catullus

carmen LI

Ille mi par esse deo videtur,
ille, si fas est, superare divos,
qui sedens adversus identidem te
spectat et audit
dulce ridentem, misero quod omnis
eripit sensus mihi; nam simul te,
Lesbia, aspexi, nihil est super mi
vocis in ore,
lingua sed torpet, tenuis sub artus
flamma demanat, sonitu suopte
tintinant aures, gemina teguntur
lumina nocte.

Otium, Catulle, tibi molestumst:
otio exultas nimiumque gestis.
otium et reges prius et beatas
perdidit urbes.

 

werkvertaling

Die man lijkt mij gelijk aan een god te zijn,
die, als het geoorloofd is, de goden te overtreffen,
die zittend tegenover je telkens weer naar je
kijkt en naar je luistert,
terwijl jij lief lacht, wat mij ongelukkige
alle zinnen ontneemt; want zodra ik jou,
Lesbia, heb gezien, is er niets over
van mijn stem in mijn mond,
maar mijn tong is verlamd, in mijn ledematen
stroomt een fijne vlam, door hun eigen geluid
suizen mijn oren, mijn ogen worden bedekt
door een dubbele nacht.

Niets doen, Catullus, is lastig voor jou:
niets doen maakt jou uitgelaten en veel te druk.
Niets doen heeft eerder koningen en gelukkige steden
te gronde gericht.

 

metrum:
sapphische strofen:

-- ~ -- x -- ~ ~ -- ~ -- -- (drie keer)
-- ~ ~ -- --
-- = lang
~ = kort
x = lang of kort
_ = de lettergrepen worden verbonden

ílle mí par ésse deó vidétur
ílle sí fas ést superáre dívos
quí sedéns advérsus idéntidém te
spéctat et aúdit
dúlce rídentém miseró quod ómnis
éripít sensús mihi nám simúl te
lésbia _ áspexí nihil ést supér mi
vócis in óre
etc.

 

vergelijk :

Sappho, fragment 31

Gelukkig als de goden lijkt
mij de man die vlak
tegenover jou zit en luistert
naar je mooie stem

en lieve lach zodat plots
mijn hart in mijn borst bonst
zodra ik naar je kijk
stokt mijn stem

mijn tong is gebroken,
een licht vuur loopt door
mijn huid, ik zie niets meer
mijn oren suizen

zweet stroomt van mij af
een beven bevangt me
ik ben groener dan gras
het lijkt of ik dood ga

maar alles is te dragen
als ...

Sappho (ca. 615 - 565? v. Chr.); vert. Paul Claes

 

Hij schijnt mij aan een god gelijk te zijn,
ja, God vergeef mij, meer zelfs dan een god,
die naast u zittend onverzadiglijk
u ziet, en hoort
uw lieven lach, wat mij, verliefden dwaas,
slaat met verbijstering; want, Lesbia,
zoodra ik u aanschouw, verstomt mijn stem,
o Lesbia,
mijn tong verstart, een fijne vlam doortrilt
mijn heele lijf, het ruischend bloed verdooft
mijn ooren, van mijn beide oogen dekt
de nacht het licht.

Niets doen, Catullus, is je heele kwaal.
Niets doen wekt overdreven sentiment.
Niets doen heeft koningsmacht ten val gebracht
en stedenbloei.

C. Valerius Catullus, nagevolgd door A. Rutgers van der Loeff.
Boucher - Den Haag. MCMXXXVII.

 

51

Die man lijkt me de gelijke van een god,
ja zelfs, zo dat mag, méér dan goden te zijn,
die, tegenover je zittend, steeds weer jou
opneemt en luistert

naar jouw lieve lach - wat mij, arme, van al
mijn zinnen berooft: want zodra ik je maar
heb aangezien, Lesbia, dan hapert mij
[de stem in mijn keel]

dan is mijn tong als verlamd, zinderend vuur
doorsiddert mijn lichaam, mijn bloed dreunt bonzend
in mijn oren, een tweevoudig nachtzwart trekt
over mijn ogen.

Niets doen, Catullus, wordt nog jouw ondergang;
niets doen maakt je te blij en overmoedig;
niets doen heeft vroeger doen vallen heersers en
bloeiende steden.

(Catullus. Verzamelde verzen,
vertaald door Lucette M. Oostenbrink.
Dimensie, Leiden. 1986.)

 

51

Hij lijkt mij gelijk te zijn aan een godheid,
hij - vergeef me - goden te overtreffen,
die terwijl hij voor je zit jou steeds aan kan
kijken en horen

hoe jij lieflijk lacht, wat mij, arme, van mijn 5
zintuigen berooft: want zodra ik jou maar
zie, verlies ik, Lesbia, het vermogen
(om iets te zeggen):

dan verstijft mijn tong, diep in lijf en leden
graast een ijle vlam, en mijn oren suizen 10
door hun eigen ruis, dubbel dekt mijn beide
ogen het duister.

Niets doen geeft, Catullus, aan jou problemen.
Jij wordt opgewonden en driest van niets doen.
Niets doen heeft zelfs steden en rijke vorsten 15
vroeger vernietigd.

(Niet eerder gepubliceerde vertaling van John Nagelkerken)