catullus

carmen LXVIIIA

Non possum reticere, deae, qua me Allius in re
iuverit aut quantis iuverit officiis:
ne fugiens saeclis obliviscentibus aetas
illius hoc caeca nocte tegat studium:
sed dicam vobis, vos porro dicite multis
milibus et facite haec charta loquatur anus

. . . . . . . . . .

notescatque magis mortuus atque magis,
nec tenuem texens sublimis aranea telam
in deserto Alli nomine opus faciat.
Nam mihi quam dederit duplex Amathusia curam,
scitis, et in quo me torruerit genere,
cum tantum arderem quantum Trinacria rupes
lymphaque in Oetaeis Malia Thermopylis,
maesta neque assiduo tabescere lumina fletu
cessarent tristique imbre madere genae.
Qualis in aerii perlucens vertice montis
rivus muscoso prosilit e lapide,
qui cum de prona praeceps est valle volutus,
per medium densi transit iter populi,
dulce viatori lasso in sudore levamen,
cum gravis exustos aestus hiulcat agros:
hic, velut in nigro iactatis turbine nautis
lenius aspirans aura secunda venit
iam prece Pollucis, iam Castoris implorata,
tale fuit nobis Allius auxilium.
Is clausum lato patefecit limite campum,
isque domum nobis isque dedit dominam,
ad quam communes exerceremus amores.
Quo mea se molli candida diva pede
intulit et trito fulgentem in limine plantam
innixa arguta constituit solea;
coniugis ut quondam flagrans advenit amore
Protesilaeam Laudamia domum
inceptam frustra, nondum cum sanguine sacro
hostia caelestis pacificasset eros.
Nil mihi tam valde placeat, Rhamnusia virgo,
quod temere invitis suscipiatur eris.
Quam ieiuna pium desideret ara cruorem,
docta est amisso Laudamia viro,
coniugis ante coacta novi dimittere collum
quam veniens una atque altera rursus hiemps
noctibus in longis avidum saturasset amorem,
posset ut abrupto vivere coniugio,
quod scibant Parcae non longo tempore abesse,
si miles muros isset ad Iliacos:
nam tum Helenae raptu primores Argivorum
coeperat ad sese Troia ciere viros.
Troia (nefas) commune sepulcrum Asiae Europaeque,
Troia virum et virtutum omnium acerba cinis,
quaene etiam nostro letum miserabile fratri
attulit. Ei misero frater adempte mihi,
ei misero fratri iucundum lumen ademptum,
tecum una tota est nostra sepulta domus;
omnia tecum una perierunt gaudia nostra,
quae tuus in vita dulcis alebat amor.
Quem nunc tam longe non inter nota sepulcra
nec prope cognatos compositum cineres,
sed Troia obscena, Troia infelice sepultum
detinet extremo terra aliena solo.
Ad quam tum properans fertur <simul> undique pubes
Graeca penetralis deseruisse focos,
ne Paris abducta gavisus libera moecha
otia pacato degeret in thalamo.
Quo tibi tum casu, pulcherrima Laudamia,
ereptum est vita dulcius atque anima
coniugium: tanto te absorbens vertice amoris
aestus in abruptum detulerat barathrum,
quale ferunt Grai Pheneum prope Cylleneum
siccare emulsa pingue palude solum,
quod quondam caesis montis fodisse medullis
audit falsiparens Amphitryoniades,
tempore quo certa Stymphalia monstra sagitta
perculit imperio deterioris eri,
pluribus ut caeli tereretur ianua divis,
Hebe nec longa virginitate foret.
Sed tuus altus amor barathro fuit altior illo,
qui tamen indomitam ferre iugum docuit;
nam nec tam carum confecto aetate parenti
una caput seri nata nepotis alit,
qui, cum divitiis vix tandem inventus avitis
nomen testatas intulit in tabulas,
impia derisi gentilis gaudia tollens
suscitat a cano vulturium capiti:
nec tantum niveo gavisa est ulla columbo
compar, quae multo dicitur improbius
oscula mordenti semper decerpere rostro,
quam quae praecipue multivola est mulier.
Sed tu horum magnos vicisti sola furores,
ut semel es flavo conciliata viro.
Aut nihil aut paulo cui tum concedere digna
lux mea se nostrum contulit in gremium,
quam circumcursans hinc illinc saepe Cupido
fulgebat crocina candidus in tunica.
Quae tamenetsi uno non est contenta Catullo,
rara verecundae furta feremus erae,
ne nimius simus stultorum more molesti.
Saepe etiam Iuno, maxima caelicolum,
coniugis in culpa flagrantem concoquit iram,
noscens omnivoli plurima furta Iovis.
*Atque nec divis homines componier aequum est,

. . . . . . . . . .

ingratum tremuli tolle parentis onus.
Nec tamen illa mihi dextra deducta paterna
fragrantem Assyrio venit odore domum,
sed furtiva dedit mira munuscula nocte,
ipsius ex ipso dempta viri gremio.
Quare illud satis est, si nobis is datur unis,
quem lapide illa dies candidiore notat.
Hoc tibi, quod potui, confectum carmine munus
pro multis, Alli, redditur officiis,
ne vestrum scabra tangat rubigine nomen
haec atque illa dies atque alia atque alia.
Huc addent divi quam plurima, quae Themis olim
antiquis solita est munera ferre piis:
sitis felices et tu simul et tua vita
et domus [illa], in qua lusimus, et domina,
et qui principio nobis *terram dedit aufert,*
a quo sunt primo mi omnia nata bona,
et longe ante omnes mihi quae me carior ipso est,
lux mea, qua viva vivere dulce mihi est.
 

werkvertaling

. . . . . . . . . .
 

vergelijk :

LXVIIIb

Gij weet toch hoe de valsche mingodin
mij stortte in een diepte van ellende,
toen ´t hart mij brandde als de Aetna-berg,
als ´t heete water van Thermopylae,
toen uit mijn oogen zonder oponthoud
de tranenstroomen langs mijn wangen leekten,
als op een hemelhoogen Alpentop
een heldre beek ontspringt uit ruige rots,
die neergeschoten naar het vruchtbaar dal
een drukken straatweg kruist tot lafenis
voor zweetend wandelaar, wanneer de zon
op zomermiddag ´t veld te splijten brandt.
Toen, zooals soms bij stormgezwiepte zee
een zachter wind komt uit den goeden hoek,
wanneer de wanhoop reeds ten hemel krijt,
is Allius mij zoo ter hulp gesneld.
Hij gaf zijn huis, hij gaf mij mijn geliefde,
bij hem vond onze liefde veiligheid.
Daar kwam zij tot mij met haar blanke voetjes,
daar klepperde haar muiltje menigmaal,
als, stralend, zij den drempel overschreed,
zooals in echtelijke min ontbrand
Laodamia bij Protesilaüs
den drempel overschreed, maar niet tot heil,
want ´t hemelsch heir had nog zijn offers niet.
Moog, Nemesis, mij niets zoozeer behagen,
dat ik des hemels gunst ervoor verzaak.
Hoe noode ´t altaar offerbloed ontbeert,
dat leerde zij, toen zich haar jonge man
aan haar omhelzingen onttrekken moest,
nog eer met eindelooze liefdenachten
een tweede winter had haar dorst gelescht,
zoodat z´ ook na de scheiding leven kon,
waartoe de Parcen vast besloten waren,
zoodra hij uittrok tegen Ilion.
Want om den roof van Helena trok Troje
den adel tot zich van heel Griekenland,
Troje, dat graf van Azië en Europe,
dat bitter eind van zooveel heldenmoed.
Heeft daar mijn broeder niet den dood gevonden?
O broeder, dien de bleeke dood mij nam,
wien hij het zoete levenslicht ontrukte,
met u is heel ons huis te loor gegaan,
met u is alle blijdschap heengegleden,
die in het leven mij uw liefde schonk.
Daar ligt gij nu, niet tusschen welbekenden,
niet bij de asch van bloedverwant en vriend,
maar in ´t vervloekte Ilion begraven,
in vreemden bodem ver van ´t vaderland.
(C. Valerius Catullus, nagevolgd door A. Rutgers van der Loeff.
Boucher - Den Haag. MCMXXXVII.)

 

(vervolg 68)

Ik kan het gebeuren niet verzwijgen, Muzen, waarbij
Allius mij hielp, of met hoeveel diensten hij hielp:
de in eeuwen van vergetelheid voortvliedende tijd
mag zijn inzet niet met duistere nacht omhullen.
Nee, u zal ik het zeggen, zegt gij het aan duizenden
voort, en laat gij dit papier, oud geworden, spreken,

. . . . . . . . . .

ja, moge hij na zijn dood steeds meer gekend worden,
en moge de spin die in de hoogte haar fijn web weeft
haar werk niet over Allius' vergeten naam doen!
Want u weet, hoeveel verdriet Amathusia mij gaf,
zij met de twee gezichten: hoe zij mij deed branden,
toen ik in zo'n hete gloed stond als Trinacria's berg,
als de Malische bron bij Oeta's Thermopylae,
toen mijn treurende ogen door een stroom van tranen dof
en mijn wangen door droef gedruppel vochtig bleven -
als een flonkerend beekje dat op een hemelhoge
bergtop uit groenbemoste rotsen ontspringt: wanneer
het van glooiende hellingen dalwaarts gekronkeld is,
zet het zijn loop dwars door dichtbevolkte streken voort
als verkwikking voor de reiziger, vermoeid en bezweet,
wanneer zonnebrand verzengde akkers splijten doet.
Toen - zoals zeelui ten prooi aan een zwart kolkende zee
een gedraaide wind die gunstiger waait te hulp komt,
na vurige smeekbeden tot Castor en Pollux -
zo was daar toen voor mij Allius' helpende hand.
Hij maakte ruim baan op een ontoegankelijk terrein,
hij gaf mij een thuis, een thuis voor mij en mijn Vrouwe,
waar wij samen ons aan het liefdesspel konden wijden.
Daarheen begaf zich mijn zachtvoetige glansgodin,
en zette een vonkende voet op de uitgesleten
drempel, inhoudend met een lichte klik der sandaal,
juist zoals eens Laodamia, brandend van liefde
voor haar man, naar de tevergeefs begonnen woning
van Protesilaos kwam: een offerstier had nog niet
met gewijd bloed de hemelse goden bevredigd.
Laat mij nooit iets zo zeer bekoren, gij wraakgodin, dat
ik er zo maar aan begin, tegen der goden zin!
Hoezeer het verdroogde altaar heilig bloed verlangde,
heeft Laodamia na de dood van haar heer geleerd;
net getrouwd moest zij haar man uit haar armen laten gaan,
vóór de komst van een eerste en een tweede winter
met lange nachten hun gretig liefdesspel verzadigd had,
waardoor zij met een onaf huwelijk leven kon.
De Parcen wisten dat daarvoor het moment naderde,
wanneer hij als krijger naar Iliums muren ging.
Maar eertijds, na Helena's ontvoering, begon Troje
de besten der Argivers tot zich te trekken.
Troje - verdoemd! - , Asia en Europa's gedeelde graf,
Troje, aller mannen en doden bittere as!
Zij was het die mijn broeder zijn jammerlijke dood heeft
aangedaan. O broeder, mij onzaal'ge ontnomen,
o verrukkelijk levenslicht, mijn broeder ontnomen!
Samen met jou is ook ons hele thuis begraven,
samen met jou is al mijn levensvreugde vervlogen:
haar voedde jouw zoete liefde, toen je nog leefde.
Zo ver weg nu rust hij in vreemde aarde, niet tussen
bekende graven, niet bij de as der verwanten,
nee - in gruwelijk Troje, ongeluks-Troje ligt hij,
in de grond van een land aan het einde der wereld.
Daarheen haastte zich toen de bloem der Griekse weerbaarheid,
vertelt men, de voorouderlijke haard verlatend,
opdat Paris niet ongestoord zijn plezier hebben zou
in een vredig bed, met zijn ontvoerde echtbreekster.
Daardoor is toen jou, allerschoonste Laodamia,
je echtgenoot, zoeter dan je leven, dan je ziel
ontrukt: door zo'n maalstroom had een verzwelgende golf van
liefde jou in een diepe afgrond gestort, als die
welke volgens de Grieken het moeras ontwaterde
en Pheneus' bouwland bij de Cyllene drooglegde;
de ondergeschoven zoon van Amphitryo groef hem
door splijting van het berghart zeggen ze, in die tijd
toen hij met trefzekere pijl de Stymphalische vogels
neerlegde op bevel van zijn mindere meester -
zodat de hemeltoegang door meer goden betreden
zou worden en Hebe niet voor altijd maagd zou zijn.
Maar veel dieper dan die afgrond was jouw liefde:
zij leerde jou, ontembaar, het juk toch te dragen.
Want de oude vader is zijn kleinzoon niet zo dierbaar,
die hem zijn enige dochter eindelijk nog schonk
(juist op tijd voor grootvaders rijkdom gevonden,
zijn naam in het officieel testament geregistreerd,
verlost hij de grijsaard van een aasgier, maakt een eind aan
de gemene voorpret van een voor gek staande neef),
noch beminde ooit een duivin met zo'n groot genot haar
sneeuwwitte doffer - veel schaamtelozer (zeggen ze)
dan de meest onverzadigbare vrouw ontsteelt zij hem
met haar pikkend snaveltje altijd weer de kussen.
Jij, alleen jij overtrof hun grenzeloze hartstocht,
toen je eenmaal met je blonde man verenigd was.
Weinig of niets deed nu mijn liefste voor die vrouw onder,
die dag toen ze zich in mijn armen genesteld heeft.
Her en der wiekend vonkte daar Cupido om haar heen,
de stralende, gehuld in een saffraangeel kleedje.
Maar hoewel zij met één Catullus niet tevreden is,
zal ik de enkele zijsprong verdragen van mijn
ingetogen Vrouwe: ik wil geen domme lastpost zijn.
Dikwijls verbijt ook Juno, hoogste der godinnen,
een laaiende woede over het gedrag van haar man,
Jupiters vele slippers - allen wil hij! - kennend.
Maar - het is niet juist, mensen met goden vergelijken.
[lacune?]
Laat dus die ondankbare rol van oude vader,
immers, zij kwam toch al niet door vaders rechterhand
geleid naar mijn van Syrisch parfum geurend huis,
nee, zij schonk mij in het geheim, in het holst van de nacht
haar gaven, de omarming aan haar man ontstolen.
Daarom: het is genoeg, als ze die dag die ze alleen
aan mij besteedt, met een witter kiezelsteentje merkt.
Dit geschenk, een gedicht gemaakt voor zover ik dat kon,
zend ik jou, Allius, om je talrijke diensten.
Zo zal noch dit heden, noch een verre toekomst de naam
die jij draagt met de schilfers van roest overdekken.
Mogen de goden je verder dat alles verlenen,
wat eens Themis de oprechte mens van weleer schonk.
Wees gelukkig jullie beiden, jij en je geliefde
en het huis zelf ook waar ik en mijn Vrouwe stoeiden
en de leidsman die in het begin ons onderdak bood,
hij die aan de wieg van alle zaligheden stond
en zij, mij boven allen dierbaarder dan mijzelf,
mijn zon - zolang zij leeft is voor mij het leven goed.

(Catullus. Verzamelde verzen,
vertaald door Lucette M. Oostenbroek.
Dimensie, Leiden. 1986.)
(In deze vertaling wordt 68A niet losgemaakt van 68.)