catullus

carmen LXIX

Noli admirari, quare tibi femina nulla,
Rufe, velit tenerum supposuisse femur,
non si illam rarae labefactes munere vestis
aut perluciduli deliciis lapidis.
Laedit te quaedam mala fabula, qua tibi fertur
valle sub alarum trux habitare caper.
Hunc metuunt omnes. Neque mirum: nam mala valde est
bestia, nec quicum bella puella cubet.
Quare aut crudelem nasorum interfice pestem
aut admirari desine cur fugiunt.
 

werkvertaling

. . . . . . . . . .
 

vergelijk :

69

Je moet niet verbaasd zijn, Rufus, dat geen enkele vrouw
ooit haar fijne dijen onder jou neervlijen wil,
ook al breng je haar aan het wankelen met een geschenk
van mooie stof of de pracht van een lichtend juweel.
Een kwalijk gerucht doet jou geen goed, want ze zeggen dat
bij jou in je okselholten een ruige bok woont!
Hem vrezen ze allen, en geen wonder: heel akelig
is zo'n beest, en geen mooi meisje wil daarmee slapen.
Daarom: help die onmenselijke neuzenplaag om zeep,
óf vraag je niet meer af, waarom ze op de loop gaan.

(Catullus. Verzamelde verzen,
vertaald door Lucette M. Oostenbroek.
Leiden, Dimensie. 1986.)