|
catullus
carmen
IX
Verani,
omnibus e meis amicis
antistans mihi milibus trecentis,
venistine domum ad tuos Penates
fratresque unanimos anumque matrem?
venisti. o mihi nuntii beati!
visam te incolumem audiamque Hiberum
narrantem loca, facta, nationes,
ut mos est tuus, applicansque collum
iucundum os oculosque saviabor.
o quantumst hominum beatiorum,
quid me laetius est beatiusve?
werkvertaling
Veranius,
van al mijn vrienden
de eerste met driehonderd mijl voorsprong,
ben jij thuis gekomen, bij jouw Penaten
en je gelijkgezinde broers en oude moeder?
Je bent gekomen. Wat een gelukkig nieuws voor mij!
Nu je ongedeerd terug bent, kom ik je opzoeken en luisteren,
terwijl jij vertelt over de plaatsen, daden, stammen van de Hiberiërs,
zoals jij dat altijd doet, en ik zal je om de hals vallen
en je beminnelijke mond en ogen zoenen.
Alle meer gelukkige mensen,
wat is er blijer of gelukkiger dan ik?
commentaar
Uit
carmen XII blijkt, dat Veranius in Spanje is geweest, samen met Fabullus,
ook een vriend van Catullus.
Waarschijnlijk maakten zij beiden deel uit van de staf van de proconsul
L. Piso Caesoninus in Macedonia, in 57 voor Chr., toen Catullus in
Bithynia was.
Uit dit gedicht, uit carmen XII, en uit de gedichten XIII, XXVIII
en XLVII blijkt, dat Veranius en Fabullus tot de beste vrienden van
Catullus behoorden; uit andere bronnen dan deze poëzie is er niets
over hen bekend.
metrum:
hendecasyllabus
vérani
_ ómnibus é meís amícis
ántistáns mihi mílibús trecéntis
etc
vergelijk
:
IX
Veranius,
die al mijn goede vrienden
tot in ´t oneindige te bovengaat,
ben je weer thuis in den familiekring,
thuis bij je broers, thuis bij je oude moeder?
Ja, ja je bent er. Wat een heuglijk nieuws!
Behouden zal ´k je weerzien, je verhalen
van Spanjes volk, gebruik en landschap hooren.
Ik hoor je al en ik omhels je al.
Je lieven mond en oogen kus ik al.
O menschenwereld, door geluk verwend,
blijder dan ik kan niets zijn wat gij kent.
(C.
Valerius Catullus, nagevolgd door A. Rutgers van der Loeff.
Boucher - Den Haag. MCMXXXVII.)
9
Veranius,
liefste van al mijn vrienden,
mij meer waard dan honderdduizend anderen,
ben je teruggekomen naar huis en haard,
naar je dierbare broers, je oude moeder?
Ja, je bent er! O, wat een zalig bericht!
Ik zal je heelhuids weerzien en je horen
vertellen van Spanjes steden, historie
en volken, zoals altijd, en aan je nek
hangend je lieve mond, je ogen kussen.
O. wie van alle gelukkige mensen
is er blijer of gelukkiger dan ik?
(Catullus.
Verzamelde verzen,
vertaald door Lucette M. Oostenbroek.
Dimensie, Leiden. 1986.)
|