catullus
carmen LXVIII
Quod mihi fortuna casuque oppressus
acerbo
conscriptum hoc lacrimis mittis epistolium,
naufragum ut eiectum spumantibus aequoris undis
sublevem et a mortis limine restituam,
quem neque sancta Venus molli requiescere somno
desertum in lecto caelibe perpetitur,
nec veterum dulci scriptorum carmine Musae
oblectant, cum mens anxia pervigilat;
id gratum est mihi, me quoniam tibi dicis amicum,
muneraque et Musarum hinc petis et Veneris:
sed tibi ne mea sint ignota incommoda, Mani,
neu me odisse putes hospitis officium, ..
accipe, quis merser fortunae fluctibus ipse,
ne amplius a misero dona beata petas.
Tempore quo primum vestis mihi tradita pura est,
iucundum cum aetas florida ver ageret,
multa satis lusi: non est dea nescia nostri,
quae dulcem curis miscet amaritiem:
sed totum hoc studium luctu fraterna mihi mors
abstulit. O misero frater adempte mihi,
tu mea tu moriens fregisti commoda, frater,
tecum una tota est nostra sepulta domus,
omnia tecum una perierunt gaudia nostra,
quae tuus in vita dulcis alebat amor,
cuius ego interitu tota de mente fugavi
haec studia atque omnes delicias animi.
Quare, quod scribis "Veronae turpe Catullo
esse, quod hic quisquis de meliore nota est
frigida deserto tepefecit membra cubili,"
id, Mani, non est turpe, magis miserum est.
Ignosces igitur, si, quae mihi luctus ademit,
haec tibi non tribuo munera, cum nequeo.
Nam, quod scriptorum non magna est copia apud me,
hoc fit, quod Romae vivimus: illa domus,
illa mihi sedes, illic mea carpitur aetas:
huc una ex multis capsula me sequitur.
Quod cum ita sit, nolim statuas nos mente maligna
id facere aut animo non satis ingenuo,
quod tibi non utriusque petenti copia praesto est:
ultro ego deferrem, copia siqua foret.
werkvertaling
. . . . . . . . . .
vergelijk :
LXVIIIa
Dat door het lot
zoo bitterwreed geslagen
gij mij een briefje schrijft, van tranen zat,
om hulp en steun van deze hand te vragen
na schipbreuk in het schuimend zilte nat,
nu Venus u nieteens den slaap wil laten,
in eenzaamheid op uw verweduwd bed
en oude dichterwoorden u niet baten,
als minnepijn het slapen u belet,
dat is mij lief, daar gij om vriendschapswille
mij vraagt om liefdetroost en dichterwoord.
Maar ach, mijn eigen smart is niet te stillen.
Het is geen ondank voor uw gastvrij oord,
maar als gij hoort welk leed ik moet beleven
zult gij niet vragen, wat slechts blijden geven.
Toen mij voor ´t eerst de blanke toga sierde,
mijn jonkheid dartelde in lentebloei,
toen heb ik veel genoten. Welig tierde
der liefde bitterheid en zoet gestoei.
Rouw om mijn broeder deed het al verkeeren.
O broeder, dien de bleeke dood mij nam,
uw heengaan zal de blijdschap van mij weren,
nu op ons huis dit onheil nederkwam.
Met u is alle vreugde heengegleden,
die in het leven mij uw liefde schonk.
Uw ondergaan laat in het somber heden
geen plaats voor wat in lust en schoonheid blonk.
(C. Valerius Catullus, nagevolgd
door A. Rutgers van der Loeff.
Boucher - Den Haag. MCMXXXVII.)
68
Dat je mij, door
bittere omstandigheden bedrukt,
zo'n met je tranen geschreven brief zendt, dat ik jou,
een door het schuim der branding aangespoelde drenkeling,
opbeuren en van de doodsdrempel weghalen moet -
een man aan wie Venus, de heilige, geen ontspanning
in zwoele slaap gunt, eenzaam in zijn ongedeeld bed,
die de Muzen niet verkwikken met de geliefde verzen
der oude dichters, terwijl je gespannen geest waakt:
daarvoor ben ik je dankbaar, omdat je mij je vriend noemt
en mij om der Muzen gaven én die van Venus vraagt.
Maar Mallius, weet dat dit een tijd vol zorgen is voor
mij;
denk niet, ik schuw de plicht tegenover mijn gastvriend,
luister, wat voor golven van het lot mij overspoelen,
en vraag een treurende geen gaven van blijdschap meer.
Vanaf het moment
dat men mij het witte gewaad gaf,
toen de jaren der bloei hun lustige lente vierden,
heb ik heel wat afgestoeid: de godin die met zorgen
de zoete bitterheid mengt ben ik niet onbekend,
maar smart om de dood van mijn broer benam mij iedere
neiging. O broeder, mij onzalige ontnomen,
door jouw sterven heb je mijn zorgeloosheid doorbroken,
broeder, met jou is ook ons hele thuis begraven,
samen met jou is al mijn levensvreugde vervlogen:
haar voedde jouw zoete liefde toen je nog leefde!
Door diens heengaan heb ik deze genoegens en alles
wat het hart verstrooit helemaal uit mijn hoofd gezet.
Daarom, dat je schrijft 'Het is een schande, Catullus,
dat je in Verona bent, want hier warmt iedereen
die iets is zijn koude leden in een verlaten bed',
Mallius, het is geen schande, maar veeleer treurig.
Wil me dus vergeven, als ik je niet deze gaven
bereid, die de rouw mij ontnam - omdat ik niet kan.
Ik heb immers geen grote voorraad verzen meegebracht,
omdat mijn leven zich in Rome afspeelt: daar is
mijn huis, daar is mijn domein, daar breng ik mijn dagen
door;
hierheen volgt mij uit de vele maar één kleine doos.
Omdat de zaak er zo voorstaat, hoop ik niet dat je denkt,
het is onwil of gebrek aan respect mijnerzijds
dat ik aan jouw tweevoudig verzoek niet kan voldoen:
ik had zelf al wat gestuurd, als er iets was geweest.
(Catullus.
Verzamelde verzen,
vertaald door Lucette M. Oostenbroek.
Dimensie, Leiden. 1986.)
(In deze vertaling volgt de tekst van 68A onmiddellijk op
68,
en wordt 68A niet als een apart gedicht onderscheiden.)
|