven die het lot zou kunnen treffen,
en naar mate ze minder dingen nodig hebben, en omdat ze, als er iets
van tegenspoed zou gebeuren, niet zo ernstig kunnen vallen. Dus niet
zonder oorzaak worden grotere gemoedsbewegingen opgewekt bij degenen
die de staat besturen dan bij degenen die zich niet met politiek bemoeien;
des te meer moeten zij grootheid van geest aan de dag leggen en vrijheid
van angsten. Wie het echter op zich neemt de staat te besturen, laat
hij ervoor oppassen dat hij niet alleen dat overweegt, hoe eervol die
zaak is, maar er ook voor zorgen dat hij de mogelijkheid heeft resultaat
te behalen; juist daarin moet hij ervoor zorgen (ervoor gezorgd worden)
dat hij niet ofwel zomaar wanhoopt vanwege gebrek aan energie ofwel
teveel vertrouwen heeft vanwege begeerte. In alle taken echter moet,
voordat je eraan begint, een zorgvuldige voorbereiding worden toegepast.
De
officiis I. 103 - 106
Uit
die dingen wordt dát begrepen, opdat we terugkeren naar de uiteenzetting
over plicht, dat alle verlangens binnen de perken gehouden moeten worden
en afgeremd en dat de aandacht en de zorgvuldigheid moeten worden opgewekt,
opdat we niet iets zomaar en op goed geluk, onnadenkend en onverschillig
doen. Want wij zijn niet zo door de natuur voortgebracht, dat wij gemaakt
schijnen te zijn voor spel en scherts, [maar] eerder voor ernst en enkele
meer serieuze en gewichtige bezigheden. Natuurlijk echter mogen we ons
overgeven aan spel en scherts, maar net zoals aan slaap en overige vormen
van rust, dan, wanneer we genoeg aandacht hebben besteed aan ernstige
en serieuze zaken. En het soort scherts zelf moet niet uitgelaten zijn
en niet onbeheerst, maar hoogstaand en geestig. Want zoals we kinderen
niet de volledige vrijheid om te spelen geven, maar die [vrijheid],
welke niet onverenigbaar is met fatsoenlijk gedrag, zo moet juist bij
het spel enig licht van een rechtschapen karakter schitteren. In het
algemeen zijn er twee soorten spel (is het soort van spelen van tweeërlei
aard), één onedel, brutaal, schandelijk, schaamteloos,
het andere verfijnd, beschaafd, scherpzinnig, geestig, van welke soort
niet alleen onze Plautus en de oude komedie van de Atheners, maar ook
de boeken van de Socratische filosofen vol zijn en [wij bezitten] veel
geestige uitspraken van veel mensen, zoals die welke door de oude Cato
verzameld zijn, die men spreuken noemt. Gemakkelijk is dus het onderscheid
tussen hoogstaande en onedele scherts. De ene is, wanneer hij op het
juiste moment plaatsvindt, bijvoorbeeld op een moment van ontspanning,
de meest ernstige man waardig, de ander is zelfs geen vrij man waardig,
wanneer schandelijke daden worden gebruikt en schaamteloze woorden.
Ook moet bij het spelen een zekere maat worden gehouden, opdat we ons
niet te volledig laten gaan en uitgelaten door genot naar een of andere
schandelijkheid afglijden. Maar het Marsveld en de activiteiten van
het jagen verschaffen rijkelijk hoogstaande voorbeelden van spelen.
Maar het is van belang voor het gehele onderzoek naar het begrip 'plicht'
om altijd voor ogen te houden hoezeer de natuur van de mens het vee
en de overige dieren overtreft; zij voelen niets behalve genot, en daar
gaan ze op af met al hun energie, de geest van de mens echter wordt
gevoed door leren en nadenken, altijd onderzoekt hij iets of doet iets,
en hij wordt geleid door het plezier in zien en horen. Ja zelfs, als
iemand een beetje meer geneigd is tot genietingen, als hij maar niet
tot de soort van het vee behoort (want sommigen zijn mensen, niet in
feite, maar in naam), maar als iemand nobeler (meer opgericht) is, verbergt
hij, ook al wordt hij gegrepen door genot, en ontkent hij zijn neiging
tot genot uit schaamte. Daaruit wordt begrepen dat het genot van het
lichaam noet voldoende waardig is aan de voortreffelijkheid van de mens
en dat die veracht en verworpen moet worde, en als iemand enige waarde
hecht aan genot, dat hij dan zorgvuldig maat moet houden in het genieten
ervan. Daarom moet het levensonderhoud en de verzorging van het lichaam
zich richten naar de gezondheid en de krachten, niet naar het genot.
En ook, als we willen overwegen wat in de natuur onze voortreffelijkheid
en onze waardigheid is, zullen we begrijpen hoe schandelijk het is te
zwelgen in weelde en decadent en slap te leven, en hoe hoogstaand het
is om zuinig, beheerst, ernstig en sober te leven.
De
officiis I. 117 - 119
Al
deze dingen dus, moeten we, wanneer wij onderzoeken wat passend is,
met onze geest en ons denken omvatten; in de eerste plaats echter moet
worden vastgesteld, wie en hoe wij willen zijn en in welk soort leven,
welke overweging de moeilijkste van alle is. Want bij het begin van
de jeugd, wanneer de zwakheid van besluit het grootst is, dan besluit
ieder voor zich tot die manier om zijn leven door te brengen waarvoor
hij de meeste voorkeur heeft ontwikkeld; dus raakt hij eerder in een
of andere vaste manier en koers van zijn leven verwikkeld dan hij kon
beoordelen wat het beste was. Want wat Prodicus over Hercules zegt,
zoals bij Xenophon staat, namelijk dat hij, toen hij volwassen werd,
welke tijd door de natuur gegeven is om te kiezen welke levensweg een
ieder zal ingaan, [dat hij toen] naar buiten is gegaan in de eenzaamheid
en daar zittend lang en veel bij zichzelf getwijfeld heeft, toen hij
twee wegen zag, de ene van Genot, de andere van Deugd, welke het beter
was om in te gaan, [wel], dat kon misschien Hercules, geboren uit het
zaad van Jupiter, ten deel vallen, maar ons niet evenzo, die nabootsen
wie het een ieder goed toe heeft geschenen en [die] aangezet worden
tot interesses en plannen van diegenen.
Meestal echter worden wij, vervuld van de voorschriften van onze ouders,
gewonnen voor hun gewoonte[s] en gebruik[en]; anderen worden geleid
door het oordeel van de massa, en wat aan het grootste deel het mooist
schijnt, dat wensen zij het meest; toch hebben sommigen, hetzij door
een zeker geluk, hetzij door een goede gesteldheid van hun aard, zonder
het onderricht van hun ouders de juiste levensweg gevolgd.
Die categorie is echter het meest zeldzaam, van degenen, die ofwel voorzien
van een uitstekende grootheid van talent of van voortreffelijke ontwikkeling
en kennis of beide, ook de tijd konden nemen (hebben gehad) om te overwegen
welke levenskoers ze het liefst wilden volgen; in die overweging moet
het besluit geheel worden teruggevoerd tot ieders eigen natuur. Want
én in alles wat gedaan wordt, zoeken wij wat passend is op grond
van ieders natuurlijke aanleg, zoals boven gezegd is, én in het
op orde brengen van het leven als geheel moet aan die zaak nog veel
grotere zorg worden besteed (moet er nog veel grotere zorg voor die
zaak worden aangewend), opdat wij in de totale duur van ons leven consequent
kunnen zijn en in geen enkele plicht tekort schieten.
De
officiis I. 150 -152
Over
de ambachten en de beroepen, welke als edel beschouwd moeten worden,
[en] welke als minderwaardig, hebben wij ongeveer het volgende vernomen.
In de eerste plaats worden die beroepen afgekeurd die zich de haat van
de mensen op de hals halen, zoals [het beroep] van belastinginners,
zoals van geldleners. Maar onedel en minderwaardig zijn de beroepen
van alle dagloners, van wie de arbeid (inspanningen), van wie niet de
bekwaamheden worden gekocht; want in die gevallen is het loon zelf de
beloning van de slavernij. Ook als minderwaardig moeten worden beschouwd
zij die iets kopen van kooplieden om het direct te verkopen; want ze
zouden geen enkel voordeel behalen, als ze niet behoorlijk zouden liegen;
en zeker is er niets schandelijker dan leugenachtigheid. En alle ambachtslieden
houden zich bezig met een minderwaardig vak; want een werkplaats kan
niets edels hebben. En het minst moeten die vakken gewaardeerd worden
die in dienst staan (de dienaressen zijn van) de lusten, 'visboeren,
slagers, koks, mesters van gevogelte', zoals Terentius zegt. Voeg daaraan
toe, als je wilt, zalfverkopers, dansers, en het gehele dansspel. De
vakken echter waarin ofwel een groter inzicht aanwezig is, of waarmee
een niet gering nut wordt nagestreefd, zoals de geneeskunde, zoals de
bouwkunde, zoals het onderwijzen van eervolle kennisgebieden, die zijn
eervol voor diegenen bij wier sociale positie ze passen. De handel echter
moet, wanneer ze klein is, als minderwaardig beschouwd worden; maar
wanneer ze groot en overvloedig is, terwijl ze veel dingen van alle
kanten aanvoert en aan vele mensen zonder leugenachtigheid toedeelt,
hoeft ze niet erg afgekeurd te worden; en ook, wanneer ze zich, verzadigd
van of liever tevreden met de winst, zoals dikwijls vanuit de ze naar
de haven, zo vanuit de haven zelf naar de akkers en grondbezit heeft
begeven, schijnt ze met het volste recht geprezen te kunnen worden.
Van alle dingen echter waarmee (waaruit) iets verworven wordt, is er
niets beter dan de landbouw, niets rijker, niets aangenamer, niets meer
een vrij man waardig. Omdat we daarover in de Cato Maior voldoende
gezegd hebben, kun je (zul je) daaruit halen wat op dit onderwerp betrekking
heeft (zal hebben).
Maar op welke manier uit die onderdelen die er zijn van het moreel goede
de plichten werden afgeleid, schijnt voldoende uiteengezet te zijn.
Maar tussen (van) die dingen zelf die moreel goed zijn, kan dikwijls
een conflict optreden en een vergelijking, welk van beide van twee goede
dingen het beste is: dit onderwerp is door Panaetius overgeslagen. Want
omdat het gehele moreel goede voorkomt uit vier gedeelten, waarvan het
ene de kennis is, het tweede de gemeenschapszin, het derde de edelmoedigheid,
het vierde de zelfbeheersing, is het dikwijls nodig dat deze bij het
kiezen van een plicht met elkaar vergeleken worden.
De
amicitia 21 - 23
Laten
wij nu eerst [het begrip] virtus verklaren op basis van ons dagelijks
leven en spraakgebruik en het niet, zoals sommige geleerden, beoordelen
met verhevenheid van woorden en laten we tot de goede mannen diegenen
rekenen die [in het algemeen] als zodanig beschouwd worden, mensen als
Paulus, Cato, Galus, Scipio, Philus; met hen is het gewone leven tevreden;
laten we diegenen echter buiten beschouwing laten, die helemaal nergens
gevonden worden. Dus een vriendschap tussen dergelijke mannen heeft
zulke grote voordelen dat ik ze nauwelijks kan noemen. In de eerste
plaats, hoe kan een leven 'leefbaar' zijn, zoals Ennius zegt, dat niet
in de wederzijdse genegenheid tot (van) een vriend rust vindt? Wat is
prettiger dan iemand te hebben met wie je alles net zo durft te bespreken
als met jezelf? Hoe zou er zo'n groot geluk kunnen zijn in voorspoed,
als je niet iemand had die daarover net zo blij zou zijn als jijzelf?
Tegenspoed dragen echter zou moeilijk zijn zonder iemand die daaronder
nog meer zou lijden dan jij. Kortom, de overige dingen die worden nagestreefd,
zijn elk afzonderlijk geschikt voor doorgaans één ding,
rijkdom om te gebruiken (opdat je het gebruikt), macht om vereerd te
worden, openbare functies om geprezen te worden, genoegens om te genieten,
gezondheid om vrij te zijn van pijn en de functies van je lichaam te
vervullen; vriendschap omvat de meeste dingen; waarheen je je ook maar
wendt, ze is paraat, ze wordt op geen enkele plaats buitengesloten,
ze komt nooit ongelegen, ze is nooit lastig; dus niet van water, niet
van vuur, zoals men zegt, maken wij bij meer gelegenheden gebruik dan
van vriendschap. En ik spreek nu niet over de gewone of niet zo hoogstaande
[vriendschap], die toch ook zelf plezier geeft en van voordeel is, maar
over echte en volmaakte, zoals van de weinigen die [als zodanig] genoemd
worden. Want vriendschap maakt zowel voorspoed mooier als tegenspoed,
door die te delen en samen te dragen, lichter.
En ook al bevat de vriendschap de meeste en grootste voordelen,
(interpretatie 1) toch overtreft dat [voordeel] alle andere,
(interpretatie 2) toch overtreft ze wat dat [voordeel] betreft
alle andere dingen, namelijk dat het / ze goede hoop in het vooruitzicht
stelt voor de toekomst en niet toestaat dat de geest verzwakt wordt
of ten val komt. Want wie naar een ware vriend kijkt, kijkt als het
ware naar een afbeelding van zichzelf. Daarom zijn ze, al zijn ze afwezig,
aanwezig en al hebben ze gebrek, hebben ze overvloed, en al zijn ze
zwak, zijn ze sterk en wat [nog] moeilijker te zeggen is, al zijn ze
dood, leven ze; zo'n grote eer, herinnering en verlangen van hun vrienden
begeleidt hen. Daarom schijnt van eerstgenoemden de dood gelukkig, van
laatstgenoemden het leven prijzenswaardig. Maar als je uit de natuur
de band van genegenheid wegneemt, dan zal noch enig huis, noch enige
stad kunnen blijven staan, zelfs de landbouw zal niet blijven bestaan.
Als dat onvoldoende wordt begrepen, hoe groot de kracht van vriendschap
en eendracht is, dan kan dat worden ingezien vanuit [het perspectief
van] onenigheden en ruzies. Want welk huis is zo stabiel, welke staat
zo stevig, dat die niet door haat en tweedracht tot op de grond vernietigd
zou kunnen worden? Op grond daarvan kan worden beoordeeld hoeveel goeds
er in vriendschap zit.
De
finibus II. 63 - 65
Maar
hoe mooi scheen je te spreken, toen je aan de ene kant iemand neerzette
overladen met de meeste en de grootste genietingen, zonder enige aanwezige
of toekomstige smart, aan de andere kant echter [iemand overladen met]
de grootste kwellingen over zijn hele lichaam, zonder dat er enig genot
mee verbonden was of gehoopt werd, en je vroeg wie er ofwel ongelukkiger
was dan laatstgenoemde, of gelukkiger dan die eerstgenoemde; vervolgens
concludeerde je dat het ergste kwaad de smart is en het hoogste goed
het genot!
Er was [een zekere] L. Thorius Balbus, die jij je niet kunt herinneren.
Hij leefde zo dat er geen enkel zo exquise genot kon worden gevonden,
dat hij er niet een overvloed aan had. Hij was én begerig naar
genietingen én hij had verstand van dat soort [dingen] én
was er rijkelijk van voorzien, [hij was] zozeer niet bijgelovig dat
hij al die (zeer vele) offers en heiligdommen in zijn vaderland verachtte,
zó niet bang voor de dood, dat hij in de strijd voor de staat
gedood is. Hij bakende de begeerten niet af aan de hand van (met) de
indeling van Epicurus, maar aan de hand van zijn eigen bevrediging.
Toch hield hij rekening met zijn gezondheid: hij gebruikte zodanige
oefeningen, dat hij dorstig en hongerig aan de maaltijd kwam, dát
voedsel, dat en het lekkerst was en tevens het eenvoudigst te bereiden,
wijn [gebruikte hij] én voor het genot én in die mate
dat het niet schaadde. Voor het overige paste hij die dingen toe, waarvan
Epicurus zegt dat ze noodzakelijk zijn voor het goede (bij weglating
waarvan Epicurus zegt dat hij niet begrijpt wat goed is). Alle smart
was afwezig; als die aanwezig zou zijn, dan zou hij die niet zonder
kracht dragen en toch meer gebruik maken van artsen dan van filosofen.
Hij had een uitstekende kleur, een volmaakte gezondheid, de grootste
charme, kortom een leven vol met een variëteit van allerlei (alle)
genietingen. Hem beschouwen jullie als gelukkig; jullie theorie dwingt
jullie daartoe. Maar ik durf niet te zeggen wie ik boven hem plaats:
de deugd zelf zal voor mij spreken en niet aarzelen om boven die gelukkige
man van jullie Marcus Regulus te plaatsen, van wie de deugd roept dat
hij, toen hij uit vrije wil (met zijn wil), gedwongen door geen enkel
geweld behalve het woord van trouw dat hij aan de vijand had gegeven,
uit zijn vaderland naar Carthago was teruggekeerd, [dat] hij toen, terwijl
hij gekweld werd met slaapgebrek en honger, gelukkiger was dan Thorius
drinkend te midden van de rozen. Hij had grote oorlogen gevoerd, hij
was tweemaal consul geweest, hij had een triomf gehouden en toch beschouwde
hij die eerdere prestaties van hem niet als zo groot en zo roemrijk
als die dood die hij vanwege zijn woord van trouw en standvastigheid
op zich had genomen; die schijnt voor ons, als we het horen, deerniswekkend,
maar voor hem die het meemaakte was het vol van genot. Want niet door
vrolijkheid, noch door uitgelatenheid noch door gelach of scherts, de
metgezel van lichtzinnigheid, (maar) door kracht en standvastigheid
is men dikwijls, ook terwijl men droevig is, gelukkig.
Somnium
Scipionis / De republica VI
11
'Zie
je die stad die, nadat zij door mij is gedwongen te gehoorzamen aan
het Romeinse volk, oude oorlogen weer hervat en de vrede niet kan bewaren?'
En hij toonde Carthago vanaf een zekere plaats, hooggelegen en vol sterren,
schitterend en helder. 'En de stad waarheen jij komt om hem te bestrijden,
nu bijna als gewoon soldaat, deze zul jij binnen twee jaar als consul
verwoesten en je zal die bijnaam bezitten als iets voor jou door jou
[zelf] verworven, die je tot dusverre bezit als iets dat je hebt geërfd
van mij. Maar wanneer je Carthago verwoest zult hebben <nl. in 146
v. Chr.>, een triof gehouden zult hebben en censor zal zijn geweest
<nl. in 142 v. Chr.> en je als onderbevelhebber naar Egypte, Syrië,
Azië, Griekenland gegaan zult zijn, zul je weer tot consul gekozen
worden <nl. in 134 v. Chr.> in jouw afwezigheid en zul je een
zeer grote oorlog voltooien, je zult namelijk Numantia vernietigen <nl.
in 133 v. Chr.>. Maar wanneer je het Capitool in triomf binnen getrokken
zult zijn op een zegewagen, zul je de republiek ontregeld (verward)
aantreffen door de plannen van mijn kleinzoon.'
13
- 17
'Maar
weet dit goed, opdat jij, Africanus, meer gedreven bent voor het beschermen
van de staat: dat voor allen die het vaderland hebben behouden, geholpen
en vergroot, een zekere plaats bepaald is in de hemel, waar zij gelukkig
genieten van het eeuwige leven; want voor die hoogste god, die de hele
wereld bestuurt, is er niets welkomer, wat tenminste op aarde gebeurt,
dan verenigingen en samenlevingen van mensen, verbonden door het recht,
die staten genoemd worden; de bestuurders en beschermers van deze [staten]
keren hierheen terug, nadat ze hiervandaan vertrokken zijn.'
Op dit punt, hoewel ik geschrokken was niet zozeer uit angst voor mijn
dood, als voor de aanslag van de kant van mijn familie, vroeg ik toch
of hij zelf leefde en mijn vader Paulus en de anderen van wie wij dachten
dat ze dood waren. 'Sterker nog.' zei hij, 'zij leven, die uit de kluisters
van het lichaam ontsnapt zijn als het ware als uit een gevangenis, maar
wat 'jullie leven' genoemd wordt, [dat] is de dood.'
'Waarom
kijk je niet naar je vader Paulus die op je afkomt?' En toen ik hem
zag, vergoot ik stellig een massa tranen, maar hij verhinderde dat ik
huilde, terwijl hij me omarmde en kuste. En zodra ik weer een beetje
in staat was te spreken (begon te kunnen spreken), nadat de tranen bedwongen
waren, zei ik: 'In 's hemelsnaam, eerbiedwaardigste en beste vader,
omdat dit het leven is, zoals ik Africanus <nl. Scipio Maior>
hoor zeggen, wat treuzel ik dan nog op aarde? Waarom haast ik me niet
hier naar jullie te komen?' 'Nee, zo is dat niet [zoals jij dat zegt],'
zei hij. 'Want alleen wanneer die god, van wie dit hemelse gebied in
zijn geheel is dat jij ziet, jou bevrijd zal hebben uit die gevangenis
van het lichaam, kan voor jou de toegang hierheen openstaan. Want de
mensen zijn op die conditie geschapen, dat zij deze aardbol beschermen,
die je in het midden van dit heilige gebied ziet, die 'aarde' genoemd
wordt, en aan hen <nl. die mensen> is een ziel gegeven (ontsproten)
uit de eeuwige vuren, die jullie sterren en planeten noemen, die rond
en bolvormig, bezield met goddelijke ziel hun cirkelvormige banen maken
met verbazingwekkende snelheid. Daarom moet en door jou, Publius, en
alle toegewijde mensen de ziel in de gevangenis van het lichaam vastgehouden
worden en men mag niet zonder bevel van hem, door wie deze <animus>
aan jullie gegeven is, uit het leven van de mensen verhuizen, opdat
jullie niet de taak van de mensen, toegekend door de god, ontvlucht
lijken te zijn. Maar houd, Scipio, zoals jouw grootvader hier, zoals
ik, die jou verwekt heb, rechtvaardigheid en toewijding hoog in het
vaandel, die zowel wat betreft je ouders en verwanten van groot belang
is, als ook wat betreft het vaderland van het grootste belang; dit leven
is de weg naar de hemel en naar de samenkomst van hen, die het [aardse]
leven al volbracht hebben en, nadat ze bevrijd zijn uit het lichaam,
deze plaats bewonen, die je ziet - en dit was de baan tussen de sterren
<flammas> die schitterde met de stralendste glans -, die
jullie, zoals jullie hebben overgenomen van de Grieken, 'melkweg' noemen.'
Daarna
schenen alle andere dingen mij, terwijl ik ze bekeek, zeer helder en
buitengewoon. En die planeten waren er, die wij nog nooit hebben gezien
vanaf deze plek <nl. de aarde> en die massa's van alle [hemellichamen]
waarvan wij nooit vermoed hebben dat ze bestonden, waarvan die [stella]
de kleinste was <nl. de maan>, die het verst van de hemel af was,
[maar] het dichtst bij de aarde scheen met licht van een ander <nl.
van de zon>. Maar de bollen van de planeten overtroffen (overwonnen)
gemakkelijk de grootte van de aarde. Werkelijk leek de aarde zelf mij
zo klein te zijn, dat ik ontevreden was over ons rijk waarmee wij als
het ware een stipje hiervan (<van de aardbol> beslaan (raken).
En toen ik meer hiernaar <nl. de aarde> keek, zei Africanus: 'Alsjeblieft,
hoe lang nog zal jouw geest op de aarde gefixeerd zijn? Zie je dan niet
in welke heilige gebieden je bent gekomen. Alle <templa>
zijn - zoals je ziet - door negen kringen of liever sferen verbonden,
waarvan er één de hemelse is, de verst verwijderde, die
alle overige [sferen] omvat, de hoogste god zelf, die de overige insluit
en bijeenhoudt; daarin zijn die banen van de sterren vastgezet, die
eeuwig ronddraaien. Daaronder <nl. de hemelse sfeer> zijn zeven
[sferen] geplaatst, die terugdraaien met een beweging tegengesteld aan
de hemel. Van deze [sferen] bezit die <stella>, die zij
op aarde Saturnus noemen, de hoogste sfeer. Vervolgens is er die voor
het menselijk geslacht voorspoedige en gunstige glans, waarvan men beweert
dat deze Jupiter toebehoort. Dan de rossige en voor de aarde angstaanjagende,
die jullie [de sfeer] van Mars noemen. Eronder dan bezit de Zon ongeveer
het gebied in het midden, leider, aanvoerder en bestuurder van de overige
lichten. De ziel (bezieling) en ordenende kracht van de wereld, van
zo'n grootte, dat zij alles met haar licht verlicht en vervult. Deze
volgen als metgezellen van Venus enerzijds [de baan] en anderzijds de
baan van Mercurius, en in de onderste sfeer draait de Maan, ontstoken
met de stralen van de zon. Daaronder echter is verder niets dan het
sterfelijke en vergankelijke uitgezonderd de zielen, die als een geschenk
van de goden aan het geslacht der mensen zijn gegeven, boven de Maan
zijn alle dingen eeuwig. Want zij, die in het midden en de negende <sfeer>
is, de Aarde, beweegt niet en is de laagste en alle zware voorwerpen
worden naar haar <nl. de aarde> geleid door hun eigen zwaartekracht.'
20
- 23
Hoewel
ik deze dingen bewonderde, liet ik mijn ogen toch telkens weer naar
de aarde gaan; dan zegt Africanus [Maior]: 'Ik merk dat jij zelfs nu
staart naar de zetel en het huis van de mensen; en als deze [aarde]
jou zo nietig schijnt, zoals hij ook is, moet je vanaf nu altijd naar
deze hemelse dingen hier kijken en de aardse dingen daar versmaden.
Want welke verheerlijking voortkomend uit het gesprek van mensen of
welke roem die het waard is om nagestreefd te worden, kan jij najagen?
Je ziet dat men op aarde woont op schaarse en nauwe plaatsen en dat
op die <nl. locis>, als het ware vlekken, waar gewoond
wordt, weidse eenzame streken ertussen liggen en dat zij, die de aarde
bewonen, niet alleen zo gescheiden zijn, dat zich niets onderling van
de een naar de ander kan verbreiden, maar ook dat zij deels schuin,
deels naast gelegen, deels tegengesteld staan ten opzichte van jullie.
En van hen kunnen jullie zeker geen enkele roem verwachten.
En je ziet verder dat dezelfde aarde als het ware omkranst en omgeven
is met bepaalde zones, waarvan je ziet dat er twee [zones], die het
verst uit elkaar gelegen zijn en aanbeide kanten liggend precies onder
de hemelpolen, stijf zijn geworden door de sneeuw, maar dat die middelste
en grootste [zone] verdroogd is door de hitte van de zon. Twee [zones]
zijn er bewoonbaar, waarvan die zuidelijke [zone], waarvan de bewoners
jullie tegenvoeters zijn (waarop diegenen, die erop lopen, hun voetstappen
tegenovergesteld aan jullie drukken), op geen enkele manier in verband
staan met jullie soort; maar die andere blootgesteld aan de noordenwind,
die jullie bewonen, zie met wat voor een klein deel die jullie raakt.
Want het hele gebied dat door jullie bewoond wordt, smal aan de toppen,
breder aan de zijkanten, is in zekere zin een klein eiland, omgeven
door die zee die jullie op aarde de Atlantische, de Grote of de Oceaan
noemen, waarvan je toch ziet hoe klein hij is, hoewel van zo grote naam
(ook al heeft hij zo grote naam). Uit precies deze [door ons] bebouwde
en [aan ons] bekende landen kan toch niet jouw [naam] of de naam van
iemand van ons ofwel het Kaukasusgebergte hier, dat je ziet, overklimmen
ofwel de rivier de Ganges daar overzwemmen? Wie zal in de overige uiterste
gebieden van de opgaande of de ondergaande zon of van de noordenwind
of zuidenwind jouw naam horen? Nadat deze [gebieden] zijn afgesneden
zie je inderdaad in wat voor nauwe gebieden jullie roem zich wil verspreiden.
Maar zij die over ons spreken, hoelang zullen zij spreken?
Ja zelfs, als dat nageslacht van toekomstige mensen van de ene [generatie]
op de andere [generatie] wil overleveren aan de nakomelingen de lof
van een ieder van ons die ze hebben gehoord (die is vernomen) van de
voorouders, kunnen wij toch vanwege de overstromingen en branden van
de landen, waarvan het noodzakelijk is dat ze op een zeker moment plaats
vinden, niet alleen geen eeuwige, maar zelfs geen langdurige roem verkrijgen.
Maar wat doet het er toe dat er door hen, die later geboren zullen worden,
een gesprek over jou zal zijn, wanneer er door hen geen enkel [gesprek]
geweest is, die voor jou geboren zijn?
25
Daarom,
als je zou wanhopen aan je terugkeer naar deze plaats, waarop de grote
en voortreffelijke mannen al hun streven richten (waarop alles gericht
is voor de grote en voortreffelijke mannen), hoe belangrijk is die roem
van de mensen dan wel, die zich nauwelijks kan uitstrekken tot een heel
klein deel van één wereldjaar? Dus, als je je blik omhoog
zal willen richten en zowel deze plaats als het eeuwige huis zal beschouwen,
zul je je zeker niet overgeven aan de gesprekken van het gewone volk,
noch je levensideaal zoeken in menselijke beloningen; [maar] deugd <virtus>
zelf met haar 'verlokkingen' moet jou trekken naar ware roem, [en] in
welke mate anderen over jou praten, laten zij zich daar zelf maar om
bekommeren, maar ze zullen toch [wel] praten. Maar al dat gepraat wordt
én ingeperkt door die nauwe gebieden van de zones die je ziet,
én nooit was het ook maar over iemand eeuwigdurend én
het wordt vernietigd door de dood van mensen en het verstomt door het
feit dat het nageslacht vergeet.'
29
Jij
moet deze [natuurlijke kracht van de ziel] met de beste zaken bezighouden!
Maar de beste [zaken] zijn de zorgen om het welzijn van het vaderland,
waardoor in gang gebracht en waarin geoefend de ziel sneller naar deze
plaats en zijn huis zal vliegen, en dit zal hij vlugger doen, als hij
al, wanneer hij ingesloten in het lichaam zal zijn, eraan zal ontstijgen
en terwijl hij die dingen die er buiten zullen zijn, beschouwt, zich
zover mogelijk zal afkeren van het lichaam. Want de zielen van hen die
zich hebben overgegeven aan lichamelijke genoegens en zich als het ware
als ondergeschikte hiervan < voluptatibus corporis> hebben
aangeboden en door de aandrang van lusten die aan wellust gehoor gaven,
de rechten van goden en mensen hebben geschonden, draaien rond rondom
deze aarde, nadat ze uit de lichamen ontsnapt zijn en, tenzij opgejaagd
gedurende vele eeuwen, keren zij niet terug naar deze plaats.'
Hij is weggegaan en ik ben wakker geworden uit mijn slaap.
De
domo sua 73 - 76
Want
welk openbaar adviescollege is er op aarde, zo groot of zo klein, dat
het niet over mijn prestaties die dingen heeft geoordeeld die voor mij
het meest gewenst en het mooist waren? Het hoogste adviescollege van
het Romeinse volk en van alle volkeren en naties en koningen is de senaat:
die heeft besloten dat allen die wilden dat de staat behouden bleef,
zouden komen om mij alleen te verdedigen en zij toonde dat de staat
geen stand had kunnen houden als ik er niet geweest was, en dat er helemaal
geen staat zou zijn als ik niet was teruggekeerd. Het dichtst bij deze
rang staat (is) de ridderstand: alle genootschappen voor het innen van
alle overheidsbelastingen hebben over mijn consulaat en mijn prestaties
de meest eervolle en luisterrijke besluiten genomen. De secretarissen,
die zich samen met ons bezighouden met de financiën en staatsdocumenten,
hebben niet gewild dat hun oordeel en conclusie over mijn weldaden jegens
de staat verborgen bleven. Er is in deze stad geen enkel genootschap,
er zijn geen dorpsbewoners en geen bewoners van de heuvels - onze voorouders
wilden immers dat er ook voor het stadsproletariaat bijeenkomsten en
als het ware bepaalde vergaderingen waren - die niet op zeer eervolle
wijze niet alleen over mijn behoud, maar ook over mijn waardigheid besloten
hebben. Want waarom zou ik die goddelijke en onsterfelijke besluiten
van de steden en de koloniën en van heel Italië vermelden,
langs welke treden om zo te zeggen ik het gevoel heb tot de hemel te
zijn opgestegen, [en] niet slechts naar het vaderland te zijn teruggekeerd?
Maar wat was dat voor een dag, toen het Romeinse volk, terwijl jij,
Publius Lentulus, een wetsvoorstel over mij indiende, zelf zag en merkte
hoe groot het was en hoeveel waardigheid het bezat! Want het staat vast
dat het Marsveld nooit bij enige vergadering (bij geen vergaderingen
ooit) geschitterd heeft door zo'n grote drukte, zo'n grote schittering
van mensen van iedere soort, van leeftijden en standen. Ik laat onvermeld
het unanieme oordeel en de unanieme eensgezindheid van de staten, de
naties, de provincies, de koningen, kortom de hele wereld, over mijn
verdiensten jegens alle stervelingen: mijn aankomst en mijn intrede
in de stad, hoe waren (was) die? Heeft het vaderland mij zo ontvangen,
zoals ze het licht en de redding, die aan haar was teruggegeven en voor
haar hersteld, moest ontvangen, of als een wrede tiran, wat jullie,
handlangers van Catilina, over mij plachten te zeggen? Dus die ene dag,
op welke dag het Romeinse volk mij vanaf de poort naar het Capitool
en vandaar naar huis, begeleid door zijn toeloop en blijdschap, heeft
geëerd, was voor mij tot zoveel vreugde, dat het mij toeschijnt
dat ik dat misdadige geweld van jou niet alleen niet had moeten terugdrijven,
maar zelfs had moeten stimuleren. Dus die ramp, als die zo genoemd kan
worden, vernietigde deze gehele soort van lasterpraat, op die manier
dat niemand meer mijn consulaat durft te bekritiseren, dat door zoveel,
zo grote, zo luisterrijke oordelen, getuigenissen, besluiten is goedgekeurd.
Maar als je in die lasterpraat van jou mij niet alleen geen enkel verwijt
voor de voeten werpt, maar zelfs mijn roem aan het licht brengt, wat
kan er dan bestaan of verzonnen worden dat dwazer is dan jij? Want met
één lasterlijke uitspraak geef je toe dat het vaderland
tweemaal door mij gered is: eenmaal toen ik dat deed waarvan niemand
ontkent (allen niet ontkennen) dat het, als dat kan gebeuren, aan de
onsterfeloijkheid moet worden toevertrouwd, maar waarvan jij vond dat
het met de dood bestraft moest worden, de tweede keer, toen ik de razende
aanval van jou en van velen naast jou op alle fatsoenlijke mensen met
mijn lichaam heb opgevangen, opdat ik niet de staat die ik ongewapend
had gered, gewapend in gevaar zou brengen.
Pro
Sestio
98
Wat
is dan het voornemen voor die leiders van de staat, dat ze in het oog
moeten houden en waarop zij hun koers moeten richten? Dat wat het voortreffelijkst
is en het meest gewenst door alle gezonde, goede en gelukkige mensen,
vrij zijn van maatschappelijke functies met behoud van de waardigheid.
Zij die dit willen, worden allen beschouwd als optimaten, zij die dit
bereiken, als de beste mensen en beschermers van de staat; want het
is ook niet goed dat zij zich zo laten meeslepen door de waardigheid
van het uitoefenen van ambten, dat zij geen voorzorgsmaatregelen treffen
voor hun vrije tijd en [het is ook niet goed] dat zij een grote waarde
toekennen aan enige vorm van vrije tijd, die niet in overeenstemming
is met hun waardigheid. En dit zijn de grondslagen van deze waardigheid
zonder publieke functie, dit zijn de elementen, die door de leiders
beschermd moeten worden en zelfs met gevaar voor het leven verdedigd
moeten worden: religieuze gebruiken, voortekens, macht van de magistraten,
gezag van de senaat, de wetten, de gewoonten van de voorouders, vonnissen,
rechtspraak, trouw, onze provinciën, de bondgenoten, de roem van
het rijk, het leger en de staatskas.
136
- 139
Maar
opdat mijn redevoering een einde heeft en opdat ik een eind aan het
spreken maak voordat jullie [een eind maken aan] het zo aandachtig naar
mij luisteren, zal ik dit [betoog] afronden over de optimaten en hun
leiders en beschermers van de republiek, en jullie, jonge mannen, die
van adel zijn, zal ik aansporen tot imitatie van jullie voorouders,
en (jullie) die roem kunnen verkrijgen door talent en deugd, zal ik
aansporen tot die handelwijze waarmee vele 'nieuwe mensen' in overvloed
eer en roem hebben verkregen. Dat is de enige weg, geloof mij, naar
(van) lof, en waardigheid en eer, [namelijk] geprezen en hooggeacht
te worden door goede, wijze mannen met een van nature goede aanleg;
[en] de indeling van de staat te kennen, die op zeer wijze manier is
vastgesteld door onze voorouders; en zij, toen zij de macht van de koningen
niet (langer) konder verdragen, hebben magistraten voor een jaar zo
gekozen, dat zij de senaatsvergadering permanent aan het hoofd van de
republiek stelden, en verder dat zij <nl. de senatoren> werden
gekozen in deze raad door het gehele volk en dat de toegang tot deze
hoogste klasse openstond voor inspanning en deugd van alle burgers.
Zij hebben de senaat ingesteld als bewaker, beschermer en voorvechter
van de republiek; zij wilden dat de magistraten zich richtten naar het
gezag van deze klasse en dat zij als het ware dienaren waren van de
zeer gewichtige raad; en zij wilden dat de senaat zelf het aanzien van
de klassen die er direct onder staan versterkte, de vrijheid en belangen
van het volk bewaakte en vergrootte.
Wie deze dingen verdedigen voor zover het in hun vermogen ligt, zijn
'optimaten', van welke klasse ze ook maar zijn; en wie bij uitstek zulke
grote taken en het bestuur van de republiek op hun schouders dragen,
zij zijn altijd beschouwd als de leiders van de optimaten, de makers
en beschermers van de republiek. Ik beken dat dit soort mannen (aan
dit soort mannen), zoals ik eerder heb gezegd, vele tegenstanders, vijanden
en afgunstigen heeft (zijn), dat ze blootgesteld worden aan vele gevaren
(dat hen vele gevaren in het vooruitzicht gesteld worden), dat ze veel
onrecht lijden (dat hen veel onrecht wordt aangedaan), dat ze grote
inspanningen moeten ervaren en op zich moeten nemen (dat door hen grote
inspanningen ervaren moeten worden en op zich genomen moeten worden);
maar mijn hele redevoering hangt samen met deugd, niet met luiheid,
met waardigheid, niet met plezier, met hen die menen dat zij voor het
vaderland, die voor hun medeburgers, die voor lof, die voor roem, die
niet voor het slapen, de feestelijke diners en amusement geboren zijn.
Want als sommigen geleid worden door pleziertjes en zich hebben overgegeven
aan de verleidingen van ondeugden en de verlokkingen van begeertes,
moeten zij worden ontslagen uit hun ambt, opdat zij de republiek niet
raken, moeten zij [maar] laten gebeuren dat zij genieten van hun vrije
tijd dankzij de inspanning van de sterke mannen. Maar zij, die een goede
naam bij de goede mensen nastreven, wat als enige naar waarheid roem
genoemd kan worden, moeten voor anderen rust zoeken en plezier, niet
voor zichzelf. Er moet door hen gezweet worden voor het algemeen belang,
vijandig gedrag moet getrotseerd worden en stormachtige tijden moeten
in het belang van de staat vaak doorstaan worden: met vele overmoedigen,
slechteriken en vaal zelfs met machtigen moet gestreden worden. Deze
dingen hebben wij gehoord over de plannen en daden van de beroemdste
mannen, deze dingen vernamen we <nl. van de voorouders> en lazen
we. En we zien niet dat zij in ere gesteld zijn die ooit de harten van
[de mensen uit] het volk hebben aangezet tot opstand, of die met royale
schenkingen de geest van de onkundigen hebben verblind, of die dappere
en beroemde mannen die zich op goede wijze verdienstelijk hebben gemaakt
voor de staat, op een of andere manier gehaat hebben gemaakt. Onze mensen
hebben deze [mensen] altijd gehouden voor lichtzinnige en overmoedige
en slechte en gevaarlijke burgers. Maar inderdaad diegenen, die hun
aanvallen en pogingen hebben gestopt, die met gezag, die met trouw,
die met standvastigheid, die met grootheid van karakter de plannen van
de overmoedigen hebben weerstaan, zij zijn altijd als de eerbiedwaardigen,
zij zijn als de voornaamsten, zij zijn als de leiders, zij zijn als
de makers van deze waardigheid en dit rijk beschouwd.
Ad
familiares
V.12.1 - 3
M.
Cicero groet L. Lucceius, de zoon van Quintus
Een soort bijna beetje boerse schaamte heeft me vaak ervan afgehouden,
terwij;l ik het probeerde, persoonlijk met jou diezelfde dingen te bespreken,
die ik nu in jouw afwezigheid nogal vrijmoedig uiteen zal zetten; want
een brief bloost niet.
Ik sta in brand door een ongelooflijk verlangen, maar niet één,
naar ik meen, dat bekritiseerd moet worden, dat mijn naam in jouw geschriften
geprezen en geroemd wordt. En hoewel jij mij vaak belooft dat je dit
zal doen, toch zou ik willen dat je me mijn ongeduld vergeeft. Want
de stijl van jouw geschriften, hoewel ik er altijd de hoogste verwachting
over had (hoewel het door mij altijd hevig verwacht was), overtrof toch
mijn verwachting en het heeft me ofwel zo gegrepen ofwel in brand gezet,
dat ik ernaar verlangde dat mijn daden zo snel mogelijk aanbevolen worden
in jouw geschriften. Want niet alleen [het idee van] de vermelding door
het nageslacht en een soort hoop op onsterfelijkheid drijft mij, maar
ook dat verlangen dat ik ofwel van het gezag van jouw getuigenis ofwel
van het bewijs van jouw welwillendheid ofwel van de charme van jouw
talent bij mijn leven kan genieten.
Want toch was ik, toen ik dit schreef, heel goed (niet niet) ervan op
de hoogte met wat voor last, ten gevolge van de taken die je hebt opgenomen
en al bent begonnen (van deze dingen, omdat ze zijn opgenomen en al
begonnen), jij werd belast. Maar omdat ik zag dat de geschiedenis van
de Italische [oorlog] en de burgeroorlog al bijna voltooid was door
jou, en jij me verder had gezegd dat jij met de rest (de overige zaken)
zou beginnen, wilde ik niet nalaten om jou te waarschuwen dat je overdenkt
of je liever mijn [zaken] in samenhang met de overige zaken zou willen
verweven, of, zoals vele Grieken hebben gedaan, [bijvoorbeeld] Callisthes
[die] de Phoenicische oorlog [heeft geschreven], Timaeus [de oorlog]
van Pyrrhus en Polybius de [oorlog] van Numantia, die allen apart van
hun ononderbroken verhaal die oorlogen, die ik noemde, hebben behandeld,
jij ook op dezelfde manier de burgersamenzwering zou [willen] scheiden
van de vijandige en buitenlandse oorlogen. Ik voor mij zie dat het niet
erg in het belang voor mijn roem is, maar het is van een zeker belang
voor mijn ongeduld dat jij niet afwacht tot jij op het punt komt en
dat jij meteen die hele zaak en periode aanpakt; en tegelijk, als jouw
totale gedachte zich zal bezighouden met één onderwerp
en met één persoon, zie ik al in gedachten hoeveel rijkelijker
en aanzienlijker alles zal zijn.
Toch ontken ik ook niet hoe onbeschaamd ik handel, die ten eerste een
zo grote last op je schouders leg (want jouw bezigheid kan mij [mijn
verzoek] weigeren)., ten tweede zelfs dringend vraag dat jij mij prijst.
En wat ervan te zeggen als die zaken jou niet zo zeer geprezen schijnen
te moeten worden? Maar toch, wie eenmaal de grenzen van terughoudendheid
is overgegaan, moet goed en met overtuiging onbeschaamd zijn. Daarom
vraag ik jou nog een keer duidelijk dat jij zowel die dingen zelfs in
hogere mate dan je wellicht voelt, prijst, als op dit punt de wetten
van de geschiedschrijving negeert en die waardering, waarover jij zeer
vriendelijk in een bepaald prooemium hebt geschreven, waardoor je laat
zien dat jij niet meer verleid kon worden dan die beroemde Hercules
van Xenophon door Genot, die <waardering>, als zij mij in jouw
ogen met te veel enthousiasme aanprijst, niet te verwerpen en aan de
liefde voor mij een beetje meer te schenken dan de waarheid toestaat.
XIV.4.1
- 4
Cicero
groet zijn Terentia, Tullia en Cicero
Ik stuur jullie minder vaak een brief dan ik kan, omdat, terwijl al
mijn momenten (tijden) ongelukkig zijn, ik dan zeker, wanneer ik aan
jullie schrijf of wanneer ik jullie [brieven] lees, zo door tranen word
overmand, dat ik het niet kan verdragen. Ach, was ik maar minder verlangend
naar het leven geweest! Zeker zou ik [dan] niets of niet veel slechts
in mijn leven gezien hebben. Maar als het lot mij heeft bewaard voor
een of andere hoop om ooit enig voordeel terug te winnen, dan heb ik
mij minder vergist; als deze rampen vast zijn, wil ik jou zeker, mijn
schat, zo spoedig mogelijk zien en in jouw omarming sterven, aangezien
noch de goden, die jij zeer gewetensvol hebt vereerd, noch de mensen,
die ik altijd heb gediend, ons dank betoond hebben.
Ik ben dertien dagen in Brundisium geweest bij M. Laenius Flaccus, een
uitstekende man, die het gevaar voor zijn vermogen en zijn leven minder
belangrijk achtte dan mijn behoud en er door de straf van een zeer boosaardige
wet niet van is afgeleid om de geldende verplichtingen voor een gastvriend
en vriendschap na te komen. Ach, moge ik hem ooit mijn dankbaarheid
kunnen tonen! In ieder geval zal ik die altijd hebben. Ik ben uit Brundisium
vertrokken op 29 april. Ik ging door Macedonië naar Cyzicus.
O, ik die verloren ben, o, ik die neergeslagen ben! Wat nu? Moet ik
je vragen om te komen, een zieke vrouw, uitgeput van lichaam en geest?
Moet ik het niet vragen? Moet ik dan zonder jou zijn? Ik denk dat ik
het volgende zal doen: als er hoop is op mijn terugkeer, versterk die
dan en help de zaak; maar als, zoals ik vrees, het met mij gedaan is,
kom dan alsjeblieft, op welke manier je maar kunt, naar mij toe. Eén
ding moet je weten: als ik jou [bij mij] zal hebben, zal ik niet het
gevoel hebben geheel en al te gronde te zijn gegaan. Maar wat zal er
van mijn Tulliaatje worden? Daar moeten jullie nu voor zorgen; ik heb
geen plan. Maar in ieder geval, hoe de zaak er ook voor zal staan, moet
er gezorgd worden voor het huwelijk en de reputatie van dat arme kind.
En verder? Wat zal mijn Cicero doen? Moge hij zeker altijd op mijn schoot
en in mijn omarming zijn. Meer kan ik niet meer schrijven; het verdriet
houdt dat tegen. Hoe jij ervoor staat (wat jij hebt gedaan), weet ik
niet, of je [nog] iets bezit, of dat, waar ik bang voor ben, je geheel
beroofd bent.
Ik hoop dat Piso, zoals je schrijft, altijd onze vriend zal zijn.
XIV.20
Cicero
groet zijn Terentia
Ik denk dat ik de negende of de dag daarna in Tusculanum zal komen.
Laat alles daar in orde zijn. Want misschien zullen er meerdere mensen
bij mij zijn en, zoals ik verwacht, zullen we daar langere tijd blijven.
Als er geen kuip in de badkamer staat, zorg er dan voor dat er een is;
hetzelfde geldt voor de overige dingen die nodig zijn voor levensonderhoud
en gezondheid.
Gegroet.
Ad
Atticum
XII.14.
3
Omdat
je wilt dat ik herstel van dit verdriet, doe je zoals altijd; maar jij
bent getuige dat ik de moed niet heb opgegeven. Niets immers is geschreven
door enig iemand over het verminderen van verdriet, wat ik niet bij
jou thuis gelezen heb. Maar het verdriet overwint elke troost. Ja ik
heb zelfs gedaan, wat stellig niemand vóór mij [gedaan
heeft], om mezelf te troosten met het schrijven. En dat boek zal ik
je opsturen, zodra de kopiisten het overgeschreven hebben. Ik verzeker
je dat er geen enkele troost van dien aard is. Ik schrijf hele dagen,
niet opdat ik er iets mee opschiet, maar ik word er gedurende die tijd
door afgeleid - zeker niet afdoende (want de kracht [van het verdriet]
houdt aan), - maar ik kom toch tot ontspanning en ik stel alles in het
werk om niet het innerlijk, maar alleen het uiterlijk, als ik kan, te
herstellen, en terwijl ik dit doe, schijn ik mij soms te zondigen, soms
te zullen zondigen, als ik het niet zal doen. Eenzaamheid helpt enigszibs,
maar het zou veel meer helpen, als jij toch aanwezig was. En dat is
voor mij de enige reden om hiervandaan te vertrekken; want deze plaats
paste bij mijn ellendige toestand. Hoewel ik juist hiervan ook verdriet
heb. Want jij zal voor mij niet meer dezelfde kunnen zijn. Die eigenschappen,
waarvan jij hield, zijn verloren gegaan.
|