catullus
carmen
VIII
Miser
Catulle, desinas ineptire,
et quod vides perisse perditum ducas.
fulsere quondam candidi tibi soles,
cum ventitabas quo puella ducebat
amata nobis quantum amabitur nulla.
ibi illa multa tum iocosa fiebant,
quae tu volebas nec puella nolebat.
fulsere vere candidi tibi soles.
nunc iam illa non vult: tu quoque, impotens, <noli,>
nec quae fugit sectare, nec miser vive,
sed obstinata mente perfer, obdura.
vale, puella. iam Catullus obdurat,
nec te requiret nec rogabit invitam:
at tu dolebis, cum rogaberis nulla.
scelesta, vae te! quae tibi manet vita?
quis nunc te adibit? cui videberis bella?
quem nunc amabis? cuius esse diceris?
quem basiabis? cui labella mordebis?
at tu, Catulle, destinatus obdura.
werkvertaling
Arme
Catullus, houd op dwaas te zijn,
en beschouw als verloren wat je ziet dat verloren is gegaan.
Ooit schitterden voor jou stralende zonnen,
toen jij telkens kwam waar je meisje vóór ging,
zó bemind door ons als geen bemind zal worden.
Daar gebeurden toen die vele leuke dingen,
die jij wilde en het meisje niet níet wilde.
Stralende zonnen schitterden echt voor jou.
Nu wil zij niet meer: jij ook, in je onmacht, moet niet willen,
en niet achterna zitten die vlucht, en niet ongelukkig leven,
maar verdraag het met koppige geest, word hard.
Vaarwel, meisje. Catullus wordt al hard,
zal jou niet zoeken, jou als je niet wil niet vragen:
maar jij zal verdriet hebben, wanneer je helemaal niet meer gevraagd
wordt.
Verdomde verraadster! Welk leven wacht jou nu?
Wie zal jou nu bezoeken? Wie zal jou aardig vinden?
Wie zal jij nu beminnen? Van wie zal men zeggen dat jij bent?
Wie zal jij kussen? Wie zal jij in de lippen bijten?
Maar jij, Catullus, houd vol en word hard.
metrum:
choliamben (hinkjamben):
x
-- ~ -- x -- ~ -- ~ -- -- x
x
= kort of lang
-- = lang
~ = kort
misér
catúlle désinás inéptíre
et quód vidés perísse pérditúm dúcas
fulsére quóndam cándidí tibí sóles
cum véntitábas quó puélla dúcébat
amáta nóbis quántum _ amábitúr núlla
etc
vergelijk:
Arme
Catullus, word toch eindlijk wijs!
Wat eens verloren ging, komt nooit weerom.
Eens
was het louter lentezonneschijn,
toen jij haar willig volgde, waar zij riep,
bemind, zooals geen tweede wordt bemind.
Dan was het dartelheid en minnespel.
Al wat je wou, zij liet je graag begaan.
Toen
was het louter lentezonneschijn.
Zij
wil niet meer. Wil niet, wat toch niet kan!
Loop haar niet langer na, betreur haar niet
maar wees verstandig en verman dit hart!
Vaarwel,
Catullus heeft zijn hart vermand.
Hij vraagt je bijzijn, vraagt je gunst niet meer.
En
jij ..., het zal je rouwen, maar te laat.
Rampzalige, wat zal je leven zijn?
Wie mag je naderen, je schoonheid zien?
Wie zal je liefde hebben, wie je lijf?
Wien bijt je kus, je kus, de lippen wond?
Zwijg
stil, Catullus, en verman dit hart!
(C.
Valerius Catullus, nagevolgd door A. Rutgers van der Loeff.
Boucher - Den Haag, MCMXXXVII.)
8
Catullus,
jij dwaas, stop dit zinloze gedoe:
wat je denkt dat verloren is, is verloren.
Vroeger straalden vonkende zonnen jou tegen,
toen steeds jouw weg leidde naar waar je lief voorging -
zij, door mij bemind als geen vrouw bemind zal zijn.
Daar speelden wij toen talloze spelletjes,
die jij wel wilde en de liefste niet afwees:
waarlijk, vonkende zonnen straalden je tegen.
Nu wil zij niet meer; wil dan ook niet, beheers je
en loop haar niet na die jou ontloopt, wees geen dwaas,
nee, blijf standvastig van binnen, maak jezelf sterk.
Vaarwel, liefste. Kijk, Catullus maakt zich sterk en
zal je niet zoeken, niet smeken als je niet wilt,
maar het zal pijn doen, als je geen smeekbeden hoort.
Jij verwenst wezen! Wat voor leven rest je nu?
Wie zal nu om je werven? Wiens schoonheid word je?
Wie zul jij nu beminnen? Wie toebehoren?
Wie ga je kussen? Wiens lippen ga je bijten?
Nee Catullus, houd vol in standvastigheid.
(Catullus.
Verzamelde verzen,
vertaald door Lucette M. Oostenbroek.
Dimensie, Leiden. 1986.)
Carmen
8
Arme
Catullus, houd op met je dwaze gedoe
En schuif wat je verloren hebt voorgoed terzijde
Eens lachte het zonlicht jou stralend toe
Toen je het meisje achterna liep waar ze je leidde
Dat zozeer bemind werd als geen meisje na haar.
Toen die liefde een spel was iedere keer weer
Wat jij graag wilde en ook zij verlangde ernaar
Scheen echt een stralend zonlicht op jou neer
Nu
wil zij niet meer: stop ook jij met je wild verlangen
Jaag niet na wat zij ontvlucht, leef geen ongelukkig bestaan
Maar houd vastberaden vol en laat je hoofd niet hangen
Vaarwel meisje, Catullus is al zijn eigen weg gegaan
Hij zal je niet volgen of eisen dat jij hem moet ontvangen
En jij zult treuren, wanneer niemand je meer ziet staan
Ach
jij arme meid, wat rest er jou nog voor een leven
Wie zal nu naar jou toegaan en op je schoonheid letten?
Wie zul jij nu beminnen, aan wie kun jij je nog geven
Welke man zul jij kussen, je tanden in zijn lippen zetten?
Maar jij Catullus, houd vooral je hoofd hoog opgeheven!
Vertaling: Martin Overdiek
(Bedankt, Martin!)
|